Archief beheerder

MARC COUCKE OVER MARC COUCKE

MC 1 (2)

door Marc Coucke

Ik heb vorige week ook vernomen dat mijn naamgenoot het bedrijf Omega Pharma, dat hij uit de grond heeft gestampt, verkocht heeft aan het Amerikaanse bedrijf Perrigo. Marc Coucke, die nog slechts voor ongeveer de helft eigenaar was, ontvangt bij de verkoop van zijn aandelen € 620 miljoen in cash en evenveel in aandelen Perrigo. De andere aandeelhouders (het private equity fonds Waterland, andere fondsen en een aantal kaderleden) worden uitsluitend in cash betaald.

De deal, die vorige week is aangekondigd, was voorspelbaar. Marc Coucke heeft de aandelen van Omega Pharma in 2012 van de beurs gehaald en die aandelen, die bij het grote publiek zaten, zijn voor een groot deel in handen gekomen van Waterland, een private equity speler. Op dat ogenblik is hij in de logica van de financiële markten gestapt en was er geen weg terug. Private Equity spelers worden aandeelhouder in groeibedrijven en stellen gedurende enkele jaren veel geld ter beschikking. Hun bedoeling is om na die enkele jaren intensieve begeleiding en beïnvloeding van het bedrijf eruit te stappen en hun aandelen met een mooie winst te kunnen verkopen. Zij hebben dus enkel de ‘aandeelhouderswaarde’ voor ogen. Die moet zo snel mogelijk stijgen. Om eruit te stappen worden gewoonlijk zakenbanken ingeschakeld.

Omega Pharma werd geadviseerd door Morgan Stanley. We zullen waarschijnlijk nooit te weten komen wie het initiatief tot de verkoop heeft genomen : de aandeelhouders van Omega Pharma zelf of de zakenbank. Zakenbanken zien opportuniteiten (geld) in fusies en benaderen dikwijls zelf grote bedrijven. Zij kennen de markten en weten wie in aanmerking kan komen om een ander bedrijf over te nemen. Zij kennen ook (en beïnvloeden dikwijls) de marktprijs. Zij kunnen steeds een mooi strategisch verhaal breien rond zulk een overname, maar heel hun aanpak wordt enkel gestuurd door de aandeelhouderswaarde. Het is niet verwonderlijk dat de press release er ook expliciet naar verwees : ‘We believe this strategic transaction will enhance shareholder value by further strengthening our industry-leading revenue and cash flow growth profile and by expanding market opportunities.’

Marc Coucke mag zichzelf nu wellicht ‘rijk’ noemen maar hij zit persoonlijk in een moeilijk parket en dat kan men al afleiden uit zijn uitspraken tijdens de persconferentie. Hij was jarenlang de motiverende leider en de inspirator van een succesvolle organisatie en nu moet hij voor het eerst in zijn leven een baas boven zich dulden. Dat zal wringen. Hij zal niet langer alle belangrijke(of minder belangrijke zoals sportsponsoring) beslissingen kunnen nemen. Hij hoopt wel er over tien jaar nog te staan maar dat is een illusie. Zodra hij voelt dat hij het niet meer voor het zeggen heeft en dat hij niet meer zijn oude zelf kan zijn zal zijn focus zich elders richten. Het weefsel van de organisatie die hij heeft opgebouwd zal ook verscheurd worden. De kaderleden, die dank zij hun bonus aandeelhouder geworden zijn, krijgen nu cash in handen en zullen zich niet meer op dezelfde manier voor het bedrijf inzetten als voorheen, zeker als ze aan nieuwe mensen moeten rapporteren die hun inzet en voorgeschiedenis niet waarderen.

De gewone werknemers zullen snel voelen dat er nieuwe bazen en nieuwe wetten zijn. Deze beschouwingen zijn van geen tel in dit overnamedossier. De overnameprijs stond centraal in alle discussies. Persoonlijk zal Marc Coucke zichzelf moeten heruitvinden. Hij zal zich niet langer kunnen voordoen aan zijn werknemers of het grote publiek als de populaire, vlotte en joviale jongen. Hij zal nu vooral gepercipieerd worden als de zakenman die ‘gecasht’ heeft. Ik hoop voor hem dat hij zijn ziel niet heeft moeten verkopen om te staan waar hij nu staat.

MC 2

november 15, 2014 at 10:05 am 1 reactie

DE MAN DIE HET GAS DEED BRANDEN

H 00

door Lucas Catherine


Telkens ik langs de Nieuwe Graanmarkt loop moet ik het oude Brusselse volksliedje neuriën – u kent het misschien via de versie van Urbanus: “Waale zaan de manne die de gaas doen branne, de klinken repareren en de maskes ambeteren”. Dat komt omdat op dit plein het standbeeld staat van Jan Baptist Van Helmont, de man die het gas uitvond.

H 1 statue1000vanhelmont01 Hij was, zoals op het voetstuk staat: “geboren te Brussel in 1579, overleden te Brussel in 1644. Scheikundige, physioloog, geneesheer en wijsgeer. Hij was een der grondleggers van de hedendaagse wetenschap”. En zeggen de encyclopedieën: de man die het woord en begrip gas uitvond. Daarvoor zou hij zich gesteund hebben op het Griekse woord ‘chaos’. Dat zal wel want hij las vlot Grieks, maar niet vergeten dat wij in Brussel ‘gaas’ zeggen en dat dit een homoniem is voor gaas, die heel fijne stof die wij ooit importeerden uit het Palestijnse Gaza. En nu is gas ook een heel fijne stof, net zoals gaas maar stof hier dan in een andere betekenis. Ik denk dus dat zijn moedertaal ook gespeeld heeft bij zijn keuze van dit woord.

H 2 ThermoHelmont

Van Helmont was een van de vele slachtoffers van de Leuvense inquisitie, die had in de zeventiende eeuw nog altijd haar slechte gewoontes niet afgeleerd. Hij had daar geneeskunde gestudeerd, maar verliet na graduatie (in 1599) de universiteit omwille van haar achterlijke standpunten en ging vijf jaar door Europa zwerven. Daarna ging hij publiceren en onderzoeken. Zijn werk is typisch voor een tijd waarin er nog geen onderscheid werd gemaakt tussen Chemie en Alchemie. Op zijn standbeeld ligt aan zijn voeten dan ook een alchemistenkruik.

Zijn boek De magnetica vulnerum curatione, dat ondermeer de genezende kracht van relikwieën probeerde te bewijzen werd op de index geplaatst en in 1634, een jaar nadat Galilei door de Paus werd veroordeeld, vloog ook hij de gevangenis in. Dankzij zijn rijke schoonvader en een borgtocht van 6.000 gulden kwam hij vrij, maar al de werken die hij schreef tussen 1599 en 1634 werden geconfisqueerd.
In de geschiedenis van de fysica staat Van Helmont bekend als uitvinder van de thermometer, of toch een verbetering ervan en zijn versie staat bekend als de Belgische Thermometer, die is in J-vorm met onderaan een opening, dat schrijft onder meer Dr. Fritz Burckhardt in Die Erfindung des Thermometers (1867).

Van Helmont zal verder bekend worden door zijn nogal drastische behandeling van gekken en krankzinnigen. Door ze plots met hoofd eerst in ijskoud water te gooien of ze met ijskoud water te overgieten. Frans Van Helmont, zijn zoon perfectioneerde de ‘therapie’. Ik citeer uit een medische encyclopedie die dateert uit 1778, onder het lemma ‘mania’: “Van Helmont heeft ons de nuttigheid van dit geneesmiddel doen kennen; een enkel toeval had hem zulks geleert; men vervoerde op een wagen een krankzinnig Handwerksman, die middel vindende zich van de ketenen te ontdoen, waar mede hij gekluistert was, in een diepe waterkolk sprong: Men trok er hem uit , denkende dat hij dood was, maar weinig tijds daar na gaf hij tekens van leven en gezondheid, en hij leefde nog een geruimen tijd naderhand, zonder door eenige krankzinnigheid overvallen te worden. Van Helmont, door dit voorbeeld aangemoedigt, beproefde, zedert, dat middel op verscheidenen krankzinnigen, en bijna altoos met een volmaakte uitslag ; behalven zegt hij, wanneer men voor het leven der Zieke beducht zijnde, hem niet lang genoeg onder water liet.” Mislukkingen werden dus toegeschreven aan een te korte ‘behandeling’. Verder leefde het idee dat deze methode de ideeën van de zieke deed veranderen.

H 3 van-helmont-1694ad-houdini-water-torture

Deze methode heeft de fameuze illusionist Houdini geïnspireerd tot een stunt om met het hoofd omlaag een recordtijd onder water te blijven. Maar er is meer, ook de waterfoltering die de Nazi’s tijdens WO II tegen Belgische verzetstrijders gebruikten en die later onder de naam waterboarding door de Amerikanen werd overgenomen in hun “strijd tegen het terrorisme, gaat terug op deze oorspronkelijk genezend bedoelde methode.

Van Helmont zou ook een Rozenkruiser, dat zijn voorlopers van de Loge, zijn geweest. Daarom liggen er op zijn standbeeld aan de Graanmarkt ook rozenknoppen aan zijn voeten.
Dankzij zijn ‘alchemistisch’ getinte geschriften is hij nu vooral bekend bij aanhangers van alchemie en New Age. Je kan op hun internetsites zelfs bedovertrekken en flipflops kopen met zijn beeltenis op.

H 4 van_helmont_and_an_alchemi_flip_flops

november 9, 2014 at 1:28 pm Een reactie plaatsen

DE STADSDICHTER VAN DE REPUBLIEK BRUSSEL

LK 0 Jan-Baptiste Houwaert

door Lucas Catherine

Mijn vrouw die de 21ste eeuw een geweldige eeuw vindt, kijkt graag naar tv-series, genre Breaking Bad. Dankzij dvd’s kijkt ze de laatste dagen wel drie afleveringen per dag.
Ik, die heimwee heb naar de 19de eeuw ontcijfer liever standbeelden van toen. Ze bewegen niet en zijn moeilijker te begrijpen. Vrienden vertellen je wat je op tv moet zien. Standbeelden, vertellen vaak weinig uit zichzelf en vooral, je moet ze zelf zoeken. Iedereen loopt er voorbij, niemand die je zegt: oh, die moet je eens gaan zien. Alleen het toeval helpt.

Vroeger was er op het Houwaertplein in Sint-Joost-ten-Node een Grieks restaurant dat bekend stond om zijn kokalakia, gegrilde lamsribbetjes. Mijn kinderen wilden er iedere zondag gaan eten. Nu is dat een Turks café, waar ik nooit kom en er rechtover is een wasserette Houwaert en een Brasserie Houwaert. Ik heb altijd gedacht, Houwaert, die moet hier vroeger burgemeester zijn geweest, maar nooit ben ik naar het borstbeeld van de man dat op het plein prijkt gaan kijken. Tot nu 30 jaar later.
Een wat norse man met onder zijn baard een rolkraag die typisch was in de zestiende eeuw. En een Brusselse held uit de tijd van onze Geuzenrepubliek (1576-1585).

LK 2 PlaceHouwaert 003

Onder zijn borst prijkt een bronzen medaillon met daarop een rits symbolen en zijn lijfspreuk Houdt Middel Mate. Die dt bij houdt wijst erop dat het monument “recent” is, negentiende-eeuws, want zelf gebruikte hij altijd Hout Middel Mate, zonder dt. Toen mocht dat nog in Brussel, een van de redenen voor mij om deze zestiende eeuw als onze Gouden Eeuw te beschouwen. Door de ronde medaillon loopt een middellijn, die extremen scheidt: linksboven staat een adelaar, symbool van snelheid en linksonder een schildpad, het dier der traagheid. Bovenrechts prijkt een hoorn des overvloeds, en onder de lijn een bedelnap. Die nap wijst er ook op dat Houwaert sympatiseerde met de geuzenopstand. Verder zien we een lauwerkrans, hij was een gevierd dichter. Dan ook nog een spade. Tijdens de Brusselse Republiek hield hij toezicht op het verstevigen van de verdedigingsgordel rond de stad. En ook nog een passer, ideaal instrument om de Middel Mate van een cirkel te kennen maar misschien ook als vroeg symbool van de vrijdenkerij, want een vrijdenker was hij. Tijd om u zijn curriculum vitae te geven.

Jan Baptist Houwaert (1533-1599) werd geboren en is gestorven in Sint-Joost ten Node. Hij is de bekendste rederijker uit de zestiende eeuw. Niet dat de rederijkers zo royaal bedeeld zijn in de geschiedschrijving van onze literatuur, maar van hem is een best-seller bekend: Pegasides pleyn (Pegasiden = Muzen), ofte den lust-hof der maechden. Wellevenskunst voor vrouwen, meer dan 60 000 regels, in 16 ‘amoreuse, poëtelycke, stichtende boecken’, een aaneenschakeling van goede lessen, doormengd met fabels en verhalen uit de geschiedenis. In het laatste boek worden aan de man zijn plichten uiteengezet. De jonkvrouwen van Brussel schonken de dichter dan ook een lauwerkrans. Die prijkt nu dus op zijn standbeeld. Het gedicht is een voorloper van Het Houwelyck van Jacob Cats.
Houwaert bezat een uitgebreide bibliotheek en zijn residentie was opgeluisterd met tapijten en schilderijen van de bekendste meesters. Hij noemde haar “Cleyn Venegien”, Klein Venetië en het lag, naar eigen zeggen, in de “schoonste contreye die in Europa mocht sijn ghelegen”. Houwaert beschreef het eigendom in tal van lyrische gedichten. De invloed van de Renaissance komt duidelijk tot uiting wanneer de dichter de geometrische aanleg van zijn tuinen verheerlijkt:

“Sy sijn soo ordentelijck gheproportioneert
Al oftse Dedalus met den passer en hant
Selfs hadde ghebout en gheprotacteert
En of den winckelhaeck ghebruyct waer aen elcken cant”.
Waarschijnlijk verwijst de passer op zijn standbeeld ook naar dit vers van hem.
Cleyn Venegien lag aan de oever van de vijvers van Sint-Joost (waar nu de waterkrachtstraat en de Kleine Dalstraat zijn), langs een brugje over de Maalbeek. Dat brugje was in 1552 speciaal daar gebouwd op vraag van Keizer Karel omdat hij dan sneller de viswarande van Linthout (Schaarbeek) kon bereiken om er te gaan vissen.

LK 3Klein Venetiën_NEW
Houwaert ging in de Brusselse herberg Den Hoorn regelmatig luisteren naar protestantse preken en in 1568 richtte hij een verzoekschrift tot de landvoogdes, Margareta van Parma om reformatorische preken in Brussel toe te staan. Daarop werd hij aangehouden door inquisiteur Grouwels, bekend als Spellekens omdat hij de ogen van de gevangenen met spelden bewerkte, en opgesloten in de Treurenborch de inquisitiegevangenis met de slechtste reputatie, eigenlijk een annex van de Sint-Goedele kathedraal. Dankzij zijn relaties kwam hij na minder dan een jaar vrij.

Na de verdrijving van het katholieke regime engageerde hij zich volop in de Brusselse Republiek en werd in 1576 hoofd-opzichter van de fortificatiewerken aan de wallen. Bij de intocht van Willem van Oranje in 1578 leidde hij de feestelijkheden. De boot waarop Oranje zijn thuisstad Brussel binnenvoer was rijkelijk versierd en beschilderd. Er stonden boompjes op waaraan guirlandes en sinaasappels hingen. De prins zat aan tafel met leden van de Staten-Generaal terwijl muzikanten de maaltijd opluisterden. Er was een hele escorte boten van de verschillende Rederijkerskamers. De leiding van deze luisterrijke intrede was dus in handen van Jan Baptist. Als stadsdichter vaarde hij mee op de boot waarin Oranje zat en droeg daar het huldegedicht voor, Declaratie van die triumphante Incompst vanden Prince van Oraingnien, binnen die Princelijcke Stadt van Brussele, geschiet in t’iaer, Duysent, vijfhondert, achtentseuentich, den achthiensten Septembris :

“ Willekom die uyt liefde als een Prince valiant
Met wijsheydt die welvaert soeckt van ’t Vaderlandt..”

Willem zal hem in 1578 trouwens benoemen tot “Conseillier ende meester van der Rekeninghe ons Heeren des Coninxks van Braband”. Minister van Financiën van Brabant.
Rederijkers als Jan Baptist Houwaert waren zich terdege bewust van hun propagandarol voor de Brusselse Republiek. Zo schrijft hij in Die clachte, ende troost van Belgica. Vermellende in wat ellendich lijden, verdriet ende cativicheydt (captiviteit), dit Nederland gevallen is…(1582):
En hadde Quintus Cursius niet geschreven
Vanden grooten Alexander verheven,
Wat souden wij weten van zijn victorie?
Ulisses fame die waer verdonckert bleven
En hadde Homerus niet verhaelt zijn leven,
Wat eere sou Scipio den grooten Africaen
Achterghelaten hebben in t’werels Ciborie?
En wat souden wij weten vanden goeden Troyaen?
En hadde Titus Livius en Plutarchus ghedaen.
Houwaert pleegde een reeks dichtwerken ten voordele van de reformatie, maar hield zich afzijdig van het Calvinisme dat hij te intolerant vond.
Zo is er “Oratie der Ambassadeuren…” een vertaling van de speech van Marnix van Sint-Aldegonde op de Rijksdag van Worms. “Die clachte ende troost van Belgica…”, “Een Tragedie van der Oorloghen” en “Die Comedie van den Peys”.
Hij was een van de sterke figuren rond Olivier Vanden Tympel, de leider van de Brusselse Republiek. Wanneer die valt op 10 maart 1585, leidt hij de onderhandelingen over de capitulatie van Brussel aan de Hertog van Parma. Hij blijft in Brussel als waarschijnlijk de enige vrijdenker die de katholieke terreur die losbreekt na de val van de stad overleeft en zal op 19 maart 1599 in zijn Klein Venetiën overlijden. Jan Baptist Houwaert krijgt eind negentiende eeuw op het Brusselse stadhuis een beeld, kant Gulden Hoofdstraat. En in Sint-Joost ten Node heeft hij dus het plein dat naar hem is genoemd en waarop zijn standbeeld staat.

Place Houwaert

Place Houwaert

Lees meer over Houwaert, de opstand tegen het katholiek regime en de Geuzenrepubliek in het pas bij EPO verschenen boek: Brussel, van Renaissance tot Republiek. Zelfde auteur.

oktober 31, 2014 at 9:50 am 3 reacties

HEBBEN WE NU ALLES GEHAD OVER DE GROOTE OORLOG?

De Commune

De Commune

 

door Jef Coeck

 

Veel toch. Films, musicals, tv-series, herdenkingen, meters boeken van wisselende kwaliteit. En weten we nu alles over dit onderwerp? Nee, dus. Er verschijnen bv. nog altijd historische werken die klemtonen leggen waar andere schrijvers overheen keken.

Volgens de Belgische historicus die zijn leven lang in Canada doceerde Jacques R. Pauwels was WO I het product van de 19de eeuw. Ze wordt doorgaans beschouwd als de ‘lange’ eeuw. Ze eindigde niet enkel in 1919, maar is volgens deze theorie ook vroeg begonnen, nl. in 1789, met de Franse Revolutie. Daarop volgden met enige regelmaat andere politieke en militaire conflicten: de Franse en Belgische revoluties van 1830, de opstanden van 1848 in diverse Europese steden, de Frans-Pruisische oorlog in 1870 met aansluitend de Commune van Parijs, Dat waren stuk voor stuk ook sociale conflicten. Het kan dus niet anders of ook de Groote Oorlog 1914-1919 (Verdrag van Versailles), was een klassenstrijd. Daarom noemt de historicus dit conflict de Groote Klassenoorlog.
JP 2

De Eerste Wereldoorlog was dus zeker niet: een louter politiek en militair gebeuren, een tragisch ‘ongeval’ van de geschiedenis, een vorm van onbegrijpelijke ‘menselijke waanzin’. Dit was een oorlog binnen de oorlog, vol berekening en hebzucht. Het ging niet enkel om een strijd van Fransen tegen de Duitsers, maar ook van Fransen tegen Fransen, en Duitsers tegen Duitsers. Een bepaalde klasse van Fransen, Duitsers en Britten ging de confrontatie aan met een heel andere klasse van Fransen, Duitsers en Britten.

De Groote Oorlog was een verticale oorlog, tussen landen en bondgenootschappen. Maar het was in elk land ook een horizontale oorlog, tussen de bovenklasse en de onderklasse. Ons is geleerd dat het een gewapend conflict tussen naties was, verder niets. De waarheid is dat de Groote Oorlog gewild en uitgelokt was door een Europese elite die gevormd werd door een symbiose van de grootgrondbezittende adel en de haute bourgeoisie, die vooral bestond uit industriëlen en bankiers.

Oorlog als bevrijding

Het kapitalisme ontwikkelde zich steeds sneller. Een verschijningsvorm of op zijn minst een bijverschijnsel ervan was het imperialisme. De essentiële functie van het imperialisme was het door oorlog veroveren of direct controleren van gebieden waar belangrijke grondstoffen te vinden waren. Die gebieden moesten dienen als afzetmarkten en de inwoners ervan als goedkope arbeidskrachten. Daardoor werden aanzienlijk hogere winsten mogelijk. De kosten, verbonden aan de imperialistische oorlogen werden gedragen door de staat. Zo werkt het ook vandaag nog, in Irak, Afghanistan… De regel is: privatisering van de winsten, socialisering van de kosten. ‘Het kapitalisme draagt de oorlog in zich zoals de wolk het onweer in zich draagt’, verklaarde de Franse socialistische leider Jean Jaurès in 1895. Enkele jaren later werd hij vermoord door een Franse nationalist.
JP 4

De socialistische partijen, die steeds meer afgleden naar het reformisme (evolutie i.p.v. revolutie) en naar de sociaal-democratie, keuren zowat overal de oorlogskredieten goed. Ook de kerken bleken geen morele of andere bezwaren te hebben tegen een winstgevend oorlogje. Niet alleen de katholieke kerk maar ook de anglicaanse in Groot-Brittanië, de lutherse in Duitsland en de ortodoxe in Rusland – dachten dat zij uit een grote oorlog groot voordeel konden halen. Het spreekt vanzelf dat hun gelovigen die in zo’n oorlog sneuvelden, recht naar de hemel gingen. Waar is het verschil met het jihadisme van de huidige islamisten? Allemaal zeggen ze in hun eigen taal: Gott mit Uns (Hitler).

De Brits-Amerikaanse historicus Adam Hochschild verwoordt het aldus: ‘De komst van de oorlog werd algemeen aangevoeld als een bevrijding en een opluchting… Net als een onweer maakte het een einde aan de spanning van de verwachtingen en het bracht opnieuw frisse lucht… Na eindeloos wachten openden nu de gordijnen en kon een groot en opwindend historisch drama aanvangen, een drama waarin de toeschouwers tezelfdertijd acteurs zouden zijn.’ (Hochschild, To End all Wars: a Story of Loyalty and Rebellion 1914-1918, Boston/New York, 2011).
JP 5

In de Tweede Wereldoorlog ging het net zo. Alleen, met nog meer middelen, mensen en verliezen. Het was echter niet bij ‘de overgrote meerderheid van het volk’, zoals Hitler geloofde, dat de opluchting en vreugde groot waren. Dat was wel het geval bij de adel en de haute bourgeoisie en bij een deel van de kleine burgerij, waartoe Hitler zelf behoorde. De oorlog die uitgebroken was, was de door hen gewilde oorlog waarmee ze het democratiseringsproces wilden terugschroeven, het socialisme overwinnen en het risico op revolutie definitief elimineren.

En ook dit was tegelijk een verticale en horizontale oorlog: tussen landen en in elk land tussen klassen. De bovenklasse bestond uit de adel en de haute bourgeoisie, de onderklasse werd (wordt) gevormd door de kleinburgerlijke en de proletarische massa. De laatsten waren de ‘classes dangereuses’, de dreigende massa die opgestookt door de socialisten al sinds tientallen jaren onrustig waren en via het democratiseringsproces al te veel vooruitgang hadden geboekt. De elite beschouwde de verlossende oorlog als een strijd tegen democratie, revolutie, internationalisme en pacifisme.

En de derde?

Slechts in één land was de socialistische (communistische) revolutie gelukt, met vooruitzicht op democratie en pacifisme: Rusland, a.k. de Sovjet-Unie. Voor de relatief hoge graad van welvaart en democratie die West-Europa na 1945 bereikte, aldus Pauwels, moeten we dus vooral Lenin en Stalin dankbaar zijn, ook al wordt dit duo door westerse historici en media als on- en antidemocratisch afgeschilderd. Toch is het ook zo dat die hervormingen er niet zouden zijn gekomen als de arbeiders en andere proletariërs in West-Europa zelf niet via stakingen en demonstraties enorme druk op de elite hadden uitgeoefend en de elite op die manier tot grote toegevingen hadden gedwongen.

Ondanks de opdoffer waarmee de Tweede Wereldoorlog eindigde voor de elite, ontketende zij al een nieuwe klassenoorlog voor die van 1939-1945 goed en wel ten einde was: de Koude Oorlog. Net als de twee wereldoorlogen was ook deze Koude Oorlog naast een verticale oorlog tussen landen (en blokken van landen: Navo en Warschaupact) een horizontale oorlog tussen klassen. Voor de door Washington aangevoerde elite ging het in die oorlog zeker niet alleen om een overwinning op een land, maar eerder om een overwinning op een systeem, namelijk het socialistische systeem zoals dat in de Sovjet-Unie na 1917 was opgebouwd.
JP  3

Samenvattende conclusie van historicus Jacques Pauwels: ‘De vrede die in Versailles officieel verklaard werd, manifesteerde zich slechts als een wapenstilstand. Het was een wapenstilstand die gedoemd was om vroeg of laat af te lopen en opnieuw in krijgsverrichtingen en een officiële oorlog te hervallen. In 1939 was het zover en brak een nieuwe Groote Oorlog uit.
Geschiedkundigen zoals Arno Mayer hebben daarom gesproken van de ‘Dertigjarige Oorlog’ van de 20ste eeuw, gevoerd van 1914 tot 1945, met tussendoor een ‘wapenstilstand’, een ‘twintigjarig bestand’ van 1919 tot 1939.’

Een voor de hand liggende vraag,: wanneer de volgende oorlog? Van zodra de A-B-C-krachten zich aanzienlijk voelen verzwakken. ABC staat voor Adel/Bourgeoisie/Christendom. Het blijven dezelfde krachten, maar ze vertonen zich nu onder wat andere verschijningsvormen. 1 procent rijken, 49 procent die rijk willen worden, en 50 procent die het nooit zullen zijn – omdat ze verpletterd worden door het systeem. Want laten we ons geen illusies maken: na het einde van de Koude Oorlog is de horizontale (klassen-)oorlog gewoon doorgegaan. Als die onhoudbaar wordt, komt er ook een nieuwe verticale oorlog. De laatste? Een armaggeddon als uitsmijter?

Terror drones

Terror drones

*Jacques R. Pauwels, De Groote Klassenoorlog 1914-1918, EPO, Berchem, 2014

oktober 23, 2014 at 9:50 am 4 reacties

IT’S THE ECONOMY, STUPID

huiselijk geweld

door Kris Smet

Huiselijk geweld is niet alleen een fenomeen dat veel fysiek en psychisch leed veroorzaakt. Het kost ook handenvol geld. Dat blijkt – andermaal – uit een studie aan de universiteiten van Stanford en Oxford. Onderzoekers berekenden er de kosten van huiselijk geweld op wereldschaal. Het resultaat van hun studie is ronduit verbijsterend.
Waar oorlogen de samenleving jaarlijks 125 miljard euro kosten, bedragen die voor huiselijk geweld vijftig keer zoveel : 6.200.000.000.000 oftewel 6.200 miljard per jaar.
Van dit gigantisch bedrag gaat 5.000 miljard alleen naar de kosten van geweld tegen vrouwen en kinderen. Het gaat o.m. om de kosten van politie en justitie, medische kosten, kosten voor psychosociale hulp, opvang van slachtoffers en daders , kosten in de sfeer van sociale zekerheid ( ziekteverzuim, huursubsidie, bijstandsuitkeringen).
Andere hallucinante conclusie : er vallen negen keer meer slachtoffers bij geweld in huis dan bij militaire conflicten.
Nederlandse onderzoekers berekenden in 2010 dat de kosten voor werkgevers door verzuim als gevolg van huiselijk geweld, tussen 74 en 192 miljoen per jaar bedragen. Dergelijk onderzoek is in ons land nooit gedaan.
De Nederlandse Volkskrant besteedde een halve bladzijde en wel op de economiepagina’s aan de resultaten van Oxford en Stanford en formuleerde een aanklacht tegen de regering Rutte die o.m. bespaart op de jeugdzorg. In onze kranten was hier en daar een klein berichtje te lezen. Sommige kwaliteitskranten vonden dit wereldnieuws zelfs helemaal geen berichtje waard.
We worden dagelijks overspoeld met verhalen en gruwelijke beelden uit oorlogsgebieden , maar over geweld in het huis naast ons krijgen we niets te zien.
Moeten we wachten tot via internet een video verspreid wordt waarin je ziet hoe een vrouw uit je buurt geslagen, geschopt, gewurgd , het hoofd ingeslagen of neergeschoten wordt door haar partner?
Tijdens de eerste zes maanden van 2013 hadden we 77 dergelijke video’s kunnen zien, want tijdens die periode werden in België 77 vrouwen vermoord door hun partner of ex-partner. Dat cijfer is niet alleen een aanklacht tegen de daders, maar ook tegen een systeem dat faalt en niet voldoende bescherming, preventie en ondersteuning biedt .
Alle interesse gaat naar I.S., Oekraïne en andere oorlogen die duizenden slachtoffers maken. Veel geld en aandacht gaat naar de bescherming van burgers tegen terroristen, maar dat wereldwijd 260 miljoen kinderen thuis worden mishandeld, van wie naar schatting meer dan 50.000 in ons land ,daarover hoor je nauwelijks iets en daarvoor is geen budget voorzien. Het extra geld dat uitgetrokken wordt voor veiligheid gaat naar defensie en opsporing van jihadisten. Voorzien de verschillende regeringen meer geld voor jeugdzorg of preventie van huiselijk geweld en voor opvang van slachtoffers en daders? Horen of lezen we daar iets over bij de regeringsverklaringen? Buigt de synode van de Katholieke kerk over het gezin zich over de vraag of daders van incest en plegers van geweld tegen kinderen, partners en ouders de communie mogen ontvangen?
Over huiselijk geweld wordt gezwegen. We zijn bang voor hangjongeren, vluchtelingen, jihadisten, en slachtoffers van ebola.. Wat binnen de gezinnen gebeurt blijft taboe en is ‘privé’. Maar privé geweld is een publieke zaak, zeker als we kijken naar wat het de maatschappij kost.
In Australië staat huiselijk geweld eindelijk op de politieke agenda. Allerlei maatregelen worden genomen met als doel de ‘epidemie’ uit te roeien tegen 2030.
Waar blijven de plannen van Minister Van Deurzen van CD&V, de gezinspartij bij uitstek, om een grote campagne te starten: “Stop huiselijk geweld” ?

Zie ook deze reportage van Tom Van de Weghe in de US

http://deredactie.be/permalink/2.35973?video=1.2111835

*Kris Smet, Liefde met alle geweld, Agressie tegen vrouwen in huiselijke kring, Manteau, 2014, 19,99 euro

oktober 17, 2014 at 10:10 am 2 reacties

EEN KOSTSCHOOL IS SCHRIJVERSGOUD

Brouwers-Jeroen-foto-Annaleen-Louwes

door Jef Coeck

Er is een nieuwe Jeroen Brouwers. Jaaaa! En hij gaat over mishandeling van jongetjes in de kostschool. O Neee!! Moeten we nu weer door de pedofielenzeik waden? Na de kranten, de weekbladen, de televisie, de radio, de facebooks en –crooks, na pastoors, bisschoppen en de paus zelve zullen we nu ook nog onze beste schrijvers zich laten corrumperen met letterlijk uitgemolken onderwerpen?

Er is één troost: het is een roman, want dat staat er buiten op en hij heeft het ook al in tien interviews gezegd. Dit is niet autobiografisch, de schrijver zelf is destijds nooit sexueeel misbruikt geworden, althans niet op de kostschool. En nog een: het gaat maar matig over sexueel misbruik, en heel veel over fysieke, intellectuele en morele mishandeling door de dienaren gods. Dat klinkt al beter, hoewel de vergrotende trap van ‘goed’ hier alles behalve toepasselijk is.

‘Het Hout’ van de titel is een stokachtig en hard voorwerp, een soort borstel zonder haren, waarmee de jongens gekasteid worden als hun ‘opvoeders’ daar zin in hebben. Wat het verhaal nog prangender maakt is, dat het zich afspeelt in een kloosterschool vlakbij de Duitse grens, Zuid-Limburg (Ned.), begin jaren vijftig dus vrij kort na de oorlog en dat de Opper-houtslagmeister een Duitse franciskaan is. Zo speelt de auteur zich een mooie troef in handen: hij kan hele stukken dialoog of de korte weergave ervan in een soort Duits-Nederlands omzetten. En reken maar dat het werkt, soms op de lachspieren dan weer op de ruggewervel. Terloops, de franciscanen waren vanaf de 13de eeuw de favoriete pauselijke uitvoerders van de inquisitiebesluiten. Maar dat soort leuke details hoef je geen Jeroen Brouwers te vertellen.

Het gaat dus weer zoals (bijna) altijd met een boek van Brouwers. Ik begin erin te lezen en het steekt me goed tegen: het onderwerp, de woordkeuze, de verhaallijn, de contextuele details, alles. Nee, hier heb ik geen zin in, denk ik dan, als ik wil walgen ken ik fijnere methoden, ik drink gewoon een glas wijn teveel onder het kijken naar een B-film met bijvoorbeeld Eddy Murphy. Maar Brouwers laat me niet los. Want ik wéét natuurlijk dat ik, twintig bladzijden verder, niet meer los kàn van het boek. Stijl en verhaal zijn dan zo dwingend geworden, dat je ervoor op zou blijven om het uit te lezen. Aldus geschiedt.

De hoofdfiguur, de jonge broeder Bonaventura – geen incarnatie van Brouwers, dus – ondergaat en onderneemt zowat alle dingen die des mensen zijn. Hij is per ongeluk en tegen maar ook toch wel met zijn zin in het klooster versukkeld geraakt, doet daar nu zijn devotie tussen de kostschooljongens en de fraters in. Hij bekleedt dus een uitstekende observatiepost en is een meer dan geschikte persoon om te weten wie van het hout kreeg als hij het zelf al niet was. Ouders die van hun zoontjes te horen kregen dat ze mishandeld waren, reageerden: Je zal het er wel naar hebben gemaakt. De broeders weten heus wel wat goed en rechtvaardig is. Er spande zich een membraan van angst over het leven binnen de muren.

Brouwers schrijft in een ritme waaraan niet te ontsnappen valt. Een cello-suite van Bach. Ook als de klankkleur je niet helemaal aanstaat, blijf je toch luisteren. Zo lees je, beschaamd maar leergierig door in een vijf pagina’s-lange verkrachtingsscène waarin schoolhoofd Mansuetus, de mof, maar geen greep krijgt op het steeds kleiner wordende geslacht van het jongetje dat soms helemaal uit zijn handen glipt. Hij wordt met ether buiten bewustzijn gebracht; zo verrukkelijk moest sterven zijn. Hoe dramatisch en walgelijk ook, het hele verhaal is hilarisch, alsof Bach zelf met zijn cello door de lucht klieft terwijl hij rustig doorspeelt.

Het is een soort klassenstrijd die het instituut op stelten zet en almaar harder gevoerd wordt. De middenfiguur Bonaventura tracht eerst nog neutraal te blijven, of noem het objectief, of loyaal aan iedereen. Maar dat wordt van langsom minder mogelijk. Uiteindelijk kiest hij voor de onderkant, tegen de machtigen. Maar het loopt niet uit op een revolutie, zelfs niet op een Groote Stooringhe. Bonaventura is geen Rodenbach, laat staan een Karl Marx. De opstand gaat vanzelf over: De kloosterling raakt verliefd.

Het derde boekdeel is van een ongemene tederheid, vaak gecamoufleerd in spitse formuleringen (van haar, ene Patricia) of in opperste klunsigheid (van hem). Je zou denken: nu kan hij het klooster wel achter zich laten, ze willen het allebei, maar hij zal het moeten doen. Hij is te laf. Hij leest haar gesmokkelde brieven op de ouderwetse patersplee, waar de stank en de vliegen niet te harden zijn, maar het is de enige plaats met wat privacy. Bij zo’n treurigheid blijven je ogen niet droog. Hij mag niet durven wat hij zou willen durven. Hij scheurt haar brief in duizend snippers, dumpt ze in de excrementen, een moeras van stront. “Wat ben ik aan het doen, wat doe ik hier. Alles aan mijn lichaam, alles in mijn overhoop geploegde hersens hunkert naar jou.”

Tot slot moet Bonaventura op het matje bij overste Benedictus. Die heeft een nieuw soort Nederlands ontworpen om iemand uit te kafferen. Brouwers inventor. Bonaventura moet als straf naar de missies, Nieuw-Guinea, streek Fakfak. De beklaagde, die eigenlijk Eldert Haman heet, denkt fukfuk. Dat is denken. Maar doen?

De rest mag ik niet prijsgeven, om het lezersplezier niet te bederven. Maaar het is Pasen, het feest van de wederopstanding. U zal er nog van opkijken, van dit slot van Brouwers’ laatste roman. Allerlaatste? Dat is tenminste wat hij zegt, althans suggereert, maar ja wie kent de toekomst? En het zou ons verbazen als hij niet al een ideetje had voor zijn volgende boek. Het zal niet over de kostschool gaan, denk ik.

*Jeroen Brouwers, Het hout, Roman, uitg. Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2014

oktober 10, 2014 at 1:43 pm Een reactie plaatsen

HET LEF VAN LEUVEN

door Lucas Catherine

Leuven herdenkt Vesalius. Op hun website lees ik: (ik knip en plak): De geboorteplaats van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie. Een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was een Brusselaar, en ondertekende altijd met Andreas Vesalius Bruxellensis. Waar hij begraven ligt vertel ik zo dadelijk, maar dat is zeker niet in Leuven.

A1 BoekVesal_0001_NEW

De dag dat de Leuvense viering op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd want dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de Brusselaars hem moeten vieren. Maar in Brussel vinden ze dat Vesalius niet te slijten is aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de Ommegang en Keizer Karel. Als ze in Leuven de geschiedenis herschrijven om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme.
Vesalius was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en tegenkanting heeft gekend.

gedenkplaat Miniemenstraat

gedenkplaat Miniemenstraat

Op 31 december 1514 werd in het Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries van Wesel omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel naar Brussel was geëmigreerd Het Hellestrotje bestaat niet meer. Het was een verbindingsstraat tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat Zijn vader liet hem vanaf zijn zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort op Sint-Goriks bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van de clerus en allerlei ongewenste kerkelijke praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd. Daar leerde Andries zijn eerste woordjes Latijn en Grieks. In 1530 gaat hij twee jaar studeren in Leuven aan het Pedagium Castri, De School aan de Borcht , zoiets als de middelbare school die afhing van de universiteit daar en hij vervolmaakt zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College

De sfeer in Leuven had niet veel met de renaissance te maken. Het rook er teveel naar wierook en verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de Paus rook daarna het solfer van de ketterij en in juli 1520 arriveerde een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen vroeg. Karel ondertekent daarop in september het eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand later organiseert de Leuvense Universiteit de eerste boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gaan in de vlammen op. Het mag niet helpen. Nog dat jaar verschijnen de eerste vertalingen van Luther in het Nederlands en in 1521 worden, ondanks het edict en de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privé-leraar van de jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar Spanje, wordt er tot kardinaal gekroond en Karel promoveert hem tot inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia. In 1519 overlijdt Karels grootvader Maximiliaan en hij vertrekt naar Duitsland om zich daar tot keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelt hij Adriaan Boeyens aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en Leon. Daarmee komt dan heel de Spaanse Inquisitie onder een ‘Leuvens’ bevel.

A3 Priempoort

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd. Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant wordt door de Keizer officieel aangesteld om de repressie te organiseren en Adriaan Boeyens die ondertussen paus is gekroond, dankzij politieke druk van Karel, bekrachtigt dit en geeft van der Hulst de titel van “universalem et generalem inquisitorem”. Kort daarna wordt hij opgevolgd door drie clericale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hebben nauwe banden met de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen kwamen van hier.

En Leuven bleef een bastion van Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son (1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek en “ zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een ooggetuige het in 1545.

Dan was Parijs toleranter. Vesalius gaat dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden was sterk gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken waren verboden.

In 1536 brak de oorlog uit tussen François I en Keizer Karel, en als onderdaan van een vijandige natie moet Vesalius Parijs verlaten en keert terug naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, en niet alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze gestorven was omdat haar corset te hard was dicht gesnoerd. Hij zette zijn studies nu een jaar verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis “Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem Almansorem.., Parafrase van het negende boek van de grote Arabische geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur”. Eer het jaar om is krijgt hij ruzie met zijn professor en daarom trekt hij in dat zelfde jaar 1537 naar Padua waar hij zijn eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld wordt als hoogleraar in de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceert hij zijn eerste groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen, die hij opdraagt aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer Karel. In 1543 volgt dan zijn meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem ( Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk: het weegt 7 kg, telt 663 pagina’s en elke bladzijde is bijna een halve meter hoog, draagt hij op aan Keizer Karel.

A4 Plaat uit het boek

Die is daarmee erg gevlijd en stelt hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel heeft Andreas meer dan zijn handen vol. Omwille van keizers slechte eetgewoonten – slecht kauwen en ijskoude dranken – had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een kruisbijter was. De Keizer leed verder nog aan een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius terug. In 1546 schrijft hij zijn Chinawortelbrief, Andreae Vesalii Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator usus est, pertractans….Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar, geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd… Wanneer Keizer Karel op 25 oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesaliius en benoemt hem tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans Paleis, dit levert hem een aardige lijfrente op. Daarop treed onze Brusselaar in dienst van de zoon en opvolger, Filips II met wie hij op 23 augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelt er zich niet echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen lijkschouwingen verrichten en kon zijn anatomisch onderzoek niet verder zetten.

In 1564 vertrekt hij op bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg, bij een tussenstop in Sète, bij Montpellier neemt hij afscheid van zijn gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant. In Palestina bezoekt hij de heilige plaatsen, Jericho en de Jordaanvallei, maar op de terugreis komt zijn schip in een storm terecht en ze leidden schipbreuk op het eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland. Daar sterft hij aan tyfus op 15 oktober 1564. Hij kreeg op dit eiland twee monumenten en een straat is er naar hem genoemd, de hodos Andrea Vesal. In Brussel hangt op de plek waar zijn huis stond, nu het atheneum Robert Cateau een gedenkplaat. Verder kreeg hij een standbeeld op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een straat in de Bas-Fonds. Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg heette ze Spellekensstraat, omdat Jan Grouwels, een van de beruchte inquisiteurs er woonde. Zijn bijnaam Spellekens kwam van het feit dat hij met spelden de ogen van de ketters bewerkte. Zo konden ze volgens hem niet meer naar de duivel kijken. Ook een anatoom dus, maar van een ander soort. Of Grouwels in Leuven had gestudeerd vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen want zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma halen”.

standbeeld Barricadenplein

standbeeld Barricadenplein

oktober 8, 2014 at 9:32 am 4 reacties

Oudere berichten


Kalender

november 2014
M D W D V Z Z
« okt    
 12
3456789
10111213141516
17181920212223
24252627282930

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 682 andere volgers