Archief beheerder

HEBBEN WE NU ALLES GEHAD OVER DE GROOTE OORLOG?

De Commune

De Commune

 

door Jef Coeck

 

Veel toch. Films, musicals, tv-series, herdenkingen, meters boeken van wisselende kwaliteit. En weten we nu alles over dit onderwerp? Nee, dus. Er verschijnen bv. nog altijd historische werken die klemtonen leggen waar andere schrijvers overheen keken.

Volgens de Belgische historicus die zijn leven lang in Canada doceerde Jacques R. Pauwels was WO I het product van de 19de eeuw. Ze wordt doorgaans beschouwd als de ‘lange’ eeuw. Ze eindigde niet enkel in 1919, maar is volgens deze theorie ook vroeg begonnen, nl. in 1789, met de Franse Revolutie. Daarop volgden met enige regelmaat andere politieke en militaire conflicten: de Franse en Belgische revoluties van 1830, de opstanden van 1848 in diverse Europese steden, de Frans-Pruisische oorlog in 1870 met aansluitend de Commune van Parijs, Dat waren stuk voor stuk ook sociale conflicten. Het kan dus niet anders of ook de Groote Oorlog 1914-1919 (Verdrag van Versailles), was een klassenstrijd. Daarom noemt de historicus dit conflict de Groote Klassenoorlog.
JP 2

De Eerste Wereldoorlog was dus zeker niet: een louter politiek en militair gebeuren, een tragisch ‘ongeval’ van de geschiedenis, een vorm van onbegrijpelijke ‘menselijke waanzin’. Dit was een oorlog binnen de oorlog, vol berekening en hebzucht. Het ging niet enkel om een strijd van Fransen tegen de Duitsers, maar ook van Fransen tegen Fransen, en Duitsers tegen Duitsers. Een bepaalde klasse van Fransen, Duitsers en Britten ging de confrontatie aan met een heel andere klasse van Fransen, Duitsers en Britten.

De Groote Oorlog was een verticale oorlog, tussen landen en bondgenootschappen. Maar het was in elk land ook een horizontale oorlog, tussen de bovenklasse en de onderklasse. Ons is geleerd dat het een gewapend conflict tussen naties was, verder niets. De waarheid is dat de Groote Oorlog gewild en uitgelokt was door een Europese elite die gevormd werd door een symbiose van de grootgrondbezittende adel en de haute bourgeoisie, die vooral bestond uit industriëlen en bankiers.

Oorlog als bevrijding

Het kapitalisme ontwikkelde zich steeds sneller. Een verschijningsvorm of op zijn minst een bijverschijnsel ervan was het imperialisme. De essentiële functie van het imperialisme was het door oorlog veroveren of direct controleren van gebieden waar belangrijke grondstoffen te vinden waren. Die gebieden moesten dienen als afzetmarkten en de inwoners ervan als goedkope arbeidskrachten. Daardoor werden aanzienlijk hogere winsten mogelijk. De kosten, verbonden aan de imperialistische oorlogen werden gedragen door de staat. Zo werkt het ook vandaag nog, in Irak, Afghanistan… De regel is: privatisering van de winsten, socialisering van de kosten. ‘Het kapitalisme draagt de oorlog in zich zoals de wolk het onweer in zich draagt’, verklaarde de Franse socialistische leider Jean Jaurès in 1895. Enkele jaren later werd hij vermoord door een Franse nationalist.
JP 4

De socialistische partijen, die steeds meer afgleden naar het reformisme (evolutie i.p.v. revolutie) en naar de sociaal-democratie, keuren zowat overal de oorlogskredieten goed. Ook de kerken bleken geen morele of andere bezwaren te hebben tegen een winstgevend oorlogje. Niet alleen de katholieke kerk maar ook de anglicaanse in Groot-Brittanië, de lutherse in Duitsland en de ortodoxe in Rusland – dachten dat zij uit een grote oorlog groot voordeel konden halen. Het spreekt vanzelf dat hun gelovigen die in zo’n oorlog sneuvelden, recht naar de hemel gingen. Waar is het verschil met het jihadisme van de huidige islamisten? Allemaal zeggen ze in hun eigen taal: Gott mit Uns (Hitler).

De Brits-Amerikaanse historicus Adam Hochschild verwoordt het aldus: ‘De komst van de oorlog werd algemeen aangevoeld als een bevrijding en een opluchting… Net als een onweer maakte het een einde aan de spanning van de verwachtingen en het bracht opnieuw frisse lucht… Na eindeloos wachten openden nu de gordijnen en kon een groot en opwindend historisch drama aanvangen, een drama waarin de toeschouwers tezelfdertijd acteurs zouden zijn.’ (Hochschild, To End all Wars: a Story of Loyalty and Rebellion 1914-1918, Boston/New York, 2011).
JP 5

In de Tweede Wereldoorlog ging het net zo. Alleen, met nog meer middelen, mensen en verliezen. Het was echter niet bij ‘de overgrote meerderheid van het volk’, zoals Hitler geloofde, dat de opluchting en vreugde groot waren. Dat was wel het geval bij de adel en de haute bourgeoisie en bij een deel van de kleine burgerij, waartoe Hitler zelf behoorde. De oorlog die uitgebroken was, was de door hen gewilde oorlog waarmee ze het democratiseringsproces wilden terugschroeven, het socialisme overwinnen en het risico op revolutie definitief elimineren.

En ook dit was tegelijk een verticale en horizontale oorlog: tussen landen en in elk land tussen klassen. De bovenklasse bestond uit de adel en de haute bourgeoisie, de onderklasse werd (wordt) gevormd door de kleinburgerlijke en de proletarische massa. De laatsten waren de ‘classes dangereuses’, de dreigende massa die opgestookt door de socialisten al sinds tientallen jaren onrustig waren en via het democratiseringsproces al te veel vooruitgang hadden geboekt. De elite beschouwde de verlossende oorlog als een strijd tegen democratie, revolutie, internationalisme en pacifisme.

En de derde?

Slechts in één land was de socialistische (communistische) revolutie gelukt, met vooruitzicht op democratie en pacifisme: Rusland, a.k. de Sovjet-Unie. Voor de relatief hoge graad van welvaart en democratie die West-Europa na 1945 bereikte, aldus Pauwels, moeten we dus vooral Lenin en Stalin dankbaar zijn, ook al wordt dit duo door westerse historici en media als on- en antidemocratisch afgeschilderd. Toch is het ook zo dat die hervormingen er niet zouden zijn gekomen als de arbeiders en andere proletariërs in West-Europa zelf niet via stakingen en demonstraties enorme druk op de elite hadden uitgeoefend en de elite op die manier tot grote toegevingen hadden gedwongen.

Ondanks de opdoffer waarmee de Tweede Wereldoorlog eindigde voor de elite, ontketende zij al een nieuwe klassenoorlog voor die van 1939-1945 goed en wel ten einde was: de Koude Oorlog. Net als de twee wereldoorlogen was ook deze Koude Oorlog naast een verticale oorlog tussen landen (en blokken van landen: Navo en Warschaupact) een horizontale oorlog tussen klassen. Voor de door Washington aangevoerde elite ging het in die oorlog zeker niet alleen om een overwinning op een land, maar eerder om een overwinning op een systeem, namelijk het socialistische systeem zoals dat in de Sovjet-Unie na 1917 was opgebouwd.
JP  3

Samenvattende conclusie van historicus Jacques Pauwels: ‘De vrede die in Versailles officieel verklaard werd, manifesteerde zich slechts als een wapenstilstand. Het was een wapenstilstand die gedoemd was om vroeg of laat af te lopen en opnieuw in krijgsverrichtingen en een officiële oorlog te hervallen. In 1939 was het zover en brak een nieuwe Groote Oorlog uit.
Geschiedkundigen zoals Arno Mayer hebben daarom gesproken van de ‘Dertigjarige Oorlog’ van de 20ste eeuw, gevoerd van 1914 tot 1945, met tussendoor een ‘wapenstilstand’, een ‘twintigjarig bestand’ van 1919 tot 1939.’

Een voor de hand liggende vraag,: wanneer de volgende oorlog? Van zodra de A-B-C-krachten zich aanzienlijk voelen verzwakken. ABC staat voor Adel/Bourgeoisie/Christendom. Het blijven dezelfde krachten, maar ze vertonen zich nu onder wat andere verschijningsvormen. 1 procent rijken, 49 procent die rijk willen worden, en 50 procent die het nooit zullen zijn – omdat ze verpletterd worden door het systeem. Want laten we ons geen illusies maken: na het einde van de Koude Oorlog is de horizontale (klassen-)oorlog gewoon doorgegaan. Als die onhoudbaar wordt, komt er ook een nieuwe verticale oorlog. De laatste? Een armaggeddon als uitsmijter?

Terror drones

Terror drones

*Jacques R. Pauwels, De Groote Klassenoorlog 1914-1918, EPO, Berchem, 2014

oktober 23, 2014 at 9:50 am 2 reacties

IT’S THE ECONOMY, STUPID

huiselijk geweld

door Kris Smet

Huiselijk geweld is niet alleen een fenomeen dat veel fysiek en psychisch leed veroorzaakt. Het kost ook handenvol geld. Dat blijkt – andermaal – uit een studie aan de universiteiten van Stanford en Oxford. Onderzoekers berekenden er de kosten van huiselijk geweld op wereldschaal. Het resultaat van hun studie is ronduit verbijsterend.
Waar oorlogen de samenleving jaarlijks 125 miljard euro kosten, bedragen die voor huiselijk geweld vijftig keer zoveel : 6.200.000.000.000 oftewel 6.200 miljard per jaar.
Van dit gigantisch bedrag gaat 5.000 miljard alleen naar de kosten van geweld tegen vrouwen en kinderen. Het gaat o.m. om de kosten van politie en justitie, medische kosten, kosten voor psychosociale hulp, opvang van slachtoffers en daders , kosten in de sfeer van sociale zekerheid ( ziekteverzuim, huursubsidie, bijstandsuitkeringen).
Andere hallucinante conclusie : er vallen negen keer meer slachtoffers bij geweld in huis dan bij militaire conflicten.
Nederlandse onderzoekers berekenden in 2010 dat de kosten voor werkgevers door verzuim als gevolg van huiselijk geweld, tussen 74 en 192 miljoen per jaar bedragen. Dergelijk onderzoek is in ons land nooit gedaan.
De Nederlandse Volkskrant besteedde een halve bladzijde en wel op de economiepagina’s aan de resultaten van Oxford en Stanford en formuleerde een aanklacht tegen de regering Rutte die o.m. bespaart op de jeugdzorg. In onze kranten was hier en daar een klein berichtje te lezen. Sommige kwaliteitskranten vonden dit wereldnieuws zelfs helemaal geen berichtje waard.
We worden dagelijks overspoeld met verhalen en gruwelijke beelden uit oorlogsgebieden , maar over geweld in het huis naast ons krijgen we niets te zien.
Moeten we wachten tot via internet een video verspreid wordt waarin je ziet hoe een vrouw uit je buurt geslagen, geschopt, gewurgd , het hoofd ingeslagen of neergeschoten wordt door haar partner?
Tijdens de eerste zes maanden van 2013 hadden we 77 dergelijke video’s kunnen zien, want tijdens die periode werden in België 77 vrouwen vermoord door hun partner of ex-partner. Dat cijfer is niet alleen een aanklacht tegen de daders, maar ook tegen een systeem dat faalt en niet voldoende bescherming, preventie en ondersteuning biedt .
Alle interesse gaat naar I.S., Oekraïne en andere oorlogen die duizenden slachtoffers maken. Veel geld en aandacht gaat naar de bescherming van burgers tegen terroristen, maar dat wereldwijd 260 miljoen kinderen thuis worden mishandeld, van wie naar schatting meer dan 50.000 in ons land ,daarover hoor je nauwelijks iets en daarvoor is geen budget voorzien. Het extra geld dat uitgetrokken wordt voor veiligheid gaat naar defensie en opsporing van jihadisten. Voorzien de verschillende regeringen meer geld voor jeugdzorg of preventie van huiselijk geweld en voor opvang van slachtoffers en daders? Horen of lezen we daar iets over bij de regeringsverklaringen? Buigt de synode van de Katholieke kerk over het gezin zich over de vraag of daders van incest en plegers van geweld tegen kinderen, partners en ouders de communie mogen ontvangen?
Over huiselijk geweld wordt gezwegen. We zijn bang voor hangjongeren, vluchtelingen, jihadisten, en slachtoffers van ebola.. Wat binnen de gezinnen gebeurt blijft taboe en is ‘privé’. Maar privé geweld is een publieke zaak, zeker als we kijken naar wat het de maatschappij kost.
In Australië staat huiselijk geweld eindelijk op de politieke agenda. Allerlei maatregelen worden genomen met als doel de ‘epidemie’ uit te roeien tegen 2030.
Waar blijven de plannen van Minister Van Deurzen van CD&V, de gezinspartij bij uitstek, om een grote campagne te starten: “Stop huiselijk geweld” ?

Zie ook deze reportage van Tom Van de Weghe in de US

http://deredactie.be/permalink/2.35973?video=1.2111835

*Kris Smet, Liefde met alle geweld, Agressie tegen vrouwen in huiselijke kring, Manteau, 2014, 19,99 euro

oktober 17, 2014 at 10:10 am 2 reacties

EEN KOSTSCHOOL IS SCHRIJVERSGOUD

Brouwers-Jeroen-foto-Annaleen-Louwes

door Jef Coeck

Er is een nieuwe Jeroen Brouwers. Jaaaa! En hij gaat over mishandeling van jongetjes in de kostschool. O Neee!! Moeten we nu weer door de pedofielenzeik waden? Na de kranten, de weekbladen, de televisie, de radio, de facebooks en –crooks, na pastoors, bisschoppen en de paus zelve zullen we nu ook nog onze beste schrijvers zich laten corrumperen met letterlijk uitgemolken onderwerpen?

Er is één troost: het is een roman, want dat staat er buiten op en hij heeft het ook al in tien interviews gezegd. Dit is niet autobiografisch, de schrijver zelf is destijds nooit sexueeel misbruikt geworden, althans niet op de kostschool. En nog een: het gaat maar matig over sexueel misbruik, en heel veel over fysieke, intellectuele en morele mishandeling door de dienaren gods. Dat klinkt al beter, hoewel de vergrotende trap van ‘goed’ hier alles behalve toepasselijk is.

‘Het Hout’ van de titel is een stokachtig en hard voorwerp, een soort borstel zonder haren, waarmee de jongens gekasteid worden als hun ‘opvoeders’ daar zin in hebben. Wat het verhaal nog prangender maakt is, dat het zich afspeelt in een kloosterschool vlakbij de Duitse grens, Zuid-Limburg (Ned.), begin jaren vijftig dus vrij kort na de oorlog en dat de Opper-houtslagmeister een Duitse franciskaan is. Zo speelt de auteur zich een mooie troef in handen: hij kan hele stukken dialoog of de korte weergave ervan in een soort Duits-Nederlands omzetten. En reken maar dat het werkt, soms op de lachspieren dan weer op de ruggewervel. Terloops, de franciscanen waren vanaf de 13de eeuw de favoriete pauselijke uitvoerders van de inquisitiebesluiten. Maar dat soort leuke details hoef je geen Jeroen Brouwers te vertellen.

Het gaat dus weer zoals (bijna) altijd met een boek van Brouwers. Ik begin erin te lezen en het steekt me goed tegen: het onderwerp, de woordkeuze, de verhaallijn, de contextuele details, alles. Nee, hier heb ik geen zin in, denk ik dan, als ik wil walgen ken ik fijnere methoden, ik drink gewoon een glas wijn teveel onder het kijken naar een B-film met bijvoorbeeld Eddy Murphy. Maar Brouwers laat me niet los. Want ik wéét natuurlijk dat ik, twintig bladzijden verder, niet meer los kàn van het boek. Stijl en verhaal zijn dan zo dwingend geworden, dat je ervoor op zou blijven om het uit te lezen. Aldus geschiedt.

De hoofdfiguur, de jonge broeder Bonaventura – geen incarnatie van Brouwers, dus – ondergaat en onderneemt zowat alle dingen die des mensen zijn. Hij is per ongeluk en tegen maar ook toch wel met zijn zin in het klooster versukkeld geraakt, doet daar nu zijn devotie tussen de kostschooljongens en de fraters in. Hij bekleedt dus een uitstekende observatiepost en is een meer dan geschikte persoon om te weten wie van het hout kreeg als hij het zelf al niet was. Ouders die van hun zoontjes te horen kregen dat ze mishandeld waren, reageerden: Je zal het er wel naar hebben gemaakt. De broeders weten heus wel wat goed en rechtvaardig is. Er spande zich een membraan van angst over het leven binnen de muren.

Brouwers schrijft in een ritme waaraan niet te ontsnappen valt. Een cello-suite van Bach. Ook als de klankkleur je niet helemaal aanstaat, blijf je toch luisteren. Zo lees je, beschaamd maar leergierig door in een vijf pagina’s-lange verkrachtingsscène waarin schoolhoofd Mansuetus, de mof, maar geen greep krijgt op het steeds kleiner wordende geslacht van het jongetje dat soms helemaal uit zijn handen glipt. Hij wordt met ether buiten bewustzijn gebracht; zo verrukkelijk moest sterven zijn. Hoe dramatisch en walgelijk ook, het hele verhaal is hilarisch, alsof Bach zelf met zijn cello door de lucht klieft terwijl hij rustig doorspeelt.

Het is een soort klassenstrijd die het instituut op stelten zet en almaar harder gevoerd wordt. De middenfiguur Bonaventura tracht eerst nog neutraal te blijven, of noem het objectief, of loyaal aan iedereen. Maar dat wordt van langsom minder mogelijk. Uiteindelijk kiest hij voor de onderkant, tegen de machtigen. Maar het loopt niet uit op een revolutie, zelfs niet op een Groote Stooringhe. Bonaventura is geen Rodenbach, laat staan een Karl Marx. De opstand gaat vanzelf over: De kloosterling raakt verliefd.

Het derde boekdeel is van een ongemene tederheid, vaak gecamoufleerd in spitse formuleringen (van haar, ene Patricia) of in opperste klunsigheid (van hem). Je zou denken: nu kan hij het klooster wel achter zich laten, ze willen het allebei, maar hij zal het moeten doen. Hij is te laf. Hij leest haar gesmokkelde brieven op de ouderwetse patersplee, waar de stank en de vliegen niet te harden zijn, maar het is de enige plaats met wat privacy. Bij zo’n treurigheid blijven je ogen niet droog. Hij mag niet durven wat hij zou willen durven. Hij scheurt haar brief in duizend snippers, dumpt ze in de excrementen, een moeras van stront. “Wat ben ik aan het doen, wat doe ik hier. Alles aan mijn lichaam, alles in mijn overhoop geploegde hersens hunkert naar jou.”

Tot slot moet Bonaventura op het matje bij overste Benedictus. Die heeft een nieuw soort Nederlands ontworpen om iemand uit te kafferen. Brouwers inventor. Bonaventura moet als straf naar de missies, Nieuw-Guinea, streek Fakfak. De beklaagde, die eigenlijk Eldert Haman heet, denkt fukfuk. Dat is denken. Maar doen?

De rest mag ik niet prijsgeven, om het lezersplezier niet te bederven. Maaar het is Pasen, het feest van de wederopstanding. U zal er nog van opkijken, van dit slot van Brouwers’ laatste roman. Allerlaatste? Dat is tenminste wat hij zegt, althans suggereert, maar ja wie kent de toekomst? En het zou ons verbazen als hij niet al een ideetje had voor zijn volgende boek. Het zal niet over de kostschool gaan, denk ik.

*Jeroen Brouwers, Het hout, Roman, uitg. Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2014

oktober 10, 2014 at 1:43 pm Een reactie plaatsen

HET LEF VAN LEUVEN

door Lucas Catherine

Leuven herdenkt Vesalius. Op hun website lees ik: (ik knip en plak): De geboorteplaats van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie. Een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was een Brusselaar, en ondertekende altijd met Andreas Vesalius Bruxellensis. Waar hij begraven ligt vertel ik zo dadelijk, maar dat is zeker niet in Leuven.

A1 BoekVesal_0001_NEW

De dag dat de Leuvense viering op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd want dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de Brusselaars hem moeten vieren. Maar in Brussel vinden ze dat Vesalius niet te slijten is aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de Ommegang en Keizer Karel. Als ze in Leuven de geschiedenis herschrijven om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme.
Vesalius was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en tegenkanting heeft gekend.

gedenkplaat Miniemenstraat

gedenkplaat Miniemenstraat

Op 31 december 1514 werd in het Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries van Wesel omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel naar Brussel was geëmigreerd Het Hellestrotje bestaat niet meer. Het was een verbindingsstraat tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat Zijn vader liet hem vanaf zijn zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort op Sint-Goriks bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van de clerus en allerlei ongewenste kerkelijke praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd. Daar leerde Andries zijn eerste woordjes Latijn en Grieks. In 1530 gaat hij twee jaar studeren in Leuven aan het Pedagium Castri, De School aan de Borcht , zoiets als de middelbare school die afhing van de universiteit daar en hij vervolmaakt zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College

De sfeer in Leuven had niet veel met de renaissance te maken. Het rook er teveel naar wierook en verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de Paus rook daarna het solfer van de ketterij en in juli 1520 arriveerde een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen vroeg. Karel ondertekent daarop in september het eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand later organiseert de Leuvense Universiteit de eerste boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gaan in de vlammen op. Het mag niet helpen. Nog dat jaar verschijnen de eerste vertalingen van Luther in het Nederlands en in 1521 worden, ondanks het edict en de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privé-leraar van de jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar Spanje, wordt er tot kardinaal gekroond en Karel promoveert hem tot inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia. In 1519 overlijdt Karels grootvader Maximiliaan en hij vertrekt naar Duitsland om zich daar tot keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelt hij Adriaan Boeyens aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en Leon. Daarmee komt dan heel de Spaanse Inquisitie onder een ‘Leuvens’ bevel.

A3 Priempoort

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd. Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant wordt door de Keizer officieel aangesteld om de repressie te organiseren en Adriaan Boeyens die ondertussen paus is gekroond, dankzij politieke druk van Karel, bekrachtigt dit en geeft van der Hulst de titel van “universalem et generalem inquisitorem”. Kort daarna wordt hij opgevolgd door drie clericale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hebben nauwe banden met de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen kwamen van hier.

En Leuven bleef een bastion van Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son (1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek en “ zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een ooggetuige het in 1545.

Dan was Parijs toleranter. Vesalius gaat dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden was sterk gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken waren verboden.

In 1536 brak de oorlog uit tussen François I en Keizer Karel, en als onderdaan van een vijandige natie moet Vesalius Parijs verlaten en keert terug naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, en niet alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze gestorven was omdat haar corset te hard was dicht gesnoerd. Hij zette zijn studies nu een jaar verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis “Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem Almansorem.., Parafrase van het negende boek van de grote Arabische geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur”. Eer het jaar om is krijgt hij ruzie met zijn professor en daarom trekt hij in dat zelfde jaar 1537 naar Padua waar hij zijn eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld wordt als hoogleraar in de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceert hij zijn eerste groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen, die hij opdraagt aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer Karel. In 1543 volgt dan zijn meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem ( Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk: het weegt 7 kg, telt 663 pagina’s en elke bladzijde is bijna een halve meter hoog, draagt hij op aan Keizer Karel.

A4 Plaat uit het boek

Die is daarmee erg gevlijd en stelt hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel heeft Andreas meer dan zijn handen vol. Omwille van keizers slechte eetgewoonten – slecht kauwen en ijskoude dranken – had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een kruisbijter was. De Keizer leed verder nog aan een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius terug. In 1546 schrijft hij zijn Chinawortelbrief, Andreae Vesalii Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator usus est, pertractans….Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar, geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd… Wanneer Keizer Karel op 25 oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesaliius en benoemt hem tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans Paleis, dit levert hem een aardige lijfrente op. Daarop treed onze Brusselaar in dienst van de zoon en opvolger, Filips II met wie hij op 23 augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelt er zich niet echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen lijkschouwingen verrichten en kon zijn anatomisch onderzoek niet verder zetten.

In 1564 vertrekt hij op bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg, bij een tussenstop in Sète, bij Montpellier neemt hij afscheid van zijn gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant. In Palestina bezoekt hij de heilige plaatsen, Jericho en de Jordaanvallei, maar op de terugreis komt zijn schip in een storm terecht en ze leidden schipbreuk op het eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland. Daar sterft hij aan tyfus op 15 oktober 1564. Hij kreeg op dit eiland twee monumenten en een straat is er naar hem genoemd, de hodos Andrea Vesal. In Brussel hangt op de plek waar zijn huis stond, nu het atheneum Robert Cateau een gedenkplaat. Verder kreeg hij een standbeeld op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een straat in de Bas-Fonds. Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg heette ze Spellekensstraat, omdat Jan Grouwels, een van de beruchte inquisiteurs er woonde. Zijn bijnaam Spellekens kwam van het feit dat hij met spelden de ogen van de ketters bewerkte. Zo konden ze volgens hem niet meer naar de duivel kijken. Ook een anatoom dus, maar van een ander soort. Of Grouwels in Leuven had gestudeerd vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen want zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma halen”.

standbeeld Barricadenplein

standbeeld Barricadenplein

oktober 8, 2014 at 9:32 am 4 reacties

VECHT ISIS/Daish TEGEN SYKES-PICOT?

A day in the life of a jihadi gangster Aman Mojadidi

A day in the life of a jihadi gangster Aman Mojadidi

Arabische vrienden van mij denken dat Daish een uitvinding is van de Amerikanen, of minstens toch van Qatar, maar voor hen komt dit op het zelfde neer. Ze kunnen er niet bij dat moslims zo iets kunnen doen, ze verdringen het en spotten er mee. Wie Sykes en Picot zijn wordt in het stuk duidelijk.

door Lucas Catherine

Daish is nu wel het modewoord in het Arabisch en het gespreksonderwerp. U kent het als I.S.(is), de Islamitische Staat in Irak en Sham, Dawla islamiya fi Iraq wa al Sham en Sham is de klassieke Arabische naam voor de regio die wij nu kennen als Syrië, Libanon, Palestina/Israël, en neem er ook maar Jordanië bij. Dat is dus een naam die dateert van voor Sykes-Picot. Ook dat is een term die pas recent, na honderd jaar van weg geweest, bijna dagelijks in de media opduikt. Ik heb het nagetrokken in een krantenarchief dat terug gaat tot 1999. AFP schrijft op 13 december 2013 voor het eerst dat Isis de Sykes-Picot akkoorden wil teniet doen. Op 11 juni van dit jaar volgt Belga en twee dagen later De Standaard. De Morgen ontdekt Sykes-Picot pas op 1 juli.

Quod Sykes-Picot?

Eigenlijk zou men die akkoorden moeten herdenken in het kader van 100 jaar eerste wereldoorlog, want in de lente van 1916 kwamen de geallieerden voor het eerst bijeen om te bespreken hoe ze het Ottomaanse Rijk, na zijn nederlaag zouden opdelen. Na enkele vergaderingen en uitwisselen van diplomatieke nota’s werden de akkoorden opgesteld door Sir Mark Sykes, Georges Picot en de Tsaristische minister van Buitenlandse Zaken, Sergei Sazonov. Officieel heette dat toen The Anglo-Franco Russian Agreement (April-May 1916).

Waarom Sazonov nu vergeten is wordt direct duidelijk. De drie besloten de buit als volgt te verdelen: Frankrijk zou het grootste deel van Syrië krijgen, een deel van zuid Anatolië en Mosul in noord Irak. Engeland het grootste deel van Irak. Rusland zou Oost-Anatolië annexeren (het grensgebied langs de Russisch-Turkse grens), en omdat het kloosters en scholen had in Nazaret, Nabloes, Hebron en Jeruzalem claimde het ook Palestina. Maar dat laatste stonden de Britten niet toe. Daarom zou Palestina internationaal worden, maar met Russische invloed. En toen kwam de Russische Revolutie en de Bolshevieken zagen om evident ideologische redenen af van nieuw koloniaal gebied, meer nog ze maakten de akkoorden publiek en de kaart moest hertekend worden tot wat we nu kennen als Syrië, Irak, Libanon, Israël en Jordanië.

Sykes-Picot kaart

Sykes-Picot kaart

En nu wil IS dus die grenzen wegvagen. Dat kan en mag niet, dat ‘destabiliseert’ de regio, krijgt iedereen te horen die koloniale grenzen wil wegvagen in Afrika, Azië of elders en krijgt dan met de oude kolonisatoren te doen. Kijk maar naar de Arabische nationalisten en socialisten zoals Nasser die de grenzen wilden laten wegsmelten tot één Arabische staat. Ze werden met alle mogelijke middelen bestreden. Alhoewel, nu wordt er blijkbaar een uitzondering gemaakt, want als er een beweging is die Sykes-Picot van direct na WO I in vraag heeft gesteld dan is het wel het Koerdisch nationalisme dat strijdt voor een land dat zich zou moeten uitstrekken over grote delen van Irak, Syrië, Turkije en Azerbaidjan (ex-Sovietunie). Als de alliantie tegen IS nu de Koerden bewapent en inzet in de strijd dan steunen ze de groep die al het langst en het hevigst Sykes-Picot in vraag heeft gesteld. Maar zoals een Franse president zei: Et Alors…

En dan… wat ik mij afvraag is : las Abu Bakr al Baghdadi linkse literatuur?

Eerst iets over die man zijn naam. Met zo’n naam wordt je niet geboren. Hij heet eigenlijk Ibrahim Awwad Ibrahim Ali al-Badri al-Samarrai. Dat laatste is een bijnaam en betekent afkomstig uit Sammara, een Iraakse stad die tussen 836 en 892 hoofdstad was van de toenmalige khalief. Maar zijn nieuw gekozen naam vertelt meer. Abu Bakr al Baghdadi al-Husseini al-Quraishi. Hij wordt nu de man van Baghdad en Baghdad is natuurlijk veel bekender als khaliefen-hoofdstad dan Samarra. Zijn nieuw gekozen voornaam Abu Bakr is erg symbolisch. Abu Bakr was namelijk de eerste khalief die de profeet Mohamed heeft opgevolgd. Wanneer hij zich ook al Husseini noemt beweert hij hiermee af te stammen van de profeet Mohammed die enkel kleinzonen had via zijn schoonzoon Hussein en de Quraishi is dan weer de stam van de profeet. Liegen als een ketter zeiden ze vroeger.

de echte Abu Bakr

de echte Abu Bakr

De man werd in 1971 geboren, maar desondanks verdenk ik hem ervan gauchistische lectuur uit de jaren 1960-1970 te hebben gelezen. Misschien was zijn vader een linkse rakker van de Baath-partij met nogal wat guerilla-handboeken in zijn bibliotheek zoals die van Guevara of Vo Nguyen Giap, en dat hij die heeft gelezen. Ik verklaar mij nader. De rivaliteit om de efficiënste militaire beweging gaat nu tussen aanhangers van Al Qaida (in Syrië Jabhat al Nusra) en Dawla Islamiya, I.S. Als we de ideologie even weglaten en enkel kijken naar lange termijn strategie dan gaat het om twee tendensen. Er zijn zij die denken dat ze vanuit een klein commandocentrum (de letterlijke betekenis van Qaida) de oorlog moeten beginnen en zij die eerst een ‘bevrijd’ in dit geval ‘islamitisch’ gebied willen uitbouwen en van daaruit dan steeds verder uitzwermen. De al Qaida-strategie komt dan sterk overeen met die van Carlos Marighella (Pequeño manual de Guerilla Urbano, 1970) of nog meer met de foco-theorie die Che Guevara uiteenzet in zijn Guerra de Guerrilla (1961). Foco, letterlijk brandhaard, staat ook voor een klein centrum van strijders (honderd man volstaan om te beginnen schrijft Guevara) en is dus het equivalent van het Arabische begrip al qaida. En dan is er IS dat zich zelf niet alleen omschrijft als een staat, maar ook effectief zo’n staat uitbouwt en hier is dan de gelijkenis groot met de theorie van de Volksoorlog, eerst door Mao Ze Dong vanuit Yenan op China toegepast, later in Vietnam door Vo Nguyen Giap met zijn “Guerre du peuple, armée du peuple”. Giap is de man die de Franse kolonisator in Dien Bien Phu versloeg vanuit zijn bevrijde gebieden in Bac Bo (langsheen de Chinese en Laotiaanse grens) en in Nam Bo (langsheen de Cambodiaanse grens) en later de Amerikanen verdreef uit Zuid-Vietnam.

En daarom vraag ik mij af, wil al Baghdadi alleen maar Sykes-Picot te niet doen in het Midden-Oosten of wil hij meer? Hij gaf zelf het antwoord door de termen Iraq en Sham te laten vallen uit de naam van zijn organisatie, ze tot staat uit te roepen en zich zelf tot khalief aan te stellen.

Nu heb je twee mogelijkheden waarom hij zich khalief laat noemen: ofwel wil hij terug naar de tijd van de ‘rechtgeleide’ khaliefen (de vier opvolgers van Mohamed), waarvan de echte Abu Bakr de eerste was, maar ik denk dat hij daarnaast ook heimwee heeft naar de laatste khalief uit de geschiedenis, de Ottomaanse sultan Abdul Mejid die door Ataturk in 1924 werd afgezet. Of beter, heimwee naar dat Ottomaanse Rijk, waar trouwens ook de Turkse president Erdogan aan leidt. Dat Ottomaanse Rijk strekte zich ooit uit tot in Algerije. En wat zien we, daar heeft de lokale afdeling van al Qaida zich in september 2014 tot het nieuwe khalifaat bekeerd, nam een nieuwe naam aan, Jund al Khalifa (Leger van de Khalief) en opdat de media het zouden geweten hebben onthoofden zij hun eerste Europeaan, de Fransman Hervé Gourdel.

L4 Atjehers

Eind negentiende eeuw had Europa trouwens al enorme schrik van de toenmalige heropleving van het khalifaat. Het historische khalifaat was geëindigd in 935, maar de Ottomaanse sultans hadden het nieuw leven in geblazen. De Ottomaanse khalief Abdul Hamid ondersteunde eind negentiende eeuw verschillende anti-koloniale bewegingen. Dat ging van Tunis, dat in 1871 weer de oude banden met het Ottomaanse Rijk wilde herstellen tot in Atjeh (Indonesië), waar moslims oorlog voerden tegen de Nederlandse kolonisator, u herinnert het zich misschien nog van bij Multatuli. Toen noemde men dat geen terrorisme, de Sultan was immers een ‘bevriend’ staatshoofd, maar panislamisme. Europa kreeg toen een heilige schrik voor “de groote internationale met het groene vaandel” zoals Christiaan Snoeck Hurgronje, Nederlands islamdeskundige en koloniaal raadgever in Indonesië (1857-1936) het noemde. Misschien zouden onze analisten en specialisten er voordeel bij hebben om die Snouck Hurgronje, de peetvader van de islamologie uit de vergetelheid te halen en zijn boekje ‘Nederland en de Islam’ uit 1911 te herlezen. Of beter nog zijn boek De Atjehers (1894), over hoe je een moslim jihad kan neerslaan.
Ik zet mij in ieder geval aan het werk.

L5 Snouck_NEW Snouck Hurgronje in Mekka, 1885

oktober 1, 2014 at 11:54 am Een reactie plaatsen

LITERA- EN ARCHITECTUUR HAND IN HAND

Huize Roelants met flitsende fietsers vooraan

Huize Roelants met flitsende fietsers vooraan

Architect Van Der Meeren was ‘potlood in hand’ van literaire
Mandarijn’

door Eric Bracke

Eind de jaren 1950 ging de socialistische architect Willy Van Der
Meeren doceren ‘bij de broedertjes’ van Sint-Lukas, ‘met De Standaard
als gazet en een les die begint met een mis in de kapel.’ De
modernistische grootmeester, die ijverde voor betaalbare woningen voor
iedereen, liet zich gelukkig niet inperken door ideologische grenzen.
In 1962 tekende hij de woning van de bekende katholieke schrijver en
museumconservator Maurice Roelants. De betonnen schelp op de Tomberg
in Sint-Martens-Lennik is een hoogtepunt uit de Belgische architectuur
en is samen met andere realisaties van Van Der Meeren in Lennik te
bezoeken.

Voor veel dorpelingen moet het een soort UFO geweest zijn, dat
betonnen gevaarte dat in de winter van 1962-1963 verrees op de nog
onbebouwde Tomberg. De bewoner keek er uit op de glooiende Brabantse velden en bossen. In de verte tekenden zich tegen het zwerk de Lennikse
kerkspitsen en de kantelen van ‘zijn’ kasteel van Gaasbeek af. ‘Het perceel
was op geen enkele manier omheind’, schrijft architectuurcriticus Mil De
Kooning in de publicatie *Willy Van Der Meeren en Maurice Roelants *die
over een paar weken verschijnt. ‘Roelants wilde niet een lap grond, maar
het ganse landschap bewonen. Aanvankelijk werd de tuin zelfs voor een deel als landbouwgrond gebruikt, zodat de ploegvoren soms tot vlak bij de woning werden getrokken.’

Mandarijn

De bewoner van deze moderne bunker was geen jonge beeldenstormer, maar een gepensioneerde ambtenaar en een beroemd schrijver. In 1927 had Maurice Roelants (1895, Gent-1966, Sint-Martens-Lennik) naam gemaakt met zijn debuutroman *Komen en gaan*, die door critici een mijlpaal in onze
literatuurgeschiedenis werd genoemd. De jonge schrijver introduceerde
zogezegd de psychologische roman in Vlaanderen, al komt die eer veeleer toe aan Willem Elsschot met *Villa des Roses* (1913). Amper drie jaar na *Komen en gaan,* en na de novelle *De Jazzspeler,* kreeg de auteur de
driejaarlijkse Staatsprijs voor Vlaams verhalend proza.

Toch was schrijven voor Roelants niet het begin en het einde, naar eigen zeggen was hij meer een man van de actie. Hij gebruikte zijn reputatie van bekend schrijver, redacteur van literaire tijdschriften, jurylid van allerlei prijzen en journalist om deuren te openen en zelfs die van de paleizen gingen voor hem op een kier. In de herfst van zijn carrière wist hij als conservator van het kasteel van Gaasbeek de
Belgische en Nederlandse vorsten zover te krijgen dat ze hem op 1 juni 1960 met een bezoek vereerden. Bij zijn stukken voor *Het Laatste Nieuws* en diverse Nederlandse bladen valt zijn voorkeur op voor het zogenaamde
auto-interview, waarbij de journalist-criticus zijn eigen vragen
beantwoordde. In culturele gezelschappen ontpopte hij zich tot een
luidruchtige mandarijn en ‘arrangeur’ en wekte door zijn verstikkende
alomtegenwoordigheid de weerzin op van jonge schrijvers-publicisten als
Julien Weverbergh en Paul de Wispelaere. Maar met Herman Teirlinck, Richard Minne, Menno ter Braak en E. du Perron onderhield hij lange tijd oprechte vriendschapsbanden en ook de Brabantse schilders Jean Brusselmans, Edgard Tytgat en Hippolyte Daeye mocht hij tot zijn vrienden rekenen. Hij pakte ook graag uit met zijn amicale contacten met vooruitstrevende architecten. Allereerst Henry van de Velde en bij de volgende generatie ook Léon Stynen, Hugo Van Kuyck en Victor Bourgeois. Maar voor het huis op de Tomberg in Sint-Martens-Lennik koos hij uiteindelijk de jongere architect Willy Van Der Meeren (1923-2002)

Le Corbusier

Maurice Roelants heeft zich altijd ook een beetje een bouwmeester gevoeld.
Eerder had hij al twee woningen laten optrekken in het Brusselse en ook in
het kasteel van Gaasbeek zat hij niet stil (in het eerste huis, op de
Windberg in Wemmel, is later Johan Verminnen opgegroeid). Maar het was pas op zijn 67-ste dat hij samen met Van Der Meeren echt grenzen verlegde. Hij koos Van Der Meeren, die toen ook via radio en televisie bekendheid genoot, omdat hij in hem een volgeling van de Frans-Zwitserse grootmeester Le Corbusier zag. De *Modulor* van Le Corbusier, een menselijke schaal voor architectonische verhoudingen, is inderdaad te bespeuren in vele verwezenlijkingen van Van Der Meeren, zoals het zogenaamde CECA-huis (1954) een moderne, geprefabriceerde arbeiderswoning. Ook zijn eenvoudige meubels, waarvan sommige ontwerpen nu opnieuw op de markt zijn gebracht, beantwoorden tot op zekere hoogte aan de Modulor.

Bracke 2
Van Der Meeren was een socialistische architect, maar hij liet zich niet
inperken door religieuze of ideologische grenzen. Enkele jaren voor hij de
opdracht van Roelants aanvaardde, begon hij zelfs te doceren ‘bij de
broedertjes’ van Sint-Lukas, ‘met *De Standaard* als gazet en een les die
begint met een mis in de kapel

Opvallend is dat Van Der Meeren de verdienste voor de woning Roelants voor een groot stuk bij de schrijver zelf legt. Volgens de architect wist
Roelants zijn eisen ‘in korte zinnetjes’ te verwoorden, ‘als een
dicteermachine’. Als architect voelde hij zich ‘het potlood in zijn hand’.
‘Ik kwam tot een raar resultaat, een soort bunker met afgesneden segmenten en maakte hiervan een pover maketje in karton (…). Maurice vond het precies zijn tweede vel dat ik aan elkaar gebreid had.’ Van Der Meeren trok er zijn lessen uit en vroeg toekomstige bouwheren sindsdien om via een vragenlijst grondig na te denken over hun levensbehoeften.

Bracke 3

Bedreigde galerie

Mil De Kooning, die doctoreerde op Van Der Meeren en ook diens archieven
beheert, noemt het huis op de Tomberg ‘architectuur die gemaakt is op de
maat van het verlangen’. Samen met Ronny De Meyer, collega-professor aan de UGent, stelt hij een tentoonstelling samen over veertien realisaties van
Willy Van Der Meeren in de periode 1958-1985. Vijf gebouwen zijn in die
periode opgetrokken in Lennik. Een ervan is het complex Verhoeven: een
appartementsgebouw met drie winkels en een ondergrondse galerie. In die
ondergrondse galerie vindt straks de expositie plaats. ‘De complexe
opdracht Verhoeven is een onbekend gebleven, maar waardevol voorbeeld van integratie-architectuur in een historisch centrum’, zegt De Kooning. ‘Net als in de woningen zijn de door Van Der Meeren geconcipieerde interieurs en meubels zo goed als volledig bewaard. Uniek is ook dat Van Der Meeren voor sommige interieurs samenwerkte met Pieter De Bruyne. Jammer genoeg is het voortbestaan van de ondergrondse galerieruimte bedreigd. Er zijn condensatieproblemen en het wapeningsijzer in de betonnen balken ligt hier en daar bloot. De expositie op deze plaats is tegelijk een oproep om het gebouw te bewaren en te beschermen.’
Voor De Kooning is de expositie in Lennik een tussenstap naar een grote
expositie over Van Der Meeren in 1923, honderd jaar na diens geboorte.
Tegen die tijd wil hij ook een omvattend naslagwerk publiceren met
bijdragen van critici en historici uit binnen- en buitenland.

Bracke 4

De tentoonstelling in Galerij Verhoeven, Markt 2 te Lennik is voor
iedereen toegankelijk tot 19 oktober op zaterdag en zondag, van 10 tot 17 uur.
Ook de woning van schrijver Maurice Roelants , Oude Brusselsestraat 15,
Sint-Martens-Lennik is op Open Monumentendag te bezichtigen.

Foto bovenaan: Wim van Nueten
De andere foto’s: Archieven WVDM, coll. A & D 50

NOOT : Dit is de oorspronkelijke tekst van auteur Eric Bracke, ‘bewerkt’ verschenen in De Morgen van 10 september. Een eindredacteur die het woord ‘mandarijn’ niet kent en het daarom maar schrapt, is een nachtmerrie voor elke rechtgeaarde krantenman/vrouw. Om maar iets te noemen. (jc)

september 14, 2014 at 7:16 am Een reactie plaatsen

DE TIJD VAN TOEN…

Israeli Army announce constriction of separation barriers

door Lucas Catherine

6/9/69 is een speciale datum voor mij. Er zijn mensen die hun verjaardag belangrijk vinden, ik deze datum. Ik zat toen tegen een muurtje gehurkt met kramp in de darmen. Hij heeft van bij zijn geboorte altijd ‘gevoelige darmen’ gehad, placht mijn moeder te zeggen. Dat muurtje stond op de bezette Golan hoogte. Hoe ik daar kwam is een te lang verhaal. Alleen dit. Wij waren daar op fed 1 bolexh16de nacht aan het wachten om door Israël bezet gebied in te trekken. Ik met een camera Paillard Bolex 16mm, bouwjaar 1956 om te filmen. Zij om een basis van het Israëlisch leger aan te vallen.

In het totaal ging het om 80 fedayin. Het aanvalsplan was de dag voordien opgesteld: twee groepen die iets meer noordelijk en zuidelijk gelegerd waren zouden als afleidingsmanoeuvre eerst aanvallen. Bij de zuidelijke groep was ook mijn kompaan Paul, met zijn Paillard. De aanvalslijn liep over twintig kilometer. De Israëli’s zouden eerst in Tel al Ahmar en Bir Ajam worden beschoten, kwestie om ze daar bezig te houden en te verhinderen dat ze zich rond hun hoofdkwartier in Kunaitra konden concentreren. Iets later zouden wij, het gros van de strijders dan effectief aanvallen. Alle fedayin leefden op de toppen van hun zenuwen en ik was niet meer de enige die regelmatig achter een muurtje zijn broek liet zakken. In plaats van nachtkijkers hadden de Israëli’s beter strontdetectoren ontworpen. Dat had ze beter geholpen.

We hebben het overleefd, zelfs onze kamera. Net als 78 andere fedayin. Twee zijn gesneuveld. Hun foto hing de dag later in alle Palestijnse vluchtelingenkampen, want het ging om een belangrijke militaire operatie. Ze stond uitvoerig beschreven in alle Arabische kranten. Ik heb nog de voorpagina van de krant Al Destour.

fed 2 Destour_NEW

Destour wil zeggen Grondwet. En zo’n titels die naar democratie en Franse Revolutie verwezen waren toen nog in de mode in de Arabische wereld. De operatie werd opgedragen aan Ho Chi Minh, de toen pas overleden Vietnamese leider. We hebben trouwens ginder op de Golan een foto van hem achtergelaten, samen met een rode vlag. Die fedayin, vertaal maar als commando’s hadden het voor die man, net als voor zijn generaal Vo Nguyen Giap, de man die in Dien Bien Phu de Franse kolonisator versloeg. Zijn boekje, La Guerre du Peuple, armée du Peuple had ik in het Frans gelezen bij deze commando’s stond het in Arabisch vertaald in hun bibliotheek, net als La Guerra de Guerrilla van Che Guevara en de Volksoorlog van Mao. Raar volk die fedayin van toen. Een van hen die toen meevocht vertaalde in zijn vrije tijd Der Schloss van Franz Kafka. Bizarre Arabische bibliotheek trouwens, met geen enkel boekje waar Allah in de titel stond.

fed 3Fedayin_NEW
Zo’n militaire operaties konden toen nog. Kalashnikovs, goryunov’s en katioeshka-raketten die nog niet gedetecteerd en beschoten werden door electronische drone’s. De Israëli’s moesten zich toen beperken tot vuurpijlen die aan kleine parachutes boven ons hoofd dwarrelden en schoten met vuurkogels om het dorre gras van de Golan in brand te schieten en ons zo te detecteren. En voor ze het wisten moesten ze enkele katioeshka’s incasseren. Vijf en veertig jaar geleden.
Die fedayin en hun organisaties zijn opgedoekt. Na Oslo, en vervangen door de Palestijnse autoriteit. Die heeft nu een ander soort leger, ‘veiligheidstroepen’ opgeleid, gecontroleerd en gefinancierd door de VS. Troepen die samenwerken met het Israëlische leger en de Israëlische geheime dienst Shin Beth. Wat de Palestijnse academicus en voormalig lid van het Israëlisch Parlement, Azmi Bishara de uitspraak ontlokte: ‘Vroeger zouden we dat collaborateurs hebben genoemd, nu moeten wij ze onze vertegenwoordigers noemen’. En de lectuur van die nieuwe leiding bestaat eerder uit handboeken voor ‘succesvolle CEO’s’. Nuyen Giap lezen ze niet meer, zelfs Kafka niet.

En wat is er gebeurd met de generatie waarvan de vader fedayin was. In de pseudo-Palestijnse hoofdstad Ramallah leven ze in een grote economische luchtbel, welvaart opgeblazen met donorgeld. Anderen zijn geëmigreerd naar de Eeuw van de Profeet. Soms zijn ze letterlijk naar een van de meest achterlijke gebieden van het Midden-Oosten getrokken. Ik spreek van ondervinding.

Een Palestijn die ik nog als baby heb gekend, viertalig met twee universitaire diploma’s vindt nu zijn heil, en de oplossing van het probleem in de hadith (gezegden en tradities) van de profeet. Ik citeer uit zijn laatste mail:
“Dit is allemaal al voorspeld door de Profeet Mohammed (sallallahu a’leyhi wa salâm), dertien eeuwen voor de opdeling van de Arabische wereld door de Europeanen: “De vijandelijke naties van verre gebieden zullen naar u komen en zich bij u nederzetten als waren zij uitgenodigd op een diner waar ze zich te goed kunnen doen” (Abu Daud, Sunan n°4297, als authentiek bevonden door Ibn Asakir en Sheikh al Albany). En deze voorspelling is dus uitgekomen. De grote koloniale machten hebben zich zelf uitgenodigd bij de moslims en plunderen nu hun rijkdom, waaronder aardolie. De profeet (aleyhi al-salâm) voorspelde ook dat de moslims zich zonder verzet zouden laten verslinden.”

fed 4Mohammed_NEW

Wie dacht dat een zekere Lenin de definitie van ‘Imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme’ heeft uitgevonden, zit dus fout. Mijn verstand gaat hierbij op nul. Er past hierna enkele een lege blanco.

Niets is nog het zelfde. Het wapentuig is efficiënter en dodelijker geworden. Het zinloos geweld van een koloniaal bezettingsleger zien we nu op tv zonder dat er ook maar door een land wordt ingegrepen. En de woorden Revolutie en Democratie zijn vervangen door Allah en Jihad. Giap en Guevarra zijn vervangen door Abu Dawud en andere sunna-geleerden uit de negende eeuw.
Alleen ik heb nog altijd ‘gevoelige darmen’.

september 6, 2014 at 10:57 am 2 reacties

Oudere berichten


Kalender

oktober 2014
M D W D V Z Z
« sep    
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
2728293031  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 675 andere volgers