Archief beheerder

“DE MINST GEHOLPEN, MEEST VERGETEN SLACHTOFFERS”

Juba Central Prison, januari 2011

Juba Central Prison, januari 2011

Fotograaf Robin Hammond bekroond voor zijn werk over geesteszieken in Afrikaanse landen in krisis

Interview door Tom Ronse

“Als fotograaf die zich toespitst op humanitaire onderwerpen, heb ik veel ellende gezien”, zegt Robin Hammond, “maar niets heeft me zo aangegrepen als de mensonterende behandeling van geesteszieken.  Zelfs de hulporganisaties laten hen in de steek”. Voor zijn project “Condemned” dat de behandeling en mishandeling van geesteszieken in Afrikaanse conflictgebieden documenteert, kreeg Hammond donderdag de Dr. Guislain Award, gesponsord door het Gentse Dr. Guislain Museum.

Het was niet toevallig dat de Guislain Award aan de vooravond van de wereld-dag van de geestelijke gezondheid werd uitgereikt. De prijs (50 000 dollar) beloont een organisatie of individu die een buitengewone bijdrage heeft geleverd aan de strijd tegen de stigmatisering van geesteszieken. Dat heeft Hammond zeker gedaan. De jonge Nieuw-Zeelander (geboren in 1975) heeft al heel wat prijzen in de wacht gesleept voor zijn werk dat vooral schendingen van de mensenrechten als onderwerp heeft. Zijn interesse in het lot van geesteszieken dateert van 2011 toen hij als fotograaf voor de Sunday Times in Zuid-Soedan was waar een referendum plaatsgreep over de onafhankelijkheid van het land.

Robin Hammond

Robin Hammond

Hammond: De internationale pers was er ruim vertegenwoordigd. We waren op zoek naar een eigen invalshoek toen we langs de kant van de weg een psychisch gestoord meisje zagen bedelen. Ik vroeg aan onze chauffeur –een locale journalist- welke behandeling geesteszieken kregen in Zuid-Soedan. “Ze worden opgesloten in de gevangenis”, antwoordde hij. We gingen naar Juba Central Prison en zagen daar inderdaad vele geesteszieke mannen en vrouwen opgesloten samen met de criminelen. Ze kregen geen enkele behandeling. Een jonge geesteszieke zat naakt in een kale cel, vastgeketend aan de vloer. Dat werd onze invalshoek: de prijs die Zuid-Soedan betaalde voor de jarenlange oorlog. De trauma’s, de vernietiging van infrastructuur en sociale diensten waarvan de meest kwetsbaren de grootste slachtoffers zijn. Het deed me afvragen hoe de situatie elders in Afrika was. In de daarop volgende jaren fotografeerde en interviewde ik geesteszieken in acht andere Afrikaanse landen. Vorig jaar moest ik stoppen. Het werd me te veel. Niet alleen omdat sommige gevallen van misbruiken verwaarlozing zo extreem waren maar ook omdat de omvang van het probleem me moedeloos maakte. Waar ik ook kwam zag ik hoe opsluiting de eerste en vaak de enige vorm van behandeling was voor mentaal gestoorde volwassenen en kinderen. Thuis werd ik s’nachts wakker, geplaagd door schuldgevoelens. Dan dacht ik bijvoorbeeld aan het ondervoede mentaal gestoord jongetje van 9 jaar dat ik tussen volwassen criminelen in een gevangenis in Port Harcourt had gezien en wenste ik dat ik met het kind in mijn armen naar buiten was gerend…het ergste is, dat kind zit er nog steeds”.

Dan publiceerde u uw boek “Condemned”. Is het project nu afgelopen?

Hammond: Er komt een tweede luik waarin ik de inspanningen zal belichten van de zeldzame dapperen die de geesteszieken helpen in die landen. Ze krijgen veel tegenkanting. Mentale gezondheidszorg is het eerste budget waarin gesnoeid wordt, voor zover er een is.  Ook de NGO’s laten hen in de steek. Zo heeft Dokters Zonder Grenzen een heel nodig project in noord-Congo stopgezet. En Médécins du Monde draait de geldkraan dicht voor een zeer goed lopende psychiatrische kliniek in Liberia. De patienten zijn er doodsbang dat ze hun behandeling zullen verliezen. Meer hulp is broodnodig. In de krisislanden krijgt slechts 2 % van de geesteszieken een behandeling. De hulpverleners hebben aan alles tekort: medicijnen, benzine om patienten te bereiken…

Een imam in Smalie 'behandelt' geesteszieken door hen met een megafoon Koranverzen in  de oren te brullen. 'Op zijn minst geeft hij hen aandacht, zegt Hammond.

Een imam in Somalie ‘behandelt’ geesteszieken door hen met een megafoon Koranverzen in de oren te brullen. ‘Op zijn minst geeft hij hen aandacht’, zegt Hammond.

Over medicijnen gesproken: de Guislain Award wordt gefinancieerd door Janssen R&D, een afdeling van de farmaceutische reus Johnson & Johnson. Maar is de farmaceutische sector niet medeschuldig aan de situatie? Zou het niet helpen als ze medicijnen gratis of aan kostprijs ter beschikking zou stellen?

Hammond: Dat zou inderdaad een enorm verschil maken. En ze zou er geen markt door verliezen want die markt is er gewoon niet. Er is natuurlijk niet alleen tekort aan pillen, ook aan training en expertise. Maar ik ben vaak genoeg in instellingen geweest waar zelfs de meest elementaire medicatie ontbrak. Deze prijs is mooi voor mij, ik kan er mijn werk door verderzetten.Maar het ontslaat de farmaceutische firma’s niet van hun verantwoordelijkheid.

Hoe gaat het met uw eigen geestelijke gezondheid? Geen last van post-traumatische stress?

Hammond: Ik ben soms droef maar ik denk niet dat ik klinisch depressief ben. Het helpt dat ik een ander leven heb en een vriendin die met heel andere dingen bezig is. Die droefheid voel ik minder ter plaatse dan wanneer ik thuis mijn foto’s afwerk. Tijdens het maken van de foto’s ben ik zo geconcentreerd bezig met de lichtinval, de technische aspecten, het zoeken naar het beste beeld. De emotionele impact komt later. Het is niet alleen droefheid, ook moedeloosheid. Toen ik jonger en naief was, dacht ik dat als ik een onrecht kon tonen, het ook zou verdwijnen. Helaas, zo gaat het niet. Maar je kunt maar blijven proberen. Een deel van mij vindt het verschrikkelijk en wil er mee stoppen. Maar een ander deel van me voedt zich aan de emoties waarmee dit werk gepaard gaat. De woede, de empathie. Ik heb het gevoel met iets belangrijk bezig te zijn. Dat drijft me, dat geeft me energie. Ik wil een getuige zijn. Ik vind het een verantwoordelijkheid maar ook een privilege.

Opgesloten en vergeten wegens geestesziek

Opgesloten en vergeten wegens geestesziek

Een Gentse prijs…uitgereikt in New York

Het was gisteren de derde keer dat de Dr. Guislain Award, gesponsord door het Gentse museum en Janssen R&D,  werd uitgereikt.  Maar waarom greep de ceremonie plaats in New York? “Van bij het begin werd de Guislain Award opgevat als een internationale prijs”, zegt Patrick Allegaert, artistiek directeur van het museum. “De jury is internationaal samengesteld en ook de inzendingen van kandidaten is wereldwijd”. Om de internationale weerklank te verhogen, werd ervoor gekozen om de uitreiking van de prijs telkens in een andere wereldstad te laten doorgaan. Vorig jaar was dat Mumbai. Het Guislain museum maakte toen van de gelegenheid gebruik om er tentoonstellingen te organiseren in samenwerking met locale instellingen zoals het Indian Institute for Contemporary Art. Dit patroon werd dit jaar gevolgd met een tentoonstelling in samenwerking met het American Folk Art Museum die het werk toont van de befaamde geesteszieke kunstenaar Willem van Genk. (TR)

 

(Een kortere versie van dit artikel verscheen vorige vrijdag in De Morgen)

 

oktober 15, 2014 at 3:16 am Een reactie plaatsen

GENIAAL EN SCHIZOFREEN

 

van Genk: Brooklyn Bridge, 1975

van Genk: Brooklyn Bridge, 1975

(klik op de beelden om ze groter te zien)

Tom Ronse

Een tentoonstelling van het werk van de ‘art brut’-kunstenaar Willem van Genk die vorige week opende in het American Museum of Folk Art heeft een grote weerklank gekregen in de New Yorkse kunstwereld. “Dit is een van de beste dingen die u deze herfst zult zien”, schreef The New York Times.  Dit sukses is een triomf voor het Gentse Dr. Guislain-museum dat het werk van van Genk sinds jaren chaperoneert en de expo mee organiseert.

Van Genk staat in Europa bekend als een van de grootste art brut-kunstenaars maar in de VS was hij tot nu toe vrij onbekend. Dit is zijn eerste overzicht-tentoonstelling in Amerika. “Het is opwindend om het kunstseizoen te beginnen met een diepgaande kennismaking met een buitengewone kunstenaar waar je nog nauwelijks van gehoord hebt”, schreef Roberta Smith, de doyenne van de NewYorkse kunstcritici, in The New York Times.

Het initiatief voor de expo kwam van het Guislain-museum. Het Gentse museum is in de eerste plaats gewijd aan de geschiedenis van de psychiatrie maar organiseert ook boeiende kunsttentoonstellingen. In zijn eigen collectie heeft van Genk de ereplaats. Daarnaast kreeg het museum ook de collecties van het (nu gesloten) Stadhofs-museum van Zwolle en de stichting Willem van Genk onder zijn hoede. Zo’n jaar geleden benaderde Guislain het Folk Art Museum met een voorstel voor de expo. Het New Yorkse museum reageerde enthousiast en maakte meteen ruimte in zijn programmatie.

van Genk: Keulen

van Genk: Keulen

De expo is het werk van drie tentoonstellingsmakers: Patrick Allegaert en Yoon Hee Lamot van het Guislain-museum en Valérie Rousseau van het Folk Art Museum. Het werk van van Genk werd gekoppeld aan dat van Ralph Fasanella, een New Yorkse outsider-kunstenaar die stilistisch verwant is aan van Genk.  Roberta Smith vond het “een briljante combinatie”.

Voor het Guislain-museum is het belangrijk dat de expo samenvalt met de uitreiking van de “Dr. Guislain Award” die dit jaar in New York plaatsgrijpt. Die prijs (50 000 dollar) wordt jaarlijks toegekend aan een persoon die een belangrijke bijdrage heeft geleverd in de strijd tegen de stigmatisering van psychiatrische patienten.  Zowel de Award als de van Genk-expo zijn gesponsord door Janssens Research & Development, een afdeling van de farmaceutische reus Johnson & Johnson.

Bijna tegelijk opent in Parijs een grote tentoonstelling waarin van Genk ook de hoofdrol speelt. Het Art Brut-museum Halle St. Pierre exposeert de Stadshof-collectie die door het Guislain-museum beheerd wordt. Het is jammer dat van Genk zijn internationale triomf niet meer heeft mogen meemaken. Hij stierf in 2005 op 78-jarige leeftijd. Zijn leven lang werd de Nederlander gekweld door psychische stoornissen die onder de noemer ‘schizofrenie’ vallen. Vele jaren bracht hij in instellingen door. Desondanks was hij artistiek onwaarschijnlijk productief. Hij heeft duizenden arbeidsintensieve werken nagelaten waarvan een groot deel in Gent terecht kwam.

van Genk:New York strip, 1973

van Genk:New York strip, 1973

De expo in New York geeft er een mooi overzicht van. Het sculpturaal werk bestaat uit trammetjes, gemaakt uit afvalmateriaal. Van Genk was geobsedeerd door transport. Dan is er werk dat vandaag ‘conceptueel’ zou genoemd worden: een collectie bewerkte regenjassen, voor van Genk een symbool van macht. Dat had te maken met een traumatische ervaring tijdens de tweede wereldoorlog. De kleine Willem werd toen ondervraagd en mishandeld door lang-gejaste nazi’s die op zoek waren naar zijn vader, een verzetstrijder. Maar het zijn vooral de tekeningen en schilderijen die indruk maken.  Ondanks de stilistische en thematische gelijkenissen met zijn mede-exposant Fasanella zijn er twee grote verschillen. Een is dat van Genk de betere kunstenaar is. Zijn gevoel voor kleur en compositie is subliem, zijn creatieve ingrepen zijn geniaal en gedurfd. Een ander is dat van Genk gekker was. Zijn schilderijen zijn worstelingen met zijn demonen, een gevecht van een weerloos individu tegen een verpletterende macht, een heroische poging om door kunst zin te geven aan de zondvloed van signalen die ons bestormen. Dat maakt zijn werk actueel. Je wandelt ervan weg met een gevoel van ontzag voor de complexiteit van de menselijke geest.

van Genk, great railroads of the world, 1970

van Genk, great railroads of the world, 1970

Willem van Genk: “Mind Traffic” en Ralph Fasanella: Lest We Forget” in het American Folk Art Museum, 2 Lincoln Square, New York, tot 30 november

“Sous le vent de l”art Brut: Collection De Stadshof” in Musée Halle Saint Pierre, 2 Rue Ronsard, Parijs, van 17 september tot 4 januari.

september 23, 2014 at 7:15 am 1 reactie

PERVERSIE VAN PRIVACY IN DE BRUGSE POLITIE

De Brugse politie in actie

Een politie-actie in Zeebrugge, afgelopen maandag

(Foto: Hans Snijkers © 2014 Stadsomroep.com)

Door Tom Ronse

Politiegeweld heeft de laatste maand veel beroering gewekt hier in de VS. Politiemoorden in New York  (zie “Ik kan niet ademen”) en Ferguson leidden tot massale betogingen en rellen. Om de gemoederen te bedaren heeft de politie van New York beloofd om haar agenten uit te rusten met “bodycams”. Dat zijn minuscule camera’s, bevestigd op de borst of de pet van de agenten die hun acties filmen.

Dit is natuurlijk geen oplossing voor het structureel probleem dat de oorzaak is van de politiebrutaliteit. De polite treedt harder op omdat de toenemende verarming van een groot deel van de bevolking tot onrust leidt die met intimidatie moet in toom gehouden worden. Vaak komt daar nog een raciaal spanningselement bij (blanke agenten tegen zwarte burgers). Die situatie los je zomaar niet op met bodycams. Wat nodig is, is op de eerste plaats dat de politie ophoudt om zich in de armere wijken te gedragen als de IDF in Palestina; dat de politiekorpsen die in het laatste decennium met de hulp van het Pentagon gigantische arsenalen hebben opgebouwd, demilitarizeren.

Toch zijn die camera’s een grote stap vooruit. Aanklachten tegen agenten worden meestal afgewimpeld, zelfs als er getuigen zijn. Rechters vinden de versie van de politie bijna altijd geloofwaardiger dan die van hun slachtoffers of van omstaanders. Tenzij er foto’s of videobeelden zijn van wat er gebeurde. Als agenten weten dat wat ze doen gefilmd wordt en dat de politie die beelden publiek moet maken in het geval van een betwisting, zal hun optreden vermoedelijk toch iets beschaafder worden.

Zelfs de meest rechtse Republikein zou het niet wagen om een wet voor te stellen die de burgers zou verbieden om politie-optredens te filmen of te fotograferen. Dat acht je slechts voor mogelijk in extreme politiestaten zoals China en Egypte of Noord-Korea. En in Brugge.

Enkele dagen geleden zag ik deze videoclip van Focus/WTV. Het betreft een banaal incident op een terras in de Brugse Smedestraat. Een racist zoekt ruzie, de politie komt ter plaatse. Verder niets. Behalve een gebroken koffiekopje zijn er geen slachtoffers. Een onbenulligheid dus, ware het niet dat de agenten een jongeman die het gebeuren filmde met zijn smartphone het bevel gaven daarmee op te houden. Hij weigerde: “Ik zit hier op een openbare plaats en ik mag de politie in actie filmen”.

Niet volgens de Brugse politie. De agenten dienden klacht in tegen de filmer wegens “schending van hun privacy” en het Brugs politiekorps wil zich burgerlijke partij stellen. Volgens Focus/WTV riskeert de man bovendien “een fikse boete” wegens schending van het auteursrecht. Op welke manier de auteur van het filmje het auteursrecht schendt, legt de journaliste niet uit. Ze heeft ook niets te zeggen als Dirk Van Nuffel, de korpschef van de Brugse politie tegen haar zegt: “Het gaat niet enkel over het goed kunnen functioneren en het respecteren van twee individuele politiemensen maar van het politiewerk in het algemeen”. Een goede journaliste had op zijn minst gevraagd hoe het ‘goed kunnen functioneren’ van de politie in het gedrang komt als haar interventies gefilmd worden. Als de politie zich fatsoenlijk gedraagt, hoeft ze geen camera’s te vrezen.

Wat het incident in de Smedestraat betreft, kan men de politie zo te zien niets verwijten maar het gaat hier blijkbaar om een korps-politiek: de Brugse politie wil geen pottenkijkers. Om ‘goed te kunnen functioneren’ heeft ze schaduw van de anonimiteit nodig.  Nog deze week dreigde een andere Brugse politie-instantie, de politievakbond van ACV openbare diensten, met een rechtszaak wegens schending van de privacy tegen de Brugse stadswebsite Stadsomroep.com (ironisch toch, dat verzet van een groep die “openbare diensten” in zijn naam heeft tegen het openbaar maken van haar ‘diensten’).

Stadsomroep had een foto-verslag gepubliceerd van een politie-actie tegen ‘zwartwerkers’ maandag in Zeebrugge. De politievakbond eist de verwijdering van de foto’s waarop agenten herkenbaar zijn. Uit die foto’s en verklaringen van  ooggetuigen blijkt dat de politie buitensporig geweld gebruikte, schrijft Stadsomroep. “Een van de slachtoffers, die dan nog een toevallige voorbijganger was en helemaal geen door de actie geviseerde zwartwerker, kreeg door een agent de inhoud van een spuitbus pepperspray in zijn gezicht uitgesmeerd, terwijl hij reeds reeds geboeid op straat lag en door 4 agenten onder controle werd gehouden.”

politie brugge 2 CROPPED

Gelukkig is Stadsomroep niet gezwicht voor de politie-druk. De site wil ook niet de gezichten van de agenten met photoshop onherkenbaar maken want “onze fotoreeks toont aan dat enkele specifieke politieagenten hier te ver zijn gegaan. Niet ‘de’ Brugse politie. Door de gezichten van slechte elementen weg te stoppen met photoshop, wordt elk Brugs politieuniform voortaan verdacht en dat kan en mag ook niet de bedoeling zijn.”

Nog een andere politievakbond eist het recht op om, in naam van de privacy, smartphones in beslag te nemen als agenten gefilmd worden. We zijn benieuwd hoe het met het privacy-offensief van de Brugse politie zal aflopen. Wat zij nastreeft, is een geperverteerde vorm van het recht op privacy: het recht op geheimhouding voor hen die in onze maatschappij het exclusieve recht hebben om geweld te gebruiken. Het recht om in privacy voorbijgangers pepper spray in het gezicht te smeren.

 

augustus 30, 2014 at 8:04 am Een reactie plaatsen

“IK KAN NIET ADEMEN!”

eric memorial 3

Tom Ronse

In vergelijking met wat in Gaza, Syrië en Oekrainië gebeurt, was het een klein drama. Maar het gebeurde in mijn eigen omgeving, op een plaats waar ik vaak passeer. En wat dichtbij plaatsgrijpt, grijpt nu eenmaal sterker aan. In essentie was het niet anders dan de slachting in Gaza, zij het op op veel kleinere schaal: een overweldigende macht vermoordde onschuldig leven.

Op vijf minuten wandelen van bij ons, aan de noordkust van Staten Island, New York, ligt een klein driehoekig parkje dat druk gebruikt wordt. Rond het park zijn er goedkope winkels en restaurantjes, een taxibedrijf, grote bushaltes, een galerijtje, schoonheidsalons, een pruikhandel, een boek-café. Aan de rand van het park staat een standbeeld voor gesneuvelden in de burgeroorlog. Er ligt een rots met een koperen plaat op die vertelt dat dit de plaats was waar de eerste Europeanen die hier in de vroege 17de eeuw toekwamen, vers water kwamen opslaan. Er is een fontein die zelden werkt. Daarrond staan banken waarvan de meeste bezet zijn door de vaste klanten van Tompkinsville Park. Mannen die er veel ouder uitzien dan ze zijn. Mannen die te vaak alcohol en te zelden zeep gebruiken. Mannen die door de vloer zijn gezakt. De laatste jaren hebben we hun aantal zien stijgen. (De werkloosheid mag dan wel dalen volgens de officiële cijfers maar de tewerkstellingsgraad –het deel van de bevolking dat effectief werkt- daalt sneller). Sommige omwonenden kloegen dat hun groeiende aanwezigheid de sfeer in het park verpeste. Toch was de sfeer er eerder gezapig dan bedreigend. Kinderen speelden in het park, kantoorbedienden aten er hun lunch. Natuurlijk brak er wel eens een ruzie uit tussen vaste klanten. Maar voor het tot klappen kon komen, was er een obstakel waar de kemphanen niet omheen konden: Eric Garner.

Eric was een grote, zwarte man van 43 die bijna 200 kg woog. Een van zijn bijnamen was “Gentle Giant”. Hij gebruikte zijn gewicht om konflikten in de kiem te smoren maar was zelf nooit gewelddadig. Een kennis die aan het park woont zei me dat Eric de vriendelijkste van alle vaste parkbezoekers was. Omdat hij Eric vaak de vrede in en rond het park zag beschermen, noemde hij hem ‘de burgemeester van Tompkinsville Park’.

Eric en zijn vrouw Esaw

Eric en zijn vrouw Esaw

Eric had nog een andere bijnaam: “the cigarette man”. Hij verkocht losse sigaretten, aan 50 cent per stuk. Dat is een van de vele spitsvondige manieren waarop mensen die uit het officiele arbeidscircuit zijn gestoten proberen te overleven. Ze kopen sigaretten buiten New York waar de taksen lager zijn en verkopen ze met een kleine winst in de stad (waar een pakje van twintig twaalf dollar kost). Dat is illegaal. Eric was al meer dan eens betrapt, gearresteerd, beboet en anderzijds lastig gevallen. Hij had een klacht neergelegd tegen de politie omdat die hem in het openbaar aan een vernederende ‘cavity search’ (lichaamsholte-onderzoek) zou onderworpen hebben.

Hoe het begon

Hoe het begon

Donderdagnamiddag 17 juli gingen een jonge zwarte en een Mexicaan op de vuist op het voetpad langs het park. Opnieuw was het Eric die tussenbeide kwam en de heethoofden scheidde. Intussen had iemand de politie gebeld. Toen die arriveerde, waren de gemoederen al bedaard. De vechters hadden de plaat gepoetst. Daarop besloot de politie om dan maar Eric te arresteren. Die protesteerde dat hij niets mispeuterd had. “Telkens als jij me ziet wil je mij pesten”, zei hij tegen een van de agenten, “Ik ben het beu. Dit stopt vandaag.” Hij wou zich niet laten boeien. Een flik die achter hem stond nam hem in een wurggreep. Met zijn vieren sleurden de agenten hem tegen de grond, duwden zijn hoofd tegen het plaveisel. “Ik kan niet ademen!” kreunde Eric. Hij zei het zes keer en dan werd hij stil. Ramsey Orta die erbij stond, filmde alles met zijn gsm. “Ze wurgden hem”, zei Orta, “er kwam schuim uit zijn mond.” Iemand anders filmde het vervolg. Zeven minuten lang stonden de agenten rond het roerloze lichaam zonder enige hulp te bieden. De agent die Eric gewurgd had, wuifde naar de camera. In het hospitaal kon men enkel constateren dat Eric dood was.

garner choked

De filmjes gingen ‘viraal’, zoals dat heet. Bill De Blasio, de nieuwe burgemeester van New York, had ze ook bekeken en beloofde een onderzoek. De beelden hadden hem “heel droevig” gemaakt zei hij, zo droevig dat hij zijn vacantie in Italie met een dag uitstelde. De Blasio won de verkiezingen met de belofte om de kloof tussen rijk en arm in New York te verkleinen en een einde te maken aan de misbruiken van de politie. Maar hij koos als politiechef William Bratton die de post al eerder had bekleed onder burgemeester Rudy Giuliani. Bratton was de architect van Giuliani’s “zero tolerance”-beleid dat de politie ongebreidelde autoriteit gaf om arrestaties te verrichten. eric memorial  poster

Zijn opvolger Kerry voegde daar “Stop-and-Frisk” aan toe. Die maatregel hield in dat dagelijks duizenden NewYorkers tegengehouden en gefouilleerd werden door de politie. Bijna al diegenen die geviseerd werden, waren jonge, niet-blanke mannen. Als ze bijvoorbeeld een joint op zak hadden, werden ze aangehouden. Daarvoor was zelfs geen joint nodig. Het vage ‘disorderly conduct’ volstond als excuus om naar willekeur te arresteren. Het leidde tot overbevolkte gevangenissen en in de armere buurten, waar de meeste Stop-and-Frisk-acties plaatsgrepen, het gevoel alsof de buurt zelf een gevangenis was.

‘Stop and Frisk’ wordt nu geleidelijk afgebouwd. Maar in de dood van Eric Garner zien velen een bevestiging dat er in essentie niets veranderd is in de NYPD. Sinds zijn dood hebben velen getuigd op Facebook en in andere ‘sociale media’ over recente incidenten van geweldpleging en vernedering door de politie. De wurggreep die Eric het leven kostte is een verboden maneuver voor agenten van de NYPD, precies omdat er al arrestanten door omkwamen. Toch waren er de laatste 5 jaar meer dan 1000 klachten tegen agenten die dat verbod zouden genegeerd hebben. Voorlopig kreeg geen enkele agent een ernstige straf.

eric-cropped

Op zaterdag, twee dagen na Erics dood, waren er meetings en protestbetogingen in Harlem en Staten Island. Met de laatste heb ik meegelopen en meegeroepen. Ze was stevig ingekaderd door locale politieke en religieuze leiders, met als master of ceremony de flamboyante linkse dominee Al Sharpton. Voor de kerk waar de betoging vertrok braken er felle discussies uit. Sommigen wilden spreken over de bredere context, over de massale opsluiting van jonge zwarte mannen, over racisme en ongelijke kansen, over Gaza… Anderen stelden dat het enkel over Eric mocht gaan. Een van hen trok een poster van de muur waarop stond: “From Gaza to Staten Island, killing innocent people is a crime”. Dat gebeurde toen de betoging langs de plaats van de moord passeerde, waar bloemen lagen en kaarsen brandden en teksten hingen en wat losse sigaretten waren uitgestrooid ter nagedachtenis van de cigarette man. Maar later, aan het politiegebouw waar de betoging eindigde, werd er eensgezind gescandeerd: “I can’t breathe!”

Dat ging over Eric. Het waren zijn laatste woorden. Maar het ging ook over meer. Een bord dat tussen de kaarsen lag op de plaats van de moord drukte het goed uit: “ NYPD: “I CAN’T BREATHE”/ STOP THE WAR ON THE POOR / The NYPD never choked a banker”.

i can't breathe

“Ik kan niet ademen”. Het trof me hoe toepasselijk die slogan vandaag is in heel de wereld. Is het niet dat wat de bevolking van Gaza de Israelische staat toeschreeuwt? Ik kan niet ademen. Is dat niet wat meer en meer mensen voelen in een maatschappij die geen ander antwoord lijkt te hebben op haar groeiende spanningen dan meer repressie en controle, meer politie, meer raketten, meer drones, meer camera’s, meer gas-boetes, meer arrestaties? Ik kan niet ademen!

eric memorial 2

http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=pvATEjsf41g

juli 29, 2014 at 6:05 am 5 reacties

Buitenspel

Het spektakel is afgelopen.

geenvoetbal

En nu terug naar de werkelijkheid.

Waar de ballen niet altijd rond zijn

en het doel soms heel ver weg lijkt.

juli 14, 2014 at 5:49 am Een reactie plaatsen

OPIUM

brazil-graffiti-anti-world-cup

Anti-world cup graffiti in Rio

Door Tom Ronse

Het grote voetbalfeest is begonnen. We kijken ernaar met gemengde gevoelens. Net als vele Brazilianen. Want in het land met de grootste inkomenskloof van de hele wereld vindt niet iedereen het geweldig dat de regerende Partij van de Arbeid aan de organisatie van dit spektakel 11 miljard dollar besteedde. Sommigen hopen zelfs dat Brazilië verliest. Ze leggen uit waarom in een artikel in GlobalPost.

Enkele citaten:

“I’d love to see the Brazil team lose every game and be thrown out in the first round,” says Marcelo Amorim, a university researcher who has been protesting against the tournament since last year. “We already have five cups so what is one more? Right now there are more important things to worry about.”

Protester Wellington Magalhaes, a resident of a favela climbing up Rio’s hills, says he will be actively cheering for Brazil’s rivals. “A victory for the Brazil team would be a victory for the government. It would be a slap in the face of the people,” Magalhaes said. “I’d like to see Brazil lose 10 to nothing. Just think of the repercussions of that.” (…) “Football is a passion and a love for people in the favelas. But how does this cup help the poor? The Brazilian government uses football as an opium to keep people happy. Well, we are tired of that.”

 
Helaas voor hen won Brazilië alvast zijn eerste wedstrijd. Zij het dank zij de scheidsrechter die toen de stand gelijk was Brazilië een strafschop schonk. Was hij gewoon bijziend of moest Brazilië winnen? Zoals Magalhaes zei: beeld je de gevolgen in van een Braziliaanse nederlaag. Het ruwe ontwaken uit een opiumdroom. Terwijl vele Brazilianen er zich nu al niet meer door laten verdoven. Vandaar dat de regering 157 000 politieagenten en militairen heeft ingeschakeld om het feest te beschermen.

De toeristen voelen zich veilig

De toeristen voelen zich veilig

Naast het contrast tussen de gigantische verspilling die de cup voor Brazilië is en de gigantische noden van dat land die geslachtofferd worden op het altaar van het nationaal prestige zijn er nog andere redenen voor gemengde gevoelens over het voetbalfestijn, zoals de corruptie van de FIFA . John Oliver, de Britse comedian van de Daily Show die nu zijn eigen show heeft op HBO, vat goed samen waarom hij zowel opgetogen als verontwaardigd is over de world cup. Hij is grappig en serieus. Bekijk hem HIER.

John Oliver

John Oliver

Voetbal is zo opwindend omdat het een religie is, zegt Oliver. Begeesterend, roeswekkend, verenigend. Opium voor het volk. Een ritueel maar met ergens daarin een mysterie waar we samen bij willen zijn. Ik ook. Geef die pijp nog eens door…

Tijdens de metro-staking in Sao Paulo

Tijdens de metro-staking in Sao Paulo

 

juni 13, 2014 at 7:12 am Een reactie plaatsen

‘HET VERLEDEN VERSLINDT DE TOEKOMST’

Thomas Piketty

Thomas Piketty

Over Thomas Piketty’s boek “Het Kapitaal in de 21ste eeuw” en de kritiek die het uitlokte.

Door Tom Ronse

Sinds de Engelse vertaling verscheen doet Piketty’s boek heel wat stof opwaaien, aan beide kanten van de grote plas. “It is the closest thing to a pop-culture sensation heavyweight economics will ever provide”, volgens The Economist. Martin Wolf van de The Financial Times noemde het “an extraordinary important book” en Esquire Magazine vond het –nu al- “the most important book of the century”. The Sunday Times vergeleek Piketty met Smith, Keynes en Marx. De Morgen noemde zijn boek “een intellectuele bulldozer”. Het klom naar nummer 1 op de bestsellerslijst van Amazon, “Game of Thrones” en “How to win friends and influence people” voorbijstekend. Linkse economen zoals Stiglitz en Krugman prezen het werk de hemel in. “Conservatives are terrified”, schreef Krugman in een column in The New York Times getiteld “The Piketty Panic” (overgenomen in De Morgen). Ze zijn volgens hem in paniek omdat ze niet in staat zijn om Piketty’s thesis te ontkrachten. Hij citeerde James Pethokoukis van de conservatieve think tank The American Enterprise Institute die in de National Review waarschuwde dat het ‘zachte marxisme’ van Piketty weerlegd moet worden want anders “it will spread among the clerisy and reshape the political economic landscape on which all future policy battles will be waged. We’ve seen this movie before.”

Geen Marxist

Wat dat marxisme betreft, dat valt nogal mee (of tegen, naargelang je opinie over Marx). Met een titel die doet uitschijnen dat hij het vervolg heeft geschreven op ‘Het Kapitaal’ van Marx, lokt Piketty de vergelijking natuurlijk uit. Commercieel is dat misschien goed bekeken. Maar in een interview in The New Republic wees Piketty elke gelijkenis met Marx van de hand. Hij zei dat hij Marx zelfs niet gelezen had. Hij benadrukte dat zijn vertrekpunt niet theoretisch is zoals dat van Marx maar empirisch. “Ik zeg maar wat de data mij vertellen.” Toch verklaart hij zich in zijn inleiding akkoord met wat hij “Marxs principe van de oneindige accumulatie” noemt: de intrinsieke drang van kapitaal om te accumuleren voor geen ander doel dan om te accumuleren.

final wish

Van een boek dat zoveel sukses heeft en zoveel controverse opwekt zou je verwachten dat het verrassende nieuwe inzichten bevat maar dat is eigenlijk niet het geval. Het bevat tal van interessante observaties maar de hoofdstelling van het boek is niet origineel of verbazend. Piketty stelt dat de inkomenskloof tussen kapitaalbezitters en de rest van de bevolking steeds breder wordt waardoor er grote sociale spanning en ontwrichting dreigt. Hij wil dat voorkomen door de invoering van een wereldwijde vermogensbelasting. Er zijn de laatste jaren verschillende serieuze studies gepubliceerd die de groeiende ongelijkheid van inkomens in de laatste 40 jaar documenteerden en die net als Piketty waarschuwden voor de sociale gevolgen van de trend. Die kregen nauwelijks aandacht in de grotere media. Waarom krijgt Piketty er dan zoveel?

Timing speelt een rol. De groeiende ongelijkheid is een brandend actueel thema. De recessie mag dan officieel achter de rug zijn maar de meeste mensen zien hun leven niet verbeteren, vaak integendeel. Intussen zien ze de rijksten onder de rijken nog rijker worden aan een tempo dat de verbeelding tart. Linkse partijen in heel de wereld hebben dan ook van een herverdeling van het nationaal inkomen hun voornaamste strijdpunt gemaakt. De rijken hogere belastingen opleggen zou volgens links niet alleen tot grotere sociale rechtvaardigheid leiden maar ook de krisis oplossen. Want, zo redeneert links, door inkomen te versluizen van een kleine elite naar de brede massa zal de vraag toenemen en dus ook de economische groei. In Piketty’s research vindt links argumenten die die stelling bevestigen; geen wonder dus dat het zijn boek toejuicht. Piketty heeft trouwens zelf een sociaal-democratische background. Zo was hij adviseur van Ségolène Royal. Toch komt hij ook tot conclusies die het verhaal van links ondergraven, waarover verder meer. Wat Ségolène’s ex Francois Hollande betreft, die heeft Piketty enkele keren in zijn paleis ontvangen maar aan zijn beleid te zien, heeft hij niet naar hem geluisterd.

De normale gang van zaken

Het boek heeft ook sukses omdat het vlot en helder geschreven is, met een minimum aan economisch jargon en mathematische bewijsvoering en met interessante historische en literaire uitwijdingen. Bovendien is deze kanjer (bijna 700 bladzijden in de Engelse uitgave, zo’n 900 in de Franse, plus een uitvoerig addendum online) de meest uitgebreide studie over inkomensongelijkheid die ooit werd ondernomen. Piketty en zijn vele medewerkers werkten er 15 jaar aan. Hij vergelijkt het groeitempo van het kapitaal met dat van de economie in de grootste industriële landen van de 18de eeuw tot vandaag. Het eerste noemt hij ‘r’ en het tweede ‘g’. Uit de data blijkt dat r > g de normale gang van zaken is. Met andere woorden, groeiende ongelijkheid zit ingebakken in het systeem, is het product van de wetten van de markt. Piketty noemt dit “de centrale contradictie van het kapitalisme”. Natuurlijk lokt dat protest uit van ideologen zoals de editorialisten van de Wall Street Journal die al jarenlang preken dat de vrije markt tot een democratisering van bezit leidt. Uit de cijfers van Piketty blijkt net het omgekeerde. Geen wonder dus dat die krant het boek aanvalt en Piketty “een middeleeuwse vijandigheid” verwijt “tegen de notie dat kapitaal een opbrengst verdient.”

Uit Piketty’s data blijkt dat kapitaal over heel die periode gemiddeld een jaarlijkse groei van 4 a 5 % genoot terwijl de gemiddelde jaarlijkse groei minder dan 1 % bedroeg. Tot de ‘industriële revolutie’ in de vroege 19de eeuw was de jaarlijkse groei zelfs minder dan 0,1 %. Dan versnelde hij: de modale groei in de 19de eeuw bedroeg 1 tot 1,5 % maar het aandeel dat naar de kapitaalbezitters ging groeide nog veel sneller, mede door de stijging van de grondprijzen. Tegen het einde van de eeuw was er daardoor zo’n concentratie van bezit ontstaan dat de inkomenskloof weer zo groot was als in het ancienne regime. In de 20ste eeuw was er een lange onderbreking in ‘de normale gang van zaken’: van de eerste wereldoorlog tot de jaren 1970 werd de inkomenskloof aanzienlijk kleiner. Tijdens de wereldoorlogen en de depressie daartussen daalde de opbrengst van kapitaal door inflatie, de fysieke vernietiging van bezit en hoge belastingen om de oorlogen te financieren. Gedurende de tweede wereldoorlog zakte de opbrengst van kapitaal tot bijna nul. De inkomenskloof versmalde omdat het kapitaal devalueerde, niet omdat het inkomen van niet-kapitaalbezitters groeide. Dat veranderde na de oorlog toen de economische groei pijlsnel steeg. De kapitaalopbrengst hield gelijke tred met een jaarlijkse groei van ruim 4 %. Dit was de enige periode waarin de twee in evenwicht waren, waarin r = g, zodat de kapitaalgroei voldoende ruimte overliet voor een inkomensstijging van niet-kapitaalbezitters. De enige periode met een aanzienlijke opwaartse sociale mobiliteit.

grafiek piketty

Volgens Piketty was de forse groei tijdens “les trente glorieuses” vooral te danken aan de heropbouw en kwam er een einde aan toen die voltooid was. De groei daalde en de productiviteitsgroei zakte tot 1 a 1,5 %, dicht bij het niveau van voor de eerste wereldoorlog. Maar de kapitaalopbrengst daalde niet, constateert Piketty. Dat wijt hij aan fiscale hervormingen die het progressief karakter van de belastingen ondermijnden en ook aan de groeiende machtspositie van het globale kapitaal, als gevolg van de liberalisering van het internationaal kapitaalverkeer. Met een jaarlijkse groei van 1 a 1,5% – en meer is volgens Piketty niet mogelijk voor landen die in de technologische topgroep zitten, vandaag is het minder – en een kapitaal dat met 4 a 5% groeit kan het niet anders dan dat de inkomenskloof steeds groter wordt. Uit Piketty’s data blijkt dat 60% van de groei van het nationaal inkomen in de VS tussen 1977 en 2007 naar het rijkste 1% van de bevolking ging. En ook dat de kloof tussen de groei van kapitaal en nationaal inkomen in Europese landen zoals Frankrijk en Groot-Brittannië nog breder werd dan in de VS. De automatisering versnelt volgens hem de trend door het aandeel van de arbeid in de productie te verminderen. Meer van de opbrengst gaat naar het kapitaal, minder naar de werkende bevolking. Het theoretisch eindpunt van die trend is dat heel het nationaal inkomen naar het kapitaal gaat. Dat kan natuurlijk niet en lang voor dit punt bereikt zou zijn, zou het sociale weefsel van de maatschappij verscheurd worden. De mogelijke gevolgen zijn angstaanjagend, zegt Piketty. Om een katastrofe te voorkomen moet er langs fiscale weg een inkomensherverdeling komen: een progressieve belasting op kapitaal, niet alleen op nationaal maar ook en vooral op internationaal niveau.

Tegenwind

Natuurlijk vangt zijn stelling heel wat tegenwind. Vooral in de Angelsaksische wereld waar het idee dat het kapitalisme een “meritocratie” is waarin rijkdom het resultaat is van talent en opwaartse mobiliteit vanzelf de inkomenskloof verkleint nog de kracht van een dogma heeft. De meest gedetailleerde kritiek kwam van Chris Giles in The Financial Times die Piketty’s data onder de loupe nam. Hij vond enkele fouten en bekritiseert een aantal onderstellingen die arbitrair lijken. Een ander verwijt luidt dat Piketty verzuimt om sommige sociale uitkeringen bij het gezinsinkomen te rekenen- wat de kloof groter doet lijken dan ze in werkelijkheid is. Maar ondermijnen die fouten, als het fouten zijn, Piketty’s conclusies? Piketty analyseerde een gigantische hoeveelheid data uit 20 landen. Soms waren die onvolledig en gebaseerd op verschillende criteria. Hun vergelijking roept onvermijdelijk problemen op. Maar “niet alle verschillen zijn vergissingen”, schrijft Justin Wolfers in The New York Times, en “niet alle vergissingen zijn even belangrijk… The most striking fact is how closely The Financial Times’ analysis agrees with Piketty’s”. Piketty gaf toe dat zijn data niet perfect zijn maar noemde de bewering van Giles dat diens kritiek de bevindingen van zijn boek in vraag stellen “belachelijk”. Hij wees er op dat sinds zijn boek verscheen (in 2013) diverse andere studies werden gepubliceerd wiens methodologie van de zijne verschilt maar die toch zijn waarnemingen bevestigden.

Hoe zou het anders kunnen? De groeiende ongelijkheid steekt immers de ogen uit. Zeker op wereldvlak. Minder dan 1% van de wereldbevolking bezit 40% van de hele planeet terwijl de helft van de wereldbevolking moet overleven met minder dan 2 dollar per dag. Alleen verblinde ideologen kunnen nog volhouden dat de marktmechanismen dat probleem vanzelf zullen oplossen. Maar is het enkel een kwestie van onrechtvaardige verdeling? Volgens Clive Crook, een columnist van Bloomberg News, heeft Piketty ongelijk als hij beweert dat de groeiende ongelijkheid de centrale contradictie van het kapitalisme is. Niet de verdeling maar de productie van welvaart is het centrale probleem, schrijft Crook. Als de totale koek snel genoeg groeit dan heeft het niet zo veel belang dat een groter deel van de koek naar het kapitaal gaat. “A rising tide lifts all boats”. Maar wat die ‘rising tide’ zal doen ontstaan lijkt Crook ook niet te weten.

in camden

Zwaartekracht

Ook de ecologische pessimist James Howard Kunstler verwijt Piketty dat hij door zijn focus op de verdeling van het inkomen de problemen waar de productie voor staat, negeert. Voor Kunstler is het centrale probleem ecologisch: de opwarming van de aarde en de eindigheid van de fossiele brandstoffen. De hoop dat nieuwe technologie ervoor zal zorgen dat “de industriële orgie” kan voortgaan, is volgens hem een illusie. De ineenstorting nadert. Naast die bedreiging lijkt de groeiende inkomenskloof een detail. Kunstler is het overigens eens met Piketty’s conclusies maar vindt het naief om te denken dat inkomenskloof langs politieke weg kan worden verkleind. “Het kapitalisme is zoals de zwaartekracht”, meent hij, het legt zijn wetten op aan kapitaalbezitters, bedrijven en staten. Het weerstaat alle pogingen om zijn fundamentele mechanismen te corrigeren.

Tot op zekere hoogte is Piketty het daar mee eens. Uit zijn data blijkt dat het voor de groei van de inkomenskloof weinig verschil maakt wie er aan de macht is –Democraten of Republikeinen, sociaal-democraten of conservatieven. Er is niets dat ze kunnen doen om de kloof tussen de groei van het kapitaal en de groei van de reële economie te verkleinen. Enerzijds omdat er, blijkens zijn data, van kapitaal-intensieve landen geen hogere modale groei kan verwacht worden dan 1,5 % . Anderzijds omdat “Piketty’s analysis articulates what many people on the Democratic left feel intuitively, that a domestic tax, spending and regulatory agenda is ineffective in the face of the power of globalized capital to grind down wages and benefits.” Dixit de econoom Thomas Edsall in The New York Times. Edsall merkt op dat dit aspect van Piketty’s analyse ter linkerzijde minder geapprecieerd wordt. Hij citeert Robert Kuttner, de hoofdredacteur van The American Prospect, die vindt dat Piketty’s boek “passiviteit en berusting” in de hand werkt en de linkse econoom Dean Baker die sniert dat “a big part of the book’s appeal is that it allows people to say capitalism is awful but there is nothing that we can do about it.”

Een wereldtaks

Piketty meent dat er wel iets aan gedaan kan worden maar enkel op wereldvlak. Alleen door een internationale belasting op grote vermogens kan de ongelimiteerde groei van de globale ongelijkheid aan banden worden gelegd. Dat roept natuurlijk vragen op. Edsall formuleert er enkele: “Who would run a super-national tax collection agency? How would the taxes collected on assets owned by one person but held in multiple countries be distributed? How would global wealth tax supporters actually win the enactment of regulations that would require transparency of ownership of real estate, of bank holdings and of control of private corporations? ” Het plan zou een internationale samenwerking vereisen die tot nu toe nooit bestaan heeft. Is dat haalbaar? Kunnen de regels van de internationale concurrentie opzij geschoven worden in een systeem dat op concurrentie berust?

Veel van zijn critici vinden zijn voorstel dan ook utopisch. Waarop Piketty replikeert: “Wie in 1910 een progressieve inkomensbelasting voorstelde, werd net niet met pek en veren de stad uitgejaagd. En zie, vandaag is dit soort belasting de normaalste zaak van de wereld” (interview in De Morgen, 19 april). Je weet dus maar nooit. Volgens Piketty werd de progressieve belasting realiteit als gevolg van de wereldoorlog. Je vraagt je af welke ramp er vandaag nodig is om een Piketty-taks te realiseren. Bovendien was de progressieve fiscaliteit een hervorming binnen het nationale kader. Een internationale progressieve belasting lijkt me een ander paar mouwen. Vooral in een tijd waarin alle bedrijven en landen moeten vechten om hun waarde te behouden, om aantrekkelijk te blijven voor het globale kapitaal.

 

Wat is kapitaal?

Wat Piketty niet doet, is de causale verbanden tussen de groei van het kapitaal en de groei van de economie onderzoeken. Dat hoeft voor hem ook niet want “kapitaal en economische groei hebben strikt genomen niets met elkaar te maken”. Hij wijst erop dat de stijgende waarde van grond de voornaamste bron was van de hoge kapitaalopbrengst in de 19de eeuw. En dat de hoge kapitaalopbrengst van vandaag niet door economische groei kan verklaard worden. Dat politieke, kulturele en andere aspecten een rol spelen. Dat klopt maar om vandaar uit te concluderen dat kapitaal en economische groei “niets met elkaar te maken”hebben, lijkt me onzin. De waarde van de grond kon enkel stijgen omdat elders in de economie de koopkracht werd gecreëerd die de hogere vraag naar grond voedde. De waarde van kapitaal lijkt alleen onafhankelijk van de economische groei en de winst die eruit resulteert. Maar dat is gezichtsbedrog.

‘Kapitaal’ is voor Piketty een heel brede noemer. Alle vormen van verhandelbaar bezit: grond, vastgoed, bedrijven, technologie, infrastructuur, financiële tegoeden enz. vallen er onder. Daarvoor krijgt hij kritiek van rechts en links. In Foreign Affairs verwijt Tyler Cowen Piketty dat hij het kapitaal ziet als “a growing, homogeneous blob” en de grote variatie in opbrengst van verschillende bezittingen negeert. Toch valt er iets voor te zeggen. Het kapitaal komt in vele vormen en kan ogenblikkelijk van de ene vorm in een andere veranderen. De hele ‘homogeneous blob’ is aan dezelfde accumulatiedwang onderworpen.

always more

De Keynesiaanse economen James Galbraith en Brad De Long stellen dat Piketty ‘wealth’ (vermogen) en kapitaal verwart. Anders gezegd, hij maakt geen onderscheid tussen productief en niet-productief kapitaal, tussen kapitaal dat geinvesteerd is in economische groei en kapitaal dat niets doet, dat slapend rijker wordt. Hun opbrengst kan scherp verschillen. Beide vormen van bezit zijn essentieel voor het kapitalisme. De onontbeerlijkheid van productief kapitaal behoeft geen uitleg. Maar kapitaal moet ook in staat zijn om zich terug te trekken uit de productie en circulatie van waren zonder zijn waarde te verliezen. Om puur bezit te zijn en zonder iets te doen betaalmiddel te blijven. Zo kan het kapitaal de productiesfeer verlaten als er overproductie dreigt en er terug invloeien als er nieuwe expansiemogelijkheden opdagen. Dit niet-productieve kapitaal fungeert dus als latent productief kapitaal. Het groeiend belang van het kredietwezen gaf het enorme expansiemogelijkheden. Maar de verhoudingen tussen beide vormen van bezit is belangrijk aangezien de echte rijkdom enkel stijgt omdat het productief kapitaal ze doet groeien. Wat Piketty’s boek illustreert is de tendens in het kapitalisme van overaccumulatie van niet-productief, in essentie financieel kapitaal dat steeds zwaarder gaat wegen op wat ‘de reële economie’ wordt genoemd.

Ook marxistische economen nemen Piketty’s brede definitie van kapitaal onder vuur. “Capital is a process not a thing. It is a process of circulation in which money is used to make more money”, schrijft David Harvey. “The rate of return on capital depends crucially on the rate of growth because capital is valued by way of that which it produces and not by what went into its production.” Op basis van Piketty’s data komt Esteban Maito tot de conclusie dat, als je enkel naar de evolutie van productief kapitaal kijkt, de stabiele hoge opbrengst van het kapitaal verdwijnt. In plaats daarvan bevestigen de data volgens Maito Marxs wet van de tendentiële daling van de winstvoet.

De winstvoet daalt als het verschil tussen de waarde van het geinvesteerde kapitaal en de waarde van het resulterend product kleiner wordt. Het kapitalisme beweegt volgens Marx tendentieel in die richting omdat de productie steeds meer draait op basis van technologie (en vandaag automatische processen) en steeds minder op levende arbeid. Het ontwikkelt een productievermogen waarvan de bepalende factor niet meer is de hoeveelheid arbeidstijd die wordt besteed maar kennis: wetenschap,technologie, informatie-overdracht. Toch kan het kapitalisme niet anders, aldus Marx, dan de gigantische rijkdom die zo gecreëerd wordt te meten met de verouderde maatstaf van abstracte arbeidstijd. Dat is wat volgens Marx geruild en opgepot wordt in het kapitalisme: abstracte arbeidstijd. De bron van de winst is het verschil tussen de abstracte arbeidstijd die in het productieproces wordt toegevoegd en de abstracte arbeidstijd die het equivalent is van de loonkosten. Hoe kleiner het aandeel van de toegevoegde arbeidstijd, hoe meer ook de winst tendentieel daalt. Marx zag dit als een onderliggende historische tendens, gemodifieerd en soms gestopt door tegen-tendenzen en andere factoren. Ook impliceert de wet geen lineaire achteruitgang maar een cyclische beweging. De daling van de winstvoet leidt naar krisis en krisis devalueert het kapitaal. In die mate dat het verschil tussen de waarde van het (gedevalueerde) geinvesteerde kapitaal en de waarde van het resulterend product weer groter wordt. De winstvoet herstelt en een nieuwe accumulatiecyclus begint.

In Piketty’s data kan men bevestiging vinden voor deze theorie. Ze tonen alleszins dat krisis (en oorlog) kapitaal devalueert en dat die devaluatie ruimte schept voor nieuwe groei. Maar voor de krisis vandaag gaat de stelling niet op. Piketty toont aan dat noch de krisis van de late jaren 1970 noch “the great recession” van 2008 tot een algemene devaluatie van kapitaal leidde. Wel tot lagere economische groei maar niet tot een lagere kapitaal-opbrengst. De correctie bleef uit omdat ze met hand en tand werd bestreden. Het antwoord van de politieke en financiële bewindsvoerders op de krisis was telkens de massieve creatie van nieuw kapitaal om de waarde van het bestaande kapitaal te onderstutten.

newimproved capitalism

Orgie van geldcreatie

Dit gaat nog steeds voort. Elke dag worden miljarden uit het niets geschapen door de grote centrale banken. Het is een orgie van geldcreatie zoals de wereld er nooit een gekend heeft maar toch veroorzaakt ze geen stijgende inflatie. Dat komt omdat dat geld niet in de algemene circulatie terecht komt – op het inkomen van niet-kapitaalbezitters (lonen, sociale uitkeringen) wordt integendeel drastisch bezuinigd – maar rechtstreeks of onrechtstreeks naar de kapitaalbezitters gaat. Zodat die hun accumulatie kunnen verder zetten. De grote vrees is een algemene ontrafeling, waar we in 2008 even dichtbij kwamen.

Dat nieuw kapitaal resulteert niet uit productie en evenmin wordt het gros ervan productief aangewend. Het is met andere woorden fictief kapitaal. Piketty maakt geen onderscheid tussen fictief kapitaal en reeel (productief en latent productief) kapitaal. In praktijk zijn ze ook niet te scheiden. Ze zijn gelijkwaardig als betaalmiddel ook al is de waarde van het eerste in laatste instantie een kwestie van geloof. De ineenstorting van dat geloof is wat in 2008 dreigde en wat de ‘powers that be’ ten alle prijze willen vermijden.
Piketty waagt zich niet aan een analyse van de oorzaken van de krisis van 2008 maar het valt niet te ontkennen dat een over-accumulatie van kapitaal (speculatieve excessen in vastgoed en andere sectoren) de aanleiding was. De krisis maakte duidelijk dat dit overgeaccumuleerde kapitaal meer eist van de economie dan die kan opleveren, dat de schuldenlast steeds zwaarder weegt. Toch kan men niet anders dan de gevolgen van de wildgroei van fictief kapitaal bestrijden door nog veel meer fictief kapitaal te creëren. Op korte termijn lijkt het effect positief: de deflatie-tendens wordt afgeremd, de aandelenkoersen stijgen. Zo lang het gros van dat nieuwe kapitaal rechtstreeks geaccumuleerd wordt, opgepot in plaats van uitgegeven, blijft zijn fictieve karakter verborgen. Maar zo blijft ook het gewicht van het over-geaccumuleerde kapitaal op de economie zwaarder worden. Of zoals Piketty het formuleert: “Het verleden verslindt de toekomst”. Dit zinnetje wordt door Crook geciteerd als voorbeeld van de onbegrijpelijke taal waar Piketty zich volgens hem soms aan bezondigt. Maar dat het hem onbegrijpelijk lijkt, zegt meer over Crook dan over Piketty. Het drukt perfect uit wat er gebeurt: het verleden (eerder gecreëerd kapitaal) eist een steeds groter deel van de nieuw gecreëerde winst voor zich op. Het verslindt de groeikansen van de toekomst om zichzelf te kunnen blijven oppotten.

Piketty, die geen onderscheid ziet tussen fictief en reëel kapitaal, kijkt naar die enorme massa ongebruikt kapitaal en ziet geen beletsel om het in te zetten voor het algemene belang. “Wanneer je over zo veel privékapitaal en patrimonium beschikt, dan lijkt het me oerdom om van die mogelijkheid geen gebruik te maken” (interview in De Morgen). Vandaar zijn voorstel voor een wereldwijde belasting op kapitaal die volgens hem “geen ideologische hardnekkigheid, wel een keuze van het gezonde verstand” is (id.).

Als het gerealiseerd zou worden, zou het de inkomenskloof verkleinen, een groter deel van het kapitaal in circulatie brengen en daardoor zijn fictief karakter reveleren. Dat is wat gebeurde in de jaren 1970. Het leidde tot ontwrichtende inflatie die pas in toom werd gehouden toen er met Volcker, Reagan en Thatcher een ommezwaai kwam in het fiscaal en monetair beleid. De echte oorzaken van de stagnerende groei werden niet aangepakt maar het fictieve kapitaal werd uit de algemene circulatie geduwd –de inflatie werd uit de economie gewrongen- door het een expansieterrein te geven in publieke schuld en een gigantische expansie van de financiële sector.

Ik wens Piketty overigens veel geluk met zijn voorstel. Hij zal het nodig hebben om een wereld die door kapitaalbezitters wordt gedomineerd te overtuigen dat het inkomen van kapitaalbezitters moet verkleinen. Zijn visie is utopisch door de tegenstelling tussen het kader dat hij wil behouden – “I love capitalism”, zei Piketty in een interview met CNBC- en de doelstelling die hij wil realiseren maar die door dat kader wordt uitgesloten. Over de Piketty’s van zijn tijd schreef Marx in ‘Grundrisse’: “What divides these gentlemen from the bourgeois apologist is, on the one side, their sensibility to the contradictions of the system; on the other, the utopian inability to grasp the necessary difference between the real and the ideal form of bourgeois society, which is the cause of their desire to undertake the superfluous business of realizing the ideal expression again” (Penguin uitgave, p. 248-249). Ze willen de essentie behouden maar dan zonder de groeiende inkomenskloof en alle andere gruwels die er het onvermijdelijke gevolg van zijn.

Een reklama op de kaft van Piketty’s boek citeert Dani Rodrik van het ‘Institute for Advanced Study’: “Whether you agree or not on the solution, the book presents a stark challenge to those who would like to save capitalism from itself. ”

Dat is inderdaad wat Piketty beoogt. Maar kan het kapitalisme gered worden? En zelfs als zou het kunnen, verdient het dat?

juni 11, 2014 at 3:26 am Een reactie plaatsen

Oudere berichten


Kalender

oktober 2014
M D W D V Z Z
« sep    
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
2728293031  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 676 andere volgers