Archief beheerder

“IK KAN NIET ADEMEN!”

eric memorial 3

Tom Ronse

In vergelijking met wat in Gaza, Syrië en Oekrainië gebeurt, was het een klein drama. Maar het gebeurde in mijn eigen omgeving, op een plaats waar ik vaak passeer. En wat dichtbij plaatsgrijpt, grijpt nu eenmaal sterker aan. In essentie was het niet anders dan de slachting in Gaza, zij het op op veel kleinere schaal: een overweldigende macht vermoordde onschuldig leven.

Op vijf minuten wandelen van bij ons, aan de noordkust van Staten Island, New York, ligt een klein driehoekig parkje dat druk gebruikt wordt. Rond het park zijn er goedkope winkels en restaurantjes, een taxibedrijf, grote bushaltes, een galerijtje, schoonheidsalons, een pruikhandel, een boek-café. Aan de rand van het park staat een standbeeld voor gesneuvelden in de burgeroorlog. Er ligt een rots met een koperen plaat op die vertelt dat dit de plaats was waar de eerste Europeanen die hier in de vroege 17de eeuw toekwamen, vers water kwamen opslaan. Er is een fontein die zelden werkt. Daarrond staan banken waarvan de meeste bezet zijn door de vaste klanten van Tompkinsville Park. Mannen die er veel ouder uitzien dan ze zijn. Mannen die te vaak alcohol en te zelden zeep gebruiken. Mannen die door de vloer zijn gezakt. De laatste jaren hebben we hun aantal zien stijgen. (De werkloosheid mag dan wel dalen volgens de officiële cijfers maar de tewerkstellingsgraad –het deel van de bevolking dat effectief werkt- daalt sneller). Sommige omwonenden kloegen dat hun groeiende aanwezigheid de sfeer in het park verpeste. Toch was de sfeer er eerder gezapig dan bedreigend. Kinderen speelden in het park, kantoorbedienden aten er hun lunch. Natuurlijk brak er wel eens een ruzie uit tussen vaste klanten. Maar voor het tot klappen kon komen, was er een obstakel waar de kemphanen niet omheen konden: Eric Garner.

Eric was een grote, zwarte man van 43 die bijna 200 kg woog. Een van zijn bijnamen was “Gentle Giant”. Hij gebruikte zijn gewicht om konflikten in de kiem te smoren maar was zelf nooit gewelddadig. Een kennis die aan het park woont zei me dat Eric de vriendelijkste van alle vaste parkbezoekers was. Omdat hij Eric vaak de vrede in en rond het park zag beschermen, noemde hij hem ‘de burgemeester van Tompkinsville Park’.

Eric en zijn vrouw Esaw

Eric en zijn vrouw Esaw

Eric had nog een andere bijnaam: “the cigarette man”. Hij verkocht losse sigaretten, aan 50 cent per stuk. Dat is een van de vele spitsvondige manieren waarop mensen die uit het officiele arbeidscircuit zijn gestoten proberen te overleven. Ze kopen sigaretten buiten New York waar de taksen lager zijn en verkopen ze met een kleine winst in de stad (waar een pakje van twintig twaalf dollar kost). Dat is illegaal. Eric was al meer dan eens betrapt, gearresteerd, beboet en anderzijds lastig gevallen. Hij had een klacht neergelegd tegen de politie omdat die hem in het openbaar aan een vernederende ‘cavity search’ (lichaamsholte-onderzoek) zou onderworpen hebben.

Hoe het begon

Hoe het begon

Donderdagnamiddag 17 juli gingen een jonge zwarte en een Mexicaan op de vuist op het voetpad langs het park. Opnieuw was het Eric die tussenbeide kwam en de heethoofden scheidde. Intussen had iemand de politie gebeld. Toen die arriveerde, waren de gemoederen al bedaard. De vechters hadden de plaat gepoetst. Daarop besloot de politie om dan maar Eric te arresteren. Die protesteerde dat hij niets mispeuterd had. “Telkens als jij me ziet wil je mij pesten”, zei hij tegen een van de agenten, “Ik ben het beu. Dit stopt vandaag.” Hij wou zich niet laten boeien. Een flik die achter hem stond nam hem in een wurggreep. Met zijn vieren sleurden de agenten hem tegen de grond, duwden zijn hoofd tegen het plaveisel. “Ik kan niet ademen!” kreunde Eric. Hij zei het zes keer en dan werd hij stil. Ramsey Orta die erbij stond, filmde alles met zijn gsm. “Ze wurgden hem”, zei Orta, “er kwam schuim uit zijn mond.” Iemand anders filmde het vervolg. Zeven minuten lang stonden de agenten rond het roerloze lichaam zonder enige hulp te bieden. De agent die Eric gewurgd had, wuifde naar de camera. In het hospitaal kon men enkel constateren dat Eric dood was.

garner choked

De filmjes gingen ‘viraal’, zoals dat heet. Bill De Blasio, de nieuwe burgemeester van New York, had ze ook bekeken en beloofde een onderzoek. De beelden hadden hem “heel droevig” gemaakt zei hij, zo droevig dat hij zijn vacantie in Italie met een dag uitstelde. De Blasio won de verkiezingen met de belofte om de kloof tussen rijk en arm in New York te verkleinen en een einde te maken aan de misbruiken van de politie. Maar hij koos als politiechef William Bratton die de post al eerder had bekleed onder burgemeester Rudy Giuliani. Bratton was de architect van Giuliani’s “zero tolerance”-beleid dat de politie ongebreidelde autoriteit gaf om arrestaties te verrichten. eric memorial  poster

Zijn opvolger Kerry voegde daar “Stop-and-Frisk” aan toe. Die maatregel hield in dat dagelijks duizenden NewYorkers tegengehouden en gefouilleerd werden door de politie. Bijna al diegenen die geviseerd werden, waren jonge, niet-blanke mannen. Als ze bijvoorbeeld een joint op zak hadden, werden ze aangehouden. Daarvoor was zelfs geen joint nodig. Het vage ‘disorderly conduct’ volstond als excuus om naar willekeur te arresteren. Het leidde tot overbevolkte gevangenissen en in de armere buurten, waar de meeste Stop-and-Frisk-acties plaatsgrepen, het gevoel alsof de buurt zelf een gevangenis was.

‘Stop and Frisk’ wordt nu geleidelijk afgebouwd. Maar in de dood van Eric Garner zien velen een bevestiging dat er in essentie niets veranderd is in de NYPD. Sinds zijn dood hebben velen getuigd op Facebook en in andere ‘sociale media’ over recente incidenten van geweldpleging en vernedering door de politie. De wurggreep die Eric het leven kostte is een verboden maneuver voor agenten van de NYPD, precies omdat er al arrestanten door omkwamen. Toch waren er de laatste 5 jaar meer dan 1000 klachten tegen agenten die dat verbod zouden genegeerd hebben. Voorlopig kreeg geen enkele agent een ernstige straf.

eric-cropped

Op zaterdag, twee dagen na Erics dood, waren er meetings en protestbetogingen in Harlem en Staten Island. Met de laatste heb ik meegelopen en meegeroepen. Ze was stevig ingekaderd door locale politieke en religieuze leiders, met als master of ceremony de flamboyante linkse dominee Al Sharpton. Voor de kerk waar de betoging vertrok braken er felle discussies uit. Sommigen wilden spreken over de bredere context, over de massale opsluiting van jonge zwarte mannen, over racisme en ongelijke kansen, over Gaza… Anderen stelden dat het enkel over Eric mocht gaan. Een van hen trok een poster van de muur waarop stond: “From Gaza to Staten Island, killing innocent people is a crime”. Dat gebeurde toen de betoging langs de plaats van de moord passeerde, waar bloemen lagen en kaarsen brandden en teksten hingen en wat losse sigaretten waren uitgestrooid ter nagedachtenis van de cigarette man. Maar later, aan het politiegebouw waar de betoging eindigde, werd er eensgezind gescandeerd: “I can’t breathe!”

Dat ging over Eric. Het waren zijn laatste woorden. Maar het ging ook over meer. Een bord dat tussen de kaarsen lag op de plaats van de moord drukte het goed uit: “ NYPD: “I CAN’T BREATHE”/ STOP THE WAR ON THE POOR / The NYPD never choked a banker”.

i can't breathe

“Ik kan niet ademen”. Het trof me hoe toepasselijk die slogan vandaag is in heel de wereld. Is het niet dat wat de bevolking van Gaza de Israelische staat toeschreeuwt? Ik kan niet ademen. Is dat niet wat meer en meer mensen voelen in een maatschappij die geen ander antwoord lijkt te hebben op haar groeiende spanningen dan meer repressie en controle, meer politie, meer raketten, meer drones, meer camera’s, meer gas-boetes, meer arrestaties? Ik kan niet ademen!

eric memorial 2

http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=pvATEjsf41g

juli 29, 2014 at 6:05 am 2 reacties

Buitenspel

Het spektakel is afgelopen.

geenvoetbal

En nu terug naar de werkelijkheid.

Waar de ballen niet altijd rond zijn

en het doel soms heel ver weg lijkt.

juli 14, 2014 at 5:49 am Een reactie plaatsen

OPIUM

brazil-graffiti-anti-world-cup

Anti-world cup graffiti in Rio

Door Tom Ronse

Het grote voetbalfeest is begonnen. We kijken ernaar met gemengde gevoelens. Net als vele Brazilianen. Want in het land met de grootste inkomenskloof van de hele wereld vindt niet iedereen het geweldig dat de regerende Partij van de Arbeid aan de organisatie van dit spektakel 11 miljard dollar besteedde. Sommigen hopen zelfs dat Brazilië verliest. Ze leggen uit waarom in een artikel in GlobalPost.

Enkele citaten:

“I’d love to see the Brazil team lose every game and be thrown out in the first round,” says Marcelo Amorim, a university researcher who has been protesting against the tournament since last year. “We already have five cups so what is one more? Right now there are more important things to worry about.”

Protester Wellington Magalhaes, a resident of a favela climbing up Rio’s hills, says he will be actively cheering for Brazil’s rivals. “A victory for the Brazil team would be a victory for the government. It would be a slap in the face of the people,” Magalhaes said. “I’d like to see Brazil lose 10 to nothing. Just think of the repercussions of that.” (…) “Football is a passion and a love for people in the favelas. But how does this cup help the poor? The Brazilian government uses football as an opium to keep people happy. Well, we are tired of that.”

 
Helaas voor hen won Brazilië alvast zijn eerste wedstrijd. Zij het dank zij de scheidsrechter die toen de stand gelijk was Brazilië een strafschop schonk. Was hij gewoon bijziend of moest Brazilië winnen? Zoals Magalhaes zei: beeld je de gevolgen in van een Braziliaanse nederlaag. Het ruwe ontwaken uit een opiumdroom. Terwijl vele Brazilianen er zich nu al niet meer door laten verdoven. Vandaar dat de regering 157 000 politieagenten en militairen heeft ingeschakeld om het feest te beschermen.

De toeristen voelen zich veilig

De toeristen voelen zich veilig

Naast het contrast tussen de gigantische verspilling die de cup voor Brazilië is en de gigantische noden van dat land die geslachtofferd worden op het altaar van het nationaal prestige zijn er nog andere redenen voor gemengde gevoelens over het voetbalfestijn, zoals de corruptie van de FIFA . John Oliver, de Britse comedian van de Daily Show die nu zijn eigen show heeft op HBO, vat goed samen waarom hij zowel opgetogen als verontwaardigd is over de world cup. Hij is grappig en serieus. Bekijk hem HIER.

John Oliver

John Oliver

Voetbal is zo opwindend omdat het een religie is, zegt Oliver. Begeesterend, roeswekkend, verenigend. Opium voor het volk. Een ritueel maar met ergens daarin een mysterie waar we samen bij willen zijn. Ik ook. Geef die pijp nog eens door…

Tijdens de metro-staking in Sao Paulo

Tijdens de metro-staking in Sao Paulo

 

juni 13, 2014 at 7:12 am Een reactie plaatsen

‘HET VERLEDEN VERSLINDT DE TOEKOMST’

Thomas Piketty

Thomas Piketty

Over Thomas Piketty’s boek “Het Kapitaal in de 21ste eeuw” en de kritiek die het uitlokte.

Door Tom Ronse

Sinds de Engelse vertaling verscheen doet Piketty’s boek heel wat stof opwaaien, aan beide kanten van de grote plas. “It is the closest thing to a pop-culture sensation heavyweight economics will ever provide”, volgens The Economist. Martin Wolf van de The Financial Times noemde het “an extraordinary important book” en Esquire Magazine vond het –nu al- “the most important book of the century”. The Sunday Times vergeleek Piketty met Smith, Keynes en Marx. De Morgen noemde zijn boek “een intellectuele bulldozer”. Het klom naar nummer 1 op de bestsellerslijst van Amazon, “Game of Thrones” en “How to win friends and influence people” voorbijstekend. Linkse economen zoals Stiglitz en Krugman prezen het werk de hemel in. “Conservatives are terrified”, schreef Krugman in een column in The New York Times getiteld “The Piketty Panic” (overgenomen in De Morgen). Ze zijn volgens hem in paniek omdat ze niet in staat zijn om Piketty’s thesis te ontkrachten. Hij citeerde James Pethokoukis van de conservatieve think tank The American Enterprise Institute die in de National Review waarschuwde dat het ‘zachte marxisme’ van Piketty weerlegd moet worden want anders “it will spread among the clerisy and reshape the political economic landscape on which all future policy battles will be waged. We’ve seen this movie before.”

Geen Marxist

Wat dat marxisme betreft, dat valt nogal mee (of tegen, naargelang je opinie over Marx). Met een titel die doet uitschijnen dat hij het vervolg heeft geschreven op ‘Het Kapitaal’ van Marx, lokt Piketty de vergelijking natuurlijk uit. Commercieel is dat misschien goed bekeken. Maar in een interview in The New Republic wees Piketty elke gelijkenis met Marx van de hand. Hij zei dat hij Marx zelfs niet gelezen had. Hij benadrukte dat zijn vertrekpunt niet theoretisch is zoals dat van Marx maar empirisch. “Ik zeg maar wat de data mij vertellen.” Toch verklaart hij zich in zijn inleiding akkoord met wat hij “Marxs principe van de oneindige accumulatie” noemt: de intrinsieke drang van kapitaal om te accumuleren voor geen ander doel dan om te accumuleren.

final wish

Van een boek dat zoveel sukses heeft en zoveel controverse opwekt zou je verwachten dat het verrassende nieuwe inzichten bevat maar dat is eigenlijk niet het geval. Het bevat tal van interessante observaties maar de hoofdstelling van het boek is niet origineel of verbazend. Piketty stelt dat de inkomenskloof tussen kapitaalbezitters en de rest van de bevolking steeds breder wordt waardoor er grote sociale spanning en ontwrichting dreigt. Hij wil dat voorkomen door de invoering van een wereldwijde vermogensbelasting. Er zijn de laatste jaren verschillende serieuze studies gepubliceerd die de groeiende ongelijkheid van inkomens in de laatste 40 jaar documenteerden en die net als Piketty waarschuwden voor de sociale gevolgen van de trend. Die kregen nauwelijks aandacht in de grotere media. Waarom krijgt Piketty er dan zoveel?

Timing speelt een rol. De groeiende ongelijkheid is een brandend actueel thema. De recessie mag dan officieel achter de rug zijn maar de meeste mensen zien hun leven niet verbeteren, vaak integendeel. Intussen zien ze de rijksten onder de rijken nog rijker worden aan een tempo dat de verbeelding tart. Linkse partijen in heel de wereld hebben dan ook van een herverdeling van het nationaal inkomen hun voornaamste strijdpunt gemaakt. De rijken hogere belastingen opleggen zou volgens links niet alleen tot grotere sociale rechtvaardigheid leiden maar ook de krisis oplossen. Want, zo redeneert links, door inkomen te versluizen van een kleine elite naar de brede massa zal de vraag toenemen en dus ook de economische groei. In Piketty’s research vindt links argumenten die die stelling bevestigen; geen wonder dus dat het zijn boek toejuicht. Piketty heeft trouwens zelf een sociaal-democratische background. Zo was hij adviseur van Ségolène Royal. Toch komt hij ook tot conclusies die het verhaal van links ondergraven, waarover verder meer. Wat Ségolène’s ex Francois Hollande betreft, die heeft Piketty enkele keren in zijn paleis ontvangen maar aan zijn beleid te zien, heeft hij niet naar hem geluisterd.

De normale gang van zaken

Het boek heeft ook sukses omdat het vlot en helder geschreven is, met een minimum aan economisch jargon en mathematische bewijsvoering en met interessante historische en literaire uitwijdingen. Bovendien is deze kanjer (bijna 700 bladzijden in de Engelse uitgave, zo’n 900 in de Franse, plus een uitvoerig addendum online) de meest uitgebreide studie over inkomensongelijkheid die ooit werd ondernomen. Piketty en zijn vele medewerkers werkten er 15 jaar aan. Hij vergelijkt het groeitempo van het kapitaal met dat van de economie in de grootste industriële landen van de 18de eeuw tot vandaag. Het eerste noemt hij ‘r’ en het tweede ‘g’. Uit de data blijkt dat r > g de normale gang van zaken is. Met andere woorden, groeiende ongelijkheid zit ingebakken in het systeem, is het product van de wetten van de markt. Piketty noemt dit “de centrale contradictie van het kapitalisme”. Natuurlijk lokt dat protest uit van ideologen zoals de editorialisten van de Wall Street Journal die al jarenlang preken dat de vrije markt tot een democratisering van bezit leidt. Uit de cijfers van Piketty blijkt net het omgekeerde. Geen wonder dus dat die krant het boek aanvalt en Piketty “een middeleeuwse vijandigheid” verwijt “tegen de notie dat kapitaal een opbrengst verdient.”

Uit Piketty’s data blijkt dat kapitaal over heel die periode gemiddeld een jaarlijkse groei van 4 a 5 % genoot terwijl de gemiddelde jaarlijkse groei minder dan 1 % bedroeg. Tot de ‘industriële revolutie’ in de vroege 19de eeuw was de jaarlijkse groei zelfs minder dan 0,1 %. Dan versnelde hij: de modale groei in de 19de eeuw bedroeg 1 tot 1,5 % maar het aandeel dat naar de kapitaalbezitters ging groeide nog veel sneller, mede door de stijging van de grondprijzen. Tegen het einde van de eeuw was er daardoor zo’n concentratie van bezit ontstaan dat de inkomenskloof weer zo groot was als in het ancienne regime. In de 20ste eeuw was er een lange onderbreking in ‘de normale gang van zaken’: van de eerste wereldoorlog tot de jaren 1970 werd de inkomenskloof aanzienlijk kleiner. Tijdens de wereldoorlogen en de depressie daartussen daalde de opbrengst van kapitaal door inflatie, de fysieke vernietiging van bezit en hoge belastingen om de oorlogen te financieren. Gedurende de tweede wereldoorlog zakte de opbrengst van kapitaal tot bijna nul. De inkomenskloof versmalde omdat het kapitaal devalueerde, niet omdat het inkomen van niet-kapitaalbezitters groeide. Dat veranderde na de oorlog toen de economische groei pijlsnel steeg. De kapitaalopbrengst hield gelijke tred met een jaarlijkse groei van ruim 4 %. Dit was de enige periode waarin de twee in evenwicht waren, waarin r = g, zodat de kapitaalgroei voldoende ruimte overliet voor een inkomensstijging van niet-kapitaalbezitters. De enige periode met een aanzienlijke opwaartse sociale mobiliteit.

grafiek piketty

Volgens Piketty was de forse groei tijdens “les trente glorieuses” vooral te danken aan de heropbouw en kwam er een einde aan toen die voltooid was. De groei daalde en de productiviteitsgroei zakte tot 1 a 1,5 %, dicht bij het niveau van voor de eerste wereldoorlog. Maar de kapitaalopbrengst daalde niet, constateert Piketty. Dat wijt hij aan fiscale hervormingen die het progressief karakter van de belastingen ondermijnden en ook aan de groeiende machtspositie van het globale kapitaal, als gevolg van de liberalisering van het internationaal kapitaalverkeer. Met een jaarlijkse groei van 1 a 1,5% – en meer is volgens Piketty niet mogelijk voor landen die in de technologische topgroep zitten, vandaag is het minder – en een kapitaal dat met 4 a 5% groeit kan het niet anders dan dat de inkomenskloof steeds groter wordt. Uit Piketty’s data blijkt dat 60% van de groei van het nationaal inkomen in de VS tussen 1977 en 2007 naar het rijkste 1% van de bevolking ging. En ook dat de kloof tussen de groei van kapitaal en nationaal inkomen in Europese landen zoals Frankrijk en Groot-Brittannië nog breder werd dan in de VS. De automatisering versnelt volgens hem de trend door het aandeel van de arbeid in de productie te verminderen. Meer van de opbrengst gaat naar het kapitaal, minder naar de werkende bevolking. Het theoretisch eindpunt van die trend is dat heel het nationaal inkomen naar het kapitaal gaat. Dat kan natuurlijk niet en lang voor dit punt bereikt zou zijn, zou het sociale weefsel van de maatschappij verscheurd worden. De mogelijke gevolgen zijn angstaanjagend, zegt Piketty. Om een katastrofe te voorkomen moet er langs fiscale weg een inkomensherverdeling komen: een progressieve belasting op kapitaal, niet alleen op nationaal maar ook en vooral op internationaal niveau.

Tegenwind

Natuurlijk vangt zijn stelling heel wat tegenwind. Vooral in de Angelsaksische wereld waar het idee dat het kapitalisme een “meritocratie” is waarin rijkdom het resultaat is van talent en opwaartse mobiliteit vanzelf de inkomenskloof verkleint nog de kracht van een dogma heeft. De meest gedetailleerde kritiek kwam van Chris Giles in The Financial Times die Piketty’s data onder de loupe nam. Hij vond enkele fouten en bekritiseert een aantal onderstellingen die arbitrair lijken. Een ander verwijt luidt dat Piketty verzuimt om sommige sociale uitkeringen bij het gezinsinkomen te rekenen- wat de kloof groter doet lijken dan ze in werkelijkheid is. Maar ondermijnen die fouten, als het fouten zijn, Piketty’s conclusies? Piketty analyseerde een gigantische hoeveelheid data uit 20 landen. Soms waren die onvolledig en gebaseerd op verschillende criteria. Hun vergelijking roept onvermijdelijk problemen op. Maar “niet alle verschillen zijn vergissingen”, schrijft Justin Wolfers in The New York Times, en “niet alle vergissingen zijn even belangrijk… The most striking fact is how closely The Financial Times’ analysis agrees with Piketty’s”. Piketty gaf toe dat zijn data niet perfect zijn maar noemde de bewering van Giles dat diens kritiek de bevindingen van zijn boek in vraag stellen “belachelijk”. Hij wees er op dat sinds zijn boek verscheen (in 2013) diverse andere studies werden gepubliceerd wiens methodologie van de zijne verschilt maar die toch zijn waarnemingen bevestigden.

Hoe zou het anders kunnen? De groeiende ongelijkheid steekt immers de ogen uit. Zeker op wereldvlak. Minder dan 1% van de wereldbevolking bezit 40% van de hele planeet terwijl de helft van de wereldbevolking moet overleven met minder dan 2 dollar per dag. Alleen verblinde ideologen kunnen nog volhouden dat de marktmechanismen dat probleem vanzelf zullen oplossen. Maar is het enkel een kwestie van onrechtvaardige verdeling? Volgens Clive Crook, een columnist van Bloomberg News, heeft Piketty ongelijk als hij beweert dat de groeiende ongelijkheid de centrale contradictie van het kapitalisme is. Niet de verdeling maar de productie van welvaart is het centrale probleem, schrijft Crook. Als de totale koek snel genoeg groeit dan heeft het niet zo veel belang dat een groter deel van de koek naar het kapitaal gaat. “A rising tide lifts all boats”. Maar wat die ‘rising tide’ zal doen ontstaan lijkt Crook ook niet te weten.

in camden

Zwaartekracht

Ook de ecologische pessimist James Howard Kunstler verwijt Piketty dat hij door zijn focus op de verdeling van het inkomen de problemen waar de productie voor staat, negeert. Voor Kunstler is het centrale probleem ecologisch: de opwarming van de aarde en de eindigheid van de fossiele brandstoffen. De hoop dat nieuwe technologie ervoor zal zorgen dat “de industriële orgie” kan voortgaan, is volgens hem een illusie. De ineenstorting nadert. Naast die bedreiging lijkt de groeiende inkomenskloof een detail. Kunstler is het overigens eens met Piketty’s conclusies maar vindt het naief om te denken dat inkomenskloof langs politieke weg kan worden verkleind. “Het kapitalisme is zoals de zwaartekracht”, meent hij, het legt zijn wetten op aan kapitaalbezitters, bedrijven en staten. Het weerstaat alle pogingen om zijn fundamentele mechanismen te corrigeren.

Tot op zekere hoogte is Piketty het daar mee eens. Uit zijn data blijkt dat het voor de groei van de inkomenskloof weinig verschil maakt wie er aan de macht is –Democraten of Republikeinen, sociaal-democraten of conservatieven. Er is niets dat ze kunnen doen om de kloof tussen de groei van het kapitaal en de groei van de reële economie te verkleinen. Enerzijds omdat er, blijkens zijn data, van kapitaal-intensieve landen geen hogere modale groei kan verwacht worden dan 1,5 % . Anderzijds omdat “Piketty’s analysis articulates what many people on the Democratic left feel intuitively, that a domestic tax, spending and regulatory agenda is ineffective in the face of the power of globalized capital to grind down wages and benefits.” Dixit de econoom Thomas Edsall in The New York Times. Edsall merkt op dat dit aspect van Piketty’s analyse ter linkerzijde minder geapprecieerd wordt. Hij citeert Robert Kuttner, de hoofdredacteur van The American Prospect, die vindt dat Piketty’s boek “passiviteit en berusting” in de hand werkt en de linkse econoom Dean Baker die sniert dat “a big part of the book’s appeal is that it allows people to say capitalism is awful but there is nothing that we can do about it.”

Een wereldtaks

Piketty meent dat er wel iets aan gedaan kan worden maar enkel op wereldvlak. Alleen door een internationale belasting op grote vermogens kan de ongelimiteerde groei van de globale ongelijkheid aan banden worden gelegd. Dat roept natuurlijk vragen op. Edsall formuleert er enkele: “Who would run a super-national tax collection agency? How would the taxes collected on assets owned by one person but held in multiple countries be distributed? How would global wealth tax supporters actually win the enactment of regulations that would require transparency of ownership of real estate, of bank holdings and of control of private corporations? ” Het plan zou een internationale samenwerking vereisen die tot nu toe nooit bestaan heeft. Is dat haalbaar? Kunnen de regels van de internationale concurrentie opzij geschoven worden in een systeem dat op concurrentie berust?

Veel van zijn critici vinden zijn voorstel dan ook utopisch. Waarop Piketty replikeert: “Wie in 1910 een progressieve inkomensbelasting voorstelde, werd net niet met pek en veren de stad uitgejaagd. En zie, vandaag is dit soort belasting de normaalste zaak van de wereld” (interview in De Morgen, 19 april). Je weet dus maar nooit. Volgens Piketty werd de progressieve belasting realiteit als gevolg van de wereldoorlog. Je vraagt je af welke ramp er vandaag nodig is om een Piketty-taks te realiseren. Bovendien was de progressieve fiscaliteit een hervorming binnen het nationale kader. Een internationale progressieve belasting lijkt me een ander paar mouwen. Vooral in een tijd waarin alle bedrijven en landen moeten vechten om hun waarde te behouden, om aantrekkelijk te blijven voor het globale kapitaal.

 

Wat is kapitaal?

Wat Piketty niet doet, is de causale verbanden tussen de groei van het kapitaal en de groei van de economie onderzoeken. Dat hoeft voor hem ook niet want “kapitaal en economische groei hebben strikt genomen niets met elkaar te maken”. Hij wijst erop dat de stijgende waarde van grond de voornaamste bron was van de hoge kapitaalopbrengst in de 19de eeuw. En dat de hoge kapitaalopbrengst van vandaag niet door economische groei kan verklaard worden. Dat politieke, kulturele en andere aspecten een rol spelen. Dat klopt maar om vandaar uit te concluderen dat kapitaal en economische groei “niets met elkaar te maken”hebben, lijkt me onzin. De waarde van de grond kon enkel stijgen omdat elders in de economie de koopkracht werd gecreëerd die de hogere vraag naar grond voedde. De waarde van kapitaal lijkt alleen onafhankelijk van de economische groei en de winst die eruit resulteert. Maar dat is gezichtsbedrog.

‘Kapitaal’ is voor Piketty een heel brede noemer. Alle vormen van verhandelbaar bezit: grond, vastgoed, bedrijven, technologie, infrastructuur, financiële tegoeden enz. vallen er onder. Daarvoor krijgt hij kritiek van rechts en links. In Foreign Affairs verwijt Tyler Cowen Piketty dat hij het kapitaal ziet als “a growing, homogeneous blob” en de grote variatie in opbrengst van verschillende bezittingen negeert. Toch valt er iets voor te zeggen. Het kapitaal komt in vele vormen en kan ogenblikkelijk van de ene vorm in een andere veranderen. De hele ‘homogeneous blob’ is aan dezelfde accumulatiedwang onderworpen.

always more

De Keynesiaanse economen James Galbraith en Brad De Long stellen dat Piketty ‘wealth’ (vermogen) en kapitaal verwart. Anders gezegd, hij maakt geen onderscheid tussen productief en niet-productief kapitaal, tussen kapitaal dat geinvesteerd is in economische groei en kapitaal dat niets doet, dat slapend rijker wordt. Hun opbrengst kan scherp verschillen. Beide vormen van bezit zijn essentieel voor het kapitalisme. De onontbeerlijkheid van productief kapitaal behoeft geen uitleg. Maar kapitaal moet ook in staat zijn om zich terug te trekken uit de productie en circulatie van waren zonder zijn waarde te verliezen. Om puur bezit te zijn en zonder iets te doen betaalmiddel te blijven. Zo kan het kapitaal de productiesfeer verlaten als er overproductie dreigt en er terug invloeien als er nieuwe expansiemogelijkheden opdagen. Dit niet-productieve kapitaal fungeert dus als latent productief kapitaal. Het groeiend belang van het kredietwezen gaf het enorme expansiemogelijkheden. Maar de verhoudingen tussen beide vormen van bezit is belangrijk aangezien de echte rijkdom enkel stijgt omdat het productief kapitaal ze doet groeien. Wat Piketty’s boek illustreert is de tendens in het kapitalisme van overaccumulatie van niet-productief, in essentie financieel kapitaal dat steeds zwaarder gaat wegen op wat ‘de reële economie’ wordt genoemd.

Ook marxistische economen nemen Piketty’s brede definitie van kapitaal onder vuur. “Capital is a process not a thing. It is a process of circulation in which money is used to make more money”, schrijft David Harvey. “The rate of return on capital depends crucially on the rate of growth because capital is valued by way of that which it produces and not by what went into its production.” Op basis van Piketty’s data komt Esteban Maito tot de conclusie dat, als je enkel naar de evolutie van productief kapitaal kijkt, de stabiele hoge opbrengst van het kapitaal verdwijnt. In plaats daarvan bevestigen de data volgens Maito Marxs wet van de tendentiële daling van de winstvoet.

De winstvoet daalt als het verschil tussen de waarde van het geinvesteerde kapitaal en de waarde van het resulterend product kleiner wordt. Het kapitalisme beweegt volgens Marx tendentieel in die richting omdat de productie steeds meer draait op basis van technologie (en vandaag automatische processen) en steeds minder op levende arbeid. Het ontwikkelt een productievermogen waarvan de bepalende factor niet meer is de hoeveelheid arbeidstijd die wordt besteed maar kennis: wetenschap,technologie, informatie-overdracht. Toch kan het kapitalisme niet anders, aldus Marx, dan de gigantische rijkdom die zo gecreëerd wordt te meten met de verouderde maatstaf van abstracte arbeidstijd. Dat is wat volgens Marx geruild en opgepot wordt in het kapitalisme: abstracte arbeidstijd. De bron van de winst is het verschil tussen de abstracte arbeidstijd die in het productieproces wordt toegevoegd en de abstracte arbeidstijd die het equivalent is van de loonkosten. Hoe kleiner het aandeel van de toegevoegde arbeidstijd, hoe meer ook de winst tendentieel daalt. Marx zag dit als een onderliggende historische tendens, gemodifieerd en soms gestopt door tegen-tendenzen en andere factoren. Ook impliceert de wet geen lineaire achteruitgang maar een cyclische beweging. De daling van de winstvoet leidt naar krisis en krisis devalueert het kapitaal. In die mate dat het verschil tussen de waarde van het (gedevalueerde) geinvesteerde kapitaal en de waarde van het resulterend product weer groter wordt. De winstvoet herstelt en een nieuwe accumulatiecyclus begint.

In Piketty’s data kan men bevestiging vinden voor deze theorie. Ze tonen alleszins dat krisis (en oorlog) kapitaal devalueert en dat die devaluatie ruimte schept voor nieuwe groei. Maar voor de krisis vandaag gaat de stelling niet op. Piketty toont aan dat noch de krisis van de late jaren 1970 noch “the great recession” van 2008 tot een algemene devaluatie van kapitaal leidde. Wel tot lagere economische groei maar niet tot een lagere kapitaal-opbrengst. De correctie bleef uit omdat ze met hand en tand werd bestreden. Het antwoord van de politieke en financiële bewindsvoerders op de krisis was telkens de massieve creatie van nieuw kapitaal om de waarde van het bestaande kapitaal te onderstutten.

newimproved capitalism

Orgie van geldcreatie

Dit gaat nog steeds voort. Elke dag worden miljarden uit het niets geschapen door de grote centrale banken. Het is een orgie van geldcreatie zoals de wereld er nooit een gekend heeft maar toch veroorzaakt ze geen stijgende inflatie. Dat komt omdat dat geld niet in de algemene circulatie terecht komt – op het inkomen van niet-kapitaalbezitters (lonen, sociale uitkeringen) wordt integendeel drastisch bezuinigd – maar rechtstreeks of onrechtstreeks naar de kapitaalbezitters gaat. Zodat die hun accumulatie kunnen verder zetten. De grote vrees is een algemene ontrafeling, waar we in 2008 even dichtbij kwamen.

Dat nieuw kapitaal resulteert niet uit productie en evenmin wordt het gros ervan productief aangewend. Het is met andere woorden fictief kapitaal. Piketty maakt geen onderscheid tussen fictief kapitaal en reeel (productief en latent productief) kapitaal. In praktijk zijn ze ook niet te scheiden. Ze zijn gelijkwaardig als betaalmiddel ook al is de waarde van het eerste in laatste instantie een kwestie van geloof. De ineenstorting van dat geloof is wat in 2008 dreigde en wat de ‘powers that be’ ten alle prijze willen vermijden.
Piketty waagt zich niet aan een analyse van de oorzaken van de krisis van 2008 maar het valt niet te ontkennen dat een over-accumulatie van kapitaal (speculatieve excessen in vastgoed en andere sectoren) de aanleiding was. De krisis maakte duidelijk dat dit overgeaccumuleerde kapitaal meer eist van de economie dan die kan opleveren, dat de schuldenlast steeds zwaarder weegt. Toch kan men niet anders dan de gevolgen van de wildgroei van fictief kapitaal bestrijden door nog veel meer fictief kapitaal te creëren. Op korte termijn lijkt het effect positief: de deflatie-tendens wordt afgeremd, de aandelenkoersen stijgen. Zo lang het gros van dat nieuwe kapitaal rechtstreeks geaccumuleerd wordt, opgepot in plaats van uitgegeven, blijft zijn fictieve karakter verborgen. Maar zo blijft ook het gewicht van het over-geaccumuleerde kapitaal op de economie zwaarder worden. Of zoals Piketty het formuleert: “Het verleden verslindt de toekomst”. Dit zinnetje wordt door Crook geciteerd als voorbeeld van de onbegrijpelijke taal waar Piketty zich volgens hem soms aan bezondigt. Maar dat het hem onbegrijpelijk lijkt, zegt meer over Crook dan over Piketty. Het drukt perfect uit wat er gebeurt: het verleden (eerder gecreëerd kapitaal) eist een steeds groter deel van de nieuw gecreëerde winst voor zich op. Het verslindt de groeikansen van de toekomst om zichzelf te kunnen blijven oppotten.

Piketty, die geen onderscheid ziet tussen fictief en reëel kapitaal, kijkt naar die enorme massa ongebruikt kapitaal en ziet geen beletsel om het in te zetten voor het algemene belang. “Wanneer je over zo veel privékapitaal en patrimonium beschikt, dan lijkt het me oerdom om van die mogelijkheid geen gebruik te maken” (interview in De Morgen). Vandaar zijn voorstel voor een wereldwijde belasting op kapitaal die volgens hem “geen ideologische hardnekkigheid, wel een keuze van het gezonde verstand” is (id.).

Als het gerealiseerd zou worden, zou het de inkomenskloof verkleinen, een groter deel van het kapitaal in circulatie brengen en daardoor zijn fictief karakter reveleren. Dat is wat gebeurde in de jaren 1970. Het leidde tot ontwrichtende inflatie die pas in toom werd gehouden toen er met Volcker, Reagan en Thatcher een ommezwaai kwam in het fiscaal en monetair beleid. De echte oorzaken van de stagnerende groei werden niet aangepakt maar het fictieve kapitaal werd uit de algemene circulatie geduwd –de inflatie werd uit de economie gewrongen- door het een expansieterrein te geven in publieke schuld en een gigantische expansie van de financiële sector.

Ik wens Piketty overigens veel geluk met zijn voorstel. Hij zal het nodig hebben om een wereld die door kapitaalbezitters wordt gedomineerd te overtuigen dat het inkomen van kapitaalbezitters moet verkleinen. Zijn visie is utopisch door de tegenstelling tussen het kader dat hij wil behouden – “I love capitalism”, zei Piketty in een interview met CNBC- en de doelstelling die hij wil realiseren maar die door dat kader wordt uitgesloten. Over de Piketty’s van zijn tijd schreef Marx in ‘Grundrisse’: “What divides these gentlemen from the bourgeois apologist is, on the one side, their sensibility to the contradictions of the system; on the other, the utopian inability to grasp the necessary difference between the real and the ideal form of bourgeois society, which is the cause of their desire to undertake the superfluous business of realizing the ideal expression again” (Penguin uitgave, p. 248-249). Ze willen de essentie behouden maar dan zonder de groeiende inkomenskloof en alle andere gruwels die er het onvermijdelijke gevolg van zijn.

Een reklama op de kaft van Piketty’s boek citeert Dani Rodrik van het ‘Institute for Advanced Study’: “Whether you agree or not on the solution, the book presents a stark challenge to those who would like to save capitalism from itself. ”

Dat is inderdaad wat Piketty beoogt. Maar kan het kapitalisme gered worden? En zelfs als zou het kunnen, verdient het dat?

juni 11, 2014 at 3:26 am Een reactie plaatsen

Exit Gabriel

Gabriel Garcia Marquez

GABRIEL GARCIA MARQUEZ

6-3-1927 – 17-4-2014

GABRIEL

 

 

april 18, 2014 at 5:43 am Een reactie plaatsen

CARAÏBEN: PARADISE LOST

 Door Johan Depoortere

There are islands in the Caribbean just waiting for development – a beach, an hotel, an airstrip. You’d end a millionaire, old man!”

Graham Greene, The Comedians

Een bezoek aan Ile à Vache vóór de kust van Haiti is een reis in de tijd. Was het niet van de alomtegenwoordige mobieltjes en de zonnepalen je zou je in de jaren vijftig of nog veel vroeger wanen: geen elektriciteit, geen stromend water, geen auto’s, geen verharde wegen. Dit is één van de weinige plekken ter wereld waar vissersboten voortbewogen worden door alleen maar de wind en de zeilen. “Bâtiments” zo heten de gammele vaartuigen waarmee de vissers zich op zee begeven, balancerend op de rand om de boot met oversized zeil in evenwicht te houden.
Een Amerikaans-Canadees project voorziet de vissers van Ile à Vache van afgedankte zeilen van plezierjachten

De bâtiments worden ook gebruikt voor het vervoer van goederen en personen. “Bois Fouillés,” boomstamkano’s zoals die wellicht duizenden jaar geleden al werden gemaakt, dienen voor kortere afstanden en kleinere vrachten. Kinderen niet ouder dan een jaar of zeven varen ermee rond en proberen kleine klusjes te versieren of iets te verkopen aan de talrijke jachten die het eiland aandoen.

De markt in Madame Bernard
Let op het oortje!
Niet dat Ile à Vache geheel door de moderne tijd onaangeroerd zou zijn gebleven: er zijn twee internetcafés in het dorp Caille Coq (Kay Kok in het Creools) en in Madame Bernard, een paar uur stappen verderop is de markt bezaaid met parasols van Digicel, een telecomoperator met vestigingen in heel het Caraïbisch gebied. Willem, een slimme twintiger uit Caille Coq, verhuurt voor exorbitante prijzen USB-sticks met simkaart waarmee yachties en andere bezoekers tergend traag internet kunnen binnenhalen. Abjecte armoede is er op het eiland niet meteen zichtbaar en er wordt geen honger geleden. De zee is rijk aan vis en kreeften en wie het even kan heeft wel een varkentje en een paar kippen op het erf. Dat is heel wat anders dan de schrijnende ellende die ik bijna dertig jaar geleden in Port au Prince tegenkwam. Kinderen die op je toe kwamen gelopen: “Blanc, blanc, j’ai faim.” Na de aardbeving van 2010 is de toestand er daar en op veel andere plekken in Haïti beslist niet op verbeterd.
Baie de Feret

Maar voor Ile à Vache zitten andere tijden eraan te komen. De Baie de Feret, de mooiste van het eiland is een natte droom van de projectontwikkelaar: brede stranden, een rustige diepe baai beschermd tegen de golven van de Caraïbische Zee: de ideale plek voor een jachthaven met hotel en resorts. Het kon dan ook niet uitblijven en de plannen voor toeristische ontwikkeling van Ile à Vache liggen op de tekentafels: er komen een internationale luchthaven, 15 km verharde wegen, verschillende hotels en resorts, 2500 villa’s en een marina. Kortom, een miljardenproject waarvoor het armlastige Haïti een beroep moet doen op buitenlandse investeerders. Klein probleem: er wonen 7000 mensen op het eiland en hun huizen staan in de weg. Caille Coq,  het dorp aan de Baie de Feret past niet in de plannen. De huizen staan tot tegen het strand en zullen moeten verdwijnen.

Hotel Port Morgan op Ile à Vache
Er is al een hotel aan de baai: Hotel Port Morgan, gerund door Didier, een Fransman van middelbare leeftijd. Voor Didier komt er wellicht concurrentie bij, maar erg veel zorgen schijnt hij zich daarover niet te maken: “Er zijn zoveel projecten in Haïti,” zegt hij met een schouderophalen. Didier heeft te horen gekregen dat hij 60 kamers bij moet bouwen om zijn vergunning te houden. Maar je ziet het vóór je ogen gebeuren: Hij geeft er de brui aan en verkoopt zijn mooi gelegen hotel aan de projectontwikkelaars, iedereen happy.
Kay Kok
Behalve dan de vissers, de boeren en de haveloze bevolking van Caille Coq en de dorpen in de omgeving. Sommigen van hen zien de ontwikkelingen met hoop tegemoet. Enkelen zullen ongetwijfeld werk vinden als kok, schoonmaker, chauffeur, gids. Maar voor de meesten betekent de komst van een hotel en marina het verdwijnen van hun eeuwenoude levenswijze en een onzekere toekomst. Wellicht moeten ze verhuizen naar hogerop.

Een presidentieel besluit van mei 2012 verklaart het eiland tot “toeristische ontwikkelingszone” en bepaalt meteen dat alle gronden en eigendommen die de laatste vijf jaar het voorwerp zijn geweest van transacties of huur tussen particulieren worden onteigend. De staat eigent zich gewoon het eigendom van particulieren toe. Dat betekent voor de meeste inwoners van Caille Coq en Madame Bernard simpelweg dat ze van hun land en uit hun huis worden verdreven ten voordele van buitenlandse projectontwikkelaars en de clan rond president Martelly. Veel mensen hebben niet eens eigendomstitels voor het stukje grond waar ze in eenvoudige hutten soms generaties lang op wonen.

“Sweet Micky” in een vorig leven carnavalzanger, nu president van Haïti

De vissers van Ile à Vache verliezen hun toegang tot de stranden waar de bootjes nu aan land komen en droog vallen. In december en januari is betoogd tegen het project. Op weg naar de markt van het dorp Madame Bernard moeten we over barricades klimmen die de betogers hebben opgeworpen en er komen meer manifestaties zeggen de dorpsbewoners. Eén van hen verklaarde aan een reporter van Tout Haiti, een webpublicatie: “Als ze onze grond willen afpakken zullen ze ons eerst moeten doden.” Ook vandaag is de spanning in het dorp voelbaar: de “magistrat” (burgemeester) heeft verdere manifestaties verboden en een zestigtal militairen zijn sinds kort op het eiland gelegerd “Is er een probleem?” vragen we één van hen. “Non non, pas de pwoblem!”

Bewoners van Ile à Vache betogen tegen het megaproject voor toeristische ontwikkeling

Maar een probleem is er wel degelijk. De promotie van Ile à Vache en de beloften van “vooruitgang” hebben een bittere bijklank voor de inwoners van HaÍti, één van de armste landen ter wereld. Een “toeristische ontwikkelingszone” bestaat al in Labadie, in het Noorden van het eiland. Het is een gebied uitsluitend voor buitenlanders, de Haïtianen zelf hebben er geen toegang, ook als ze zich een verblijf in het luxeresort zouden kunnen veroorloven. Een stukje apartheid in het land dat zich de eerste zwarte republiek ter wereld mag noemen! (Zie: Labadie, un contraste choquant)  Zopas heeft het Haïtiaanse ministerie voor Toerisme een video verspreid om Ile à Vache te promoten als vakantiebestemming: het wordt – zo vrezen velen – een tweede Labadie. (http://www.caribjournal.com/2014/02/20/haiti-markets-ile-a-vache-in-new-video/)

Clinton met Sweet Micky, alias president Martelly

Het is duidelijk: Ile à Vache zoals we het gezien hebben is een wereld die gedoemd is om te verdwijnen. De investeerders achter het project zijn niet van de minsten. Eén van hen is volgens de dorpsbewoners Frank Virgintino, een beroepszeiler en eigenaar van de marina Boca Chica in het nabijgelegen Santo Domingo. Virgintino is een begrip in de wereld van de yachties. Hij publiceert de Free Cruising Guides voor zeilers met als specialiteit het Caraïbisch gebied van de ABC-eilanden over Jamaica tot Haïti en Cuba. Hij is ook eigenaar van 20 jachthavens in de VS. Ook de Spaanse crooner Julio Iglesias zou volgens niet te controleren geruchten tot de investeerders behoren evenals – hoe onwaarschijnlijk ook – de familie van de overleden Venezolaanse Caudillo Hugo Chavez.

Wie ze ook zijn, feit is dat de investeerders de volle steun hebben van de Haïtiaanse president Michel Martelly, ook bekend als de zanger Sweet Micky en vriend en collega van Iglesias. (Beiden traden twee jaar geleden in de Dominicaanse Republiek nog samen op in een benefitconcert voor Haïti.) Martelly werd onlangs ontvangen op het Witte Huis en hij is goed bevriend met Bill Clinton die net als hijzelf af en toe zijn vakantiedagen op het eiland doorbrengt. Samen hebben ze een “investment board” opgericht om investeerders te adviseren. Clinton is na de aardbeving van 2010 door de VN aangesteld als speciale gezant voor Haïti. Feit is ook dat de “vooruitgang” op Ile à Vache ten goede zal komen aan de clan rond president Martelly en zijn premier Laurent Lamothe maar vooral aan de kapitaalkrachtige investeerders uit de Dominicaanse Republiek, de VS en Canada en niet aan de bewoners die in het beste geval eenvoudige klussen zullen mogen opknappen voor de gasten van de luxeverblijven. Martelly woonde tot 2007 in Florida waar hij eveneens betrokken was in dubieuze vastgoedtransacties – met faillissement als resultaat. Zie: http://www.mcclatchydc.com/2011/03/07/109908/haiti-presidential-candidate-martelly.html

Wat zich in Haïti afspeelt is niet uniek. De Caraïben zijn in sneltreinvaart aan het veranderen. Niets is zo confronterend als de lectuur van reis- en zeilgidsen van een paar decennia geleden. De plaatsen die erin beschreven worden zijn intussen onherkenbaar veranderd. De gidsen van Don Street, een andere zeilautoriteit voor de Caraïben, zijn sinds een paar decennia niet meer bijgewerkt. Rotsen en kustlijnen zijn onveranderd gebleven, maar ankerplaatsen zijn verdwenen en vervangen door jachthavens. Op andere plekken is het verboden te ankeren en moeten de ankerboeien van de plaatselijke overheid of van privémarina’s worden gebruikt.

Ongerepte plekjes en stille baaien worden zeldzaam. De Horseshoe Reef (Saint Vincent and The Grenadines) is één van de mooiste plekken in de Caraïben met azuurblauw tot turkoois water en zeeschildpadden overal. Maar de Horsehoe Reef is het slachtoffer van zijn populariteit. Je ankert er tussen een paar dozijn andere – meestal Amerikaanse – boten en als je op zoek gaat naar de schildpadden kom je in een soort publiek zwembad terecht. Los Roques, een eilandengroep vóór de kust van Venezuela is net als Ile à Vache één van de weinige nog ongerepte gebieden in het Caraïbisch bassin. Dank zij de kwalijke veiligheidsreputatie van Venezuela, waar overvallen op boten – soms met dodelijke afloop – schering en inslag zijn, blijven de Roques ver van de platgetreden paden. Vooral Amerikaanse schippers varen in een wijde boog om Venezuela en de eilanden heen. Maar vroeg of laat is ook dat gedoemd om te veranderen.

De Britse zeiler Roger Pratt, in januari vermoord in St Lucia

Criminaliteit is voor velen een andere reden om uit de Caraïben weg te blijven. Het fenomeen lijkt zich in golven te verplaatsen. Een tiental jaren geleden was Colombia te mijden, nu wordt het geroemd om zijn effectieve strijd tegen de misdaad waardoor het land weer bovenaan de lijst van de bestemmingen staat. Venezuela is andere koek. In september is een Nederlander bij een roofoverval gedood op het eiland Isla Margarita en onlangs werden twee oudere mannen op volle zee op weg van Trinidad naar Venezuela gewelddadig overvallen en ernstig gewond. Op Saint Lucia waren  sommige ankerplaatsen tien jaar geleden nog absoluut te mijden, nu heten ze perfect veilig te zijn maar een maand geleden werd een Britse zeiler vóór de ogen van zijn vrouw omgebracht in Vieux Fort in het Zuiden van Saint Lucia.

Een andere ontwikkeling is de neiging van de kleine en meestal doodarme eilanden om yachties als melkkoeien te behandelen. Jamaica overweegt de invoering van een cruising permit. Dat die nog niet van kracht is heeft naar verluidt enkel te maken met onenigheid tussen de autoriteiten over het tarief: 100 of 150 dollar. Op de Bahamas betaal je 300 dollar of je één uur blijft of drie maanden en aanleggen in de Turcs and Caicos kost je minimaal 100 dollar, ook al wil je alleen maar tanken. Waar je vroeger vrij kon ankeren moet je nu vaak betalen. Je kunt het de eilandbesturen niet kwalijk nemen; toerisme is nu eenmaal meestal hun enige bron van inkomsten, maar het maakt het vrije zeilersbestaan weer iets minder vrij. En als je wist dat die inkomsten ook de bevolking ten goede zou komen, komaan dan. Helaas is dat gezien de wijdverspreide corruptie hoogst onzeker. 

Dat alles gezegd zijnde: de Caraïben blijven een fantastisch gebied, één van de mooiste plekken ter wereld, met een gastvrije en levenslustige bevolking, betoverende natuur, prachtige stranden en een heerlijk klimaat. Er blijven hopelijk in de toekomst nog genoeg plekken waar de internationale toeristische industrie met haar fikken afblijft. En voor de bewoners kun je alleen maar hopen dat kleinschalige projecten met respect voor hun levenswijze en voor het milieu een betere toekomst kunnen brengen.

april 4, 2014 at 2:53 am Een reactie plaatsen

OEKRAINIE: WAAR IS DE MASSA?

Janoekovitsj brandt klein

Tom Ronse

Wat me in de beelden uit Oekrainië de laatste tijd opvalt is de afwezigheid van de massa’s. Je ziet nog soms wel menigten, demonstraties van enkele honderden maar zelden meer dan dat. Dat was anders in de eerste weken van de Maidan-beweging: toen leek het wel of heel Kiev op straat kwam. Er was duidelijk massale ontevredenheid. Waarover? De weigering van president Yanoekovitsj om het verdrag met de EU te tekenen? Het leek over zoveel meer te gaan. Stijgende armoede, sociale ongelijkheid, corruptie…

De massa’s zijn naar huis gegaan. Misschien in de gedachte dat ze gewonnen hadden. Het is waar dat ze iets bekomen hebben. De gehate oproerpolitie is ontbonden. De corrupte president is op de vlucht gejaagd. In zijn plaats kreeg Oekrainië een nieuwe regering. Het is de meest rechtse van heel Europa. Ze maakt zich klaar om met een draconische bezuinigingspolitiek een verarming van de werkende bevolking op te leggen. Is dat de ‘overwinning’ waarvoor 104 demonstranten in Kiev hun leven hebben gegeven?

Waar is de tijd dat er in de EU werd gedreigd met een boycot van Oostenrijk, toen een xenofobe extreem-rechtse partij daar in de regering stapte? Haider was een misdienaar in vergelijking met de “sociaal-nationalisten” van Svoboda die nu belangrijke ministerposten bekleden in Kiev. Nog hatelijker is de ultra-rechtse “Pravy Sektor”, wiens knokploegen de voorhoede waren op Maidan en intussen een officieuze arm zijn geworden van het  ordehandhavingsapparaat. Om propaganda-redenen worden de racistische, chauvinistische ingredienten van de regeringscoalitie in Kiev in de westerse mainstream media geminimaliseerd. En eveneens om propaganda-redenen worden ze in de Russische media uitvergroot.

In tegenstelling tot wat in Moskou beweerd wordt, heeft Oekrainië geen fascistische regering. De dominante partijen zijn wat men “neo-liberaal” noemt. Wat betekent dat ze de politieke, economische en sociale recepten van het IMF en de EU willen uitvoeren. Oekrainie is bankroet. Een neo-liberaal beleid houdt dus in dat Oekranië op zijn Grieks moet bezuinigen, alleen nog veel drastischer want Oekranië is er veel slechter aan toe dan Griekenland. Het houdt in de grenzen wijd openen voor Europese producten. Het zal wellicht ook een devaluatie inhouden die Oekrainische producten goedkoper zou maken in het buitenland. Het product ‘arbeidskracht’ inbegrepen. Die goedkope arbeid zou dan buitenlands kapitaal lokken dat de economie zou opkrikken. Intussen zou het Westen Oekrainië net genoeg geld geven om de zaak draaiend te houden.

Laat me een voorspelling wagen. Als dit beleid van sociale afbraak een nieuwe golf van sociale ontevredenheid op gang brengt –wat wellicht eerder vroeger dan later zal gebeuren, de Oekrainiers verliezen snel hun illusies in hun leiders, blijkens hun geschiedenis sinds de onafhankelijkheid- dan zal extreem-rechts uit de regering stappen. Het zal dit doen om het protest te leiden, om het te gebruiken voor zijn eigen doeleinden, om het in te kapselen in een populistisch nationalisme.

Het is een relatief recent fenomeen in Europa: populistische bewegingen, zoals de Forconi in Italië, die zich voeden aan de onrust over de toenemende armoede en sociale ongelijkheid, thema’s die normaal in linkse kaarten zouden moeten spelen. Ze zijn niet allemaal klassiek rechts maar wat ze allen gemeen hebben is hun xenofoob nationalisme. In oost-Oekrainië is extreem-rechts marginaal gebleven maar dat komt omdat de “Kommunistische” partij er dezelfde populistische rol speelt als Svoboda en Pravy Sektor in west-Oekrainië, sociale eisen combinerend met nationalisme, in dit geval Russisch nationalisme.

Dat is het grootste gevaar voor Oekrainië: dat het verzet tegen de verarming en de honger die de globale crisis voor haar in petto heeft, zal gevangen blijven in populistisch nationalisme.  Maar voorlopig is het sociaal conflict op de achtergrond geduwd door het inter-imperialistisch conflict.

Pro-Russische militie in oost-Oekrainie

Zowel Rusland als Europa willen Oekrainië in hun invloedssfeer. Ik denk dat we de mogelijkheid van een oorlog over Oekrainië kunnen uitsluiten. De kosten-batenanalyse laat het niet toe, voor geen van beide partijen. Dus wordt de strijd met andere middelen gevoerd. Dreigementen. Propaganda. Democratie (verkiezingen en referendums).

Het Westerse kamp won in Kiev maar Moskou zal de Krim wellicht niet meer prijsgeven. Een referendum moet de annexatie legitimiseren. Het Westen schreeuwt moord en brand, beschuldigt Rusland en de Krim-separatisten ervan het internationaal recht te verkrachten. Want een landsdeel mag zich niet zomaar afscheuren, daar moet het hele land over beslissen. Behalve als de afscheuring strookt met de Westerse geopolitieke belangen, zoals in Kosovo of Zuid-Soedan, dan mag het wel. Het internationaal recht is als de bijbel, je kunt citeren wat wel en negeren wat niet in je kraam past. In feite steunde het Westen de afscheiding van Kosovo op een minder soliede grond dan Rusland de afscheiding van de Krim, want historisch was Kosovo een deel van Servië en de Krim een deel van Rusland.

Over de afloop van het referendum in de Krim hoeven we niet wakker te liggen; de uitslag staat wellicht nu al vast. Wat nog onzeker is, is het lot van oost-Oekrainië, waar Russisch de dominante voertaal is. Als hij kon, zou Putin er wellicht een massabeweging op gang brengen voor aansluiting bij “moeder Rusland”. Maar zo te zien kan hij het niet. De massa’s komen niet op straat in het oosten van het land. Niet voor Rusland, niet voor Oekrainië. Ze blijven thuis, wellicht in het besef dat geen van beide opties hun leven zal verbeteren.

Putin kan natuurlijk oost-Oekrainië militair bezetten, onder het voorwendsel dat Russen er onderdrukt worden. Niemand kan hem dat beletten maar de kosten zouden de baten ver overtreffen. Putin is niet dom genoeg om het te doen.

Het meest waarschijnlijke scenario lijkt me dan ook dat, na een afkoelingsperiode, Rusland de machtswisseling in Kiev en het Westen de annexatie van de Krim de facto zullen accepteren. De plooien zullen min of meer worden glad gestreken, want de Russische en Europese economieën hebben elkaar nodig. Tot de volgende sociale schokgolf de schroeven weer losdraait…

maart 13, 2014 at 2:53 am 4 reacties

OBAMACARE, HERE I COME!

obamacare4

Door Jacqueline Goossens

Hout vasthouden en hopen dat me niets zou overkomen. Dat was mijn enige verzekering tegen ziekte tijdens mijn eerste vijftien jaar in New York. Daarna kocht ik me een polis aan 235 dollar per maand. Die werd elk jaar duurder. Na tien jaar was hij gestegen tot 770 dollar (592 euro) en moest ik afhaken. Maar geen nood: ik had DOSZ ontdekt, de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid, een federale instelling die Belgen in het buitenland verzekert. Dosz betaalt 75 % van mijn medische kosten terug. Maar intussen is mijn maandelijkse premie opgelopen tot 383 euro, wat meer is dan dit freelancertje zich kan veroorloven. Dus ging ik weer op zoek naar een alternatief, net toen de “Affordable Care”-wet van kracht werd in Amerika.

Obamacare, here I come! Op één oktober kreeg ik aan de ingang van de metro een pamfletje, uitgegeven door de staat New York, met instructies om een degelijke en betaalbare ziekteverzekering te vinden op een daartoe bestemde website van de overheid. Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Telkens ik op die website probeerde te gaan, kreeg ik de aanmaning om later opnieuw te proberen. Lukte het me toch, dan werd ik er meteen weer af gegooid. Telefoneren was geen alternatief; de wachttijden aan de telefoon waren eindeloos. Op Sinterklaasdag leek het toch te lukken. Ik kon eindelijk op de website en werd er niet afgegooid. Ik begon de lange lijst vragen in te vullen. Reken daarvoor op anderhalf tot twee uren, zo was ik verwittigd. Het eerste uur ging alles prima maar toen zat ik strop. Ik kwam in een verkeerde categorie terecht en kon er niet meer uit. Ik gaf er de brui aan. Ik belde naar de plaatselijke Kamer van Koophandel, een van de organisaties die subsidies krijgt om getrainde helpers ter beschikking stellen. Een vriendelijke dame die Ann-Marie heette, kon me een afspraak geven op 27 december. “Vergeet niet je laatste belastingsaangifte en je groene kaart (verblijfsvergunning) mee te brengen”, zei ze.

Diezelfde avond werden er op de radio Amerikanen geinterviewd die geen verzekering hebben en er ook geen willen. “Ik spaar liever voor een nieuwe auto”, zei een man. “Ik leef gezond en ben nooit ziek”, vertelde een jonge vrouw. Dat herinnerde me eraan dat ik zelf in heel het jaar geen dokter nodig had gehad. Ik had zelfs mijn gynecologische controle en mammografie uit het oog verloren. De volgende dag maakte ik meteen de nodige afspraken.

“Dat is dan 450 dollar”, zei de receptioniste na mijn consultatie bij de gynecologe, “cash or credit?” Slik. Voor de mammografie moest ik naar een hospitaal in de buurt. “Hebt u een verzekering?” vroeg de receptioniste. “Ja”, zei ik, “een buitenlandse”. “Een gewone mammografie kost 600 dollar”, zei ze, “een computer-lezing van de film kost een extra 150 dollar”. Ik had in The New York Times gelezen dat het door de krankzinnig gestegen medische kosten niet ongewoon meer is dat patienten proberen af te dingen. Een beetje gegeneerd vroeg ik de receptioniste of ze me geen korting kon geven. “Wel zeker”, zei ze opgewekt, “ik zal u de helft aanrekenen.” Ik dacht even dat ze een flauwe grap maakte maar ze meende het.

Er gaat geen dag voorbij of je leest of hoort over buitensporige medische facturen. Een New Yorker stapt uit een taxi en breekt zijn enkel. Zijn hospitaalrekening: 42.000 dollar. Voor een colonoscopie vragen sommige New Yorkse hospitalen 20.000 dollar; dezelfde procedure kost buiten de stad tien keer minder. De prijzen die apotheken aanrekenen kunnen ook scherp uiteenlopen. Voor 30 pillen Letrozole, een generiek medicijn tegen kanker, betaal je bij de keten Costco 11 dollar en bij de keten Target 455 dollar. Kun je nagaan hoeveel winst de laatste maakt. Dat mag, in Amerika. Obamacare verandert daar niets aan. Ook labo’s durven fors doorrekenen. Dat ondervond ik zelf enkele dagen na mijn bezoek aan de gynecologe. “Ik zal alleen de meest noodzakelijke labo-testen laten doen”, had ze gezegd. Het was niet bij mij opgekomen om naar de prijs te vragen. Bij mijn vorige controle had het labo-onderzoek 350 dollar gekost, waarvan Dosz 75 procent had terugbetaald. Ik schrok me dan ook een ongeluk toen ik van het labo een rekening kreeg voor een totaal van 2.453,81 dollar. Dit moest een vergissing zijn. Ik belde naar het kantoor van de dokter. De receptioniste zei dat de verpleegster me zou terugbellen. Ik belde de volgende dag en de daarop volgende. Niemand die me terugbelde. Ik kon er niet van slapen. Ik voelde me woedend en machteloos. Op de ochtend van 24 december besloot ik om zelf naar het kantoor van de dokter te gaan. Er zat niemand in de wachtzaal. De verpleegster die me moest bellen zat te praten met de receptioniste. Tot mijn eigen verrassing sprongen de tranen me in de ogen. De verpleegster en de receptioniste reikten me tegelijk een doos Kleenex aan. “Ik had helemaal niet verwacht dat het labo zoveel zou kosten”, snotterende ik, “kunt u hen kontakteren om wat korting te vragen?” “Maak je geen zorgen”, suste de verpleegster. “Ik ga je een kerstcadeau geven. Je hoeft helemaal niets te betalen.”

Weer kon ik mijn oren niet geloven. Hoe kon de verpleegster op haar eentje beslissen dat ik de rekening niet hoefde te betalen? Had haar baas, de gynecologe, aandelen in het labo? Je hoort wel meer van Amerikaanse dokters die mede-eigenaars zijn van medische faciliteiten. Ze hebben er dan belang bij om hun patienten zoveel mogelijk dure testen en onderzoeken te laten ondergaan. Ik hoop maar dat de verpleegster niet blufte.

Twee dagen na Kerstmis heb ik mijn afspraak met Ann-Marie, de ‘facilitator’ die me gratis zal bijstaan bij het zoeken naar een geschikte verzekering. “Ik heb de laatste weken al honderden mensen geholpen”, stelt ze me gerust. Op zijn minst moet ze niet van nul beginnen want ik heb eerder zelf al een profiel gecreeerd op de overheidswebsite. Na drie kwartier is alles correct ingevuld. “Het grote moment is aangebroken”, zegt Ann-Marie, “nu komt de lijst van verzekeringen waaruit je kunt kiezen”. Niet terplekke: daarvoor is de keuze te groot en te ingewikkeld. Er staan honderden verzekeringsplannen op de lijst. Ze zijn ingedeeld in categorieen die brons, zilver, goud en platina heten. Het goedkoopste bronzen plan zou me 307 dollar per maand kosten. Ik zou de helft van mijn medische kosten zelf moeten betalen tot mijn kosten 6.350 dollar bedragen. De beste verzekering, platina, is uitgesloten. Ik kan me de maandelijkse bijdrage van 896 dollar (689 euro) niet veroorloven. Zilver is een optie. Ann-Marie wijst naar een zilveren plan dat volgens haar een goede reputatie heeft. “Die firma bestaat al lang. Veel mensen die voor de stad werken, zijn erbij verzekerd.” De maandelijkse bijdrage is 385 dollar. Voor een opname in een hospitaal of revalidatiecentrum zou ik de eerste $ 1.500 zelf moeten betalen. Voor labo- en andere onderzoeken zou ik telkens een opleg van $ 50 betalen. Generieke geneesmiddelen zouden me $ 10 per voorschrift kosten. Jaarlijkse kosten uit eigen zak kunnen niet hoger oplopen dan 5.500 dollar, daarna zou de verzekering inspringen. Ik sta voor een ingewikkelde keuze.

obamacare3

De rijkste Amerikanen maken zo’n keuzes niet. Ze betalen gewoon de volle pot voor de beste dokters en hospitalen. Verzekeringen en dokters die zich bezig houden met verzekerde patienten zijn voor het gewone volk. Voor de rijksten is de nieuwe trend ‘boetiek- of concierge- geneeskunde’. In 2008 waren er in New York 28 ‘boetiek medische praktijken’, nu zijn er al 124. Een typische boetiek-praktijk wordt uitgebaat door diverse specialisten. Het jaarlijks lidgeld kost 25.000 dollar per persoon. Voor die som krijgen patienten onbeperkte toegang tot de dokters via telefoon en texting en een afspraak wanneer ze maar willen. Huisbezoeken en de dokter laten overvliegen voor wie ziek wordt op reis, kosten extra.

Amerikanen hebben nog tijd tot 31 maart om zich te verzekeren. Wie dan geen verzekering heeft zal een jaarlijkse boete moeten betalen. Op 31 december hadden ongeveer 2 miljoen Amerikanen zich verzekerd via een van de overheidswebsites. Dat is ongeveer twee derden van wat de overheid had gehoopt voor de technische problemen opdoken toen de websites werden gelanceerd. Intussen zijn 4,7 miljoen Amerikanen die wel verzekerd waren, hun verzekering kwijt omdat ze niet voldoet aan de nieuwe normen. Een deel daarvan is inmiddels herverzekerd. Sommigen betalen nu minder, andere meer. Het is een ontzettend ingewikkeld en onoverzichtelijk systeem. Of de hervorming een vooruitgang is, zal nog moeten blijken.

(De olifant staat symbool voor de Republikeinse partij)

(De olifant staat symbool voor de Republikeinse partij)

februari 13, 2014 at 6:46 am 4 reacties

CASSANDRA’S REPLIEK

whatever happens

PANGLOSS IN ‘KNACK’: GELOOF NIET WAT JE ZIET!

door Tom Ronse

Vergeef me als ik een open deur intrap maar het gaat niet goed met deze wereld. Een structurele crisis teistert de globale economie en ze wordt slechts in toom gehouden door aan een nooit gezien tempo nieuw geld en nieuwe schulden te maken. Een kind kan begrijpen dat dit niet kan blijven duren zonder een ineenstorting te veroorzaken. Nog erger is het gevaar dat onze biotoop bedreigt. We weten dat we onze CO2-uitstoot moeten verminderen om een globale catastrofe te voorkomen.  Maar zoals een junkie die niet kan stoppen al beseft hij dat hij eraan krepeert, kunnen we niet ophouden om elk jaar meer CO2 de lucht in te spuiten.

En dit zijn maar enkele van onze zorgen. Als u een van de velen bent die pillen slikt om er ‘snachts niet van wakker te liggen; als u last heeft van stress, depressie of angst: u lijdt niet aan een ingebeelde ziekte. We are in deep shit. De eerste voorwaarde om tot een oplossing te komen, is het probleem erkennen.

Maar precies in zo’n hachelijke tijd onstaat er een behoefte aan mooipraters die de mensen op het hart drukken dat schijn bedriegt, dat het eigenlijk allemaal heel goed gaat. Het archetype van dit soort pluimstrijkers is Pangloss uit Voltaire’s “Candide” (1759!). Welke rampen er ook gebeurden, Pangloss bleef beweren dat “tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes“.

Zo’n Pangloss is de jonge Nederlandse historicus Rutger Bregman, auteur van “De geschiedenis van de vooruitgang”. Hij pende het cover-artikel van Knack vorige week, getiteld: “Het gaat steeds beter met België en de wereld – De stille triomfen van de vooruitgang”. Daarin schrijft Bregman: “Ik denk dat de cijfers, grafieken en tabellen in een duidelijke richting wijzen. Dat onze ‘crisis’ weinig meer is dan een zuchtje in de wervelwind van vooruitgang. En dat we nu al rijker, gezonder, slimmer en vredelievender zijn dan ooit”. En in zijn editoriaal beaamt Hubert Van Humbeeck: “en dat is helemaal waar”. Oef, wat een opluchting. De keizer heeft wel degelijk mooie kleren aan, alleen de dommen onder ons kunnen die niet zien.

De titel eronder is al even geloofwaardig.

De titel eronder is al even geloofwaardig.

Zijn er verzachtende omstandigheden voor dit soort onzin? Men zou kunnen aanvoeren dat  Rutger Bregmans Pangloss een welkom tegengewicht is voor Cassandra’s zoals Tom Ronse (niet dat die in de mainstream pers aan het woord komen).  Maar vergeet niet dat Cassandra gelijk had.  Door haar waarschuwingen in de wind te slaan, graafden de Trojanen hun eigen graf. Pangloss daarentegen weefde een sprookje om zijn publiek gerust te stellen. “Alles gaat de goede kant uit”, zo zou hij de Trojanen hebben gesust, “de grafieken tonen dat het oorlogsgeweld scherp is gedaald”. Voor zo’n wijsheden werd Pangloss goed betaald. Panglosserij is nog steeds een veelbelovend carrièrepad voor jonge academici met ambitie.

Vaarwel honger?

Bregman heeft de kleren van de keizer kunstig gewoven, met veel cijfers, grafieken en tabellen. Maar bij nader toezien blijken die vaak doorzichtig misleidend.

Zo steunt hij zijn bewering dat de extreme armoede spectaculair is gedaald, van meer dan de helft van de wereldbevolking in 1981 naar één vijfde vandaag, op cijfers van de Wereldbank. Deze door Washington gedomineerde instelling heeft zich gedurende heel die periode uit de naad gewerkt om haar neoliberale recepten overal op te dringen en heeft er dus belang bij om gunstige resultaten voor te leggen. De Wereldbank definieert ‘extreme armoede’ als een inkomen van 1,25 dollar of minder per dag. Dat is een volkomen arbitraire definitie die nergens op steunt. Niemand anders meet armoede aldus. Ze is bovendien absurd: ook met een inkomen dat 2, 3 of zelfs 4 keer zo hoog is, leef je vrijwel overal op deze planeet in extreme armoede. Je hebt niet genoeg om in je primaire noden (eten, onderdak, kleren, gezondheidszorg, scholing) te voorzien.

De grafiek van de Wereldbank geeft wel degelijk een trend aan maar niet een van groeiende welvaart. Ze beschrijft een periode van intense globalisering, waarin de geldeconomie overal binnendrong. Door politieke hervormingen, in naam van de zaligheid van de vrije markt en onder druk van instellingen als de Wereldbank, door de concurrentie van goedkope buitenlandse producten, door de kapitalisering van de landbouw, werd het leven van vele miljoenen kleine boeren ontwricht. Velen onder her vluchtten naar de steden. Slums –sloppenwijken- zijn nu veruit de snelst groeiende vorm van menselijke habitatie. Ook in sloppensteden heb je voor alles geld nodig. Met 1,25 dollar par dag kun je er niet overleven. De meeste slumbewoners slagen er in om op een of andere manier meer te verdienen dan dat. Aangezien geld in hun vroeger leven op het platteland slechts een marginale rol speelde -velen overleefden grotendeels van wat ze kweekten en onder elkaar ruilden- is hun monetair inkomen fors gestegen. Hun levensomstandigheden zijn ellendiger dan ooit maar volgens het criterium van de Wereldbank zijn ze veel ‘rijker’ geworden. Zo zetten de Wereldbank en haar sycophanten zoals Bregman, de werkelijkheid op z’n kop.

Bregman in de Vara-show Pauuw e Wiiteman. Pangloss heeft geen moeite om zijn blijde boodschap in de mainstream media te verkondigen.

Bregman in de Vara-show Pauw en Witteman. Pangloss heeft geen moeite om zijn blijde boodschap in de mainstream media te verkondigen.

Een goed voorbeeld is India waar de armoede volgens de Wereldbank meer dan gehalveerd is. Dit dank zij landbouwhervormingen die geeist werden door de Wereldbank en het IMF in ruil voor leningen. Die hebben de productiviteit fors verhoogd maar brachten ook mee dat miljoenen kleine boeren steeds meer gebukt gaan onder schulden. Velen verloren hun grond, vluchtten naar de slums of pleegden zelfmoord. Tussen 1995 en 2011 hebben meer dan 270 000 Indische boeren zich het leven benomen. Misschien dacht Bregman  aan hen toen hij schreef: “Er zijn altijd slachtoffers, zij die de trein van de vooruitgang niet bij kunnen houden, of eraf vallen”.

Debt

Vredelievender?

Dat de wereld steeds vredelievender is geworden, bewijst Bregman met een grafiek die toont dat het aantal oorlogsslachtoffers sinds 1946 fors is gedaald. Alsof we een grafiek nodig hebben om te weten dat er in een periode met twee wereldoorlogen meer mensen sneuvelden dan daarna. De grafiek leert ons niets; ze stelt enkel een vraag: waarom was er, tot hier toe althans, geen derde wereldoorlog? Bregmans antwoord, omdat ‘we’ vredelievender zijn geworden, is wat te gemakkelijk. De ervaring van de wereldoorlogen heeft wel diepe sporen nagelaten die een afkeer van oorlog helpen verklaren maar er is meer. We zijn een paar keer dicht bij een derde wereldoorlog gekomen (denk aan de Cuba-crisis) maar wat beide kampen in laatste instantie tegenhield was het risico van zelfvernietiging. Dit is een nieuw gegeven: Nooit tevoren kon oorlog leiden tot “Mutual Assured Destruction”, en zelfs tot de complete vernietiging van de menselijke beschaving. Zijn we daardoor veiliger geworden? Op een perverse manier wel, tijdens de koude oorlog. Maar dank zij de door Bregman aanbeden vooruitgang is de proliferatie van nucleaire en ander massamoord-wapens sindsdien flink gestegen. De daling van het aantal oorlogsslachtoffers sedert 1946 is geen bewijs dat het in de toekomst niet zal stijgen.

Gezonder?

Niet alleen door oorlog kan de mensheid vandaag zichzelf vernietigen. Ze kan de klus ook klaren door gewoon te blijven produceren en consumeren zoals ze nu doet. Ook dat is een historische primeur waar Bregman geen oog voor heeft. Volgens hem gaat het de goede kant op met het milieu want kijk, de prijs van de zonnepanelen is fors gedaald! Hij zegt er niet bij dat zonne-energie nog altijd minder dan 0,5 % van de totale energie-productie omvat en dat de productie van fossiele brandstoffen nog meer stijgt. De snelste stijger is steenkoolproductie, de grootste vervuiler van allemaal. Zoals een junkie zijn eigen lichaam afspeurt op zoek naar aders die nog bruikbaar zijn, zo  zoekt onze aan fossiele brandstof verslaafde beschaving naar de laatste aders met nieuwe, door de geprezen vooruitgang gecreeerde technieken (‘fracking’, diepzee-boren, teerzand-olie, schalie-olie, enz) die  nieuwe ecologische rampen meebrengen.

Dat we steeds gezonder worden bewijzen cijfers over de uitroeiing van ziekten als de pokken, langere levensduur en het groeiend aantal vaccinaties. Het is waar dat er op sommige terreinen vooruitgang is, dank zij de vooruitgang van de medische kennis. Maar op andere vlakken gaat de gezondheid achteruit.  Per dag sterven 25 000 mensen door honger (volgens de Wereld Voedsel Organisatie, een VN-tak) maar nog meer mensen sterven aan de gevolgen van overgewicht. Je gelooft het niet maar Bregman ziet er een bewijs van vooruitgang in. Wat hij niet begrijpt is dat je tegelijk te dik en ondervoed kunt zijn.  Dat is het dieet van miljarden armen: te veel calorieën, te weinig vitaminen en andere noodzakelijke  voedingsstoffen. Zo wordt een epidemie van diabetes een bewijs dat het goed gaat.  Bregman negeert ook onze mentale gezondheid. De pijn, de angst, de wanhoop die ons elk jaar meer pillen doen slikken…is dat “de stille triomf van de vooruitgang”?

the value-world

De “juiste context”

Bregman voelt zich genoodzaakt om te erkennen: “We leven nog altijd in een wereld van afschuwelijk geweld, mensonterende armoede, verschrikkelijke natuurrampen, oplopende werkloosheid, onversneden egoisme, hemeltergende hypocrisie en immens machtsmisbruik”. Maar “wie die doffe ellende (…) in de juiste context weet te plaatsen, kan maar een conclusie trekken. De wereld wordt een steeds betere plek”.

De “juiste context”. Die is inderdaad cruciaal. Iedereen kan her en der wat cijfers en grafieken bijeensprokkelen om z’n standpunt te onderstutten. Maar het is de contextualisering die de cijfers betekenis geeft. De analyse maakt het mogelijk om ze te interpreteren. Maar er is geen analyse in Bregmans artikel, er is alleen een quasi-religieus geloof in de vooruitgang.

De cijfers in hun ‘juiste context’ plaatsen betekent niet een blind vertrouwen koesteren in de wonderen van wetenschap en techniek. Het betekent oog hebben voor de maatschappelijke verhoudingen waarin wetenschap en techniek zich ontwikkelen. Daar lijkt Bregman niet toe in staat.

Zo meldt hij met enthousiasme dat “wetenschappers van de universiteit van Oxford berekenden dat maar liefst 47 procent van alle Amerikaanse banen een groot risico loopt te worden ingepikt door robots –binnen twintig jaar.” Goed nieuws, volgens Bregman. The Economist besteedt aandacht aan dezelfde studie (die het over automatisering heeft, niet enkel over robots) en vreest grote sociale ontwrichting. Nu al is de werkloosheid alarmerend hoog, noteert het blad , “and not just for cyclical reasons”. De werkloosheidscijfers onderschatten vaak de trend. Zo bedraagt het werkloosheidspercentage in de VS slechts 6,7 % maar volgens The Economist heeft er nog maar 59 % van de working-age bevolking een baan. Volgens de Internationale Arbeid Organisatie (een tak van de VN) zijn er wereldwijd al meer dan 1,5 miljard werklozen. Ook in Vlaanderen stijgt de werkloosheid elk jaar (met 9,4% in 2012 en 9,3% in 2013).  Op het vlak van tewerkstelling is er een groot verschil tussen de informatie-technologie en vroegere golven van technologische vernieuwing. De auto bijvoorbeeld, vernietigde veel banen maar creeerde er nog veel meer. Maar de IT schept veel minder banen dan er door de automatisering overbodig worden. Vier reuzen uit de sector,  Google, Apple, Amazon en Facebook die samen een beurswaarde hebben van meer dan duizend miljard dollar, hebben samen wereldwijd slechts 150 000 personeelsleden.

Als men abstractie maakt van de maatschappelijke verhoudingen dan heeft Bregman gelijk, dan is het overbodig worden van 47 % van de banen een prachtig vooruitzicht. Het wordt dan immers mogelijk om het werk zo te herverdelen dat iedereen veel meer vrije tijd heeft. Maar dat veronderstelt een maatschappij waarin de bevrediging van menselijke noden het doel is. In onze maatschappij is dat niet het doel maar een middel om winst te maken, om kapitaal te doen groeien.  Daarom is de ontwikkeling die de Oxford-studie beschrijft niet bevrijdend maar angstaanjagend. Ze impliceert niet minder werk voor iedereen maar een massale verbanning uit het productieproces terwijl diegenen die het geluk hebben van nog een baan te hebben nog harder moeten werken.

Die groeiende massa van overbodigen verarmen, zij het niet volgens de criteria van de Wereldbank. Intussen gaat een steeds groter stuk van de globale koek naar de rijksten. Uit een rapport dat Oxfam ter gelegenheid van de conferentie in Davos publiceerde, blijkt dat de kloof zo groot is geworden dat de rijkste 85 aardbewoners nu evenveel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking, 3,5 miljard mensen. En de kloof blijft groeien. Sommige van die superrijken zoals Bill Gates halen het nieuws met hun filantropische activiteiten die mooie cijfers opleveren in Wereldbank-rapporten zoals een daling van de malaria. Intussen hoeven ze geen vinger uit te steken om hun kapitaal te doen groeien; al slapende worden ze nog rijker.

what to do

Voor Bregman zijn dat problemen waarvoor de wetenschap wel mettertijd de juiste oplossing zal aandragen. “De grootste triomf van  deze eeuw” zal volgens hem “het uitroeien van de extreme armoede” zijn. Althans volgens de criteria van de Wereldbank wat betekent dat iedereen minstens 1,25 dollar per dag zal hebben. De trend wijst uit, volgens Bregman “dat we deze ellende nog voor 2040 kunnen uitroeien”.  De reden dat we tot dan moeten wachten is vermoedelijk dat er nog meer vooruitgang van wetenschap en technologie nodig is om dat mogelijk te maken.

Gelooft Bregman werkelijk dat er extreme armoede bestaat omdat de know-how en middelen om ze uit te roeien vandaag nog niet aanwezig zijn?  Elke 5 seconden sterft ergens een kind aan ondervoeding terwijl het minder dan een dollar per dag zou kosten om het te voeden (volgens cijfers van het World Food Program). De reden dat het niet gevoed wordt is de maatschappelijke context: het is niet winstgevend. De vooruitgang van de wetenschap leidt er toe dat voedsel steeds goedkoper wordt en dat hielp om de verarming in te dijken. Maar naarmate het aantal “nuttelozen” groeit, groeit ook de neiging om zich van die zorg te ontdoen want de druk van de sociale lasten ondermijnt de competiviteit. De social spanning neemt toe. Wat een geluk om op zo’n moment een Pangloss te hebben die ons sust dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven.

De verkeerde vraag

Natuurlijk zijn niet alle cijfers die Bregman citeert misleidend. Er is wel degelijk vooruitgang op sommige terreinen, wetenschap en technieken hebben wel degelijk gunstige effecten, ook al zijn ze gekneld in en gekneed door hun functionaliteit aan het winststreven. Maar eigenlijk stelt Bregman de verkeerde vraag. De relevante vraag is niet of we het beter hebben dan onze voorouders. Hoe je die vraag beantwoordt, hangt af van de criteria die je gebruikt maar het antwoord leert ons niets. Onze voorouders hadden veel beperktere middelen dan wij, wij confronteren grotere uitdagingen, gevaren en mogelijkheden. In plaats van onze situatie met die van onze voorouders te vergelijken, moeten we wat is vergelijken met wat kan zijn: de tegenstelling wordt steeds absurder. We moeten “de juiste context” aanpakken en iets nieuw uitvinden. “To invent”, zei Einstein, “is to think outside the box”. Die box is de maatschappelijke context, waarvan Panglossen als Bregman onze blikken afwenden.

 

 

http://www.knack.be/nieuws/wereld/de-geschiedenis-herhaalt-zich-niet-de-geschiedenis-rijmt/article-opinion-123998.html

Meer over de cijfers van de Wereldbank in dit essay van de Canadese economist Michel Chossudovsky Global Falsehoods: How the World Bank and the UNDP Distort the Figures on Global Poverty

Meer over de situatie van de Indische boeren HIER.

Over de groei van de sloppenwijken: Mike Davis, “Planet of Slums”

Het commentaar van The Economist over het Oxford-rapport leest u HIER.

Meer over het Oxfam-rapport HIER.

januari 26, 2014 at 10:09 am Een reactie plaatsen

SHARON DE TERRORIST

sharon

Bij de dood van Ariel Sharon past het om ‘s mans lange carriere als provocateur, oorlogsmisdadiger en terrorist in herinnering te brengen. Terreur als wapen tegen de burgerbevolking was een doelbewuste politiek van de Zionisten die het land wilden zuiveren van zijn oorspronkelijke bewoners. Sharon paste die tactiek met ijver en enthousiasme toe. Zijn geschiedenis als terrorist gaat terug tot de jaren vijftig – zoals blijkt uit een reeks over Sharon in het gerespecteerde Israëlische dagblad Ha’aretz. Alex Cockburn en Jeffrey St. Clair van Counterpunch baseerden zich grotendeels op deze reeks voor een overzicht. Wat volgt is een samenvatting.

Ariel Sharon werd geboren in 1928 en werd in de jaren vóór de stichting van de staat Israël lid van de Haganah, het geheime Joodse leger. Hij kreeg de leiding van de Eenheid 101 die officieel als opdracht had represailles uit te voeren tegen Arabische aanvallen op Joodse dorpen. De werkelijke bedoeling, zoals blijkt uit de twee bekendste slachtingen, was terreur te zaaien door blind en moorddadig geweld niet tegen strijders maar tegen jongeren, ouderen en weerloze burgers.

De eerste goed gedocumenteerde terroristische actie onder leiding van Sharon vond plaats in augustus 1953 in het vluchtelingenkamp El-Bureig in het zuiden van Gaza. Volgens de Israëlische geschiedenis van de eenheid vonden 50 vluchtelingen daarbij de dood. Andere bronnen spreken van 15 of 20. VN-bevelhebber generaal-majoor Van Bennike rapporteerde dat de mannen van Sharon “bommen gooiden door de ramen van de hutten waar de vluchtelingen sliepen. Toen die op de vlucht sloegen werden ze onder vuur genomen met handwapens en machinegeweren.” ariel

In oktober van hetzelfde jaar volgde de aanval van Sharon’s Eenheid 101 op het Jordaanse dorp Qibya (op de Westelijke Jordaanoever). De toenmalige Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Moshe Sharett noemde het incident in zijn dagboek “een smet die aan ons zal blijven kleven en die in lengte van jaren niet zal worden weggewassen.”

De Israëlische historicus Avi Schlaim beschrijft het bloedbad aldus:

Sharon gaf opdracht het dorp binnen te dringen, de huizen op te blazen en veel slachtoffers te maken onder de bevolking. Het succes waarmee het bevel werd uitgevoerd overtrof alle verwachtingen. Het macabere verhaal van wat zich in Qibya had afgespeeld werd in zijn volle omvang pas de ochtend na de aanval duidelijk. Het dorp was herschapen tot een ruïne: 45 huizen werden opgeblazen en 69 burgers onder wie twee derden vrouwen en kinderen waren gedood. Sharon en zijn mannen verklaarden dat ze hadden geloofd dat alle inwoners op de vlucht waren geslagen en dat ze geen idee hadden dat zich mensen bevonden in de huizen.

De VN-waarnemer ter plaatse kwam tot een heel andere conclusie:

Eén zelfde verhaal kwam steeds terug: de deur door kogels doorzeefd, het lichaam op de drempel dat duidelijk maakte dat de inwoners door het hevige geweervuur gedwongen werden binnen te blijven tot het huis waarin ze zich bevonden werd opgeblazen.

De Jordaanse ambassadeur in Washington beschreef de slachtpartij in een brief aan de VN-Veiligheidsraad. Volgens de diplomaat drongen Israëlische strijdkrachten het dorp binnen en vermoordden ze systematisch alle bewoners met automatische wapens, granaten en brandbommen.

Op 14 oktober werden de lichamen van 42 Arabische burgers geborgen, verschillende andere bevonden zich nog onder het puin. Veertig huizen, de dorpsschool en een waterreservoir werden vernietigd.

all ours

“Want het is allemaal van ons”

Begin jaren 70 stond Sharon aan het hoofd van het zuidelijke commando van de Israëlische strijdkrachten. Phil Reeves gaf in de Londense The Independent van 21 januari 2001 een levendige beschrijving van de “schoonmaakoperaties” die onder zijn leiding in Gaza plaats vonden.

Dertig jaar zijn voorbij gegaan sinds Ariel Sharon aan het hoofd van het zuidelijke commando van de Israëlische strijdkrachten de taak had om het opstandige Gaza na de oorlog van 1967 te “pacificeren.” Maar de oude mannen herinneren het zich nog heel goed. Vooral de oude mannen van de “Puinstraat.” Tot 1970 was de “Puinstraat” een van de vele smalle naamloze steegjes die Beach Camp in Gaza stad doorkruisen: een krottenwijk met lage huisjes van twee kamers, gebouwd met hulp van de Verenigde naties voor de Palestijnen die in de oorlog van 48 waren gevlucht en die nu nog altijd wachten op wat de internationale gemeenschap voor hen in petto heeft. De straat kreeg haar naam na een ongewoon lang bezoek van Sharon en zijn soldaten. Die kregen het bevel om honderden huizen plat te walsen en zo een brede rechte straat te doen ontstaan. Die moest het de Israëlische troepen en hun zware pantservoertuigen mogelijk maken om zich vlot door het kamp voort te bewegen, controle uit te oefenen en de militanten van het Palestijnse Bevrijdingsleger op te jagen.

Ze kwamen in de nacht en markeerden de huizen die ze wilden vernietigen met rode verf,”zei de zeventigjarige Ibrahim Ghani, een gepensioneerd landarbeider. “De volgende ochtend kwamen ze terug en gaven iedereen het bevel te vertrekken. Ik herinner me hoe de soldaten tegen de mensen schreeuwden, Yalla, yalla, yalla, yalla! De bezittingen van de bewoners gooiden ze op straat. Toen liet Sharon de bulldozers komen en liet de straat platwalsen. Hij deed het bijna allemaal in één dag. En de soldaten sloegen de mensen, kun je voorstellen?. Soldaten met geweren die kleine kinderen slaan?”

Toen de soldaten hun klus af hadden waren honderden huizen vernietigd, niet alleen in de Puinstraat maar in heel het kamp dat Sharon had verdeeld in een netwerk van veiligheidswegen. Veel van de vluchtelingen vonden onderdak in scholen of in de reeds overbevolkte huizen van familieleden. Andere families, meestal die van Palestijnse politieke activisten, werden in vrachtwagens geladen en verbannen naar een stad in de Sinaïwoestijn die toen door Israël werd gecontroleerd.

De vernietiging van Beach Camp was hoegenaamd geen uitzondering zoals blijkt uit het vervolg van Reeves’ verslag:

In augustus 71 alleen al vernietigde het commando van Sharon zo een 2000 huizen in de Gazastrook en joeg daarmee 16000 mensen voor de tweede keer in hun leven de straat op. Honderden jonge Palestijnse mannen werden gearresteerd en naar Jordanië of Libanon verbannen. Zeshonderd familieleden van vermoedelijke guerrillastrijders werden naar de Sinaï verbannen. In de tweede helft van 1971 werden 104 guerrillastrijders vermoord. “In die tijd was het de politiek om verdachten niet te arresteren maar te vermoorden” zegt Raji Sourani, directeur van het Palestijnse Centrum voor Mensenrechten in Gaza stad.

Sharon was minister van Defensie in het tweede kabinet van Menachem Begin toen hij in 1982 zijn collega’s met verstomming sloeg door zijn grootschalige inval in Libanon met de bedoeling alle Palestijnen naar Jordanië te verjagen en van Libanon een vazalstaat te maken. Het plan was de bron van ongehoord lijden, het kostte het leven aan duizenden Palestijnen en Libanezen maar ook aan meer dan 1000 Israëlische soldaten.

Sharon veroorzaakte ook de beruchte slachtpartij in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Die vond plaats van zes uur ‘s avonds op 16 september 1982 tot de ochtend van de 18e september in een gebied dat onder de controle stond van het Israëlische leger. De uitvoerders waren leden van de Falange, de christelijke militie die sinds het begin van de burgeroorlog van 1975 door Israël werd gecontroleerd en bewapend. Onder de slachtoffers van deze 62 uur durende slachtpartij waren zuigelingen, kinderen, vrouwen – ook zwangere vrouwen – en ouderen. Sommigen werden verminkt en opengehakt vóór of nadat ze werden gedood.

Om maar één enkele ooggetuigenverslag te citeren, dat van de pro-Israëlische journalist Thomas Friedman van The New York Times: Ik zag hoofdzakelijk groepen jonge mannen van rond de twintig of dertig die tegen de muur waren gezet met handen en voeten gebonden en dan in de stijl van de gangsteroorlogen waren neergemaaid met machinegeweervuur.

Een officiële Israëlische onderzoekscommissie onder leiding van Yitzhak Kahan, de voorzitter van het Israëlische Hooggerechtshof publiceerde in februari 1983 haar conclusies. De commissie Kahan stelde dat Ariel Sharon samen met andere Israëlis direct verantwoordelijk was voor het bloedbad. In haar rapport schreef de commissie:

Wij zijn van oordeel dat de minister van Defensie verantwoordelijk moet worden gesteld voor het veronachtzamen van de dreiging van wraak en bloedvergieten door de Falangisten tegen de bevolking van de vluchtelingenkampen. Ook heeft de minister nagelaten met deze dreiging rekening te houden toen hij besliste de Falangisten toelating te geven de kampen binnen te dringen. Bovendien kan de minister verantwoordelijk worden gesteld voor het feit dat hij heeft nagelaten de gepaste maatregelen te nemen om de dreiging van massamoord te voorkomen of te beperken als voorwaarde voor het toelaten van de Falangisten tot de kampen. Deze blunders betekenen dat de minister van Defensie zijn plicht niet heeft vervuld.

Sharon weigerde op te stappen. Op 14 februari 1983 werd hij uiteindelijk als minister van Defensie ontslagen, maar hij bleef in het kabinet als minister zonder portefeuille.

Sharons carrière leek in neergaande lijn, maar hij bleef zich profileren als extremist van Likud. Sharon was tegen elke vorm van vredesakkoord behalve onder voorwaarden die totaal onaanvaardbaar waren voor de Palestijnen. In 1979 stemde hij als lid van de regering Begin tegen het vredesverdrag met Egypte. In 1985 stemde hij tegen de terugtrekking van de Israëlische troepen uit de de zogenaamde veiligheidszone in het zuiden van Libanon. In 1991 was hij tegen de deelname van Israël aan de vredesconferentie in Madrid. In 1993 stemde hij in de Knesset tegen de Oslo-akkoorden. Het jaar daarop onthield hij zich in de Knesset in een stemming over het vredeverdrag met Jordanië. Hij stemde tegen het Hebronakkoord in 1997 en verzette zich tegen de terugtrekking uit zuidelijk Libanon.

Sharon geloofde in het creëren van “feiten op het terrein.” Als minister van Landbouw in de regering Begin in de late jaren 70 stichtte hij veel van de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever die vandaag het grootste obstakel zijn voor een vredesakkoord. Zijn onverzettelijk standpunt: geen vierkante centimeter land voor de Palestijnen op de West Bank. Hij stemde in met een Palestijnse staat in de gebieden waar de Palestijnen in feite de controle over hadden – 42 % van de West Bank. Maar Israël zou de controle behouden over de hoofdwegen en vooral over de waterbronnen. Jeruzalem moest onder Israëlische soevereiniteit blijven en verder worden uitgebreid. De Golan Hoogte moest onder Israëlische controle blijven.

Je kunt opmerken dat Sharon model staat voor de lange-termijn politiek van alle Israëlische regeringen met weglating van de mooie woorden. Ben Goerion was medeplichtig aan de terreuropdrachten van Sharons Eenheid 101. Elke Israëlische regering heeft ingestemd met de bouw van nederzettingen rond Jeruzalem en ze openlijk gesteund. Maar dat alles doet niets af aan de sinistere, gewelddadige schaduw die Sharon over de voorbije halve eeuw heeft geworpen.

Dave_Browns_Goya_Ariel_Sharon

Cartoon door Dave Brown naar Francisco Goya

Deze schaduw werd wellicht nog het beste verwoord door een jonge Israëlische vrouw, de zestienjarige Ilil Komey, die Sharon aansprak toen die haar landbouwschool in de buurt van Beerseheva bezocht aan de vooravond van de verkiezingen in 2001. Het voorval was te zien op de Israëlische televisie. De vader van het tienermeisje was met shell shock uit de oorlog in Libanon teruggekeerd. Ilil stond op en wees met haar vinger naar de toen 72 jarige Sharon. Jij hebt mijn vader naar Libanon gestuurd, zei ze. Ariel Sharon, ik beschuldig je ervan dat je me zestien jaar lang hebt laten lijden. Ik beschuldig je ervan dat je mijn vader meer dan 16 jaar hebt laten lijden. Ik beschuldig je van veel dingen die de mensen van dit land hebben doen lijden. Ik geloof niet dat je nu verkozen kunt worden tot premier.

Helaas, Ilil vergiste zich. Sharon werd verkozen niet ondanks zijn bloedige carrière maar net daarom. Dat is de grimmige realiteit.

Jeffrey St. Clair

Alexander Cockburn

Vertaald en samengevat door Johan Depoortere

Het volledige artikel lees je hier: http://www.counterpunch.org/2014/01/17/sharon-the-terrorist/

sharon1

januari 22, 2014 at 3:35 am Een reactie plaatsen

Oudere berichten


Kalender

juli 2014
M D W D V Z Z
« jun    
 123456
78910111213
14151617181920
21222324252627
28293031  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 619 andere volgers