Posts filed under ‘Uncategorized’

STRAATHONDEN VAN ISTAMBOEL (2)

Aslan

Aslan

Het  stukje van Jef Coeck en de mooie foto’s van Jeromede Perlinghi over “de straathonden van Istanbul” doen me onvermijdelijk denken aan onze eigen Turkse straathond. Haar foto prijkt hierboven. Vind u ook niet dat de gelijkenis met de stratiers op de foto’s van de Perlinghi treffend is?

Over hoe ze ruim vijf jaar geleden ons huishouden vervoegde, schreef mijn partner Jacqueline toen een mooi stukje in De Morgen. Hieronder daarvan een licht ingekorte versie.

(Tom Ronse)

EEN TURKSE LEEUW

Een mooie mei-ochtend in New York. De jasmijn van mijn buurman parfumeert de straat. Iedereen die ik passeer, begroet me met een vertederde glimlach. Mijn buren zeggen altijd vriendelijk “welcome back” als ze me na een lange reis terugzien maar dit keer zijn ze buitengewoon lief. De reden dartelt naast me aan een rode leiband. Het is onze nieuwe hond , of beter, hondje. Ze heet Aslan. Dat is Turks voor leeuw. Die naam had ze al toen we haar kregen. Niet dat ze er al naar luisterde. Ongelooflijk hoe zo’n diertje harten doet smelten. Een zwart meisje met een peuter, een Indische moeder met vier kinderen, een Chinese man met een wit poedeltje, een Mexicaanse papa met drie zoontjes, de blonde juf van de school om de hoek: ze vinden Aslan in hun verschillende accenten allemaal toch oh “so cute”.

Istanbul  NY Aslan 10 weken

Natuurlijk is Aslan schattig. Dat is de enige plicht die puppy’s hebben. Onze vorige hond stierf drie lentes geleden. Hij kwam dertien jaar eerder uit een dierenasiel in Brooklyn. “Na deze reis adopteren we een nieuwe hond”, hadden we afgesproken. Wat we toen nog niet wisten was dat er op dat ogenblik ergens in Istamboel een straathondje rondliep dat ons zou adopteren.

Straathonden zie je niet zo vaak meer in New York. Toen ik in de jaren tachtig hier kwam wonen, zag ik soms hele benden rondzwerven in de armere buurten. Vooral ’s nachts. Overdag hielden ze zich schuil in leegstaande gebouwen en op braakliggende terreinen. Vele leden aan schurft, infecties en ondervoeding. Rond de tijd dat wij onze vorige hond adopteerden, euthaniseerde de stad zo’n 20.000 honden (en evenveel poezen) per jaar. Dank zij campagnes voor de sterilisatie van huisdieren en een bouwwoede waardoor het aantal schuilplaatsen voor straathonden en –katten drastisch is verminderd, is dit cijfer intussen flink gedaald.

In Istamboel daarentegen zie je nog straathonden bij de vleet. Dat is al eeuwen zo, ondanks pogingen om ze uit te roeien, die telkens op heftig verzet stuitten van de bevolking . Na hun staatsgreep van 1980 lieten de militairen er meer dan 88.000 afslachten. “We hebben weer eens een probleem opgelost dat de burgerregering niet aankon”, pochten ze. Ze maakten zich illusies. Alleen al in het Europese stadsgedeelte van Istamboel lopen er weer meer dan 100.000 straathonden rond. In de drie grootste steden van Turkije samen zouden er ruim een half miljoen zijn.

De stadsdelen van de metropool hebben elk hun eigen hondenbeleid. Dat van Kadiköy, de Aziatische deelgemeente waar wij logeerden, is naar het schijnt het beste. In de straten en parken zag ik er tientallen goed gevoede, waardige, grote honden met plastiek clipjes in hun oren, het teken dat ze ze zijn gesteriliseerd, gevaccineerd en teruggebracht naar de plaats waar ze werden opgepakt. Ze blaften zelden en nooit zag ik er vechten. In sommige andere stadsdelen vergaat het hen minder goed. Veel straathonden komen er terecht in overvolle asielen waar hun dagen geteld zijn.

Een week geleden reed ik met Hank Curfs, een Nederlander die zich het lot van Istamboels zwerfhonden aantrekt, over een aarden weg aan de beboste rand van de stad. Op de top van de heuvel stonden koeien te grazen. In het glooiend, uitgestrekte weide-landschap onder ons lagen wat ik even voor kalfjes aanzag. Tot die ‘kalfjes’ rechtsprongen en kwispelstaartend op ons af kwamen. Met tientallen verdrongen ze zich rond ons. “Ze zijn het gewoon dat vrijwilligers hen eten komen brengen met de auto”, legde Hank uit. “Het zijn zwerfhonden die in deze omgeving achtergelaten werden”. Met ons enthousiast gevolg reden we de weg verder af tot aan een splitsing. “Zie je die gele gebouwen daar rechts op de heuvel?” wees Hank, “dat is een hondenasiel van de stad. De omstandigheden zijn er vreselijk. Hoor je dat gestresseerde geblaf?” We sloegen links af en kwamen aan een hekken. Een vriendelijke man met drie honden in zijn kielzog opende het voor ons. “Dat is ons asiel”, zei Hank trots, “Het wordt uitgebaat met privé-geld. Er is plaats voor driehonderd honden. Drie mensen zorgen voltijds voor de dieren en we hebben een dierenarts die de sterilisaties, vaccinaties en andere verzorging doet.” Het asiel zag er keurig uit. Sommige honden lagen te luieren op het gras. Anderen sliepen in hun houten hokken. Het water in de drinkbakken was vers. Enkele zieke honden en nesten pups zaten veilig apart.

We wilden net vertrekken toen er nog een dierenvriendin het erf kwam opgereden. Ze heette Claudia en werkte op het Amerikaanse consulaat. Op de achterbank van haar wagen zat een bruine pup met ernstige ogen. “Een collega van me heeft haar op straat gevonden”, vertelde Claudia. “Ik kan haar niet houden want ik heb al een hond. Mocht iemand van u een puppy willen dan is dit het moment.” Voor iemand van ons was het blijkbaar het moment. De puppy ligt onder mijn stoel te soezen terwijl ik dit stukje schrijf.

Jacqueline Goossens

oktober 24, 2013 at 6:56 am Een reactie plaatsen

GEEN RECLAME MEER IN DIT SALON!

Reclame-baby

Enkele lezers hebben er ons attent op gemaakt dat ze af en toe reclame zien op deze blog. Dat is absoluut niet onze bedoeling. Integendeel : we zagen het salon juist als als een plaats waar men even kan ontsnappen aan al die opdringerige boodschappen van de  consumptiekerk.  Dat klopte dus niet. Daarom hebben we gekozen voor een “upgrade” die ons belooft dat er geen spatje reclame meer verschijnt in het salon.

Als WordPress zich niet aan zijn woord zou houden en toch nog reclame op u afvuren, zullen we dat niet zomaar nemen. Als u nog een advertentie zou zien op deze blog, gelieve ons daarvan onmiddellijk op de hoogte te brengen. Liefst met een screenshot als bewijs. Een screenshot nemen is doodsimpel.  Kijk even op deze site hoe je het doet.

Hopelijk is dat niet nodig en kan u voortaan van een reclamevrij salon genieten.

oktober 4, 2013 at 3:20 am Een reactie plaatsen

MET DE EURO NAAR DE VERDOEMENIS

Zondag verkiezingen in Duitsland. Belangrijke verkiezingen ook voor ons, want zoals Duitsland gaat zo gaat Europa en zoals we weten: het gaat niet goed met Europa. De vraag is of we verder gaan op de ingeslagen – Duitse – weg. Een heilloze weg vinden velen, want uitzichtloos nu de Eurocrisis landen niet verenigt maar juist uit mekaar speelt en tegen mekaar opzet. Of is het simpelweg de Euro zelf die Europa naar de bliksem helpt? “De Euro verdedigen is Europa verdedigen,” zegt Angela Merkel de gedoodverfde winnares van de verkiezingen zondag. Maar meer en meer Duitsers – en niet alleen Duitsers – zijn van het tegenovergestelde overtuigd: met de Euro gaan we met zijn allen naar de verdoemenis. Niet alleen extreem rechts of figuren als Wilders zeggen dat, ook uit linkse hoek zijn dezelfde geluiden te horen.

Kijk en luister bijvoorbeeld naar wat de Nederlandse financieel geograaf Ewald Engelen te zeggen heeft in HET DUITSE ALTERNATIEF een recente uitzending van het VPRO-programma Tegenlicht. De Euro is ten dode opgeschreven, maar intussen zorgt het hardnekkig vasthouden aan de eenheidsmunt voor onnoemelijke sociale ellende in Spanje, Portugal en Griekenland. En het geld dat  de EU in die landen pompt, daar hebben de massa’s die op straat komen nog geen cent van gezien, laat staan dat ze er beter van zijn geworden. Het gaat regelrecht naar de balansen van de (vooral Duitse) banken en de hedgefunds die vooral niet kopje onder mogen gaan. Engelen

Ewald Engelen is behalve academicus ook polemist, blogger, twitteraar en veel gevraagde deelnemer aan discussiepanelen. Hij schrijft af en toe ook in De Morgen, zoals hier waar hij de lof zingt van het Belgische politieke aanmodderen. Zijn stijl is virulent polemisch, dat kun je nagaan in dit stuk waar hij Rutte tot op de enkels afzaagt, of hier waar hij in de contramine gaat tegen de vakbonden en de SER (Sociaal Economische Raad). Maar Ewald Engelen, die het al op jonge leeftijd tot hoogleraar schopte, wordt ook als één van de besten in zijn vak beschouwd.

Ook in de rest van Europa, zegt Engelen, is de Euro niets anders dan het vehikel om Belgen, Nederlanders  en al die andere Europeanen een neoliberale politiek door de strot te rammen. Als het van Merkel en Van Rompuy afhangt moeten we allemaal een beetje als Duitsland worden. Daar had de liberale Ralf Dahrendorf, niet bepaald een radicaal, bijna twintig jaar geleden al moeite mee. Tegen Der Spiegel zei hij: “De muntunie is een reuze-vergissing. Omdat de andere landen worden gedwongen zoals Duitsland te functioneren. Dat kunnen ze niet, dat willen ze niet.  (…) Die landen zitten anders in elkaar dan Duitsland en dus moeten ze die mogelijkheden houden. Dahrendorf zei dat in 1995. Hem kun je toch moeilijk als anti-Europees aanduiden. Hij was lid van de Europese Commissie. Dat is kosmopolitisch realisme, hij wist gewoon hoe het gaat in de wereld.” Het citaat komt uit een interview in de Volkskrant met de socioloog Wolfgang Streeck (1946), directeur van het befaamde Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung. “Een gesubsidieerde mars naar het neoliberalisme” dat is het Euroverhaal zegt Streeck. Het volledige interview kun je hieronder lezen.

Wolfgang Streeck

Maar eerst nog de uitzending van Tegenlicht. Daar waren een paar verrassende uitspraken te horen van de miljardair George Soros, een bekend scepticus als het over de Euro gaat. Niet Griekenland, maar Duitsland moet uit de Euro stappen, vindt Soros. De “Duitse” Euro is namelijk sterk ondergewaardeerd wat de Duitse export uitstekend uitkomt, maar de “schuldenlanden” als een strop om de nek hangt. Duitsland eruit dus en dan kan de rest een Euro gebruiken die drastisch in waarde is gezakt, waardoor de probleemlanden hun schulden als sneeuw voor de zon zien wegsmelten. Het is iets ingewikkelder dan dat maar ik vat het hier samen zoals ik het met mijn lekenverstand heb begrepen.

Nog een paar opmerkelijke momenten uit het interview met Soros:  Als hij de vraag krijgt wat de invloed van de Duitse verkiezingen zal zijn op de rest van Europa denkt hij meer dan een volle minuut diep na – in beeld – niet de stof van het doordeweekse televisie-interview. Soros merkt ook op dat het Duitse woord “Schuld” zowel een morele als financiële connotatie heeft: morele schuld (waar Streeck het ook over heeft) en geld dat je terug moet geven aan de schuldeiser. In het Engels zijn “debt”en “guilt” twee verschillende dingen.

Johan Depoortere

De volledige uitzending van Het Duitse Alternatief kun je hier bekijken.  Of wacht de heruitzending af op 25 september om 14.00 uur op Ned. 2.

Meer leestips over de Duitse verkiezingen hier.

Kritiek op de Euro uit linkse hoek zestien jaar geleden al.

Der Spiegel over de Eurokritiek.

DE VOLKSKRANT

Een hele generatie gaat het moeras in

TEKST MARTIN SOMMER FOTO GUUS DUBBELMAN − 13/08/13, 00:00

In de jaren zeventig dacht een voorhoede dat het kapitalisme op zijn laatste benen liep. Niet dus. Volgens de socioloog Wolfgang Streeck heeft het kapitalisme telkens tijd gekocht en zitten we daardoor nu met een enorme schuldenberg. Wanneer is de tijd uitverkocht?

Wolfgang Streeck (1946), socioloog, directeur van het Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung, zetelt in een streng gebouw in Keulen. Wie bestraffend wordt toegesproken door Jürgen Habermas, de paus van de sociale wetenschappen, is in Duitsland een hele piet. Habermas noemde Streeck ‘nostalgicus’ vanwege diens oproep om tegen te gaan dat nog meer nationale soevereiniteit naar Europa wegvloeit.

Streeck, snor, blote voeten in een soort van campingslippers, oranje broek, is op de warmste dag van het jaar alles behalve de strenge Duitse wetenschapper die je zou verwachten.

Hij publiceerde onlangs een boek dat helemaal past bij het thema ‘de nieuwe wereld’ – Gekaufte Zeit, die vertagte Krise des demokratischen Kapitalismus (Gekochte tijd, de uitgestelde crisis van het democratisch kapitalisme). Een vrolijke nieuwe wereld is het niet en zijn boek is wel degelijk van een Duits-abstracte gestrengheid. Het grijpt terug op marxistische ideeën die we jarenlang niet hebben gehoord. Het kapitalisme moet steeds opnieuw tijd kopen om niet aan zijn eigen tegenspraken ten onder te gaan. Dat gebeurt in Europa sinds de jaren zeventig, en nu loopt de boel vast in een schuldenberg.



Hoe komt men aan zo’n thema?
’

Vorig jaar mocht ik de zogeheten Adorno-lezingen houden. Vernoemd naar Theodor Adorno, de beroemde voorman van de Frankfurter Schule. Hij legde destijds de grondslag voor het idee dat het kapitalisme op zijn laatste benen liep, het zogeheten laatkapitalisme. Dat was in de jaren zeventig. Veertig jaar later hebben we nog steeds kapitalisme, wat heet, het is alleen maar opgebloeid. Mijn vraag was, waarom hebben we ons zo vergist? Sinds 2008 zijn we in een enorme crisis terechtgekomen. Misschien klopt de theorie van het laatkapitalisme alsnog, en begint de maatschappelijke orde op te lossen. Langzaam, gradueel. Men heeft steeds opnieuw tijd gekocht. Eind jaren zestig leek het rijk van de vrijheid nabij, een optimistisch idee. Daarna kwam de oliecrisis, die in werkelijkheid een verdelingsconflict tussen arbeid en kapitaal was.

’Mijn belangrijkste bijdrage is dat je in de hele moderne wereld dezelfde tendens hebt gezien: grote stakingen eind jaren zeventig in Engeland, en tegelijk in Duitsland. Ook in Nederland kwam een eind aan de oude verzuilde wereld. Die conflicten werden afgekocht met inflatie, die niets anders was dan een geldinjectie om werkloosheid te vermijden. Hoge inflatie, overal. Vanaf begin jaren tachtig is dat weer gedaald tot 2 à 4 procent. Dan houden ook die stakingen op – niet in één land maar overal. De werkloosheid stijgt, waar je ook kijkt, ontstaan weer verdelingsconflicten. De nieuwe oplossing is dat de overheid zich in de schulden steekt. Alweer om de werkloosheid te betalen.

’In de jaren negentig komt daarop kritiek, Clinton heeft het bij de verkiezingen van ik meen 1992 over de staatsschuld van dubbele cijfers waar een eind aan moet komen. In die tijd wordt de financiële markt gecompliceerder. Mensen kunnen krediet krijgen voor van alles en nog wat. In Amerika kon je een huis kopen zonder te hoeven laten zien hoeveel je eigenlijk verdiende. Onderwijl bezuinigde de staat. Dat systeem stortte in 2008 in.’ 



Waarom was sprake van het kopen van tijd?
’

Omdat het systeem rustte op ongedekt kunstgeld. Krediet is niets anders dan de belofte dat je later de geleverde waar zult betalen. Als er te veel van die beloftes zijn, ontstaat de vraag of ze wel worden ingelost. Dan krijg je wantrouwen en angst, zoals in 2008. U vroeg me naar mijn grootste zorg: hoe moet dat verder? Tot nu toe werd de crisis steeds gedempt door er meer geld tegenaan te gooien. De laatste keren ging dat met grote moeite. Mario Draghi van de ECB zei tegen de banken, hier heb je 500 miljard euro, doe er wat verstandigs mee. De banken hebben het zo snel mogelijk weer vastgezet bij de ECB, dus daar hebben we niets aan. Intussen wordt de schuldenberg steeds hoger. We zitten in de vierde fase van de gekochte tijd en de vraag is nu: wanneer is de tijd uitverkocht?’



Dus hoe nu verder?
’

We weten het niet meer. Elke zekerheid over de toekomst is weg. Niemand weet het. In 2008 verscheen Alan Greenspan van de Amerikaanse centrale bank Fed voor het Congres. Dat was echt een diepe schok. Hij kreeg de vraag, wat is er eigenlijk gebeurd? Hij zei: ik had een theorie, de markt reguleert de zaken wel. Maar die theorie lijkt niet meer te kloppen. Dat is verschrikkelijk. Ik heb niets anders te bieden. Onze minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, zei: Wir sind im Blindflug – we vliegen in de mist, het radiocontact zijn we verloren. De instrumenten zijn uitgeschakeld. We koersen op intuïtie. Een voorbeeld? In Basel heb je de BIZ, dat is de bank van de centrale banken. Daar zeiden ze dat we moeten ophouden met het onbeperkt geld in de economie te pompen. Het is te gevaarlijk. Kun je lezen in het jaarverslag. Daar staat ook letterlijk in: we hebben tijd gekocht. Ophouden daarmee. Daarna liet Bernanke van de Fed weten dat hij er inderdaad mee wilde stoppen. Vervolgens dreigde de aandelenmarkt in te storten. En Bernanke, plus de Japanners en ook Draghi, zeiden onmiddellijk: het was niet serieus met dat ophouden om maar geld uit te geven. Ze wisten niet hoe snel ze de draad weer moesten oppakken. Hoe het uitpakt: we weten het niet.’



Hebben we over vijf jaar nog een euro?
’

Veel mensen denken van niet. Niet in de huidige vorm. Ik denk daarentegen dat de Duitse politiek de euro als een bezetene verdedigen zal. Er zal een kloof ontstaan. Met aan de ene kant de exportindustrie, de bijbehorende vakbonden, de regering Schäuble/Merkel maar ook de SPD en de Groenen. Zij zeggen dat de euro moet blijven, vanwege de Europese markt en de lagere koers vergeleken met een eventueel teruggekeerde D-mark.’



Dus we hebben het uitsluitend over belangen?
’

Ja natuurlijk, al wordt het verhaal verbraafd met uitweidingen over Europese eenwording. Een tweede factie, ook in het establishment, wil de euro afschaffen. Daar denkt men dat het niet langer doenlijk is om enorme sommen vanuit Duitsland over te maken aan het zuiden. De eerste groep, de industrie en de regering, zegt: natuurlijk is het zo dat wij blijvend transferkosten zullen betalen. Maar de winst uit de euro is hoger dan de kosten.

’Nu komen de Balkanlanden bij de EU. Alleen om reden van de subsidies. Concurreren kunnen ze niet. Het idee in Duitsland is: wij moeten het betalen. Daarover ontstaat nu druk. De belastingbetaler betaalt, om ervoor te zorgen dat de auto-industrie er een markt bij krijgt. Bij Audi worden hoge lonen betaald, maar de dienstensector blijft achter. Niet alle belastingbetalers werken in de export, integendeel. Dat zijn er steeds minder. Wie niet in de export werkt, heeft het idee dat hij is opgelicht met de euro. De dienstenbonden staan niet meer achter de strategie van Merkel. Hun mensen moeten betalen en de lonen lopen enorm achter bij de export.’



U schrijft dat die transferunie al decennia bestaat…
’

J a natuurlijk. Uit geopolitieke en economische overwegingen. In Duitsland wordt daarentegen altijd gezegd: de Duitsers moeten betalen, want ze hebben een wereldoorlog gevoerd. Dat wordt natuurlijk niet meer geaccepteerd.’



Oud-bondskanselier Helmut Schmidt zegt het nog altijd…
’

Ja. Schmidt zegt, wij blijven altijd schuldig. Maar Schmidt was officier in de Tweede Wereldoorlog. De mensen van tegenwoordig zaten niet bij de Wehrmacht, zoals Helmut Schmidt. Ik ben van 1946, voor mij is het nog een thema. Maar mijn kinderen zeggen, waar heb je het over? Ja, we moeten blijven herdenken, maar de oorlog is geen reden om de euro te subsidiëren, dat is vergezocht. Dat klopt niet meer.’



Hoe is die transferunie ooit tot stand gekomen?
’

Dat is begonnen in de jaren zeventig. Toentertijd dreigde in Italië het eurocommunisme, in Spanje en Griekenland waren dictaturen. Italië was een halve democratie, altijd geregeerd door de christen-democraten. Maar werd door ons gesteund, uit angst voor een sociale revolutie. Het was de Koude Oorlog. In Zuid-Europa werden de dictaturen afgelost. Er moest democratie komen, met Europese stabiliseringsprogramma’s om de sociale vrede te handhaven. De burgerlijke middenklasse, in Spanje en in Portugal, moest de macht overnemen. Met hulp van wat toen de EEG heette, en de NAVO.

’In deze tijd begonnen de betalingen, onder andere voor de infrastructuur. U kent die blauwe borden wel: betaald door de EU. Nu weten we dat het idioot was om te denken dat je een modere markteconomie op een traditionele samenleving kunt plakken. Dat werkt niet. Daarna kreeg je de regiofondsen van de EU. Dat systeem raakte in moeilijkheden toen het voormalige Oostblok erbij kwam. Daar moest ook geld naartoe om de boel stabiel te houden. Voor het zuiden was het geld op, maar de zuidelijke landen werden opgenomen in de monetaire unie. Zodoende konden ze tegen een lage rente lenen. Van staatssteun naar krediet dus, in de stille veronderstelling dat als ze het niet meer konden terugbetalen, de rest wel zou bijpassen. Dat no-bail-out-beginsel heeft niemand geloofd. De komende jaren ziet het er niet naar uit dat de zuidelijke landen er bovenop komen. Maar ze moeten in de euro blijven. In Duitsland heb je in de Bundesliga de zogeheten Dauergewinner, zoals Bayern München. Die winnen elk jaar. Je moet dus ook Dauerverlierer hebben. Waarom nog voetballen, zou je je afvragen. Maar er moet een competitie zijn, dus je hebt in de liga een geldverdeling van boven naar beneden. Bochum mag ook nog meedoen. Maar een serieuze tegenstander is het natuurlijk niet. Zo hebben wij in Europa ook Dauerverlierer nodig. Om hun het plezier te gunnen Dauerverlierer te zijn, moeten wij blijven betalen.’



Veel plezier hebben ze er niet aan… Hoe lang gaat dit door?
’

Dit systeem voert naar de waanzin. Als de aanspraken van de verliezers steeds groter worden, willen de kiezers van de zogeheten winnaars het niet meer betalen. Op dat punt zal het enthousiasme in Duitsland voor Europa snel teruglopen. In Sicilië, waar geen boom te bekennen is, lopen nog altijd twintigduizend van staatswege betaalde boswachters rond. Allemaal op grond van cliëntelisme. Dan wordt de politiek extreem defensief. Degenen in Duitsland die dit systeem in stand willen houden, zullen willen dat beslissingen in Europa worden genomen en niet langer nationaal. Je kunt spreken van een transfer van autoriteit naar Brussel, daar zit een technocratische regering en een van de kapitaalmarkt afhankelijke commissie. En het ontbreekt aan democratische kanalen.’



Wat moet er nu gebeuren?
’

Wij moeten die mars naar het gesubsidieerde neoliberalisme stoppen. Wij mogen de overgebleven nationale instituties niet opgeven. Die moeten we verdedigen. Bijvoorbeeld door referenda te eisen bij het veranderen van Europese verdragen. Ze zijn allemaal bang voor de Nederlanders en de Fransen. Vanwege de referenda. Godzijdank zijn ze bang! In Duitsland wordt het Bundesverfassungsgericht (dat wetten toetst aan de Duitse grondwet) beschimpt, alleen omdat daar kritische vragen worden gesteld. Een verouderde nationale institutie, heet het dan. Een paar weken geleden moest de Duitse vertegenwoordiger bij de ECB, Asmussen, verschijnen voor het Bundesverfassungsgericht. Om over de geldpolitiek te praten. De voorzitter vroeg hem waarom hij niet openlijk toegeeft dat het twintig jaar gaat duren voordat de zuidelijke landen er bovenop komen. Dat valt wel mee, zei Asmussen, als de groei eenmaal terug is, trekt de economie daar ook wel aan. Maar daar gaat het niet om. Niemand anders kan die vraag stellen. Er is geen Europese instelling waar die vraag überhaupt gesteld kan worden. De centrale bank zegt: we hervormen en dan komt het goed. Een hele generatie gaat het moeras in, en de enige instantie die daarover een vraag kan stellen, is het Bundesverfassungsgericht! En die wordt als anti-Europees gezien. We hebben geen alternatief. En dan komt Habermas om tegen mij te zeggen dat ik een enge nationale geest ben. Alles Quatsch! Ik zeg dat we niet moeten opgeven wat er nog over is. We moeten dat verdedigen!’



Al die landen hebben hun tradities, kun je die wel op één lijn krijgen?
’

Dat komt er nog bij. Ralf Dahrendorf, liberaal, bepaald geen radicaal, heeft in 1995 in Der Spiegel al gezegd: de muntunie is een reuze-vergissing. Omdat de andere landen worden gedwongen zoals Duitsland te functioneren. Dat kunnen ze niet, dat willen ze niet. De Fransen hebben af en toe een overschot op de betalingsbalans nodig, de Italianen moeten af en toe kunnen devalueren. Die landen zitten anders in elkaar dan Duitsland en dus moeten ze die mogelijkheden houden. Dahrendorf zei dat in 1995. Hem kun je toch moeilijk als anti-Europees aanduiden. Hij was lid van de Europese Commissie. Dat is kosmopolitisch realisme, hij wist gewoon hoe het gaat in de wereld.’



CV Wolfgang Streeck



1946 geboren in Lengerich



1980-88 senior research fellow bij het Wissenschaftszentrum Berlin



1986 promotie sociologie in Bielefeld

 1988-95 hoogleraar sociologie van de industriële betrekkingen in Madison-Wisconsin



1995-nu directeur Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung Keulen



1999-nu hoogleraar sociologie Universität Köln

september 20, 2013 at 6:39 am 3 reacties

DE NIET MEER GEZONDE MAN

dirked

Op tien augustus overleed schrijver, journalist, docent en denker Dirk Lauwaert.  Dirk was een vriend, al hadden we de laatste jaren het contact wat verloren. Ik bewonderde zijn scherpe geest, zijn enorme belezenheid en zijn onnnavolgbare manier om beelden te analyseren en die dingen te zien die voor de meesten van ons verborgen blijven. Maar hij was ook een lieve man die met volle teugen kon genieten van de dingen des levens: “extreme rationaliteit gekoppeld aan extreme passie,” zo vatte schrijver en filmmaker Peter Delpeut het samen op de herdenkingsplechtigheid voor Dirk in de barokke begijnhofkerk in Brussel.

Tien jaar eerder was bij  deze levensgenieter een kwaadaardige hersentumor vastgesteld. Een pijnlijk aftakelingsproces begon.  Ik kan het niet laten om dezelfde Peter Delpeut nog eens te citeren: “Het lot schijnt er een laaghartige gewoonte van te moeten maken mensen met de verkeerde ziekte op te zadelen. Dirk had veel afgenomen mogen worden, maar niet zijn taal, niet het plezier van het woord, niet het onuitputtelijke genoegen van het formuleren.”

Maar Dirk bleef schrijven en spreken zo lang het kon. Op zijn unieke manier bracht hij verslag uit van zijn eigen aftakelingsproces. De Witte Raaf publiceerde in maart van dit jaar  “De niet meer gezonde man” waarin hij bijna dag na dag zijn strijd tegen de ziekte – en soms ook de medische wereld – vastlegt en analyseert. Frans Lefever liet het essay in fraaie boekvorm uitgeven. Bij wijze van hommage aan Dirk volgt hieronder een uittreksel, het vervolg vind je hier. De volledige tekst kun je ook als PDF in boekvorm downloaden: DeNietMeerGezondeMan

Johan Depoortere

Dirk Lauwert
L’inquiétude est elle-même déjà la pensée à l’oeuvre.

Jean-Claude Nancy, Hegel.

Laaggradig glioma.

Kort daarna: 

Collaps van het wervellichaam L2.

 Here it is.

Leonard Cohen, New Songs. 

We zijn zo gelukkig samen, zegt ze in mijn armen. Een volwassen geluk, voeg ik daaraan toe. We denken daarover, zwijgend.

***

In de nacht vloeit urine uit het urinaal over mijn lenden. Op het onderlaken.

***

 De geliefde vrouw was bij iedere consultatie en behandeling. Ik ben nooit alleen ziek geweest.

 

De trappen na het allereerste consult. Niet zoals enkele uren eerder, in het licht van de late namiddag, maar in de valavond al. Met het vonnis. Het was de verjaardag van de oudste zoon. Thuis werd het op tafel gelegd. Een giftig fluorlicht errond. Er kon niets gezegd worden. Daarna werd er geslapen, in het bed, naast elkaar, verstijfd. Dan toch onvermijdelijk ontspannen.

In de wachtgang – de gang van angst en schaamte. Wat doe ik hier? Boete. Hoe gedraag ik mij? Als beschaamde schuldige. Een ziek lichaam is een schuldig lichaam. Een schuldig lichaam moet bekennen. Ga ik knielen? Ja, ik kniel in de wachtgang. Dit is. Laat het niet waar zijn. Ik ijsbeer in de gang, erger de medezieken, een lange rij op stoelen, een rij in een kerk. Laat iedereen wegkijken, alsjeblieft. Op en neer, op en neer in de gang. Buiten een vijver, eendjes, een watervalletje. Allemaal achter glas nu.

Ik infantiliseer, zeg ik hem. Regressie. Ik ben zes decennia oud, ouder dan de arts, met meer leven dan hij. Meer kinderen. Niets helpt. Dit is onwaardig, tempeest ik. Wie spreekt hier van waardigheid, zegt de gang. Kanker vernedert.

Mijn vonnis wordt omgezet: uitgesteld. Zoals dat van mijn vader: doodstraf werd levenslang. Ik zit in Death Row, dat kan jaren duren. Wat nu, in die tussentijd? Een leven in de tussentijd; ik kan er niets bij denken. Afgemeten tijd. Elias Canetti: ‘Stel dat iedereen zijn geboorte- en sterfdatum op zijn ring heeft staan.’ Vier je dan die toekomstige verjaardag? De dag dat je afzwaait.

Een goed begin om mij af te leiden: luisteren naar wat, maar vooral hoe hij het zegt. Daar hoor je de verhouding van de arts tot zijn eigen kennis. Tot zijn macht. Daar hoor je zijn verhouding tot mij. Dit wordt nu hoofdzaak. Ik besnuffel zijn woorden, intonaties, de kleinste details. Sporen zoeken. Welke patiënt ben ik voor hem? Zou hij weten wat het is op mijn stoel te zitten? Hij bekijkt mij, dat is het eerste van zijn onderzoek. Hij bekijkt mijn meer dan blote gelaat van angst. Het luisteren van hem en van mij. We zitten vanaf het eerste oogcontact aan elkaar geklikt. De rug pijnlijk gespannen. Zie mij hier. Niet: zie mij hier nu. Het wordt een leven zonder nu.

Kijkt hij naar zichzelf terwijl hij naar mij kijkt? Ziet hij wat ook hem te wachten staat? Of weet hij dat niet, zoals geen gezonde dat weet? En zeker de arts niet, die een zeer vergiftigd geschenk kreeg: zich onsterfelijk te denken (Robert Klitzman, When Doctors become Patients).

Zelfbewustzijn

 En dan is er in één minuut tijd niets nog ‘zelf’. De mededeling verschroeit in één vuurstoot alles wat dat ‘ooit zelf’ vermocht. Nu pas besef ik – als het te laat is – dat ik uit dat zelf alle kracht, emotie, bewustzijn, woede, verdriet heb geput. Dáár was het dus allemaal. Dat zelf, waarin ik gebed ben als in vruchtwater. Nu lig ik als een vis op de rand van de vijver.

Het zelfbewustzijn is er niet meer, het is geaborteerd. Ik ben voor de rest van mijn leven een akelige Siamese tweeling, met in mijn bochel de ongewenste gast. Hij heeft alles mee voor een lang verblijf. Hij zal alles naar zijn vileine hand zetten. Zelfs als ik hem broederlijk met ‘tumor’ aanspreek, ‘mijn tumor’, draait hij zich weg. Hij logeert bij mij, maar wil mij niet. Hij begrijpt maar al te goed dat ik hem niet wil. Toch zullen we het samen moeten doen. Mijn ziekte met de rug naar me toe en ik die achter hem sta, bloot, zo bloot. Ik voel zijn opgespannen rug. Geen vruchtwater meer, maar gelooide huid: de mijne door angst, de zijne door hardvochtigheid. Een oorverdovende, hoogtonige zandstraal die me pelt met puntige korrels.

Geen zelfbewustzijn meer, maar een bewustzijn met een privatief: a-bewustzijn, zoals apathie. Ik weet het nog niet goed, maar ik ben nooit meer helemaal bij mezelf, zoveel weet ik. Anderen schrijven me nu relativering voor, sereniteit, wijsheid. Dat kan ik toch juist niet willen? Dat zijn geen deugden, niets om trots op te zijn, maar erbarmelijke troostprijzen. Study for Group (Surgeon Robing II) by Barbara Hepworth

De Rollen  

In het tweede jaar met mijn hersentumor, heeft mijn gast zich op mijn adres laten inschrijven. Op de scans zie ik hem als een echografie. Mijn hersenen als baarmoeder. We staan samen op, ontbijten samen, ik praat de hele dag door met hem. Ik heb hem net nog geen naam gegeven. Ondertussen ben ik vertrouwd met hem, ik weet dus heel duidelijk wat hij wil: mij slopen.

Studenten. Een college. Hun eerste zaalbezoek. Ze schuiven een beetje beschaamd langs de zieken in onze kamer van vier. Een bijtende arts luistert naar mijn dossier, hem toegefluisterd door een hoofdverpleegster. De arts hakt op zijn studenten in. Eén is er beschaamd. Hij weet echt niets te antwoorden. Een andere heeft papier bij zich en noteert ijverig. De hoofdverpleegster torent boven allen uit. Ze zijn slaperig en beschaamd. Ze leren van mij weg te kijken, van die man die daar ligt in zijn pyjama.

Om die blik gaat het dus. Dat is de basis van de opleiding. De prof leert die bijzondere, wat glazige blik (een kikkerblik) aan, hij leert kijken naar dat naakte ondergaan. Eerste regel: laat niet toe de blik met de patiënt te kruisen. Ga vooral geen krachtmeting aan. Dit kijken laat iets toe, maar verduistert ook. Deze ingeoefende blik zegt: ik zie je niet. Ik zal je straks niet herkennen, geen hand schudden, geen bemoedigende vraag stellen. (Zou ik dat willen?) Ik leer die blik te herkennen. Juist omdat zijn blik de mijne niet mag kruisen, zie ik zo goed wat hem bezighoudt. Geraak ik verstrikt in een dwaas verlangen naar erkenning, dan zit de arts verstrikt in de ontkenning. Hij zegt: ik ben er niet om je te erkennen.

Niet: hoe hou ik dit vol, maar: hoe houden zij dit vol?

In Solzjenitsyns Kankerpaviljoen, zoekt Kostoglov een boek lang om die blik van erkenning af te dwingen. Ik ben niet ziek, ik ben ik. En van jou wil ik die erkenning. Hoe het voor de therapie gevaarlijke, verstorende ‘jij’ buiten te houden? De objectiverende blik is hem geboden, al was het om te overleven. Maar hoe optornen tegen het verlangen van de zieke om de objectiverende blik te slopen? De blik van de arts draagt het rubber van condooms.

 

Een scène met bureau en tafel

Een tafel, drie stoelen. De arts beheert de deur. Hij wijst de patiënt zijn plaats aan. Hij bekijkt de patiënt indringend: hoe loopt hij, hoe gebogen is zijn rug, hoe zet hij zich? Waar heeft de angst, de onzekerheid zich vastgezet? Waar zit mijn klacht in mijn lijf dat hij leest?

De meubels. Je gaat niet naast, maar tegenover hem zitten. Twee polen in de kamer. Daartussen een grens. Geen ‘wij’, maar een ‘U’. Geen voornamen. Geen vriendschap. Afstand. De verhouding zet me al dadelijk in een boetekleed. Ik ben een kind. Weglopen? Vluchten? Zwerven? Sterven in een bagagerek van een trein (Solzjenitsyn)?

Voor hem is het meubel een bureau, voor mij een blote tafel. Het bureaublad is zijn werkplaats. Op het scherm links van hem bekijkt hij beelden van mij. Ik zie ze niet. Het zijn vertalingen van mij. Hij kijkt naar mij op het scherm. Ik ben het, maar het is geen spiegelbeeld van mij. Hij wijst met het potlood waar ik te zien ben. De tumor ligt er, in een verre verte, als een oplichtende, zilveren volle maan.

Aan de andere kant, waar wij zitten, is het bureau geen plaats meer van kennis en competentie. Integendeel. Ik ben afatisch, hij daarentegen is meester van het spreken.

Tussen zijn bureau en mijn tafel: niets minder dan waanzin.

Op het lege bureaublad ligt papier. Voor korte nota’s. Daar worden voorschriften, afspraken, behandelingen naar onze kant doorgeschoven. Zoals bij de notaris, de boekhouder, de advocaat. Paperwork.

Als ik mijn eigen nota’s op zijn meubel leg (de papieren liggen zo oncomfortabel op mijn schoot), steek ik een grens over, torn ik aan de hiërarchie. In zijn plaats zou ik schrikken. Ik schrik in elk geval zelf.

Vanachter het bureau de openingszet: ‘Wat kan ik voor U doen?’ (Martine Bacherich, Qu’est-ce qui vous amène?). We zijn onherroepelijk met twee. De arts en de patiënt, een duo, in elkaar geklikt en verstrikt. Niet ik alleen aan hem, maar, het is zo, ook hij aan mij.

En het is waar, ik zocht hem op (en hoe!). Nu moet ik niet zeuren. Ik had de kwaal net zo goed op zijn beloop kunnen laten. Ik had net zo goed dit gebouw, deze deur, deze verhouding, deze taal kunnen negeren. Je móét niet naar een arts. Wat liet mij zo onvoorzichtig zijn dat toch te doen?

Maar nu sta ik hier. Mijn naam werd afgeroepen in de gang. Gehoorzaam sta ik recht. Ik laat alles op de stoel liggen: mantel, vest, schoenen, broekriem, broek, status, identiteit, verwachtingen voor nog geluk, voor nog zoveel leven. Dan kijk ik nog even om, en plotseling ligt er niets meer.

Zijn consultatieruimte, zijn consultatietijd. Hij regelt ze. (Ik heb het zelf toch gezocht!) Voorlopig heb ik daar niets tegen in te brengen. Zal ik ooit mijn rug nog kunnen strekken? Dit is geen school voor fierheid.

‘Heb je gemerkt’, zegt zij, ‘dat hij steeds wat tijd neemt voor hij spreekt?’ Hij doet alsof hij het scherm bestudeert, maar ik weet het zeker, het is alsof. Een kleine, speelse, ondeugende suspense. Zij zit te wachten op de rand van haar stoel. Ik hoor de stilte. Hij weet dat we het aankunnen. Volgende keer dezelfde ouverture.

Hoe anders de verhoudingen als ik niet alleen als patiënt op de medische scène verschijn, maar in de eerste plaats als fragiele mens waar zorg voor moet gedragen worden. (Marie Garrau & Alice Le Goff, ‘Care’, justice et dépendance)

***

Vrouwelijke zorg, mannelijke therapie.

***

Wat betekent het afhankelijk te zijn? Overgeleverd te zijn?

Barbara Hepworth: The Hospital DrawingsHet vertrouwen

Confianceconfession. Het klinkt. Ik beken aan degene die ik vertrouw. Ik neem in vertrouwen. De nood van mensen om te bekennen! Dat domme vertrouwen. Het verlangen ook om bedrogen te worden. En het verlangen om dat iemand te kunnen verwijten.

Men zegt me: om te genezen is het belangrijkste je arts te vertrouwen. Maar ik verwacht dan wel iets terug, namelijk dat hij mij trouw is. Dat hij het voor mij opneemt. Dat hij mij respecteert, dat hij tijd uittrekt om mij te leren kennen – hij is tenslotte voortaan mijn vaste arts voor mijn ongeneeslijke ziekte. Dat hij tijd neemt zodat ik hém kan leren kennen. Dat er toch een ‘samen’ ontstaat. Iets als: ‘We gaan samen die weg afleggen’. Toch een levensweg. Voor een deel de laatste. Wil hij dat geweten hebben?

Ik vertrouw op de slechte afloop. Ik vertrouw erop dat ik niet zal genezen. Dat hij mij niet zal genezen. Ook dat vertrouwen.

De cruciale Scène

 Een klein kamertje met voorraad, ook een schuurborstel. Hier kunnen verpleegsters roddelen, confidenties uitwisselen, ergernissen en verliefdheden. Zo’n kamertje dus. Passend bij de fluisterende samenzwering.

Wij beiden schaapjes op twee stoelen, zoals Jan Decorte dat zou regisseren: beschamend. We zijn allebei onder de indruk, bang van hart en na al die slopende jaren plots dan toch: laf. Drie specialisten van de drie kankertechnieken. Ze staan. Wij zitten. Wat een hiërarchie. De volmaakte setting.

De Kerk van het Onderzoek. ‘Er loopt een internationaal onderzoek…’ zegt hij. Tekst: Uw plicht, onderzoek om anderen vooruit helpen. Tekst: Uw voordeel, het nu onbetaalbaar dure geneesmiddel krijg je gratis. Tekst: in Uw belang de allerlaatste resten van de tumor aanpakken. Tekst: het is maar een pilletje, zonder noemenswaardige nevenwerking, zonder dat verplaatsing nodig is.

Ik voel mij niet beschermd door mijn arts, zoals een moeder haar dochter hoort te beschermen tegen de gewelddadige vader. Hij neemt het niet voor me op. Of toch, zijn argumenten zijn zo doorzichtig, zo infantiel dat het lijkt alsof er een geheime subtekst onder zit. Die fluistert: ‘Niet doen, vooral niet doen.’

Ik kijk beduusd om mij heen. Ik zie de achterkamer van het bedrijf. De coulissen. Achtereenvolgens: de wachtzaal, de consultatieruimte en daarachter weer vrouwen aan computers. Dan weer de gang waarin babbelende mannen en vrouwen (stevige armen en kont) met bedden door de gangen stuiven. Vele tientallen trekpaarden, in ploegen, voor duizenden patiënten, honderden kilometers, dag en nacht. Ze vervoeren leed en angst, alsof ze dampende mestkarren over het land trokken. Nog verder: een bureau om een samenwerking met de ‘Big Pharma’ te ondertekenen. Nog verder: een aula voor een presentatie op een symposium van oncologen, een publicatie in een Journal of Medecine. Nog verder: visitaties, internationale ranking, overheid en besparingen.

Dat alles sijpelt door het lekkende plafond van dat kleine kamertje met schuurborstel en voorraad. Naast dit gesprek ook nog andere, over verboden liefde, verboden lust (Kankerpaviljoen).

En hoor ik niet op de achtergrond het grommen van het cynisme, het mekkeren van de obsceniteit, het vechten, de jodelende zindering van de lust, het klauwen van de competitie, de koppigheid van de vergissingen, de snelheid van de behandeling, de operette van bloed en vlees? (Robert Altman, M*A*S*H; Samuel Shem, The House of God).

Ik heb een poppenbeertje op mijn nachttafel staan. Thuis lacht niemand.

***

Ruik je niet de stank van de dood, naast jou? Jouw bed, waar ik nu de gast van ben geworden?

***

To cut, to burn, to poison. De drie technieken. Niet eens om te genezen, niet eens om soelaas te brengen.(Siddhartha Mukherjee, The Emperor of Maladies) 

 

Burlesques  

Meteen suïcide. Liefst poëtisch, toch! Broekzakken vol stenen. In zee. Of een cocktail op internet. Bij Dignitasbegeleid sterven, alhoewel, buren protesteren: te veel kisten passeren de gang (Buñuel!). Hoe zou het zijn om van het terras te springen? Of in het kanaal hier vlakbij? Het maalde maar door mijn hoofd. Afspraken hierover met de geliefde. Maar wat zijn hier afspraken?

De alternatieven. Macrobiotiek, een zaal met matjes, daar ontvangt hij. Een magnetiseur – maar een tumor kan ik niet genezen, hoor! Een goed dieet (de wachtzaal vol hypochondrische eenzame vrouwen). Antroposofie. Homeopathie. De chirurg zegt mild en verhelderend: hier zijn de ingrepen ‘invasief’, dit wil zeggen onomkeerbaar. De alternatieven zijn dat niet.

Gevoel en verstand wankelen tussen beide. Maar hoe dan ook, geen van beide kan me genezen.

Aan het eind van deze rit, nog een retraite in een mooi – wat anders? – klooster. Dom Van der Laan? Naar Vaals? De esthetiek haalt het toch weer.

Een notaris om alles te regelen.

Een pastor met wie ik nu al een dienst afspreek. In de Begijnhofkerk hier in mijn straat. Zo in de aarde gegrond, zegt de pastor. Een vurige barokgevel voor een lekenceremonie.

 

Het vrouwenlijf

Het vrouwenlijf: hét Eldorado van de kankerbestrijding. En dan vooral haar borsten. ‘Wegnemen’ (dat zegt men bij vrouwen, niet bij mannen). En het houdt niet op: ‘De kiste is niet gevaarlijk, maar laten we ze toch maar wegnemen en dat andere voor alle zekerheid ook.’ Je gelooft je eigen oren niet! Geneeskunde?

De borsten: vandaag een zoet mirakel, ‘morgen in de vleesbak’ (Kankerpaviljoen).

Daar staat hij dan: op sokken, zonder gesp, de broek om de enkels, onbeweeglijk, de angstpeer in de hand. En dan die winderigheid, juist nu! Dit is het dus, dit is het dus. (‘Dus’ is voortaan het belangrijkste voegwoord. Ainsi (soit-il).)

***

Hoe kostbaar is het leven voor dat leven?

***

De radiologe fluistert: niet één, niet twee, niet drie opinies vragen! (Ik vroeg er vier; dit is dan mijn terminus, dit gelaat.)

De paniek

Ophoping. Constipatie. Kettingbotsing. Samendrukken. Gedachten, gevoelens in één. Een kluwen. Waar begint en waar eindigt het? Het trekt. Het sleurt. Het duwt. Het perst.

De paniek vult, helemaal, tot ver over de rand, zonder maat. Maar in die overmaat is er niets meer. Het is een lege overmaat. ‘Leaky panic‘, schrijft Sontag (David Rieff, Swimming in a Pool of Death). Het tast iedere plek van je lichaam aan. Je wordt verrot geslagen. In een ton met de agressiefste stralen water. Tot uitputting je overvalt. En er komt geen einde aan. Paniek is een storm die ter plaatse blijft hangen. Stil en oorverdovend. Het gaat tot in het beenschuim van mijn botten.

Dat was de Grote Paniek. Dat duurde enkele maanden. Ik kreeg ze pas langzaam onder controle en dan begon het schrijven.

Dan de Kleine Paniek. Punctueel, enkele minuten. Zo heftig als de Grote, maar beperkt in tijd. Ik kon ze dus aan mezelf vertellen, die Kleine Epileptische Aanvallen. Ik kon er mijn innerlijke klok op afstemmen. Ze kondigen zich aan – ruim één minuut op voorhand. Ik kijk meteen, heftig, of ik nog kan stappen tot aan een steun (laat het vooral niet midden op straat gebeuren!). Ondertussen – na ongeveer 10 seconden – rolt de paniek over mij heen. Dan het trillende, schokkende hoogtepunt – 2 minuten. Dan nog tijd voor de naschokken – 1 minuut. Meer dan 4 minuten. En de tijd om weer helemaal in de wereld te zijn. De wereld: de Kruidtuinlaan. Heel simpel. Auto’s die stoppen bij de lichten, bussen die voorbijrijden. Mensen die oversteken. Onderaan ligt het metrostation IJzer. Daar dus. In die wereld. Ik stap kordaat naar een leslokaal zo’n 25 minuten verder. Daar ligt het leven, al ben ik heel moe.

Een variant. Het struikelen, of juister de angst om te struikelen. De opstoot van paniek als ik aan het struikelen ben. Een hoge stoeprand die ik nochtans vaak met succes, zij het niet zonder angst, gebruik. Ik struikel over mijn angst. Eerst: daar gaan we weer! Vloeken. Dan, als de zwaartekracht aan me gaat trekken, een slow motion. Het vallen duurt langer dan de val. Voor de smak zie ik nog: auto’s, hun vorm, hun kleur, nog net niet hun nummerplaat. Wandelstok met metalen kop, een plastic zakje met een boek, alles op de grond (‘mijn boek!’). Hoe zit het met de poreuze rug? Kan ik nog bewegen? Ik lig op het zebrapad als een danser van Rosas. In de auto’s, mijn publiek. Drie mensen hijsen mij recht (ben ik dan zo zwaar?). Een jonge vrouw neemt me bij de arm, tot aan de andere kant. Ze wrijft even over mijn schouder. Ik beef uitgeput; mijn gebinte kreunt.

Bedrieg ik je minnaar? Je latere man? Beschaamd neem ik in de tussentijd zijn plaats in. Hij loopt nu al ergens rond. Stond hij gisteren in de kaaswinkel naast mij?

***

‘Waarom ik?’ ‘Waarom ik niet?’

***

’s Nachts schuift loodzwaar het rechterbeen over de bedrand. Dat been terug in bed krijgen!

 

Een Verschijning

Het bezoek van een geliefde broer aan het ziekbed. In een kamer van vier. Een gordijn achter zijn rug. Hij op een stoel. Ik rechtop in bed. Moe. Maar terwijl we intens met elkaar praten: ‘iets’. Een incident, een breuk. Er is ongevraagd en geheel onverwacht: vreugde (joie, joy). Alsof de Grote Wind van de wereld is binnengelaten. Niet het geluk, le bonheur, zo ván en ín de wereld: de kleine wind die gordijnen optilt, ruist, wat stof omhoogblaast (Luchino Visconti, Il Gattopardo). Dit is anders. Ik turf bij het schrijven mijn woordenschat af. Niets voldoet om die Grote Wind te beschrijven. Ineens, ja, een kinderervaring. De eerste paragrafen van Frederik van Eeden, De kleine Johannes, of ‘le calme’ van Baudelaire.

Niets heeft mij hierop voorbereid. Niets in de omgeving, die dag, tijdens dat gesprek. Ik blijf de hele tijd de waterige zakjes zien aan de aluminium boom. Ik voel het heerlijk gesteven laken (‘luxe’, Baudelaire). Ik voel mijn hand die nu eens gevend, dan weer ontvangend op het laken ligt. Ik weet naast mij de verchroomde stang om me in het bed te houden. Het bekende is niet weggeblazen. Hier is hier. Maar dan de Grote Wind, helder, verfrissend. Ik weet dat dit niet meer terugkomt, ik verlang er zelfs niet naar. De Grote Wind heeft me aangeraakt. Dat volstaat.

Dit is mij toegevallen en trekt zich dan terug, zoals de moeder waarvan de geurende sleep van haar avondjurk bij het weggaan nog even tussen de deuren trekt. Ongevraagd. Is dit genade? De Grote Wind laat mijn armen opengaan, steeds verder open, wijd open. Tot aan elke horizon.Ik reik naar hem. De wereld.

In een twintigtal shots hebben Dreyer, Rossellini, Bresson die vreugde zichtbaar gemaakt. Geen bijzondere shots. Vreugde, genade zijn niet bijzonder. Ze zijn hard en levendig. Bij het schrijven denk ik: paniek is dodelijke zonde, angst is dodelijke zonde. Ze nemen van de wereld af. De Grote Wind voltooit.

Luisteren

Geen sedatief, zeg ik, en daarna: mag ik naast het bed stappen, rechtop naar de operatie? Ik zie er meteen – maar te laat – het belachelijke van in. Werkeloze Brabantse trekpaarden? Dat kan ik ze toch niet aandoen. Trouwens, toch heerlijk die wind als ze me rijden, die camioneurs van de ziekenbedden.

In het dispatchingcentrum tussen verschillende operatieblokken liggen anderen als kinderen voor het slapen ondergestopt. In dit voorgeborchte lopen prompte jonge vrouwen rond. Te mooi om ze verpleegsters te noemen. In hospitaalgroen. Ze dragen plastic zakjes van hier naar de operatiezaal. Ze duwen daarbij kordaat de deur open, zoals obers de klapdeur naar de eetzaal. Obers zijn de vitrine van een restaurant; deze jonge vrouwen zijn de obers van de operatiekamer.

Ze babbelen de hele tijd door als meesjes. Van de halfslapenden trekken ze zich niets aan. Ik moet een uurtje wachten, maar dat komt me goed uit. Dat geeft me alle tijd om een van de meesjes tot mijn vogeltje te maken. Ze is wondermooi, petite, zoals ze daar in dat groen, met dat kapje, met die speelse, kordate, o zo jonge stapjes op de scène van mijn verliefdheid beweegt. Snaterend vogeltje. Mijn hart klopt nu helemaal alleen voor haar, dankzij haar.

Dan de operatiekamer, het licht, beschermende armen die mij op de tafel rollen (beschermend, moederlijk, juist hier!) De rechterarm gestrekt en vastgebonden. Een halfgekruisigde, waarbij juist dat halve het hele verschil maakt. Ik bedenk: hoeveel voorkomendheid, aandacht, welwillendheid, zorg (care)?

Zit het leven zo in elkaar?

In het zwembad moeten drie volwassenen mij hijsen. De eerste om me neer te zetten. De volgende om me op de rand te schuiven (vooruit dan maar), dan de laatste om me te water te laten. We lachen treurig luid.

***

De mechaniek bij het vrijen. Het atrofiërende rechterbeen kan ik niet meer richten. Ik moet het doen met mij te laten berijden – andromache, windhond, heb ik in de 69 standen opgezocht.

***

Ik heb een stadskaart van mijn kwartier in het hoofd. Daar ligt de stoep verwaarloosd, die oversteek is gevaarlijk, daar zou ik kunnen vallen. Een kreupelen-kaart. Zou men moeten drukken. 

Lees hier het vervolg

Illustraties:

Uit The Hospital Drawings van Barbara Hepworth. Met dank aan The Hepworth Wakefield, Wakefield, West Yorkshire (www.hepworthwakefield.org).

september 15, 2013 at 1:33 pm 2 reacties

DE NIET MEER GEZONDE MAN (Deel II)

Lees hier het eerste deel van “DE NIET MEER GEZONDE MAN” door Dirk Lauwaert

DEEL II

Tibia Graft by Barbara Hepworth

Voelen

Als de naald van de anesthesist door mijn ader naar binnen schuift raakt hij zoet en aangenaam de aderwanden aan. De naald streelt. Het binnenste ervan. Het intieme ervan. De ader als vagina? Puur genot. Nog, nog, niet ophouden!

Touch. Na de val op de rug duwt de zwart-Afrikaanse arts mij met volle hand en gelooide huid. ‘Ça fait mal?’ Ik voel zijn huid, ik voel hoe hij mijn huid voelt: bleek, ongelooid, een kalfjeshuid. Hij moet daar toch van schrikken. Zwart op wit. En dan die volle hand, zo vol heb ik me in een hand nooit gevoeld. Met die huid kan ik verrijzen uit mijn ondraaglijke pijn.

Schrijven  

In de wachtgang. Ik heb papier en potlood. In plaats van te ijsberen, schrijven. De paniek al schrijvend bekijken. Ze zo bezweren, er zo wraak op nemen. Paniek en wraak. Jij of ik.

Paniek is droog, korrelig, steriel. Wanhoop (de eerste weken, maanden) is vochtig. Paniek is iets dat je aan en uit kunt zetten. Er is een schakelaartje, ergens. Wanhoop is continu. Paniek is een machine, wanhoop muziek. Paniek is monotoon, wanhoop gemoduleerd. In wanhoop kan je gaan zitten, je neervlijen. Paniek is een keiharde kassei.

Van wanhoop naar paniek naar onrust en terug. Die cascade. Ik overtuig mezelf dat ik weer meester aan boord ben, de muiterij heb bedwongen. Met de zweep. (Het denken als zweep.)

Dit alles is bezweren (maar niet alleen dat). Dit alles is magie (maar niet alleen dat). Dit alles is loochenen (maar niet alleen dat). Want er wordt geschreven, gedacht, bedacht (Joan Didion, The Year of Magical Thinking). Met taal heb ik nog eens een afspraak. Aan het eind deze tekst.

Maar, aan de andere kant, taal geraakt nooit bij het ondenkbare. Men kan geen woorden binnensmokkelen om het ondenkbare te betrappen. Men kan er niets anders over zeggen dan dat men er niets over kan zeggen. Een verstikkend zwijgen. ‘Ik word duister voor mezelf’, zegt Sontag. Taal is het sedatief voor het ondenkbare.

Ik schrijf niet voor een andere patiënt, om iets te delen, steun te zoeken. Ik ben niet menslievend. Dat was ik nooit, waarom nu ineens wel? Ik word geen lid van een zelfhulpgroep. Ik schrijf niet voor hen.

Nee, ik wil niemand samenbrengen. Ik wil het ‘wij’ van de zieken ontlopen. Dat onweerstaanbaar opborrelende ‘wij’. Dat schuilen bij elkaar. Elkaars handen vastnemen. Ook al wil ik het nu niet, maar straks, onherroepelijk zal het er toch zijn. Weet ik zeker. Vernedering en troost, dat ‘wij’.

Schrijf ik voor artsen? Nee, ik wil hun taal niet kennen, hun verhouding niet tot de mijne maken, hun blik niet overnemen. Hun taal staat niet aan mijn kant.

Maar ik weet vooral dat ik hen moet begrijpen (Jerome Groopman, How Doctors Think). Welke gevaren lopen zij? Zeker veel grotere dan ik. Wat doet hun magische macht (over leven en dood) met hen? Hoe gaan ze om met de illusies van de patiënt, met hun eigen illusie? Hoe vreet die illusie aan hen? Hoeveel roest zit er op hun ziel, op hun hart? Als ik dat weet, besef ik in welke wrede, fragiele handen ik ben. In de operatiekamer neemt de arts alle beslissingen – in weerwil van eerdere afspraken met de patiënt. Wie kan het natrekken? Hij doet gewoon waar hij zin in heeft. Bij iedere operatie ligt al dat vlees ter beschikking van zijn misdadige wil om in te grijpen, nu, hier. Zoveel hybris, zoveel waanzin.

Wantrouwen als negatieve magie, zoals paranoia. Maar ook een bevrijdend wantrouwen. Alleen wat in twijfel kan worden getrokken is kennis (Popper, Bachelard, Hegel). Negativiteit is creativiteit. Dankzij ‘le malin génie’ (Descartes) komt een eerste inzicht tot stand.

Ook tussen mensen moet je zeker niet van goede intenties uitgaan (ook niet, vooral niet bij jezelf). Integendeel, systematisch wantrouwen. Ook op het morele vlak diepe twijfel. De alomtegenwoordigheid van een ‘esprit déstructeur’ (Goya, Dostojevski, Sade, Henri Lemaire, Pasolini, Littell). De passie der kwaadwilligheid.

Het niet-kwaadwillige is niet meer dan een zuchtje, un soffioun soffietto, meer nog, een adempje, un soffiettino. Niet eens een passie.

‘Ben je moe?’ vraagt mijn arts terwijl hij naar een volgende patiënt ijlt. ‘Dat kan niet anders’ (na zo’n gevecht), zegt hij. Ik heb daarnet mijn plaats bevochten. Het is mijn consult, bezittelijk voornaamwoord. Ik begin met mijnvragen. De ziekte is van mij. De behandeling dus ook. Hij gunt het mij (ik denk voorlopig toch). We weten allebei dat dit magisch denken is, fictie, literatuur. Niet meer dan een tijdelijke toegift van hem.

Hoe doen anderen dit?

***

De slechte arts (de ziekmakende arts). Daartegenover de ‘good enough doctor’ (zoals Winnicotts ‘the good enough mother’). ‘Met U kan ik me vinden’, zoals ‘daar kan ik mee leven’.

***

In de wagen, bij het terugrijden, zet ik haar bars op haar plaats: ‘Het gaat hier wel om mijn lichaam!’ Ik realiseer me dan nog niet dat mijn lichaam ook dat van haar is.  

 

De Ontmoeting  

Twee soorten artsen: de overtuigde (gelovige) en de ‘nihilistische’ (ongelovige) (Klitzman). Twee soorten patiënten: overmoedige vechters en pessimistische, voorzichtige realisten.

War on Cancer (Nixon, 1972) en hun buitenlandse afgeleiden (‘Kom op tegen Kanker’) ronselen overmoedige gelovige patiënten en gelovige artsen. Waar is de stem van sceptische artsen en wantrouwende patiënten? Is er naast het heroïsche gevecht geen plaats voor het moedige gevecht?

Voor artsen is het opgeven een nederlaag, het sterven niet meer hun wereld. Terminaal zijn is afvalligheid. Voor de gelovige arts is iedere genezing het bezweren (magie!) van de sterfelijkheid. Deze arts brengt zijn patiënt weer in het leven. Voor hardnekkige patiënten (Rieff, Swimming in a Sea of Death) is iedere therapie, zelfs het meest desperate experiment het proberen waard. Ze hebben heroïsche artsen aan hun zijde. Ze zijn de helden van het leven, van het geloof in het leven. Enkele weken nog. Misschien komt een therapie in het zicht. Misschien ligt ergens nog een ultieme interventie binnen handbereik. Wat een hardnekkigheid!

De nihilistische arts daarentegen zegt: tegen het sterven is het nutteloos vechten. Waar het genezen stopt, begint het spreken (Dunning, Betoverde Wereld). Hier is moed, geen overmoed.

Ik heb in totaal in het kabinet van veertien artsen gezeten. Een mooie sample.

Er zijn vooral ziekmakende artsen. Ze luisteren niet. Eén keek gedurende de hele consultatie uitsluitend naar mijn vrouw (het is waar, ze is mooi) en sprak over mijn hoofd heen. Een andere draaide trots zijn laptop naar ons, met daarop een foto van een hersenoperatie. Dat was ons allereerste consult. Nog een andere, oud en vermoeid, bekeek mijn dossier met een blik van ‘het houdt hier nooit op!’.

Geen fraai tableau. De rit eindigde bij een chirurg die ons meteen bij de beslissing betrok. We kunnen dit of dat doen. Dit pleit voor de eerste, dat voor de tweede oplossing. Tot onze volgende consultatie. Eindelijk. Deze veertiende wordt het dus.

De feiten

Wat een gekrakeel na ieder bezoek. De 35 minuten van de terugreis: spanning en ruzie. ‘Hij heeft dat gezegd.’ ‘Nee, hij zei helemaal iets anders.’ Na enkele ritten werd vrede gesloten: ‘Wat heb jij gehoord?’

De feiten zijn hier nooit meer hard, nooit meer zeker, nooit meer ‘echt’ duidelijk. De zieke hoort wat hij wil horen. Soms erger, soms minder erg dan zij naast jou hoorde. Gedurende enkele sessies namen we allebei nota’s. Soms had ik hele zinnen weggeveegd, maar dat gebeurde ook bij haar. Horen wat je kan horen. Ik vergeet zelfs zoiets eenvoudigs als de naam van het medicijn, de hoeveelheid en de regelmaat. Zelfs al staat het helder op papier. Ik moet het haar nog eens en nog eens vragen. En meteen daarna ben ik onrustig het voorschrift nog eens aan het lezen.

Ik hoor de arts niet, maar hij mij ook niet. Wie ik ben en wat ik dus wil, komt pas na jaren bij hem aan. Hij vraagt niet eens: wil je leven nu je ongeneeslijk ziek bent? Hoe wil je dat (samen met mij) doen? Welke prijs wil je je lichaam laten betalen?

Het is niet toevallig dat je bij je gemeente een officieel document kunt laten registreren waarin je aanvinkt welke interventies je niet wenst, zoals geforceerd voeden, of beademing enzovoort. Je ziet de lijst van levensverlengende technieken. De ene al erger dan de andere. Waarom krijg je die niet bij het binnenkomen? Meteen?

Traiter la vie contre la vie.

***

‘Voor alle zekerheid’, zegt de zwakke arts.

Het schuldige verzwijgen  

Ik zeg hem: ik zoek geen genezing, maar informatie. Daarna: wat als ik niets doe? En dan: wat zou eventueel wel gedaan kunnen worden? Pas dan: wat stel jij mij voor? En dan: ik vraag het toch ook aan andere artsen. Dus ik neem tijd, heb die gekregen, met dank aan de traag groeiende. Ik ben het aan mezelf verplicht om van die tussentijd gebruik te maken.

Vandaag is het verzwijgen voor de patiënt niet meer vanzelfsprekend (vroeger? Anne Philipe, Le Temps d’un soupir). De arts heeft het er ook vandaag moeilijk mee om te verzwijgen, maar het kan. Toch is het verzwijgen – een schuldig verzwijgen – er nog steeds. Niet meer ten aanzien van de ziekte en haar verloop, maar ten aanzien van de gevolgen. Wat zijn de nawerkingen, wat is de collateral damage, het prijskaartje voor je lichaam? Hier deden ze er het zwijgen toe, logen ze, lieten mij illusies toe. Dat bedrog is hen bij hun opleiding ingeprent. Ik word er zeer achterdochtig van.

Als artsen zelf ziek worden, stellen ze vast dat dit vanzelfsprekend is (Klitzman). ‘Je leeft toch nog’, zegt mijn arts als ik lastige vragen stel. Maar ik wist niet tegen welke prijs – het werd me noch voor de behandeling, noch erna duidelijk gemaakt. Ze sturen mij de loopgraven in als was het een wandeling.

Kijk: jij als arts behandelt mijn pathologie. Niet de tumor stoorde me, wel de effecten. De arts behandelt mijn tumor, niet mijn ongemak in het dagelijks leven. Voor mij is het succes in de behandeling nevenzaak, de schade aan het dagelijks leven hoofdzaak. Pas als de zieke weer een vol leven heeft is er sprake van genezing. Niet dus, integendeel, de nawerkingen vergallen mijn leven. En over dat leven gaat het. Het is cruciaal te weten wat er van mijn leven afgenomen wordt. Laat ik het optellen: de tumor blijft, de nawerking blijkt een verminking. Eigenlijk ben ik zieker dan voorheen. De arts houdt zich bezig met de tumor, ik moet het doen met de verminking. Een tumor en kreupel daarbovenop. Dat wordt een lastige wiskunde. Hoe dat uitleggen als ik thuiskom?

De taal van het schuldig verzwijgen heet: eufemisme, onduidelijkheid, sussen, minimaliseren. ‘Je leeft toch nog.’ Tot daar zijn verantwoordelijkheid. Wat de patiënt daarna overkomt is niet meer zijn zorg. Andere specialisten? Maar hij kent noch instellingen, noch namen. Zoek het zelf maar uit.

Hier had nochtans het bureau – je weet wel – volwaardig gebruikt kunnen worden. Samen over een groot blad papier gebogen. Hij strijkt het papier glad en tekent daarop het plan van de verschillende spelers uit: de ziekte, de therapieën, de nawerkingen, een tijdslijn, plannen voor de omgeving (vrouw, vrienden, denken, schrijven). Over welk levenskapitaal beschik ik nog? De arts neemt de partituur van mijn verder leven niet met me door.

Het wordt nooit meer zoals vroegerMaar dat geeft vleugels aan het herinneren.

***

Afstand moeten doen van de overtuiging, vaststelling dat alles twee kanten heeft. Nee dus, pijn is zonder reserve. Aan pijn is er geen andere kant (Sontag). Paniek is één blok. Je ligt er gewoon onder. Onder-worpen.

 ***

Wat blijft er over? Eigenlijk veel, eigenlijk alles.

 

Moeheid  

Het is niet meer te harden. Nee, het is niet meer te harden. Moe zijn. Hét moe zijn. Niet wanhopen, maar ten einde zijn.

Wie lang heeft gewandeld zet zich moe neer aan de kant van de weg (Henry Bauchau, Oedipe sur la Route). Maar het is tenminste een weg, een kant aan de weg (Tokaido). Wandelen is werken en daar word je moe van. Natuurlijk. Aan de rand van de weg eet je zittend. ‘Ik leg me even te slapen’ (Jean Renoir, Une partie de Campagne).

‘Hét moe zijn’ is iets heel anders dan ‘moe zijn’. Hét moe zijn is het resultaat, niet van inspanning, maar van afwezigheid van inspanning. Een eindeloos doorlopende, constante, compacte massa. Het leven zal vanaf nu niet werkelijk meer veranderen. Ik zal nooit kunnen uitmaken wat het gevolg is van oud worden (ineens: lieve ouderdom!) of van ziekte. Zonder voorbehoud zou ik de prijs van het ouder worden nu betalen. Het maakt alles uit of ik slecht loop als grap van de ouderdom, of als straf van die ongewenste gast. Hetzelfde ongemak, maar een andere afzender. Het maakt een verschil.

‘Let’s get over with it.’ Het is niet meer te harden. Dit is geen leven meer. Het leven dat geen leven is. Het leven zakt ineen als een mislukte soufflé. Het leven buigt. Ben ik moe? Er is geen moed meer. Geen brandstof meer. ‘Het is op’, moet ik steevast aan bezoekers zeggen.

Vreugde en moeheid zijn weliswaar tegenpolen, maar delen veel met elkaar. Ze kennen beide geen tijd, geen verleden, geen vervolg, ze zijn in zichzelf voltooid, perfect. Ze nemen niet toe, niet af. Ze zijn ruimtelijk, maar niet temporeel. Moe zijn zit in een verhaal, maar hét moe zijn niet. Barse, koppige onveranderlijkheid. Noch tegen vreugde, noch tegen moeheid is iets in te brengen. Vreugde is geen lachen, moeheid geen vermoeidheid.

Ik ben het moe: de dagelijkse medicijnen, de testen, de prikken, de scans, de MRI’s, de contraststof, het peertje om te waarschuwen. 20 keer bestraling. Steeds dezelfde procedures, steeds dezelfde vriendelijke verplegers die toch de routine niet uit hun handen krijgen. Al zeven jaar lang hulpvaardige armen om me op de tafel te helpen en er weer af. Ah, die bedrieglijke vriendelijkheid. En dan: niet toegeven aan de naïviteit (die catechismus van de kliniek).

Moeheid als teleurstelling. Het ziek zijn als teleurstelling. Teleurstelling over het leven. Het moe zijn: tegendeel van het leven zelf.

Is de Vreugde geschenk, Moeheid is zonde. Hét moe zijn keert het leven de rug toe. Alles is behangpapier. Steeds hetzelfde. Ik verwacht niets meer van mezelf. Teleurstelling over mezelf.

Toegeven  

De weerbarstige patiënt vraagt. Blijft vragen. Werpt op. Twijfelt. Wantrouwt. Gaat bij anderen verifiëren. Wikt en weegt. Dat is mijn personage in het spel aan het bureau en aan de tafel. Het is uitputtend, maar ook spannend. Het is armworstelen met een veel sterkere tegenstander. Winnen zit er niet in. Maar zo lang mogelijk volhouden is een eer.

De weerbarstige weet maar al te goed dat er geen genezing is, dat er alleen maar behandelingen zijn. Uitstel is mogelijk, dat moet hij gebruiken. Het is geen veldslag, maar een guerrilla. De arts zucht. Weer zo’n patiënt die het hoog opneemt! Hij wacht tot hij breekt (Kankerpaviljoen). Boos zegt hij: hoeveel tijd heb ik al in jou gestoken? Zoveel meer dan in mijn andere patiënten. Mijn collega’s hadden je al lang op de operatietafel gegooid.

Ik zocht zelf niet naar medische informatie. Dat is me te veel automedicatie. Ik haal het toch nooit van de arts. Ik doe iets anders: ik beloer verhoudingen. Ik beoordeel gesprekken. Ik weeg waarachtigheid, of toch de poging daartoe. Te veel artsen dragen onverschilligheid op hun revers, te veel routine, te veel de snelste weg, te weinig tijd, geen ruimte. (Ruimte!) Telkens weer de zoektocht hervatten naar hem als gesprekspartner. Een taal met hem delen. Een illusie, natuurlijk.

Maar dan is er toch dat moment dat je opgeeft, dat je breekt, dat je toegeeft en jezelf erbij neerlegt. Ik bungel dan als een gesprongen vioolsnaar. Krachteloos, vormloos. Het ‘tipping point’ waar de weerstand overslaat in karakterloze, beschamende overgave.

Onder geruis bezwijkt de dijk. Vooraf nog een zucht van de aarde die toegeeft, die begeeft. Het is nu zo. Het kan niet anders. Zoals bij zandkastelen: één spadesteek volstaat. Een heerlijke spadesteek. De dam begeeft. Ik word naar de operatietafel gereden, met een heerlijke wind langs mijn hoofd.

Het ergste

 Ik sta aan de balustrade van het Centraal Station in de stad B. Ik kijk naar beneden, op het drukste uur van de stadsvlucht. Een cascade. Zoveel geluid! Zo snel de stappen. Niemand heeft een trapleuning nodig. Kijk, zij doen het zonder hand! Zomaar rennen midden op de brede trappen! Met zoveel mensen om hen heen! Niemand die struikelt! Een mirakel! Dat was jaren mijn tocht, een feestelijk bewegen, merk ik nu pas, nu het definitief onmogelijk is geworden. Dat is het ergste, dat ik die trappen kwijt ben.

De sterfelijkheid van broers en zussen beroert me het meest. Het oer-wij.

***

Zolang we praten word ik niet verminkt.

*** 

Kliniek als verzamelplaats van zieken, kliniekziekten, angsten, pijn, pijnstillers, voorbijgaande bezoekers en verpleegsters, van artsen, kennis, machines, ambities, van onverschilligheid, harteloosheid, cynisme, van onmetelijk verdriet in deze poel waarin het hele leven gist.

Hippocratische eed

De successen van de geneeskunde hebben onverwachte gevolgen. Nieuwe keuzes moeten gemaakt worden bij iedere nieuwe techniek.

Enkele nota’s in de marge van de hippocratische eed:

Het woord is aan de patiënt (daarom zijn er de rechten van de patiënt, waarom worden die niet meegegeven bij iedere opname?).

Het lichaam is van de patiënt (niet van de arts, niet van de geneeskunde).

De arts assisteert de zieke, niets meer. Behandeling als bevalling.

De arts moet zeggen tot welke school van behandeling hij behoort.

De arts zegt een kordate doener te zijn, of een voorzichtige die het bekijkt.

De arts staat erop dat de patiënt steeds een tweede opinie zoekt, als deel van de diagnose.

De arts spreekt over alternatieve behandelingen (die zoekt de patiënt hoe dan ook).

De arts benoemt de neveneffecten.

Te veel werk? Maar voor de meest succesrijke ziekte met de geringste genezingskansen moet dat toch kunnen.

Alles op tafel, tussen volwassen mensen.

Study for Group (Surgeon Robing II) by Barbara HepworthKorps  

De arts maakt deel uit van een korps. Een korps met een vuurproef. Een militair korps. Arts en militair leren beiden iets te doen waar je in de normale wereld voor in de cel komt. Het vergieten van bloed. Het openen van het lichaam. Dat de een daarmee wil doden en de andere wil genezen verandert niets aan de techniek: bloed laten vloeien. De arts is uit zeer bijzonder hout gesneden.

Sommige chirurgen willen het spektakel van het bloed. Op de grond, op hun groene kazuifel. Ik zie hem al baggeren door het bloed, met de stevige stap van de boer op het modderige land. Zonder het spektakelbloed geen chirurg. Zonder spektakelbloed geen Christus, geen Kerk. Zonder spektakelbloed geen cinema.

De kogel ‘erin’ leert de militair, het scalpel ‘erin’ zegt de arts. Het vraagt koelbloedigheid (de koelbloedigen). Om te verdedigen, om te genezen. Wat brengt de arts ertoe arts te worden? Wat drijft hem als twintiger naar het operatieblok, naar dat scalpel in zijn hand? Wat wint hij daarbij voor zichzelf? Wat is de pathologie van de arts? Zoals: wat wint de patiënt aan deze manier om ziek te zijn?

Vandaag leidt de ongeneeslijke ziekte niet tot stille berusting, niet tot reflectie, integendeel: tot overactiviteit. Ieder klein succes lijkt een immense stap (dat is het misschien ook). Zo wordt voor arts en patiënt een fuik gezet. Een geloof: in de therapie. Tijdelijk genezen, verandert in genezing. Ongeneeslijk verandert in geneesbaar.

Dat overkomt ook mij, op dit eigenste ogenblik. Tijdelijk genezen als onredelijke belofte. Maar: is Lazarus een gelukkig man? Hij moet nu twee keer sterven.

Rond de ongeneeslijke ziekte, een carnaval, een danse macabre van magie, naïef geloof, macht, onnoemelijke fragiliteit. Valse hoop snoert de mond van moed en luciditeit. Valse hoop vernedert. Valse hoop is onwaardig.

Hoe kostbaar is een leven voor dat leven?

Met dank aan de artsen Christel, Frank, Johan, Koen, Luc en Wim. Zij lieten me toe de band tussen ziekte en zieke te ontwarren.

Bibliografie

Jean-Louis Chrétien, La Joie spacieuse, 2007

Jean-Louis Chrétien, La Fatigue, 1996

Alphonse Daudet, La Doulou, 1888/1929

A.J. Dunning, Betoverde wereld, 1999

Jerome Groopman, How Doctors Think, 2007

Siri Hustvedt, The Shaking Woman or the History of my Nerves, 2010 

Robert Klitzman, When Doctors Become Patients, 2008

Catherine Malabou, Les Nouveaux blessés, 2007

Siddhartha Mukherjee, the Emperor of All Maladies, 2010

David Rieff, Swimming in a Pool of Death, 2008

Samuel Shem, The House of God, 1978

Alexandre Soljénitsyne, Le Pavillon des cancéreux, 1968

Susan Sontag, Illness as Metaphor, 1977 

Susan Sontag, Aids and its Metaphors, 1988

Adam Wishart, One in Three, 2006

Illustraties:

Uit The Hospital Drawings van Barbara Hepworth. Met dank aan The Hepworth Wakefield, Wakefield, West Yorkshire (www.hepworthwakefield.org).

september 15, 2013 at 1:15 pm 3 reacties

22 augustus 1914, de dag dat de Onbekende Kongolese Soldaat sneuvelde

Loopgracht_NEW

door Lucas Catherine

In Europa was de aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog de moord op een keizerszoon, namelijk aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk. Die aanslag werd in Serajevo gepleegd door de Servische terreurgroep De Zwarte Hand. In Centraal en Oost Afrika wordt de aanleiding van de oorlog de moord op twee zwarte, Kongolese soldaten door Duitse koloniale troepen. Zij verloren het leven op 22 augustus 1914, nu 99 jaar geleden.


De twee Kongolezen waarvan we de naam niet kennen, je kan ze dus terecht de Onbekende Kongolese Soldaten noemen, sneuvelden aan de oevers van het Tanganyika-meer dat de grens vormde met Duits-Oost-Afrika (nu Tanzania); daar waar de Lukuga-rivier uit het Tanganyika-meer stroomt, en waar nu de stad Kalemie ligt. Het is een biezondere rivier, niet alleen omdat hij niet uitmondt in dat meer, maar er juist van vertrekt. De Lukuga is verantwoordelijk voor de uitstroom van 15% van het water van dit reusachtige meer, is 350 km lang en vormt een van de voornaamste waterbronnen voor de Lualaba, zoals de Kongostroom in Oost-Kongo wordt genoemd. Hij was traditioneel een belangrijk communicatiekanaal tussen centraal en oost Kongo, al sinds de achttiende eeuw in het grote Luba-rijk. Wanneer de Zanzibari Arabieren, een halve eeuw voor de Belgen oost Kongo beginnen exploiteren, vooral dan het ivoor, verstevigen zij de Lukuga als communicatiekanaal. Zij duiden ettappedorpen aan van waaruit koeriers per kano brieven overbrachten van het ene etappedorp naar het andere. De Belgen nemen dit over.

Loopgraven in Afrika

Op 22 augustus vallen de Duitsers het haventje aan de monding van de Lukuga aan. Met hun 60ton metende oorlogsschip de Hedwig von Wissmann beschieten zij de enige oorlogsboot die de Kongolese Weermacht op het Tanganyikameer heeft, de Alexandre Delcommune, zodat die onbruikbaar wordt. Ze doden daarbij twee zwarte soldaten. Ze doen ook een vijftiental kano’s zinken en snijden op veertien plekken de telefoonlijn door. Dit was duidelijk sabotage van de communicatielijnen die liepen via de Lukuga naar de Lualaba, dan via de spoorlijn naar Stanleystad/Kisangani en tenslotte via de Kongostroom naar de hoofdstad Leopoldstad/Kinshasa. België, dat zelf al op 4 augustus door de Duitsers was aangevallen, zal hierop Duitsland in Afrika de oorlog verklaren.

Die oorlog ging toen natuurlijk niet om die twee Onbekende Soldaten. Dat was een onbelangrijk detail, zo onbelangrijk dat hun namen zelfs niet zijn opgetekend. Het ging wel al om grondstoffen. Kongo en vooral Oost-Kongo, was rijk aan mineralen. Het koper van Katanga was al in 1798 door de Portugezen gesignaleerd. Maar de Kongolezen kenden het koper al eeuwen. Zij produceerden er hun geld mee. De Belgen zullen in 1902 de eerste kopermijn openen in Kambove (Katanga). De eerste goudmijn wordt in 1904 in Ruwe (Kolwezi, Katanga) opgestart. In 1906 richt Leopold II samen met de Société Générale de Belgique de Union Minière du Haut Katanga (UMHK) op en de Société Internationale Forestière et Minière (Forminière). De Forminière vindt in 1909 de eerste diamanten in Tshiminina (Kasai). Duits-Oost-Afrika moest het daarentegen stellen met koffie en sisal (een plant waaruit draden worden getrokken) en als enig erts, mica een voorloper van plastic. En dat was niet de bedoeling. Bernard Dernburg, die in 1907 staatssecretaris van het Reichskolonialamt werd en voordien talrijke beheersmandaten had vervuld in de zware metaalnijverheid, stelde dan ook:‘Wij zijn niet naar Oost-Afrika gegaan om daar landbouwplantages aan te leggen voor drie- of vierhonderd kolonisten,maar om aan economische ontwikkeling te doen en er grondstoffen te vinden voor de industrie.’ En die zaten dus in het oosten van Kongo. Vandaar die oorlog vanuit Duitse kant. België zelf wou Kongo groter maken. Daarbij volgde het in de voetsporen van Leopold II en zal twee nieuwe kolonies als oorlogsbuit veroveren: Burundi en Rwanda. België erfde niet alleen deze territoria maar ook de koloniale politiek die de Duitsers er hadden gevoerd. Zij hadden de etnische opdeling tussen Hutu’s en Tutsi’s versterkt. Het zou bijna een eeuw later leiden tot de Rwandese genocide.
Die Groote Oorlog, zowel in Europa als in Afrika, was ook niet langer een oorlog à la façon van het Ancien Régime waarin een adellijk officierenkorps vocht voor de eer en daarbij duizenden, in het geval van de Grote Oorlog, miljoenen soldaten opofferde als kanonnenvlees, maar een ‘industriële’ oorlog.

De Eerste Wereldoorlog als eerste industriële oorlog

Dit is niet de mening van een Marxist, maar van Sir John Cowans, de man die tijdens de Eerste Wereldoorlog verantwoordelijk was voor de logistiek van de Britse troepen, hij was quartermaster-general. Van hem is de uitspraak:‘Dit was een oorlog van administrators, veel minder ging het om strategie of tactiek. Onze overwinning kwam er door onze superioriteit in mankracht en materiaal en doordat we erin slaagden die mankracht en dat materiaal snel naar het front te transporteren. De kwaliteit van de generaals, de moed van de soldaten deden er veel minder toe.’ Cowans gebruikt het woord ‘administrator’, ‘manager’ bestond toen nog niet, maar dat is wel wat hij bedoelde. Het ging Cowans om superieure, op industrialisatie gesteunde logistiek. Ook België had dit begrepen en schakelde zijn beste ‘managers’
in. Albert Thys, de man die de spoorweg tussen Matadi en Leopoldstad had aangelegd, kreeg bij het uitbreken van de oorlog de graad van generaal en het commando over de 1ste legerdivisie. Eduard Empain, de metaalmagnaat die de Compagnie du Chemin de Fer du Congo Supérieur aux Grands Lacs Africains had opgestart, werd minister van Bewapening en kreeg de graad van generaal-majoor.

Als we Cowans ideeën op Kongo toe passen, kunnen we concluderen dat het niet zozeer de strategische inzichten waren van de officiële bevelvoerders: Tombeur, Olsen, Molitor, maar de Kongolese economie en mankracht die de overwinning leverden. De goudproductie werd opgedreven om de oorlogskosten te dragen en de productie van levensmiddelen voor de soldaten (vooral rijst) werd op sommige plaatsen vertienvoudigd. Driehonderdduizend dragers brachten al dat voedsel en materiaal ter bestemming. De Kongolese soldaten en hun logistiek, de dragers hebben in Afrika de oorlog voor België gewonnen. Samen met hun vrouwen, die werden ingezet voor het koken, het wassen en andere taken en die daarom halve soldij kregen uitbetaald. Zij zijn met tienduizenden gesneuveld. Zullen de officiële herdenkingen van de Groote Oorlog volgend jaar ook hen herdenken?

Van Lucas Catherine verschijnt eind september bij EPO: “Loopgraven in Afrika, de vergeten oorlog van de Congolezen tegen de Duitsers.”

 

augustus 19, 2013 at 9:53 am Een reactie plaatsen

ALS WOORDEN LIEGEN

Het “vredesproces” in het Midden Oosten is weer op gang gekomen – zo lezen en horen we in de media. De aanhalingstekens zijn op hun plaats want in de berichtgeving over Israël en Palestina betekenen woorden niet wat ze beweren te betekenen, in veel gevallen betekenen ze op een perverse manier precies het tegenovergestelde daarvan. Het “vredesproces” is niet het proces dat tot vrede leidt maar een poging van Israël – met medeplichtigheid van de kliek rond de Palestijnse “leider” Abbas en met enthousiaste steun van de regering Obama – om landroof, bezetting en de rechteloosheid van een onderdrukt volk te bestendigen en een vernis van legaliteit te bezorgen. 

 Het is Newspeak alom in de berichtgeving over het Midden Oosten in de gevestigde media. George Orwell had het in zijn wildste verbeelding niet kunnen bedenken. We spreken over Israëlische “nederzettingen, “ waar het gaat om illegale apartheidsdorpen en steden, uitsluitend voor Joden. Deze zwaar bewapende enclaves zijn alleen te bereiken via wegen die enkel door “Joodse” voertuigen, bemand door Joodse mannen en vrouwen  mogen worden bereden. Niet-Joden zijn in deze ghettos alleen overdag welkom om de betonmolens te bedienen en de straten schoon te vegen. Joden zijn mannen en vrouwen die geboren zijn uit een Joodse moeder of die door de religieuze autoriteiten van het land – het rabbinaat – als “Jood”zijn erkend. Het is alsof aartsbisschop Leonard zou bepalen wie rooms genoeg is om in exclusief katholieke enclaves te wonen.

 De Amerikaanse “bemiddeling” – nog zo een woord dat de werkelijkheid verhult. Hoe kun je van bemiddeling spreken als de “bemiddelaar” jaarlijks de Joodse staat met meer dan drie miljard dollar overeind houdt en voorziet van het modernste oorlogstuig ter wereld.?

Woorden liegen in het Midden Oosten, zegt ook Robert Fisk, de door de wol geverfde verslaggever van de Britse Independent. Hij plaatst de “diplomatieke doorbraak” waarmee de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken John Kerry te koop loopt in de correcte contekst.

 Johan Depoortere

ELKE ANDERE STAATSMAN DIE ONDERHANDELT ALS JOHN KERRY ZOU  EEN DIEF WORDEN GENOEMD

Door Robert Fisk

0409_World_OKERRY_full_600

John Kerry – Benjamin Netanyahu

Kent John Kerry geen schaamte? Eerst vrijt hij zowel Israëlis als Palestijnen op en verkondigt dan de hervatting van een “vredesproces” dat de Palestijnen wantrouwen en dat de Israëlis niet willen. Dan maakt Israël bekend dat het 1200 nieuwe huizen wil bouwen voor Joden – exclusief voor Joden – op bezette Palestijnse grond. En nu vertelt hij de Palestijnen, de zwakke en bezette Palestijnen, dat ze haast moeten maken als ze hun eigen staat willen.

Elke andere “staatsman” die te maken heeft met een ander conflict en die een bezet volk zou vertellen dat ze vrede moeten sluiten omdat de bezetters anders nog méér van hun land zouden stelen zou gebrandmerkt worden als een outcast, een medeplichtige dief, mogelijks een crimineel. Maar nee, John Kerry verkondigt dat de illegale Joodse kolonies – of “nederzettingen” zoals hij ze net als de Israëlvriendelijke wereldpers verkiest te noemen – “onrechtmatig” zijn. Wellicht bedoelt hij “illegaal” volgens het internationaal recht. Maar wat doet het ertoe? In de tien jaar na het “Oslo-Vredesproces” is het aantal Israëli’s die op gestolen Palestijnse grond zijn komen wonen verdubbeld tot 400000. Niet te verbazen dus dat volgens Kerry de recentste Israëlische aankondiging van gronddiefstal “enigszins(sic!) te verwachten” was.

Reken maar! Israël draait al tientallen jaren laffe Amerikaanse regeringen rond de vinger en kijkt de andere kant uit als Washington nog maar eens in verlegenheid wordt gebracht door de zoveelste plundering van andermans land. Het is goed eraan te herinneren dat de Oslo-akkoorden bepaalden dat Israëlis en Palestijnen zich gedurende vijf jaar zouden onthouden van “unilaterale stappen die het resultaat van de onderhandelingen in het gedrang zouden brengen.” Israël legde dat eenvoudig naast zich neer. En doet dat nog altijd. En welke raad heeft Kerry voor de Palestijnen?  Dat hun reactie niet “negatief” mag zijn!

Dat is belachelijk. Kerry weet beslist, net als de Verenigde Naties en de Europese Unie weten, dat er niet de geringste kans bestaat voor een leefbare Palestijnse staat omdat de Israëli’s al teveel land op de Westelijke Jordaanoever hebben gestolen.De kaart van de kolonies en niet-gekoloniseerde gebieden ziet eruit als de kapotte voorruit van een auto en iedereen die op de Westbank rondrijdt en die niet politiek blind is kan zien dat de komst van  Palestijnse staat even waarschijnlijk is als een terugkeer van het Ottomaanse rijk.

En wat Kerry betreft: elk van zijn woorden zou moeten worden gevolgd door “sic” Neem dit bijvoorbeeld: “We wisten (sic) dat er in zekere mate (sic) gebouwd (sic) zou worden op sommige (sic) plaatsen, en ik denk dat de Palestijnen dat begrijpen.” Ik denk dat ook “begrijpen” zou moeten worden gevolgd door “sic.”  En Kerry vervolgt: “Wat dit – hij bedoelt de landroof – onderstreept is eigenlijk (resic!) de noodzaak om spoedig aan de onderhandelingstafel te gaan zitten.” Met andere woorden: “Doe nu wat je gezegd wordt of anders laten we de Israëli’s nog méér van je bezit stelen.” In de gewone wereld heet zo iets chantage.

En dan volgde de utltieme leugen: dat het probleem van de “nederzettingen” het best kan worden opgelost door de kwestie van veiligheid en grenzen te regelen. Onzin! De kolonies – of “nederzettingen” zoals Kerry deze gevallen van roof blijft noemen – worden door Israël niet gebouwd omwille van de “veiligheid” of de “grenzen” maar omdat de Israëlische rechterzijde die de regering Netanyahu nog steeds domineert het land wil voor zichzelf. Veel Israëli’s willen dat niet. Veel Israëli’s zien het kwaadaardige van deze landroof en veroordelen hem. Zij hebben recht op de vrede en de veiligheid die de wereld hen belooft. Maar die zullen ze niet krijgen met de kolonisatie en dat weten ze.

En Kerry staat niet aan hun kant. Hij gaat voluit voor “vrede” op de voorwaarden van de Israëlische regering, en de Palestijnen, opgesloten, ingeperkt en ingepakt, moeten hun mond houden en pakken wat ze kunnen krijgen. En ze zullen wat kruimels krijgen. 26 oudere gevangenen worden overgedragen: een troostprijs voor Abbas en zijn vrolijke vrienden. Maar méér kolonies voor Israël, een land dat John Kerry – of ons – niet eens vertelt waar het zijn Oostelijke grenzen ziet. Op de oude “Groene Lijn” uit 1967? Op de lijn van de kolonies ten Oosten van Jeruzalem? Of  is het de Jordaan? Maar voor Kerry is het: “Haast je, haast je, haast je.” Reserveer nu je plaatsen, anders is de zaal uitverkocht. “Palestina” tegen welke prijs?

augustus 15, 2013 at 9:10 am 1 reactie

Oudere berichten Nieuwere berichten


Kalender

oktober 2014
M D W D V Z Z
« sep    
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
2728293031  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 676 andere volgers