Archive for januari, 2010

Howard Zinn, historicus van de underdogs

Met het overlijden van Howard Zinn is een belangrijke stem in Amerika verstomd. Zinn was historicus en activist en je kunt er gerust aan toevoegen: een morele baken van links in Amerika en daarbuiten.

Drie jaar geleden interviewde ik hem voor De Standaard der Letteren en De Groene.

Johan Depoortere

“JE KUNT NIET NEUTRAAL ZIJN IN EEN RIJDENDE TREIN”

Met Columbus begon de etnische zuivering van Amerika. Twee jaar na de komst van de Spanjaarden bleef van de 250000 Arawak Indianen op Hispaniola (het huidige Haïti – Dominicaanse Republiek) nog slechts de helft over. In 1550 waren het er nog 500 en nog eens honderd jaar later niet één meer.

Howard Zinn is die zeldzame historicus die de geschiedenis van Amerika ziet door de ogen van de slachtoffers van kolonisatie, slavernij en discriminatie.

A People’s History of the United States – nu ook in het Nederlands vertaald – is daarom verplichte lectuur voor al wie geïnteresseerd is in het andere Amerika: dat van de zwarte slaven, de arme blanken, vrouwen en Indianen. Niet dat hij de complexiteit van de geschiedenis uit het oog verliest. De slachtoffers worden maar al te vaak de onderdrukkers. De landloze blanken die na de emancipatie in de massa bevrijde slaven  concurrenten zagen voor jobs en grond waren de gewillige uitvoerders van de racistische terreur in het Zuiden.

Het is één van de hoofdthema’s van de People’s History: er bestaat niet zoiets als de natie, als een gemeenschap van mensen met een gemeenschappelijk belang. Patriottisme en de mythe van het nationale belang waren in de Verenigde Staten altijd het middel bij uitstek van de elites om de onderdrukte groepen in de samenleving tegen elkaar uit te spelen: zwart tegen blank, zwart en blank tegen de inheemse bevolking, stad tegen platteland. In de eerste jaren van de kolonies was het racisme nog niet zo diep doorgedrongen in de samenleving en het lot van de blanke contractarbeiders was nauwelijks beter dan dat van de zwarte slaven. Daarom was bij de bezittende klasse slechts één vrees groter dan die voor zwarte opstanden: de vrees dat mistevreden blanken samen met de zwarten de bestaande orde zouden omverwerpen.

Zinn schrijft geen vrijblijvende geschiedenis. Hij trekt de lijn door naar vandaag. Het gemak waarmee de officiële geschiedschrijving de wreedheden uit het verleden aanvaardt is niet anders dan het gemak waarmee president Bush de duizenden burgerslachtoffers als een betreurenswaardige maar noodzakelijke prijs beschouwt voor de bevrijding van Irak. De wetenschapper Zinn is daarom ook een onvermoeibare activist. Hij staat vooraan in het verzet tegen de koloniale oorlog in Irak zoals hij 40 jaar geleden in de eerste gelederen stond in de strijd tegen de koloniale oorlog in Vietnam. Je kunt niet neutraal zijn in een rijdende trein is zijn motto en de titel van een autobiografische documentaire.

Howard Zinn stamt uit een arm gezin in Brooklyn. Zijn eerste boek vond hij op straat en zijn eerste ervaringen in de sociale strijd deed hij op als arbeider van een scheepswerf op Manhattan. In de Tweede Wereldoorlog vloog hij bombardementsmissies boven Europa en dat zou zijn visie op de oorlog grondig veranderen. Dank zij de GI-Bill – studiebeurzen voor de veteranen – kon hij na de oorlog geschiedenis gaan studeren. Hij werd professor aan het Spelman College in Atlanta, Georgia, een universiteit voor jonge zwarte vrouwen. Daar werd hij actief in de burgerrechtenbeweging als schrijver en als organisator.

De indrukwekkende documentaire van Ken Burns THE WAR die dezer dagen op de openbare omroep PBS te zien is heeft de belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog nieuw leven ingeblazen. Een noodzakelijke Oorlog is de titel van de eerste aflevering en je hoort het weer aan alle kanten: de Tweede Wereldoorlog was (in tegenstelling tot die in Irak) de Goede Oorlog. Wás het een goede oorlog?

(Grinnikt) Dat is een grote vraag! Ja en neen. Ik heb daar zeer tegenstrijdige gevoelens over. Ik ben er enthousiast in gestapt en met grote zekerheid. Ik kwam ervan terug met veel twijfels maar met die ene zekerheid dat zoiets als een goede oorlog niet bestaat. De oorlogstechnologie heeft een punt bereikt waarop er geen enkel politiek probleem meer is dat oorlog kan verantwoorden, want oorlog komt tegenwoordig neer op massaal afslachten van mensen en dat staat in geen enkele verhouding tot mogelijk politiek gewin.

Hitler moest toch worden tegengehouden?

De vraag is moest hij worden tegengehouden op de manier waarop het is gebeurd. Moest het Japanse militaire imperium worden tegengehouden op de manier waarop het is gebeurd? Was daar een Hiroshima en Nagasaki voor nodig, het bombarderen van Tokio? Was de verwoesting van Dresden nodig? Was het nodig om 50 miljoen mensen te doden vóór Hitler verdwenen was?  Nee er moest iets gebeuren tegen het fascisme, er moet altijd verzet zijn tegen fascisme en tirannie. De vraag is alleen: welke middelen gebruik je.

U bent academicus en activist. Wordt u serieus genomen in de academische wereld?

Het is juist dat de activist zich op het randje van de academische wereld beweegt. Hij wordt vaak met enig wantrouwen bekeken, alsof hij geen echte academicus, geen echte wetenschapper zou zijn. Het meeste wantrouwen leeft overigens niet bij de collega’s maar bij het bestuur van de universiteiten. Zij willen niet dat hun faculteit actief is in politieke aangelegenheden. Maar de collega’s – of sommigen toch – hebben sympathie voor wat je doet al zijn ze zelf niet actief. Anderen vinden dat je wetenschappelijk werk niet helemaal op niveau is omdat het van een activist komt. Dat is vooral zo in het vakgebied geschiedenis, daar zullen ze vaak zeggen: je kunt niet objectief zijn, je kunt niet neutraal zijn als je zelf geëngageerd bent en politieke overtuigingen hebt.

En u zegt: Je kunt niet neutraal zijn in een rijdende trein.

Ik zeg: neutraal zijn is onmogelijk. Je kunt denken dat je neutraal bent maar je bent het niet, want als je je afzijdig houdt van de problemen van de dag dan ben je voor het status-quo, je gaat akkoord met wat er gebeurt.

Uw Geschiedenis van het Amerikaanse volk is geschreven vanuit het standpunt van de underdog, de slachtoffers die in de geschiedschrijving meestal vergeten worden. Het boek is voor het eerst in 1980 verschenen. Vindt u het niet vreemd dat het zo lang heeft geduurd voor zo een geschiedenis er kwam?

(Lacht) Ja het is verbazend. Er zijn dingen geweest die er dicht bij kwamen. Er zijn progressieve historici geweest, historici van de arbeidersbeweging.  William Appleman Williams bijvoorbeeld is een linkse historicus aan de universiteit van Wisconsin. In de jaren vijftig schreef hij een boek Tragedy of American Diplomacy dat kritisch was voor de Amerikaanse buitenlandse politiek. In de jaren dertig werden werken over de geschiedenis van de Verenigde Staten geschreven uit een linkse invalshoek maar niemand heeft ooit vóór mij de Amerikaanse geschiedenis in haar geheel, van Christopher Columbus tot heden, door een radicale bril bekeken. Eén van de redenen waarom ik het boek heb geschreven was dat ik naar zo een boek op zoek was en het niet kon vinden. Mensen vroegen me: Kun je een geschiedenis van de Verenigde Staten aanbevelen geschreven vanuit een radicaal perspectief en ik kon alleen wijzen op die deelgeschiedenis of een andere maar niet op een alomvattende geschiedenis. Dus dacht ik, dan doe ik het zelf maar.

Opvallend in uw boek is de nadruk op het talent van de Amerikaanse elite om de  groepen in de maatschappij die haar bedreigden tegen elkaar uit te spelen.

Het was niet zo moeilijk om ze tegen elkaar op te zetten. Ze speelden op de tegenstrijdige belangen van die groepen. Tegen de arme blanken konden ze zeggen: Trek westwaarts en je zult gratis grond krijgen of goedkope grond krijgen. Maar de Indianen zaten hun in de weg. Ze konden natuurlijk niet tegen die arme blanken zeggen wat er zou gebeuren als de Indianen verdreven waren, namelijk dat het land zou worden opgeslokt door de spoorwegmaatschappijen en dat de grond onbetaalbaar zou worden. Het was dus niet zo moeilijk om ze tegen de inheemse bevolking op te zetten. En je kon de arme blanken ervan overtuigen dat de reden waarom ze arm waren bij de zwarten lag. Het resultaat was geweld van arme blanken tegen zwarten. En werksituaties zijn altijd gespannen. Er is altijd competitie voor banen en dus als je tegen blanken zegt dat zwarten hun job zullen afpakken – net zoals je vandaag zegt dat immigranten hun job zullen afpakken – dan heb je meteen een conflict. Dus je krijgt strijd en bitterheid van  blank tegen zwart, immigrant tegen autochtoon, in plaats van samen te strijden tegen de gemeenschappelijke vijand.

En toen zoals nu was patriottisme het middel bij uitstek om te domineren.

Patriottisme  creëert een kunstmatige eenheid tussen iedereen. We zitten allen in hetzelfde schuitje, we zijn allemaal één gemeenschap, met  een gemeenschappelijke vijand. Maar ze zeggen niet dat wie het meeste voordeel haalt uit de oorlog niet de doorsnee Amerikaan is of de werkende mens, maar de wapenindustrie, de politici, de grote bedrijven, de rijken. Ze hebben de bevolking ervan overtuigd dat ze deel uitmaken van wat ze het nationaal belang noemen en door die artificiële eensgezindheid te creëren hebben ze een domper geplaatst op het antagonisme tegen de bezittende klasse.

Hoe konden ze bijvoorbeeld de zwarte slaven ervan overtuigen vóór de onafhankelijkheid te vechten tégen Engeland. De slaven hadden weinig goeds van de onafhankelijkheid te verwachten.

Ze konden de blanke slaven er dan ook niet van overtuigen voor de onafhankelijkheid te vechten. Sommigen vochten aan Amerikaanse kant maar de meerderheid van de zwarte slaven  vochten aan de kant van de Engelsen in de Amerikaanse Revolutie. De Brittens beloofden hen vrijheid en het duurde een hele tijd eer George Washington besefte dat de zwarten de kant van de Britten kozen en toen beloofde ook hij de slaven de vrijheid als ze aan de kant van de Amerikaanse kolonisten zouden vechten. Een aantal heeft dat ook gedaan, maar de zwarten zijn traditioneel achterdochtig als het over Amerikaanse oorlogen gaat. Meer dan welke andere bevolkingsgroep ook. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de oorlog in Vietnam, dan waren de zwarten in de opiniepeilingen altijd méér tegen de oorlog dan de anderen. Maar er is ook altijd een conflict geweest onder de zwarten, omdat sommigen onder hen wouden bewijzen dat ze in patriottisme niet moesten onderdoen voor de blanken en dat het beter was voor hen om samen met de blanken hun deel te doen in de oorlog. Maar anderen stelden de vraag: Wat hebben wij te winnen bij deze oorlog? Wij worden net zozeer uitgebuit en we zijn net zozeer het slachtoffer als die mensen tegen wie we vechten.

Eén van de opvallende vergeten feiten uit de geschiedenis van de Verenigde Staten is het verzet van de zwarte slaven. Het lijkt wel of ze grotendeels passief hun verschrikkelijk lot ondergingen, maar er waren in werkelijkheid tal van opstanden.

En slavenoorlogen, ja. Dat gaat terug tot de 18e eeuw. Er waren heel veel slavenopstanden. Herbert Aptheker, een Marxistische historicus heeft zijn doctoraat gemaakt over zwarte slavenopstanden, heel heel veel waren er. Maar de geschiedenis is ze vergeten. Slechts enkele van de grotere opstanden hebben een plaats gekregen in de geschiedenisboeken: Denmark Vesey in South Carolina, Nat Turners opstand in 1830 in Virginia maar er waren veel meer opstanden dan de meeste mensen beseffen.

Ook weinig bekend is de rijkdom van de linkse beweging aan het einde van de 19e, begin 20e eeuw: de Wobblies, de anarchisten, de socialisten. Later, in de jaren 20 en 30 was Kansas een bolwerk van radicalisme en hervormers. Dat lijkt nu wel allemaal heel ver af.

Dat was het hoogtij van radicalisme in de Verenigde Staten. Eind 19e eeuw had je de bitterste sociale conflicten. De Socialistische Partij stond op een hoogtepunt met afdelingen in heel het land. Ze hadden meer dan een miljoen lezers van socialistische dagbladen en ze verkozen leden van de volksvertegenwoordiging in de staten en burgemeesters en Congresleden. Dat is daarna nooit meer gezien. En de IWW (Industrial Workers of the World) organiseerde stakingen zoals de succesrijke stakingen in Massachusetts tegen de bazen van de textielfabrieken. Het waren de hoogdagen van de progressieve beweging. En het is interessant – u sprak daarnet over patriottisme als mobilisatie tegen de progressieven – wel Wereldoorlog I was het middel bij uitstek om die progressieve beweging te vernietigen. Het eerste wat ze deden was de leiders van de IWW voor de rechtbank slepen omdat ze zich verzetten tegen de oorlog en de hele top van IWW werd in de gevangenis gegooid. Leden van de Socialistische Partij werden gevangen gezet, bijna duizend van hen gingen de gevangenis in omdat ze tegen deelname aan WOI waren. Het was een heel effectieve manier om de progressieve en radicale beweging te fnuiken.

Heeft de beweging zich daar nooit van hersteld?

De progressieve beweging is in de jaren dertig heropgestaan in een andere gedaante toen de Depressie en de Economische Crisis eraan kwamen en de Communistische Partij de leidende linkse kracht werd. Er was oproer in heel het land met werklozenraden, huurdersraden… en deze radicaal linkse agitatie gaf de aanstoot tot de New Deal. Veel Amerikanen denken dat al die maatregelen van de New Deal, dat hervormingen als sociale zekerheid en werkloosheidssteun er gekomen zijn omdat Franklin D Roosevelt een man was met een groot hart en dat allemaal wou doen. Maar Roosevelt voelde zich bedreigd door deze radicale bewegingen, de stakingen en de onlusten. Het was heel wijs van hem om de zaken te kalmeren door de mensen werk te verschaffen, door de jongeren aan een baan te helpen, door huursubsidies en sociale zekerheid. Ja de jaren dertig waren één van de drie hoogtepunten van Amerikaans radicalisme in de voorbije honderd jaar: de eerste jaren van de 20e eeuw, de jaren dertig en de jaren zestig.

De jaren zestig met de anti-oorlogsbeweging, de burgerrechtenbeweging, de vrouwenbeweging. U was heel actief in de burgerrechtenbeweging en in de anti-oorlogsbeweging. U bent naar Hanoi gegaan om te onderhandelen over Amerikaanse krijgsgevangenen. Hoe komt het dat de vredesbeweging nu zoveel zwakker lijkt?

De vredesbeweging nu is inderdaad zwakker als je vergelijkt met het hoogtepunt van de anti-oorlogsbeweging in de Vietnamtijd, maar niet als je vergelijkt met het begin van de beweging toen. Het hangt er dus van af welk stadium in de beweging je vergelijkt. Maar vandaag is het moeilijker om een nationale beweging tegen de oorlog van de grond te krijgen om verschillende redenen. Eén ervan is het feit dat de regering die we nu hebben  veel meedogenlozer is, vastberadener om deze oorlog voort te zetten dan welke regering ook in de Vietnamperiode. En de controle over de media en de pers heeft het moeilijker gemaakt om de bevolking te mobiliseren. Maar ondanks dat alles moet je ook opmerken dat de anti-oorlogsbeweging vandaag vaak onderschat wordt. Als je naar de opiniepeilingen kijkt zie je dat de openbare mening in de Verenigde Staten van 80% vóór de oorlog gedraaid is naar 70% tégen de oorlog. Dat is een enorme verandering.

Hebt u enige hoop dat er na de volgende presidentsverkiezingen iets zal veranderen. Hebt u enig vertrouwen in de huidige Democratische kandidaten,  Barack Obama of  Hillary Clinton?

Zeker niet Hillary Clinton! Barack Obama is erg vaag. Hij zou natuurlijk een verbetering zijn, iedereen zou een verbetering zijn in vergelijking met George Bush. Maar Barack Obama…. dat is het probleem van de Democratische Partij: Ze zijn niet moedig, ze vertrouwen het Amerikaanse volk niet. Ze zijn bang dat ze steun zullen verliezen als ze moedig uitkomen voor hun standpunten. Ze zouden steun krijgen als ze dat wél deden, maar Barack Obama is voorzichtig. Over het algemeen is de geschiedenis van de Democratische Partij geen geschiedenis van moed. Kijk naar het schandelijke gedrag van de Democratische leiders in het Congres. Ze zeggen dat ze tegen de oorlog zijn maar ze blijven de oorlog financieren. Ze zijn bang voor de kiezer hoewel meer dan 70% van de bevolking tegen de oorlog is.”  (JD, 4 oktober 2007)

januari 29, 2010 at 4:16 am 1 reactie

ZELFKRITIEK VAN SOCIALISTENLEIDER

BOS MAAKT SCHOON SCHIP

door Thijs Broer

In zijn Den Uyl-lezing, op 25 januari, haalde Wouter Bos eindelijk hard uit naar Wim Kok, de PvdA-economen en zichzelf als ‘Prins van Paars’. Een nieuw begin voor de PvdA?

Het inzicht dat verandering begint bij zelfkennis, is onder politici meestal ver te zoeken. Maar Wouter Bos deed afgelopen maandag in zijn Den Uyl-lezing een behartigenswaardige poging de sociaal-democratie én zichzelf kritisch onder de loep te nemen. Onder de titel ‘De Derde Weg voorbij’ nam hij afscheid van het links-liberale marktdenken dat sinds de jaren negentig de koers van de partij heeft bepaald.

Aanvankelijk leek het erop dat Bos zou proberen kool en geit te sparen. Hij betoogde dat de Derde Weg van Tony Blair, Bill Clinton en Wim Kok in de jaren negentig een waardevolle en noodzakelijke bijdrage heeft geleverd aan de vernieuwing van de sociaal-democratie.

Maar toen kwam de zelfkritiek. Het ging mis, betoogde Bos, toen de PvdA er tijdens de Paarse kabinetten niet in slaagde de geur van ‘neoliberale collaboratie’ weg te nemen. Dat beeld werd nog eens versterkt door de bekende uitspraak van premier Kok in 1995 over het afschudden van de ‘ideologische veren’, die de PvdA tot op heden achtervolgt. ‘Deze passage, maar misschien nog meer het feit dat de misverstanden over die veren mochten doorsudderen en niet snel weerlegd werden, vormde voor velen de bevestiging van het feit dat de PvdA definitief afscheid had genomen van niet alleen haar ideologie maar ook van haar idealen.’

Voor de goede verstaander was dat harde kritiek op Wim Kok, de Paarse partijleider die volgens critici symbool staat voor de ‘uitverkoop’ van de sociaal-democratische idealen, maar die door Bos de afgelopen jaren altijd zorgvuldig buiten schot werd gehouden.

Ook zichzelf spaarde Wouter Bos niet, als ‘Prins van Paars’ en ‘Kind van de Derde Weg’. Met de andere derdeweggers heeft hij de gevaren van het marktdenken onvoldoende onder ogen gezien, bekende hij. Tot aan de financiële crisis. ‘De derdeweg-progressieven sliepen in met een voorheen redelijk getemde vrije markt maar werden wakker met een ontketend monster.’

Uit de crisis heeft Bos de les getrokken dat het vaak ijdele hoop is de vrije markt te temmen. Het publieke belang moet soms van de markt worden afgeschermd. ‘Perfect toezicht is een illusie,’ zei Bos. ‘Het kan effectiever zijn de reikwijdte van de markt te beperken.’ Zie de gorilla Bokito: een flinke gracht werkt beter dan een dompteur.

Ook ‘de PvdA-economen’ kregen er van Bos stevig van langs. Tot nu toe leek Bos zich – al dan niet heimelijk – in het kamp te bevinden van hoogleraar Sweder van Wijnbergen, oud-politicus Rick van der Ploeg en CPB-directeur Coen Teulings, die al jaren de zegeningen van de vrije markt propageren.

Maar de kritiek van de PvdA-leider loog er nu niet om. Met hun eenzijdige begrippenapparaat (‘Het betalen voor goede zorg heet koopkrachtverlies’) verhinderen de economen volgens Bos een ‘breder welvaartsbegrip’, waarin niet alleen plaats is voor kosten en baten, maar ook voor immateriële zaken als de kwaliteit van zorg en onderwijs.

Wim Kok zat schijnbaar onbewogen te luisteren op de eerste rij. Maar na afloop kreeg Bos een donderende ovatie. Het is de vraag of hij erin zal slagen zijn imago als ‘Prins van Paars’ en ‘Kind van de Derde Weg’ definitief achter zich te laten. Maar zijn lezing lijkt wel degelijk een voorzichtig, nieuw begin.

Thijs Broer is politiek redacteur van het Nederlandse opinieweekblad Vrij Nederland – waarvan wijlen premier Joop den Uyl ook ooit nog redacteur was

Joop den Uyl-lezing door Wouter Bos
Jaarlijkse J.M. den Uyl-lezing en Vrij Nederland

 VRAAG: WANNEER MOGEN WE EEN SOORTGELIJKE ZELFKRITIEK VERWACHTEN VAN HUIDIGE EN VROEGERE SP.A-LEIDERS? (jc)

januari 27, 2010 at 11:31 am Een reactie plaatsen

Haïti : l’urgence et la dette

par Hugues Le Paige

C’est un constat cynique et un paradoxe criminel mais si on va au bout de la logique des rapports Nord/Sud et plus largement du capitalisme mondial, on pourrait aboutir à la conclusion que la totalité de l’aide d’urgence accordée à Haïti pourrait infine servir à payer la dette du pays à l’égard d’organismes internationaux comme le FMI ou la Banque Mondiale. Bien sûr il n’y a pas d’automatisme en la matière et les circuits sont plus complexes. Mais de fait, la situation est bien celle-là si l’on reste dans la logique du fonctionnement actuel.

Et c’est bien pourquoi des voix s’élèvent aujourd’hui pour demander l’annulation de la dette d’Haïti. Le comité pour l’annulation de la dette du tiers monde ou le CNCD-11.11.11 se sont exprimés en ce sens. Bien évidemment l’aide d’urgence est nécessaire mais la mobilisation actuelle des citoyens comme des Etats ou des organismes internationaux doit s’accompagner d’une politique de reconstruction et de développement qui tienne compte des besoins de la population et plus seulement des politiques restrictives des organismes financiers mondiaux. Il faut rappeler ici que la dette haïtienne a une histoire, qu’elle a la fois le fruit de l’ancienne domination coloniale et néocoloniale mais aussi d’une dictature sanglante qui pendant 30 ans a confisqué à son profit toutes les richesses du pays et cela avec la bénédiction de l’Occident. Et qu’ensuite la Banque mondiale et la Banque interaméricaine de développement qui détiennent avec le FMI l’essentiel de la dette extérieure haïtienne ont imposé ce qu’elles appellent des politiques d’ajustement structurel qui non seulement ont détruit l’économie locale, agricole notamment, mais ont fait faillite partout ailleurs depuis plusieurs décennies, enfonçant un peu plus les pays du tiers monde dans le sous-développement et l’hyper pauvreté.

Le drame humanitaire que vit Haïti est sans précédent. Si l’émotion et la mobilisation qu’il suscite ne s’accompagnent de mesures radicales sur le long terme, le calvaire du peuple haïtien sera simplement prolongé. De nombreuses instances et personnalités qualifiées se sont déjà prononcées pour une mesure de ce type : l’annulation totale et inconditionnelle de sa dette est la seule véritable chance d’avenir pour Haïti. Et ce serait aussi le signe d’un autre mode de développement pour le tiers monde. C’est aujourd’hui et sans retard qu’elle doit être décidée.

Hugues Le Paige is onafhankelijk journalist, schrijver en documentairemaker. Voorheen voor de RTBf onder meer correspondent in Rome en Parijs.

Korte samenvatting: Het klinkt cynisch, maar de massale hulp aan Haïti zal uiteindelijk dienen om de schulden van het land aan het IMF en de Wereldbank af te lossen. Die worden er het eerst beter van. Natuurlijk is noodhulp noodzakelijk maar de totale en onvoorwaardelijke annulering van de Haïtiaanse schuld is de enige maatregel die uitzicht biedt op de lange termijn. Niet vergeten dat de Haïtiaanse schuld een voorgeschiedenis heeft: kolonialisme en neo-kolonialisme, plus 30 jaar bloedige dictatuur en het leegzuigen van het land met de hulp van het Westen. (jc)

http://blogs.politique.eu.org/hugueslepaige/20100121_haiti_l_urgence_et_la.html

januari 25, 2010 at 8:36 am 1 reactie

HAPPY SISYPHUS LIVES ON

door Jef Coeck

Deze dagen is het vijftig jaar geleden dat de Frans-Algerijnse schrijver Albert Camus bij een auto-ongeval om het leven kwam. Hij was 47 en al drie jaar Nobelprijswinnaar. Met zijn boeken en essais had hij de geestelijke orde in de wereld – en de politieke in Frankrijk – grondig weten te verstoren.

In het Nederlandse taalgebied is hij, afgaand op de schaarste aan herdenkingsartikelen, zo goed als vergeten. In Frankrijk zorgt Camus nog altijd voor controverse, zoals blijkt uit o.a. dit artikel in Le Monde Diplomatique, English edition:

‘How appropriate and how absurd that, on the eve of the 50th anniversary of his death this January, France was once again divided over his legacy. President Sarkozy’s efforts to inter Camus’s body in the Pantheon to mark this anniversary, have led voices on the left such as Olivier Todd, Camus’s biographer, to accuse Sarkozy of trying to hijack the writer’s legacy for his own political benefit. There were even charges in the French press of grave-robbing. Foreigners may think this absurd. But few writers wrestled as heroically with the absurd as Camus, and even fewer in the knowledge that they would inevitably fail.’
(http://mondediplo.com/2010/01/17camus)

In pocketformaat is Camus een van de best verkopende Franse auteurs. In de reeks Folio, waar zijn boeken ook sinds 1972 worden herdrukt en waarin 29 titels van Camus beschikbaar zijn, haalden Camus’ drie bekendste titels L’Etranger , La Peste en La Chute respectievelijk verkoopcijfers van 6,6 miljoen (méér dan Le Petit prince van Saint-Exupéry), 3,6 miljoen en 1,25 miljoen exemplaren. L’Etranger, dat verplichte schoollectuur is, haalt per jaar 180.000 exemplaren en is vertaald in 56 talen. (http://papierenman.blogspot.com/search/label/Franse%20literatuur)

Iets minder bekend maar even overdonderend is ‘Le Mythe de Sisyphe’ uit 1942. Sisyphus is voor de lezers van dit blog geen onbekende (zie About). Hij heeft de goden getart en moet als straf elke dag een steen de berg oprollen. Boven gekomen rolt de steen door goddelijke kracht – de zwaartekracht namelijk – weer naar beneden. Next day, same thing.

Het verpletterende van Camus’ verhaal was/is dat Sisyphus er niet moedeloos bij wordt. Hij weet dat zijn arbeid zwaar, nutteloos en oneindig is. Maar precies uit die absurditeit put hij zijn kracht. Hij veracht de goden door te doen wat ze hem opgedragen hebben. Sisyphus weet wat er boven zal gebeuren, hij weet dat hij dan rustig naar beneden kan wandelen, hij weet dat de steen daar op hem ligt te wachten. Hij weet dat er geen hoop op verandering is. Maar gebrek aan hoop is geen wanhoop, zegt absurdist Camus.

‘La lutte elle-même vers les sommets suffit à remplir un coeur d’homme. Il faut imaginer Sisyphe heureux.’

De gelukkige Sisyphus hanteert zijn eigen waarden, die maatschappelijk marginaal zijn. Ze sterven niet af naarmate je er meer van hebt, zoals dat wél het geval is met macht, roem, geld en consumptie. En ook: Sisyphus is het aan niemand verplicht, minst van al aan zijn kwelheren, om zich gelukkig te tonen.

Camus wordt vaak bestempeld als een existentialist. Zelf weigerde hij dat label, vooral sinds hij in de jaren ’50 politiek overhoop lag met Sartre. Die bedacht de leuze ‘l’enfer c’est les autres’. De anderen, niet hij. Voor Camus zit de Pest in ieder van ons. Maar misschien ontstaat er een gelukkige stad waar de pest haar eigen ratten verdelgt? Waar we leren uit ons ongeluk?

‘…que le bacille de la peste ne meurt ni ne disparaît jamais, qu’il peut rester pendant des dizaines d’années endormi dans les meubles et le linge, qu’il attend patiemment dans les chambres, les caves, les malles, les mouchoirs et les paperasses, et que, peut-être le jour viendrait où, pour le malheur et l’enseignement des hommes, la peste réveillerait ses rats et les enverrait mourir dans une cité heureuse.’

(http://nl.wikipedia.org/wiki/Albert_Camus)

januari 21, 2010 at 5:13 pm 1 reactie

De Heiligverklaring van Barack Obama

Door Johan Depoortere

De eedaflegging  van de eerste zwarte Amerikaanse president – binnenkort een jaar geleden – gaf aanleiding tot ronkende verklaringen: een historische gebeurtenis, het bewijs dat Amerika de beschamende bladzijde van het racisme had omgeslagen, de bevestiging ook van de Amerikaanse droom: een talentvolle jongen van bescheiden komaf  en uit een etnische minderheid was nu de machtigste man op aarde. Voor de wereld zou een tijdperk aanbreken van vrede en verzoening. Obama kreeg zowaar zelfs de Nobelprijs voor de vrede hoewel er – in zijn eigen woorden – “anderen zijn die de onderscheiding veel meer hebben verdiend.” Vooral in de Europese media – ook bij ons – werd en wordt Obama zo goed als heilig verklaard.  Dat komt voor een deel door het grote contrast tussen deze sympathieke welbespraakte intellectueel met een ruime wereldvisie en de griezelige W die de wereld zag in termen van goed en kwaad en die het imago van zijn land in de ogen van de publieke opinie binnen en vooral buiten Amerika grondig had verknald. Maar wat heeft Obama gedaan om zijn heiligverklaring te verdienen en verschilt zijn  politiek wel wezenlijk van die van zijn voorganger?

Obama erfde van George W Bush en diens voorgangers een economische en financiële rampsituatie. Over de oorzaken zijn bibliotheken vol te schrijven maar vast staat dat de wortels van de crisis in de deregulering liggen van het financiële systeem. Die heeft bankiers tot steeds grotere risico’s verleid met het bekende resultaat. Laat Barack Obama nu net de ideologen van de deregulering opnemen in zijn regering: Larry Summers, die onder Bill Clinton Financiën beheerde wordt zijn voornaamste economische adviseur, de Wallstreetbankier Timothy Geithner minister van Financiën. Beiden zijn leerlingen van Robert Rubin, de goeroe van de deregulering in de Clintonperiode. Rubin – die adviseerde bij de vorming van het Obamateam – zorgde onder andere voor de afbraak van de Glass Steagall Act een wet uit de New-Dealperiode die de banken reguleerde net om het soort speculatieve activiteiten aan banden te leggen die eind 2008 bijna tot de ineenstorting van het systeem hebben geleid.

De banken en verzekeringsmaatschappijen kregen van de regering Bush en van diens opvolger Obama miljarden steun om overeind te blijven, maar in tegenstelling tot wat onder andere in Groot-Brittannië gebeurde ging die steun niet gepaard met (gedeeltelijke) nationalisering en actief aandeelhouderschap van de overheid. De aandeelhouders kregen een blanco cheque, zegt Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz. Geen wonder dat diezelfde instellingen, die met overheidssteun werden gered,  zich een jaar later weer volop op het pad begeven van de speculatieve handel in “derivaten” en andere hoogtechnologische financiële producten waar enorme kortetermijnwinsten maar even grote risico’s aan verbonden zijn. Ook weigeren de banken ondanks de staatssteun af te zien van hun praktijk om ronduit obscene bonussen te betalen aan hun topmanagers – de financiële genieën die in hoge mate verantwoordelijk waren voor de crisis. Pas recentelijk doet Obama een poging om het overheidsgeld dat in de banken is gepompt via extra belastingen (gedeeltelijk) terug te winnen. Maar volgens Nobelprijswinnaars Paul Krugman en Stiglitz zijn ingrijpende hervormingen in het financiële stelsel nodig om een herhaling van de crash te voorkomen. Het is zeer de vraag of de ideologen van de deregulering in de regering Obama daar ook van overtuigd zijn.

De verkiezingscampagne van Obama stond in het teken van Hoop en Verandering. Vage slogans waarin iedereen kon horen wat hij of zij wou horen. De messianistische sfeer die Obama met zijn massa-optredens al of niet bewust creëerde (“Wij zijn die waarop wij altijd hebben gewacht!”)  liet nauwelijks ruimte voor het echte politieke debat over de onderwerpen die de Amerikanen bezig hielden en houden. Eén uitzondering: Obama’s plan om de ruim dertig miljoen Amerikanen die onverzekerd zijn zorgverzekering te verschaffen. Daar is hij – als het Huis en de Senaat het eens worden – op het eerste gezicht in geslaagd.

Maar wat nu uit de bus komt is een zwakke afspiegeling van Obama’s plan dat als kernelement de “Public Option” had: een vorm van openbare zorgverzekering in de lijn van het nu al bestaande Medicare (zorgverzekering voor ouderen). Toen rechts en extreem rechts vorige zomer alle hens aan dek riepen om elke vorm van overheidsinmenging in het gezondheidsdebat de kop in te drukken liet Obama weten dat de Public Option wel de voorkeur verdiende maar dat het ook zonder kon. De president liet de uitwerking van zijn plan over aan de Democraten die in het Congres een supermeerderheid hebben. Maar het gevolg was  een eindeloze reeks compromissen waar zelfs een centrumdemocraat als voormalig partijvoorzitter Howard Dean zijn neus voor ophaalde. Het is zo goed als zeker dat de Public Option – de enige ware concurrentie voor de privé-verzekeringsmaatschappijen – daarmee een niet al te zachte dood is gestorven. Op die manier is het zorgplan van het Congres een gigantisch cadeau geworden aan de verzekeringsindustrie.

Obama wordt geprezen voor de nieuwe wind in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Het is een politiek van de uitgestoken hand. In de campagne beloofde presidentskandidaat Obama dat hij zonder voorwaarden zou praten met de leiders van Iran, Noord-Korea en Cuba. In een historische toespraak in Cairo stak hij de hand uit naar de moslimwereld en één van de eerste interviews in het Witte Huis was met de Arabische nieuwszender Al Jazeera. Zijn de mooie woorden ook gevolgd door daden? De grote Amerikaanse dissident Noam Chomsky verwoordde het als volgt: “Toen Obama aantrad voorspelde Condoleezza Rice dat hij de politiek zou volgen van Bush in diens tweede ambtsperiode en dat is ook, afgezien van een andere retoriek en stijl, min of meer wat gebeurd is.”

In een uitgebreid artikel over “Obama’s oorlog tegen de terreur” komt de New York Times, die Obama over het algemeen steunt, tot een gelijkluidende conclusie: Obama heeft de scherpste kanten van Bush’ antiterreurbeleid  afgevijld maar de essentie behouden. Met andere woorden: de toon is veranderd, maar de melodie is dezelfde gebleven. Opvallend is dat Obama voor zijn buitenlandse politiek en die van binnenlandse veiligheid ook van een deel van rechts uitbundige lof krijgt. De New York Times citeert een opgetogen expert van de zeer conservatieve Heritage Foundation: “Het zou niet fair zijn (Obama’s veiligheidsbeleid) Bush Lite te noemen. Het is Bush. Het is echt bijzonder moeilijk om een betekenisvol verschil te vinden.”  Obama wil Guantanamo sluiten – maar ook Bush had dat voornemen in zijn tweede termijn uitgesproken. Obama behoudt de controversiële “militaire commissies”die over de verdachten van Guantanamo moeten oordelen al zal de top Guantanamo-gevange, Khalid Sjeik Mohammed een proces krijgen voor een burgerrechtbank in New York. Maar de president heeft aangegeven dat een aantal terreurverdachten voor onbepaalde tijd zonder vorm van proces achter de tralies zullen blijven. Ook de essentie van de zeer controversiële Patriot Act die het onder andere mogelijk maakt Amerikanen af te luisteren blijft overeind.

De “vredespresident” tekent voor het grootste militaire budget sinds de Tweede Wereldoorlog en escaleert de oorlogen in Afghanistan en Pakistan waar het aantal aanvallen dat de inlichtingendienst CIA uitvoert met  drones - telegeleide onbemande vliegtuigen –  drastisch is toegenomen. Volgens  The New Yorker heeft Obama tot nu toe “evenveel aanvallen bevolen als George Bush in de laatste drie jaar van zijn presidentschap. Dit jaar alleen hebben de CIA luchtaanvallen volgens verschillende schattingen tussen 326 en 538 mensen gedood.” Het merendeel van die slachtoffers zijn burgers. David Killcullen, een voormalige adviseur van generaal David Petraeus en consultant bij de CIA, schat in de New York Times dat de aanvallen met drones een “trefpercentage hebben van 2%.” In mensentaal: 50 dode burgers voor elke dode strijder. Een beter propagandamiddel kan Osama Bin Laden zich niet dromen.

Wat de progressieve achterban van Barack Obama en veel van zijn sympathisanten in de wereld het meeste heeft geschokt is zijn beslissing om – overigens geheel in de lijn van wat hij in de campagne had gezegd – de oorlog in Afghanistan op te voeren. Ter verdediging van zijn beslissing om – kort voor hij in Oslo de Nobelprijs voor de vrede in ontvangst nam – 30000 mannen en vrouwen méér naar die uitzichtloze oorlog te sturen greep Obama terug op vrijwel Orwelliaans taalgebruik: Oorlog is Vrede, Vrede is Oorlog. Ook de Amerikaanse ambassadeur in Brussel stelde het op een recent publiek debat voor alsof de oorlog in Afghanistan – met dit jaar een record aantal burgerslachtoffers – in werkelijkheid een humanitaire missie is.

Maar Obama ging in Oslo wellicht nog verder dan Bush toen hij voor het Nobelcomité dat hem de prijs had gegeven verklaarde dat hij “zoals elk staatshoofd het recht heeft eenzijdig op te treden (to act unilaterally) als dat nodig is voor de veiligheid van mijn natie.”  Wat betekent dat in deze context van een uiteenzetting over de “rechtvaardige oorlog”anders dan de pre-emptive strike van Bush? Obama breidt dat “recht” blijkbaar uit tot alle staatshoofden. Moeten we  aannemen dat de president zich hier enige retorische vrijheid veroorloofde of zou hij werkelijk met de armen gekruist blijven als bijvoorbeeld Ahmadinejad van dat “recht”gebruik zou maken?

Is met Obama ook de Grote Verandering gekomen? Nauwelijks, of hooguit in kleine doses. Obama is een pragmatische politicus gebleken die zich stevig in het centrum van het politieke spectrum positioneert. Hij deinst er niet voor terug zijn standpunten aan te passen als hem dat politiek goed uitkomt – zie bijvoorbeeld zijn belofte om campagne te voeren met publieke fondsen en het gemak waarmee hij die belofte brak toen de bijdragen van grote en kleine donoren de campagnekas deden aanzwellen.

Op buitenlands vlak volgt hij in de sporen van zijn voorganger ook al is er een radicale breuk in stijl en taalgebruik. Zeker wat de buitenlandse politiek betreft is het verschil tussen Republikeinen en Democraten overigens miniem: de discussie gaat er over de middelen, niet het doel, namelijk de hegemonie van Amerika in de wereld. Academici van uiteenlopende strekking drukten  het in een brief aan The Guardian als volgt uit: “Het presidentschap van Obama wordt in de mainstream media voorgesteld als een breuk met de desastreuze “Dubya.” Hoewel we tot tegengestelde politieke stromingen behoren zijn we het daar absoluut niet mee eens. Het publiek, zo vinden we, moet er correct over worden geïnformeerd dat de Verenigde Staten hun belangen nastreven, ongeacht de partij die aan de macht is.”

Laat het echte debat over Obama en de Amerikaanse buitenlandse politiek in de media beginnen.

januari 18, 2010 at 7:12 am 2 reacties

DE RAMP IN HAITI: ‘MADE IN THE USA’

Twee stukken over Haiti’s tragedie die de blaam geven aan wie hem verdient: niet aan moeder natuur of de voodoo-cultuur maar aan een achterhaalde maatschappelijke orde die menselijke noden ondergeschikt maakt aan winst.

The Haitian Earthquake: Made in the USA

door Ted Rall

http://www.commondreams.org/view/2010/01/14-13

Citaat:

An earthquake isn’t just an earthquake. The same 7.0 tremor hitting San Francisco wouldn’t kill nearly as many people as in Port-au-Prince.”Looking at the pictures, essentially it looks as if (the buildings are of) breezeblock or cinderblock construction, and what you need in an earthquake zone is metal bars that connect the blocks so that they stay together when they get shaken,” notes Sandy Steacey, director of the Environmental Science Research Institute at the University of Ulster in Northern Ireland. “In a wealthy country with good seismic building codes that are enforced, you would have some damage, but not very much.”

When a pile of cinderblocks falls on you, your odds of survival are long. Even if you miraculously survive, a poor country like Haiti doesn’t have the equipment, communications infrastructure or emergency service personnel to pull you out of the rubble in time. And if your neighbors get you out, there’s no ambulance to take you to the hospital–or doctor to treat you once you get there.

Earthquakes are random events. How many people they kill is predetermined. In Haiti this week, don’t blame tectonic plates. Ninety-nine percent of the death toll is attributable to poverty.

So the question is relevant. How’d Haiti become so poor?

Le bilan effroyable du séisme n’a rien d’une fatalité: c’est le résultat de plus de vingt années de politiques désastreuses et de corruption.

door Jean Abbiateci

http://dndf.org/?p=6086#more-6086

Citaat:

Une petite balade en fin d’après-midi dans le centre de Port-au-Prince d’avant séisme était déjà riche d’enseignements sur la vulnérabilité de la ville. Il faut avoir arpenté les rues défoncées et engorgées qui drainent matin et soir de gigantesques embouteillages. Vu les baraques branlantes construites à mêmes les ravines. Dans le bas de la ville, le fatra (ordure) encombre les routes ou se déverse dans l’océan, posant d’immenses problèmes sanitaires. Dans ce tohu-bohu urbain, la construction s’est faite au fil des ans de manière totalement anarchique. Avec plus de 2 millions d’habitants et 350 bidonvilles, la capitale fait partie de ce que le sociologue américain Mike Davis appelle les 30 «mega-slums» de la planète, les méga-bidonvilles.

Depuis le Champ-de-Mars, la place du Palais présidentiel aujourd’hui détruit, un regard panoramique permet de prendre la mesure de cette bidonvilisation. Coincé entre le littoral et la montagne, l’habitat y est terriblement congestionné: faute de place, les nouveaux arrivants ont dû pousser les murs de la ville et exploiter le moindre mètre carré. Côté montagne, dans un équilibre aussi précaire que les habitations, les bidonvilles escaladent les hauteurs environnantes. Côté océan, les maisonnettes en parpaing ou en tôle ont les pieds dans l’eau, alors qu’il y a vingt ans poussait ici une superbe mangrove sauvage.

Cette bidonvillisation de la capitale s’est nourrie de l’exode rural. Il existe un lieu à Port-au-Prince qui symbolise toute cette histoire. C’est un ancien hôtel de l’époque Duvalier, le Simbie Continental, où venaient lézarder au soleil des touristes américains en bikini. Aujourd’hui, la piscine est devenu un cloaque à moustiques et ce palace un lieu de refuge pour tous les nouveaux migrants arrivés des campagnes : des paysans avec leurs chèvres, des agriculteurs, des petites bonnes, des jeunes de rue, des étudiants diplômés… Poussés par la faim, incapable de nourrir leur famille ou de trouver du travail, tous ont préféré quitter la misère des champs pour la misère de la capitale.

januari 18, 2010 at 6:43 am 1 reactie

HAITI

Wat een ramp, daar in Haiti. Ik heb er niets origineels over te zeggen maar ik kan mijn ogen niet weghouden van de apocalyptische beelden. Ook omdat ik plaatsen herken. Ik was in Haiti tijdens de val van het Duvalier-regime. Het hotel waar ik toen verbleef, vlak bij het presidentieel paleis, ligt nu ook in puin. De mensen die ik toen leerde kennen… ik durf niet aan hen denken. Wat een ellende heeft dat landje al gekend. Genocide, slavernij, terreurregimes, aids, de grootste armoede van heel het continent, orkanen, overstromingen…en nu dit.

Laat ons hopen dat Obama dit als een uitdaging beschouwt. Een kans om te bewijzen dat hij anders is dan Bush. Laat ons hopen dat dit geen nieuw Katrina wordt. Krokodilletranen en loze beloften volstaan niet. Put your money where your mouth is.

(Tom Ronse)

januari 14, 2010 at 7:29 am 1 reactie

VLAAMS THEATER ONTROERT NEWYORKERS

Door Tom Ronse

Als het cultureel verwende New Yorks publiek na een stuk de acteurs tot drie keer toe terug naar het podium roept dan kan je er van op aan dat het goed was. ‘Ontroerend goed’, in dit geval. Vorige donderdagavond beloonde het volle Duke theater bij Times Square de dertien Gentse meisjes en jongens die er de New Yorkse premiere van “Once and for all, we’re gonna tell you who we are so shut up and listen” speelden met stormachtig applaus.

De Gentenaars spelen er nog tot 17 januari. Twee voorstellingen per dag. Telkens voor een volle zaal, zo ziet het er naar uit, want de komende week is al uitverkocht. Het sukses is zo groot dat  hen gevraagd werd om extra-voorstellingen te geven maar Alexander Devriendt, de  33-jarige leider van het gezelschap en co-auteur van het stuk, vindt het welletjes. De jonge acteurs moeten nog wat energie overhouden voor hun schoolwerk. New York is de voorlaatste halte op hun internationale omzwerving.“Eigenlijk waren we beter hier begonnen”, zegt Devriendt, “ons optreden in New York krijgt zoveel weerklank dat we van overal aanbiedingen krijgen.”

De NewYorkse pers was unaniem lovend. De New York Times wijdde wel drie artikels aan het stuk. Iedereen lijkt ervan te houden omdat het zo authentiek overkomt. Het portretteert de puberteit “zoals ze echt is, vooral de delen die ouders liever niet zien”, schreef Jason Zinoman in de Times. “Het is minder een stuk dan een serie zorgvuldig georchestreerde tafereeltjes die illustreren hoe kids op de rand van de puberteit zowel jonger als angstwekkend ouder kunnen lijken dan ze zijn”, zo vat hij het spektakel samen. “Hun woeste energie bereikt zijn hoogtepunt in slim bedachte groepscenes die op speeltuin-chaos lijken. Maar als je beter kijkt, zie je meer orde dan eerst leek. Patronen worden duidelijk. Willekeurige handelingen worden begrijpbaar. Je ziet een beetje hoe die vreemde schepsels die de volwassenheid naderen echt denken.”

De creatieve geboorte van het stuk was een dood moment bijna drie jaar geleden tijdens een repetitie in de Kopergietery, het Gentse jeugdtheater-atelier dat het stuk co-produceerde met ‘Ontroerend Goed”, de theatergroep van Devriendt. In afwachting van inspiratie observeerde Devriendt het spontane gedrag van zijn jonge acteurs. Hij realiseerde zich dat wat hij zocht voor zijn stuk zich voor zijn neus afspeelde. “In geen enkele theaterproductie met jongeren zag ik die brutale energie”, zei hij. Dus liet hij zijn tieneracteurs het stuk zelf maken. Zijn ingreep (en die van zijn co-auteur Joeri Smet en van dramaturge Mieke Versyp) was minder die van een architect dan die van een tuinier die hier en daar snoeit en een subtiele orde tot stand brengt in wat een ondoordringbare jungle had kunnen worden. Het resultaat was iets nieuw. “Het jeugdtheater van de toekomst”, volgens Mark Russell, de directeur van het ‘Under the Radar”-festival dat het stuk naar New York haalde. Sukses op het Fringe-festival in Edinburgh in 2008 zette een trein in gang die het gezelschap naar drie continenten bracht. Overal oogste het bijval. Jongeren herkenden zichzelf. De NewYorkse scholieren die het stuk met hun klas kwamen bekijken konden zich inleven in de dolle chaos en het zichtbare genoegen waarmee deugniet Ian Ghysels de zaal uit volle borst “Fart!” (‘Scheet’) deed schreeuwen. Maar ook volwassenen konden het smaken en niet alleen vanwege het zeldzaam genoegen om 13 tieners een uurlang bezig te zien zonder dat een van hen een gsm bovenhaalt.

Devriendt vindt dat er opvallend weinig verschil te merken was in de reacties van het publiek in de verschillende landen waar ze het stuk brachten. Toont dit dat de situatie en het gedrag van tieners iets universeel is?  In de westerse wereld wel, meent hij maar hij vraagt zich af hoe het stuk zou overkomen in China of India. Na een voorstelling in Australie werd hij benaderd door een Indisch meisje dat hem bedankte omdat het stuk haar hielp haar klasgenoten beter te begrijpen. “Ik zou graag eens op dezelfde manier werken met tieners in een land als India”, zegt hij, “ik ben benieuwd wat dat zou opleveren”.

Maar voorlopig eisen andere projecten zijn aandacht. In mei gaat zijn nieuw stuk, ‘Teenage Riot’ in premiere, opnieuw in coproductie met de Kopergietery.  Intussen werkt hij aan een project in Australie in opdracht van actrice Cate Blanchett en haar man Andrew Upton, de artistieke directeurs van de Sydney Theater Company. ‘Once and for all…’ (dat in het Nederlands ‘Pubers bestaan niet’ heet) zou op basis van zijn huidig sukses nog lang kunnen doorgaan, als Devriendt de acteurs die hun tienerjaren ontgroeid zijn door jongeren zou vervangen. Maar dat wil hij niet. “Deze acteurs hebben het gemaakt”, zegt hij. “het is hun stuk. Het avontuur eindigt met hen.”

Bijna is het zover. Intussen genieten ze met volle teugen van New York. Het is voor allen de eerste keer in de stad. Ze verkennen haar buurten. Zondag stond Harlem op het programma. In de crocusvacantie spelen ze in Toronto. Daarna, in april, zijn er nog vier voorstellingen in Gent. Dan is het voorbij. Voor de acteurs die intussen een hechte groep vrienden zijn, wordt dat een moeilijk moment. Zegt een van hen, Febe De Geest die intussen al  aan de universiteit studeert, “Ik weet nu al dat ik in die laatste voorstelling mijn tranen niet zal kunnen bedwingen.”

januari 14, 2010 at 7:16 am Een reactie plaatsen

Privilege

januari 14, 2010 at 7:08 am Een reactie plaatsen

Het Westen heeft een dosis Chinees confucianisme nodig

door Heleen Mees

Columnisten raakten de afgelopen weken niet uitgeschreven over wat een troosteloos decennium we wel niet achter de rug hadden. Volgens Martin Wolf (Financial Times) verschilt de situatie waarin we ons nu bevinden niet van die van een eeuw geleden, toen we aan de vooravond van twee verwoestende wereldoorlogen stonden. Ook Ruth Marcus (The Washington Post) heeft geen goed woord over voor de voorbije tien jaar en ziet meer onheil in het verschiet.

Het is slechts een kwestie van perspectief. De 1,3 miljard inwoners van China, bijna twee keer zoveel als de inwoners van de Verenigde Staten en de Europese Unie bij elkaar, kijken juist terug op een vruchtbaar decennium. Het percentage Chinezen dat in armoede leeft is gedaald van 65 procent in 1981 tot 4 procent in 2007. Meer dan een half miljard Chinezen zijn daardoor aan de goede kant van de armoedegrens beland.

China is ook wonderwel resistent gebleken tegen de gevolgen van de financiële crisis – de Chinese economie groeide in 2009 volgens schattingen van de Wereldbank met ruim 8 procent. Het land zal ook de komende jaren een belangrijke bron van groei voor de wereldeconomie blijven.

Westerse economieën hebben zich door toedoen van de financiële crisis zo diep in de schulden moeten steken dat er de komende jaren fiks zal moeten worden bezuinigd, waardoor het economisch herstel daar op zijn best traag zal zijn. Economen in China daarentegen houden voor de komende jaren rekening met een groei van 14 procent op jaarbasis. Als deze verwachtingen uitkomen, dan zal het inkomen per hoofd van de bevolking de komende tien jaar verviervoudigen.

Volgens Martin Jacques, columnist voor The Guardian en als wetenschapper verbonden aan de London School of Economics, zal China niet alleen de Verenigde Staten onttronen als ’s werelds grootste supermacht. Het Westen zal in de geschiedenisboeken slechts een marginale rol spelen en onze opvattingen van wat het betekent om modern te zijn, zullen op de kop worden gezet als China zijn historische positie van wereldsupermacht opnieuw inneemt.

In zijn boek When China Rules the World – The End of the Western World and the Birth of a New Global Order (2009) waarschuwt Jacques dat het een misvatting zou zijn om te denken dat de wereld niet of slechts weinig zal veranderen door de opkomst van China. Het volkrijkste land ter wereld zal vrijwel zeker een supermacht worden op zijn eigen voorwaarden, en niet een status-quo macht die de westerse normen en instituties overneemt waar het Westen zo op had gehoopt en gerekend. Volgens Jacques zal Mandarijn het Engels verdringen als wereldtaal en zal de Chinese overheid een stevige greep houden op de economie.

Dat de Chinese leiders niet van zins zijn om democratische hervormingen naar westers model door te voeren, wordt onderstreept door de veroordeling op Eerste Kerstdag van literair criticus en mensenrechtenactivist Liu Xiaobo tot elf jaar gevangenisstraf. Liu’s bijdrage aan Charter 08, een burgermanifest dat oproept tot een constitutionele democratie, handhaving van mensenrechten en vrije meningsuiting, vormt de belangrijkste grond voor zijn veroordeling. Charter 08 markeert de eerste keer in de geschiedenis van de Volksrepubliek China dat een groep openlijk het einde van het eenpartijstelsel eist.

Afgelopen dinsdag schreef Ian Buruma op deze pagina dat hij de toekomst voor China en de wereld somber inzag als China niet de stap naar een liberale democratie zou maken. Alleen in een meerpartijensysteem kunnen belangenconflicten vreedzaam worden opgelost, aldus Buruma. In plaats daarvan houdt China vast aan het confucianistische ideaal van absolute harmonie: als iedereen maar gelooft in dezelfde leer en zich gedraagt volgens dezelfde morele codes, dan verdwijnen conflicten vanzelf.

Hoewel ik Buruma’s afschuw over Liu’s veroordeling deel, ben ik minder genegen om de liberale democratie als het wondermiddel voor alle maatschappelijke tekortkomingen te beschouwen. Het is ontluisterend om te zien hoeveel pelotons ME’ers nodig zijn om de viering van Nieuwjaarsnacht ‘beheersbaar’ te houden. De uit de hand gelopen festiviteiten in Hoek van Holland zijn van hetzelfde laken een pak, om de aanslag op Koninginnedag en die bij het Esso-station aan de A27 afgelopen september nog maar niet te noemen. Het is niet pluis in Nederland, hoe pittoresk het schaatsen op natuurijs dezer dagen ook zal ogen.

Niet minder ontluisterend was het overigens om afgelopen zomer te zien hoe politieke tegenstanders van president Obama met doorgeladen semi-automatische geweren op politieke rally’s afkwamen. Geert Wilders en Sarah Palin zijn bij uitstek de exponenten van dit individualistisch nihilisme. Hun aanhang bestaat uit een onsamenhangende groep onwillige kiezers die zich slechts met elkaar verbonden weten door de dingen waar ze zich tegen keren. Zowel Wilders als Palin polariseert louter om het polariseren en verdeelt mensen in eerste- en tweederangsburgers.

Een bloeiende democratie vergt een constructieve opstelling van kiezers en gekozenen. Een afgewogen dosis confucianisme lijkt mij precies wat het Westen nodig heeft.

http://weblogs.nrc.nl/mees/2010/01/08/het-westen-heeft-een-dosis-chinees-confucianisme-nodig/
(gepost door jc)

januari 12, 2010 at 9:08 am 4 reacties

Oudere berichten


Kalender

januari 2010
M D W D V Z Z
« dec   feb »
 123
45678910
11121314151617
18192021222324
25262728293031

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 540 andere volgers