50 JAAR PLOETEREN

april 17, 2010 at 11:43 am Plaats een reactie

door Luc Leysen

Wij filmen in Oeganda, voor een tv-reportage over de verloedering van het onderwijs (tussen haakjes: wellicht de rampzaligste van Afrika’s duizend plagen). Bernard, de aandoenlijke en schromelijk onderbetaalde dorpsschoolmeester, neemt ons mee naar zijn schamele huis. Fluisterend vertrouwt de jonge familievader me toe wat zijn grootste wens is: “My dream in life is that, one day, I may possess my own n’go.” Wat kon dat nu weer zijn? Een Loegandawoord voor koe? Swahili voor bromfiets? Neen, wat Bernard wilde, was een fraai huis van steen, een fonkelnieuwe witte Land Cruiser en een vertwintigvoudiging van zijn salaris. Hij wou simpelweg de baas worden van zijn eigen NGO, vakjargon voor “niet-officiële ontwikkelingsorganisatie”.

Bloeiende industrie

Ontwikkelingshulp, particuliere, nationale en internationale projecten zijn uit Afrika niet meer weg te denken. Zij zijn een bloeiende industrie geworden, waar flink wat geld in omgaat. Maar wat die nijverheid in 50 jaar onafhankelijkheid heeft opgeleverd, valt maar magertjes uit. Vooral als men het resultaat vergelijkt met de verwezenlijkingen uit de koloniale periode. Neem nu de trein. Waren het niet de koloniale onderdrukkers, maar hun opvolgers, de westerse ontwikkelingswerkers geweest die het spoorwegnet hadden moeten aanleggen, dan bestond er in Afrika niet één doorgaande spoorlijn. Dan reed er nergens een trein van A naar B. Wat je wel zou hebben, is een veelvoud van sporadische spoorweg-projectjes. Midden in de brousse, een experimenteel stukje Zweedse rails, zo’n kilometer of dertig. Duizend mijlen verderop, een traject van de Nederlandse ontwikkelingshulp, maar dan wel met een andere spoorbreedte. Een futuristisch Frans stationnetje, van god en mens verlaten, want spoorloos. België zou bereid zijn om, te gepasten tijde, de afleggertjes van een afgekeurd veiligheidssysteem aan Afrika te schenken. De Bondsrepubliek betaalde een studie over een hoogst eventuele voltooiing van de lijn, maar daar kwam niets van in huis, vanwege een heroriëntering in het Duitse ontwikkelingsbeleid. Op elke internationale donorconferentie kwam het probleem van de spoorweg ter sprake, maar dat leverde niets op. En in de haven stonden al die tijd de alvast geleverde Canadese locomotieven weg te roesten.

Te weinig geld

Gewis, het zijn geheel andere tijden, en dat is ook goed zo. Zeker, er werd enorme vooruitgang geboekt, vooral in de gezondheidszorg. Toegegeven, veel verwezenlijkingen worden telkens weer terstond door de bevolkingsexplosie achterhaald. Maar de problemen van het continent blijven onopgelost, of zijn er alleen maar erger op geworden. De ontwikkelingshulp, daar zijn steeds meer mensen het over eens, heeft gefaald. Wat is de reden voor die trieste mislukking? Geld, natuurlijk. 0,5 procent van het nationale BNP van de industriestaten voor ontwikkelingshulp is zo ongeveer, ondanks alle dure beloften, het gemiddelde gebleven. En dat is bespottelijk. Het is véél en véél te weinig. De wansmakelijke corruptie van de Afrikaanse elites – die door de ontwikkelingshulp extra wordt gevoed – speelt vast mee. Maar zouden niet ook het het personeel en de werkwijze van de ontwikkelingsindustrie er voor iets tussen zitten?

Zwarte piet

Koloniale ambtenaren, Britten, Fransen, Belgen, werden gesanctioneerd, gemuteerd of naar huis gestuurd, als zij niet naar behoren presteerden. Bijvoorbeeld, rails met een verkeerde spoorbreedte lieten leggen. Postkoloniale ontwikkelingswerkers hoeven geen straf te vrezen. Mislukt een project, en dat wil wel eens voorvallen, dan treft hen geen schuld. De zwarte piet is gauw gevonden: de Afrikaanse projectpartners wilden weer eens niet mee, die weten gewoon niet wat goed voor ze is, nietwaar, en zijn te beroerd om een poot uit te steken. Ergens in een Europese hoofdstad wordt dan de laatste map dichtgeklapt. Het dossier wordt zonder gevolg geklasseerd. Het project wordt opgedoekt. Goedbetaalde consultants schrijven een nieuwe haalbaarheidsstudie. De blanke expert krijgt een andere job in een ander land. Vaak mag hij hetzelfde nutteloze project elders nog eens gaan overdoen. En ook daar zal zijn belangrijkste arbeidsinstrument het regelmatige rapport voor de centrale blijven. Het redigeren daarvan is een ware kunst. Het vereist meer dan gewone scheppingskracht. Want er dient vooruitgang gemeld te worden, maar net niet zo veel dat op het budget wordt beknibbeld. Of – het idéé! – de eigen aanwezigheid in vraag wordt gesteld. Een witte Land Cruiser en een koloniale levenswandel geeft men niet voetstoots op. Want zelfs bloedjonge en onervaren ontwikkelingswerk(st)ers genieten in de tropen een onterechte status die thuis, in het kille vaderland, ondenkbaar zou zijn. Men luncht bij de ambassadeur, wordt ontvangen aan het hof van de plaatselijke chief, brengt het tot plaatselijke roem.

Heilige koe

De ontwikkelingshulp heeft haast altijd een goede pers. Voor de goegemeente in het Europese thuisland is zij een lapmiddel tegen het slechte geweten. Zij is omgeven door een aura van caritas, een schijn van heiligheid. Onaantastbaar. En in Afrika zelf is zij helemaal een heilige koe. Hoewel kritische redacteuren daar een hekel aan hebben, moeten zij vaak “openen” met de nietszeggende persconferentie van één of andere bazelende ontwikkelingsgoeroe, of het slaapverwekkende verslag over een wollig seminarie met betrekking tot, ik zeg maar wat, “Femmes, Démocratie et Environment”. Daar zaten een miljard Afrikanen namelijk al heel lang op te wachten. Voor een goed begrip: ik heb het niet over noodhulp, die is helaas vaker nodig dan goed is voor Afrika. Ook niet over kleine privéprojectjes, want alle beetjes helpen. Neen, het gaat hier om de geïnstitutionaliseerde bijstand, om de coöperatie die uitgaat van staten, internationale organismes of grote NGO’s. Er zullen ook daar vast wel idealistische ontwikkelingswerkers te vinden zijn, of onbaatzuchtige. Maar in hun bedrijfstak overheerst toch meestal het cynisme, regeert de leugen. Gewillig Afrika onthaalt al die betweters met alle egards, generatie op generatie. Maar veel hebben zij niet kunnen uitrichten. En eigenlijk heeft Afrika ze niet nodig.

IJzeren gordijn

Al in de jaren tachtig vertelde de Nigeriaanse auteur en Nobelprijswinnaar Wole Soyinka me, dat het ergste kwaad volgens hem ná de onafhankelijkheid was geschied. “Had men op dat moment toch maar een ijzeren gordijn om het continent heen getrokken”, zei hij. “Dan hadden wij er alleen voor gestaan. Dan was onze eigen cultuur wellicht beter gevrijwaard gebleven. En mét de inbreng van het kolonialisme, want die moet je vooral niet onderschatten, hadden wij er misschien toch iets moois van kunnen maken”.
Dat is niet gelukt. Jammer toch.

Luc Leysen is gewezen Afrikacorrespondent van de Duitse televisie (ARD).
De illustratie is van de Congolese kunstenaar Moké. (jc)

http://opinie.deredactie.be/2010/04/15/luc-leysen-50-jaar-ploeteren/

Entry filed under: Afrika, Ekonomie, Europa, Politiek Belgie. Tags: , , , , , .

Re-volutionaire stilte JEF IN CONGO

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.309 andere volgers


%d bloggers liken dit: