B O E K Het kartel van de hel

juni 18, 2010 at 7:13 am 1 reactie

Van synthetische kleurstof naar Auschwitz: een faustiaanse tragedie

door Eric Bracke

 
Zonder de slaafse volgzaamheid van de managers van het chemisch concern IG Farben zou Hitler de grootste moeite hebben gehad om zijn oorlogsmachine op gang te krijgen. Dat is de these van journalist Diarmuid Jeffreys in zijn uitstekende boek Het kartel van de hel, IG Farben, de nazi’s en de holocaust.

In deze goed gedocumenteerde en breedvoerige kroniek van de Duitse chemiereus beschrijft de auteur de collaboratie van de IG-bazen als een faustiaanse tragedie. Carl Bosch die eerst nog de toorn van Hitler had opgewekt met zijn openlijke kritiek op de jodenpolitiek, verkocht uiteindelijk zijn ziel aan de duivel. Zijn drang om zijn kwakkelende project voor de aanmaak van synthetische olie koste wat kost te redden, bracht Bosch ertoe het zogenaamde Benzinevertrag van 14 december 1933 te sluiten. In ruil voor de belofte van de IG om de productie in de fabriek te Leuna te verhogen tot 350 000 ton per jaar, beloofde het Rijk alle brandstof op te kopen die niet op de vrije markt verkocht kon worden.

Later werd IG Farben ook de bevoorrechte leverancier van andere strategische producten zoals synthetische rubber (Buna) en oorlogsgassen. Een dochterbedrijf produceerde het Zyklon B-gas dat werd gebruikt in de gaskamers van de vernietigingskampen van de nazi’s en uiteindelijk zal IG Farben in Auschwitz een rubberfabriek laten bouwen door dwangarbeiders en gedeporteerde joden. Het bedrijf betaalde de SS 3 of 4 mark per arbeider. Maar omdat de verplaatsing van het strafkamp in het nabijgelegen Birkenau naar de fabriek te veel tijd in beslag nam en het de zo al uitgeputte slaven nodeloos vermoeide, besloot het bedrijf een eigen kamp te bouwen vlakbij de Buna-Werke in Monowitz. Duizenden stierven van uitputting onder het oog van gewelddadige kapo’s en onbewogen werknemers. De verantwoordelijken van de IG hielpen zelfs om de beste gedeporteerden van de trein te halen. De selectie betekende voor de meesten slecht een kortstondig verlenging van hun leven. Jeffreys: “De IG gebruikte de gevangenen zo snel op dat de nazi-autoriteiten de aantallen nauwelijks konden aanzuiveren.”

                                                                                                  
Op een transport vanuit Noord-Italië in februari 1944 bevond zich Primo Levi. De jonge scheikundige uit Turijn mocht in het laboratorium werken, waardoor hij in tegenstelling tot de meeste anderen van zijn groep wist te overleven. Later zou hij een pijnlijk gedetailleerd verslag van de ontberingen in Monowitz publiceren. Een andere getuige was de Britse krijgsgevangene Denis Avey die jarenlang niet kon praten over zijn ervaringen in Auschwitz. Jeffreys was in 2004 een van de eersten aan wie hij zijn verhaal deed.

Toen de krijgskansen in 1944 aan het keren waren en het Rode Leger steeds dichter naderde, deed Buna-Werke van IG Farben er alles aan om de gruwelijke sporen van de slavernij en de betrokkenheid bij de massamoord uit te wissen. Intussen werd de fabriek gebombardeerd door de geallieerden, ook al was er nooit één kilo rubber of één liter synthetische brandstof geproduceerd. Maar het project had volgens een voorzichtige schatting wel 35.000 mensenlevens gekost.
 
Openbare aanklager

Jeffreys, die naam gemaakt heeft als producent van BBC-documentaires en eerder onder andere een  boek schreef over de geschiedenis van Aspirine, koos een cirkel als vertelstructuur. Hij begint en eindigt in het Neurenbergse Paleis van Justitie. Twaalf maanden nadat de handlangers van Hitler daar in de beklaagdenbank zaten, was het de beurt aan de verantwoordelijken van IG Farben. Jeffreys voert in de proloog de openbare aanklager Telford Taylor op die op 27 augustus 1947 zijn requisitoir uitsprak. Hij noemde de bazen van IG Farben  “de tovenaars die de nachtmerrie van Mein Kampf werkelijkheid hebben doen worden” en hield hen onder andere verantwoordelijk voor “het plannen, voorbereiden, initiëren en uitvoeren van veroveringsoorlogen en invasies van andere landen”, “plundering en beroving”, “slavernij en massamoord”.

Goed vierhonderd pagina’s verder beschrijft Jeffreys de inspanningen van het team aanklagers om het bezwarend materiaal te verzamelen en eindigt met de uitspraak van de rechters. De rechtbank achtte vele aantijgingen niet bewezen en slechts enkele van de 23 beklaagden kregen gevangenisstraffen. Ze kwamen een voor een snel weer vrij en namen weldra hun plaatsen in in bestuursraden van bedrijven en banken. IG Farben werd in 1952 door de geallieerden ontmanteld en de fabrieken werden verdeeld onder Bayer, BASF en andere Duitse chemische ondernemingen.
Jeffreys beschrijft hoe hoofdaanklager Taylor het oude paradeterrein van de nazi’s bezocht alvorens hij de uitspraak van de rechtbank in Neurenberg ging aanhoren. Achteraan het boek licht hij in een noot toe waar hij deze informatie heeft gehaald en welk deel ervan is gefictionaliseerd. Zoals hij ruiterlijk toegeeft is het “onmogelijk om na zoveel jaren na te gaan wat hij (Taylor) daar precies gedaan of gedacht heeft”. De noot is representatief voor de ernst waarmee de auteur met zijn bronnenmateriaal is omgegaan.
 
Kleurstoffen en medicijnen

In de tussenliggende pagina’s beschrijft Jeffreys in goedlopende volzinnen de geschiedenis van IG Farben. Hij gaat een eind verder terug dan de openbare aanklagers en laat de geïnteresseerden in het nazitijdperk behoorlijk lang op hun honger. Zijn eerste zin van het eerste hoofdstuk luidt: “Het is opmerkelijk dat een verhaal dat eindigt tussen het grauwe achromatische grijs en zwart van het verwoeste Duitsland, begint met een felgekleurd vlek op een lapje stof.”

De toevallige ontdekking van het koolteerderivaat aniline als basis voor de kunstmatige kleurstof mauve liet de chemische industrie in het midden van de negentiende eeuw met een steekvlam opflakkeren. De kunstmatige kleurstoffen waren een goedkoop en gewild alternatief voor kleuren die voorheen slecht na complexe bewerkingen uit veelal zeldzame plantaardige en dierlijke materialen werden vervaardigd. Met de ontdekking ervan ontstond ook een bitse strijd om patenten en octrooirechten.

Binnen de kleurstoffenindustrie ontwikkelde zich niet veel later ook de jonge farmaceutische industrie. In 1884 vervaardigde kleurstoffenfabriek Hoechst een koortswerend middel op basis van aniline (Antipyrine). Andere bedrijven gingen ook op zoek naar koortsremmers die ze konden patenteren. Onder impuls van Carl Duisburg kwam kleurstoffenproducent Bayer vier jaar later met een lucratief koortswerend middel en begon zwaar te investeren in het farmaceutisch onderzoek. Het was in hetzelfde labo dat tegen het eind van de eeuw acetylsalicylzuur, dat vandaag nog altijd bekend is onder de merknaam Aspirine, werd gemaakt.

Rond de eeuwwisseling hadden de Duitse kleurstoffabrikanten, dankzij hun farmaceutisch successen, de mondiale chemische industrie in handen. En terwijl Bayer een vestiging in de VS opzette, werd het plan van Duisburg om de afdelingen verkoop, inkoop en onderzoek van de leidinggevende Duitse chemiebedrijven samen te voegen, een eerste keer afgeketst door de directeur van Hoechst. Die laatste had met een ander bedrijf namelijk al afspraken gemaakt over een samenwerkingsvorm die Interessengemeinschaft (IG) werd genoemd. Als tegenreactie smeedde Duisburg met BASF en Agfa de Dreibund.

In de rest van Europa groeide het wantrouwen tegen de Duitse dominantie, terwijl binnen de bedrijven zelf de arbeiders in het verweer kwamen tegen de erbarmelijke werkomstandigheden. Van de weeromstuit verleenden Duitse bedrijfsleiders voor het eerst steun aan conservatieve politieke partijen in de hoop dat zij stabiliteit zouden garanderen.
 
Oorlogsgas

Toen de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken en het al snel niet de verwachte korte militaire campagne leek te worden, werd Duitsland zich pijnlijk bewust van zijn zwakke plek: het gebrek aan grondstoffen. Vooral het gebrek aan salpeter, dat uit Chili moest worden aangevoerd en noodzakelijk was voor de productie van buskruit, was alarmerend. De joodse wetenschapper Fritz Haber en ingenieur Carl Bosch van BASF, die samen een procédé hadden gevonden om synthetische ammoniak aan te maken, moesten de problemen oplossen. De eerste ontwikkelde gifgas dat in april 1915 aan het front in Ieper voor het eerst werd ingezet en de tweede slaagde er een paar weken later in om in een nieuw gebouwde fabriek op industriële schaal synthetisch salpeterzuur te vervaardigen. Zo ontstond de wederzijdse afhankelijkheidsrelatie tussen de chemische industrie en de Duitse staat.

Na het Verdrag van Versailles werden fabrieken geconfisqueerd en octrooien werden vervallen verklaard, maar de Duitse ondernemingen hadden hun bedrijfsgeheimen mooi binnenskamers weten te houden. Om hun belangen in die moeilijke periode te kunnen verdedigen en hun doorstart te garanderen, sloten de voormalige hoofdrolspelers uit de chemische sector zich aaneen tot de IG Farben. In de jaren twintig leefde de kunststoffenindustrie weer op en er werden ambitieuze plannen gesmeed om de markt te voorzien van synthetische brandstof en rubber.

Tijdens de woelige tijd van de Weimarrepubliek vestigde de leiding van IG Farben zijn hoop opnieuw op het conservatieve politieke centrum. Met Adolf Hitler liep ze niet hoog op, maar eenmaal hij de macht had gegrepen, ontving de NSDAP (Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei) substantiële bedragen van de onderneming. Ook een sterk en stabiel nazibeleid zou gunstig kunnen zijn voor het bedrijfsleven. Tegelijk probeerde IG Farben zijn imago als een door Joden gedomineerde onderneming te ‘zuiveren’. Aanvankelijk node, maar na verloop van tijd steeds gretiger. Ook binnen de directieraad en op de werkvloer telden de nazi’s steeds meer aanhangers. Het is ironisch dat uitgerekend topman Bosch, die de ontwikkeling met argusogen gade sloeg, een pact sloot met de duivel om zijn lang gekoesterde project rond synthetische brandstof niet te moeten opgeven.

Jeffreys weet bij de lezer op een wonderlijke manier empathie op te wekken voor sommige beslissingen die de topmannen in moeilijke omstandigheden moesten nemen, maar tegelijk maakt hij duidelijk dat hij het volmondig eens is met de analyse van openbaar aanklager Taylor in Neurenberg. Het was niet de commerciële logica en een gezond patriottisme dat IG Farben voortdreef, maar een criminele, mensonterende hebzucht die geen scrupules kende.

 

Diarmuid Jeffreys, Het kartel van de hel, IG Farben, de nazi’s en de holocaust,
De Bezige Bij, Amsterdam, 591 p.
ISBN 978 90 234 2657 8

Entry filed under: boeken, Ekonomie, Europa, oorlog. Tags: , , , .

COPIEREN IS GEEN DIEFSTAL NIEUWE DIEPTEPUNTEN

1 reactie Add your own

  • 1. Tom  |  juni 19, 2010 om 4:38 am

    Interessant verhaal maar wat de slotzin betreft: een ‘gezond patriottisme’, wat is dat? Het lijkt me dat de geschiedenis al vaak genoeg getoond heeft dat ‘ een criminele, mensonterende hebzucht die geen scrupules kent’ niet tegengesteld is aan commerciele logica en patriottisme maar in het verlengde ervan ligt.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.320 andere volgers


%d bloggers liken dit: