‘DE SCHRIJVER ZELF IS ONBELANGRIJK’

december 21, 2010 at 11:47 am Plaats een reactie

Elias Khoury over Joden en Palestijnen en de totstandkoming van zijn magnum opus

 door Margot Dijkgraaf

Voor zijn epos trok de Libanees Elias Khoury naar de Palestijnse kampen, waar het leven ondanks alles mooi kan zijn. ‘Al schrijvend werd ik Palestijn’, aldus Khoury tegen Margot Dijkgraaf.

Na het schrijven van Poort van de zon raakte Elias Khoury (Libanon, 1948) in een zware depressie. Het was zijn magnum opus, zijn hele bestaan zat erin gebald, zijn leven was voltooid, leek het. Maar nee, hij ging door met schrijven. Als hij erover vertelt, in het Haagse Mercure Hotel, beleeft hij dat zwarte gat opnieuw. Sommige fragmenten uit zijn boek kan hij in het openbaar niet voorlezen, zó emotioneel is hij erbij betrokken.

Poort van de zon is een lyrisch, verhalend epos, met één been in de traditie van de Duizend-en-een-nacht, en met het andere in de westerse romanvorm, waarin op meesterlijke wijze vele verhalen door elkaar zijn geweven. In de waaier die Khoury voor zijn lezer uitspreidt vlecht hij twee liefdesgeschiedenissen. De ene is die van de Palestijnse boer en vrijheidsstrijder Joenis uit Noord-Galilea, die na het uitroepen van de staat Israël in 1948 zijn land verlaat en neerstrijkt in het vluchtelingenkamp Shatila. Zijn vrouw, Nahiela, blijft achter, maar ze slagen erin om elkaar regelmatig te ontmoeten in een grot, Baab as-Sjams (Poort van de zon).

De andere geschiedenis is die van Sjams en haar minnaar Khaliel, de man die Joenis verpleegt als deze in 1995 in coma ligt. In de hoop hem in leven te houden, vat de verpleger hun beider levens in een stuwmeer aan verhalen, waarbij een stroom aan familieleden, tragedies, liefdesverhalen, conflicten en geweld een panoramisch beeld geven van het leven van het Palestijnse volk sinds 1948.

„In wezen ben ik mijn hele leven bezig geweest met het schrijven van dit boek”, zegt Khoury. Als student sociologie en geschiedenis sloot hij zich aan bij de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en raakte hij in een gevecht gewond. In de jaren zeventig werkte hij voor die organisatie als onderzoeker. Met de in Galilea geboren dichter Marmoud Darwish richtte hij een krant op, waarna hij zich ontwikkelde tot een van de meest geziene Libanese intellectuelen. Hij vervulde diverse posten als hoofdredacteur en doceerde aan universiteiten in de VS en Libanon. Nu woont hij voor een jaar in Berlijn.

Khoury: „Ik ben een verhalenverteller en ik houd ervan naar verhalen te luisteren. De Palestijnse vluchtelingenkampen ken ik van binnenuit. Mannen zoals Joenis waren geen uitzondering. Met name in de eerste jaren na 1948 gingen de boeren die vrouw, kinderen, huis, alles achter hadden gelaten, terug de grens over, naar Galilea. Ze stalen hun eigen oogst, hun olijven, hun graan. Ik vond dat een prachtig uitgangspunt voor een roman en verzon het verhaal van Joenis en Nahiela.

„Beiden slagen erin hun passie te beleven ondanks die grens. Hun verhaal kon ik niet vertellen zonder de hele context te schetsen. Daarom ben ik teruggegaan naar de kampen en ben ik mensen gaan interviewen. Nee, makkelijk ging dat niet.. De meesten wilden niet praten over 1948 of over Sabra en Shatila. Het is te pijnlijk, te veel schaamte. Een jonge vrouw gaat je echt niet zomaar vertellen dat ze, toen ze onder vuur lag, haar jongst geborene onder een olijfboom achterliet om de oudere kinderen te redden. Mijn belangrijkste bron was een oude vrouw, die mij alle verhalen vertelde die ze kende.’

Wat is waar en niet waar in dit epos?
„De val van de dorpen in 1948, de manier waarop de mensen werden verdreven, hoe de Joden de dorpen bezetten, dat is honderd procent waar. Na de akkoorden van Oslo in 1993 konden de mensen op bezoek gaan in hun oude dorp, hun oude huis. Velen deden dat. Daar komt het verhaal van de oude vrouw Oemm Hasan vandaan, die in haar eigen huis, nu bewoond door een Joodse vrouw, haar bed terugziet, haar aardewerken kruik in de keuken, haar olijfboom. Dat is een van de fragmenten uit mijn boek die ik niet met droge ogen kan voorlezen. De historische feiten zijn juist, de rest is verbeelding.
„Verder zijn mijn twee liefdesverhalen heel verschillend, het ene spiegelt het andere. Dat is de basisstructuur van de roman, het bleek de enige manier om coherentie te geven aan al die elementen, al die verschillende verhalen. Mijn boek gaat over individuen, niet over een natie. Iedereen heeft zijn specifieke verhaal. Zeven jaar schreef ik aan dit boek. Een enorme ervaring, pijnlijk en prachtig tegelijk. Ik was geen Palestijn, maar al schrijvend ben ik er een geworden.’’

In hoeverre beschouwt u dit boek als een politiek statement?
„Dit boek gaat niet over politieke kwesties, maar over de mens, het menselijk bestaan, over mensen die hun leven vormgeven via hun verbeelding. Dat doen we allemaal, maar als je in dit soort omstandigheden verkeert, is het van levensbelang. Je kunt niet anders. Als je in Nederland woont, hoef je geen thuis te verzinnen: je hebt een thuis. Deze mensen leven in hutten en verbeelden zich dat het hun thuis is. Ze wonen in een vluchtelingenkamp en ze verbeelden zich dat het hun dorp is. Ze zijn van alles beroofd. Toch is het leven mooi. Dat is mijn diepste overtuiging en ervaring. Ondanks alles is het leven waard geleefd te worden, bemin je iemand, slaap je met iemand.’’

U schreef het boek grotendeels in de tweede persoon enkelvoud. Een ongebruikelijke vorm, voor een roman.
„In het klassieke Arabisch bestaat het enkelvoud, meervoud en de dualis, een vorm voor twee personen. Je vindt die vorm in de oude Arabische talen, nu wordt hij niet meer gebruikt. Taalkundigen beschouwen dit als een vroege vorm van het meervoud, maar in de oude Arabische dichtkunst was dat niet zo. Een dichter gebruikte die vorm om te laten zien dat het ‘ik’ verdeeld is. Hij spreekt met zijn ‘andere ik’, met zijn schaduw, er is altijd die dialoog.
„Uiteindelijk weet je als schrijver niet wie je ‘agent of writing’ is. Zo is het mij vergaan bij het schrijven van dit boek. Er was iets in mij gevaren dat sterker was dan ikzelf. Ik zat zestien uur per dag te schrijven, geen idee waar die energie vandaan kwam. Je kunt boven jezelf uitstijgen, er zit een spiritueel element in literatuur.
„Ik ben atheïst, maar in literatuur zit spiritualiteit, een ander leven. Daarom vind ik ook dat een schrijver zelf onbelangrijk is. Een schrijver is een ‘agent’, een tussenpersoon, je onderwerpt je, je accepteert je rol. Je betreedt een gebied dat je niet kent, je neemt een risico, als je niet oplet kan het je psychisch vernietigen”.
Aan zijn toekomstige lezers dacht Khoury geen moment. Bij de Palestijnse lezers, maar ook elders, viel het goed. „Al het cynisme, de bitterheid en de schaamte waren goed ingebed in een liefdesverhaal. De Palestijnse tragedie, vlak na de Holocaust, werd door niemand erkend. Niemand wilde erover horen, iedereen accepteerde het verhaal dat de Joden een leeg land was toebedeeld. De Palestijn was niet alleen slachtoffer, maar een slachtoffer zonder land en zonder verhaal, een slachtoffer van iemand die hem vermoordde in naam van zijn eigen slachtofferschap.
„Wat in Europa gebeurde met de Joden was vreselijk en moet in het collectieve geheugen verankerd blijven. Maar de Europeanen wasten hun met Joods bloed besmeurde handen met Palestijns bloed. Wie zo’n tragedie beleeft wil het verhaal vertellen, maar niemand wilde ervan horen, hier niet en niet in de Arabische wereld.”

En daarom schreef u het.
„Ja, zo is het. Ik houd van de Palestijnen. Palestina is niet heilig. Onze neven, de Israëliërs, introduceerden een nieuw begrip: heiligheid. Jeruzalem, de heilige, de eeuwige stad: een mythe. Ik vind dat niets eeuwig is. Niets is heilig. Het enige wat heilig is, is de mens. Land is belangrijk, meer niet. Dat is mijn humanistische benadering van de wereld. Onvoorstelbaar dat de regimes die de Palestijnen vermoordden, hen in getto’s stopten, hen als stront behandelen en ons lessen durven te geven in heiligheid!
,,Al zestig jaar kunnen de Palestijnen niet werken, leven ze in miserabele omstandigheden. Daarom zegt Nahiela in mijn boek ‘we zijn de Joden van de Joden’. En zij zijn de Arabieren van de Arabieren. Arabieren haten zichzelf ook. Jeruzalem, de moskee, heiligdom – het zijn mythes. Je kunt het vergelijken met André Breton, de vader van het surrealisme, die opriep willekeurig mensen op straat neer te schieten. Of met Abraham die zijn zoon wilde offeren op last van God. Je kunt dat soort dingen niet werkelijk doen. Je kunt van een mythe geen geschiedenis maken. Dat is een nieuwe vorm van fascisme.”

Toch heeft uw titel, Poort van de zon, een hoopvolle lading.
„Waar liefde is, is hoop. Als Joenis zijn vrouw ontmoet in de grot, is hij gelukkig. Ik ben vaak jaloers op hem geweest. Toen zijn vrouw stierf, was zijn leven afgelopen. Je kunt niet leven of schrijven zonder hoop. Zelfs als je situatie hopeloos is, moet je hoop en betekenis creëren. De enige raison d’être van literatuur is dat zij zin geeft aan een zinloos leven.’’

 Elias Khoury: Poort van de zon. Vertaald door Djûke Poppinga. Anthos, 534 blz. € 24,95 ‘


Elias Khoury (1948) groeide op in een christelijk gezin in Beiroet. Tijdens zijn studie sociologie en geschiedenis sloot hij zich aan bij de Palestijnse bevrijdingsorganisatie (PLO).
In de jaren zeventig werkte hij voor die organisatie als onderzoeker en ontwikkelde hij zich van een militant vrijheidsstrijder tot een vooraanstaand schrijver en intellectueel. Hij was (hoofd-)redacteur bij verschillende kranten. Khoury doceerde literatuurkritiek aan universiteiten in de VS en in Libanon. Hij schreef twaalf romans. Voor Poort van de zon kreeg hij de Palestijnse Literatuurprijs. Op dit moment verblijft hij een jaar in Berlijn.
http://www.nrcboeken.nl/interview/%E2%80%98de-schrijver-zelf-is-onbelangrijk%E2%80%99



Sabra en Shatila zijn Palestijnse vluchtelingenkampen in de buurt van Beiroet. In september 1982 trok het Israëlische leger (onder defensieminister Ariel Sharon) de Libanese hoofdstad binnen en sloot de kampen af. Enkele dagen later trokken gewapende falangisten (rechtse milities) naar de genoemde kampen en richten er een 48-uren durend bloedbad aan dat de wereld schokte. Er was op zijn minst tactische steun van de IDF, Israel Defense Force.
Lees hierover ook Robert Fisk in ‘De grote beschavingsoorlog’ (Anthos/Standaard, 2005) ( jc)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Bloedbaden_in_Sabra_en_Shatila


 
 

 

Entry filed under: boeken, godsdienst, Midden Oosten, oorlog. Tags: , , , , , , , .

HOLBROOKE A POSTCARD FROM THE FUTURE

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.204 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: