EEN MEMORABELE DAG IN MOZAMBIQUE

april 15, 2012 at 1:03 pm Plaats een reactie

Het Grande Hotel nu

door Jef Coeck

Het was een out of the blue reportagefilm op Canvas: over het Grande Hotel in de Mozambikaanse havenstad Beira. Ik hoop – en denk – dat ik niet de enige was die er gefascineerd naar heeft zitten kijken, meer dan een uur lang. Congo, Syrië, Iran, daar gaat het slecht, dat zien we dagelijks. Maar is er niets aan de hand in Mozambique? Bestaat het land überhaupt nog? Bob Dylan schreef er over in 1975, het jaar van de onafhankelijkheid. “I like to spend some time in Mozambique, The sunny sky is aqua blue, Magic in a magical land.” Sedertdien nog een overstroming of twee. And that was that.

Deze documentaire van de mij onbekende kunstenares Lotte Stoops schijnt al her en der bekroond te zijn. Dat is dan niet onverdiend, want de reportage – zo noem ik het als journalist – is boeiend en onthullend. Bovendien roept ze meer vragen op dan ze antwoorden geeft, wat een kwaliteit is van zowel de goede doc. als de dito rep.

In HUMO zegt filmer Stoops onder meer dit over haar idee om er een documentaire van te maken: “Een jaar of zes geleden trok ik drie maanden met een vriendin door Mozambique, en we verbleven één maand lang op dezelfde plek, de kuststad Beira. Op weg naar de koffiebar waar ik iedere dag een espresso ging drinken, passeerde ik een immens bouwwerk, een reusachtig betonnen skelet van wat ooit een majestueus hotelcomplex moet zijn geweest. Het fascineerde me, ook al omdat het bewoond bleek te zijn: overal in het gebouw liepen spelende kinderen rond, mensen hingen er hun was op of lagen er te slapen. Ochtend na ochtend naderde ik wat dichter, tot een van de bewoners me wenkte en ik binnen een kijkje kon nemen.
“Het was echt een stad op zich, weliswaar zonder elektriciteit, maar je had er wel een kapper, een arts, iemand die matrassen repareerde… Alle voorzieningen van vroeger hadden nu een andere functie: het voormalig zwembad werd gebruikt om kleren te wassen, de bar bleek nu een moskee en de voormalige biljartzaal was ingericht als kerk.

Het Grande in volle glorie

“Het hotel bleek in het begin van de jaren vijftig gebouwd te zijn door Portugese kolonialen, maar het prestigeproject was al vanaf dag één volkomen onrendabel. Ja, de beroemde aktrice Kim Novak heeft er ooit gelogeerd, maar na nog geen tien jaar ging het hotel failliet en kwam het leeg te staan. Pas tijdens de revolutie werd het weer in gebruik genomen: omdat ze geen kazerne hadden maakten de rebellen (van Frelimo, zie voetnoot 2) er hun hoofdkwartier van. Ze brachten na verloop van tijd hun gezinsleden mee, die op hun beurt vrienden meebrachten en op den duur was het hotel gekraakt…”

GOOD HAVENS!

Hierdoor werd ik herinnerd aan een dag in voorjaar 1988, toen ik zelf in minder dan een etmaal Beira en omgeving bezocht. Ik mag het wel een van de meest memorabele dagen in mijn leven noemen: zelden zoveel indrukken en emoties beleefd in zo korte tijd.

Het gezelschap bestond uit een paar honderd nationale en Europese parlementsleden die zich, in het kader van de vereniging AWEPAA (Association of West-European Parliamentarians for Action against Apartheid) (1), geëngageerd hadden in de strijd tegen het racistische blanke regime in Zuid-Afrika. Ze werden vergezeld van een handvol uitverkoren journalisten – onder wie ik dus – van wie de meesten elkaar niet kenden. De studiereis, die zowat twee weken in beslag nam, voerde ons eerst naar Zambia – het toenmalige hoofdkwartier van de verzetsbeweging ANC. Vandaar vlogen we, met onze eigen charter, naar Harare, de hoofdstad van Zimbabwe. Het dient gezegd dat staatshoofd Mugabe in ’88 nog een onbevlekt en zelfs progressief imago had. Hij probeerde sinds de onafhankelijkheid van zijn land in 1980 de overgang van blank naar gemengd maar in hoofdzaak zwart regime, in goede banen te leiden. Als dat niet onmiddellijk lukte kreeg hij veel krediet, onder meer van de anti-Apartheidsbeweging in het Westen. Achteraf is het allemaal dramatischer uitgedraaid met de man en zijn land, helaas.

Onze tijdelijke kantoren en conferentiezalen, plus alle andere accommodatie, bevonden zich in de Harare Holiday Inn. Niet het meest bescheiden  optrekje in een Derde Wereldland, maar waarschijnlijk het enige met de nodige massale voorzieningen. In ons studie- en discussieprogramma was ook een daguitstap per vliegtuig gepland naar de Mozambikaanse havenstad Beira. De parlementariërs wilden met eigen ogen zien hoe dat land het er vanaf bracht sedert zijn onafhankelijkheid in 1975.

De mini-vlucht Harare-Beira vond heel vroeg in de ochtend plaaats, kort na zonsopgang. Op de luchthaven werden we in ijltempo verwelkomd door een lange rij ambtenaren en gelijkgestelden, die duidelijk niet van plan waren veel tijd te verliezen aan het protocol, het zou een drukke werkdag worden. We werden in gammele bussen naar de stad gevoerd.

We reden langs puin. Lege straten, kapotte huizen, bidonvilles, vervallen koloniale villa’s, doffe regeringsgebouwen. Een eerste keer langs de haven, daarbij het voormalige hoofdstation van Beira passerend. Mijn god, deze berg verwrongen ijzer moest zelfs vanuit de ruimte zichtbaar zijn: treinen, locomotieven, hele en halve wagons, ijzeren wielen, ontverfde en verroeste stellen, banken, deuren en ramen, verwrongen sporen en wat er verder nog in ‘stations’ voorradig pleegt te zijn, maar dan in de meest onnoemelijke staat van verval – een metalen vuilnisbelt van vele meters hoog en wijd, die ook na 13 jaar onafhankelijkheid niet bleek opgeruimd te zijn.

vernielde loc

Hoe dit inferno er zo gekomen was? De koloniale bezetter paste, toen hij het land werd uitgegooid, de taktiek van de ‘verbrande aarde’ toe. Het transportsysteem was makkelijk te saboteren. Met dynamiet en militaire explosieven werd zoveel mogelijk vernietigd. Een laatste afscheidsgroet van de Portugese bezetters. Cadeautje voor de nieuwe linkse regering van Samora Machel.

De haven zelf was er nauwelijks beter aan toe. Er stonden drie walkranen waarvan één in werking. Er lag één schip aangemeerd, ik herinner me zijn naam nog, de Jin Hui, geregistreerd in Panama maar waarschijnlijk een Chinees. Uit het ruim werd met grote tussenpauzes af en toe een hijs opgetrokken en aan de kant gezet. Aan de kant was: tussen allerlei rommel die er al stond. Van containers viel niets te bespeuren, evenmin als van rijdende apparatuur (bv. ‘olifanten’, of vorkheftrucs) om de goederen naar een stapelplaats te brengen.

haven wrakken

Af en toe een krakkemikkige vrachtwagen, doorgaans in legerkleur, zorgde voor de enige beweging. In deze toch niet onbelangrijke haven, de tweede stad van het land, waren op zicht niet meer dan tien mensen aanwezig, onszelf en de scheepsbemanning niet meegerekend.
Ik had kort voordien de haven van Havana bezocht en mij verbaasd over de geringe activiteit en de ouderwetse apparatuur. Maar vergeleken met dit was Havana een buitengewone prachthaven. Over een vergelijking met Antwerpen zullen we het maar niet hebben, dat zou oneerlijk zijn.

IN HET OERWOUD

We kregen briefings met facts and figures, maar vooral met de bede voor meer hulp. Intussen was de temperatuur in deze uithoek aan de Indische Oceaan aanzienlijk opgelopen. In no time waren we doorweekt van het zweet. We genoten een bescheiden lunch, met fruitsap, staande in een lommerrijke tuin van – als ik het goed heb – het voormalige Belgische consulaat.
En dan zouden we het platteland in de omgeving van Beira verkennen.

In de smalle hoofdstraat stond een lange rij van tien of meer jeep-achtige auto’s van diverse merken opgesteld. Onze gastheren hadden kennelijk alles wat voorradig was bij elkaar gemobiliseerd. Maar bij de eerste aanblik was al duidelijk dat we er lang niet met zijn allen in zouden kunnen. Niemand wilde toch maar iets missen van wat totnogtoe een uiterst boeiend bezoek was geweest? En nu zouden we het woud ingaan, het echte avontuur, met gedwongen achterlating van enkele tientallen compagnons? Het oproer grommelde. Eerst werd nog getracht in alle jeeps een maximaal aantal personen te proppen. Wie eenmaal zo een kruipplaatsje had verworven, weigerde dat te verlaten indachtig het oude gezegde ‘opgestaan is plaats vergaan’. Maar ook dan bleef er een aanzienlijke rest zonder transport. Dit dreigde een karikatuur van de  darwinistische struggle for life te worden.

De discussie met de Mozambikaanse organisatoren werd lichtjes onaangenaam. Konden we de verplaatsing niet in twee keer maken? Nee, de afstanden waren te aanzienlijk en we hadden al een pak tijd verloren, dat zouden we niet halen voor het donker. En in het donker was de streek absoluut onveilig. Legertrucks inzetten? Nee, die waren nodig voor het leger zelf. En waarom, zo opperde een Zuid-Afrikaanse collega, zouden we geen gebruik maken van de autobussen die ons voorheen van de luchthaven naar hier hadden gebracht?

Biera vismarkt haven

Het leek het ei van Columbus, maar de Mozambikanen sloegen de handen voor de ogen van ellende. ‘Die bussen rijden in de kortste keren vast, want het heeft geregend en de wegen in de bush zijn niet berekend op dit soort vervoer, alleen een 4X4 raakt er door.’ Nou, dan stappen we uit en duwen wat met zijn allen de bus eruit – dat kan toch geen echt probleem zijn? Van het een kwam het ander. Ik zag een flits van beheerste woede-met-bijgedachten, in de ogen van de Mozambikaanse hoofdonderhandelaar. ‘If you say so, we’ll call the buses.’ Ha.

We vertrokken goedgemutst: een kolonne jeeps en twee propvolle gammele bussen er achteraan. Ik zat in het laatste rijtuig, met een Belgische collega die ik daar bij toeval ontmoet had. We kwamen aan de rand van het woud, dat was prachtig en indrukwekkend. Bomen en groen, met tussenin op lege plekken hier en daar een hut, waarbij opviel dat de toegang en de omgeving netjes afgeborsteld waren ondanks de aanwezigheid van kippen en geiten. Proper en vredelievend volkje, die bushbewoners, wie zou ze kwaad willen?

REBELLEN

Daar kwamen we snel achter. We hielden halt in een dorp met een onuitspreekbare naam. Verwelkomd met zang en dans – uitsluitend van vrouwen en kinderen. Enkele hutten verderop zagen er verbrand uit, aan een driepoot hing een grote ketel met water te koken. Daarin zou een soortement thee in gemaakt voor de gasten. Toen kwamen de verhalen en gelukkig hadden we een vrouwelijke tolk in ons gezelschap, die varianten van het Shona beheerste.

Renamo rebels

Die verhalen. Je kunt ze niet bedenken in je ergste nachtmerries. De rebellen (Renamo/zie voetnoot 2) komen de dorpen binnen, zwaar bewapend en aggressief. De vrouwen worden verkracht, liefst met sadistische middelen. Bajonetten. Boomtakken. Kinderen worden niet gespaard. De rebels zijn op zoek naar de mannen, die zij hun tegenstanders achten. Die mannen zijn: soms het bos in gevlucht, soms verblijvend in de stad en werkend voor de regering, soms in het leger om actief de opstand te bestrijden, soms, je gelooft het niet, aangesloten bij de opstandelingen zelf om naburige dorpen te terroriseren.

Terreur is hier een eufemisme. Een vrouw toont haar bovenlijf: de borsten afgesneden opdat ze niet langer haar kind zou kunnen voeden. Een andere vrouw neemt plaats naast de ketel. ‘Twee dagen geleden kwamen ze hier, en dwongen mij om mijn kind in de ketel met kokend water te gooien. Nadien werd ik verplicht om het gekookte vlees van mijn baby op te eten. Ik wil dood. Ze komen terug, ze zullen terugkomen.’

Niemand heeft nog zin in de aangeboden thee. Ik sta te trillen op mijn benen, en ik ben niet de enige. Jan Nico Scholten wil persé mijn kleine bandopnemer helpen vasthouden – dat doen we dan maar met zijn tweeën. Het camoufleert enigszins onze bevende handen. We danken beleefd voor de ontvangst en vluchten weg van deze gruwel. De veilige bussen in. Althans, veilig. Is iemand ooit veilig in dit inferno?

LEVE HET LEGER!

We vatten de terugweg aan, het heeft intussen plaatselijk hard geregend, zo blijkt. We komen voorbij een paar dorpen die, voorheen nog netjes verzorgd, nu gewoon onder water zijn gelopen. Op de weg is het niet beter, misschien wel integendeel. Diepe kuilen, plassen als meren. Een tijdlang houden bus en chauffeur zich kranig, dan gebeurt wat moest gebeuren: we zitten tot aan de achteras in water en slijk. Iedereen stapt uit om te kijken hoe erg het is. Heel erg. We gaan duwen, met de moed der wanhoop. De zwarte begeleiders stappen de plassen in tot aan het middel, wij, blanken, duwen langs de droge zijkanten. Het helpt geen zier. Muurvast. Zo gaat een kwartier voorbij, een half uur, waarin het wel tot iedereen doordringt: het is onze eigen schuld. We waren gewaarschuwd. Ze hadden nog zo gezegd…

overstroomd dorp in de bush

De chauffeur blijkt over een boordradio te beschikken, daarin heeft hij vanalles geroepen. En plots komt vantussen de bomen vrijwel geruisloos een tank aangegleden. Een heuse oorlogstank van het Mozambikaanse leger – blijkt dat we de hele tijd al discreet door de strijdmacht waren begeleid en beschermd. Het laatste wat dit land zich kan permitteren is een internationale missie te laten afslachten door naamloze rebellen in het oerwoud.

En nu?  De tank zet zich achter de bus, de loop van het kanon wordt zijwaarts gericht, het vehikel raakt zachtjes de achterste bumper, geeft gas, en we drijven als in een droom uit en over de plassen. Moeiteloos. In de bus klinkt applaus, de tankkoepel gaat omhoog en twee zwarte en gehelmde gezichten glunderen. Een soort van D-Daygevoel overvalt me. Antimilitarisme is mooi maar soms kunnen legers nuttig zijn. Ze volgen ons tot we weer op de hoofdweg arriveren. Dan gaat de tank terug boswaarts, om dorpen te beschermen.

DORST DORST!! WATER!

Laat in de middag arriveren we in een voorstad van Beira, even troosteloos als de rest, maar we stoppen wel bij een bar! In ‘betere’ tijden moeten hier chique kolonialen, zakenlui en avonturiers champagne en whisky hebben genuttigd onder gigantische parasols. Van glorie valt niets meer te merken. Het zwembad ligt vol rommel en afval, we gaan naar binnen om de avondzon te ontlopen. De vochtigheidsgraad moet aan deze kust zowat honderd procent zijn. Het interieur bestaat uit een tapijt vol gaten en vlekken, stevige houten tafels en stoelen die kennelijk veel hebben meegemaakt en vuile lege glazen. Plus een zwarte barman die  steeds grauwer van ellende wordt, bij het zien van almaar meer aantredende blanke klanten – sommigen maken een nogal luidruchtige entree.

We bestellen iets, bier of cola, anderen iets sterks om de emoties door te spoelen. Er wordt weinig notie of zelfs maar notitie van de bestellingen genomen. De barman komt rond met een karaf water… Nee zeg, leidingwater van Beira, ik hoop nog een tijdje te leven, ik wacht wel op mijn biertje. Intussen heb ik echt dorst gekregen, vermoedelijk voor het eerst in mijn leven: mijn tong plakt aan mijn verhemelte, spreken wordt moeilijk, ik voel alle vocht als zweet mijn lichaam verlaten, ik kan nog nauwelijks mijn ledematen bewegen, amper nog denken, het lijkt wel alsof een rigor mortis mij overvalt. Lang hou ik dit niet meer uit, waar blijven onze consumpties?

Ernest Glinne

Ik zit aan tafel met het Waals Euro-parlementslid Ernest Glinne. Hij heeft de kwak water wel aanvaard en bijna helemaal opgedronken. ‘Neem een slokje’, zegt hij, ‘het zal je goed doen.’ Ik hou het glas onder mijn neus, de stank van chemicaliën is niet te harden, dit is smeriger dan drinken van de beerput. Hij stelt mij gerust, heeft zich discreet geïnformeerd. Het water is sanitair helemaal in orde, getest door betrouwbare labo’s. Ik verneem ook dat de Mozambikaanse bar-eigenaar nog wel een voorraadje bier en cola in de kelder heeft staan, maar hij weigert die aan ons te schenken, zelfs niet tegen riante betaling. Daardoor zouden zijn gewone klanten op zijn minst een maand komen droog te staan – de aanvoer van luxe-goederen is toch al zeer beperkt. We knikken, de man heeft overschot van gelijk.

Maar ook met water springt de barman zuinig om. Hij wil nog wel een tweede en laatste keer rondgaan met zijn karaf. Deze keer houd ik mijn glas hoog en drink het in een enkele teug leeg. De druk valt als een schelp van me af. Het kan me niet meer schelen of ik later ziek word, dat zien we dan wel. Het is niet gebeurd, zelfs geen spoortje van diarrhee.

Het afscheid van de Mozambikanen is even koel als de aankomst. Maar velen onder ons hebben een hoop geleerd over arme landen en hoe het er aan toe gaat. In het vliegtuig op de terugweg is het merkwaardig stil, hoewel de whisky vloeit om emoties door te spoelen. Alleen een Skandinavish parlementslid praat op hoge toon, is geskandaliseerd door zijn ‘mishandeling’ en dreigt er ‘een zaak van te maken’. Ik hoop dat hij de race-kak krijgt.

BESLUIT

Het Grande Hotel heb ik dus grandioos gemist. Je kan niet alles zien in één dag. Het moet er in 1988 al bijgestaan hebben als een ontzield karkas. Ongetwijfeld is het, net als het hoofdstation, in 1975 door de terugtrekkende Portugezen naar best vermogen gesaboteerd. Daarna kwamen vermoedelijk de ambtenaren van de Frelimo-regering aan bod. En tenslotte  zullen de restjes stiekem zijn ingepikt door de behoeftige bevolking.

Zo moet het gegaan zijn – zoals het gaat op vele plaatsen. Magic in a magical land.

http://www.youtube.com/watch?v=5IJ1YPQK2l


(1) De vereniging heet nu, na de veranderingen in Zuidelijk Afrika: AWEPA, Association of European Parliamentarians for Africa. Ze werd tot voor enkele jaren geleid door de Nederlander Jan Nico Scholten. Hij is opgevolgd door Miet Smet.

(2) FRELIMO en RENAMO
Mozambique is van in de 19de eeuw – en eigenlijk al sedert Vasco da Gama – een Portugese kolonie geweest. De uitbuiting bereikte een hoogtepunt onder de Portugese dictator Salazar. In de jaren 60 ontstonden bevrijdingsbewegingen. De belangrijkste was Frelimo (Frente de Libertaçao de Moçambique). Een concurrerende was Renamo (Resistencia Nacional Moçambicana). Die laatste werd gesteund door het blanke Zuid-Afrika, waar nog de Apartheid heerste, en waarschijnlijk ook door westerse machten waaronder de VS en Portugal zelf.  Toch won Frelimo in 1975, na het verdwijnen van Salazar, het pleit. De Portugezen werden op stel en sprong verdreven maar er ontstond wel een burgeroorlog. Frelimo riep de Volksrepubliek en zichzelf tot enige partij uit. Samora Machel werd president. In 1986 kwam hij om in een vliegtuigongeval. Onder zijn opvolger Chissano werden sinds 1990 wat dingen rechtgetrokken: nieuwe grondwet, meerpartijensysteem, verkiezingen (nipt gewonnen door Frelimo), Renamo gaf formeel zijn gewapend verzet op. Sindsdien komt Mozambique voornamelijk nog in het nieuws bij overstromingsrampen. Of als een Vlaamse filmer met camera en interesse passeert.

Entry filed under: Afrika, Ekonomie, Europa. Tags: , , , , , , .

HEEFT HET PAPIEREN BOEK NOG EEN TOEKOMST? (5) AANVULLING BIJ HET HANDBOEK VAN DE FARFELU

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.204 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: