HEEFT HET PAPIEREN BOEK NOG EEN TOEKOMST? (6)

april 21, 2012 at 6:22 pm Plaats een reactie

Natuurlijk beinvloedt de revolutie  van de informatie-technologie niet alleen hoe we vertellen maar ook wat we vertellen. Die twee zijn niet te scheiden.  “The media IS the message”, insisteerde Marshall McLuhan.  Ook al dreef hij die theorie veel te ver, hij had gelijk dat de media geen neutrale doorgeefluiken zijn; dat nieuwe media de communicatiepatronen en daardoor de hele maatschappij veranderen. En ook de inhoud van de media. In de volgende afleveringen van deze serie gaat onze aandacht naar de toekomst van de kunstvormen wiens bestaan innig verwoven is met het papieren boek.  Terwijl ik tijd zoek voor mijn volgende bijdrage, maakt salonbezoeker Remco Ekkers, dichter en letterkundige, op zijn eigen fugatistische wijze de balans op.  De illustraties zijn door mij gekozen. Veel leesgenot,

Tom Ronse

DE TOEKOMST VAN DE LITERATUUR

(een fugatische bespreking)

Door Remco Ekkers

De roman zoals wij hem nu kennen, waarin de psychologische ontwikkeling van de karakters centraal staat is niet zo oud. Vóór de vijftiende eeuw ging het om exploratie van de ruimte; na (en nog in) de eenentwintigste eeuw zal het gaan om een virtuele ruimte. Jos de Mul spreekt van een odyssee door de cyberspace. Het gaat daarbij om ‘de exploratie van de zich tot in het oneindige uitstrekkende ‘nonruimte’ van een in toenemende mate autonoom wordende ‘objectieve geest”.

De audio-visuele cultuur wint het van de schriftcultuur. Boeken komen in de musea terecht, naast het wastafeltje, het perkament en de lei. Bij de overgang van de orale naar de schriftcultuur was er verlies aan geheugenvaardigheid, maar winst van abstract denken. Bij de overgang naar virtuele tekst winnen we in elk geval de hele oude literatuur terug, die de laatste decennia uit de boekhandels en openbare bibliotheken verdween: het Gutenberg Project maakt alle literatuur gratis en gemakkelijk toegankelijk en wat meer is – door eenvoudige zoekfuncties kunnen we gemakkelijk op zelfgekozen kernwoorden of begrippen zoeken. Dat is een verbetering in vergelijking met de index die door de auteur in zijn boek is opgenomen. Een ander voordeel is het plaatsen van hyperlinks waardoor de lezer naar believen zijn informatie kan uitbreiden en verdiepen. Vroeger hadden we de noten die uitnodigden tot verdere studie, maar de hyperlinks vergemakkelijken ons zoekgedrag aanzienlijk. We moeten zelfs een zekere discipline opbouwen niet alles onmiddellijk na te gaan. Discipline en concentratie lijden wellicht onder het nieuwe zap-gedrag.

Interactieve teksten geven de mogelijkheid meerdere verhaallijnen te kiezen. De auteur heeft ze alle bedacht, maar de lezer volgt de voor hem aardigste of waarschijnlijkste of spannendste. Er bestaan ook interactieve films. Op een cd kan men kiezen voor een bepaalde hoofdpersoon, of een point of view. Dit is niet helemaal nieuw. Misschien herinnert u zich bij het vertellen aan uw kinderen, dat zij de mogelijkheid hadden de loop van het verhaal te kiezen. Ja, Klein Duimpje moest verdwalen en Sneeuwwitje at de giftige appel, maar in de door u zelf verzonnen verhalen mocht het luisterend kind wensen laten gelden. Dat begint al met de kreet: ‘Nee, het mag niet eng aflopen.’

Er zijn allerlei experimenten uitgevoerd waarbij de lezer zelf de volgorde van de te lezen hoofdstukken mocht bepalen. John Cage deed iets dergelijks met zijn muziek.
Een goede schrijver kan dit middel aanwenden om iets fundamenteels duidelijk te maken: bij de poging om een misdaad op te lossen, worden de mogelijkheden en dubbelzinnigheden alleen maar groter, waarmee de schrijver aangeeft dat de werklijkheid onkenbaar is.

Willen we als lezer wel alle mogelijkheden zelf kiezen of is de uitdaging van het volgen van een verhaal juist het volgen van de verbeelding van een ander? Als we zelf mogen kiezen, schrijven we wel ons eigen verhaal! Dat doen we overigens ook in toenemende mate: op blogs is het vertellen van verhalen wezenlijk gedemocratiseerd en ook uitgave van een bundeling verhalen is door ‘uitgave naar wens’ (print on demand) voor een ieder weggelegd.

De dagbladjournalistiek heeft het moeilijk: de oplages dalen, de advertentiemarkt levert steeds minder geld op. Een oorzaak is niet moeilijk aan te wijzen: gratis kranten werden veel gelezen; internet bood gratis nieuws. Een nieuwe generatie nam geen abonnement meer op een krant. Het antwoord van de kranten was gratis nieuws op hun eigen internetsite, maar dat verergerde waarschijnlijk het probleem. Zouden de kranten geleidelijk aan geld vragen voor hun diensten met internetabonnementen voor achtergrondgegevens, voor het archief, voor specifieke informatie, dan zouden de internetlezers daar nauwelijks op in gaan. De mensen die zulke informatie nodig hebben, vinden hun weg naar bibliotheken waar de info weer gratis is. (Of ze hebben nog een papieren abonnement en ze hebben geen zin in het dagelijks downloaden van de krant op hun e-reader, zoals de NRC als mogelijkheid biedt, omdat de papieren krant voor dat soort ouderwetse mensen plezieriger is.) De papier-generatie sterft echter uit.
Er is nog een ander, ernstiger probleem. Het grote publiek kreeg een afkeer van moeilijke informatie ( en werd zo eigenwijs dat het dat niet erg vond!). De goede kranten werd intellectualiteit verweten. Zij hadden geen oog voor wat het volk bezighield. Het volk wilde geen genuanceerde verhalen over allochtonen. De Telegraaf had dat allang begrepen, samen met sommige regionale kranten. Zij bleven verhoudingsgewijs populair. De pers die meer aandacht besteedt aan zogenaamde BN’ers, aan sensatie en sex is altijd al groter.
En nog iets: de nieuwsvoorziening democratiseerde radicaal door het mobieltje, door sms-en, msm-en, getwitter, blogs etc. De burger nam foto’s van rampen en stuurde die snel vermenigvuldigend rond. YouTube biedt iedereen de kans zelf het nieuws te verspreiden en desnoods te maken. Objectiviteit leek niet meer gewenst, ‘waarheid’ werd een achterhaald begrip, diepgang moest wijken voor snelle hypes.

Met de literatuur gebeurt hetzelfde. Het schrijven democratiseert. Laat alle rozen bloeien. De mooiste rozen krijgen wellicht de meeste aandacht. Of zullen het de stekeligste rozen zijn?
Twintig jaar geleden zei ik tegen mijn studenten dat hun kinderen geen of nauwelijks meer papieren boeken zouden lezen. Ze zouden een klein apparaat hebben, ongeveer zo groot en zwaar als een ouderwets boek, maar met de mogelijkheid om de letters groter te maken, om alle woorden en begrippen op te zoeken in een enorme wereld-encyclopedie. Het apparaat zou het mogelijk maken overal, ook op het strand te lezen, welke boeken men maar wilde. Je zou een bibliotheek in je vingers hebben. De luie lezers konden op de vloer gaan liggen, kussen onder het hoofd, en de tekst projeteren op het plafond, of met ogen gesloten de tekst laten voorlezen door een auteur of acteur naar keuze.
Mijn studenten geloofden het niet. Het papieren boek zou volgens hen nooit verdwijnen. Je wilt toch een boek in je handen houden, de geur van drukinkt opsnuiven?
Verdwijnen? Nee, zoals de ganzeveer nog bestond, het leitje en de griffel, de schellak-grammofoonplaat, paard en wagen – alles bleef nog bestaan, maar als herinnering vooral, museaal. Boekhandels verdwijnen, boekenkasten.
En de uitgevers? Die behielden hun functie als poortwachter, doorgeefluik, kwaliteitsbewaker en niet te vergeten redacteur.
Nu zijn er al honderdduizend e-books te verkrijgen en de apparaten zijn goed leesbaar in allerlei omstandigheden en ze worden steeds goedkoper. Men neemt al 300 boeken mee op vacantie voor elke stemming en doelstelling of situatie. Onlangs werden al meer boeken in virtuele vorm verkocht dan op papier.
Het aantal te laden boeken is al duizelingwekkend.
Of dat zo’n voordeel is? We verzuipen in de mogelijkheden. Maar dat zijn we nu wel gewend. Denk eens aan alle tv-kanalen die je thuis kunt ontvangen. Je maakt je keuze en laat alle andere mogelijkheden aan de anderen.
Een feit is dat de middelbare schooljeugd steeds minder leest en steeds vaker verhalen tot zich neemt als film, tv-serie, kijkspel (videogame).
Kijkend naar een goed gemaakte 3D-film heb je de illusie dat je werkelijk aanwezig bent in het beeld, aan de rand van een ravijn, of zwevend in de lucht op de rug van een grote vogel. In een computerspel maak je een avontuur mee. Je kiest een plaatsvervanger, een avatar, en reist met hem door de jungle. Je stuurt hem met behulp van knoppen. Je verplaatst je avatar, maar je verplaatst je ook in de avatar.

Is er een wezenlijk verschil met het je verplaatsen in Odysseus die de grot van de cycloop inloopt, hem bedriegt en later uitdaagt als hij wegvaart? Je voelt de angst als de cycloop grote stenen gooit naar het schip van Odysseus. Je voelt van binnenuit zijn verlangen naar huis als hij uitkijkt over de zee, terwijl hij nog in de macht is van Kalypso. Dit geldt voor alle literatuur; je bent als je ‘De Koperen Tuin’ leest Nol die verliefd is op Trix of Alice in Wonderland die verward wordt door de Hoedenmaker. Je verhuist naar de wereld achter de spiegel. Je leeft je in.
De 3D-film leidt je inleving met grote kracht door het ruimtelijke beeld, dat natuurlijk nog versterkt kan worden door geuren. In de nabije toekomst zet je een helm op en beleef je een bijna reële ervaring: visueel, auditief, sensitief. Hoe ver is het nog naar de virtuele orgastische ervaring, die de werkelijkheid kan overtreffen en in elk geval de weerzinwekkende exploitatie van ongelukkige vrouwen naar een primitieve historie verwijst, zoals de slavernij?

Verhalen zullen blijven bestaan; het fictioneel beleven van avonturen lijkt van alle tijden, maar waarom zou je nog een papieren boek met drukletters ter hand nemen als er zo veel krachtiger media op je pad komen?
Bioshock is de naam van een videogame. Het verhaal speelt in de stad Rapture, waar briljante denkers en wetenschappers tot nieuwe vondsten moeten komen, zonder gehinderd te worden door de ethiek en dus ook niet door de politiek. De bedenker is Andrew Ryan. De inwoners gaan echter te ver in de genetische aanpassingen. Ze verworden tot een soort monsters. Het vervolg van Bioshock speelt tien jaar later. De stad is vervallen. De bedenkers willen de spelers (een soort nieuwe lezer) voor morele keuzes stellen. De actie van de lezer heeft een grote invloed op de loop van het verhaal. De speler wordt een soort auteur. Er worden belangrijke vragen gesteld, als ‘Waar komt het leven vandaan?’ en ‘Waarvoor dient de mens?’ en ‘Is het ethisch juist om de mensheid genetisch aan te passen om het superieure ras te blijven?’ De speler moet, volgens de bedenker van het spel, gaan nadenken over zijn waarden en normen.

Het is goed denkbaar dat een nieuw soort literatuur wordt ontwikkeld dat de lezer (geen speler) voor keuzes stelt: wat doet de hoofdpersoon in geval x.? De lezer kan kiezen uit meer mogelijkheden: hij verlaat zijn minnares of hij neemt haar mee naar een ander land. Groenland of Madagaskar. Onderweg sterft een vijand of er komt een vijand bij. Een vriend liegt of redt.
Je moet je hierbij natuurlijk afvragen of de lezer dat wel wil. Hij zal denken: dan kan ik zelf wel een verhaal concipiëren. Daar heb ik geen zin in. Ik wil me laten veroveren door de fantasie van een schrijver. Ik wil me laten betoveren door zijn stijl.
En ook: een boek waarvoor je moeite moet doen, dat eisen aan je verbeelding stelt, geeft een diepere bevrediging. Dat is een algemene wet. Een perfect geprogrammeerde liefdesrobot, met geur, geluid, ‘gevoel’, motoriek etc. is ondraaglijk vervelend. We verlangen dan al gauw naar een partner die weerstand biedt, die eisen stelt, een partner bij wie je je best moet doen.
Een weerstandloze wereld, een wereld die onmiddellijk al je oppervlakkige wensen inlost, leidt tot een even grote eenzaamheid als een spiegelpaleis.
Een belangrijk deel van je geluksgevoel komt voort uit het feit dat je er voor moet werken.
In ‘Brave new world’ krijg je wat je kunt krijgen en wat je niet kunt krijgen wil je niet, zo ben je in die wereld geprogrammeerd.
De paradox van het leven is dat het omgaan met gemis of gebrek je gelukkig kan maken.

Uit het juryrapport van het Hendrik de Vriesstipendium (2010):
‘Ralph Aarnout benut het stipendium voor een onderzoekverslag, een bundeling van stukken als resultaat van zijn uitvoerige project Het idee van geld. Het aardige van het plan is de recurrentie, de terugkoppeling. Hij laat de lezers niet alleen het succes bepalen, maar ook sturen. Hij gebruikt het medium interactief en past daarmee in een nieuwe ontwikkeling van de literatuur, waarin lezers de plot kunnen bijsturen en de schrijver verschillende lijnen naast elkaar uitzet.’

In de NRC probeert Joris Luyendijk een nieuw soort column uit. Hij prikkelt de lezer tot reactie en laat zich daardoor sturen. Hij werkt ook met een soort aandelen.

De Finse schrijfster Monika Fagerholm zegt: ‘Alle boekketens in Skandinavië zijn in Amerikaanse handen. (…) Als je uit een marginaal deel van Europa komt (…) zie je dat de beste boeken nooit in andere landen worden vertaald: ze verkopen niet. (…) Ja, de thrillers van Henning Mankell, die worden vertaald. Mankell is een goed mens, maar er zijn tienduizend betere Skandinavische schrijvers.’
Toch zal door het enorme en verscheiden aanbod en door de geringe kosten de mogelijkheid bestaan dat ook het zeldzame boek ter beschikking blijft, meer dan in het verleden, waar de kosten van opslag en distributie een negatieve rol speelden. Nu zegt Bol.com dat de winst van de staart van het aanbod toch lonend is.

Leon de Winter keert zich af van de uitgevers. Hij gaat zijn boeken on line aanbieden. Je kunt zijn teksten kopen en downloaden. Heeft hij al een adekwate bescherming van zijn geestelijk eigendom uitgedacht en in praktijk gebracht? Ik vermoed dat hij daar nu mee bezig is. In elk geval biedt hij andere auteurs, ongetwijfeld tegen betaling, de ruimte om ook hun teksten via zijn site te verkopen. Gaat hij een eigen selctie toepassen. Hoe ruim is zijn toelatingsbeleid? Of kan het hem niet schelen en laat hij de markt zijn werk doen? Kan het hem wat schelen dat een kwalitatief goede tekst over een onmodieus onderwerp slecht verkoopt en een cliché-matige tekst die om welke reden dan ook populair is goed? Hij hoeft geen opslagruimte te bouwen. De virtuele ruimte is goedkoop en onbeperkt uitbreidbaar.

Dit is de praktische, materiële kant van de zaak. Hoe gaat het verder met de literatuur? Nu naar het lezen, het tot zich nemen van een verhaal middels letters.
Eerst deze vraag. Waarom leest men een fictioneel boek?
Men wil zich ontspannen, zich laten vermaken, plezier of spanning beleven.
Men wil zich laten informeren: hoe voelt het om slaaf te zijn? Wat betekent het leven in lawinegevaar? Hoe is het als je verliefd wordt op je eigen zus of dochter?
Wat betekent het verlangen naar een nieuwe shot heroïne?
Men wil gevoelens beleven: liefde, angst, veronwaardiging, medelijden etc. Men wil voelen dat men leeft.
Men wil zich laten inspireren tot bepaald gedrag, tot het zelf creëren van een fantasieprodukt.
Men wil schoonheid beleven.
Al deze wensen kunnen net zo goed en wellicht beter bevredigd worden door een film. Alleen als men met schoonheidsbeleving bedoelt, die van taal, lijkt literatuur het meest geschikt, hoewel een voordracht van een tekst zelfs dan meer adekwaat is.

Boekhandels zullen verdwijnen. Boekenkasten verliezen hun functie. Bibliotheken zullen dataleverantiers worden.
Volgens sommigen is de kwaliteit van de literatuur in Japan door de populaire vormen van entertainment zoals manga en anime sterk achteruit gegaan. Geldt dit niet ook in het Westen?
Het grote voordeel van p.o.d. en van internet-boekhandels is dat alle boeken continu verkrijgbaar zijn, in tegenstelling tot de praktijk van vandaag. Een boek ligt een maand in de boekhandel en verdwijnt dan naar de ramsj, tenzij het een bestseller is gebleken. Veel goede boeken verdwijnen dus veel te snel uit zicht en krijgen geen tweede kans meer.
Literatuur speelt geen rol van betekenis meer in het maatschappelijk debat. In het onderwijs is de literatuur gemarginaliseerd en ook op de televisie wordt er nauwelijks nog tijd voor gemaakt. Je kunt overigens net zo goed stellen dat er te veel aandacht wordt besteed aan literatuur, een aandacht die niet in overeenstemming is met de wensen van de tv-kijker. De schrijver-als-rolmodel heeft het veld moeten ruimen voor de filmster en het popidool.

Marx (1966), literatuurdocent aan een Franse universiteit, onderzocht waarom literatuur – schrijven én kritiek – geen rol van betekenis meer vervult. Ze is nog slechts bijvak van culturele studies, en popsterren zijn meer in tel dan zelfs populaire schrijvers. Dat was in de achttiende eeuw anders: literatuur werd een vervangende religie, de schrijver hogepriester. Volgens Marx werd de schrijver hoogmoedig en voelde zich verheven boven de massa.

Elke cultuur heeft zijn eigen literatuurbegrip. Literatuur geeft een beeld van wat men waardevol vindt in een gemeenschap en dat heeft alles te maken met de belangen van de groep die beeldbepalend zijn. Bij ons, sinds de romantiek, speelt de emotionele waarde een grote rol. Men verlangt nu van een tekst dat hij meerduidig is, ambigu. Een eenvoudige verwijzing naar of afbeelding van de werkelijkheid wordt minder gewaardeerd. Een belangrijk verschil met vroeger is het belang van oorspronkelijkheid en authenticiteit. In de middeleeuwen was trouw aan een genre, navolging, bijna een literaire eis.
Wat vragen we nu van een literaire tekst? Hij moet ons boeien of vermaken en hij moet nuttig zijn, je moet er iets van opsteken. Deze eis werd al gesteld door Horatius (utile dolce).

Of een tekst de lezer boeit hangt af van de nieuwswaarde, maar ook van de vorm. De tekst moet een esthetische waarde hebben; de lezer moet, eenvoudig gezegd, de tekst mooi vinden, maar dat heeft natuurlijk alles te maken met zijn scholing en verwachtingspatroon. Wat de een mooi vindt, vindt de ander saai of juist te moeilijk. Veel scholieren vinden literatuur saai. Ze hebben er geen tijd voor en zeggen dat ze liever de film zien. Daar komt bij dat de ‘attention span’, de concentratie-periode, geringer lijkt te worden. Hoe lang kunnen scholieren zich concentreren op een tekst. Ze zetten bij voorkeur dunne boekjes op hun lijst, die ook al steeds magerder is geworden.

Ik lees een boek omdat het me langer in zijn greep houdt, omdat het boek me vaak dieper raakt, omdat de vereiste concentratie groter is. Behoor ik tot een uitstervende soort? Een film over ‘De Toverberg’, hoe goed ook, heeft voor mij niet dezelfde kracht – in duur en intensiteit – als het boek. In hoeverre behoorde ik altijd al tot een minderheid? Zullen de komende decennia lezers blijven bestaan met eenzelfde oordeel?

‘Literatuuronderwijs is iets ‘van oude menschen’, waar we de opgroeiende generatie niet te veel mee mogen lastigvallen. ‘ (Daniël Lechner. Hij promoveerde op de klassieke Bildungsphilosophie en is werkzaam als senior docent Mediapedagogiek bij het Kenniscentrum Pedagogiek Zwolle van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden. )
De minister van onderwijs had het bij een forum over literatuuronderwijs over zijn lijst op de middelbare school en over bevlogen leraren, maar Daniël Lechner schrijft: ‘Je moet er toch niet aan denken. Al in mijn eigen schooltijd, zo’n twintig jaar geleden, had ik wel wat beters te doen dan te luisteren naar de eindeloze uitweidingen van mijn leraar Nederlands over Bernlefs Hersenschimmen, een boek over demente bejaarden. En kwam ik nauwelijks door de zeventig boeken heen die ik verplicht lezen moest. Omdat toen al, zoals een Duitse pedagoog het noemde, ‘de wereld in 1.000 richtingen interessant’ was. En toen bestonden de dvd, sms, msn, Youtube, GeenStijl en Hyves nog niet eens.’

Literatuur werd na de uitvinding van de boekdrukkunst een belangrijk middel voor informatievoorziening, een middel om te ontroeren, om inzicht te krijgen in ethische vraagstukken en natuurlijk om de taalvaardigheid te vergroten. Nu kunnen deze functies worden overgenomen door beeldende media, waarbij het orale / auditieve karakter van literatuur weer wordt benadrukt. En de taalvaardigheid dan, het inzicht in effectieve patronen? Dat zal meer dan in de twintigste eeuw aansluiten bij het mondeling taalgebruik.
Daar komt bij dat het exclusieve karakter van schrijven is verdwenen. Iedereen, nou ja een grote groep, kan schrijven en doet dat ook op blogs en ze geven hun teksten uit, zonder bemoeienis van ‘elitaire’ uitgevers, op internet of in kleine oplagen op papier middels print-on-demand-technieken.
Worden daarmee de werken van grote en belangrijke schrijvers minder waard? Nee natuurlijk, al moeten we ons wel realiseren dat de dag voor ons niet langer gaat duren: de tijd is beperkt.

Een parallel uit de muziekwereld.
Glenn Gould had het over een revolutie in het beluisteren van muziek. In de concertzaal wordt de wil van de dirigent dwingend aan je opgelegd; thuis heb je de mogelijkheid te spelen met het geluidsniveau en – afhankelijk van je apparatuur – met tempo, klankkleur etc. Hij vindt dat het belangrijk is dat de luisteraar zijn eigen creativiteit kan inzetten.
Zo is het in de toekomst met de literatuur: via de computer kan de lezer interactief met de schrijver zijn creativiteit inzetten. Iedereen zijn eigen boek, met een zelfgekozen plot, zelfgekozen hoofdpersoon, perspectief, stijl. Anderen zullen zeggen: dat wil ik niet als ik lees of op een andere manier literatuur tot mij neem: ik wil me laten meeslepen, of zelfs betoveren door een auteur.

Er is een literatuur die zich altijd zal onttrekken aan de voorspelbaarheid, aan de commercie, aan het vermaak: de literatuur die geen vrijblijvend tijdverdrijf is.
Waarom lees ik? Ik vroeg het al eerder en ik gaf allerlei antwoorden. Uiteindelijk lees ik niet om me te vermaken, niet om de tijd te doden, niet om me te laten verontrusten, niet om antwoorden te vinden.
Wat is de werkelijke betekenis van het lezen van verhalen? Wij lezen omdat wij zoeken, niet omdat wij weten wat waarheid is. (Marleen van Niekerk)
Ik lees omdat ik – net als de schrijver – een nieuwe werkelijkheid wil scheppen. Ik wil een stem horen, die door de woorden heen tot mij komt, van een bewustzijn dat groter is dan ik, een stem die me deelgenoot maakt van een onbegrijpelijke alomvattendheid.

Nog één keer:
Einde van de literatuur?
Nee, de literatuur kruipt waar zij niet gaan kan. Kleine, niet commerciële uitgevers blijven bestaan. Het internet zorgt er voor dat geïnteresseerde lezers toch vinden wat ze belangrijk vinden. En er zullen in toenemende mate andere dragers van het verhaal komen, virtueel met 3D-beeld, geluid, geur, tactiele sensaties.

En over tweehonderd jaar?
Ik voorspel dat mensen – als ze er nog zijn! – elkaar verhalen zullen vertellen middels technieken waar we nu niet van kunnen dromen.

En de poëzie, gedichten? Gedichten zullen altijd blijven bestaan. Ik hoop dat iemand over tweehonderd jaar hardop leest, en voelt en ruikt en proeft, alsof het gedicht een geliefde is.

Gedicht

Ik wil je steeds weer
proeven op mijn tong
laten dansen in de lucht
aan het eind van de regel.

Het is niet genoeg als
ik weet dat je bestaat.
Niet hoe je voelt, maar klinkt
een precieze foto van vormen

in juist die ene constellatie
en dan pas hoe dat voelt.
Je bent er als ik je uitspreek.
Je groeit als ik je hoor gaan.

Vorige afleveringen in deze serie:

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2012/04/10/heeft-het-papieren-boek-nog-een-toekomst-5/

 en verder HIER, HIER  HIER  en HIER .

Entry filed under: boeken, Samenleving, Uncategorized. Tags: , .

AANVULLING BIJ HET HANDBOEK VAN DE FARFELU DE VERLEIDING VAN HET LIJDENDE FRANKRIJK

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.204 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: