OE NOEMDE GIJ?

september 16, 2012 at 5:32 am 6 reacties

Tussendoorse bedenkingen over tussentalen

De drie academici die een lans braken voor de zogenaamde tussentaal hebben heel wat stof doen opwaaien. De taalpuristen steigerden, vonden het een capitulatie in de strijd tegen de taalverloedering. Het voorbeeld van die verloedering dat het vaakst ter sprake kwam, was het verkeerd gebruik van het werkwoord noemen, zoals in de titel van dit stukje. De verdedigers van de tussentaal vonden dat er niets mis aan is om noemen te gebruiken als synoniem voor heten. Hoe noem jij?, moet kunnen. Maar in de tussentaal zeggen we: Oe noemde gij. Ook daar is niet mis aan. ‘Oe’, waarom niet, in andere talen zoals het Spaans wordt de geschreven ‘h’ ook niet uitgesproken. Als de Vlamingen (Limburgers uitgezonderd) collectief hebben besloten om even lui te zijn als de Spanjaarden, wie bent u om dat aan te vechten? ‘Gij’ is op zich niet slechter dan ‘jij’. ‘Noemde’ ipv ‘noem’ is te verantwoorden omdat het de zin een betere kadans geeft. In de spreektaal natuurlijk maar tussentalen zijn dat per definitie. De meeste Vlamingen zeggen ‘gij’ maar schrijven ‘jij’. ‘Jij’ zeggen of ‘gij’ schrijven voelt verkeerd. We hebben een gespleten taalgevoel.

De taalpuristen hebben gelijk dat er wel degelijk een verschil is tussen noemen en heten; het eerste is actief, het tweede passief. Het is dus fout om noemen in de passieve betekenis te gebruiken. Maar een taal leeft en verandert op een manier die door geen taalonderwijs gecontroleerd kan worden. Soms wordt een fout woordgebruik algemeen ingeburgerd en dan is het geen fout meer. Soms verandert de betekenis van een woord. Dat gebeurt in alle talen. En dat is wat er blijkbaar met ‘noemen’ is gebeurd. Oorspronkelijk had het enkel een actieve betekenis, nu wordt het zowel actief als passief gebruikt. Tenminste in Vlaanderen.  Ik heb het opgegeven om mensen op hun foutief gebruik van noemen te wijzen. Het is vechten tegen de bierkaai. Het volk heeft beslist. Het zij zo. Iedereen, Vlaanderen incluis, heeft recht op zijn eigenaardigheden.

Voor mij is de tussentaal mijn moedertaal. Dialect leerde ik van vriendjes op school en in het dorp, de standaardtaal van dictielessen en televisie. Ik kon min of meer converseren in beide maar het bleef  een later aangeleerde taal waar je je niet echt helemaal thuis in voelt.  Toen ik een kind was, was het gebruik van de tussentaal nog eerder uitzonderlijk in Vlaanderen. Vandaag is het veel algemener geworden.  Er bestaat natuurlijk niet één tussentaal maar een heel gamma van varianten tussen de dialecten en de standaardtaal. Deze laatste is, om historische redenen, gebaseerd op het Hollands. Daarom bestaat het fenomeen tussentaal in Nederland veel minder. De standaardtaal lijkt beweeglijker, meer levend als ze uit de mond van een Nederlander komt.  Als ze door een Vlaming wordt gesproken lijkt ze stroef, gemaakt, manieristisch.

De tussentaal lijkt vaak schraler dan zowel dialect als standaardtaal. Ze  mist de rijke voedingsbodem van beiden.  Ze mist hun spontaneiteit want ze komt tot stand door onderhandelingen; ze is ontstaan en groeit als communicatievorm tussen de streken met hun verschillende dialecten en de officiele instanties en cultuurdragers. Omdat die interactie steeds toeneemt, wint de tussentaal voortdurend veld.  Voor mijn ouders was de tussentaal de logische voertaal: ze kwamen uit verschillende streken en woonden in een streek waar ze geen van beiden vandaan kwamen. Steeds meer Vlamingen bevinden zich in die situatie. De tussentaal is niet te stuiten.

De tussentaal mag dan schraler zijn, ze is ook creatief. Ze moet dat wel zijn, om de communicatie tussen de verschillende Vlaamse dialecten mogelijk te maken. Ze is hybride, absorbeert invloeden van zowel dialecten als standaardtaal en maakt er iets nieuw van. Een misbaksel? Misschien. Alleszins ‘a work in progress’, een levende taal die het Vlaanderen van vandaag reflecteert.

De Vlaamse spreektaal is niet minderwaardig aan de noord-Nederlandse. Mooier of lelijker, dat is een kwestie van smaak. Maar er is geen reden waarom ‘goesting’ minder correct zou zijn dan ‘zin’ of zelfs waarom ‘klappen’ slechter zou zijn dan ‘praten’. Net zoals ‘truck’ niet slechter is dan ‘lorry’. We hebben mooie tussentaalse woorden en uitdrukkingen zoals ‘amai’. Het heeft geen zin om ‘foute’ gallicismen  en anglicismen te bestrijden als die deel geworden zijn van het algemeen spraakgebruik. Zo is het volgens de standaardtaal fout om te spreken over ‘een tas koffie’ omdat ‘tas’ van het Franse ‘tasse’ komt. Maar als quasi-iedereen het zegt is het niet fout meer; de maatschappij heeft de betekenis van het woord daadwerkelijk verruimt. Dat is haar goed recht. De taal is van ons, niet omgekeerd. Ik ben ook voor tolerantie voor grammaticaal oncorrecte uitdrukkingen, zoals ‘moest ik..’ om een voorwaardelijke wijs uit te drukken, als ze algemeen zijn geworden. In de spreektaal verkies ik ‘gij’ boven ‘jij’ en ‘manneke’ boven ‘mannetje’ en gebruik ik vaak (dikwijls, zou ik zeggen) ‘ne(n)’ in plaats van ‘een’ (enkel voor mannelijke woorden, de tussentaal heeft ook haar regels. Het is een manier om uit te vissen of een woord mannelijk of vrouwelijk is).

De tussentaal heeft haar regels maar die hoeven niet gecodifieerd te worden. Ze is per definitie in beweging, onstabiel. Ze maakt een conversatie mogelijk tussen Vlamingen en is ook voor noord-Nederlanders min of meer begrijpelijk. Op de BBC hoor je reporters met Schotse, Australische, Indische accenten. Sommige blazen de ‘h’ aan en anderen niet, sommige rollen de ‘r’, anderen slikken ze in etc. Moet kunnen, tegenwoordig. Engels is een enorme tent met plaats voor honderd varianten.  Onze taal moet even accomoderend zijn.

Er zijn andere landen waar het tussentaal-fenomeen even sterk leeft als in Vlaanderen. Duits Zwitserland bijvoorbeeld, of Quebec. In dat laatste land is er zoals bij ons een brede kloof tussen dialect en standaardtaal. Ook daar wordt een tussentaal (verkavelingsfrans, zou Geert Van Istendael zeggen) de algemene voertaal.

Gelukkig proberen de Quebecers niet om van hun variant van Frans ook een schrijftaal te maken. Gelukkig doen wij Vlamingen dat ook niet. Zij en wij blijven dus afhankelijk van de standaardtaal. Dat impliceert dat die in het onderwijs correct moet aangeleerd worden. Het is de eenheidstaal van ons ruimer taalgebied, gebrek aan kennis ervan is een handicap. Maar ook de standaardtaal moet leven. Ze moet soepel en breeddenkend zijn, veranderingen en varianten in zich opnemen.

Tom Ronse

Entry filed under: Taal. Tags: .

CYBERWAR and SPEC OPS (deel 4, sluipwapens) HET ANTI-AMERIKAANSE VUUR

6 reacties Add your own

  • 1. Johan Depoortere  |  september 16, 2012 om 7:52 am

    De discussie over taal/tussentaal komt me inmiddels kilometers de strot uit. Voor mijn part ‘klapt’ de Vlaming Hottentots, maar laten we dan ook ophouden dat taaltje “Nederlands” te noemen.

    Beantwoorden
  • 2. tomasronse  |  september 16, 2012 om 4:46 pm

    Ah, Johan, da’s lang geleden. Blij dat je nog eens iets de moeite waard vindt om commentaar op te geven.

    Beantwoorden
  • 3. Johan  |  september 17, 2012 om 7:51 pm

    Hartverwarmend om in het Salon een genuanceerde visie op de taalvarianten in Vlaanderen te lezen. Meestal zijn de neo-cons à la Doornaert en de oud-linksen à la Zinzen (bien étonnés de se trouver ensemble) het roerend eens als ze kunnen schelden op de omgangstaal van de Vlamingen.
    Met “schraler” en “rijke voedingsbodem” zou Tom toch moeten uitkijken. Mijn dialect is logischerwijs “schraler” dan het dialect van mijn ouders en zijn voedingsbodem van de agrarische samenleving is aan het verdwijnen.
    En, Johan, kijk uit: “hottentots” was de scheldnaam van de Afrikaner kolonisten voor de taal van de Khoikhoi. Schelden op een taal zoals Van Istendael en Barnard dat doen, is toch wel een beetje beneden je waardigheid als taalkundige, nee?

    Beantwoorden
  • 4. Miche Van Tricht  |  september 18, 2012 om 9:20 am

    Toch een opmerking. Mijn Marokkaanse poetshulp, mijn Assyrische buren, mijn Russische stapvriendin, stellen het op prijs dat ik probeer Nederlands te spreken met hen. Zij vinden het heel moeilijk om onze taal te leren omdat iedereen rondom hen een ander Nederlands gebruikt .

    Beantwoorden
  • 5. Panama  |  september 27, 2012 om 5:13 pm

    Van alle omroepmedewerkers wordt verwacht dat ze voor de microfoon een verzorgde standaardtaal spreken. Al wie namens de omroep spreekt – een journalist, reporter, interviewer, commentator, presentator, quizmaster – doet dat in de standaardtaal, niet in het dialect of in tussentaal. Typetjes die als zodanig duidelijk herkenbaar zijn, vormen hierop een uitzondering.

    Beantwoorden
  • 6. Wat heeft onze taal toch misdaan? | Salon van Sisyphus  |  december 5, 2013 om 8:13 am

    […] Meer over dit onderwerp in het Salon leest u HIER […]

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.205 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: