KUIFJE IN KOERDISTAN (3)

december 1, 2012 at 9:24 am 1 reactie

In de derde en laatste aflevering van zijn reisverslag over de Koerdische autonome zone in noord-Irak,neemt MARIJN SILLIS ons mee naar een kamp voor vluchtelingen uit Syrie.

1 kamp 2 cropped klein

3.

VAN DE REGEN IN DE DROP

“Er is geen Syrisch leger, er is alleen het leger van Assad. En dat bestaat onder meer uit  Koerdische jongens zoals wij die van de straat geplukt worden om dienst te doen als kanonnenvlees.”  Aan het woord is Ahmed, 27 jaar oud. De plaats: een verweerde moskee waarin zo’n zeshonderd van zijn lotgenoten zijn samengetroept. De meesten staren doelloos voor zich uit. Buiten het gebedshuis: honderden troosteloze tenten. In dit vluchtelingenkamp in de Koerdische Autonome Regio leveren duizenden Koerdische Syriërs een dagelijks gevecht tegen hitte, verveling en wanhoop.

 

Wanneer de huwelijkseuforie (zie vorige aflevering) voorbij is, durf ik Salar die ik nu al élke dag gezien heb, vragen om me naar Domiz te voeren. Het dorp ligt op een kwartier van Dohuk en herbergt een Syrisch vluchtelingenkamp. Vader Saleh probeert me tactvol op andere ideeën te brengen, m’n trouwe gids niet. Hij brengt ons naar het plaatselijke departement voor immigratie, om toestemming te vragen. ‘Geen probleem,’ klinkt het, in dit land het antwoord op zowat elke vraag.

Hoe verder we wegrijden van Dohuk, hoe desolater het landschap wordt. Salar lijkt het kamp niet meteen te vinden, tot in een verlaten dorpje out of the blue de drukte toeneemt: hoewel we de verharde wegen verlaten hebben, zijn en er plots massa’s autootjes en voetgangers. In de verte doemen in het woestijnachtige decor beige-bruine tenten op . Ik verwacht prikkeldraad en poorten. In de plaats daarvan zie ik een nutteloze, openstaande slagboom en een agent die ons een beetje verward maar vriendelijk toelacht.

kamp 1

Terwijl de nerveuze Saleh naar een barakje holt om nog maar eens verantwoording af te leggen, bots ik op een meterslange muur van mannen en kinderen. Hun potten blinken, hun ogen zijn uitgeblust. Links en rechts hoor ik een ‘hello, my friend’, in de verte klinkt gebrom. Op een met brood volgestouwde pick-up maakt een man zich boos op enkele omstaanders. Hij wil kalmte, zij eten.

Ik word overvallen door een hitte die ik niet verwacht had: ik vertoef al verschillende dagen in 35 graden, en toch voel ik de temperatuur hier toenemen – door het blakerende zand, door de dampende mensenmassa. Saleh, die ons opnieuw vervoegd heeft, wiebelt nerveus heen en weer. Dat ik snel een fotootje mag nemen, uiteraard, maar dat we dan toch wel weer weg zijn? Ik ben blij als een stem me onverwacht een tentje binnenroept – al is dat gevoel even snel weer verdwenen. Ik krijg een bekertje water van Mohamed en Ahmed, twee broers die elk met hun vier kinderen in het kamp verblijven.

De tent van Mohamed en Ahmed

De tent van Mohamed en Ahmed

Mohamed: «We komen uit Damascus en zijn hier nu twintig dagen. Het was een tocht van twintig uur, in een klein autootje. Normaal doe je die afstand in tien uur, maar we moesten de gevechten ontwijken — wat zouden wij, gewone burgers, tegen pantservoertuigen en vliegtuigen kunnen? Onze ouders hebben we moeten achterlaten: de reis is te ver en te zwaar voor oude mensen.

We hebben in dit kamp één matras en vier dekens gekregen. En hier zitten we dan, in de hitte. Het enige wat we kunnen doen: liggen en staren. En compleet radeloos toekijken hoe onze kinderen in deze tent aan deze temperaturen levend gekookt worden. Alsof die ellende niet volstaat, heeft mijn dochtertje ook nog kanker in haar hoofd.”

Het is de reden waarom ze me binnengeroepen hebben – of ik hen niet kan helpen. Ik vraag hoelang ze er nog moeten zitten. Ze weten het niet. Ze willen er zelfs niet over nadenken.

Ahmed: «Ik weet niet wat ik van onze toekomst moet verwachten: ik wil gewoon naar huis, maar momenteel is onze situatie hopeloos. We kunnen alleen afwachten: misschien zitten we hier nog één jaar, misschien vijf, misschien tien.»

Saleh maakt me duidelijk dat we moeten vertrekken, en voor het eerst tijdens deze reis spreek ik hem tegen. Het kost me moeite want de man heeft een peperkoeken hart. Hij probeert Salar en mij nog vijf minuten te volgen en geeft dan verstek: hij schuifelt weg, roept een taxi op. Zijn eigen vier jaar-lange passage in zo’n vluchtelingenkamp is ruim twee decennia geleden maar de wonden zijn duidelijk nog niet genezen. Hij wil niet toegeven dat het ‘m mentaal te zwaar wordt, maar zijn lichaamstaal verraadt het.

kamp gezin klein

Lunchen in Syrië

 In één deel van het kamp blijken vooral gezinnen te verblijven, in het andere is er plaats voor alleenstaande mannen: in totaal ruim 13.000 mensen op een oppervlakte van 27.000 vierkante meter. In alle tenten slapen Koerden. ‘Niet-Koerdische Syriërs vluchten naar de andere buurlanden’, zegt Muhamad Abdulla Hamo, lid van de dienst immigratie en hoofdverantwoordelijke van het vluchtelingenkamp. Hij ontkent dat Arabische Syrische vluchtelingen niet welkom zijn in het kamp. Wat hij wel wil toegeven: dat het aantal vluchtelingen blijft stijgen.

Muhamad: «Er is een groot verloop in het kamp, maar sinds de opening in april hebben we al 23.000 mensen geregistreerd – allemaal Koerden, ja. We hebben twee miljoen dollar gespendeerd aan de uitbouw van het kamp, tegen het einde van het jaar willen we er nog eens drie en een half miljoen aan spenderen. We werken samen met de VN-Vluchtelingenorganisatie (UNHCR, red.) en we volgen de situatie dag per dag op. In totaal zijn er zes kampen in deze regio, dat van Domiz is veruit het grootste. We schrijven momenteel aan een plan voor de toekomst. Door de grote toename van vluchtelingen kan de situatie snel heel problematisch worden. Het kamp gaat erop achteruit, we kunnen de groei niet bijhouden. We weten ook niet hoe de situatie in Syrië zal evolueren. Dat er niet snel beterschap komt, is duidelijk: het aantal doden door de oorlog neemt toe, de economische situatie wordt alleen maar dramatischer.»

Kinderen kunnen zich overal amuseren

Kinderen kunnen zich overal amuseren

Dat de hulpverleners moeite hebben om de nood te stelpen, wordt me snel duidelijk. Verschillende mensen klampen me aan: dat ze geen elektriciteit hebben, dat ze al tien dagen niet meer gedoucht hebben, dat het eten slecht is en het water op geraakt. Nog een vraag die steeds terugkeert: waarom doet het westen verdomme niets? Ze zijn blij dat de Koerdische Autonome Regio een helpende hand uitsteekt  maar die reikt niet ver genoeg.

In de jammerende mensenmassa ontmoet ik Adel en Diyer, twee jonge twintigers die me in degelijk Engels wat uitleg geven. Ze hebben geluk: in de stad hebben ze werk gevonden — Adel in een pizzeria, Diyer in de bouw.

Adel «Zo hebben we een tijdverdrijf, en een beetje geld. Anderen hier hebben niets.»

Ze vertellen beiden ongeveer hetzelfde verhaal. Ze zijn in de Koerdische Autonome Regio geraakt dankzij de Peshmerga (eigenlijk het huidige Koerdische leger, red.), die hen zonder enige voorwaarde de grens over liet.

 Diyer: «Assad is een dictator zoals Saddam. De enige oplossing is dat hij verdwijnt. Er is geen democratie, alles van waarde – van voedsel tot olie – gaat naar Assad en zijn clan. Ondertussen terroriseert hij de burgerbevolking. Volwassenen en kinderen: iedereen wordt afgemaakt. Onze situatie is niet anders dan die van de Iraakse Koerden onder Saddam.»

Diyer, die in Damascus politieke wetenschappen studeerde maar wegvluchtte omdat hij in het leger moest, heeft een scherp oog voor de brede context.

Diyer: «We zijn een speelbal van de Verenigde Naties: het gaat veel verder dan Syrië en Assad, wij zijn ook afhankelijk van de Amerikanen, de Chinezen, de Turken en de Russen. De VS moet een leger sturen, zo simpel is het. Maar er gebeurt niets. En ondertussen doet Assad rustig voort. De situatie in dit vluchtelingenkamp is even tragisch als in Syrië. Maar hier ben ik tenminste veilig. In Syrië sneuvel ik sowieso: ofwel word ik afgemaakt, ofwel moet ik in het leger, waar ik evenzeer sterf. Een oplossing? De eerste stap is de dood van Assad. De dag dat hij sterft, eet ik mijn lunch in Syrië.»

Kanonnenvlees

Het schokt me dat er maar één barakje met medische zorg is, met maar één dokter. Alaa Hussein Shukur van Artsen Zonder Grenzen mag geen interviews geven zonder toestemming van hogerop maar geeft aan dat alles nog onder controle is.

 Alaa Hussein Shukur: «We hebben normale infecties en ziektes, er zijn klachten over traditionele blessures en schorpioenenbeten. Het enige probleem is de aanvoer van medicatie. Maar voorlopig hebben we geen last van typische kampplagen als diarree. We hebben het voordeel dat dit kamp voornamelijk bevolkt wordt door jonge, viriele mannen.»

Ik slenter voorts tussen de onoverzichtelijke rijen tenten. Jonge ventjes proberen links en rechts sigaretten aan de man te brengen, hier en daar staat een kraampje met frisdrank of koekjes. Ik passeer stinkende lemen kotjes die dienstdoen als toilet. Een omstaander verbiedt me – wellicht voor m’n eigen goed – om er een kijkje te nemen. Hij wijst me wel de weg naar de douche: achter vier gordijntjes drupt een verroest waterkraantje. Een beetje verderop kijk ik uit pure nieuwsgierigheid in een kleine put: een vrouw brengt me met gebarentaal excuses over – dat ze toch ergens haar gevoeg moet doen. Een paar kinderen vragen me om een foto te nemen, ik wil net als Saleh vluchten – meer nog dan de verzengende hitte heeft het verschrikkelijke decor me uitgeput.

Bij de moskee

Bij de moskee

Op weg naar de uitgang schiet het me te binnen dat één van de vluchtelingen me gezegd had dat we toch eens naar de moskee moeten gaan kijken. Daar worden Salar en ik meteen omringd door een massa jongemannen. De geur van zweet is overweldigend. Wanneer ik het trapje opwandel en in de moskee kom, bots ik op zo’n zeshonderd mannen die op de grond liggen niets te doen.  Hun doffe blikken spreken boekdelen. Tastbaarder zal het woord miserie niet meer worden. Als ze me zien, maken ze met wijs- en middenvinger het V-teken. ‘Wij zijn de soldaten van het leger van Assad,’ zegt Ahmed die dankzij zijn talenkennis de woordvoerder is. Hij was een student Engels in Damascus.  Van de Syrische Koerden wordt gezegd dat zij vooral om economische redenen vluchten – in het westen van het land wordt minder slag geleverd en Assad zou stilzwijgend een Koerdische autonomie toestaan – maar volgens Ahmed is dat niet waar.

Ahmed: «Al de mannen die je hier ziet moesten Assad dienen. Het Syrisch leger bestaat niet, het is het leger van Assad: in Syrië kunnen alle jongemannen zomaar van de straat geplukt worden. En wij zijn Koerden, een zogezegd minderwaardig volk, daarom worden wij nog sneller uitgekozen. Net als de christenen. Wij wíllen helemaal niet vechten, wij wíllen niemand doden. We worden gebruikt als kanonnenvlees. De mannen van Assad staan achteraan, wij worden de vuurlijn in gestuurd. Als we niet sneuvelen in gevechten met medeburgers, riskeren we in de rug te worden geschoten door de Assad-clan. Jongemannen die weigeren in het leger te gaan, worden voor de ogen van hun familie doodgeschoten,waarna andere familieleden vaak ook vermoord worden.»

Wanneer ik denk dat ik alles gehoord heb, slaagt Ahmed er toch nog in mijn mond wat wijder te doen openvallen: hij deelt doodleuk mee dat hij morgen naar Syrië terugkeert.

Ahmed: «Omdat de situatie hier even rampzalig is. Kijk rond je: we hebben geen water, geen eten, niets. Het is hier verschrikkelijk.»

In Syrië toch ook, zeg ik.

Ahmed:  «Jawel, maar ik sterf liever in mijn eigen land dan hier.»

***

Wanneer ik ’s avonds weer in het huisje van de Binavi’s aankom, is er van Saleh geen spoor. De kinderen des huizes vragen me om hen naar Duhok Park te vergezellen. Het schijnt de place to be te zijn voor de plaatselijke jeugd, een plaats die het midden houdt tussen een pretparkje en een groot uitgevallen speeltuin. M’n nieuwe Facebookvrienden kopen blikjes Cola en pakjes chips, ze kruipen in de typische pretpark-schommelboot en een verroest reuzenrad. Ze giechelen en gibberen – dat het lang geleden is dat ze zich zo geamuseerd hebben.

Salar en kleinere Binavi's in het pretpark

Salar en kleinere Binavi’s in het pretpark

Entry filed under: Midden Oosten, oorlog, Samenleving. Tags: , .

KUIFJE IN KOERDISTAN (2) MIJN AMERIKA

1 reactie Add your own

  • 1. tomasronse  |  december 1, 2012 om 7:42 pm

    Uit dat laatste citaat blijkt dat een Syrische Koerd zich in de Koerdische autonome regio niet in zijn eigen land voelt. UIt het stuk blijkt ook dat de generositeit waarvan de Iraakse Koerden genieten dank zij de olierijkdom van de regio, niet geldt voor de Syrische Koerden. Het zit het dan met dat fameuze samenhorigheidsgevoel van de Koerden?

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.204 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: