DE NIET MEER GEZONDE MAN (Deel II)

september 15, 2013 at 1:15 pm 3 reacties

Lees hier het eerste deel van “DE NIET MEER GEZONDE MAN” door Dirk Lauwaert

DEEL II

Tibia Graft by Barbara Hepworth

Voelen

Als de naald van de anesthesist door mijn ader naar binnen schuift raakt hij zoet en aangenaam de aderwanden aan. De naald streelt. Het binnenste ervan. Het intieme ervan. De ader als vagina? Puur genot. Nog, nog, niet ophouden!

Touch. Na de val op de rug duwt de zwart-Afrikaanse arts mij met volle hand en gelooide huid. ‘Ça fait mal?’ Ik voel zijn huid, ik voel hoe hij mijn huid voelt: bleek, ongelooid, een kalfjeshuid. Hij moet daar toch van schrikken. Zwart op wit. En dan die volle hand, zo vol heb ik me in een hand nooit gevoeld. Met die huid kan ik verrijzen uit mijn ondraaglijke pijn.

Schrijven  

In de wachtgang. Ik heb papier en potlood. In plaats van te ijsberen, schrijven. De paniek al schrijvend bekijken. Ze zo bezweren, er zo wraak op nemen. Paniek en wraak. Jij of ik.

Paniek is droog, korrelig, steriel. Wanhoop (de eerste weken, maanden) is vochtig. Paniek is iets dat je aan en uit kunt zetten. Er is een schakelaartje, ergens. Wanhoop is continu. Paniek is een machine, wanhoop muziek. Paniek is monotoon, wanhoop gemoduleerd. In wanhoop kan je gaan zitten, je neervlijen. Paniek is een keiharde kassei.

Van wanhoop naar paniek naar onrust en terug. Die cascade. Ik overtuig mezelf dat ik weer meester aan boord ben, de muiterij heb bedwongen. Met de zweep. (Het denken als zweep.)

Dit alles is bezweren (maar niet alleen dat). Dit alles is magie (maar niet alleen dat). Dit alles is loochenen (maar niet alleen dat). Want er wordt geschreven, gedacht, bedacht (Joan Didion, The Year of Magical Thinking). Met taal heb ik nog eens een afspraak. Aan het eind deze tekst.

Maar, aan de andere kant, taal geraakt nooit bij het ondenkbare. Men kan geen woorden binnensmokkelen om het ondenkbare te betrappen. Men kan er niets anders over zeggen dan dat men er niets over kan zeggen. Een verstikkend zwijgen. ‘Ik word duister voor mezelf’, zegt Sontag. Taal is het sedatief voor het ondenkbare.

Ik schrijf niet voor een andere patiënt, om iets te delen, steun te zoeken. Ik ben niet menslievend. Dat was ik nooit, waarom nu ineens wel? Ik word geen lid van een zelfhulpgroep. Ik schrijf niet voor hen.

Nee, ik wil niemand samenbrengen. Ik wil het ‘wij’ van de zieken ontlopen. Dat onweerstaanbaar opborrelende ‘wij’. Dat schuilen bij elkaar. Elkaars handen vastnemen. Ook al wil ik het nu niet, maar straks, onherroepelijk zal het er toch zijn. Weet ik zeker. Vernedering en troost, dat ‘wij’.

Schrijf ik voor artsen? Nee, ik wil hun taal niet kennen, hun verhouding niet tot de mijne maken, hun blik niet overnemen. Hun taal staat niet aan mijn kant.

Maar ik weet vooral dat ik hen moet begrijpen (Jerome Groopman, How Doctors Think). Welke gevaren lopen zij? Zeker veel grotere dan ik. Wat doet hun magische macht (over leven en dood) met hen? Hoe gaan ze om met de illusies van de patiënt, met hun eigen illusie? Hoe vreet die illusie aan hen? Hoeveel roest zit er op hun ziel, op hun hart? Als ik dat weet, besef ik in welke wrede, fragiele handen ik ben. In de operatiekamer neemt de arts alle beslissingen – in weerwil van eerdere afspraken met de patiënt. Wie kan het natrekken? Hij doet gewoon waar hij zin in heeft. Bij iedere operatie ligt al dat vlees ter beschikking van zijn misdadige wil om in te grijpen, nu, hier. Zoveel hybris, zoveel waanzin.

Wantrouwen als negatieve magie, zoals paranoia. Maar ook een bevrijdend wantrouwen. Alleen wat in twijfel kan worden getrokken is kennis (Popper, Bachelard, Hegel). Negativiteit is creativiteit. Dankzij ‘le malin génie’ (Descartes) komt een eerste inzicht tot stand.

Ook tussen mensen moet je zeker niet van goede intenties uitgaan (ook niet, vooral niet bij jezelf). Integendeel, systematisch wantrouwen. Ook op het morele vlak diepe twijfel. De alomtegenwoordigheid van een ‘esprit déstructeur’ (Goya, Dostojevski, Sade, Henri Lemaire, Pasolini, Littell). De passie der kwaadwilligheid.

Het niet-kwaadwillige is niet meer dan een zuchtje, un soffioun soffietto, meer nog, een adempje, un soffiettino. Niet eens een passie.

‘Ben je moe?’ vraagt mijn arts terwijl hij naar een volgende patiënt ijlt. ‘Dat kan niet anders’ (na zo’n gevecht), zegt hij. Ik heb daarnet mijn plaats bevochten. Het is mijn consult, bezittelijk voornaamwoord. Ik begin met mijnvragen. De ziekte is van mij. De behandeling dus ook. Hij gunt het mij (ik denk voorlopig toch). We weten allebei dat dit magisch denken is, fictie, literatuur. Niet meer dan een tijdelijke toegift van hem.

Hoe doen anderen dit?

***

De slechte arts (de ziekmakende arts). Daartegenover de ‘good enough doctor’ (zoals Winnicotts ‘the good enough mother’). ‘Met U kan ik me vinden’, zoals ‘daar kan ik mee leven’.

***

In de wagen, bij het terugrijden, zet ik haar bars op haar plaats: ‘Het gaat hier wel om mijn lichaam!’ Ik realiseer me dan nog niet dat mijn lichaam ook dat van haar is.  

 

De Ontmoeting  

Twee soorten artsen: de overtuigde (gelovige) en de ‘nihilistische’ (ongelovige) (Klitzman). Twee soorten patiënten: overmoedige vechters en pessimistische, voorzichtige realisten.

War on Cancer (Nixon, 1972) en hun buitenlandse afgeleiden (‘Kom op tegen Kanker’) ronselen overmoedige gelovige patiënten en gelovige artsen. Waar is de stem van sceptische artsen en wantrouwende patiënten? Is er naast het heroïsche gevecht geen plaats voor het moedige gevecht?

Voor artsen is het opgeven een nederlaag, het sterven niet meer hun wereld. Terminaal zijn is afvalligheid. Voor de gelovige arts is iedere genezing het bezweren (magie!) van de sterfelijkheid. Deze arts brengt zijn patiënt weer in het leven. Voor hardnekkige patiënten (Rieff, Swimming in a Sea of Death) is iedere therapie, zelfs het meest desperate experiment het proberen waard. Ze hebben heroïsche artsen aan hun zijde. Ze zijn de helden van het leven, van het geloof in het leven. Enkele weken nog. Misschien komt een therapie in het zicht. Misschien ligt ergens nog een ultieme interventie binnen handbereik. Wat een hardnekkigheid!

De nihilistische arts daarentegen zegt: tegen het sterven is het nutteloos vechten. Waar het genezen stopt, begint het spreken (Dunning, Betoverde Wereld). Hier is moed, geen overmoed.

Ik heb in totaal in het kabinet van veertien artsen gezeten. Een mooie sample.

Er zijn vooral ziekmakende artsen. Ze luisteren niet. Eén keek gedurende de hele consultatie uitsluitend naar mijn vrouw (het is waar, ze is mooi) en sprak over mijn hoofd heen. Een andere draaide trots zijn laptop naar ons, met daarop een foto van een hersenoperatie. Dat was ons allereerste consult. Nog een andere, oud en vermoeid, bekeek mijn dossier met een blik van ‘het houdt hier nooit op!’.

Geen fraai tableau. De rit eindigde bij een chirurg die ons meteen bij de beslissing betrok. We kunnen dit of dat doen. Dit pleit voor de eerste, dat voor de tweede oplossing. Tot onze volgende consultatie. Eindelijk. Deze veertiende wordt het dus.

De feiten

Wat een gekrakeel na ieder bezoek. De 35 minuten van de terugreis: spanning en ruzie. ‘Hij heeft dat gezegd.’ ‘Nee, hij zei helemaal iets anders.’ Na enkele ritten werd vrede gesloten: ‘Wat heb jij gehoord?’

De feiten zijn hier nooit meer hard, nooit meer zeker, nooit meer ‘echt’ duidelijk. De zieke hoort wat hij wil horen. Soms erger, soms minder erg dan zij naast jou hoorde. Gedurende enkele sessies namen we allebei nota’s. Soms had ik hele zinnen weggeveegd, maar dat gebeurde ook bij haar. Horen wat je kan horen. Ik vergeet zelfs zoiets eenvoudigs als de naam van het medicijn, de hoeveelheid en de regelmaat. Zelfs al staat het helder op papier. Ik moet het haar nog eens en nog eens vragen. En meteen daarna ben ik onrustig het voorschrift nog eens aan het lezen.

Ik hoor de arts niet, maar hij mij ook niet. Wie ik ben en wat ik dus wil, komt pas na jaren bij hem aan. Hij vraagt niet eens: wil je leven nu je ongeneeslijk ziek bent? Hoe wil je dat (samen met mij) doen? Welke prijs wil je je lichaam laten betalen?

Het is niet toevallig dat je bij je gemeente een officieel document kunt laten registreren waarin je aanvinkt welke interventies je niet wenst, zoals geforceerd voeden, of beademing enzovoort. Je ziet de lijst van levensverlengende technieken. De ene al erger dan de andere. Waarom krijg je die niet bij het binnenkomen? Meteen?

Traiter la vie contre la vie.

***

‘Voor alle zekerheid’, zegt de zwakke arts.

Het schuldige verzwijgen  

Ik zeg hem: ik zoek geen genezing, maar informatie. Daarna: wat als ik niets doe? En dan: wat zou eventueel wel gedaan kunnen worden? Pas dan: wat stel jij mij voor? En dan: ik vraag het toch ook aan andere artsen. Dus ik neem tijd, heb die gekregen, met dank aan de traag groeiende. Ik ben het aan mezelf verplicht om van die tussentijd gebruik te maken.

Vandaag is het verzwijgen voor de patiënt niet meer vanzelfsprekend (vroeger? Anne Philipe, Le Temps d’un soupir). De arts heeft het er ook vandaag moeilijk mee om te verzwijgen, maar het kan. Toch is het verzwijgen – een schuldig verzwijgen – er nog steeds. Niet meer ten aanzien van de ziekte en haar verloop, maar ten aanzien van de gevolgen. Wat zijn de nawerkingen, wat is de collateral damage, het prijskaartje voor je lichaam? Hier deden ze er het zwijgen toe, logen ze, lieten mij illusies toe. Dat bedrog is hen bij hun opleiding ingeprent. Ik word er zeer achterdochtig van.

Als artsen zelf ziek worden, stellen ze vast dat dit vanzelfsprekend is (Klitzman). ‘Je leeft toch nog’, zegt mijn arts als ik lastige vragen stel. Maar ik wist niet tegen welke prijs – het werd me noch voor de behandeling, noch erna duidelijk gemaakt. Ze sturen mij de loopgraven in als was het een wandeling.

Kijk: jij als arts behandelt mijn pathologie. Niet de tumor stoorde me, wel de effecten. De arts behandelt mijn tumor, niet mijn ongemak in het dagelijks leven. Voor mij is het succes in de behandeling nevenzaak, de schade aan het dagelijks leven hoofdzaak. Pas als de zieke weer een vol leven heeft is er sprake van genezing. Niet dus, integendeel, de nawerkingen vergallen mijn leven. En over dat leven gaat het. Het is cruciaal te weten wat er van mijn leven afgenomen wordt. Laat ik het optellen: de tumor blijft, de nawerking blijkt een verminking. Eigenlijk ben ik zieker dan voorheen. De arts houdt zich bezig met de tumor, ik moet het doen met de verminking. Een tumor en kreupel daarbovenop. Dat wordt een lastige wiskunde. Hoe dat uitleggen als ik thuiskom?

De taal van het schuldig verzwijgen heet: eufemisme, onduidelijkheid, sussen, minimaliseren. ‘Je leeft toch nog.’ Tot daar zijn verantwoordelijkheid. Wat de patiënt daarna overkomt is niet meer zijn zorg. Andere specialisten? Maar hij kent noch instellingen, noch namen. Zoek het zelf maar uit.

Hier had nochtans het bureau – je weet wel – volwaardig gebruikt kunnen worden. Samen over een groot blad papier gebogen. Hij strijkt het papier glad en tekent daarop het plan van de verschillende spelers uit: de ziekte, de therapieën, de nawerkingen, een tijdslijn, plannen voor de omgeving (vrouw, vrienden, denken, schrijven). Over welk levenskapitaal beschik ik nog? De arts neemt de partituur van mijn verder leven niet met me door.

Het wordt nooit meer zoals vroegerMaar dat geeft vleugels aan het herinneren.

***

Afstand moeten doen van de overtuiging, vaststelling dat alles twee kanten heeft. Nee dus, pijn is zonder reserve. Aan pijn is er geen andere kant (Sontag). Paniek is één blok. Je ligt er gewoon onder. Onder-worpen.

 ***

Wat blijft er over? Eigenlijk veel, eigenlijk alles.

 

Moeheid  

Het is niet meer te harden. Nee, het is niet meer te harden. Moe zijn. Hét moe zijn. Niet wanhopen, maar ten einde zijn.

Wie lang heeft gewandeld zet zich moe neer aan de kant van de weg (Henry Bauchau, Oedipe sur la Route). Maar het is tenminste een weg, een kant aan de weg (Tokaido). Wandelen is werken en daar word je moe van. Natuurlijk. Aan de rand van de weg eet je zittend. ‘Ik leg me even te slapen’ (Jean Renoir, Une partie de Campagne).

‘Hét moe zijn’ is iets heel anders dan ‘moe zijn’. Hét moe zijn is het resultaat, niet van inspanning, maar van afwezigheid van inspanning. Een eindeloos doorlopende, constante, compacte massa. Het leven zal vanaf nu niet werkelijk meer veranderen. Ik zal nooit kunnen uitmaken wat het gevolg is van oud worden (ineens: lieve ouderdom!) of van ziekte. Zonder voorbehoud zou ik de prijs van het ouder worden nu betalen. Het maakt alles uit of ik slecht loop als grap van de ouderdom, of als straf van die ongewenste gast. Hetzelfde ongemak, maar een andere afzender. Het maakt een verschil.

‘Let’s get over with it.’ Het is niet meer te harden. Dit is geen leven meer. Het leven dat geen leven is. Het leven zakt ineen als een mislukte soufflé. Het leven buigt. Ben ik moe? Er is geen moed meer. Geen brandstof meer. ‘Het is op’, moet ik steevast aan bezoekers zeggen.

Vreugde en moeheid zijn weliswaar tegenpolen, maar delen veel met elkaar. Ze kennen beide geen tijd, geen verleden, geen vervolg, ze zijn in zichzelf voltooid, perfect. Ze nemen niet toe, niet af. Ze zijn ruimtelijk, maar niet temporeel. Moe zijn zit in een verhaal, maar hét moe zijn niet. Barse, koppige onveranderlijkheid. Noch tegen vreugde, noch tegen moeheid is iets in te brengen. Vreugde is geen lachen, moeheid geen vermoeidheid.

Ik ben het moe: de dagelijkse medicijnen, de testen, de prikken, de scans, de MRI’s, de contraststof, het peertje om te waarschuwen. 20 keer bestraling. Steeds dezelfde procedures, steeds dezelfde vriendelijke verplegers die toch de routine niet uit hun handen krijgen. Al zeven jaar lang hulpvaardige armen om me op de tafel te helpen en er weer af. Ah, die bedrieglijke vriendelijkheid. En dan: niet toegeven aan de naïviteit (die catechismus van de kliniek).

Moeheid als teleurstelling. Het ziek zijn als teleurstelling. Teleurstelling over het leven. Het moe zijn: tegendeel van het leven zelf.

Is de Vreugde geschenk, Moeheid is zonde. Hét moe zijn keert het leven de rug toe. Alles is behangpapier. Steeds hetzelfde. Ik verwacht niets meer van mezelf. Teleurstelling over mezelf.

Toegeven  

De weerbarstige patiënt vraagt. Blijft vragen. Werpt op. Twijfelt. Wantrouwt. Gaat bij anderen verifiëren. Wikt en weegt. Dat is mijn personage in het spel aan het bureau en aan de tafel. Het is uitputtend, maar ook spannend. Het is armworstelen met een veel sterkere tegenstander. Winnen zit er niet in. Maar zo lang mogelijk volhouden is een eer.

De weerbarstige weet maar al te goed dat er geen genezing is, dat er alleen maar behandelingen zijn. Uitstel is mogelijk, dat moet hij gebruiken. Het is geen veldslag, maar een guerrilla. De arts zucht. Weer zo’n patiënt die het hoog opneemt! Hij wacht tot hij breekt (Kankerpaviljoen). Boos zegt hij: hoeveel tijd heb ik al in jou gestoken? Zoveel meer dan in mijn andere patiënten. Mijn collega’s hadden je al lang op de operatietafel gegooid.

Ik zocht zelf niet naar medische informatie. Dat is me te veel automedicatie. Ik haal het toch nooit van de arts. Ik doe iets anders: ik beloer verhoudingen. Ik beoordeel gesprekken. Ik weeg waarachtigheid, of toch de poging daartoe. Te veel artsen dragen onverschilligheid op hun revers, te veel routine, te veel de snelste weg, te weinig tijd, geen ruimte. (Ruimte!) Telkens weer de zoektocht hervatten naar hem als gesprekspartner. Een taal met hem delen. Een illusie, natuurlijk.

Maar dan is er toch dat moment dat je opgeeft, dat je breekt, dat je toegeeft en jezelf erbij neerlegt. Ik bungel dan als een gesprongen vioolsnaar. Krachteloos, vormloos. Het ‘tipping point’ waar de weerstand overslaat in karakterloze, beschamende overgave.

Onder geruis bezwijkt de dijk. Vooraf nog een zucht van de aarde die toegeeft, die begeeft. Het is nu zo. Het kan niet anders. Zoals bij zandkastelen: één spadesteek volstaat. Een heerlijke spadesteek. De dam begeeft. Ik word naar de operatietafel gereden, met een heerlijke wind langs mijn hoofd.

Het ergste

 Ik sta aan de balustrade van het Centraal Station in de stad B. Ik kijk naar beneden, op het drukste uur van de stadsvlucht. Een cascade. Zoveel geluid! Zo snel de stappen. Niemand heeft een trapleuning nodig. Kijk, zij doen het zonder hand! Zomaar rennen midden op de brede trappen! Met zoveel mensen om hen heen! Niemand die struikelt! Een mirakel! Dat was jaren mijn tocht, een feestelijk bewegen, merk ik nu pas, nu het definitief onmogelijk is geworden. Dat is het ergste, dat ik die trappen kwijt ben.

De sterfelijkheid van broers en zussen beroert me het meest. Het oer-wij.

***

Zolang we praten word ik niet verminkt.

*** 

Kliniek als verzamelplaats van zieken, kliniekziekten, angsten, pijn, pijnstillers, voorbijgaande bezoekers en verpleegsters, van artsen, kennis, machines, ambities, van onverschilligheid, harteloosheid, cynisme, van onmetelijk verdriet in deze poel waarin het hele leven gist.

Hippocratische eed

De successen van de geneeskunde hebben onverwachte gevolgen. Nieuwe keuzes moeten gemaakt worden bij iedere nieuwe techniek.

Enkele nota’s in de marge van de hippocratische eed:

Het woord is aan de patiënt (daarom zijn er de rechten van de patiënt, waarom worden die niet meegegeven bij iedere opname?).

Het lichaam is van de patiënt (niet van de arts, niet van de geneeskunde).

De arts assisteert de zieke, niets meer. Behandeling als bevalling.

De arts moet zeggen tot welke school van behandeling hij behoort.

De arts zegt een kordate doener te zijn, of een voorzichtige die het bekijkt.

De arts staat erop dat de patiënt steeds een tweede opinie zoekt, als deel van de diagnose.

De arts spreekt over alternatieve behandelingen (die zoekt de patiënt hoe dan ook).

De arts benoemt de neveneffecten.

Te veel werk? Maar voor de meest succesrijke ziekte met de geringste genezingskansen moet dat toch kunnen.

Alles op tafel, tussen volwassen mensen.

Study for Group (Surgeon Robing II) by Barbara HepworthKorps  

De arts maakt deel uit van een korps. Een korps met een vuurproef. Een militair korps. Arts en militair leren beiden iets te doen waar je in de normale wereld voor in de cel komt. Het vergieten van bloed. Het openen van het lichaam. Dat de een daarmee wil doden en de andere wil genezen verandert niets aan de techniek: bloed laten vloeien. De arts is uit zeer bijzonder hout gesneden.

Sommige chirurgen willen het spektakel van het bloed. Op de grond, op hun groene kazuifel. Ik zie hem al baggeren door het bloed, met de stevige stap van de boer op het modderige land. Zonder het spektakelbloed geen chirurg. Zonder spektakelbloed geen Christus, geen Kerk. Zonder spektakelbloed geen cinema.

De kogel ‘erin’ leert de militair, het scalpel ‘erin’ zegt de arts. Het vraagt koelbloedigheid (de koelbloedigen). Om te verdedigen, om te genezen. Wat brengt de arts ertoe arts te worden? Wat drijft hem als twintiger naar het operatieblok, naar dat scalpel in zijn hand? Wat wint hij daarbij voor zichzelf? Wat is de pathologie van de arts? Zoals: wat wint de patiënt aan deze manier om ziek te zijn?

Vandaag leidt de ongeneeslijke ziekte niet tot stille berusting, niet tot reflectie, integendeel: tot overactiviteit. Ieder klein succes lijkt een immense stap (dat is het misschien ook). Zo wordt voor arts en patiënt een fuik gezet. Een geloof: in de therapie. Tijdelijk genezen, verandert in genezing. Ongeneeslijk verandert in geneesbaar.

Dat overkomt ook mij, op dit eigenste ogenblik. Tijdelijk genezen als onredelijke belofte. Maar: is Lazarus een gelukkig man? Hij moet nu twee keer sterven.

Rond de ongeneeslijke ziekte, een carnaval, een danse macabre van magie, naïef geloof, macht, onnoemelijke fragiliteit. Valse hoop snoert de mond van moed en luciditeit. Valse hoop vernedert. Valse hoop is onwaardig.

Hoe kostbaar is een leven voor dat leven?

Met dank aan de artsen Christel, Frank, Johan, Koen, Luc en Wim. Zij lieten me toe de band tussen ziekte en zieke te ontwarren.

Bibliografie

Jean-Louis Chrétien, La Joie spacieuse, 2007

Jean-Louis Chrétien, La Fatigue, 1996

Alphonse Daudet, La Doulou, 1888/1929

A.J. Dunning, Betoverde wereld, 1999

Jerome Groopman, How Doctors Think, 2007

Siri Hustvedt, The Shaking Woman or the History of my Nerves, 2010 

Robert Klitzman, When Doctors Become Patients, 2008

Catherine Malabou, Les Nouveaux blessés, 2007

Siddhartha Mukherjee, the Emperor of All Maladies, 2010

David Rieff, Swimming in a Pool of Death, 2008

Samuel Shem, The House of God, 1978

Alexandre Soljénitsyne, Le Pavillon des cancéreux, 1968

Susan Sontag, Illness as Metaphor, 1977 

Susan Sontag, Aids and its Metaphors, 1988

Adam Wishart, One in Three, 2006

Illustraties:

Uit The Hospital Drawings van Barbara Hepworth. Met dank aan The Hepworth Wakefield, Wakefield, West Yorkshire (www.hepworthwakefield.org).

Entry filed under: Samenleving, Uncategorized. Tags: , , , , , , , , , .

A crazy Idea DE NIET MEER GEZONDE MAN

3 reacties Add your own

  • 1. tomasronse  |  september 16, 2013 om 8:13 am

    Heel aangrijpend.

    Beantwoorden
  • 2. jefc  |  september 16, 2013 om 2:47 pm

    Beklijvend

    Beantwoorden
  • 3. Thérèse Vanbrabant  |  september 17, 2013 om 9:25 pm

    als je dit leest, zet je de wereld even stil…

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.204 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: