DE NIET MEER GEZONDE MAN

september 15, 2013 at 1:33 pm 2 reacties

dirked

Op tien augustus overleed schrijver, journalist, docent en denker Dirk Lauwaert.  Dirk was een vriend, al hadden we de laatste jaren het contact wat verloren. Ik bewonderde zijn scherpe geest, zijn enorme belezenheid en zijn onnnavolgbare manier om beelden te analyseren en die dingen te zien die voor de meesten van ons verborgen blijven. Maar hij was ook een lieve man die met volle teugen kon genieten van de dingen des levens: “extreme rationaliteit gekoppeld aan extreme passie,” zo vatte schrijver en filmmaker Peter Delpeut het samen op de herdenkingsplechtigheid voor Dirk in de barokke begijnhofkerk in Brussel.

Tien jaar eerder was bij  deze levensgenieter een kwaadaardige hersentumor vastgesteld. Een pijnlijk aftakelingsproces begon.  Ik kan het niet laten om dezelfde Peter Delpeut nog eens te citeren: “Het lot schijnt er een laaghartige gewoonte van te moeten maken mensen met de verkeerde ziekte op te zadelen. Dirk had veel afgenomen mogen worden, maar niet zijn taal, niet het plezier van het woord, niet het onuitputtelijke genoegen van het formuleren.”

Maar Dirk bleef schrijven en spreken zo lang het kon. Op zijn unieke manier bracht hij verslag uit van zijn eigen aftakelingsproces. De Witte Raaf publiceerde in maart van dit jaar  “De niet meer gezonde man” waarin hij bijna dag na dag zijn strijd tegen de ziekte – en soms ook de medische wereld – vastlegt en analyseert. Frans Lefever liet het essay in fraaie boekvorm uitgeven. Bij wijze van hommage aan Dirk volgt hieronder een uittreksel, het vervolg vind je hier. De volledige tekst kun je ook als PDF in boekvorm downloaden: DeNietMeerGezondeMan

Johan Depoortere

Dirk Lauwert
L’inquiétude est elle-même déjà la pensée à l’oeuvre.

Jean-Claude Nancy, Hegel.

Laaggradig glioma.

Kort daarna: 

Collaps van het wervellichaam L2.

 Here it is.

Leonard Cohen, New Songs. 

We zijn zo gelukkig samen, zegt ze in mijn armen. Een volwassen geluk, voeg ik daaraan toe. We denken daarover, zwijgend.

***

In de nacht vloeit urine uit het urinaal over mijn lenden. Op het onderlaken.

***

 De geliefde vrouw was bij iedere consultatie en behandeling. Ik ben nooit alleen ziek geweest.

 

De trappen na het allereerste consult. Niet zoals enkele uren eerder, in het licht van de late namiddag, maar in de valavond al. Met het vonnis. Het was de verjaardag van de oudste zoon. Thuis werd het op tafel gelegd. Een giftig fluorlicht errond. Er kon niets gezegd worden. Daarna werd er geslapen, in het bed, naast elkaar, verstijfd. Dan toch onvermijdelijk ontspannen.

In de wachtgang – de gang van angst en schaamte. Wat doe ik hier? Boete. Hoe gedraag ik mij? Als beschaamde schuldige. Een ziek lichaam is een schuldig lichaam. Een schuldig lichaam moet bekennen. Ga ik knielen? Ja, ik kniel in de wachtgang. Dit is. Laat het niet waar zijn. Ik ijsbeer in de gang, erger de medezieken, een lange rij op stoelen, een rij in een kerk. Laat iedereen wegkijken, alsjeblieft. Op en neer, op en neer in de gang. Buiten een vijver, eendjes, een watervalletje. Allemaal achter glas nu.

Ik infantiliseer, zeg ik hem. Regressie. Ik ben zes decennia oud, ouder dan de arts, met meer leven dan hij. Meer kinderen. Niets helpt. Dit is onwaardig, tempeest ik. Wie spreekt hier van waardigheid, zegt de gang. Kanker vernedert.

Mijn vonnis wordt omgezet: uitgesteld. Zoals dat van mijn vader: doodstraf werd levenslang. Ik zit in Death Row, dat kan jaren duren. Wat nu, in die tussentijd? Een leven in de tussentijd; ik kan er niets bij denken. Afgemeten tijd. Elias Canetti: ‘Stel dat iedereen zijn geboorte- en sterfdatum op zijn ring heeft staan.’ Vier je dan die toekomstige verjaardag? De dag dat je afzwaait.

Een goed begin om mij af te leiden: luisteren naar wat, maar vooral hoe hij het zegt. Daar hoor je de verhouding van de arts tot zijn eigen kennis. Tot zijn macht. Daar hoor je zijn verhouding tot mij. Dit wordt nu hoofdzaak. Ik besnuffel zijn woorden, intonaties, de kleinste details. Sporen zoeken. Welke patiënt ben ik voor hem? Zou hij weten wat het is op mijn stoel te zitten? Hij bekijkt mij, dat is het eerste van zijn onderzoek. Hij bekijkt mijn meer dan blote gelaat van angst. Het luisteren van hem en van mij. We zitten vanaf het eerste oogcontact aan elkaar geklikt. De rug pijnlijk gespannen. Zie mij hier. Niet: zie mij hier nu. Het wordt een leven zonder nu.

Kijkt hij naar zichzelf terwijl hij naar mij kijkt? Ziet hij wat ook hem te wachten staat? Of weet hij dat niet, zoals geen gezonde dat weet? En zeker de arts niet, die een zeer vergiftigd geschenk kreeg: zich onsterfelijk te denken (Robert Klitzman, When Doctors become Patients).

Zelfbewustzijn

 En dan is er in één minuut tijd niets nog ‘zelf’. De mededeling verschroeit in één vuurstoot alles wat dat ‘ooit zelf’ vermocht. Nu pas besef ik – als het te laat is – dat ik uit dat zelf alle kracht, emotie, bewustzijn, woede, verdriet heb geput. Dáár was het dus allemaal. Dat zelf, waarin ik gebed ben als in vruchtwater. Nu lig ik als een vis op de rand van de vijver.

Het zelfbewustzijn is er niet meer, het is geaborteerd. Ik ben voor de rest van mijn leven een akelige Siamese tweeling, met in mijn bochel de ongewenste gast. Hij heeft alles mee voor een lang verblijf. Hij zal alles naar zijn vileine hand zetten. Zelfs als ik hem broederlijk met ‘tumor’ aanspreek, ‘mijn tumor’, draait hij zich weg. Hij logeert bij mij, maar wil mij niet. Hij begrijpt maar al te goed dat ik hem niet wil. Toch zullen we het samen moeten doen. Mijn ziekte met de rug naar me toe en ik die achter hem sta, bloot, zo bloot. Ik voel zijn opgespannen rug. Geen vruchtwater meer, maar gelooide huid: de mijne door angst, de zijne door hardvochtigheid. Een oorverdovende, hoogtonige zandstraal die me pelt met puntige korrels.

Geen zelfbewustzijn meer, maar een bewustzijn met een privatief: a-bewustzijn, zoals apathie. Ik weet het nog niet goed, maar ik ben nooit meer helemaal bij mezelf, zoveel weet ik. Anderen schrijven me nu relativering voor, sereniteit, wijsheid. Dat kan ik toch juist niet willen? Dat zijn geen deugden, niets om trots op te zijn, maar erbarmelijke troostprijzen. Study for Group (Surgeon Robing II) by Barbara Hepworth

De Rollen  

In het tweede jaar met mijn hersentumor, heeft mijn gast zich op mijn adres laten inschrijven. Op de scans zie ik hem als een echografie. Mijn hersenen als baarmoeder. We staan samen op, ontbijten samen, ik praat de hele dag door met hem. Ik heb hem net nog geen naam gegeven. Ondertussen ben ik vertrouwd met hem, ik weet dus heel duidelijk wat hij wil: mij slopen.

Studenten. Een college. Hun eerste zaalbezoek. Ze schuiven een beetje beschaamd langs de zieken in onze kamer van vier. Een bijtende arts luistert naar mijn dossier, hem toegefluisterd door een hoofdverpleegster. De arts hakt op zijn studenten in. Eén is er beschaamd. Hij weet echt niets te antwoorden. Een andere heeft papier bij zich en noteert ijverig. De hoofdverpleegster torent boven allen uit. Ze zijn slaperig en beschaamd. Ze leren van mij weg te kijken, van die man die daar ligt in zijn pyjama.

Om die blik gaat het dus. Dat is de basis van de opleiding. De prof leert die bijzondere, wat glazige blik (een kikkerblik) aan, hij leert kijken naar dat naakte ondergaan. Eerste regel: laat niet toe de blik met de patiënt te kruisen. Ga vooral geen krachtmeting aan. Dit kijken laat iets toe, maar verduistert ook. Deze ingeoefende blik zegt: ik zie je niet. Ik zal je straks niet herkennen, geen hand schudden, geen bemoedigende vraag stellen. (Zou ik dat willen?) Ik leer die blik te herkennen. Juist omdat zijn blik de mijne niet mag kruisen, zie ik zo goed wat hem bezighoudt. Geraak ik verstrikt in een dwaas verlangen naar erkenning, dan zit de arts verstrikt in de ontkenning. Hij zegt: ik ben er niet om je te erkennen.

Niet: hoe hou ik dit vol, maar: hoe houden zij dit vol?

In Solzjenitsyns Kankerpaviljoen, zoekt Kostoglov een boek lang om die blik van erkenning af te dwingen. Ik ben niet ziek, ik ben ik. En van jou wil ik die erkenning. Hoe het voor de therapie gevaarlijke, verstorende ‘jij’ buiten te houden? De objectiverende blik is hem geboden, al was het om te overleven. Maar hoe optornen tegen het verlangen van de zieke om de objectiverende blik te slopen? De blik van de arts draagt het rubber van condooms.

 

Een scène met bureau en tafel

Een tafel, drie stoelen. De arts beheert de deur. Hij wijst de patiënt zijn plaats aan. Hij bekijkt de patiënt indringend: hoe loopt hij, hoe gebogen is zijn rug, hoe zet hij zich? Waar heeft de angst, de onzekerheid zich vastgezet? Waar zit mijn klacht in mijn lijf dat hij leest?

De meubels. Je gaat niet naast, maar tegenover hem zitten. Twee polen in de kamer. Daartussen een grens. Geen ‘wij’, maar een ‘U’. Geen voornamen. Geen vriendschap. Afstand. De verhouding zet me al dadelijk in een boetekleed. Ik ben een kind. Weglopen? Vluchten? Zwerven? Sterven in een bagagerek van een trein (Solzjenitsyn)?

Voor hem is het meubel een bureau, voor mij een blote tafel. Het bureaublad is zijn werkplaats. Op het scherm links van hem bekijkt hij beelden van mij. Ik zie ze niet. Het zijn vertalingen van mij. Hij kijkt naar mij op het scherm. Ik ben het, maar het is geen spiegelbeeld van mij. Hij wijst met het potlood waar ik te zien ben. De tumor ligt er, in een verre verte, als een oplichtende, zilveren volle maan.

Aan de andere kant, waar wij zitten, is het bureau geen plaats meer van kennis en competentie. Integendeel. Ik ben afatisch, hij daarentegen is meester van het spreken.

Tussen zijn bureau en mijn tafel: niets minder dan waanzin.

Op het lege bureaublad ligt papier. Voor korte nota’s. Daar worden voorschriften, afspraken, behandelingen naar onze kant doorgeschoven. Zoals bij de notaris, de boekhouder, de advocaat. Paperwork.

Als ik mijn eigen nota’s op zijn meubel leg (de papieren liggen zo oncomfortabel op mijn schoot), steek ik een grens over, torn ik aan de hiërarchie. In zijn plaats zou ik schrikken. Ik schrik in elk geval zelf.

Vanachter het bureau de openingszet: ‘Wat kan ik voor U doen?’ (Martine Bacherich, Qu’est-ce qui vous amène?). We zijn onherroepelijk met twee. De arts en de patiënt, een duo, in elkaar geklikt en verstrikt. Niet ik alleen aan hem, maar, het is zo, ook hij aan mij.

En het is waar, ik zocht hem op (en hoe!). Nu moet ik niet zeuren. Ik had de kwaal net zo goed op zijn beloop kunnen laten. Ik had net zo goed dit gebouw, deze deur, deze verhouding, deze taal kunnen negeren. Je móét niet naar een arts. Wat liet mij zo onvoorzichtig zijn dat toch te doen?

Maar nu sta ik hier. Mijn naam werd afgeroepen in de gang. Gehoorzaam sta ik recht. Ik laat alles op de stoel liggen: mantel, vest, schoenen, broekriem, broek, status, identiteit, verwachtingen voor nog geluk, voor nog zoveel leven. Dan kijk ik nog even om, en plotseling ligt er niets meer.

Zijn consultatieruimte, zijn consultatietijd. Hij regelt ze. (Ik heb het zelf toch gezocht!) Voorlopig heb ik daar niets tegen in te brengen. Zal ik ooit mijn rug nog kunnen strekken? Dit is geen school voor fierheid.

‘Heb je gemerkt’, zegt zij, ‘dat hij steeds wat tijd neemt voor hij spreekt?’ Hij doet alsof hij het scherm bestudeert, maar ik weet het zeker, het is alsof. Een kleine, speelse, ondeugende suspense. Zij zit te wachten op de rand van haar stoel. Ik hoor de stilte. Hij weet dat we het aankunnen. Volgende keer dezelfde ouverture.

Hoe anders de verhoudingen als ik niet alleen als patiënt op de medische scène verschijn, maar in de eerste plaats als fragiele mens waar zorg voor moet gedragen worden. (Marie Garrau & Alice Le Goff, ‘Care’, justice et dépendance)

***

Vrouwelijke zorg, mannelijke therapie.

***

Wat betekent het afhankelijk te zijn? Overgeleverd te zijn?

Barbara Hepworth: The Hospital DrawingsHet vertrouwen

Confianceconfession. Het klinkt. Ik beken aan degene die ik vertrouw. Ik neem in vertrouwen. De nood van mensen om te bekennen! Dat domme vertrouwen. Het verlangen ook om bedrogen te worden. En het verlangen om dat iemand te kunnen verwijten.

Men zegt me: om te genezen is het belangrijkste je arts te vertrouwen. Maar ik verwacht dan wel iets terug, namelijk dat hij mij trouw is. Dat hij het voor mij opneemt. Dat hij mij respecteert, dat hij tijd uittrekt om mij te leren kennen – hij is tenslotte voortaan mijn vaste arts voor mijn ongeneeslijke ziekte. Dat hij tijd neemt zodat ik hém kan leren kennen. Dat er toch een ‘samen’ ontstaat. Iets als: ‘We gaan samen die weg afleggen’. Toch een levensweg. Voor een deel de laatste. Wil hij dat geweten hebben?

Ik vertrouw op de slechte afloop. Ik vertrouw erop dat ik niet zal genezen. Dat hij mij niet zal genezen. Ook dat vertrouwen.

De cruciale Scène

 Een klein kamertje met voorraad, ook een schuurborstel. Hier kunnen verpleegsters roddelen, confidenties uitwisselen, ergernissen en verliefdheden. Zo’n kamertje dus. Passend bij de fluisterende samenzwering.

Wij beiden schaapjes op twee stoelen, zoals Jan Decorte dat zou regisseren: beschamend. We zijn allebei onder de indruk, bang van hart en na al die slopende jaren plots dan toch: laf. Drie specialisten van de drie kankertechnieken. Ze staan. Wij zitten. Wat een hiërarchie. De volmaakte setting.

De Kerk van het Onderzoek. ‘Er loopt een internationaal onderzoek…’ zegt hij. Tekst: Uw plicht, onderzoek om anderen vooruit helpen. Tekst: Uw voordeel, het nu onbetaalbaar dure geneesmiddel krijg je gratis. Tekst: in Uw belang de allerlaatste resten van de tumor aanpakken. Tekst: het is maar een pilletje, zonder noemenswaardige nevenwerking, zonder dat verplaatsing nodig is.

Ik voel mij niet beschermd door mijn arts, zoals een moeder haar dochter hoort te beschermen tegen de gewelddadige vader. Hij neemt het niet voor me op. Of toch, zijn argumenten zijn zo doorzichtig, zo infantiel dat het lijkt alsof er een geheime subtekst onder zit. Die fluistert: ‘Niet doen, vooral niet doen.’

Ik kijk beduusd om mij heen. Ik zie de achterkamer van het bedrijf. De coulissen. Achtereenvolgens: de wachtzaal, de consultatieruimte en daarachter weer vrouwen aan computers. Dan weer de gang waarin babbelende mannen en vrouwen (stevige armen en kont) met bedden door de gangen stuiven. Vele tientallen trekpaarden, in ploegen, voor duizenden patiënten, honderden kilometers, dag en nacht. Ze vervoeren leed en angst, alsof ze dampende mestkarren over het land trokken. Nog verder: een bureau om een samenwerking met de ‘Big Pharma’ te ondertekenen. Nog verder: een aula voor een presentatie op een symposium van oncologen, een publicatie in een Journal of Medecine. Nog verder: visitaties, internationale ranking, overheid en besparingen.

Dat alles sijpelt door het lekkende plafond van dat kleine kamertje met schuurborstel en voorraad. Naast dit gesprek ook nog andere, over verboden liefde, verboden lust (Kankerpaviljoen).

En hoor ik niet op de achtergrond het grommen van het cynisme, het mekkeren van de obsceniteit, het vechten, de jodelende zindering van de lust, het klauwen van de competitie, de koppigheid van de vergissingen, de snelheid van de behandeling, de operette van bloed en vlees? (Robert Altman, M*A*S*H; Samuel Shem, The House of God).

Ik heb een poppenbeertje op mijn nachttafel staan. Thuis lacht niemand.

***

Ruik je niet de stank van de dood, naast jou? Jouw bed, waar ik nu de gast van ben geworden?

***

To cut, to burn, to poison. De drie technieken. Niet eens om te genezen, niet eens om soelaas te brengen.(Siddhartha Mukherjee, The Emperor of Maladies) 

 

Burlesques  

Meteen suïcide. Liefst poëtisch, toch! Broekzakken vol stenen. In zee. Of een cocktail op internet. Bij Dignitasbegeleid sterven, alhoewel, buren protesteren: te veel kisten passeren de gang (Buñuel!). Hoe zou het zijn om van het terras te springen? Of in het kanaal hier vlakbij? Het maalde maar door mijn hoofd. Afspraken hierover met de geliefde. Maar wat zijn hier afspraken?

De alternatieven. Macrobiotiek, een zaal met matjes, daar ontvangt hij. Een magnetiseur – maar een tumor kan ik niet genezen, hoor! Een goed dieet (de wachtzaal vol hypochondrische eenzame vrouwen). Antroposofie. Homeopathie. De chirurg zegt mild en verhelderend: hier zijn de ingrepen ‘invasief’, dit wil zeggen onomkeerbaar. De alternatieven zijn dat niet.

Gevoel en verstand wankelen tussen beide. Maar hoe dan ook, geen van beide kan me genezen.

Aan het eind van deze rit, nog een retraite in een mooi – wat anders? – klooster. Dom Van der Laan? Naar Vaals? De esthetiek haalt het toch weer.

Een notaris om alles te regelen.

Een pastor met wie ik nu al een dienst afspreek. In de Begijnhofkerk hier in mijn straat. Zo in de aarde gegrond, zegt de pastor. Een vurige barokgevel voor een lekenceremonie.

 

Het vrouwenlijf

Het vrouwenlijf: hét Eldorado van de kankerbestrijding. En dan vooral haar borsten. ‘Wegnemen’ (dat zegt men bij vrouwen, niet bij mannen). En het houdt niet op: ‘De kiste is niet gevaarlijk, maar laten we ze toch maar wegnemen en dat andere voor alle zekerheid ook.’ Je gelooft je eigen oren niet! Geneeskunde?

De borsten: vandaag een zoet mirakel, ‘morgen in de vleesbak’ (Kankerpaviljoen).

Daar staat hij dan: op sokken, zonder gesp, de broek om de enkels, onbeweeglijk, de angstpeer in de hand. En dan die winderigheid, juist nu! Dit is het dus, dit is het dus. (‘Dus’ is voortaan het belangrijkste voegwoord. Ainsi (soit-il).)

***

Hoe kostbaar is het leven voor dat leven?

***

De radiologe fluistert: niet één, niet twee, niet drie opinies vragen! (Ik vroeg er vier; dit is dan mijn terminus, dit gelaat.)

De paniek

Ophoping. Constipatie. Kettingbotsing. Samendrukken. Gedachten, gevoelens in één. Een kluwen. Waar begint en waar eindigt het? Het trekt. Het sleurt. Het duwt. Het perst.

De paniek vult, helemaal, tot ver over de rand, zonder maat. Maar in die overmaat is er niets meer. Het is een lege overmaat. ‘Leaky panic‘, schrijft Sontag (David Rieff, Swimming in a Pool of Death). Het tast iedere plek van je lichaam aan. Je wordt verrot geslagen. In een ton met de agressiefste stralen water. Tot uitputting je overvalt. En er komt geen einde aan. Paniek is een storm die ter plaatse blijft hangen. Stil en oorverdovend. Het gaat tot in het beenschuim van mijn botten.

Dat was de Grote Paniek. Dat duurde enkele maanden. Ik kreeg ze pas langzaam onder controle en dan begon het schrijven.

Dan de Kleine Paniek. Punctueel, enkele minuten. Zo heftig als de Grote, maar beperkt in tijd. Ik kon ze dus aan mezelf vertellen, die Kleine Epileptische Aanvallen. Ik kon er mijn innerlijke klok op afstemmen. Ze kondigen zich aan – ruim één minuut op voorhand. Ik kijk meteen, heftig, of ik nog kan stappen tot aan een steun (laat het vooral niet midden op straat gebeuren!). Ondertussen – na ongeveer 10 seconden – rolt de paniek over mij heen. Dan het trillende, schokkende hoogtepunt – 2 minuten. Dan nog tijd voor de naschokken – 1 minuut. Meer dan 4 minuten. En de tijd om weer helemaal in de wereld te zijn. De wereld: de Kruidtuinlaan. Heel simpel. Auto’s die stoppen bij de lichten, bussen die voorbijrijden. Mensen die oversteken. Onderaan ligt het metrostation IJzer. Daar dus. In die wereld. Ik stap kordaat naar een leslokaal zo’n 25 minuten verder. Daar ligt het leven, al ben ik heel moe.

Een variant. Het struikelen, of juister de angst om te struikelen. De opstoot van paniek als ik aan het struikelen ben. Een hoge stoeprand die ik nochtans vaak met succes, zij het niet zonder angst, gebruik. Ik struikel over mijn angst. Eerst: daar gaan we weer! Vloeken. Dan, als de zwaartekracht aan me gaat trekken, een slow motion. Het vallen duurt langer dan de val. Voor de smak zie ik nog: auto’s, hun vorm, hun kleur, nog net niet hun nummerplaat. Wandelstok met metalen kop, een plastic zakje met een boek, alles op de grond (‘mijn boek!’). Hoe zit het met de poreuze rug? Kan ik nog bewegen? Ik lig op het zebrapad als een danser van Rosas. In de auto’s, mijn publiek. Drie mensen hijsen mij recht (ben ik dan zo zwaar?). Een jonge vrouw neemt me bij de arm, tot aan de andere kant. Ze wrijft even over mijn schouder. Ik beef uitgeput; mijn gebinte kreunt.

Bedrieg ik je minnaar? Je latere man? Beschaamd neem ik in de tussentijd zijn plaats in. Hij loopt nu al ergens rond. Stond hij gisteren in de kaaswinkel naast mij?

***

‘Waarom ik?’ ‘Waarom ik niet?’

***

’s Nachts schuift loodzwaar het rechterbeen over de bedrand. Dat been terug in bed krijgen!

 

Een Verschijning

Het bezoek van een geliefde broer aan het ziekbed. In een kamer van vier. Een gordijn achter zijn rug. Hij op een stoel. Ik rechtop in bed. Moe. Maar terwijl we intens met elkaar praten: ‘iets’. Een incident, een breuk. Er is ongevraagd en geheel onverwacht: vreugde (joie, joy). Alsof de Grote Wind van de wereld is binnengelaten. Niet het geluk, le bonheur, zo ván en ín de wereld: de kleine wind die gordijnen optilt, ruist, wat stof omhoogblaast (Luchino Visconti, Il Gattopardo). Dit is anders. Ik turf bij het schrijven mijn woordenschat af. Niets voldoet om die Grote Wind te beschrijven. Ineens, ja, een kinderervaring. De eerste paragrafen van Frederik van Eeden, De kleine Johannes, of ‘le calme’ van Baudelaire.

Niets heeft mij hierop voorbereid. Niets in de omgeving, die dag, tijdens dat gesprek. Ik blijf de hele tijd de waterige zakjes zien aan de aluminium boom. Ik voel het heerlijk gesteven laken (‘luxe’, Baudelaire). Ik voel mijn hand die nu eens gevend, dan weer ontvangend op het laken ligt. Ik weet naast mij de verchroomde stang om me in het bed te houden. Het bekende is niet weggeblazen. Hier is hier. Maar dan de Grote Wind, helder, verfrissend. Ik weet dat dit niet meer terugkomt, ik verlang er zelfs niet naar. De Grote Wind heeft me aangeraakt. Dat volstaat.

Dit is mij toegevallen en trekt zich dan terug, zoals de moeder waarvan de geurende sleep van haar avondjurk bij het weggaan nog even tussen de deuren trekt. Ongevraagd. Is dit genade? De Grote Wind laat mijn armen opengaan, steeds verder open, wijd open. Tot aan elke horizon.Ik reik naar hem. De wereld.

In een twintigtal shots hebben Dreyer, Rossellini, Bresson die vreugde zichtbaar gemaakt. Geen bijzondere shots. Vreugde, genade zijn niet bijzonder. Ze zijn hard en levendig. Bij het schrijven denk ik: paniek is dodelijke zonde, angst is dodelijke zonde. Ze nemen van de wereld af. De Grote Wind voltooit.

Luisteren

Geen sedatief, zeg ik, en daarna: mag ik naast het bed stappen, rechtop naar de operatie? Ik zie er meteen – maar te laat – het belachelijke van in. Werkeloze Brabantse trekpaarden? Dat kan ik ze toch niet aandoen. Trouwens, toch heerlijk die wind als ze me rijden, die camioneurs van de ziekenbedden.

In het dispatchingcentrum tussen verschillende operatieblokken liggen anderen als kinderen voor het slapen ondergestopt. In dit voorgeborchte lopen prompte jonge vrouwen rond. Te mooi om ze verpleegsters te noemen. In hospitaalgroen. Ze dragen plastic zakjes van hier naar de operatiezaal. Ze duwen daarbij kordaat de deur open, zoals obers de klapdeur naar de eetzaal. Obers zijn de vitrine van een restaurant; deze jonge vrouwen zijn de obers van de operatiekamer.

Ze babbelen de hele tijd door als meesjes. Van de halfslapenden trekken ze zich niets aan. Ik moet een uurtje wachten, maar dat komt me goed uit. Dat geeft me alle tijd om een van de meesjes tot mijn vogeltje te maken. Ze is wondermooi, petite, zoals ze daar in dat groen, met dat kapje, met die speelse, kordate, o zo jonge stapjes op de scène van mijn verliefdheid beweegt. Snaterend vogeltje. Mijn hart klopt nu helemaal alleen voor haar, dankzij haar.

Dan de operatiekamer, het licht, beschermende armen die mij op de tafel rollen (beschermend, moederlijk, juist hier!) De rechterarm gestrekt en vastgebonden. Een halfgekruisigde, waarbij juist dat halve het hele verschil maakt. Ik bedenk: hoeveel voorkomendheid, aandacht, welwillendheid, zorg (care)?

Zit het leven zo in elkaar?

In het zwembad moeten drie volwassenen mij hijsen. De eerste om me neer te zetten. De volgende om me op de rand te schuiven (vooruit dan maar), dan de laatste om me te water te laten. We lachen treurig luid.

***

De mechaniek bij het vrijen. Het atrofiërende rechterbeen kan ik niet meer richten. Ik moet het doen met mij te laten berijden – andromache, windhond, heb ik in de 69 standen opgezocht.

***

Ik heb een stadskaart van mijn kwartier in het hoofd. Daar ligt de stoep verwaarloosd, die oversteek is gevaarlijk, daar zou ik kunnen vallen. Een kreupelen-kaart. Zou men moeten drukken. 

Lees hier het vervolg

Illustraties:

Uit The Hospital Drawings van Barbara Hepworth. Met dank aan The Hepworth Wakefield, Wakefield, West Yorkshire (www.hepworthwakefield.org).

Entry filed under: Uncategorized. Tags: , , , , , , , , , .

DE NIET MEER GEZONDE MAN (Deel II) MET DE EURO NAAR DE VERDOEMENIS

2 reacties Add your own

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.204 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: