ONBEKEND FRANKRIJK

december 25, 2013 at 7:25 pm 4 reacties

Lang vóór de naam bekend werd als de beroemdste wielerwedstrijd ter wereld was de Tour de France iets helemaal anders. Jaarlijks legden duizenden jongeren en kinderen uit alle delen van Frankrijk te voet honderden kilometers af in wat “Le Tour de France des apprentis” werd genoemd. De tocht duurde vier tot vijf jaar. Oorspronkelijk was de route beperkt tot de Provence en de Languedoc, maar later werd die uitgebreid tot de Loirevallei, Parijs, Boergondië en de vallei van de Rhône. De leerjongens – soms met een paar als jongens verklede meisjes – verbleven een aantal weken of maanden in een stad of streek waar ze leerden omgaan met de plaatselijke materialen en technieken. Na de Tour werden ze opgenomen in het gild van de metselaars, timmerlui, bakkers of kleermakers en kregen ze de titel van “Compagnon du Tour de France.”

Het halucinante verhaal van de leerjongens is slechts één van de tientallen die je leest in “De ontdekking van Frankrijk” van de Brit Graham Robb. Robb was al een erkend expert in Franse literatuur en geschiedenis toen hij begon te beseffen dat er een brede kloof gaapte tussen de “officiële” geschiedenis van Frankrijk – de geschiedenis van monarchie en republiek, van oorlogen en revolutie – en die van het Frankrijk van wat we gemakshalve maar “de gewone man” zullen noemen. Dat Frankrijk leerde hij kennen door de uitvinding die aan het einde van de 19e eeuw het land openlegde voor de overgrote meerderheid van de bevolking: de fiets. Robb legde op twee wielen meer dan 21000 kilometer af over wegen die honderden, soms duizenden jaar geleden werden getrokken door Romeinse legioenen, pelgrims, smokkelaars en rondreizende kooplui. Het resultaat is een unieke geschiedenis van Frankrijk. Uniek omdat vrijwel alles wat over Frankrijk en de Franse geschiedenis bekend is voortkomt uit het referentiekader van de Parijse elite. Zelfs beroemde auteurs als Balzac en vele anderen die uit de provincie stammen schreven hun werken nadat ze al jaren in Parijs waren gevestigd en het contact met hun geboortestreek – hun pays – waren verloren. 

Graham Robb

De leerjongens van de “Tour de France des apprentis” waren de eerste Fransen die Frankrijk ontdekten. Tot de komst van de spoorwegen was “Frankrijk” voor de meeste inwoners van het land buiten Parijs onbekend gebied. Een Limousin, een Bordelais of een Savoyard was min of meer vertrouwd met zijn pays – zeg maar regio – maar was zelden verder dan 20 kilometer buiten zijn dorp of stad geweest. Frans was voor de bevolking van Frankrijk een vreemde taal. Het grootste deel van het land was midden 18e eeuw evenmin in kaart gebracht als centraal Afrika en was voor de inwoners van Parijs en omgeving al even exotisch en onbekend.

In de zomer van 1740 zette een jonge cartograaf zijn instrumenten op in het dorp Les Estables, meer dan 500 kilometer ten zuiden van de hoofdstad . De jonge man – zijn naam is onbekend gebleven – maakte deel uit van een expeditie die voor het eerst het onbekende land in kaart moest brengen. Voor de inwoners van Les Estables was de komst van een vreemdeling die een onbekende taal sprak (Frans namelijk) en anders was gekleed een uitzonderlijke gebeurtenis. De bizarre instrumenten die hij bij zich had waren zeer verdacht. Had de komst van een vreemdeling eerder al niet tot kwalijke gevolgen geleid? Oogsten waren mislukt, schapen waren dood teruggevonden, verscheurd door een mysterieus wezen wreder dan een wolf – en waren de belastingen daarna niet omhoog gegaan? Om meer van dat onheil te voorkomen sloegen de dorpsbewoners de jonge cartograaf met stokken en bijlen dood.

Dat uitgerekend een Brit Frankrijk moest ontdekken is minder vreemd dan op het eerste gezicht lijkt. Al eeuwenlang zijn Britten gefascineerd door het land aan de overkant van het kanaal waar ze zulke nauwe historische banden mee hebben. Lang vóór de tijd van het massatoerisme was Nice, toen nog een onafhankelijke stadstaat, een aantrekkingspool voor de Britse aristocratie. Het was een Brit die de gletsjers van de Mont Blanc ontdekte en de eerste “toeristen” – het woord zelf is Engels – waren Britten. De Britse auteur van “Treasure Island,” Robert Louis Stevenson, voer met een kano de kanalen af tussen de Samber en de Oise die Parijs met België verbinden.

Toerisme maakte het land bekend, aan buitenlanders en aan de Fransen zelf, maar veranderde het ook. Lokale besturen probeerden van hun streek een beeld te geven dat aan de clichés en verwachtingen van de toeristen beantwoordde. Toen Arcachon door de komst van de spoorweg uitgroeide tot de toeristische hoofdplaats van de Bordelais kregen de mannen opdracht brede broeken te dragen en de vrouwen lange rokken die het hun onmogelijk maakten schaaldieren te plukken. In Dieppe werden de arme bewoners aangespoord schoenen te dragen in het zicht van toeristen en kinderen werd aangemaand niet langer door “onzedelijk te baden” de vreemde badgasten te schandaliseren. Toeristen – zo schrijft Robb – waren in tegenstelling tot etnologen en ontdekkingsreizigers niet geïnteresseerd in louter ontdekken en observeren. Ze transformeerden het voorwerp van hun nieuwsgierigheid, “kleedden de inboorlingen in kleuren die hun vooroordelen bevestigden en creëerden uiteindelijk hun eigen steden en landschappen.”

De openstelling van het land had paradoxaal genoeg ook tot gevolg dat tradities, lokale legenden en geschiedenis verloren gingen. Samen met toeristen en etnologen kwamen namelijk onderwijs en kranten die de inwoners van tot dan toe afgesloten gebieden het gevoel gaven tot een groter geheel te behoren waardoor de oude verhalen belachelijk en achterlijk gingen lijken. In de plaats daarvan kwam een geconstrueerd verleden, veelal verzonnen door geleerden in Parijs en buitenlandse “waarnemers.” Traditionele klederdracht werd heruitgevonden in een poging de verloren gegane diversiteit van het land te reconstrueren. Op de “Exposition Universelle” van 1878 in Parijs moest de tentoonstelling van regionele klederdracht de rijke traditie van de Franse regio’s voor het voetlicht brengen. Een oude wever had een kostuum uit de Montagne Noire gefabriceerd op basis van wat hij zich meende te herinneren: een authentiek exemplaar kon nergens meer gevonden worden. “De traditionele klederdracht die tentoon werd gesteld leek meer thuis te horen op een gemaskerd bal dan in een dorp in de verre provincie.”

Schermafbeelding 2013-12-24 om 17.04.36

De eerste Franse spoorweg van de kolenhaven Andrézieux op de Loire tot Lyon.
Pas in 1844 werden de paarden vervangen door stoom

Eenzelfde paradox viel waar te nemen als gevolg van de grotere mobiliteit door de invoering van de spoorwegen. In plaats van afgelegen gebieden te ontsluiten zorgde het spoor ervoor dat kleinere steden en dorpen wegkwijnden omdat de traditionele plaatselijke wegen in onbruik vielen. De oorzaak was – en is – de extreme centralisatie van spoorlijnen rond Parijs. Wie een kaart van het 19e eeuwse spoorwegennet bekijkt ziet Parijs als een “bevrucht ei met vezels naar de nabijgelegen provincie” terwijl de onderste helft van het land nagenoeg blank is. Het goederen-en reizigersvervoer dat eeuwenlang over een capillair netwerk van wegen en paden was verlopen verplaatste zich naar het snellere en meer comfortabele spoor met als gevolg dat een groot deel van de bevolking meer dan vroeger geïsoleerd achterbleef. Hetzelfde fenomeen doet zich ook nu voor door de komst van de TGV.

Hoe het Frans van Parijs de rest van Frankrijk veroverde is een ander fascinerend verhaal. Aan het einde van de 19e eeuw lijstten taalgeleerden in Frankrijk ongeveer 55 dialecten en honderden “sub-dialecten” op, van Franco-Provencaals, Catalaans tot Vlaams, Frankisch, Bretoens en Baskisch. Andere talen waren nauwelijks bekend buiten het gebied waar ze werden gesproken en soms geschreven: het Shuadit of Joods-Provencaals was de taal van de Joden in de pauselijke enclave van de Vaucluse, het Zarfatic of Joods-Frans was tot de Tweede Oorlog te horen in de Moselle en het Rijnland, het Caló was de taal van de zigeuners. In het Pyreneeëndorp Aas, aan de voet van de Col d’Aubisque gebruikten de herders die in de zomermaanden eenzaam in berghutten woonden een taal die klonk als een schel gefluit van meer dan honderd decibel dat tot op drie kilometer afstand kon worden gehoord. Op die manier konden de herders zelfs de inhoud van de plaatselijke kranten aan elkaar doorfluiten.

images

Abbé Henri Grégoire

De overheersing van het Frans als nationale taal was voor een groot deel het werk van een revolutionaire priester. L’ Abbé Henri Grégoire was geen “taalterrorist.” Hoewel hij sympathiseerde met de Revolutie probeerde hij het patrimonium van het land te vrijwaren van “revolutionair vandalisme.” Het woord “vandalisme” is overigens zijn uitvinding. L’Abbé Grégoire had campagne gevoerd voor de afschaffing van de slavernij en de doodstraf en hij was voorstander van het verlenen van volwaardig burgerschap aan de Joden. Hij wilde overal in het land scholen en bibliotheken, maar dat was in zijn ogen onmogelijk zonder een gemeenschappelijke taal. Geen natie zonder een “nationale taal.”

Bij het uitbreken van de Revolutie had Grégoire naar alle mairies van het land een vragenlijst gestuurd met de bedoeling een inventaris op te maken van de honderden dialecten die er gesproken werden. De vragen waren onder andere: “Heeft de regio een eigen patois”? en “Wat is de beste manier om het uit te roeien?” Patois was de denigrerende term voor lokale talen. Volgens de Encyclopédie was patois “de in vrijwel alle regio’s gebruikte corrupte taal. Échte taal wordt alleen in de hoofdstad gesproken.” De antwoorden op de vragenlijst van Grégoire sloegen hem en zijn medestanders met verstomming. Méér dan zes miljoen Fransen hadden geen enkel benul van de Franse taal. Nog eens zes miljoen waren nauwelijks in staat een conversatie te voeren in die taal . Slechts 11 percent van de bevolking had een behoorlijke kennis van het Frans al was correct spellen voor velen daarvan een onmogelijke opgave. De officiële taal van de Franse Republiek was de taal van een kleine minderheid.

Was Grégoire verbluft door het resultaat van zijn enquête, het staat zo goed als vast dat de werkelijkheid nog veel erger was dan de Abbé kon bevroeden. Zeventig jaar later, in 1880, bleek uit officiële statistieken dat slechts acht miljoen Fransen zich vlot in het Frans konden uitdrukken: niet méér dan een vijfde van de bevolking. “In sommige delen van het land waren prefecten, dokters, priesters en politiemensen als koloniale ambtenaren aangewezen op tolken om met de plaatselijke bevolking te communiceren.”

De remedies van l’Abbé Grégoire waren zachtzinnig in vergelijking met latere “taalkundige zuiveringen.” Hij stelde voor de kennis van het Frans te bevorderen door de bouw van wegen en kanalen en door het verspreiden van nieuws en het geven van landbouwkundig advies. Speciale aandacht moest gaan naar de keltische en “barbaarse” grensgebieden waar de contrarevolutie welig tierde (Baskenland, Bretagne en de Elzas) maar bovenal zag hij heil in het vereenvoudigen van de Franse taal en het afschaffen van de onregelmatige werkwoorden.

Bekeken door hedendaagse ogen lijkt de campagne van l’Abbé Grégoire, een onverdeeld succes. Geholpen door betere communicatiemiddelen veroverde het Frans van Parijs inderdaad praktisch heel het land. Maar het proces nam meer tijd in beslag dan op het eerste gezicht lijkt. Bovendien deed zich parallel met de verspreiding van het Frans een opmerkelijke ontwikkeling voor: ook de plaatselijke talen wonnen veld. Van een Bretoense boer vernam L’Abbé Grégoire tot zijn ontzetting dat meer en meer stadsbewoners Bretoens leerden om te communiceren met de boeren van wie ze dagelijks producten kochten. Tot laat in de 19e eeuw waren de Vlaamse steden Rijssel, Douai, Cambrai en Avesnes tweetalig. Recente cijfers wijken sterk uiteen, maar zelfs de laagste schattingen suggereren dat een grote minderheid van Fransen ook nu nog in bepaalde omstandigheden een taal gebruikt waarvan lang werd aangenomen dat ze eind negentiende eeuw was uitgestorven. Tenminste twee miljoen sprekers spreken een of andere vorm van Occitaans (Langue d’Oc), het Elzas’ heeft anderhalf miljoen sprekers, het Bretoens 500000 en het Corsicaans 280000. 80000 Fransen spreken ook vandaag nog Vlaams.

In sommige gebieden verloor het Frans ondanks een intensieve campagne veld. Eind negentiende eeuw stelden schoolinspecteurs vast dat de leerlingen het weinige Frans dat ze op school hadden geleerd na korte tijd weer vergeten waren. “Het Frans laat in hun brein evenveel sporen na als het Latijn in dat van middelbare scholieren.” Velen gebruikten het Frans in een bepaalde periode van hun leven en keerden daarna terug naar hun plaatselijk patois: dienstplichtigen nadat ze waren afgezwaaid, leerjongens die naar huis terugkeerden of reizende handelaars. Sommigen leerden de Franse taal nooit. Er zijn verschillende gevallen bekend van Bretoense soldaten die in de Eerste Wereldoorlog door hun kameraden werden doodgeschoten omdat ze voor Duitsers werden aangezien of omdat ze de Franse bevelen niet verstonden. (Mijn eigen Vlaamse oom en tante die in de Aisne boerden moesten zich in de Tweede Wereldoorlog weren tegen de reputatie van “boches” omdat ze onder elkaar en met hun kinderen Westvlaams dialect spraken.)

Bernadette_Soubirous

Bernadette Soubirous

Het is dus geen wonder dat de Heilige Maagd, toen ze in Lourdes aan Bernadette Soubirous verscheen het plaatselijke patois gebruikte. Een andere taal zou het herderinnetje eenvoudigweg niet hebben begrepen. “Que soy era immaculada councepciou” – ik ben de onbevlekte ontvangenis – zou de moeder Gods hebben verklaard – een begrip dat Bernadette zonder twijfel haar hoofddoekje te boven ging en dat waarschijnlijk nieuw was in haar plaatselijke taal, al kan ze het woord hebben gehoord in de cathechismusles: de doctrine van de “onbevlekte ontvangenis” was vier jaar eerder door paus Pius IX afgekondigd.

Bernadette zag onzelievevrouw in een grot die al eeuwenlang bekend stond om de mysterieuze gebeurtenissen die er plaats vonden en de bovennatuurlijke geesten die er verschenen. Ze noemde de verschijning die ze tot achttien keer toe zag “uo pétito damisèla” – in het Frans vertaald als “une petite demoiselle.” Maar in de Franse vertaling ging een belangrijke connotatie verloren. Voor de plaatselijke bevolking van Lourdes en omgeving waren damisèlas goedaardige bosfeeën die in het wit gekleed gingen en verdwenen zogauw iemand dichterbij kwam. Ze hadden volgens uit de prehistorie daterend volksgeloof magische krachten en stonden aan de kant van de armen. Toen in 1827 de nieuwe boswet het sprokkelen van hout en voedsel aan banden legde reageerden de haveloze boeren met geweld en brandstichting in wat de “oorlog van de Demoiselles” werd genoemd. Mannen vermomden zich als damisèlas om naar het voorbeeld van de bovennatuurljke geesten industriële houtskoolbranders te terroriseren.

The Discovery of France is een fascinerende tocht door de geschiedenis en de geografie van ons buurland. Wie jaarlijks met de auto naar het zonnige zuiden snelt kan ik alleen maar aanbevelen met dit boek als historische reisgids het land te verkennen dat zich links en rechts van de autoroutes bevindt. Hij of zij zal dan de breuklijnen ontwaren tussen culturen, talen en volkeren die ondanks vier eeuwen centralisme en autoritair bestuur door koningen en republiek van Frankrijk nog steeds een verbrokkelde natie maken. De breuklijn bijvoorbeeld tussen de langues d’Oc en d’Oil, of die tussen noord en zuid, tussen stad en platteland, tussen Parijs en de rest van het land.

Ook wie Frankrijk meent te kennen zal in dit boek herhaaldelijk een wauw-belevenis ervaren. Er is bijvoorbeeld de geschiedenis van de Cagots, een bevolking die jarenlang grof werd gediscrimineerd, of die van de Colliberts die in de ondoordringbare moerasgebieden aan de Franse Atlantische kust woonden en die zelfs door de Romeinen ongemoeid waren gelaten. En dan is er nog het onwaarschijnlijke verhaal van de smokkelhonden in Picardië en Artois, dat ik om uw leesplezier niet te bederven hier niet zal verklappen.

Johan Depoortere

23 december 2013

Graham Robb The Discovery of France

Kindle Book

vertaald als:

DE ONTDEKKING VAN FRANKRIJK

Frankrijk voor gevorderden

Atlas Contact 2008

Entry filed under: boeken, Europa, godsdienst, toerisme, Uncategorized. Tags: , , , , , , , , , , , , , .

Quasi-Kerstverhaal: ALBRECHT DÜRER IN BRUSSEL NA KERSTDAG

4 reacties Add your own

  • 1. Pol De Frene  |  december 25, 2013 om 9:06 pm

    Dag Johan, heel boeiend verhaal over Frankrijk. Zo zie je maar wat de ‘geschiedschrijving’ er van gemaakt heeft!

    Beantwoorden
  • 2. jefc  |  december 26, 2013 om 10:07 am

    Een boek over Frankrijk lezen, in de Caraïben, en er dan in het Nederlands over schrijven voor een Belgisch medium, dat is het ware internationalisme. Zeker als het verhaal nog razend interessant is ook.

    Beantwoorden
  • 3. Ron Linker  |  januari 3, 2014 om 4:46 pm

    Mooi verhaal Jan, dank voor het onder de aandacht brengen!

    Beantwoorden
  • 4. Thérèse Vanbrabant  |  februari 3, 2014 om 8:48 pm

    Ik heb het boek nu. Leest vlot. Spannende lectuur. Had ik al VEEL vroeger moeten lezen… Bedankt voor de tip, Jo!

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Trackback this post  |  Subscribe to the comments via RSS Feed


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.204 andere volgers


%d bloggers op de volgende wijze: