Archief beheerder

WANNEER IS HET ROKJESDAG?

rokjesdag A

Op 2 april 2009 probeerde wijlen Martin Bril in zijn column in de Volkskrant een antwoord te geven op de vraag: wanneer is het precies rokjesdag? Zijn conclusie: ‘Het luistert nauw met deze dag’. Hierbij nog een keer zijn overpeinzingen.

door Martin Bril

Van alle kanten bereikt mij de vraag wanneer het rokjesdag is. Televisieprogramma’s, tijdschriften, radioshows, passanten op straat. Iedereen heeft het erover. Sommigen noemen het overigens bloesjesdag.

Ik niet.

Rokjesdag is die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen, met daaronder blote benen. Tot zover de definitie waarop ongetwijfeld het een en ander valt af te dingen, maar daar heb ik geen zin in, sterker nog; het is een prachtige definitie.

De Van Dale noteert onder rokjesdag zie bloesjesdag. Zo kan ik het ook. Snel naar bloesjesdag en daar treffen we deze: eerste warme lentedag (waarop de vrouwen voor het eerst in hun bloesje op straat lopen).

Tja.

Ik vind mijn eigen definitie beter. En ik ben niet eens een billenman. Ook geen tietenman trouwens. Dus dat heeft er niets mee te maken. Wat mijn definitie zo mooi maakt is de toverslag.

Hoe weten alle vrouwen dat het rokjesdag wordt? Er is geen tamtam, en het wordt niet op radio en televisie aangekondigd. Het gaat dus om een voorgevoel dat duizenden vrouwen op hetzelfde moment bezoekt.

Het is vandaag 2 april en als het goed is schijnt de zon. In de loop van de dag zal de temperatuur oplopen tot zo’n17, 18 graden. Dat is in principe genoeg voor rokjesdag, ware het niet dat de ochtend aan de koude kant is, 4 graden, en dat is een obstakel. Halverwege de dag iets anders aantrekken mag niet, en is in veel gevallen ook onmogelijk. Je gaat je op je werk niet verkleden.

Dat brengt ons bij vrijdag.

Niets is beter voor rokjesdag als een dagje wennen aan het idee. Die dag beleven we vandaag. In grote delen van het land, dat moet ik erbij zeggen. Voor wie pech heeft. Wat tegen vrijdag pleit is dat rokjesdag eigenlijk niet aan het einde van een week mag vallen; dat is te makkelijk.

Rokjesdag moet een element van ontbering hebben, een koude ochtend en kippenvel. Vijf graden in de ochtendspits. Het lijkt wel alsof je gek bent. Maar je ziet gelukkig overal collega’s.

Alle rokjes samen zorgen ervoor dat de zon zich al om half 11 gewonnen geeft en haar temperatuur opschroeft naar 13 graden, en twee uur later al naar 18 graden. Uit de wind, een heel klein beetje maar, maar toch, uit de wind kan het makkelijk 20 graden worden.
Voilà, rokjesdag.

Maar ik durf mijn hand er nog niet voor in het vuur te steken. Volgens mijn eigen archief valt rokjesdag namelijk altijd later. 3 april zou een record zijn. Mijn rokjesdagen spelen zich altijd rond 15 april af, bijna twee weken later. Ik moet daar als expert toch enig belang aan hechten.

Maar voor hetzelfde geld overvalt rokjesdag mij vrijdag, dat kan zomaar. Ik neem tenslotte niet deel aan het grote toverslagse raadsel, hoewel ik met drie vrouwen in huis wel een kleine voorsprong heb op andere mannen, en ik hoor de gesprekken die erover gaan, en ik zie dat de winterjassen niet meer aangaan, ik stel zelfs vast dat er lage schoenen aan blote voeten steken, en zonnebrillen in het haar. Ja, dat het de goede kant op gaat, is een feit.

Maar vrijdag?

Doet het er trouwens toe? Natuurlijk niet. Het is maar een geintje. Maar in de kern een schitterend geintje, dat wel. Rokjesdag doet mij meer dan Internationale Vrouwendag, als ik zo oneerbiedig mag zijn.

Het is een feestdag, wanneer hij ook valt.

kort

kort

krt

krt

kt

kt

k

k

o

o

voyeurisme is niet strafbaar

voyeurisme is niet strafbaar

handtastelijkheden wel

handtastelijkheden wel

april 16, 2015 at 11:28 am Een reactie plaatsen

OVER STEVE: DE OMBUD EN DE PROF

urn 2

Met de familienamen erbij moet dit perfect te volgen zijn: Stevaert, Van den Berghe, Naegels

7 april
mail aan Tom Naegels, Ombudsman van De Standaard
Beste Tom Naegels,

In reactie op uw vandaag in de krant mooi verwoorde mening dat ‘de’ media de dood van Steve Stevaert op gereserveerde wijze hebben belicht, stuur ik u even een opiniestuk dat ik vorige zaterdag naar de opiniebladzijden van DS stuurde, opiniestuk dat zo te zien niet gepubliceerd zal worden.
[zie voor dat stuk van Tom Naegels: http://www.standaard.be/cnt/dmf20150406_01617158%5D

Mijn tekst ging zaterdag ook als voer voor discussie naar ‘mijn’ studenten (masters moraalwetenschap die op mijn en hun initiatief heel wat ethische en maatschappelijke thema’s uitdiepen). Vermoedelijk door de vakantieperiode kwamen er nog toe maar enkele reacties, maar iedereen vindt dat ‘de’ media te sensatiegericht gerapporteerd hebben en dat doorgaans ook zijn. Niet om de prof naar mond te praten want uit ondervinding weten ze dat dat niet hoeft.

Ik stuur u dit in vertrouwen, als ombudsman. Misschien heeft u er toch iets aan. Aangehecht mijn opiniestuk.

Vriendelijke groet,

Gie van den Berghe
***

9 april
mail van Tom Naegels
Geachte heer Van Den Berghe,

Bedankt voor uw mail.

Misschien toch een aantal antwoorden op concrete vragen die u in uw tekst stelt. Dat de vrouw die de klacht indiende niét, en Steve Stevaert wél bij naam werd genoemd, heeft een dubbele reden. Allereerst is het wettelijk verboden om de identiteit vrij te geven van slachtoffers van seksuele misdrijven. (Artikel 378Bis van het strafwetboek). Dat geldt ook voor mensen die voorlopig enkel klacht hebben ingediend, en dus officieel, juridisch nog geen slachtoffer zijn. Ten tweede wordt er zowel in de rechtspraak als in de journalistieke deontologie een duidelijk onderscheid gemaakt tussen publieke figuren en gewone burgers. Publieke figuren (zowel in de betekenis van “beroemdheden” als in de betekenis van “mensen met een publieke verantwoordelijkheid”, Stevaert was beide) hebben weliswaar net als iedereen recht op privacy, recht op bescherming van hun goede naam edm, maar moeten niettemin accepteren dat zij, meer dan anderen, bloot staan aan kritiek, en dat als ze in opspraak komen hun naam genoemd kan worden, als het maatschappelijk belang dat vraagt. Over dat laatste begrip kan natuurlijk eindeloos gediscussieerd worden, je kan het zo restrictief definiëren dat uiteindelijk niets er nog onder valt, maar voor mij is het helder dat als een voormalig partijvoorzitter, voormalig minister en voormalig gouverneur, ooit de populairste politicus van Vlaanderen, betrokken is in een gerechtelijk onderzoek en vervolgens uit het leven stapt, het maatschappelijk belang vraagt dat hij geïdentificeerd wordt.

Daarmee is ook uw andere vraag beantwoord: zou dit verhaal dezelfde aandacht hebben gekregen indien het om een anoniem iemand ging? Nee, natuurlijk niet, maar dat is ook maar logisch. Journalistiek werkt met het onderscheid tussen publieke figuren en andere.

Ik denk dat u een selectieve lezing maakt van de berichtgeving, als u zegt dat die unaniem en onvoorwaardelijk partij heeft getrokken voor de vrouw die de klacht indiende.

En dat het om een zelfmoord ging, is bevestigd door het parket. Men mag ervan uitgaan dat dat een officiële bron is die een dergelijke mededeling niet lichtzinnig de wereld in stuurt. En bij mijn weten is het perfect mogelijk om, zelfs als men kan zwemmen, te verdrinken in een snelstromend kanaal. Waarom Stevaert voor die methode gekozen heeft, is dan weer een vraag die ik niet kan, of hoef te beantwoorden.

En natuurlijk vinden uw studenten dat ‘de’ media sensatiegericht zijn. Dat is de default mening over de journalistiek. Zelf word ik er vaak nogal moedeloos van hoe lichtzinnig er met dat oordeel wordt gesmeten, zonder veel interesse in de methode die door die media is gevolgd, de normen die journalisten zich daarbij hebben gesteld, en de functie die die berichtgeving heeft in de cultuur. Het *kan*, dat media soms sensationeel te werk gaan – en als dat gebeurt, dan moet dat worden veroordeeld. Maar als het een routine-oordeel wordt, dat altijd wordt uitgesproken, ongeacht de feiten, dan is het ook maar wat het is.

Zeer hartelijk,

Tom Naegels
Ombudsman De Standaard
***

10 april mail aan Tom Naegels
Beste Tom Naegels,
Dank voor uw reactie op mijn opiniestuk dat niet in De Standaard werd gepubliceerd.

Reactie schrijf ik, want geen antwoord, behalve zeer selectief.
Het maatschappelijk belang was op geen enkele manier gediend met het uitbrengen van het feit dat een vrouw Steven Stevaert beschuldigde van een verkrachting na drie jaar stilzwijgen daarover. Dat de media ervoor kozen dat toch uit te brengen, zonder vooraf na te gaan of en zo ja welke bewijzen er waren van Stevaerts schuld, noem ik niet alleen sensatiezucht maar ook een vorm van smaad en zoals helaas gebleken is ook een riskant zetje richting wanhoopsdaad (‘zelfmoord’ mag overigens uit ons vocabularium geschrapt worden, een mens kan zichzelf niet vermoorden, alleen doden – in de term zelfmoord schuilt nog altijd de van oorsprong katholieke afkeuring van die laatste wilsdaad).
Uw argumentatie met betrekking tot de anonimiteit van vermoedelijke slachtoffers van een seksueel misdrijf loopt mank. Als eerste punt heeft u het over de wetgeving dienaangaande, zonder die kritisch in vraag te stellen, je zou bijvoorbeeld de keuze van anonimiteit aan het vermeende slachtoffer kunnen overlaten. Ook onkritisch, toch voor de media en een ombudsman, is het niet publiekelijk opwerpen van de vraag of mensen die beschuldigd worden van een seksueel misdrijf, vermoedelijke daders dus, niet even veel recht hebben op anonimiteit, ook als ze een publieke figuur zijn. En daar kom ik bij het mank lopen van het beschermen van de anonimiteit van het vermeende slachtoffer. Want als tweede punt voert u namelijk aan dat Stevaert en andere publieke figuren géén recht hebben op anonimiteit. Neem me niet kwalijk maar beschuldigd worden, drie jaar na de beweerde feiten, van seksueel misbruik, lijkt me voor de vermoedelijke dader even schaamtevol of zelfs schaamtevoller dan voor het slachtoffer, zeker als hij/zij een publieke figuur is. Dat u en de media dat minstens impliciet anders (of niet) zien, heeft mijns inziens ook te maken met een maatschappij die nog altijd op soms merkwaardige, dubbelzinnige tot hypocriete manieren kampt met haar normen inzake seksualiteit en hoe die onder druk van veranderende maatschappelijke aandachtspunten (zoals groter belang van het kind, individuele rechten, vrouwenrechten…) eveneens veranderen, een verandering die niet automatisch verbetering impliceert..
Vreemd ook vind ik uw gebruik van ‘in opspraak komen’. Dat is in dit en in veel andere gevallen toch juist wat de media gedaan hebben en doen? Stevaert was beschuldigd door één vrouw, een aantal magistraten heeft die beschuldiging gevolgd en onderzocht (en dat vermoedelijk iets grondiger gedaan dan zou gebeuren als de vermoedelijke dader Jan Met de Pet was – iets waarover discussie mogelijk is en waar ik ook niet helemaal uit ben). Maar dan wordt er gelekt en dan moeten ‘de’ media beslissen, liefst deontologisch, of ze uitbrengen dat een publieke figuur beschuldigd is
In mijn ogen hadden de media pas over deze zaak mogen berichten toen Stevaert verdwenen was of, ander moment, dood werd teruggevonden. In uw reactie wordt die uiteindelijke zelfdoding aangevoerd als één van de redenen voor de media om meteen aandacht te besteden aan het feit dat Stevaert beschuldigd werd…!
Ik volg de media en ook De Standaard niet zo nauwgezet als u uit hoofde van uw beroep moet doen; er is zoveel andere en zoveel betrouwbaarder lectuur dan kranten en weekbladen! Ik volg de media, zoals veel van mijn collega’s en waarschijnlijk ook studenten, via andere kanalen zoals Gopress en alleen als zulks zin heeft, nodig is. Voor zo ver ik heb kunnen lezen werd de vrouw die Stevaert beschuldigde wel degelijk voortdurend slachtoffer genoemd, terwijl ze tot nader order iemand was die beweerde slachtoffer te zijn, iemand die een gekende publieke figuur beschuldigde.
Overigens wierp ik in mijn opiniestuk alleen een aantal vragen op (ook wat dat het al dan niet kunnen zwemmen betreft) die volgens mij door de media niet gesteld werden (en waarop u ook nu niet antwoordt, noch op de vragen zelf, noch op de vraag waarom ze niet gesteld werden). Dat ze niet gesteld werden (en mijn inderhaast geschreven reeksje vragen is natuurlijk niet limitatief) wijst erop en bewijst volgens mij dat veel media in dergelijke zaken inderdaad sensatiebelust zijn.
In herhaal ‘in dergelijke zaken’.
Dat studenten, masters moraalwetenschap, zeer intelligente en zeer kritische mensen, er alleen een default mening over de media zouden op nahouden is en een al te makkelijke, zelfrechtvaardigende verdachtmaking.
Als bijvoorbeeld een publieke figuur van een seksueel misdrijf wordt beschuldigd, dan nog zou een krant als bijv. De Standaard dat in een klein berichtje op de zoveelste bladzijde kunnen brengen en benadrukken dat het enkel en alleen om een beschuldiging gaat die volgens één of enkele magistraten voldoende grond van waarheid bevatten om deze publieke figuur door te verwijzen. Een krant zou zich dan alle vragen die ik nu opgeworpen heb, plus vele andere, kunnen stellen. Zeker ook de vraag waarom andere media wel zoveel aandacht besteden aan deze zaak en of dat deontologisch in orde is. Ook de vraag of een krant geen halt zou mogen of moeten toeroepen aan de overdreven aandacht die ze besteden aan futiliteiten over politici en andere publieke persoonlijkheden, aan het wederzijds gebruik van media en politici; zeg maar over de, of die maatschappelijke functie van een krant of de media.
Dat, beste Tom Naegels, de maatschappelijke functie van de media, daar zijn studenten moraalwetenschap (de enige waarover ik kan oordelen) mee bezig, mee begaan.
Daarom stel ik het soort vragen die niet in de krant mogen komen (ook niet in De Morgen, Het Laatste Nieuws) en presenteer ik die tegelijkertijd ook aan studenten.

Waarschijnlijk stuur ik mijn reactie op uw schrijven ook naar die studenten of bespreek ik dat tijdens een van mijn colleges. Vanzelfsprekend zou ik ook graag uw reactie aan de studenten voorleggen (op een intern discussieplatform, Minerva), maar dat doe ik even vanzelfsprekend alleen als u me daar toelating toe verleent.

Vriendelijke groet,

Gie van den Berghe
***

mail van Tom Naegels
Geachte heer Van Den Berghe,

Het staat u vrij mijn antwoord publiek te maken, aan uw studenten of elders. Ik wil er zelfs met uw studenten over in debat komen gaan, als hen dat interesseert.

Hartelijk,

Tom Naegels

Urn 0

april 10, 2015 at 2:23 pm 1 reactie

HEERLIJK HELDER, OOK OVER DISCRIMINATIE

De Wever in flou artistique

De Wever in flou artistique

 

door Walter Zinzen

Drie maanden lang hebben we kunnen genieten van de inspanningen op Radio 1 om onbegrijpelijk ambtenarees te vervangen door helder taalgebruik. Tegelijkertijd hebben we zelden zoveel duistere (onheldere?) mededelingen gehoord als uitgerekend nu. Terwijl de uitspraken van kamerlid-burgemeester-partijvoorzitter Bart De Wever (N-VA) in Terzake ongemeen helder en niet voor dubbele interpretatie vatbaar waren, was in de stortvloed aan reacties de helderheid vaak erg ver te zoeken. Een toemaatje op de campagne voor heldere taal lijkt aangewezen.

Laten we beginnen met een typisch Belgische miskleun: het Gelijkekansencentrum. Dat heet officieel ‘interfederaal’ te zijn. Nu wist mijn grootje al dat interfederaal betekent: tussen federaties. Als de federale republiek Duitsland samen met het federale koninkrijk België een instelling zou oprichten en beheren, dan zou die inderdaad terecht interfederaal genoemd kunnen worden. Maar het Gelijkekansencentrum wordt bestuurd door een allegaartje van de federale Kamer, de gewesten en de gemeenschappen. De term interfederaal slaat dus als een tang op een varken.

Racist als geuzentitel

Gelukkig zijn de standpunten van het centrum een stuk minder misleidend dan zijn naam zou doen vermoeden. Directeur Jozef De Witte kon geen gebrek aan helderheid worden verweten toen hij de uitspraken van De Wever ‘niet racistisch’ noemde. Maar uitgerekend over het begrip racisme werd door anderen heel wat mist gespuid. Vooreerst door De Wever zelf die racisme ‘relatief’ noemde. Filip Dewinter vond ‘racist’ dan weer een geuzentitel en is er trots op dat hij er één is, om dat later weer te ontkennen. En ook rector Rik Torfs van de KU Leuven liet zich niet onbetuigd. In De Morgen schreef de rector dat er ‘onzekerheid en onduidelijkheid groeit over de exacte contouren van het begrip racisme’. Hij voegde eraan toe: ‘Zeker, het openlijke racisme van de usual suspects is helder. Maar de grensgebieden worden nadrukkelijk vager.’ Verwijzend naar Didier Reynders, die zijn gezicht had zwart geverfd, zei de rector dat je onbewust racist kunt zijn, tegen wil en dank. ‘Dat maakt het moeilijk om zelf te weten of je een racist bent of niet.’
Ze zullen het bij het Gelijkekansencentrum met genoegen hebben gelezen. Met zulke overwegingen kun je niemand meer vervolgen voor racisme. Ach ja, ik heb mijn woning niet willen verhuren aan een Berber, maar ik wist niet dat ik daarom een racist ben.

Censuur

Dit soort flou artistique maakt niet alleen helder spreken, maar vooral ook helder denken moeilijk, zo niet onmogelijk. Wellicht was dat ook Torfs’ bedoeling: zeker niet politiek correct te zijn. Het hoge woord is eruit: politiek-correct-mag-niet.
Volgens Lorin Parys (N-VA) is politieke correctheid zelfs een ‘inefficiënt systeem dat in theorie een gelijkere samenleving nastreeft, maar in de praktijk vervalt in een systeem van censuur’. Het stuitende aan dit soort taalgebruik is dat in feite precies het omgekeerde wordt bedoeld van wat er staat en dus ook het volstrekte tegendeel is van heldere communicatie. Want wat voor de drommel is er mis met correctheid, politieke of andere? Krijgen schoolkinderen op hun examens goede punten voor niet correcte en dus foute antwoorden? Hebben we zelf niet in onze jeugd geleerd dat we zonder fouten, dus correct, moeten spreken en denken? Waarom zouden we dat dan nu niet meer mogen doen?
Al in de oudheid maakten filosofen het onderscheid tussen syllogismen (correcte redeneringen) en sofismen (foute want drogredeneringen). Wat willen Lorin Parys en al die andere koene bestrijders van politieke correctheid nu eigenlijk? Dat we het sofisme tot syllogisme uitroepen? Dat we waarheid vervangen door leugen? Hoe kan Parys nu beweren dat een correct systeem leidt tot censuur? Uiteraard bedoelt hij iets helemaal anders: dat het om een systeem gaat dat niet correct, dus fout is. Willen hij en zijn geestesgenoten dat dan ook zo formuleren, in naam van de helderheid, niet alleen van communiceren, maar vooral ook van denken en dus handelen?

Geert Wilders in flou artistique

Geert Wilders in flou artistique

 

april 8, 2015 at 12:10 pm 2 reacties

Robots en technologie, de betere toekomst?

Technologie (2)

door Bor Cobbaut

Het blijft mij verbazen, meer en meer. De jongste jaren is de technologie geëvolueerd tot iets wat we ons tien jaar geleden niet hadden kunnen voorstellen. De nieuwste snufjes en huishoudelijke toepassingen moeten dienen om het leven van de mens makkelijker te maken. Waarom ook niet? Dat is toch leuker dan zelf te moeten stofzuigen of het gras af te rijden?
Een paar weken geleden was er een aflevering van ‘De Schuur van Scheire’ die ging over robots en technologie. Er werd een man getoond die een computerchip in zijn hand had ingeplant om zo zijn huis te beveiligen. Hij had geen huissleutels, geen autosleutels. Hij kon alles gewoon open- en dichtdoen met de handchip. Die chip is zo groot als een rijstkorrel en je voelt amper dat er iets in je handpalm zit. Hoewel Lieven Scheire en zijn bende het eigenlijk een beetje in het belachelijke trokken (wat zorgde voor een grappig scenario in het programma), heb ik hier toch serieuze vragen bij. Ik denk dan vooral aan een ‘Big-Brother’-scenario. Neen, niet een TV-programma met veel mensen in hetzelfde huis die een dagboekkamer hebben om hun ongetwijfeld zeer interessant leven op vast te leggen. Ik heb het over een wereld waarbij alles en iedereen constant in de gaten wordt gehouden.
Natuurlijk, je kan zeggen dat dit nu al het geval is omdat iedereen een gsm heeft die makkelijk op te sporen is. Maar er is wel nog een verschil met een bestanddeel dat in je lichaam zit en dat je niet kan uitzetten of achterlaten wanneer je het wil. Het zogenaamde recht op privacy is dan toch verdwenen? Men zegt vandaag al dat privacy eigenlijk niet bestaat. En dan gaan we nog wat technologie in ons eigen lichaam inplanten? Is het dan raar dat ik mij daar vragen bij stel?
In het tweede deel kwam er een echte robot op bezoek die, voor het eerst ooit op tv, kon springen en hardlopen (klik de link onderaan, voor dat fragment). Uiterst indrukwekkend als je het mij vraagt. Maar schuilt hier ook geen gevaar in? Misschien ligt het wel aan mij omdat ik te veel strips en boeken lees over robots die de wereld overnemen. Het blijft echter wel gevaarlijk in mijn ogen. Als robots in de toekomst alles overnemen van ons, heb je zelf geen controle meer. Hoewel jij de robots geprogrammeerd hebt, weet je niet zeker wat ze doen en hoe ze precies functioneren. Je hebt geen controle meer over zaken die je anders zelf doet.
Akkoord, technologie heeft zowel voor- als nadelen. Het maakt ons leven makkelijker, dat is een feit. Maar de nadelen wegen voor mij zwaarder door dan de voordelen. Denk maar aan de drones die steeds meer worden toegepast in oorlogen. Machines die volledig automatisch naar locatie kunnen vliegen om daar raketten af te vuren. Zo hoeft men eigenlijk niets te doen om een oorlog te winnen. de oorlog wordt gevochten. Maar het aantal slachtoffers stijgt natuurlijk, want de drones worden steeds doeltreffender. En ze treffen niet enkel ‘de militaire vijand’ maar ook en in toenemende mate onschuldiige burgers.
Of neem nu de winst die bedrijven maken met technologie. Ik denk direct aan de i-phone. Hoewel ik er zelf een heb, ben ik er niet echt voorstander van. Door de vele updates van Apple word je bijna verplicht om de zoveel jaar een nieuwe i-phone te kopen omdat de updates niet meer werken op de oudere machientjes. Commercieel goed gezien natuurlijk, ze verplichten je om een nieuwe i-phone te kopen. Maar blijkbaar vinden de meeste mensen dit geen probleem. Ze moeten toch om de zoveel maanden een nieuwe gsm kopen omdat de vorige in het toilet is gevallen, of uit een broekzak (handtas) op de grond is gegleden en er overal barsten in het scherm zitten. Mensen zouden beter eens goed nadenken vooraleer ze een nieuwe GSM aanschaffen…
Het grootste nadeel is, vind ik, dat we afhankelijk zijn geworden van technologie. Door de opkomst van de sociale media is er bijna geen ontsnappen meer aan. Er gaat geen dag voorbij waarin ik niet achter mijn pc zit of op zijn minst mijn gsm check. Veel jongeren kunnen zich zelfs niet voorstellen hoe het was voor de opkomst van de technologie. Bij die jongeren reken ik mezelf. Veel mensen zouden (figuurlijk) doodvallen als ze voor een maand geen gsm mochten gebruiken. De kinderen die recent geboren zijn, kennen dan ook niet veel anders dan computerspellen en laptops om zich te amuseren. Als er ooit een gek opduikt die alle mensen onder zijn macht wil, kan de afhankelijkheid van technologie de ondergang worden van de mensheid.
Ok, misschien was dat laatste een beetje overdreven. Of zelfs zwaar overdreven. Maar toch, technologie is iets dat mij bezighoudt en aan het denken zet. Je kan op zijn minst zeggen dat het fascinerend is om te zien hoe de technologie evolueert. Misschien ben ik wel een doemdenker en is de technologie alleen bedoeld om ons te helpen. Maar als ik op een open grasveld loopt, kijk ik toch altijd uit voor de addertjes die eronder zitten.

BOR COBBAUT (20) is student Hogeschool Gent
(link Schuur van Scheire: ASIMO de robot –> https://www.youtube.com/watch?v=KnkpSObB6YY&ab_channel=Nerdland )

april 3, 2015 at 9:50 pm 6 reacties

HET LAND VAN De Vuist

Buda 0

door Stijn Tormans

Uplace zit al weken vooraan in het nieuws. Onze reporter trok op B-dagtrip naar het ‘belevingscenter’ dat nog niet bestaat, hoewel. Hij vond er een kerkhof van vergeten ondernemers en een raadselachtige fabriek die niemand nog kent. Dit stuk gaat over Buda, een plaats ‘waar de bomen grijs zijn en de mensen groen’.

Een koude donderdagmorgen, in de trein. Ik was nog nooit in Buda uitgestapt. Honderden keren voorbijgereden, dat wel. Uit het raam zag ik elke keer een troosteloos station, nauwelijks die naam waardig. Het ligt in een niemandsland van oude industrie. De trein stopt er één keer per uur en dat volstaat. Zelden stapt iemand uit in Buda.
Er bestaat een plan om het station een paar honderd meter te verplaatsen. Bart Verhaeghe wil daar zijn shoppingcenter Uplace oprichten. Hij weet al waar de halte zal komen: ‘Entry Regional Train Station’ staat op zijn kaarten . Verhaeghe is altijd gul met Engelse termen. Maar ook in het Nederlands kan hij er wat van. ‘Ik leg de lat graag hoog’, zei hij ooit. ‘Uplace zal een plaats worden die de geschiedenis en de identiteit van deze regio weergeeft.’

‘De volgende halte is Buda’, zegt een stem in de trein.
Buda 3

Die naam alleen al, Buda. Een oude geschiedschrijver vertelde me dat het een verwijzing is naar een vergeten veldslag uit 1686. De Hongaarse stad Buda was al 145 jaar in handen van de Turken en de moslims. Ze hadden het leven daar helemaal omgegooid: alle kerken vervangen door moskeeën. Tot in 1686 de Heilige Liga hard terugsloeg, met instemmend gemompel van de Paus. Buda stond in brand: moskeeën in de fik, honderden lijken in de Donau.
Overal in Europa werd dat nieuws op gejuich onthaald. Vuisten gingen in de lucht, er werden barbecues gehouden. Ook hier, vlakbij Vilvoorde. ‘En vanaf nu noemen we onze afspanning ‘IN BUDA’, zei een ondernemer. Opdat niemand zou vergeten dat de moslims teruggedrongen waren.
De afspanning verdween, maar Buda bleef een oord voor ondernemers. Tot laat in de jaren zestig was het een van onze belangrijkste industriezones. Della Bosiers maakte er ooit een mooi lied over: Fleur de Buda.

‘t Zijn weiden als wiegende schoorsteenpluimen
Die Buda meer liefheeft dan bomen en groen
De natuur heeft zo van die vreemde luimen
De bomen zien er grijs, en de mensen groen

Della Bosiers

Della Bosiers

Begin jaren zeventig begon de zwanenzang van het Land van Buda. Eerst viel metaalgieterij Fobrux. De ene na de andere illustere naam volgde: Fonderies Peeters, Lambion en Heistercamp, Forges de Clabecq, Delacre… Renault natuurlijk, 3000 ontslagen. Of het gewetenloze bedrijf Biolux. Toen dat in 1993 uitbrandde, lag alle auto-, trein- en vliegverkeer rond Brussel stil. Zo giftig leken de vlammen.
Verhaeghe had gelijk, over die geschiedenis. Dit is een kerkhof van vergeten ondernemers ‘die de lat graag hoog wilden leggen’. Onze eigen Boulevard of Broken Industrial Dreams. De arbeiders waren daarbij hoogstens figuranten, hoewel ze hevig tegen hun lot vochten. Boven het Land van Buda torent nog altijd een vuist uit, alsof het hier Karl-Marx-Stadt is. Het is een kunstwerk van Rik Poot, gemaakt opdat niemand ooit hun strijd en moed zou vergeten.

De trein stopt.
Ik stap uit samen met VRT-radiojournalist en medereiziger Lucas Vanclooster. Ooit heeft hij een paar jaar in het Land van Buda gewoond. ‘Het was er goedkoop huren’, zegt hij. ‘Maar ook claustrofobisch, je zit ingesloten tussen alles. Lees de biografie van Woinke Turck, destijds de oudste vrouw van België. Ze had geleefd op zeven boerderijen. Die waren alle zeven verdwenen: voor de luchthaven, de Woluwelaan, industrie…’
‘s Avonds ging Lucas vaak wandelen in het Land van Buda. Zo kwam hij op vreemde plekken. Zoals dit braakliggend terrein, waar straks Uplace komt. Er staan nu alleen twee verlaten huizen. De bewoners zijn nog maar juist gevlucht voor de toekomst, want op de vensterbank ligt een brief uit 2013.
‘Eigenlijk is het tragisch’, zegt Lucas. ‘Heel deze buurt schreeuwt om scholen, bossen, winkels… Om mensen die ondernemen, maar niet om Bart Verhaeghe. Dat is geen ondernemer, hoewel hij zich zo noemt. Die man biedt geen product aan, hij heeft geen werknemers. Dat is een risicobelegger, een speculant die in gronden doet. Hij doet me aan een truffelvarken denken: een dier dat de grond omwoelt, daar uithaalt wat voor hem interessant is, maar zich niets aantrekt van de omgeving. Uplace is truffelvarkenkapitalisme.’
‘Zag je ooit de prachtige serie Terug Naar Oosterdonk ? Pietje de Leugenaar vertelt daarin de fabel van de bever die de tak afknaagt waarop hij zit. Ter verdediging roept hij: “Als ik het niet doe, doet iemand anders het.”‘

We wandelen verder. Vijfhonderd meter voorbij Uplace ligt een verwaarloosde fabriek. Op de muren staat WANSON, een vertrouwd gezicht voor elke treinreiziger van de lijn Mechelen-Halle. Het Land van Buda telt wel meer van dit soort verwaarloosde sites. Maar deze is anders, straalt grandeur uit.
‘Ze maakten hier stoomketels’, vertelt Lucas. ‘In de jaren negentig ben ik hier als verslaggever geweest. Er was toen een staking, maar al na een dag was die afgelopen.
‘Jaren later bladerde ik door een boek over architectuur van de wereldtentoonstellingen. Tot mijn grote verbazing stootte ik op een foto van Wanson. Eigenlijk was het een beeld van het Belgische paviljoen op de Exposition Universelle van Parijs in 1937, misschien wel de mooiste wereldtentoonstelling ooit. Gebouwd aan de voet van de Eiffeltoren, onder supervisie van Henry van de Velde. De Wanson is een kopie van een van de mooiste verwezenlijkingen van onze architectuur.’
Maar niet lang meer. Naast de ingang staan bulldozers van afbraakwerken Van Kempen. Een van de dagen begint de sloop. Hier komt, vlakbij Uplace, een supergevangenis.

Buda 2

We wandelen voor de laatste keer door de oude fabriek. Alle ramen zijn kapot. Overal puin, matrassen en graffiti, maar de grandeur is nog intact. ‘Onvoorstelbaar dat ze dit afbreken’, zegt Lucas. ‘Een ondernemer met een beetje verbeelding zou hier iets fantastisch van kunnen maken. Dit had een mini-Uplace kunnen worden: veel kleinschaliger en in een onwaarschijnlijk decor. Mooi compromis tussen voor- en tegenstanders. Maar niemand kent deze fabriek blijkbaar nog.’
Wanson ging failliet in de jaren negentig, maar het internet herinnert zich niets meer van het bedrijf. Ook in het Land van Buda weet zo goed als niemand meer wat hier gemaakt werd. Behalve Emiel Rampelberg, een zeventiger die de opgang en ondergang van Wanson meegemaakt heeft. Zijn hele beroepsleven heeft hij hier gewerkt: eerst als elektricien, later als werkplaatsleider. Altijd is hij Wanson trouw gebleven.
‘Ik was 18 in 1958′, zegt hij. ‘Er was dat jaar amper werk, want de Expo was klaar. Ik ging me aanbieden bij Wanson, in mijn beste Frans, en mocht beginnen. Mijn eerste werkdag op 19 januari 1959 vergeet ik nooit. Ik stapte een wereld binnen: overal stonden standbeelden en tuinen vol bloemen. Er werkten vijf mensen voltijds om die te onderhouden. Ook binnen was het prachtig. Helemaal bovenaan hing een grote slogan in neonletters: A COEUR VAILLANT RIEN D’IMPOSSIBLE.’ Vrij vertaald: ‘Niets is onmogelijk als je maar wilt.’
Emiel begreep dat het de lijfspreuk van Monsieur Léon Wanson was. Ooit was die begonnen in houten barakken, maar hij had zich opgewerkt tot een van de grootste ondernemers van het naoorlogse België. Hij had de warmtebron gevonden: de mazout van Amerika naar België gehaald. Zelfs koning Boudewijn kwam bij hem over de vloer.
Over al die avonturen schreef hij boeken, om later niet vergeten te worden. In zijn autobiografie Au fil de la plume praat hij ook even over het Land van Buda. Natuurlijk moest dat fabriek prestigieus zijn, vond hij. Hij wou iets groots toevoegen aan de buurt, zodat mensen er graag zouden werken. En een beetje fier zouden zijn op hun Buda.

Monsieur Wanson deed aan volksverheffing, zegt Emiel. ‘Zijn arbeiders mochten bijvoorbeeld geen muts dragen, want daarmee haalden ze zichzelf naar beneden. Elk jaar organiseerde hij een week van de netheid en hij gaf ook een tijdschrift uit over zijn denkbeelden. Zelfs die standbeelden stonden er niet zomaar, ze moesten ons doen nadenken.’
Tegelijkertijd was hij een genereus man. ‘Op de verjaardag van onze vrouwen kregen we een premie. Er was een gratis dokter en tandarts. Elke vrijdag ging hij het bedrijf rond. Er werkte 700 man, maar hij praatte met iedereen. Reikte ook medailles uit waarop zijn lijfspreuk stond: A COEUR VAILLANT RIEN D’IMPOSSIBLE.’
‘Af en toe trok hij zich terug om te mediteren. Hij had een atoomschuilkelder en een klooster. Dat was net achter het bedrijf, er werden Gregoriaanse gezangen gespeeld. Soms kwam hij buiten met speciale ideeën. Zoals die keer dat hij een grote koperen wereldbol van wel drie meter wou laten maken. Dat deden we voor hem. Hij was voor ons veel meer dan een baas.’
In 1983 stierf Monsieur Wanson. Op de begrafenis lazen zijn werknemers een tekst voor: ‘U was een man met een uitzonderlijke begaafdheid. Als baas was u zonder meer groots, een pionier van de sociale betrekkingen in de onderneming. (…) Zij die aan uw zijde gewerkt hebben, keken met veel bewondering naar u op. U had diepmenselijke eigenschappen en zin voor rechtvaardigheid, dat hebben wij zo vaak kunnen vaststellen.’

Een dag na de begrafenis hoorde Emiel dat zijn baas nog een laatste wens had. In zijn testament stond dat het bedrijf nooit mocht verdwijnen, wat er ook zou gebeuren. Altijd moest Wanson blijven bestaan. ‘Daarna hebben zijn dochters het bedrijf verkocht’, zegt Emiel. ‘Er zijn dan een hoop overnemers gekomen, maar die waren alleen in de gronden geïnteresseerd. En in het geld.’
Na jaren wanbeheer gebeurde in 1996 het onvermijdelijke: het ooit zo prestigieuze Wanson ging overkop, Emiel met brugpensioen. ‘We houden nog elk jaar een reünie met de collega’s’, zegt hij. ‘Zij zeggen dan: “De Wanson, ‘t is voorbij.” “Nee”, antwoord ik dan. “Voor mij zal Wanson nooit voorbij zijn. In dat bedrijf zit een groot stuk van mezelf.”‘
Dat Wanson straks wordt afgebroken voor een gevangenis, vindt Emiel ‘verschrikkelijk’. Hij is onlangs nog foto’s gaan nemen van wat er overbleef. De standbeelden waren allemaal weg. Behalve een bronzen beeld van een arbeider. Emiel wou het behouden om een klein deel van het testament van Monsieur Wanson uit te voeren. ‘Maar dat bleek onmogelijk. Het was niet te koop.’

Buiten begint het te regenen. Moet aan dat mooie liedje over Buda denken.

Buda 1

De zon staat grijs boven Haren-Buda
De hemel is laag, haast met de grond gelijk
En eens per uur wordt het groen in Buda
Dan trekt een trein voorbij
Dan wordt de stad weer lijk
Maar ergens draaft nog een paard
En in het tuintje van de waard
Spelen er kinderen de zevensprong

Della Bosiers schreef dit eind jaren zestig. ‘De treinen zagen toen groen’, zegt ze. ‘Ik werkte als regieassistente bij de BRT. Op een dag gingen we een documentaire draaien over de Belgische industrie. Zo ben ik voor het eerst in Buda beland, maar ik was er al vaak met de trein voorbijgereden. Ik vond dat een heel vreemd, bijna poëtisch landschap. Tussen de industrie zag je nog de laatste resten van het boerenleven. Die plek had ook een geur. Daarom heb ik dat lied Fleur de Buda genoemd.’
Della zong Fleur de Buda in S.O.S Natuur, een tv-programma uit de tijd dat Groen nog niet bestond. Het werd een klassieker. Hoewel ze nog altijd een fervente treinreiziger is, is ze sindsdien nooit meer uitgestapt in Buda. ‘Ik veronderstel dat intussen zelfs de paarden verkaveld zijn.’

Niet allemaal. Achter de oude fabriek van Wanson ligt nog een groene oase. Sinds augustus kamperen hier een aantal actievoerders. Ze voeren strijd om het laatste groen te redden, tegen de gevangenis ook. Vanuit het raam van de trein zag ik hun protest elke dag groeien. Eerst stond er een grote tent die na een storm plat lag. Maar ze volhardden: later kwamen er twee tenten, drie, vier. Dan hadden ze een kip, twee geiten en nu ook een slogan, A COEUR VAILLANT RIEN D’IMPOSSIBLE.
‘Gevonden in de fabriek’, zegt actievoerder Raf. ‘Dat konden we toch niet laten liggen.’
Raf is een veteraan van vele natuuroorlogen – van het Lappersfortbos tot Picnic The Streets. Maar eigenlijk is hij een kunsthistoricus, hij woont en werkt al twintig jaar in Brussel. In september kwam hij hier voor het eerst. Hij wou maar een paar dagen blijven, maar is er nog altijd. Hij en zijn kompanen kamperen op het ritme van de natuur. En ook wel wat op dat van de consumptiemaatschappij. Ze eten de resten van supermarkten op. De zetels in hun tent vonden ze op straat en de geiten zijn een cadeau. ‘Mensen gooien zoveel weg.’
Zo werd hun actie onbedoeld ook een statement tegen Uplace. ‘Kijk naar wat er in Amerika gebeurt’, zegt Raf. ‘Heel wat shoppingcenters staan daar leeg. Binnen twintig jaar zal dat hier ook zo zijn. Dat worden vervallen ruïnes, net als die fabriek hier.’
‘In het begin waren we verbaasd dat de buurt amper verontwaardigd was over de gevangenisplannen.Er kwam bijna niemand naar de infovergaderingen. Nu begrijpen we ook waarom: er wonen veel migranten die hier alleen slapen. Ze zijn niet in deze streek opgegroeid, hebben die band met dat verleden niet. Tot ze onze geiten zagen. Dat maakte hen nostalgisch, deed hen terugdenken aan hun kinderjaren in Marokko. Zo raakten ze ook in onze strijd geïnteresseerd. Dat is fantastisch.’
En ze zijn niet de enigen, zegt Raf. ‘Steeds meer buren beginnen te sympathiseren met onze actie. Elke dag komen ze langs: soms tien, soms wel honderd.’ Hij weet dat het nog een moeilijke strijd wordt, maar hij wil winnen. A coeur vaillant rien d’impossible.
Op dat moment gaat de telefoon. Raf stapt de tent uit en vloekt. ‘Ze zijn hekken rond de weide aan het zetten.’

Ik wandel verder, tot aan de grens van het Land van Buda. Tot daar waar De Vuist staat, aan de rotonde van de Woluwelaan en de Luchthavenlaan. Rik Poot maakte het standbeeld na het failliet van Renault.
Het moest een aandenken zijn aan die strijd, maar ook een monument voor alle strijden die nog zouden volgen. Maanden had Poot eraan gewerkt. Toen het in 1998 ingehuldigd werd, was dat groot nieuws. Bij de opening waren veel camera’s en volk: politici, arbeiders, Carl Huybrechts.
Vandaag, zoveel jaar later, is Poot dood. Zijn kunstwerk lijkt wat vergeten. De overheid twijfelt zelfs of het mag blijven staan. De Vuist zou de economie stremmen: elke dag staan er aan de rotonde files. En dat zal niet verbeteren, als de gevangenis en Uplace er zijn.
Er bestaan plannen om De Vuist te ondertunnelen, maar dat kost veel geld. Het alternatief is dat ze verplaatst wordt, maar dat zien
de oude Renault-werknemers niet zitten. Alleen hier, zeggen zij, heeft De Vuist betekenis: aan de rand van het Land van Buda, waar al zoveel dromen kapotgeslagen zijn.
‘Maar eens per uur wordt het groen in Buda ‘, zong Bosiers. Het is halfacht, de avond valt. De laatste trein kan niet meer lang op zich laten wachten. Maar zelfs die zal grijs zijn.

Buda 4Dit stuk verscheen eerst in KNACK van 4 maart

maart 6, 2015 at 1:09 pm 1 reactie

WANDELEN MET WILLEM I IN zijn BRUSSEL

A 1 WillemGroteMarkt_NEW

door Lucas Catherine

Groot-Nederlander, ik ben het niet principieel, maar door omstandigheden wel een beetje. Mijn kleinkinderen zijn namelijk Amsterdammers, hierdoor heb ik gemerkt dat sommige leden van mijn schoonfamilie iets hebben met het jaar 1815, net als sommige Brusselse Nederbelgen.

Ach, Willem I die heeft toch niets betekend voor Brussel, vergeleken met Leopold II, dacht ik. Tot ik, wandelaar in bergaf, mij aan het wandelen zette langs plekken waar Willem zijn stempel heeft opgedrukt. Hierbij gebruikte ik de nostalgie-kaart van Brussel in 1815, pas uitgegeven door Michiel Plaizier, Nederbelg in Brussel geboren. Daarom noemde zijn vader hem Michiel, Saint-Michel weet je wel, die van op het Stadhuis en van de Sint-Goedele kathedraal. En Michiel noemde zijn dochter dan ook Goedele. Zo’n Brussels nationalisme kan alleen een Hollander bedenken.

De kruidtuin

De kruidtuin

Maar goed. Ik begon dus aan de Schaarbeekse poort bij de Kruidtuin. De officiële opening van de Kruidtuin vond plaats in september 1829, maar reeds in september 1815, nadat hij pas in Brussel was gearriveerd, bezocht Willem I al de site van de toekomstige Kruidtuin en schonk die toen drie Palmbomen van tussen de 250 à 300 jaar oud.
Ten tijde van Willem I werd bij ons de techniek van de lithografie geïntroduceerd (1817) en hierdoor kon Jacob Gijbert Samuel van Breda hier zijn Genera et species orchidearum et asclepiadearum… laten drukken met talloze illustraties in steendruk. De asclepias, in het Nederlands zijdeplant behoort tot de familie der maagdenpalmen. Tijdens de revolutie van 1830 werden nogal wat steendrukkerijen vernietigd, omdat ze door het Hollands bewind waren geprotegeerd. De drukker van Jacob van Breda, Kierdorfer zal dan ook in 1830 naar Holland vluchten.
Volgens de traditie zouden die septemberdagen van 1830 ook aan de basis liggen van een typisch Belgische uitvinding, het witloof (witlof schrijven de Nederlanders: ze kunnen het niet bereiden maar dringen ons wel hun spelling op). Een boer die toen schrik kreeg van de schermutselingen in de straten van Brussel verborg een partij cichoreiwortels in een donkere kelder in Schaarbeek. Om zeker te zijn dat niemand ze vond schepte hij er een laagje aarde over. Enkele weken later stelde hij tot zijn verbazing vast dat er uit de wortels malse, witte kroppen waren gesproten.
Zijn ontdekking werd gecommercialiseerd door Frans Bresiers, hoofdhovenier van de kruidtuin te Brussel.

Huidige ingang van de Sterrenwacht

Huidige ingang van de Sterrenwacht

Willem I ondertekent in 1826 een Koninklijk Besluit tot oprichting van een sterrenwacht in Brussel. Initiatiefnemer is de astronoom Adolphe Quételet, naar wie het plein voor het gebouw nu is genoemd. Het gebouw was ongeveer af in 1830, maar werd tamelijk beschadigd tijdens de Septemberdagen en na herstelling werd het in 1832 in gebruik genomen. Nu is het al lang geen observatorium meer. Het ligt te dicht bij de stad en haar lichtvervuiling. Later werd het een administratief gebouw voor o.a. het Ministerie van Landbouw, de Politie en de minister-staatssecretaris voor het budget.

Academiënpaleis, toen paleis van de Prins van Oranje

Academiënpaleis, toen paleis van de Prins van Oranje

Het prachtige neoclassicistische gebouw werd in opdracht van Willem I opgetrokken tussen 1823 en 1828 op de plek van het refugiehuis van de Parkabdij. De kosten, ten bedrage van 1.215.000 gulden kwamen op rekening van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Kroonprins Willem II en zijn Russische echtgenote Anna Pavlovna namen er hun intrek. De regel wou namelijk dat de Verenigde Nederlanden twee hoofdsteden hadden, Den Haag en Brussel. De regerende vorst resideerde afwisselend in beiden, maar de kroonprins die de titel Hertog van Brabant droeg, resideerde permanent in Brussel, in dit paleis. Na 1830 bleef dit zo. Kroonprins Leopold II woonde hier als Hertog van Brabant permanent, vandaar de naam van de straat die er langs loopt, Hertogsstraat. Die eindigt op het Paleizenplein.

Koninklijk Paleis

Oorspronkelijk stonden hier gewoon twee herenwoningen: het Di Belgioioso-Huis en het Von Benderhuis. Er werd een wedstrijd uitgeschreven om die om te bouwen tot een paleis. Het resultaat was een strenge gevel die niet zo in de smaak viel bij de burgerij en ook niet bij de latere Leopold II die er een nieuwe voorgevel voor liet plaatsen. De achtergevel ziet er nog altijd uit zoals ten tijde van Willem I.

Paleis ten tijde van Willem I

Paleis ten tijde van Willem I

Links van dit Paleis ligt een gebouwencomplex waar Willem niets met het uitzicht heeft te maken, wel met wat er gebeurde.

Société Générale

In 1822 richtte Willem I d’Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt, op, in het Frans Société des Pays-Bas pour favoriser le développement de l’industrie nationale., De stichtingsakte werd door hem ondertekend op het nummer 3 van de Warandeberg, waar nu nog de zetel is van BNP Parisbas Fortis, die de Generale opslorpte.

Poort waar de zetel van de Generale was

Poort waar de zetel van de Generale was

Met een kapitaal van 106 miljoen frank werd deze Algemeene Nederlandsche Maatschappij meteen een van de grootste banken in Europa. De dominerende bank was toen die van de Rotschilds, met zetels in Parijs, Londen, Wenen en Frankfurt en die bezat maar een kapitaal van 102 miljoen frank. De Franse centrale bank, Banque de France beschikte amper over 60 miljoen frank. Willem wou er de rijksdomeinen mee valoriseren, maar vooral de opkomende industrie steunen, ondermeer door het financieren van grote openbare werken. De Maatschappij ondersteunde met leningen bvb de mechanisering van steenkoolmijnen in Henegouwen.

Via de Leopoldstraat, de toenmalige Willemstraat –na 1830 werden nogal wat straatnamen ‘ontHollandst’- arriveren we bij de Muntschouwburg.

Muntschouwburg

In het begin van de negentiende eeuw startten de Franse machthebbers de bouw van een nieuw theater achter de eerste, bouwvallig geworden schouwburg. Na de val van Napoleon, werd het gebouw door het Hollands bewind gewoon afgewerkt en in 1819 ingehuldigd.

Opera 1830

Opera 1830

Hier startte in 1830 de Brusselse burgerij haar opstand tegen Willem I en die lukte, vooral door de lompe reactie van de kroonprins, die vanuit zijn Brussels paleis het leger nogal brutaal inzette.

We steken de vroegere Zenne over. Onder Willem I moesten we daarom over een bruggetje, nu over de centrale laan en gaan naar de huidige Vismet. Van hier uit vertrokken, via de Vaart naar Willebroek en Antwerpen (gegraven onder Keizer Karel) stoomboten naar Rotterdam en Amsterdam.
Vlakbij, achter de Begijnhofkerk ligt het Groot Godshuis.

Groot Godshuis

Het Groot Godshuis van architect Partoes dateert uit 1826. Supervisie van de werken gebeurde door gemeenteraadslid G. Marcq, naar wie nu de straat ten zuiden van het Godshuis is genoemd. De gedenkplaat die binnen in de inkomhal hangt met het jaartal 1835 slaat eigenlijk op de integratie in het Groot Godshuis van het Pacheco-Instituut. Vanaf toen noemden de Brusselaars het Godshuis trouwens ‘den Pasjekko’. Het echte jaartal waarop het Godshuis werd gebouwd staat nog op de achtergevel (kant Vaartstraat), Egenis Senibus MDCCCXVI, Voor de noodlijdende ouderen 1826. Ook de huizen rond het Godshuis dateren uit de Hollandse tijd en zijn in wat sommigen ‘de stijl van protestantse tempels’noemen.

Huizen rond het Godshuis

Huizen rond het Godshuis

De straat achter ‘Den Pasjekko’ heet niet voor niets Vaartstraat, want ze breng ons naar het kanaal. Er bestond al sinds de zestiende eeuw een kanaal Brussel-Willebroek, Willem zal het verlengen tot in Wallonië

Kanaal Brussel-Charleroi

Willem stimuleerde overal in het zuiden van zijn Verenigde Nederlanden de industrie, met zijn Société Général en binnen deze politiek nam hij ook het initiatief voor de aanleg van het kanaal Brussel-Charleroi om de Waalse steenkool zo snel en goedkoop mogelijk naar het noorden te vervoeren. De man die het uitwerkte was A.J.Barthélemy, lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en raadgever bij de kroonprins-regent in Brussel. De bouwwerken werden in 1827 gestart. De laan langs het kanaal heet nog altijd Barthélemylaan. Eigenlijk ware Willem I –laan historisch correcter geweest.

Kanaal Brussel-Charleroi

Kanaal Brussel-Charleroi

Toch niet niks, hé, wat die Willem voor ons deed. En wie iets voor ons doet, die houden we in ere. Zo zijn wij Brusselaars. Het wordt dan ook een moeilijke september dit jaar: 21 september, eedaflegging van Willem I in het Brusselse stadhuis; 23-26 september: Belgische revolutie. Om een grafitti dat in 1830 in de Vlaamse Steenweg verscheen te persifleren: Wilden Wij Willem Weg? Wou Willem Wijzer Worden, Wilden Wij Willem Weer!

februari 19, 2015 at 11:33 am Een reactie plaatsen

ANDRé WHO? BRINK? DON’T KNOW

Brink 2

door Jef Coeck


Het voorbije weekend overleed de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink (79), in het KLM-vliegtuig dat hem van Amsterdam naar Kaapstad bracht. Enkele dagen eerder was hij in België. Hij gaf een lezing in de Brusselse Bozar en hij werd gehuldigd met een ere-doctoraat van de Leuvense universiteit. Nee, niet de KUL maar de UCL, ook bekend als Louvain-la-Neuve, had zijn literaire en politieke verdiensten erkend. Onze Waalse landgenoten zijn dus attenter dan de Vlaamse ‘stamgenoten’ die al decennia lang schermen met verwant-vriend-en andere –schappen tussen (blank) Zuid-Afrika en de Lage Landen in Europa.

Brink

Brink was wereldberoemd, onder meer vanwege zijn strijd tegen de Apartheid. Een reden te meer, zou men denken, om hem toch enkele minuten te gunnen in het avondnieuws van zaterdag, misschien zelfs in de Zevende Dag van zondag? Niets daarvan op de VRT, wel op RTBF.

André Brink was samen met die andere grote schrijver Breyten Breytenbach, een spilfiguur in de beweging van de ‘Sestigers’. Zij gingen doelbewust schrijven en publiceren in het Afrikaans, dat ter plekke bestempeld was als de onderontwikkelde taal van de onderontwikkelde non-whites. Blanken spraken en schreven Engels. De provocatie, schrijven in het Afrikaans over Apartheid, kwam Brink (en overigens ook Breytenbach) duur te staan. Sommige van zijn boeken werden verboden. Toen hij nog nauwelijks aan de bak kwam, richtte Brink zijn eigen uitgeverij annex boekenclub op. Hij was ook professor Engels aan de universiteit van Kaapstad. Later ging hij publiceren in het Engels én Afrikaans. Hij woonde een tijdlang in Parijs en legde daar contact met de Europese intelligentia. Zijn werk stond nu helemaal in het teken van de anti-Apartheid.

Het hielp dat hij nogal wat beroemde prijzen in de wacht sleepte. André Brink heeft drie maal de belangrijkste Zuid-Afrikaanse literatuurprijs gewonnen, de CNA Award. Voorts is hij twee maal genomineerd voor de Booker Prize, te weten in 1976 en 1978. In 1980 ontving hij de Martin Luther King Prize en in Frankrijk de Prix Médicis Étranger. In 2003 werd hem de Alan Paton Award toegekend voor zijn boek The Other Side of Silence. En in 2015 dus een ere-doctoraat van de UCL.

Zijn bekendste werk is de deels autobiografische roman ‘’n Droë wit seizoen’, in het Nederlands vertaald als ‘Een droog wit seizoen’ en succesvol verfilmd als ‘A Dry White Season’ met Donald Sutherland in de hoofdrol. Op de cover van de Nederlandse vertaling (1980) staat: ‘Niets in deze roman is verzonnen, het klimaat, de geschiedenis en de omstandigheden waarop hij is gebaseerd zijn die van het huidige Zuid-Afrika.’

Beklemming is wellicht het sleutelwoord. Een goedmenende blanke leraar in Johannesburg wordt geschokt door de onverklaarbare dood van een zwarte schoonmaker van de school. Het blijkt, volgens rationele overwegingen, een politiemoord te zijn – cfr. Soweto in 1976. Aanvankelijk behoudt de gezagsgetrouwe leraar Ben Du Toit nog het volle vertrouwen in de blanke veiligheidspolitie. Als hij toch achter de waarheid aan gaat, wordt hij een doelwit van de staatsveiligheid. Zij laat geen middel onbeproefd om zijn verzet te breken. Van huiszoeking, anonieme nachtelijke telefoontjes, vernielingen, aanslagen, compromiterende foto’s, komt het tot een bombrief. Erger is dat al zijn vrienden en kennissen die hem helpen bij zijn onderzoek een gewelddadige dood sterven, worden opgepakt of verbannen, of spoorloos verdwijnen. Du Toit is geen held maar vindt wel ‘…dat een mens één keer in zijn leven, één keer maar, genoeg geloof in iets zou moeten hebben om er alles voor te riskeren.’
Dat doet hij dus – en blijft alleen achter.

Hij zoekt steun in de zwarte township Soweto. Daar is iedereen zwart, arm en bovendien vertrouwd met de politiepraktijken. Steun vindt hij er nauwelijks: ‘Ik ben blank. Dat is de kleine, de laatste, de angstaanjagende waarheid van mijn gebroken leven. Niets kan van mij een zwarte maken. En zij die wel zwart zijn kunnen dus niet anders dan mij blijven wantrouwen.’

De finale afloop zal ik niet onthullen. Maar de allerlaatste zin van het boek wil ik u niet onthouden: ‘Het enige waarop een mens misschien mag hopen, het enige waartoe ik gerechtigd ben is niet meer dan dit: alles op papier te mogen zetten. Verslag uit te brengen van wat ik weet. Zodat het onmogelijk wordt dat iemand hierna ooit weer durft te zeggen: ik heb het niet geweten.’

Brink 3
Brink Soweto 76

februari 9, 2015 at 3:37 pm Een reactie plaatsen

Oudere berichten


Kalender

april 2015
M D W D V Z Z
« mrt    
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
27282930  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 782 andere volgers