Archief beheerder

PATISSERIE COLONIALE

Col 1 Baba
door Lucas Catherine

 

Ik weet het, het is nog drie maand eer Zwarte Piet door de buizen van onze chauffage zal kruipen, spierwit want dat water is heet, 60 graden en verwijdert alle roetaanslag. Maar een vroegere Belgische kwaliteitskrant die nu voor de helft door Nederlanders wordt volgeschreven had het al over Piet. Nederlanders zijn er altijd vroeg bij als het om (aan)klagen gaat. Ik wil er mij niet in mengen. Voor mij is Piet de oude nekker uit de Keltische mythologie en hij bestond lang voor de koloniale Zwarte Piet, kijk naar plaatsnamen als Nekkersdal (Brussel) of Nekkerspoel (Mechelen) die dateren van eeuwen voor de stoomboot uit Spanje arriveerde. Maar goed, ik begrijp de gevoeligheden. Meer nog, ik wil de discussie open trekken naar andere racistische tradities. Zo heb ik mij altijd geërgerd aan de koloniale namen van bekend Belgische gebak. Herinnert u zich nog de Matadi?

Col 2 matadi

Matadi, de toegangspoort tot onze Kongo. Het gebak staat dan ook zwart van chocolade.
En de Javanais ?

Col 3 Javanais

Hij herinnert aan de tijd toen Hella Haasse en Adriaan van Dis nog in Indië woonden, tussen de ‘bruinen’, vandaar de dominante mokka kleur. Een gebak dat mij altijd zwaar op de maag heeft gelegen, en niet alleen om ideologische redenen, maar omwille van de zware crême au beurre, terwijl de Matadi veel lichter was, door de crême fraiche.
Ze zijn verdwenen, toch hun namen maar ze overleven in veel kleiner gebak: eigenlijk de portie die men er indertijd per persoon afsneed thuis. Nu doet de bakker dat. Brengt hem trouwens meer geld in de la.
Net zo verdwenen is de Baba au Rum.
Wat is hier nu koloniaal aan zal je vragen? Ooit Kuifje in Congo gelezen en zijn ontmoeting met de Ba Ba’oro’m?

Col 4 BabaKuifje

En als er iets koloniaals is dan wel Tintin au Congo. Voor de Nederlanders onder u bij jullie heet het Kuifje in Afrika. Nederlanders kenden blijkbaar maar één kolonie, de hunne en wisten Congo niet liggen.
Suske en Wiske overkwam hetzelfde toen ze verhollandst werden. Ze moesten toen met KLM vliegen, maar die maatschappij vloog niet naar Congo: Het album De Tamtamkloppers nieuwe versie begint dan ook met de gevleugelde zin “Hoog boven Suriname vliegt een KLM-passagiersvliegtuig…” en heel het verhaal speelt zich daarna in Amerika af, niet langer in Afrika. Edoch, de tekeningen bleven met als gevolg dat je in het Suriname van de Tamtamkloppers nijlpaarden, giraffen, leeuwen, olifanten en neushoorns ziet opduiken.

Col 5 SusOlifant

Om van de boomsoorten op de achtergrond nog niet te spreken. Heeft iemand ooit onderzocht wat voor schade dit heeft aangericht aan de geografische kennis van tienduizenden lezertjes?
Maar in S&W  (Sus en Wis) zitten geen verwijzingen naar koloniale patisserie.

In Nederland kennen ze wel nog meer oncorrect racistisch gebak.
Negerzoen, bij ons bekend als Negerinetetten,
De Moorkop, bij ons een gewone éclair.
Om niet te spreken van jodenkoek en jodenvet.
En bij hun frieten heten ze saus oorlog: een mengsel van mayonaise en saté. Mayonaise staat voor de blanke, saté voor de bruine en de saus verwijst naar Indonesië en wat Nederland daar zo al aan oorlogen voerde. Je kent het oordeel van Multatuli hierover: “…een roofstaat aan de Noordzee…dat spoorwegen bouwt van gestolen geld en tot betaling de bestolenen bedwelmt met opium, het evangelie en jenever…”
Da’s wat anders dan Piet dikke rode lippen en gouden oorbellen geven.

Maar het houdt niet op, want zoals John Lennon zong: “Women is the nigger of the world”. Daarom niet alleen weg met koloniaal gebak, maar ook met andere zoetigheden als Maskesvlees, Nonnenbillen, Oudewijvenkoek en Wentelteefjes!
Wie richt er een facebook groep op?
Ik niet, mijn foto’s stuur ik naar de Hema en die maken daar voor geen geld een fotoboek van op echt papier. Als binnen 500 jaar archeologen zullen delven gaan ze bij god niet weten hoe je naar facebook surft, maar mijn papieren archief zullen ze vinden. Soit.
Ik zwijg er beter over want stiekem eet ik ze nog, die patisserie coloniale. Mijn moraal van dit verhaal over zoetigheden is dan ook die van de La Fontaine (in Le Corbeau et le Renard), maar dan in Brusselse vertaling: “As ge ave keis wil have, moeid a bakkes have.”
Discussie gesloten voor dit jaar?

Col 6 corbeau renard

Lucas Catherine
Voorzitter
Stichting Intelligente Cafépraat

september 4, 2015 at 10:07 am Een reactie plaatsen

ARBEIT STINKT : Ruhrtriënnale

Dinslaken-Lohberg

Dinslaken-Lohberg

door Walter Zinzen & Kris Smet

Over de opening van de Ruhrtriënnale hebben de vaderlandse kwaliteitsmedia uitvoerig bericht. Die opening had immers een hoog “Vlaams” gehalte : het NTG speelde er Accatone – een bewerking van de gelijknamige film van Pasolini uit 1961 — onder regie van zijn Nederlandse directeur Johan Simons, tevens intendant van de Triënnale. Het Collegium Vocale, eveneens uit Gent, bracht onder leiding van Philippe Herreweghe tijdens de voorstelling prachtige religieuze muziek van Bach ten gehore. Dus werden alle registers open getrokken om het gebeuren te loven en te prijzen . Ook het Duitse publiek ging uit de bol voor de kunstenaars uit de Lage Landen. Een minutenlange staande ovatie viel ze ten deel. Veel aandacht van de recensenten ging naar de locatie : een gewezen reusachtige kolensorteerloods, een paar voetbalvelden groot, met een tribune voor 1200 bezoekers, die in de immense loods kleuterachtig klein leek. De vloer is met zand bedekt, de acteurs deden letterlijk heel wat stof opwaaien. Maar waarom precies had Johan Simons deze locatie gekozen? Vanwege het stuk zelf, uiteraard. In Gent wordt Accatone op een industrieel terrein in de haven gespeeld. Pasolini’s film gaat over het subproletariaat in het naoorlogse Rome en Simons vindt dat zo’n thema niet in een klassieke schouwburg thuis hoort. Dat hebben we allemaal kunnen lezen en het is allemaal waar. Er is evenwel veel meer aan de hand , waarover we vrijwel niets vernomen hebben.

Gerard Mortier

Gerard Mortier

Vooreerst : in de Ruhrtriënnale hebben alle activiteiten plaats in verlaten fabrieken of op desolate oude mijnterreinen. “De kathedralen van de industriecultuur” noemde Gerard Mortier ze. Ha, Gerard Mortier ! De man, die de triënnale uit de grond heeft gestampt en er de eerste intendant van was. Door zijn opvolger en goede vriend Simons werd hij geëerd met een huldeconcert in de Gebläsehalle van het Landschaftpark Duisburg-Nord. Maar daarover geen woord in de zelfvoldane media van ons koninkrijk. Mortier was aangesteld door de deelstaatregering van Nordrhein-Westfalen , die besloten had de teloorgang van Duitslands belangrijkste industriegebied om te toveren tot een centrum van kunsten en cultuur. En met succes, nog steeds met dank aan Mortier. Met vele duizenden zakken ze af naar de Ruhr, onze Oosterburen, om er podiumkunsten allerhande te bekijken, maar ook tentoonstellingen en installaties te bezoeken , meestal het werk van hedendaagse kunstenaars en dat allemaal in de vergane glorie van de industriële hoogtijdagen, helemaal in de geest van Mortier. Maar op één plaats had de Triënnale-stamvader nog niets georganiseerd : de kolensorteerloods waar Simons zijn Accatone heeft opgevoerd.

Die hal ligt in een stadje dat Dinslaken heet, op een half uurtje rijden van Essen, aan de rand van het Ruhrgebied. De mijn , waar de mengloods toe behoorde, werd pas tien jaar geleden gesloten. Tegenover de mijn bevond zich wat men hier te lande een “cité” noemde : een kolonie voor de mijnwerkers en hun gezinnen. Ze heet Lohberg en wordt nog steeds bevolkt door ex-mijnwerkers en hun nakomelingen. Die mijnwerkers kwamen van zowat overal in Duitsland maar in de zeventiger jaren ook uit het buitenland : Nederland, voormalig Joegoslavië, Turkije, Korea , Hongarije. Met trots wordt in de programma-brochure van de Ruhrtriënnale herinnerd aan de belangrijke rol die de arbeiders van Dinslaken- Lohberg in 1920 hebben gespeeld in de gewapende strijd tegen de vijanden van de Weimar-republiek. Maar voor die heldendaden staat Dinslaken heden ten dage niet meer bekend. Dinslaken heeft in Duitsland een zelfde slechte naam als Oud-Molenbeek bij ons: Lohberg is een broeiplaats voor salafisten. De wijk leverde op zijn eentje al bijna dertig Syrië-strijders af. De werkloosheid is er torenhoog , de levensomstandigheden precair.

Philippe Herreweghe

Philippe Herreweghe

Maar nu komt Dinslaken dus om heel andere redenen in het nieuws : als openingsplaats van de prestigieuze Ruhrtriënnale . Je zou dus verwachten dat de bevolking opgelucht en trots zou zijn. Niets is minder waar. Zoals in het programmaboekje van Accatone met een grote zin voor understatement wordt opgemerkt : de inwoners van Lohberg hebben geen band met de Ruhr-triënnale , Bach wordt er zelden gehoord, en vele mensen gaan nooit naar het theater. De waarnemend burgemeester van Dinslaken, Eyüp Yildis, sociaal-democraat en zelf geboren in Lohberg , ontbond al zijn duivels in een open brief aan Simons. Lohberg heeft geen behoefte aan hoogcultuur, zo schreef hij, maar aan arbeidsplaatsen en aan kunst die het vacuüm vult , waar nu het salafisme in gedijt. Yildis verduidelijkte zijn standpunt nadien in een gemeenschappelijk interview met Simons in Welt am Sonntag . Het subproletariaat heeft een enorme kracht zei hij in het interview. “De mensen in Lohberg leven in economisch en cultureel erbarmelijke omstandigheden. Men moet ze moed geven, zodat ze hun leven in eigen hand nemen. Het is de wanhoop die Lohberg in haar greep houdt, die de jonge mensen daar vatbaar maakt voor salafisme. Maar als kunst authentiek is en niet naar het burgerlijke applaus hengelt , kan ze de revolutionaire kracht van het subproletariaat doen ontwaken.”

Johan Simons

Johan Simons

Het is alsof Yildis hier Accatone analyseert. Want de film van Pasolini en het stuk van Simons gaan juist over het subproletariaat. Het is een anti-arbeidstuk. Als Accatone op een bepaald moment toch uit werken gaat beschouwt hij zichzelf als een ‘martelaar’. Zo zou ook Aristoteles over werk gedacht hebben : een noodzakelijk kwaad , dat de mens niet gelukkig maakt. Zo werd op een debat voorafgaand aan de voorstelling toch gezegd door een mij verder onbekende filosoof. “Arbeit stinkt” – en adelt dus niet – staat op het schutsblad van de programmabrochure .
Net als Yildis vindt Simons dat kunst een motor van verandering kan zijn. Hij hoopte daarom dat de Lohbergers toch in groten getale naar Accatone zouden komen kijken. Toen ik dat las wist ik het zeker : de geest van Mortier is helemaal terug. Toen hij in 2001 de Ruhrtriënnale opstartte droomde hij ervan de supporters van Schalke 04 – de legendarische voetbalclub uit de Ruhr – in grote drommen naar zijn voorstellingen te lokken. Het is hem niet gelukt. Het zal – zo is te vrezen – ook Simons niet lukken, alle goede bedoelingen ten spijt. Want een beetje Pasolini of Bach zijn , naar het woord van de wakkere interviewster van Welt am Sontag , niet voldoende om van een moedeloze mens een kritische geest te maken die opgewekt naar de toekomst kijkt. Maar Simons is blijkbaar een onvermoeibare optimist. Dat blijkt ook uit het motto dat hij aan zijn triënnale meegaf : “Seid umschlungen” (Omarmt elkander) uit de Ode an die Freude van Schiller . (Beethoven heeft er in zijn gelijknamige symfonie ‘Alle Menschen werden Brüder ‘ van gemaakt) . Een boodschap die in deze tijden van opflakkerend nationalisme en afkeer van al wie vreemd is niet geschikter kon zijn. Maar die toch bij onze vriend Yildis in het verkeerde keelgat schoot. Dat had een uitnodiging aan iedereen moeten zijn, vond hij, ook aan de bewoners van het Ruhrgebied die ver van de elitaire cultuur leven . Maar de Lohbergers voelen zich niet aangesproken , vond hij. Waarop Simons naar het marktplein van Lohberg trok , er een gesprek met bewoners organiseerde en ze uitnodigde om alvast de repetities bij te wonen. Of dat gelukt is weet ik helaas niet.

Ruhr programmaboekje

augustus 25, 2015 at 8:48 am 3 reacties

EEN WANDELAAR DIE GEEN VOETGANGER WIL ZIJN

Miniring

Miniring

door Lucas Catherine

Wat is een stad? Heel veel huizen, veel straten en veel stank van auto’s. Als dat een stad was zou ik er niet willen wonen. Maar een stad is vooral heel veel verhalen. Elke straat die ik neem vanaf mijn voordeur heeft een verhaal en ook elk gebouw. Een stad is dan ook een bibliotheek vol verhalen. Geen dorp kan daar tegen op, ook al staan daar tegenwoordig ook veel huizen, langs veel straten, maar ik geef toe het stinkt er minder naar de uitlaatgassen.
In Brussel hebben we nu een soort dorp, een voetgangerszone langs de centrale lanen waar vroeger de burgerij defileerde. Er is daar nu veel minder lawaai en het stinkt er niet meer naar uitlaatgassen, maar de verhalen zijn gebleven. Toch zijn 21 comité’s tegen. Een bizarre bende: van PvdA’ers tot een miljonair die net een Grieks eiland kocht.

Ook ik ben tegen, niet omwille van die voetgangerszone, maar omdat al die auto’s nu langs onze huizen scheren door straatjes die nog voor paardenkarren waren ontworpen. Dat noemen ze dan ‘de miniring’. Die voetgangerszone heeft het stadsbestuur ondertussen ook al herdoopt tot stadssalon. Andere hebben het dan weer over le Boulevard des Clochards, omdat nogal wat daklozen er nu rustig kunnen slapen en kamperen. En ik ben tegen, ook een beetje omwille van het publiek dat ze door de centrale lanen willen laten defileren. Toeristen. Eigenlijk willen ze een soort Damrak – horesco referens als ik er ieder keer door rijd, op weg naar mijn Amsterdamse dochter – die de Grote Markt met het de Brouckèreplein verbindt. Dat plein zien ze als Time Square. Om van de Beurs nog te zwijgen. Die diende dit jaar als voorgeborchte voor Tomorrowland. En ik heb het niet gehoord, wel gemerkt: gepist in de portieken, ook dit van ons, een losse tegel door de ruit van mijn stamcafé, voor de fun, idem dito iets verder op. Bloemen uitgerukt uit de plantenbakken van de stad, en uit de rozentuin op het terras van het restaurant onder mijn raam. En maar met vlaggen zwaaien, en niet met de populairste: stars & stripes, de Davidster etcetera. Het is voorbij. Het is weer stil.
Ik stap mijn deur uit op het Zaterdagplein – door Marc Didden in De Morgen gepopulariseerd tot Place du Samedi-. Hier heeft ooit Moulay Hassan de Bei van Tunis nog gelogeerd als gast van Keizer Karel en Theodoor Verhaeghen, stichter van de ULB woonde er in zijn jonge jaren en er werd een tijdje de aardappelmarkt gehouden. Ik loop door de Augustijnenstraat. Waar vroeger de Augustijnenkerk stond, afgebroken in 1893 voor de aanleg van de centrale lanen en het de Brouckèreplein. Ze had een mooie voorgevel. Hij werd dan ook bewaard als voorgevel voor de Drievuldigheidskerk in Elsene. Bij mijn weten de eerste vorm van façade-architectuur in Brussel. Geen auto’s meer op de Brouckère, alla we zijn in Brussel, dus eigenlijk concreet: geen auto’s meer aan één kant van het plein. Het is er nu wel stiller. Bijna hoor ik er de liedjes van vroeger:
De Place de Brouckère,
D’as Brussel, Petit Paris.
Brussel g’het main hèt gestolen
Van de Nord tot de Midi

Zongen ze er vroeger in het Brussels en Brel vertaalde dit als:

Place de Brouckère on voyait des vitrines
Avec des hommes des femmes en crinoline
Place de Brouckère on voyait l’omnibus
Avec des femmes des messieurs en gibus.

En sommige Marokaanse vrouwen verhaspelden in de jaren 1970 Brouckère tot Bou Bakr, dat was makkelijker uit te spreken en Abou Bakr kenden ze als schoonvader van de Profeet.

Ik draai mijn memorie vijftig jaar terug. Voor u is dit niet zo makkelijk, daarom deze dubbelfoto:
LC 2 Brouckère2Ver_NEW

Bemerk op de foto onderaan de vele vijfhoeken. Brussel-stad is namelijk de Pentagone, je weet wel zoals Frankrijk de Hexagone is. Brussel Petit Paris, de natte droom van Leopold II, de vader van deze centrale lanen.
Rechtvoor staat wat overblijft van een van de eerste grote en chique hotels, het Grand Hôtel Cosmopolite met zijn Café Continental, nu kantoren van de stad. Op de oude foto links zie je de wegwijzer Pôle Nord. Dat was me wat die Pole Nord ! Bij de opening in de winter van 1893 was het een van de grootste schaatsbanen van Europa en in de zomer werd het een Palais d’Eté met onder meer een Music Hall voor al wie rijk en elegant was. En in 1899 werd er op initiatief van Leopold II het eerste autosalon van Brussel georganiseerd. Het eerste wereldwijd was een jaar daarvoor in Parijs geopend en Leopold had daar zijn eerste auto gekocht, een Panhard-Levassor. Maar dat viel tegen. Niet omdat de auto niet voldeed, maar toen kocht je samen met je auto de chauffeur die tegelijkertijd mecanicien was (garagisten bestonden nog niet) en die van Leopold was een républicain. Zo dus kocht hij daarom een jaar later liever een auto in Brussel.
De Pôle Nord lag parallel met de centrale laan, waar nu Parking 58 huist en achter wat nu een van de lelijkste flatgebouwen van Brussel is, maar toen het Grand Hotel.

LC 3 Grandhotel2_NEW

Naast dit hotel lag een van de eerste visrestaurants, het Parc aux Huitres. Een menu kostte er vier uur werkloon van een geschoold arbeider. Nu zijn er minstens vier kebab-zaken op minder dan veertig meter. De stad wil die nu weg. Ze willen terug naar de tijd van toen. Qua prijzigheid van eten en drinken dan toch.
Het is niet makkelijk lopen in deze voetgangerszone, want fietsers zijn er nog en zij zijn gevaarlijker dan auto’s. Dat zeg ik niet, maar de Franse schrijver Octave Mirabeau: “Zodra een man – ook al is hij nog zo aardig – een fiets bestijgt, wordt hij een paard, met alle grillen, al het hinderlijk gespring, alle dodelijke domheid die daarbij hoort – maar dan veel gevaarlijker. Hij houdt met niets of niemand rekening, zeker geen voetgangers. Hij is heer en meester over de weg. Je ziet hem met zijn handen in zijn zakken en zijn pet achter op zijn hoofd heen en weer slingeren en bochten, spiralen en zigzagbewegingen maken met als enig doel je voor de voeten te rijden.” De tekst is van 1907 en sedert hipsters met bakfietsen terreur zaaien is het nog erger.
Onder deze centrale laan liep vroeger de Zenne. De mythe wil dat die werd overwelfd omwille van hygiëne. Nu brak er in 1866 indertijd wel een grote cholera epidemie in Brussel uit, maar de plannen dateren van twee jaar eerder en de definitieve beslissing viel in oktober 1865.
Hoofdreden was dat Leopold II, en burgemeester Anspach een petit Paris wilden, maar dan zonder Seine of Zenne. Die Zenne diende namelijk als drijfkracht voor de Brusselse industrie die toen nog op stoommachines draaide en de Zenne dus nodig had. Al dat werkvolk moest weg – het werd verdreven naar Molenbeek – en plaats maken voor de burgerij. Duizend honderd huizen werden afgebroken, en ook ateliers en opslagplaatsen.

Brussel, Petit Paris

Het was de droom van Leopold II. Burgemeester Jules Anspach zal hem waar maken.

LC 4 Augustins2_NEW

De lanen zijn letterlijk gekopieerd op die van Haussmann in Parijs. De hoofdlaan vertakt zich aan het de Brouckèreplein en een van die takken loopt naar het Noordstation, exact zoals de as gevormd door de boulevard de Sébastopol en de boulevard de Strasbourg in Parijs doodliep op het Gare de l’Est. De centrale lanen lopen ook evenwijdig met een reeks winkelstraten: Zuidstraat, Kleerkopersstraat, Nieuwstraat. In Parijs zijn die winkelstraten de rue Saint-Denis en de rue Saint-Martin. Niet alleen het tracée is afgekeken van Parijs, ook de bouw van grote huizenblokken met onderaan winkels en daarop vijf verdiepingen appartementen, elk met een balkon. Alleen zijn die blokken in Parijs enkele etages hoger. De Brusselaars noemden Anspach dan ook een Haussmann met te korte beentjes, un Haussmann au petit pied.

Het was dan ook een Parijse aannemer, Jean-Baptiste Mosnier die deze appartementsblokken in Brussel kwam bouwen. Het werden er een zestigtal. Er staan er nog heel wat. De grond kreeg hij gratis van de stad. Hij bouwde ook het al vernoemde Grand Hotel. De burgerij moest worden overgehaald om zich in de benedenstad te komen vestigen, vandaar dat men niet alleen de appartementen bouwt, maar ook hotels en restaurants. De meeste van die restaurants hadden maar effectief succes vanaf 1890. Ze droegen prachtige namen als Parc aux Huitres, Filet de Sole, Grand Hotel, Taverne de Londres, Café Riche.Ze werden allemaal afgebroken, de laatste eind jaren 1970. De appartementsgebouwen hadden weinig of geen succes. De opvolger van burgemeester Anspach, Charles Buls, schrijft hierover in zijn L’Esthétique des Villes: “In tegenstelling tot de Parijzenaars of de Latijnse volkeren houden wij niet van grote woonkazernes die in appartementen zijn opgedeeld en die aan de lanen en straten van Parijs hun uniforme aanblik verlenen.” En inderdaad, de Franse aannemer ging failliet bij gebrek aan kopers, en Buls kan schrijven: “De enorme huizen die een Franse speculant langs onze centrale lanen heeft gebouwd, hebben hem geruïneerd; onze mensen kwamen er maar niet toe er hun intrek te nemen…” Het zal beteren met de uitvaardiging van de wet op het mede-eigendom, die stelt de Brusselaar gerust dat zijn appartement wel degelijk helemaal van hem alleen is
.
Normaal moest Leopold persoonlijk de lanen komen inhuldigen op 30 november 1871. Dat was zonder het werkvolk gerekend. De week voordien leidt de links-liberaal (de Socialistische partij zal pas vijftien jaar later worden gesticht) Jules Bara een grote betoging en komt het tot woelige incidenten. De Brusselse burgerwacht onder leiding van burgemeester Anspach kan de situatie met moeite meester blijven. Op 29 november 1871, de avond voor de festiviteiten, loopt het echt uit de hand: arbeiders en de studenten van de Vrije Universiteit gaan voor het paleis betogen. Zij onthalen de vorst op een fluitconcert, zingen de Marseillaise, roepen Vive la République en A bas le roi de carton. De koning durft ‘s anderendaags zijn paleis niet uit. Officieel omdat het stortregende.

Op het sluitstuk van de grote centrale laan, waar de Boulevard Centrale zich opsplitste in Boulevard de la Senne (Jacquemainlaan) en Boulevard du Nord kwam later de Anspachfontein met een obelisk – namaak weliswaar uit Zweeds graniet. In 1981 werd ze overgeplaatst naar het eindpunt van de Kaaien achter de Vismarkt. Ook de lange centrale laan werd naar Anspach genoemd.
Via de Anspachlaan lopen we naar de Beurs langs gebouwen die ‘modern’ zijn, dit wil zeggen gebouwd door architecten die inspiratie vonden in een doos met lego-blokjes en hier en daar nog restanten van die grote 19de eeuwse architectuur waar Leopold II van droomde.

De Beuzze, La Bourse

Ik moet u iets bekennen. Als kind dacht ik dat het om een groot openbaar toilet ging. Dat heeft niets te maken met de Brusselse uitspraak van de naam voor dit gebouw, maar omdat als ik, aan het handje van mijn vader daar arriveerden wij beiden altijd dringend moesten pissen. We waren immers onze tocht door Brussel begonnen aan het Rogierplein, in Café Bij Jan van Aolst en daar had mijn vader enkele ‘pjeirekes’ gedronken en ik Spontin. Pjeirekes, paardjes was Horse-Ale een Brussels bier van hoge gisting (zoals nu Palm), later overgenomen door Inbev en Spontin was limonade uit de Walen.
Aan de linker- en rechter kant, onder de twee leeuwen die voor de Beurs staan had je de ingang van prachtige openbare toiletten. Links voor de vrouwen, rechts voor de mannen. Vandaar. Die zijn nu weg. Nu pissen ze in Brussel in portieken en tegen gevels.

LC 5 Beurs2_NEW
En na zaan’k meug en goune ‘k noe de Vismet iene drinke.

(de ‘mini-ring’ is een enscènering door het Kunstenfestivaldesarts;
de oude foto’s komen uit het Brusselse Stadsarchief,
de recente zijn van L.C.)

augustus 7, 2015 at 12:07 pm Een reactie plaatsen

WAAROM IS NEDERLANDS LEREN ZO MOEILIJK?

Elio

Knack-Nieuwsbrief denkt het antwoord op deze vraag gevonden te hebben.

Vlamingen kloppen zichzelf graag op de borst wanneer het over talenkennis gaat. Een meerderheid weet zich redelijk uit de slag te trekken in het Frans en ook op Engels wordt doorgaans vlot overgeschakeld. Doen Frans -en anderstaligen dan geen moeite om Nederlands te leren? Adriaan D’Haens, germanist aan de Ugent onderzocht voor zijn scriptie “waarom leren Nederlands is niet gemakkelijk”.

Als mensen talen leren, voltrekken er zich allerhande gecompliceerde processen in hun hersenen. Een bekend Amerikaans taalkundige, Noam Chomsky, bedacht in het midden van de vorige eeuw een theorie die de werking van deze processen verklaarde. Hij ging uit van een taalverwervingsmodule of universele grammatica in de hersenen, een soort ingebouwd systeem dat ervoor zorgt dat mensen makkelijk taal kunnen verwerven.
Door te luisteren naar de taal die om hem/haar heen gesproken wordt kan een Chinese baby dankzij deze module met evenveel gemak Chinees leren als een Vlaamse baby Nederlands.

Woordvolgorde

Of deze taalverwerkingsmodule een even belangrijke rol speelt bij het leren van een vreemde taal, is stof voor discussie. Waarom geraken anderstaligen in Vlaanderen na jaren Nederlandse les nog steeds moeilijk uit hun woorden? Volgens D’Haens is dit te wijten aan de woordvolgorde van hun moedertaal.

De Nederlandse woordvolgorde is namelijk allesbehalve eenvoudig. Wanneer we ondergeschikte zinnen maken, zetten we de werkwoorden helemaal op het einde, en als er een zinsdeel voor het onderwerp en de persoonsvorm staat, worden die nog eens omgewisseld – daar is deze zin trouwens een mooi voorbeeld van. In English ,the subject and the verb stay in the same position, no matter what you do or what you say. Ook het Frans kent deze variatie aan woordvolgordes niet.

Adriaan D’Haens analyseerde een weloverwogen verzameling van Engelse en Nederlandse teksten, geschreven door Nederlandstaligen en Engelstaligen die respectievelijk Engels en Nederlands als vreemde taal leerden. Uit het onderzoek bleek dat Engelstaligen, zoals verwacht, vooral fouten maakten tegen de Nederlandse woordvolgorde. Nederlandstaligen ondervonden deze problemen niet wanneer zij Engelse zinnen maakten; hun woordvolgorde was foutloos.

Wie een moedertaal heeft met een ‘moeilijke’ woordvolgorde kan dus blijkbaar zonder problemen overschakelen op een makkelijkere variant, maar vice versa levert dat aanzienlijke problemen op. Als Elio Di Rupo in de toekomst “niet steeds kan maken even goede zinnen” mogen we het hem dus niet altijd kwalijk nemen.

http://www.knack.be/nieuws/wetenschap/mysterie-van-de-dag-waarom-is-nederlands-leren-zo-moeilijk/article-normal-9900.html


Noot JC:

1/ De ‘generatieve grammatica’ van Chomsky is door hemzelf lang geleden herwerkt en eigenlijk verlaten. Het zou ook verbazen als die aangeboren talenkennis alleen voor het Engels bestond, toch? Sindsdien duikt het begrip ‘universele grammatica’ op, waarmee bedoeld is dat alle kinderen waar ook ter wereld hetzelfde soort grammatica in de onvolgroeide hersenen hebben. Ook daarop komt veel kritiek. Chomsky zelf houdt zich al jaren bezig met interessantere onderwerpen zoals: hoe zit de wereldpolitiek in elkaar en waar leidt dat toe?
Het neemt niet weg dat er ‘spontane’ hersenmechanismen bestaan bij babies en jonge kinderen, om de taal die ze het meest horen het snelst te leren. Dat valt empirisch vast te stellen. Maar even goed leren ze bijna simultaan ook aandere talen, als de omstandigheden daarvoor gunstig zijn. Toch blijft taal een te verwerven goed, het is niet een soort godsgegeven.

2/ Elio’s ‘omkeringen’ mogen we hem ‘niet altijd’ kwalijk nemen. Soms dus wel. Wanneer dan? We moeten toch niet veronderstellen dat hij het ‘soms’ doet om de Vlamingen te irriteren? Dat zou pas taalnonsens zijn.

juli 24, 2015 at 11:14 am Een reactie plaatsen

TABORA, STAD MET DE DRIE NAMEN

Tabora ex-Kaisershof

Tabora ex-Kaisershof

door Lucas Catherine


Tabora, zegt het u iets ? U denkt dat het om de Bijbelse berg Tabor gaat, zoals ik vroeger dacht? Helemaal niet.
En is er bij u ook een Taborastraat, zoals bij mij in Brussel? En is er ook een fritkot? Een wat bizar fritkot, met echte Belgische frieten, uitgebaat door een Iraniër die bij voorkeur klassieke muziek speelt. Tabora, een raadsel uit mijn jeugd dat nu al een tijdje is opgelost.

Sinds de herdenking van 100 jaar Eerste Wereldoorlog weet ik dat het Belgisch-Congolees koloniaal leger daar den Duits heeft verslagen en dat we toen als beloning Ruanda en Burundi kregen. Maar het raadsel was nog niet echtig-techtig volledig opgelost. Tot ik in Tabora belandde.

U gaat op vakantie met booking.com, ik met Burton, Speke, Becker en Stanley. Vandaar Tabora. Want ze zijn er alle vier geweest, hebben er zelfs een paar maand gewoond. Natuurlijk kan je niet met SN Brussels naar Tabora, zelfs niet met Swiss Air. Daarvoor moet je eerst naar Dar es Salaam. Nu is Dar samen met Rabat en Brussel zo wat de enige stad waar ik me thuis voel. Sorry als ik hiermee de Antwerpenaars beledig. Mijn excuus is dat ik daar gewoond heb.

Alhoewel Dar is Dar niet meer. Heel de oude stad is niet alleen omzoomd door wolkenkrabbers, maar ook grotendeels afgebroken. Nog drie huizen uit de tijd van de Zanzibari sultan, die de stad zo’n 150 jaar geleden heeft gesticht, iets meer uit de Duitse tijd en gelukkig toch nog wat Indische art-deco gebouwen uit de jaren 1930. Die sky-scrapers, meestal door Chinese firma’s gebouwd staan grotendeels leeg. Er is daar nogal wat windhandel en foute beleggingen door pensioenfondsen in luchtkastelen. We logeerden natuurlijk in de oude stad. In zo’n hotel afgekoeld door zeewind en met een fan tegen de muggen en de malaria. Safari-inn. Het hotelletje lag vlakbij restaurant New Zahir, waar in de jaren 1960 Malcolm X en Che Guevara (vermomd als Russisch dokter) nog rondhingen. En waar ballingen van het Zuidafrikaanse ANC genoten van de lokale swahili-keuken. Ik weet niet of in ons bed iemand van hen heeft geslapen.

New Zahir

New Zahir

Niet alleen de stad is grondig veranderd, ook de sfeer in de bars. Mijn lievelingsbar is wat ze in Kinshasa een ‘terrace’ noemen. Een openlucht café. ’s Middags komen de bedienden van de omliggende firma’s er eten, en drinken en ’s avonds is het feest. Vijf jaar geleden hoorde je er alleen Afrikaanse muziek, meestal dan nog Congolese, en nu! Witter dan wit: Dolly Parton, Johnny Cash… het meest zwarte dat er te horen viel waren de Pointer Sisters (je weet wel: I want a man with a slow hand, I want a lover with an easy touch, iets wat mijn vrouw soms wel eens neuriet.)

Geef mij dan maar de bars van Tabora.
Reizen moet bij mij een doel hebben. Voor Tabora had ik er twee: grafmonumenten van de Belgisch-Congolese Force Publique en het raadsel van de stad met de drie namen oplossen. Wacht, ik heb het dadelijk over die drie namen.
Eerst in de stad geraken en dan die graven.

Je kan naar Tabora rijden, meer dan 1000 km van de kust en dat over wegen met potholes, tenzij de stukken die de Chinezen hebben gerepareerd, minstens twee dagen. De trein is ook al geen optie, want er vertrekt maar om de drie dagen een trein en die doet er ook al twee dagen over. Dan maar vliegen. Met Precision Air minder dan twee uur. En geen flauwe moppen nu, ik ken dat eens dat je een vliegtuig neemt ten zuiden van de Middellandse Zee dan hebben ze het over Insj’allah Airways en zo. Alles behalve ‘Precision’. Vergeet het. Het vliegtuig vertrok op tijd en kwam tien minuten te vroeg aan. Ik wou dat mijn trein Brussel-Oostende even betrouwbaar was. En, ik voelde mij Kuifje in Afrika. Het was nog een schroefvliegtuig. Waarom begreep ik toen we in Tabora landden. Niet alleen was het gebouw van de luchthaven kleiner dan mijn stamkroeg in Brussel, maar buiten de landingsbaan zelf die in asfalt was, moest het vliegtuig taxiën over grintpistes. Met straalmotoren zou dat nogal wat geven, na iedere landing de piste heraanleggen.

Tab 3

Tabora ligt terug in de tijd: Ons hotel was het vroegere Kaisershof. Door de Duitsers nog voor de Grooten Oorlog gebouwd in de hoop dat de Kaiser himself na de overwinning zijn Afrikaanse bezitting zou komen inspecteren. Omgeven door veel groen, bloemen, bomen, waterpartijen, heel onafrikaans. Dit trekt massaal muggen aan en malaria. Maar goed het gebouw dateert uit de tijd dat malaria werd bestreden met gin tonic en quinina-wijn. Tijdens het diner speelde een orkestje, Congolezen want op hun repertoire stond ook Marina, ja van Rocco Granata. Zeg dan nog dat de Belgische kolonisatie alleen maar kwaad heeft aangericht.

We hadden er afspraak met een lokale historicus. Gelukkig hadden we hem als gids, anders hadden we zeker niet een van de zes begraafplaatsen gevonden. We trokken zelfs tot Mabama, vijftig kilometer westwaarts van Tabora. Onze enige aanduiding was een handgeschetst kaartje uit 1924 met hun ligging langs de weg en spoorweg naar Kigoma. Die spoorweg lag er nog, maar de Chinezen hadden ondertussen wel een nieuwe weg aangelegd.
De monumenten waren in geen staat. De koperen Congosterren die ze als versiering droegen waren al decennia verdwenen, net als de naamplaten.
Dit is wat er rest van het graf van Luitenant Lambert en de onderofficieren Cipont en Enghelborgs.

Tab 4

Het was erg moeilijk te vinden. Je moest enige historische deductie-redenering gebruiken. De Belgische graven lagen langs de oude weg en de spoorweg Tabora-Kigoma. Die volgde de oude karavaanroute van de Zanzibari. En waarvoor waren die Zanzibari bekend? Hun swahili bijnaam is ‘manga’ omdat ze overal langs hun karavaanwegen mangobomen hebben aangeplant. Die gaven niet alleen veel schaduw, maar ook meerdere keer per jaar vruchten. Belgen en Congolezen kennende zouden die wel als ze een graf moesten delven de schaduw aan de voet van een mangoboom verkiezen. En inderdaad ons graf lag onder een eeuwoude mangoboom.

De herdenkingszuilen voor de Congolese soldaten en dragers hebben het iets beter overleefd. Eentje ligt zelfs in een goed onderhouden tuin net buiten Tabora:

Tab 5

Na een succesvolle makabere zoektocht, – terloops ons woord makaber komt net als het swahiliwoord voor begraafplaats, makaburi van het Arabisch makbara – moesten we klinken, met William Maswa Sizya onze gids. En toen kwam de naam Tabora ter sprake.
Als je er de Europese explorateurs op naslaat duiken er drie namen op voor de stad: Chemchem, Kazeh en Tabora .

De Belg Jerome Becker – hij was gouverneur van de eerste Belgische kolonie aan het Tanganyika-meer, Karema – kent er twee van: Chemchem en Kazeh.
De bevolking die er woont zijn de Nyamwezi – bij Europese explorateurs als Burton, Speke of Stanley bekend als Mensen van de Maan. Zij noemen de plek Chemchem, de waterbron. Toen vanuit Ruanda Tutsi veehouders er zich kwamen vestigen, noemden zij, volgens de lokale overlevering, de heuvel waarop ze zich vestigden Kazeh, naar de naam van hun chef. Om de verwarring nog groter te maken: kazeh betekent in het kiNyamwezi ook gewoon koninkrijk. Daar woonde trouwens de sultan van de Nyamwezi.

De verwarring was dus groot, zeker bij Stanley, toch al een kneus als het om topografie ging. Aan hem ‘danken’ we de naam van een van de grote rivieren in Noord-Oost Congo. Iedereen voor hem, de lokale bevolking, de Zanzibari handelaars noemden haar de Ituri. Nu is dat alleen nog zo voor een deel van die stroom. Ze staat vooral bekend als Aruwimi. En dat kwam zo. Stanley arriveerde er, zag twee lokale vissers op de stroom en vroeg hen in het swahili: hoe heet dat hier? Zij verstonden geen swahili en de ene visser bekeek de andere, en sprak: kent die ons? in de lokale taal: Aruwimi? Vandaar.

Ook in Kazeh had hij problemen. Hij vertelt het zelf (in How I found Livingstone). Bij zijn aankomst vraagt hij de Zanzibari gouverneur van het gebied, Said bin Salim: “Waar is Kazeh?”
“Zou ik niet kunnen zeggen.”
“Wat bedoel je. Burton, Speke en later Grant waren er in uw gezelschap! Hebben Burton en Speke niet in Kazeh gelogeerd bij Musa Mzuri (Mooie Mozes)?”
“Jawel, maar Musa woonde in Tabora”.
Het is dus in dit Kazeh dat zich vanaf 1825 Swahili’s van de kust en van Zanzibar vestigden. Dankzij hun Indische financiers in Zanzibar namen zij de ivoorhandel tussen Oost-Congo en Zanzibar over. Zij gingen zich iets later ook in Oost Congo vestigen met als belangrijke centrum Kasongo en stichtten er ondermeer de stad Kisangani.
De stad Tabora werd nu een groot centrum van karavaanhandel. Belangrijkste producten: ivoor en honig. Die honig was trouwens Jerome Becker al opgevallen, net als de massa’s bijen die er voorkwamen. Die honing is nog altijd een specialiteit. Vooral die van heel kleine bijen, nyuki wadogo, zoet maar met een nasmaak van limoen.

honig in de Souk

honig in de Souk

Jaarlijks trokken er zo’n 500.000 karavanen door de stad richting Congo of richting Zanzibar. De Nyamwezi hadden het monopolie op de job van drager. Dit gebeurde dus niet door slaven, zoals de koloniale geschiedschrijving wil, maar door betaalde werkkrachten wier loon meesteeg met de prijs van het ivoor van 8 Maria Theresia Dollar naar MT$ 20 in de jaren 1870. De meeste volwassen mannen in Unyamwezi werden daardoor drager. En al dat volk moest proviand mee nemen op zijn lange tocht. Zo zal de naam Tabora ontstaan. Grote zoete aardappelen werden gekookt, in grote schijven gesneden en dan in de zon gedroogd. Een soort frieten zonder bakken in vet. Die schijven konden maandenlang goed blijven en werden het basisvoedsel van de karavanen. Zo’n schijf heet in de taal van de Nyamwezi, tabora.
Deze Afrikaanse vorm van friet, zonder vet maar zongedroogd zijn stukken gezonder zouden de hipsters en andere leden van de Glutenkerk nu zeggen, werden dus uitgevonden zo rond 1857, jaar waarin voor het eerst een frietkot opduikt in de Belgische pers. Dit van een zeker Fritz uit Verviers, althans volgens Le Courier de Verviers.

juli 18, 2015 at 12:50 pm Een reactie plaatsen

DE MILJONAIRSTAKS EN ANDER LEUKS VOOR IEDEREEN

MIL 1

door Jef Coeck

Steeds minder Grieken hebben geld, zelfs de banken klagen over een tekort. Enkel nog de ortodoxe kerk en de superrijke reders weten zich (meer dan) te redden – ook al omdat ze geen of heel weinig belastingen betalen. Komt het bij ons ook zo ver? Enkele cijfers.

Het laat zich aanzien dat 2016 wereldwijd een historisch jaar wordt. Met name: het jaar waarin de 1 procent van de volwassen wereldbevolking meer vermogen zal hebben dan de 99 procent anderen. Dat is in de geschiedenis van de homo sapiens, die intussen toch al meer dan 100.000 jaren op de teller heeft staan, nooit gebeurd. Nauwelijks 1 procent van de planeet zal volgend jaaar meer bezitten dan alle andere planeetbewoners samen.

Dat is niet het hele verhaal. Want binnen die 1 procent zijn er nog enorme verschillen. De toplaag van de aller-rijksten wordt gevormd door de UHNWI, de ultra high-net-worth individuals. Kortweg de ULTRA’S, lieden met een persoonlijk vermogen van meer dan 25 miljoen euro. Die elite van ultra’s bestaat uit 200.000 mensen of nauwelijks 0,004 procent van de volwassen wereldbevolking.

Volgens het recente jaarrapport van de vermogensbeheerder UBS telt België nu 870 ultra’s, goed voor naar schatting 84 miljard euro. Dat is een gemiddeld vermogen van 96 miljoen Euro per Belgische ultra. De kern van deze ultra’s bestaat uit nauwelijks tachtig families. Die tachtig families bezitten vandaag evenveel vermogen als de 3,5 miljard armste mensen ter wereld. Dat blijkt uit de ramingen van vermogensbeheer Credit Suisse, volgens de nu wereldbekende expert Piketty.

Moeten miljonairs dan zomaar beroofd worden, alle bezit afgepakt en zijzelf in de gevangenis of op zijn minst aan de klaagmuur? Nee, natuurlijk niet. Dat zou even ondemocratisch en tegen de mensenrechten zijn als de reeds jarenlange verpaupering van pakweg Afrika.

Hoe ziet de miljonairstaks er dan uit? Die taks slaat alleen op fortuinen van meer dan 1 miljoen euro, bovenop de eerste woning met een waarde tot 500.000 euro. Het is een progressieve belasting, met een maximumaanslagvoet van 3 procent: één procent belasting op het deel van het vermogen boven de 1 miljoen euro, twee procent op het deel boven 2 miljoen, en drie procent op het deel boven 3 miljoen euro.

De miljonairstaks laat dus alle vermogens lager dan 1 miljoen euro ongemoeid. Bovendien wordt de woning die de ‘kleine’ miljonair betrekt vrijgesteld voor een bedrag van 500.000 euro. Anders gezegd: ook met een miljonairstaks blijft een schijf van 1,5 miljoen onbelast.

Stel dat iemand een vermogen bezit van 3,2 miljoen euro. Dan betaalt hij een miljonairstaks van 31.000 euro, zijnde een belastingvoet van nauwelijks O,97 procent. Hij houdt dan nog steeds ongeschonden zijn 3,169 miljoen euro over die hij naar hartenlust kan beleggen. Of uitdelen aan goede werken. De veelgehoorde bewering dat miljonairs nog ‘slechts’ 999.999 euro van hun kapitaal zouden mogen behouden, is dus klinkklare nonsens.

Op deze manier wordt de (Griekse, Belgische, Vlaamse,…) schatkist bijgevuld en finaal gered. We zullen niet langer moeten schrapen op de bodem om te voldoen aan de vaak onredelijke eisen van internationale bestuurders, bankiers, managers, beursgoeroes. Daarmee zijn het land en de wereld nog niet gered. Want het vergaarde belastinggeld moet zo goed mogelijk worden aangewend, tot baat van de gemeenschap.

Nog meer noodzakelijke ingrepen

Neem de energievoorziening. Daar is een Wende, een revolutie eigenlijk, hoognodig. In sommige steden van Duitsland en Denemarken heeft die al plaatsgevonden. De inwoners gaan de klimaatcrisis te lijf met eigen initiatieven. Ze richten energiecoöperaties en steeds meer staatsbedrijven op. Ze willen de stroomvoorziening weer in eigen handen nemen om een snelle omslag naar een klimaatneutrale toekomst van onderuit mogelijk te maken.

Staatsbedrijven? Dan krimpen oude ratten al in elkaar van afschuw. Dat betekent toch ‘corruptie en favoritisme’? Die is goed. Als corruptie en favoritisme ergens te vinden zijn in de huidige wereld, is het toch bij de internationale instellingen, de ongecontroleerde banken en multinationals, de grondstoffenjagers, de sjoemelaars met voedsel en medicamenten, en een hele boel andere individu’s of groepen? De wapenhandel, om maar iets te noemen.

Wat van openbaar nut is, moet ook openbaar bezit zijn. Niet dat de hele wereld verstaatst moet worden (inclusief controle door de burgercomités), maar een flink deel ervan wel. Gezondheidszorg, onderwijs, voedselcontrole en –bedeling, energie, en nog veel meer.

Ja, dat hebt u goed geraden. Deze ideeën komen voor in een boekje van Peter Mertens samen met een vijftiental andere leden van de studiedienst of mandaathouders van de PVDA+. Communisten? So what? We hebben al onze islamofobie. Nu nog een communistofobie hoeft niet. Wie iets wil leren, leest bij voorkeur over dingen die hij/zij NIET kent.

Lees dit boekje. Het is dun en zeer begrijpelijk geschreven. Met de hand op het hart (ik ben geen communist) : het is de allereerste keer dat ik een geloofwaardige win-winsituatie tegen het lijf ben gelopen. Ik heb het dan met name over de miljonairstaks. Wat winnen de miljonairs er zelf aan, zult u vragen? Zij kunnen genieten van het goed gevoel dat ze hun land- en andere lotgenoten een grote dienst hebben bewezen, c.q. van de ondergang gered. Zonder dat dit moet gebeuren in een sfeer van 19de eeuwse liefdadigheid en Dickensiaanse uitdeling van de kruimels. Sommige Amerikaanse multimiljonairs (Bill Gates?) hebben dat al begrepen. Nu onze eigen ultra’s nog.

*Peter Mertens (red.), De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen, EPO, 160 blz., 15 euro

Grafzerkje voor miljonair (bewoonbaar, niet te huur)

Grafzerkje voor miljonair (bewoonbaar, niet te huur)

juli 10, 2015 at 1:47 pm 4 reacties

RED DE BRUSSELSE MEDIA

Anne Brumagne

Anne Brumagne

door Walter Zinzen

Brussel deze Week is zonder twijfel één van de weinige kwaliteitskranten in ons land. Complexloos Nederlandstalig met een open vizier voor de vele gemeenschappen die onze hoofdstad rijk is, met aandacht voor cultuur , sport en de jongere lezer, kritisch voor de beleidsmakers waar nodig. Kortom een journalistiek topproduct.

Of dat zo zal blijven is bijzonder twijfelachtig. Want Brussel deze Week behoort sedert enige tijd tot een gemeenschappelijke vzw , samen met TV-Brussel, de nieuwssite brusselnieuws.be en FM Brussel. Deze nieuwe vzw, Vlaams Brusselse Media genoemd, heeft vele bedoelingen maar het bevorderen van goede journalistiek is daar niet bij. In het rumoer dat ontstaan is door de , ijlings ingetrokken , afschaffing van FM Brussel , is onderbelicht gebleven dat de hoofdredacteur van Brussel deze Week , Anne Brumagne ontslagen is. Op brusselnieuws.be werd ze in deze termen uitgewuifd : “Ze is een uitstekende hoofdredacteur, een hoofdredacteur met visie op degelijke journalistiek en met een zeer grote menselijkheid. Anne ging voor journalistieke en maatschappelijke relevantie en niet voor perceptie en de schone ogen van de macht.”

Laten deze kwalificaties nu net de reden zijn geweest voor haar ontslag want journalistieke en maatschappelijke relevantie is wel het laatste wat de bazen van VBM willen. Dat blijkt al uit de samenstelling van de Raad van Bestuur : 12 uitsluitend politiek benoemde leden , van wie slechts 2 met een journalistiek profiel. Alle anderen zijn marketeers of reclamemensen, te beginnen met voorzitter Marc Michils, bekend van de Liga tegen Kanker , maar zonder enige media-ervaring. Dat geldt ook voor de algemeen directeur ,Michel Tubbax, ondertussen alweer ontslagen maar nog altijd werkzaam in het verborgene. Hij werd benoemd op 13 oktober 2014. “Hij heeft, zo staat in het verslag van de Raadsvergadering letterlijk te lezen, uitgesproken ervaring met change, het leiden van een groep, coachen.” Ervaring met media? Met journalistiek? Daar was geen behoefte aan. Wel aan een plan om de Brusselse media op een nieuwe leest te schoeien. Daar moest Jan Callebaut voor zorgen.

Jan Callebaut ! Een man die al tientallen keren heeft bewezen dat journalistiek hem geen lor interesseert. “De eindgebruiker heeft altijd gelijk” beet hij de protesterende redacties toe. Zijn plan maakt integere journalistiek onmogelijk. En dat is ook de bedoeling. In zijn beleidsbrief geeft voogdijminister Gatz de Brusselse media de opdracht te berichten over de Vlaamse Gemeenschap en haar Brusselse Commissie alsmede over de Nederlandstalige verenigingen en organisaties. “Een missie voor een communicatiedienst, geen journalistieke missie” noemde Bart Eeckhout dat – terecht – in De Morgen.
Ondertussen smijten de dames en heren marketeers met overheidsgeld dat het een lieve lust is. De fusie heeft vorig jaar alleen al 180.000 € gekost, daarvan 20.000 voor het rekruteren van de algemeen directeur, die een wedde van om en bij de 7000 € kreeg (krijgt?). De studie van Jan Callebaut kostte 60.000 €. En zo gaat dat maar door. Maar personeelsleden moeten wel afvloeien. Degenen die blijven moeten ‘cross-mediaal’ werken , dat wil zeggen voor vier media tegelijkertijd werken. Verbetering van de kwaliteit ? Neen, verbetering van de “efficiëntie”.

De verantwoordelijke politici , de heren Van Hengel, Smet en Gatz moeten beseffen dat het geld voor de Brusselse media niet hun eigen geld is maar dat van ons allemaal. Die media staan dus niet in hun dienst, maar in die van ons. Ze moeten zonder politieke inmenging kunnen werken. Daarom moet de huidige Raad van Bestuur van partijpolitieke handpoppen verdwijnen en vervangen worden door onafhankelijke competente mensen , moet Anne Brumagne in ere worden hersteld , en moet een heel nieuwe , op kwaliteit en relevante informatie gerichte visie worden ontwikkeld.

Walter Zinzen is gewezen bestuurslid van Brussel deze Week.
http://www.standaard.be/

juni 24, 2015 at 1:51 pm 1 reactie

Oudere berichten


Kalender

september 2015
M D W D V Z Z
« aug    
 123456
78910111213
14151617181920
21222324252627
282930  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 941 andere volgers