Archief beheerder

Twee menu’s voor wie de kolonisatie van Kongo nog niet heeft verteerd

Kongoboot Albertville

 

door Lucas Catherine

Menu1

Onderzoeksjournalistiek baseert zich nu op documenten die en stoemelings maar zijn te vinden. Moeilijk werk, vraag het maar aan de mensen van Apache. Vroeger was het anders. Dan kon je aan de hand van op het eerste zicht onbelangrijke documenten waren veel te weten komen.

Hierbij het voorbeeld van twee menu’s uit Antwerpen. Ze dateren uit 1898. Een belangrijk jaar in de geschiedenis van Kongo: Toen werd niet alleen de eerst trein daar officieel in gebruik genomen, maar arriveerden er ook de eerste toeristen en journalisten met hun net klantvriendelijk gemaakte Kodak. Om het bij Antwerpen te houden: La Metropole (met Vaes), Le Matin (met Henrion), De Nieuwe Gazet (met Moortgat) en het Handelsblad (met De Mey).
Hier dus mijn eerste spijskaart, zoals men dat toen in Antwerpen noemde, maar in druk heette het wel menu. Bourgeois oblige. In dit geval de Kamer van Koophandel. Het diner was ter ere van Leopold II die toen La Métropole bezocht en de illustraties vertellen veel. Je leest ze net als de gerechten van boven naar onder.
Heel bovenaan links, de vlag van de Kongo Vrijstaat en rechts de Kongostroom met op de oever twee olifanten. Dat laatste is een kleine leugen. De olifanten waren aan de Kongostroom zelf al uitgestorven, men moest ze in het hoge noordoosten gaan jagen. Maar, zoals de Leeuw stond voor België, zo stond de Olifant symbool voor Kongo.

In het midden, links een bundel voorwerpen die de eerste toeristen ginder graag kochten: schilden, speren, werpmessen en maskers. Rechts daarvan op de achtergrond de eerste trein in Kongo, Matadi-Kinshasa die toen net officieel was ingehuldigd.

Daaronder de rivierboot Brabant die het jaar daarvoor (1897) in Antwerpen door Cockerill Yards was gebouwd. Die scheepswerf lag toen midden in de stad. Ze bouwden ongeveer alle boten die op de Kongo vaarden. De Brabant was een raderboot en mat 45 meter op 9 meter met een stoommachine die 125 pk kon ontwikkelen. Daarmee konden 150 ton vracht vervoerd worden en er waren cabines voor 32 passagiers. Op zijn proefvaart op de Schelde ontwikkelde hij een snelheid van 7,5 knopen (14 km/u)

Links onderaan een gravure van Nieuw-Antwerpen, een handelspost die Camille Coquillhat had gesticht. Coquillhat kreeg daarom in Antwerpen een straat (in 1891) en een standbeeld in het Albertpark (1895).

In het centrum onderaan: het wapen van de Kongo Vrijstaat met als devies Travail et Progres, bekroond met de gevleugelde helm van Mercurius, de god van handel en reizen. En ook de patroon van de Antwerpse Kamer van Koophandel.

Rechts onderaan dan de Albertville, de toenmalige Kongoboot Antwerpen-Matadi (bouwjaar 1896).De gangen op het menu zijn minder interessant, net zoals die trouwens op het tweede menu.

 

Hier iets minder illustraties: rechts onder nog maar eens de Albertville en links dé uitvoerproducten uit Kongo: ivoor (slagtanden) en balen rubber. Die producten konden Antwerpen bereiken, niet alleen dankzij de Kongoboot, maar ook dankzij de spoorweg Matadi-Kinshasa. Het symbool van de spoorweg zie je dan ook uiterst links: een gevleugeld wiel. Het was jaren lang ook het symbool van de NMBS. Mijn vader, cheminot net als mijn grootvader, droeg het op de kraag van zijn vest. Het was in koper- uit de Kongo.

 

Dit tweede banket had een maand na het bezoek van Leopold II plaats en werd door de Kamer van Koophandel georganiseerd voor hun leden die door Leopold waren benoemd in de Leopoldsorde – een al langer bestaande orde – maar vooral in de Kroonorde. Die had de Heerser van de Kongostaat een jaar eerder opgericht om iedereen te huldigen die ‘verdienste had voor de Beschaving van Afrika’. En de Kroon verwijst hier dan ook naar het Kroondomein, dat deel van de Vrijstaat waar enkel Leopold economisch actief was. Met de namen van de genodigden kan je de geschiedenis van de kolonisatie schrijven. Ze staan in alfabetische volgorde, maar de eerste in de rij, Bunge was toen misschien de belangrijkste en dankzij Kongo ook de rijkste. Antwerpenaren kennen misschien het Instituut Bunge, nu onderdeel van de UIA en de domeinen Oude Gracht en De Uitlegger (in Kapellen en Brasschaat), vroeger privé-domeinen van de familie Bunge. Ze kwamen oorspronkelijk uit Zweden, maar hun rijkdom kwam uit Kongo. Eduard Bunge commercialiseerde al het ivoor dat uit Kongo arriveerde. Tussen 1888 en 1893 ging dit om 509.573 ton –vraag me niet hoeveel olifanten dat maakt – Het leverde Bunge meer dan één miljoen Euro op. Verder was Bunge geïmpliceerd in de twee grote rubbermaatschappijen ABIR en Anversoise, beiden berucht om hun politiek van afgehakte handen. Leopold II noemde Eduard Bunge dan ook ‘mon grand ami anversois’ en Leopold hield van Antwerpen: “Anvers peut être, et mon désir est qu’Anvers soit la plus grande ville commerciale du continent”. Een citaat uit zijn speech in Antwerpen tijdens het vorige diner.
De tweede in de lijst is een mindere figuur Edgard Castelein, stichter van de krant La Métropole die de politiek van Leopold II verdedigde. Een van zijn journalisten reisde in 1898 naar Kongo om er de inhuldiging van de trein Matadi-Kinshasa te verslaan. De trein die de echte economische ontsluiting van Kongo mogelijk maakte.

Emile Ceulemans, een commerçant die het later bracht tot Consul Generaal van de Kongo Vrijstaat in Lissabon.

Charles Corty, voorzitter van de Kamer van Koophandel. De ondervoorzitter was Louis Criquillon.

Maar laten we het bij de grote kleppers houden.
Alexis De Browne de Tiège: medestichter van de beruchte rubbercompagnie Abir en voorzitter van de Anversoise. Die maatschappijen maakten ongelooflijk veel winst. In sommige jaren vijfmaal het eigen kapitaal. Waar Abir actief was slonk de bevolking met de helft, en dat kwam niet alleen door afgehakte handen. De Browne de Tiège was ook een stroman van Leopold II en hielp hem in 1895 om de Belgische staat geld af te troggelen via een zogezegde lening. Hij zat ook in Bell Company, de Antwerpse maatschappij die de eerste telefoonlijnen in Kongo aanlegde. Zijn kapitaal is opgegaan in de Dexia bank.

Emile en Ernest Grisart zetelden ook in Bell en waren aandeelhouders in de rubbermaatschappijen.
Alexis Mol was alweer een goede vriend van Leopold II met belangen in Abir en Bell en verder in de koffie- en cacao-import uit Kongo.

 

Naast Leopold II was vooral Albert Thys actief in de plundering van Kongo. Hij was stichter of aandeelhouder van 33 koloniale maatschappijen. Hij was de man die in 1898 de eerste trein Matadi-Kinshasa deed rijden. De bankier Alfred Osterrieth was een van de genodigden bij de inauguratie van de spoorweg. Osterrieth was de leidende figuur in Les Produits du Congo, een van de maatschappijen van Thys. Verder zat hij in Abir en importeerde Kongolese cacao. Zijn kapitaal is ook opgegaan in de Dexia Bank.
Ook Eduard de Roubaix zat in die Produits du Congo van Thys.

Dan is er Arthur Van den Nest, voorzitter van rubbermaatschappij ABIR. Hij zetelde daarnaast in Bell Telephone en tijdens het diner waarop deze tweede menu slaat, opperde hij het idee om met de Kamer van Koophandel een monument te bouwen ter ere van de Kongolese handel. Hij werd hierbij gesteund door burgemeester Jan van Ryswyck. Het werd, met enige jaren vertraging de Kongozuil in het Stadspark.

 

Jan Van Rijswijck was een fervent verdediger van de koloniale politiek van Leopold II. Hij organiseerde in 1894 de Antwerpse Expo waarin meer dan 100 Kongolezen werden ‘tentoongesteld’ in het zogenaamde Vivi aan de Schelde. Maar hij sympatiseerde ook met de kolonisatiepoging van Leopold in China. In 1900 riep hij zelfs op om een expeditiekorps naar China te sturen om de anti-koloniale Boxersopstand (Yihetuan-beweging) neer te slaan.

En, ik zou het haast vergeten op die menu’s staat dus ook wat er te eten viel:

 

Schotse oesters

Ossenstaartsoep

Ganzenlever in een korstje

Forel uit Dieppe

Royale Rundsfilet

Kapoen zoals in Le Valois van Le Mans (toen een erg bekend restaurant).

Champions en croute

Hazerug Grand Veneur

Patrijs in wijnbladeren

Abrikozencompote

Kreeft Belle-Vue

En tot slot: sla’s, gebak, ijs en fruit.

En daarbij champagne en aangepaste dure wijn.

Een dagtaak, zo’n maaltijd en tijd genoeg om over zakendoen in Kongo te praten.

 

En hoe ben ik aan deze menu’s gekomen? Wel in de jaren zeventig maakte een farmaceutische firma reproducties van deze menu’s. Ze waren onder de indruk van de zware maaltijd die werd aangeboden en op de achterzijde maakten ze reclame voor een poeder tegen een zware maag. En dat stuurden ze als publiciteit naar alle huisdokters.

 

Lucas Catherine

Liefhebber van Matadi en ander koloniaal gebak.

 

juni 5, 2017 at 12:32 pm Plaats een reactie

ELISABETH, voor MELOMANEN, ROYALISTEN, WISPELWEYERS

door Jef Coeck

De Koningin-Elisabethwedstrijd (KEW), zowat het beroemdste muziekconcours ter wereld, krijgt zijn beslag deze week in de Bozar van Brussel. Uit de voorselectie en halve finale bleven 12 kandidaten over, geen Belgen.  Dat komt, zegt cellist en celloleraar  Stijn Kuppens, ‘omdat een uiterst doorgedreven coaching in een stimulerende omgeving ontbreekt in België’. Waarom die dingen er dan wel zijn voor andere instrumenten als piano en viool, vernemen we niet.

Er zijn meerdere verklaringen. Het is de eerste keer dat de cello aan bod komt, na viool, piano, en de menselijke stem. Cello is een moeilijk te bespelen instrument. Er is weinig voor gecomponeerd. Hij moet bijna altijd omgeven zijn door andere instrumenten en dan gaat een deel van de wonderbare klank (‘de mooiste van het orkest’) verloren. Natuurlijk kan het ook solissimo worden bespeeld. Dat doet onder meer de Nederlandse geniale uitvoerder Pieter Wispelwey – hij zit terecht in de jury die op het einde van deze week de rangschikking zal bekend maken. Toch is dit instrument niet algemeen populair, een soort weeskind onder de strijkers.

We waren ongeveer een jaar of 10, mijn neef Jan en ik. We hadden het verplichte eerste jaar solfège achter de rug in de plaatselijke academie, en dan moest (mocht) je een instrument kiezen om het te leren bespelen. Voor mij was het makkelijk, ik was dol op piano. Jan twijfelde wat langer en korte tijd later vernam ik dat hij gekozen hand voor de ‘violoncelle’. Ik kende het woord niet eens maar kon vermoeden dat het iets met de viool vandoen had. Strikt genomen zou je het een basviool kunnen noemen: grote klankkast, geluid van vier donkere snaren, bespeeld met een aangepaste (zware) strijkstok.

Neef Jan schopte het ver in de muziek (in tegenstelling tot mezelf). Hij kreeg een plaatsje in het Vlaamse opera-orkest van Antwerpen. Bovendien begaf hij zich aan composities, waarvan sommige zelfs op CD kwamen. Zo zijn ‘Clarifonia’, dat werd uitgevoerd door het klarinet-ensemble van wijlen Walter Boeykens met Robert Groslot als gastdirigent.

Dat komt bij mij allemaal terug boven, nu ik elke avond voor de TV zal hangen om geen noot te missen. Want gelukkig doet de VRT andermaal een culturele reuzestap door de finale en proclamatie integraal uit te zenden. Dat is een van onze betere tradities geworden. De presentatie van het geheel is voor de tiende keer in handen van Katelijne Boon, een dame met standing en kennis van zaken. Ook zij is weg van de cello/sello.

Boon: ‘Alleen al fysiek doet de klank van een cello iets ongelooflijks. Zowel met de speler als met de luisteraar. Je voelt die vibraties in je lichaam. Eigenlijk zijn dat twee persoonlijkheden die je aan het werk ziet: de cellist én zijn cello. Dat heb ik nooit eerder met een ander instrument meegemaakt.’

Daar kan ik het eens mee zijn. Als je Wispelwey de cello-suites van Bach hoort uitvoeren, zet dan de CD niet al te luid of je kunt een hartaanval oplopen. Je mag in een huis van beton zitten met geluiddempende tapijten, nog zul je de trillingen in heel je lichaam voelen. Hoe dat bij een vrouw als Katelijne Boon overkomt kan ik als man niet weten, alleen gissen. Ze heeft het, zegt ze zelf, met geen enkel ander instrument.

Boon: ‘De kritiek op cello is dat het repertoire beperkt is, maar dat vind ik niet helemaal juist. In de finale zullen we maar drie concerto’s horen: zes keer Sjostakovitsj, twee keer Schuman en vier keer Dvorak. Maar ik begrijp dat die mensen voor zulke meesterwerken kiezen. Voor veel kandidaten is het de eerste keer dat ze die stukken kunnen uitvoeren met orkest, samen met het verplichte werk uit de 21ste eeuw, vind ik die balans zeer goed.’

Kruisvaarders

Wie er op let komt toch geregeld de cello tegen. In de Franse Ardèche deden we lang geleden het stadje Banne aan. Het torent in de heuvels rondom Les Vans en bezit een indrukwekkend kruisvaarderskasteel. De stallingen ervan zijn al meer dan duizend jaar intact gebleven en nu omgevormd tot een concertzaal. We baanden ons een weg tussen de petanquespelende autochtonen. En vernamen dat er die avond een concert was van piano en cello, met, als ik het goed heb Bach, Mozart, Schuman etc.

Wij namen plaats in dit historisch pand, benieuwd naar wat ons te wachten stond. Er waren van die ongemakkelijke stoelen gezet, maar dat kon niet deren. Het concert was schitterend. Ik ontdekte eindelijk de violoncelle en die sneed me ongeveer de adem af. Tussen de honderd of zo toehoorders kon je een speld horen vallen. Na een half uurtje kwam er de krop in de keel en bij sommige mede-melomanen zelfs de tranen in de ogen. Het was verstijvend aandoenlijk. De diepe bassen werden begeleid door een zacht pianissimo van dit schone instrument. Af en toe was er toch een bij-geluid: een zwaluwpaar vloog soms in en uit, door de ramen zonder glas. Zij twitterden de sfeer niet kapot, integendeel, ze leken zelf te komen luisteren en genieten. Het concert duurde goed een uur en toen had kennelijk niemand zin om weg te gaan.
Maar de pastis-receptie riep ons tot de orde.

Ik geloof nu Kuppens, die zegt: ‘Hoe meer je geeft aan de cello, hoe meer je terugkrijgt.’

En laten we zeggen dat de kruisvaarten, hoe bloedig ook, in de loop van de geschiedenis ook een goede kant hebben gekregen.

www.destandaard.be
www.demorgen.be

mei 29, 2017 at 2:50 pm 1 reactie

BARS ALS KOLONIAAL ERFGOED IN MAROKKO

Bar Terminus

 

door Lucas Catherine

Fransen hebben stijl, ook als ze koloniseren. Welke stijl, is wat anders. In Marokko hebben ze de Arabisance ingevoerd. Dat is kort gezegd hun versie van Arabische architectuur, en die is volgens hen mooier dan het originele. Ze lieten zich daarbij niet inspireren op de lokale Noord-Afrikaanse bouwtraditie, maar gingen te leen bij de Fatimiden in Kairo.

Ze deden dat op een manier die aan de toekomstige Art-Deco doet denken. Ze bouwen een bank, een kazerne of een pompstation en decoreren die met elementen die zij ‘echt en beter Arabisch’ vinden dan wat de Arabieren zelf hebben ontworpen.

Neem dit bankgebouw in Rabat

Bank Rabat

of een kazerne

Bar Officieren

Pompstation

Zelfs dit pompstation moest Arabisch

 De stijl kende in Marokko zijn hoogtepunt in de jaren 1900-1930. En daarna kwam de echte Art-Deco, vooral in de periode voor en na de Tweede Wereldoorlog, toen de kolonisatie haar hoogtepunt kende. Je vindt die terug in Casablanca, Rabat en vooral in Kenitra, een stad die de Fransen zelf aan de monding van de Marokko’s grootste rivier, de Sebou hebben ontworpen. Gevels genoeg om er een toeristisch circuit mee te vullen. Maar binnenin nu vooral omgebouwd tot fletse kantoren. Waar je wel nog Art-Deco-interieurs kan bewonderen zijn de bars. Je stapt er zo in het provinciale Frankrijk van de jaren 1950.

Nu heb ik iets met Marokkaanse bars, al of niet in Art-Deco. Mijn vrouw zegt: drop hem in om het even welk bled en binnen het kwartier heeft hij een bar gevonden. En zij kan het weten, want ze doet niets liever dan er met mij iets te drinken. Zij een Ricard, ik een lokale pils. Stork, het bier van het werkvolk. De middenstand drinkt liever Flag Spéciale en de Bobo’s en toeristen Casablanca. Dat laatste bier is niet aan mij besteed, maar is voor klanten van luxe bars die geld teveel hebben. Verder zijn er de verloederde, louche bars van beroepsalkoliekers die de lege flessen op tafel voor zich uitstallen en tenslotte mijn soort bars, die van de lokale middenstand: commerçanten, ambtenaren en dat soort volk. Daar kan je trouwens beter eten dan op restaurant. In Rabat is er zo een met de beste kleine brochettes van heel Marokko en Brussel. Goed gemarineerd, met een dipsausje van tomaat, lichtjes pikant en opgefrist met koriander. Vijf dirham (= o,4 Euro) per stuk. Als je goed zoekt vind je hem bij Place Petri (sorry, voor de koloniale naam, het plein heet nu anders, maar ja, ik heb het hier over erfgoed).
Er is een verschil tussen bars als erfgoed van de Fransen en die achtergelaten door de Spanjaarden die het noorden van Marokko (de streek rond Tetuan) koloniseerden. In de Franse bars is het net of je het Frankrijk van de jaren 1950 binnen stapt. De tapa’s zijn er te betalen. In de Spaanse is minder Art-Deco, maar de tapa’s zijn er wel gratis.

Daar, aan de Middellandse Zee, ligt mijn lievelingsbar aan de kust van Tetuan, in Martil. Bar de la Playa.
Het is niet alleen mijn lievelingsbar. Een van de grootste nog levende Arabische dichters, de Irakees Saady Yusuf schreef er zelfs een gedicht over. Een fragment:

Wij waren onlangs in Martil

Tussen het blauw, het blauw en het wit,

Tussen de zee en het strand

Tussen een glas en nog een glas

Waren we welkom in een oude bar

Uit de tijd van de Spanjaarden…
Als je er twee pinten drinkt heb je gegeten, zegt mijn vriend Mohamed. Want het rijtje tapa’s is indrukwekkend: linzen, tuinbonen in tomatensaus, gefrituurde sardientjes of ansjovis, artisjok, al naar gelang het humeur van de kok. Want bars hebben bijna altijd een kok.

Het aantal bars vermindert. Ieder jaar moet ik er schrappen uit mijn lijstje. Dat komt door de religieuze, fundamentalistische partij die er aan de macht is, alla ná de koning natuurlijk. Terwijl die Mohamed VI vroeger wel een andere reputatie had. Ik herinner mij nog de verhalen van toen hij nog kroonprins was en de nacht doorbracht met rijkeluiszoontjes en kompanen uit de Golf in een bar die niet voor niets Amnésia heette. Het Sodoma en Gommora van Rabat in het begin van de jaren negentig.
Bijna alle bars die ik ken hebben een eigen verhaal en geschiedenis. Als voorbeeld geef ik mijn laatste ontdekking: Bar Continental in Kenitra.

Bar Continental

Kenitra is zoals ik daarnet al schreef gesticht door de Franse kolonisator. In 1942 werd ze door de marine van de VS veroverd op het Franse, met de Nazis collaborerende Vichy regime en van toen af was er ook een grote Amerikaanse basis, die officieel in 1977 aan de Marokkanen werd overgedragen. Kenitra is in Marokko vooral bekend om zijn grote gevangenis voor politieke opposanten. Vuile tongen beweren dat de Amerikanen er zich nog altijd thuis voelen en de basis gebruikten voor een eerste ondervraging cum marteling van jihadisten op weg naar Guantanamo. Daarnaast hebben de Amerikaanse mariniers er ook het barwezen ondersteund. En zo kom ik bij mijn verhaal over Bar Continental. We kwamen binnen langs een twintig meter lange zinc waaraan schouder aan schouder klanten zaten. De tapa’s waren voor een keer vegetarisch: slaatjes en radijzen. Het was het seizoen.

Continental Zinc

 

Verder een grote zaal met tafels en stoelen, de grootte van een kleine parochiezaal. Aan de muur drie grote olieverfschilderijen, drie meter op drie, met Amerikaanse thema’s. Onder andere het Capitool.

Toen de barman zag dat we foto’s namen, toonde hij ons nog een tweede, even grote zaal die nu dicht was. Ze werd alleen gebruikt voor evenementen. Daar hingen een twintigtal schilderijen met zichten op Marokkaanse steden. Raar, maar de wanden waren gekromd, en er waren kleine nepraampjes in aangebracht, net of je in de romp van een vrachtvliegtuig za

Vliegtuigzaal

Indertijd, het moet 1948 geweest zijn, toen de bar nog eigendom was van een Française, vertelde de barman had een marinier brand gesticht en de bar was gedeeltelijk verwoest. Om geen kweddellen te krijgen met de Marokkaanse overheid en de Française hadden de Amerikanen voorgesteld de bar op hun kosten her op te bouwen. Vandaar die vliegtuigromp en die Amerikaanse schilderijen.

Vroeger heb ik er ooit aan gedacht om een Beerdrinkers Guide to Morocco te schrijven. Nu denk ik aan een reisgids voor Marokko rond koloniaal erfgoed, in casu bars. Alhoewel, is het de moeite? Zoals alle koloniaal erfgoed wordt het niet meer onderhouden. De enige bar op mijn lijstje dat teruggaat tot de jaren 1980 die werd gerestaureerd is Bar Terminus in Rabat. Het portret van de Koning hangt er nu tussen foto’s van popsterren uit de jaren ’70 en ’80.

(zie foto bovenaan).

 

 

mei 11, 2017 at 10:21 am Plaats een reactie

WIET ALS MEDICIJN

Hoeveel landgenoten zouden zonder fysieke pijnen het einde halen? Vast een minderheid. Niet dat we hier leven in de Hel van Dante maar ook niet in de Zevende Hemel.
Rondom pijnstillers hangt een gordijn van taboes. Want je kunt er verslaafd aan geraken. Wat maakt dat uit als je de 70 voorbij bent? Het is de catch-22 voor doktoren: ze moeten hun patiënten, luidens de eed van Hippocrates, in leven houden – al of niet met pijnen. Maar aan die pijnen dreigen ze nu juist vaak te sterven.

Er is ook een pseudo-religieuze rem: katholiek opgevoede Vlamingen moeten hun ‘zeer’ zien als een offertje om de eeuwige zaligheid te verdienen. Wat al mistoestanden gaan hiermee gepaard. Een 85-jarige dame krijgt van haar huisarts geen slaapmiddel, ‘want dat zou verslavend kunnen werken’. Resultaat: het mens ligt hele nachten wakker, wat niet enkel fysiek maar ook psychisch ongezond is. Als ze binnenkort uitgeput ten gronde gaat, heeft de huisarts dan geen stille moord op zijn geweten?

Een omstreden punt is,  dat voor veel pijnen en aandoeningen een eenvoudig middel bestaat: marihuana. Medische wiet, de plant waaruit roes- en verslavende elementen verwijderd zijn. Toch mag het bij ons niet (wel in heel wat andere landen) worden aangemaakt, verkocht, gebruikt en door dokters voorgeschreven. Laat staan terugbetaald door de ziekenfondsen. Patiënten moeten lijden, ze mogen blij zijn dat ze nog leven. In pijn, dus.

Dr. David Casarett (US)

In het raam van de TED Talks (Technology, Entertainment, Design) werd onlangs een lezing gehouden door de Amerikaanse dokter David Casarett. Hij heeft uitgebreid onderzoek verricht naar de effecten van marihuana als medisch middel. Zijn bevindingen zijn hoopgevend voor al wie chronisch lijdt aan artritis, artrose, misselijkheid, constipatie, vermoeidheid  en andere slopende ongemakken.

De onderzoeker geeft toe dat er niet enkel voordelen maar ook enkele beperkte nadelen aan verbonden zijn. Bij overdosis bv. Bij ondervraging van een groot aantal patiënten bleek dat de voordelen ruimschoots opwegen tegen de nadelen. Onvervangbaar is het feit dat de patiënt controle krijgt over zijn eigen ziekten. Dosis, frequentie, tijdstip van inname wordt door de pijnlijder zelf bepaald. Er komt geen dokter aan te pas, behalve om het voor te schrijven.

En de raad van Casarett aan zijn collega-artsen is, dat ze hun trots en pretentie opzij moeten zetten.

Hieronder volgt de volledige TED-lezing in beeld, ga via browser, google en soortgelijken (niet vergeten het geluid van uw PC aan te zetten) en klik op
David Casarett: A doctor’s case for medical marijuana | TED TALK | TED…

De uitgeschreven tekst: https://www.ted.com/talks/david_casarett_a_doctor_s_case_for_medical_marijuana/transcript?language=en

 

Gie van den Berghe

Deze ethicus, historicus en publicist, had al uitvoerig gezocht naar een afdoende pijnstiller. Hij kwam na een jaar speuren uit bij Casaretts onderzoek. En het hielp.
VDB heeft zijn bevindingen niet enkel naar vrienden en kennissen gestuurd maar ook naar de nationale Orde der Geneesheren, gericht aan alle artsen.
Voor zover bekend zijn er nog geen reacties van die kant.

(eindredactie: jef coeck)

april 26, 2017 at 2:02 pm 1 reactie

BEVRIJD DEBAT BASISINKOMEN UIT ZIJN FINANCIEEL KEURSLIJF

door Eric Bracke

De voorbije dertig jaar heeft de Belgische hoogleraar Philippe Van Parijs (UCL) een voortrekkersrol gespeeld in het internationale netwerk voor het basisinkomen. Hij was een van de auteurs van het in 1984 bekroonde essay ‘Allocation universelle’. Met de geldprijs van de Koning Boudewijn Stichting werd in 1986 in Louvain-La-Neuve een eerste internationaal congres over het basisinkomen georganiseerd. Dit leidde tot de vorming van een Europees netwerk, dat in 2004 in Barcelona werd omgedoopt tot het Basic Income Earth Network. Mede-oprichter en eerste secretaris was Walter Van Trier, die in 1995 een doctoraal proefschrift over de geschiedenis van het debat over het basisinkomen verdedigde. ‘Nadien heb ik ruim twintig jaar de universitaire onderzoeksgroep SONAR (Overgang van school naar werk) geleid. Ik had de mogelijkheid niet om naar de congressen te gaan, maar ik ben de discussie over het basisinkomen wel op de voet blijven volgen. Sinds anderhalf jaar geef ik trouwens minstens één lezing per maand over het onderwerp.’

Sommige linkse intellectuelen beweren dat het thema van het basisinkomen intussen gekaapt is door de neoliberale navolgers van de Amerikaanse econoom Milton Friedman. Zij zien in het basisinkomen immers een middel om sociale overheidsvoorzieningen af te bouwen. Van Trier vindt ‘gekaapt’ geen correcte omschrijving. ‘Van in het begin behoorden de voorstanders van het basisinkomen tot een brede waaier van ideologieën.

Het eerste voorstel van een basisinkomen vinden we in een stuk dat de liberaal Thomas Paine omstreeks 1793 heeft geschreven voor de Britse en de Franse regering. Omdat de Aarde van iedereen is, stelde hij voor om via een belasting op de erfenis van grondrechten iedereen een uitkering te geven. Later vinden we het idee van een basisinkomen ook bij, onder anderen, de Russische anarchist Peter Kropotkin (1842-1921) en bij de Britse filosoof Bertrand Russel (1872-1970).’

‘Trouwens, in de VS flirtte niet alleen Milton Friedman met het idee, ook Keynesiaanse economen zoals James Tobin en John Kenneth Galbraith engageerden zich voor een basisinkomen. De Democratische presidentskandidaat George McGovern nam het idee in 1972 zelfs op in zijn programma. In Europa werd het basisinkomen in de jaren 1980 van onder het stof gehaald door de groene beweging, vooral in Duitsland, maar ook door liberalen.’

Sociaal Pact
‘Voor Vlaanderen heb ik in 1986 een stand van zaken opgemaakt. Het basisinkomen werd in 1984 beschreven in de Agalev-publicatie ‘Op mensenmaat’ en was een item op het volgende congres van de Vlaamse groenen. Maar bij de Volksunie en de toenmalige PVV-jongeren was het toen eveneens een actueel onderwerp. Alle voorstanders hadden gelijkaardige argumenten: men zag er een instrument in om de armoede te bestrijden en om de voorwaarden voor een werkloosheidsuitkering te verduidelijken. Men benadrukte natuurlijk  ook de individuele vrijheid die een universeel basisinkomen verschaft .’
‘Zelf ga ik spreken voor mensen van alle politieke gezindheden. Dat één partij of strekking het thema monopoliseert, lijkt mij niet wenselijk. Ik vond het bijvoorbeeld geen goede zet van Roland Duchâtelet om zijn partij Vivant rond het basisinkomen op te bouwen. De politieke vermarkting maakt het voor andere partijen dan nagenoeg onmogelijk om het idee op te pikken. Vergelijk het met de situatie rond het Sociaal Pact na de Tweede Wereldoorlog. Er was een brede consensus over de uitbouw van een sociale zekerheid, maar over de invulling liepen de standpunten sterk uiteen. Toch is men erin geslaagd een compromis te vinden. Het basisinkomen vraagt om een soortgelijk compromis om onze toekomstige maatschappelijke problemen aan te pakken.’
Maar het is niet goed voor het vertrouwen onder de gesprekspartners als sommigen, zoals de Amerikaanse econoom Charles Murray, het basisinkomen willen invoeren om alle andere sociale voorzieningen af te bouwen. Het is duidelijk dat de armoede op die manier nog zal toenemen.

‘De overgrote meerderheid van de mensen in het Netwerk delen deze opvatting niet’, zegt Van Trier. ‘Zij zien het basisinkomen als een toevoeging aan het huidige systeem. We moeten zoeken naar een synergie met bestaande publieke goederen op gebied van huisvesting, gezondheidszorg en sociale bescherming.’

Extra kosten

Maar wie gaat dat betalen? Volgens Van Trier hoeft het financieringsprobleem van het basisinkomen door integratie in de bestaande systemen niet zo groot te zijn. ‘Beschouw het basisinkomen als een ankerbedrag waar iedereen onvoorwaardelijk en individueel recht op heeft. De  hoogte ervan zou men bijvoorbeeld gelijk kunnen stellen met het leefloon, het minimumbedrag waar niemands inkomen mag onder vallen. Je kan dit ankerbedrag integreren in de bestaande gewaarborgde stelsels. Iemand die werkloos is, krijgt dus sowieso dit ankerbedrag, maar als hij onvrijwillig werkloos is en zich beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt kan hij bovenop nog een deel werkloosheidsuitkering krijgen. Hetzelfde met de pensioenen: het eerste deel is het ankerbedrag van het basisinkomen dat iedereen krijgt, het eventuele extra deel erbovenop is aan voorwaarden van een pensioenstelsel verbonden. In de diverse voorstellen komen volgende zaken altijd terug: het basisinkomen is onvoorwaardelijk en staat dus los van de test op arbeidsbereidheid en van een onderzoek van de bestaansmiddelen, het is geïndividualiseerd én eventueel geïntegreerd in het belasting- en uitkeringssysteem. UCL-onderzoekers ramen dat de individualisering van een basisinkomen dat overeenkomt met het leefloon op die manier ongeveer 140 miljoen euro bijkomend gaat kosten.’

De idee van het basisinkomen is simpel en rechtlijnig, maar de modaliteiten en financieringswijze kunnen sterk verschillen. In Zwitserland heeft men het inventieve voorstel gedaan om een heel minieme belasting op elke financiële transactie te heffen, wat een enorme opbrengst zou genereren. Hoe men de financiering van een basisinkomen aanpakt en welk ander pakket van maatregelen men neemt, bepaalt of het beslag van de overheid op het nationaal product groter of kleiner is dan nu.’

‘Maar als we over de kosten van het systeem spreken, moeten we ook de welvaartsopbrengst in rekening brengen. Een verhoging van de welvaartspositie en het welbevinden van de mensen aan de onderkant mag iets kosten. Het debat wordt te veel opgesloten in een financieel keurslijf.

Dynamiek
Zal zo’n basisinkomen de dynamiek in de maatschappij niet ondergraven.? ‘De overgrote meerderheid van de mensen zullen blijven werken’, meent Van Trier. ‘Onderzoek toont dat ook onder de winnaars van een aanzienlijk bedrag met Win for Live maar een heel klein percentage stopt met werken. Mensen die op een leefloon aangewezen zijn, herwinnen in het nieuwe systeem hun waardigheid. Aangezien het geïndividualiseerd is, stijgen bovendien de gezinsinkomens van mensen met een leefloon. Met het basisinkomen achter de hand zullen mensen met een zogenaamd laag verdienvermogen ook sneller een baan kunnen aanvaarden die minder goed betaalt en toch beter af zijn. ‘Ook de positie van de maatschappelijk werkers zal sterk veranderen. In plaats van te controleren of de mensen aan de voorwaarden voldoen, kunnen ze zich concentreren op het echte werk: problemen met analfabetisme, gezondheid en zo verder. Uit onderzoek blijkt dat hun cliënten hen in dat geval beter aanvaarden en ze meer op voet van gelijkheid kunnen handelen.’
‘De vraag is dus niet of de mensen gaan stoppen met werken. Wel wat ze met het basisinkomen gaan aanvangen. Als ze meer mantelzorg gaan geven of als laaggeschoolde jongeren het gebruiken om opnieuw te gaan studeren, is het een goede investering voor de maatschappij.’

‘Tegelijk zien we formats van banen veranderen in sectoren zoals vermaak en horeca: men werkt er meer en meer met kortstondige opdrachten. Voor dit deel van de arbeidsmarkt verkleint de klassieke bescherming. Een basisinkomen geeft deze mensen meer zeggenschap over hun eigen baan.’

‘Ook voor mensen met een job die ze niet meer zien zitten, wordt het met een basisinkomen makkelijker om te zeggen: Ik stop ermee en ik kijk uit naar een baan die me meer werkplezier bezorgt. Philippe Van Parijs noemt het basisinkomen onder andere om die reden een instrument van vrijheid.’

april 12, 2017 at 1:00 pm 1 reactie

GRAAILAND? MAAIEN ZONDER ZAAIEN

                                             De zaaier

door Jef Coeck

 

Zou een boek een revolutie kunnen ontketenen? Natuurlijk, het is al meermaals gebeurd. Het ‘Communistisch Manifest’ van Marx en Engels – deels in Brussel geschreven –  heeft zo goed als wereldwijd de proletaar naar een beter lot doen grijpen. Het Rode Boekje van Mao? Dat was voor insiders, enkele honderden miljoenen, maar toch, een wat vertrouwelijk karakter. Niet vergeten dat ook de godsdienstoorlogen door geschriften zijn veroorzaakt.

En zou in ons landje een boek opstanden kunnen ontketenen? We kijken er naast, maar het is volop bezig. Terwijl iedereen roept dat rechts-extreem overal aan de orde is, zien we links over het hoofd. Peter Mertens, leider van de PVDA (Partij van de Arbeid) en zijn compagnon Raoul Hedebouw in Wallonië (PTB, Parti du Travail de Belgique) presteren nog nooit geziene dingen. In enkele jaren tijd schreef Mertens, geholpen door zijn achterban, drie boeken waarvan twee ongehoorde bestsellers. ‘Hoe durven ze?’ en zijn jongste ‘Graailand’ blijken nooit geziene oplagen te halen, zeker voor zo’n doorgaans verfoeielijk geheten lectuur.  Voor de goede orde: volgens Van Dale betekent graaien: wegkapen.

Het vorige deel ging hoofdzakelijk over de internationale graaiers, met name zij die een poot hebben binnen de Europese Unie. Dit derde deel gaat over de dieven die ons in eigen land bestelen. Het zijn niet enkel de rijken en machtigen maar ook politici, van groot tot klein. Niet allemaal, maar wel meer en meer. Het is nu haast zo ver dat vele landgenoten een mandaat nastreven, om te kunnen graaien. Daar bestaan statistieken over, nagetrokken door de eigen studiedienst van Mertens  en Co.

Mertens: ‘Toen ik in 2011 ‘Hoe durven ze?’ schreef, hadden 325 multimiljardairs  even veel geld als de 3,5 miljard armste mensen. Vandaag zijn het er geen 325 maar 62. Dan weet je: het gaat ontploffen.’ En hoe weten we dat het links geschrijf effect heeft? Vooreerst door de grote oplagen, in de tienduizenden op geen tijd. Dit gegeven, in combinatie met de politieke opiniepeilingen levert een bijna ongelooflijk resultaat af, zowel in noord als in zuid. In Wallonië wordt de PVDA/PTB de tweede grootste partij, nog voor de eeuwenoude socialisten van de PS en zijn Elio di Rupo. In Vlaanderen wipt de partij twee keer over de kiesdrempel. Het blijft voorlopig bij peilingen, maar die plegen ook wel eens uit te komen.Leven we daarom na de volgende verkiezingen in een pseudo-communistische staat?

Nee, maar nu leven we in een tweesporenmaatschappij. Voor de ene klasse van mensen zijn de normen: weinig steun, veel voorwaarden en harde sancties. Voor de andere klasse van mensen geldt: veel steun, bijna geen voorwaarden en sancties die kunnen worden afgekocht met geld.

Bij een transactie waarmee hij 100 miljoen binnengraait betaalt Marc Coucke (de ondernemer, niet de medewerker van het Salon) geen cent belasting – en daar is hij nog fier op ook. Het is bekend dat de werkster van een multinationaal bedrijf meer belasting betaalt dan het rijke bedrijf zelf. Bij wijze van enkele sprekende voorbeelden. Dat dit tot woede leidt bij een groot deel van de bevolking, zal niemand verbazen. Uit die woede verklaart Mertens de ommekeer in het politieke landschap. Natuurlijk moet er nog gestemd worden, in 2018 en 2019. Als dan zou blijken niets te kloppen van de peilingen, kan de woede alleen nog maar stijgen.

Het gerommel, gesjoemel en gegraai speelt zich niet enkel op puur politiek niveau af. Het is evenzeer present in de werkgelegenheidssector, in de zorg, in de pensionering, in het transport, in de openbare werken en in tal van andere noodwendigheden. Geen wonder dat de armoede in België hand over hand toeneemt.

Ook met de N-VA aan de macht blijft ons land vooral een belastingparadijs voor het grootbedrijf, aldus Mertens. In 2015 bezetten vennootschappen van AB InBev, ExxonMobil, en Electrabel de eerste drie plaatsen in onze top vijftig. Zij maken in totaal 6,46 miljard winst en die wordt belast tegen 0,6 procent. Terwijl de energiearmoede stijgt en de prijzen door het dak gaan, bedraagt de belastingvoet van Electrabel in 2014  welgeteld 0,4 procent. Dure elektriciteit, heette destijds al een programma van Maurice De Wilde. Goed dat de man het vandaag niet meer hoeft mee te maken. In plaats van Electrabel behoorlijk (zwaar) te belasten, verhoogt de regering de btw op de elektriciteit.

De boeman van de rijken heet ‘miljonairstaks’. Het is een zachtere aanpak dan men van ex-communisten en –maoïsten had kunnen verwachten maar toch wordt deze nieuwigheid afgewezen bij perceptie. Deze taks slaat alleen op fortuinen van meer dan 1 miljoen euro, bovenop de eigen eerste woning met een waarde tot 500.000 euro. Het is een progressieve belasting, met een maximum-aanslagvoet van drie procent: één procent belasting op het deel van het vermogen boven de 1 miljoen euro, twee procent op het deel boven 2 miljoen en drie procent op het deel boven 3 miljoen. De taks laat alle vermogens lager dan 1 miljoen ongemoeid. Bovendien wordt de woning die het gezin betrekt, vrijgesteld voor een bedrag van 500.000 euro. Concreet: de onbelaste schrijf bedraagt in de meeste gevallen 1,5 miljoen euro. Deze door sommigen halfzachte maatregel genoemd, kreeg uitdrukkelijk niet de naam van ‘vermogensbelasting’, want dat is het niet. Aan het vaste vermogen wordt niet geraakt.

Natuurlijk neemt dat het verzet niet weg. Het komt met name uit de hoek van de ultra-liberale hoek,  meer bepaald Bart De Wever en Gwendolyn Rutten. Zij willen hun partijen laten draaien op het graaien – en totnogtoe slagen ze daar aardig in. Geen wonder dus dat de grootste politieke graaiers bij de N-VA en de Open VLD zitten. Wie daar nog aan twijfelt heeft de actualitieit van de jongste maanden niet goed gevolgd. Het spreekt andere partijen of sommigen van hun leden natuurlijk niet vrij. Het venijn zit overal maar bij de een weleens meer dan bij de anderen.

                                               De graaier

Hoe krijgen we deze augiasstal ooit uitgemest? Met een Hercules die sterk, nobel, eerlijk, deugdzaam en standvastig is?  En geen dictatoriale neigingen ontwikkelt. Waar zit hij/zij die België, of desnoods Vlaanderen, op het rechte pad brengt. Liefst zonder revolutie. Toch kan het geen kwaad dat Mertens al begint te shrijven aan zijn eigen ‘’communistisch’ manifest’, waarbij we de drie vorige boeken zullen beschouwen als zijn ‘Das Kapital’.

Peter Mertens, Graailand, Het leven boven onze stand, Berchem, EPO, 2017

april 6, 2017 at 1:44 pm 4 reacties

JEAN ES DUUT

jean2_new

door Lucas Catherine

 Jean est mort. Moest ik ooit, in navolging van Naguib Mahfouz een boek schrijven met de titel Awlad Haritna, Mensen van mijn Wijk, dan kwam Jean er zeker in.

U krijgt geen foto hier van hem. Zijn gezicht pakte niet op papier.
Jean woonde in een zijstraat van de Vlaamse steenweg, net naast de Vismet. En hij kwam iedere dag stipt om vier uur in wat ook mijn stamcafé is. Daarna is hij moeten verhuizen. Hij was getrouwd met een veel oudere vrouw die al kinderen van een andere man had en toen zij stierf verkochten die het huis van Jean en Jean moest naar een gesticht in de Marollen. Toch bleef hij komen, naar ons café waarvan ik de naam niet vernoem, want wij willen daar geen ‘vreumden’ en dan hebben wij het niet echt over Marokkanen, maar vooral over Toeristen, Vlaamse immigrés of Expats. Over al wie niet van haritna, onze wijk is en dus ook geen welkoms-beis krijgt van de Linda, de bazin achter de toog. En Linda is op zich al een verhaal. Maar niet voor nu.

Jean wist waarom hij naar dat café bleef komen, het was zijn thuis. Als ebenist, schrijnwerker in ebbenhout, had hij een goed deel van het café gedesigned – een woord waarbij hij zeker een zwans zou hebben verzonnen – en boven de toog staat een ebbenhouten kunstwerk van hem. Ik zal mij niet over de kwaliteit uitspreken, maar het hoort bij het café, zoals de reclame voor Harley Davidson er naast, want de eigenaar is een motard die niet drinkt. God moet zijn getal hebben zou Jean hebben gezegd. En iedere dag kwam hij om zijn Stella en leverde zijn portie zwans af, niet wetend of hij nu in het Brussels of in het Frans bezig was. Hij nam zichzelf ook niet au sérieux en vertelde wie het horen wilde dat hij gehandicapt was, tien percent invalide, want zijn beitel was eens uitgeschoven en hij miste twee vingerkootjes aan de ringvinger van zijn rechterhand. Kwatongen zegden dat het was omdat hij geen trouwring wou dragen. Soit. En zei hij, later als ik dood ben dan schenk ik mijn lichaam aan de wetenschap en ik heb ze nu al een stukje gegeven.
Hij werd ouder. Hoe oud weet ik niet, maar het viel hem zwaar om iedere dag van de Marollen naar de Vismet af te zakken, en vooral om bergop terug te gaan. Alhoewel, toen hij hier in de wijk nog woonde was dat op de vierde verdieping. De hoogste, want de Belgische wet zegt dat als er meer dan vier etages zijn, de eigenaar een lift moet installeren. Eigenlijk was hij dus bergop gewend. Maar in dat ocmw werd het slechter en slechter, vooral qua eten. Vroeger drie boterhammen, nu nog twee. Vroeger twee potjes boter en confituur op een tafel voor vier, nu nog van ieder een, en nooit kaas. Hoogstens eens smeerkaas. Hij werd vel over been en zijn kostuum slodderde rond zijn lijf. De schuld van Maieur, zei Linda.

Tegenwoordig is alles in Brussel de schuld van burgemeester Ivan Maieur, zeker de pietonnier. En daar is iets van. Voordat hij zich het gereïncarneerde spook van Leopold II waande en het centrum nog eens naar de kloten hielp, was hij voorzitter van dat ocmw. Er zal dus toch iets van aan zijn.
In ons café kan je ’s middags ook eten, steak en vis, verse vis van de Vismet. En Linda zei, alla eet iets, tes veu ons. Maar dat wou hij niet. Dus gaf ze hem af en toe een wafel en zo’n babybel kaasje, kwestie van niet altijd confituur daar hoog in de Marollen.

Niemand heeft hem daar ooit bezocht. Hij wou dat niet, want bezoekers moesten hun naam in een register schrijven, en pazoep, zei Jean, dan hebben ze uw adres en ga je later mijn begraving moeten betalen.
Nu hij dood is, is Linda toch gegaan. Hij lag zo in een glazen stolp in een achterkamer en zijn kamer was al ingenomen door de volgende die zal moeten gaan. En onder dat glas, zei Linda had hij geen kleren aan, ze hadden hem gewoon in een laken gewikkeld. Hij had toch een kostuum, vroeg ze aan de verantwoordelijke, maar die wist van niets. Gewassen en aan iemand anders gegeven. Allemaal de schuld van Maieur, zei Linda. Dus als Ivan Maieur volgend jaar niet herkozen wordt, dan weet je waarom.
En alla, bij zo’n stuk in het Salon moet toch een foto, en bij gebrek aan doodsprentje, de schuld van Maieur, daarom de deze hierboven. Jean staat er niet echt op. Een kermisfoto van toen hij net geboren was, in 1930 en volgens hem is hij de baby die erop staat getekend en zijn de koppen van familie. Ik kan het niet meer checken, want Jean es duut.

maart 5, 2017 at 2:11 pm Plaats een reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.308 andere volgers