Archief beheerder

HOWARD ZINN BLIJFT ACTUEEL

OOK IN HET TRUMP-TIJDPERK

Howard Zinn, enkele jaren voor zijn dood in 2010

 

Tom Ronse

Het gebeurt maar heel zelden dat van een boek over geschiedenis meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn presteerde het met zijn “People’s History of the Unites States”. De klassieker die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank.  De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het nederlands heruit te geven.

 

In EPO’s uitgave is het boek getiteld: “Geschiedenis van het Amerikaanse volk”, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn, tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt, lijkt de term “het Amerikaanse volk” hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat het “het Amerikaanse volk” met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het “een verzonnen identiteit” is, dat de rode draad doorheen de geschiedenis van zijn land een radikale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als “het Amerikaanse volk”, “We, the people”, dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn “People’s History” beoogde was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals bv. LP Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

 

Partijdig

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord replikeert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. “Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat vermelden? Wat niet? Ik be­sefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (…) Achter elk feit dat wordt aangehaald schuilt een oor­deel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aange­haalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.”

Zinn geeft grif toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij  groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in  New York,  werk­te drie jaar op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst bij de VS-luchtmacht tijdens  WO II. Daarna studeerde hij geschiedenis. Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston was hij actief betrokken in de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam.  Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving “van onderuit” die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: “Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschie­denisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.”

Zinns voornaamste kritiek op de “ortho­doxe geschiedschrijving” is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van “grote mannen”: de “Founding Fathers” die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, FDR die de depressie en de nazi’s overwon, enzovoort.  Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een “redder in nood” om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot “om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen”. Dat idee van “redder in nood” zit volgens Zinn “ver­ankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.” Maar toch vooral in de politiek. De kiescampagne van Donald Trump was er gebaseerd op.

Ondanks de kritiek wordt Zinns “People’s History”  vandaag gebruikt als studieboek  in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten.  Van rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden. In Arkansas werd nog dit jaar daartoe een wetsvoorstel ingediend. Het werd niet goedgekeurd en leverde het boek nog wat extra-publiciteit op.

 

Spannende films

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft.  Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de USA is. Racisme, nationalisme,  imperialisme, oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van. Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van “the ordinary people”,  die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

De grote lijnen zijn bekend maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem nu Stefan Hertmans’ terecht bejubeld boek “Oorlog en terpentijn”: Je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat .

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijk boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films.  Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je haar doet rechtstaan. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang. Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren.  De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geimporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood –om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken-  omdat men liever winstgevende tabak kweekte dan levensmiddelen. Het was de periode waarin de Engelse landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa’s mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar noord-Amerika verscheept als “contractwerkers”. In EPO’s vertaling worden die vaak “bedienden” of “dienstboden” genoemd maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven.  Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo onstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen. Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieen –de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen- samen in opstand zouden komen.  De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig  om ze uiteen te houden.  Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de anders gekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn.  Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zelf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn kiescampagne.

Andrew Jackson

Een sprekend voorbeeld van zo’n politicus was Andrew Jackson die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de anti-politicus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wou inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel-en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

 

De legendarische Wobblies

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). Vakbond is eigenlijk niet het juiste woord want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden. De ‘Wobblies”, zoals IWW-ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond.  Ze waren anti-nationalistisch, anti-racistisch, anti-sexistisch  en vooral anti-kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts “oefeningen” voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en ”Big Bill” Haywood. Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. “Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.”

 

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills “Rebel Girl” werden later in het nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van die stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW “kinderkonvooien”: de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sympathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren.  Op basis van valse beschuldigingen werden de leiders tot lange celstraffen veroordeeld. De IWW bestaat nog steeds maar haar glorietijd is al lang voorbij.

 

Minutieus portret

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode  1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv:  hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washington-schandaal wordt uitgeplozen maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de “war on drugs” als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader.  Zoals David Van Reybroucks “Congo” schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme  in de VS namen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat  het nu zo druk besproken “Fake News” (nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden) allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT journalist en Salon-medewerker Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar maar de vertaler veroorloofde zich te veel vrijheid.  Het is beter, uit respect voor de auteur, om dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (en er zijn heel wat) in rijmend nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het engels). Was dat nodig?  Het is meestal erg goed gedaan maar de noodzaak om het te doen rijmen dwingt soms tot kunstgrepen die ons ver van het origineel verwijderen. En er zijn fouten. De “secretary of State” is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet “het oosten van St. Louis” maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bv. de eerste zin van hoofdstuk 11, “1877 kondigde de 19de eeuw al aan”, onzinnig is?  Had er nu nog de 20ste eeuw gestaan. In de oorspronkelijke tekst staat: “In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw” (mijn letterlijke vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

(Een versie van dit artikel verscheen deze week in de boekenbijlage van De Morgen)

 

 

 

mei 27, 2017 at 5:36 am Plaats een reactie

DE ONZICHTBAREN

Tom Ronse

Je kunt het glas als halfvol of halfleeg beschouwen: Marine Le Pen verloor maar ze haalde haast twee keer zoveel stemmen als haar pa, de vorige kandidaat van het Front die de tweede ronde haalde. En voor wie won Macron, die in de media steevast een “politieke nieuwkomer” wordt genoemd, alsof zijn rol in de regering van Hollande niet politiek was? De verkiezing was hoe dan ook een nederlaag, wie er ook won.

Edouard Louis is een schrijver die opgroeide in een noord-frans dorp, in een gezin dat in diepe armoede belandde nadat de vader door een arbeidsongeval werkonbekwaam werd. Hij verwerkte zijn jeugdervaringen in een roman maar kreeg van zijn uitgever te horen dat het boek onpubliceerbaar was omdat het een armoede beschreef die in Frankrijk al meer dan een eeuw lang niet meer bestond; het verhaal was ongeloofwaardig. Woede en wanhoop voelde hij toen hij die email las.

Zijn arme vader voelde ook veel woede en wanhoop en en die maakten van hem een verwoede supporter van het Front National. Hij volgde zelfs zijn oudste zonen in het stemhokje om zeker te maken dat ze voor het FN stemden. Wat in hun dorp geen probleem was. Louis schreef een essay voor the New York Times, getiteld: “Why my father votes for Le Pen”. Stof tot nadenken. Hieronder een uitgebreid uitreksel:

 

What those elections really meant for my father was a chance to fight his sense of invisibility. My father understood, long before I did, that in the minds of the bourgeoisie — people like the publisher who would turn down my book a few years later — our existence didn’t count and wasn’t real.

My father had felt abandoned by the political left since the 1980s, when it began adopting the language and thinking of the free market. Across Europe, left-wing parties no longer spoke of social class, injustice and poverty, of suffering, pain and exhaustion. They talked about modernization, growth and harmony in diversity, about communication, social dialogue and calming tensions.

My father understood that this technocratic vocabulary was meant to shut up workers and spread neoliberalism. The left wasn’t fighting for the working class, against the laws of the marketplace; it was trying to manage the lives of the working class from within those laws. The unions had undergone the same transformation: My grandfather was a union man. My father was not.

When he was watching TV and a socialist or a union representative appeared on the screen, my father would complain, “Whatever — left, right, now, they’re all the same.” That “whatever” distilled all of his disappointment in those who, in his mind, should have been standing up for him but weren’t.
By contrast, the National Front railed against poor working conditions and unemployment, laying all the blame on immigration or the European Union. In the absence of any attempt by the left to discuss his suffering, my father latched on to the false explanations offered by the far right. Unlike the ruling class, he didn’t have the privilege of voting for a political program. Voting, for him, was a desperate attempt to exist in the eyes of others.

He and I almost never speak. Our lives have grown too far apart, and whenever we try to talk on the phone, we are reduced to silence by the pain of having become strangers to each other. Usually we hang up after a minute or two, embarrassed that neither of us can think of anything to say.
But even if I can’t ask him directly, I’m confident he is still voting for the National Front. In his village, Marine Le Pen came out way ahead in the first round of the election.

Today, writers, journalists and liberals bear the weight of responsibility for the future. To persuade my family not to vote for Marine Le Pen, it’s not enough to show that she is racist and dangerous: Everyone knows that already. It’s not enough to fight against hate or against her. We have to fight for the powerless, for a language that gives a place to the most invisible people — people like my father.

De vollledige tekst vind u HIER.

mei 8, 2017 at 7:32 am 3 reacties

EEN MEISJE ZONDER VREES

 

door Jacqueline Goossens

Er zijn meer dan duizend standbeelden in New York. Het bekendste is natuurlijk het Statue of Liberty maar dat staat op een eilandje in de baai. Het populairste beeld in de stad zelf is “the charging bull” (de chargerende stier) in Bowling Green, het oudste parkje van de stad, vlak bij Wall Street.  Toeristen zijn er dol op maar ook financiële makelaars wrijven wel eens over de blinkende ballen van het beest wat naar het schijnt geluk brengt op de beurs.

Het beeld symboliseert de vitaliteit van Wall Street. Het werd ontworpen door de Italiaanse kunstenaar Arturo Di Modica die in 1987 in het holst van de nacht, kort nadat de beurs een zware klap had gekregen, het 3,5 ton-wegende gevaarte voor het beursgebouw liet neerzetten. Hij had daarvoor geen toestemming gevraagd en de stier werd dan ook prompt verwijderd. Maar in de korte tijd dat het beest er stond, was het al erg geliefd geworden. Op vraag van velen besloot de stad de stier van stal te halen en in Bowling Green te installeren.

Sinds 7 maart heeft de stier gezelschap: een bronzen meisje van een jaar op tien staart hem uitdagend aan, vuistjes in de heupen.  Ook deze nieuwe aanwinst is een mega-sukses. “Fearless Girl” (“het onbevreesde meisje”) is ontworpen door Kristen Visbal en betaald door State Street Global Advisors, een financiële firma die dank zij de massale aandacht voor het beeldje een buitengewone reclamestunt scoort.

Voor dit beeld was wel toestemming gevraagd maar slechts voor enkele dagen. Het is intussen echter zo populair geworden dat de burgemeester beloofd heeft dat het minstens een jaar mag blijven.

Wie daar niet blij mee is, is Arturo Di Modica, de maker van de stier. Hij wil het meisje onmiddellijk weg en heeft alvast advocaten onder de arm genomen.  Hij heeft niets tegen het beeld op zich.  Volgens de firma die Fearless Girl bestelde, symboliseert het kind “the power of women in leadership” en dat vindt  Di Modica best. Maar door ze oog in oog te zetten met de stier, verandert de betekenis van zijn beeld.  “Ze valt de stier aan”, pruilt Di Modica, “ze beledigt mijn werk.” De stier, zo beweert hij, symboliseert “vrijheid, vrede, kracht, macht en liefde” en door dat meisje gaat die boodschap nu verloren.

Kracht en macht, okee maar vrede en liefde? Met de beste wil ter wereld zie ik die niet in dit bronzen monster. Doe niet kinderachtig Arturo. Als je een beeld maakt voor een openbare plaats moet je verdragen dat er reactie op komt. Het had erger gekund: een matador met een zwaard bijvoorbeeld, of een zakenvrouw in maatpak. Het eerste zou van je beeld kitsj hebben gemaakt, het tweede een karikatuur. Nee, het kleine meisje is perfect. Omdat ze tegenover de woeste kracht van de stier zo kwetsbaar lijkt. Dat maakt haar vastberadenheid  zo indrukwekkend. De juxtapositie doet een dramatische spanning ontstaan waarin de som meer is dan de twee delen. En daar zou ook Di Modica blij mee moeten zijn.

Twee meisjes zonder vrees. Het meisje rechts is Hannah Oosterlynck die met haar ouders en broer met mij op tocht ging.

april 17, 2017 at 4:03 am 1 reactie

Digitale literatuur: DE TOEKOMST OOGT GRIJS (in vijftig tinten)

Door Tom Ronse

Dit is de negende aflevering in een serie getiteld:  “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”  (klik HIER  om de vorige aflevering te lezen) Opnieuw buig ik me over de vraag hoe de IT (informatie-technologie)-revolutie de literatuur verandert.

In de zesde aflevering van deze serie citeerde ik de Britse schrijver China Miéville:  “We naderen niet alleen een tijdperk waarin niemand die dat niet wil voor een boek zal moeten betalen maar ook een waarin de digitale beschikbaarheid van de tekst de relatie tussen lezer, schrijver en boek zal veranderen”.

Tegelijk constateerde hij dat de klassieke literatuurvormen –de roman, het korte verhaal, het gedicht, het theater- of filmscript-  tot nu toe in het digitale tijdperk goed stand houden. “Taai als kakkerlakken”, noemde hij ze. Wat is er dan volgens Miéville wel veranderd?

Hij benadrukte  twee dingen. Ten eerste, het electronische boek is nooit af. Het gedrukte boek is af als het verschijnt, alleen als het herdrukt wordt kunnen er wijzigingen in worden aangebracht, wat zelden gebeurt in literaire werken. In digitale teksten is dat veel gemakkelijker. Indien de auteur zelf er niet toe verleid wordt om aan zijn werk te blijven schaven, dan grijpen anderen de mogelijkheid “to shove their hands into a book and grub about in its innards, add to and subtract from it, and pass it on” .

Ten tweede, en daarmee samenhangend: de electronische literatuur wordt collectiever, meer interactief. Volgens Miéville was de literatuur altijd al collectiever en interactiever dan algemeen wordt voorgesteld –auteurs beinvloeden elkaar net als muzikanten en wetenschappers en zelfs de genieen onder ons staan op de schouders van anderen- maar het internet, die grote echokamer, versterkt die kenmerken.

Iedereen die een tekst op een blog of een website plaatst, weet dat hij of zij er wellicht niet rijk van zal worden. Toch houdt dat besef miljoenen niet tegen om literatuur te produceren. Misschien koesteren ze een fantasie waarin ze ondekt worden, zoals elke basketter droomt van de NBA. Maar eigenlijk weten ze beter. Toch schrijven ze, niet om te verkopen maar om weg te geven. Om te communiceren. Ze schrijven collectief. Er ontstaat een cultuur van geven en nemen die haaks staat op de klassieke rolpatronen, ook die van de literatuurproductie.

Nu is het zo dat de meest suksesvolle roman van de 21ste eeuw tot nu toe –zowel in gedrukte als in electronische vorm-  die twee veranderingen perfect belichaamt. Ik heb het over de trilologie “Fifty Shades of Grey” (“Vijftig Tinten Grijs”). De verfilming van het tweede deel is net uit, ik vermoed dat het net als zijn voorganger geen groot sukses zal worden: de films vullen te veel in, laten niet genoeg ruimte voor de fantasie. Maar in boekvorm was 50 Shades een kaskraker zonder weerga. Een die oorspronkelijk  een “blovel” was ( een roman (novel) die verschijnt in afleveringen op een blog) , gebaseerd op een eerder verschenen roman (en film-serie), ontstaan in de collectieve, interactieve, broeierige cyberspace van FanFiction.net,  de grootste literaire webstek op aarde.

 

Fan Fiction

Fan fiction is ouder dan het internet zelf. In de late jaren 1960 onstond een subcultuur van “fanzines” (magazines  by and for fans) waarin fans van bv. de tv-serie Star Trek verhalen publiceerden gebaseerd op de personages uit hun geliefkoosde show. Toen het worldwide web op gang kwam, kende het genre een explosieve groei. Vandaag zijn er tientallen fan-fiction webforums, niet alleen in het Engels maar ook in het Russisch, Japans, Mandarijns, Portugees enz. Het meest populaire is FanFiction.net, gesticht in 1998 (1). Er zijn al miljoenen verhalen op gepubliceerd, in dertig talen, allemaal gebaseerd op de personages van bekende films, tv-series, romans, strips en zelfs videospelen. De site heeft 2, 2 miljoen geregistreerde gebruikers, waarvan 80 % vrouwen. Veel van die bezoekers zijn geen passieve consumenten. Indien ze zelf geen verhalen bedenken, geven ze feedback.  In de fan-fiction community is de online discussie van een verhaal even belangrijk als het verhaal zelf.

De site is ingedeeld in 9 categorieen. In de categorie “Boeken” is de inspiratie  voor de lawine van varianten verrassend breed.  Zelfs “animal Farm” is goed voor 120 verhalen en Steinbecks “Of Mice and Men” telt er 239. De kampioen is Harry Potter met ruim 797 000 fan fictions.  Op de tweede plaats staat Twilight, met 218 000 bijdragen, kortweg “TwiFics” genaamd.

Twilight is een serie boeken,geschreven door neofiet Stephenie Meyer, waarvan verscheidene verfilmd werden. De hoofdpersonages zijn een goedhartige vampier en een verliefd schoolmeisje. Vele TwiFics vullen de boeken aan, ontwikkelen subplots, geven het verhaal een andere wending dan in de boeken of films. Er zijn ook duizenden TwiFics die geklasseerd zijn als “AU” (“Alternate Universe”)  om aan te geven dat die verhalen substantieel verschillen van Meyers romans.  Edward de vampier is bv. een chirurg of een kat en Bella is geen schoolmeisje maar een kokkin of een soldaat. Er zijn kinderen, auto-ongelukken, scheidingen en veel sexuele suggestie. Expliciete sexscenes zijn verboden in Fan-Fiction.net. Daarvoor kan men terecht bij Adult-fanfiction.org .

Erika Leonard, de Britse schrijfster van “Vijftig Tinten Grijs”, publiceerde vanaf 2009 haar boek, toen nog getiteld Master of the Universe, als een AU TwiFic op FanFiction.net. Zoals de meeste andere Fanfiction-auteurs, plaatste ze haar werk in afleveringen. Op elke aflevering kreeg ze tonnen reacties. Master of the Universe kreeg meer dan 37 000 besprekingen op FanFiction.net. Die feedback toonde de auteur wat populair was en wat niet en hielp zo het verloop van het verhaal bepalen.

In haar Twific maakt Leonard komaf met de bovenatuurlijke verhaallijn in Twilight en wordt de impliciete sex expliciet.  Weg met de weerwolven en vampieren. In plaats van een vampier is Edward een schatrijke kapitalist. Met de vampier heeft hij een duister geheim gemeen. Hij drinkt wel geen bloed maar hij is dol op folteren. Voor Bella, nu een studente, blijft de uitdaging dezelfde: sluw al de obstakels overwinnen die de verovering van haar liefdesobject in de weg staan.

Vanwege de expliciete sex werd Leonard gedwongen om haar feuilleton op Fanfiction.net stop te zetten. Ze verhuisde naar haar persoonlijke webstek en vele lezeressen volgden haar. In  2011 herwerkte ze de serie die online was verschenen. De titel veranderde, ze nam een andere schuilnaam (E.L. James) en alle sporen die naar Twilight verwezen werden uitgewist. Ze contacteerde een uitgeverij en dan ging het heel snel. In de VS alleen al gingen er in de eerste zes weken meer dan 10 miljoen exemplaren over de toonbank. “Fifty Shades of Grey” veroverde de wereld. En dat zonder grote publiciteitscampagne, zonder Oprah Winfrey’s aanbeveling, zonder lovende kritieken in de gevestigde media. Puur door mond-aan-mond-reclame. Door de steun van de cyberspace community die Leonard online had verworven.

Men kan in het sukses van “Fifty Shades of Grey” en andere boeken die in cyberspace onstonden een democratische machtsverschuiving zien:  het oordeel van de anonieme lezers, het publiek dat communiceert via de “sociale media” wordt belangrijker; de invloed  van de gevestigde culturele scheidsrechters – de uitgeverijen en hun redacteurs, de literaire agenten, de literatuurcritici- vermindert.

Erbarmelijk proza

Maar wat betekent die democratisering voor de kwaliteit van de literatuur?  Die culturele scheidsrechters zijn er niet voor niets: zij zijn de sluiswachters die voorkomen dat we verdrinken in een literaire zondvloed.  Die zondvloed  overspoelt cyberspace maar ook daar is er een voortdurend selectieproces. Het wordt echter rechtstreeks gedreven door de smaak en verlangens van de lezeressen en lezers en die verschillen wel eens van de normen van literaire critici. Deze laatsten negeren meestal de literatuur die in cyberspace geproduceerd wordt. Digitale romans die doorbreken in de gedrukte boek-markt worden doorgaans in de pan gehakt.

Dat was ook het lot van Fifty Shades of Grey. De critici waren unaniem: dit is een rotboek. Tandenknarsend aanschouwden ze  het fenomenale sukses. In Newsweek concludeerde schrijfster Katie Roiphe :  “what’s most alarming about the Fifty Shades of Grey phenomena, what gives it its true edge of desperation, and end-of-the-world ambiance, is that millions of otherwise intelligent women are willing to tolerate prose on this level.”

 

Vol goede moed begon ik er aan, vastbesloten om me niet te laten leiden door vooroordelen. Ik wou weten wat zoveel lezeressen begeesterde. De trilologie telt ruim 1500 pagina’s maar na vierhonderd pagina’s kon ik niet meer. Overdosis.

Ik moest de critici gelijk geven:  dit boek is ongelooflijk slecht geschreven; de plot is voorspelbaar en de personages zijn dat ook, de stijl is vlot maar schools, doorspekt met formules als “mijn innerlijke godin deed een vreugdedansje”, de humor is schaars en flauw, de clichés zijn overvloedig en zo kan ik nog een tijdje doorgaan.

En toch…

Als Erika Leonard haar boek schreef om een literair meesterwerk te schrijven, dan is ze grandioos mislukt. Als het haar bedoeling was om haar fantasie met miljoenen anderen te delen en en passant schatrijk en wereldberoemd te worden, dan is ze grandioos geslaagd.

Wat als alles wat 50 Shades in literaire kringen een onding maakt precies datgene is wat de fans van deze romans verwachten? De simpele stijl, de herkenbare cliché’s, de voorspelbaarheid, de formules, de zekerheid van een happy end en zelfs het ontbreken van sfeerschepping en psychologische uitdieping zijn voor de consumenten van 50 Shades geen gebreken.

Elke dag gaan miljoenen mensen naar kerken, moskeeen, synagoges en andere tempels. Niet om verrast te worden maar om zich in te leven in de rituelen, in de vertrouwde cliché’s en formules, in de zekerheid van een happy end. Het belang van rituelen – de troost en het gevoel van verbondenheid die ze geven- kan nauwelijks overschat worden. Zich onderdompelen in een boek als 50 Shades is een rituele belevenis.

Porno

Dat heeft het gemeen met pornografie, een genre dat, zowel in woord als in beeld, op het web weliger tiert dan alle andere.  Geen generatie was zo gefascineerd door seks als de onze. Ofwel was die fascinatie er altijd en heeft het internet ze bevrijd. Nochtans is er ook vandaag nog, ondanks de onmiskenbaar grote invloed van sexueel verlangen en gedrag op het menselijk leven in al zijn aspecten, verbazend weinig literaire en academische uitdieping van dit onderwerp. Wat wel een enorme expansie kent, is de consumptie van rituele seks. Ook porno consumeren is een rituele ervaring. Je inleven in vertrouwde cliché’s en formules die je leiden naar een happy end…

Op het web kan men tal van literaire porno-forums vinden. Een voorbeeld is Literotica.com , dat meer dan een miljoen geregistreerde gebruikers heeft en ruim 4,5 miljoen bezoekers per maand krijgt. Men kan er honderden duizenden erotische verhalen, gedichten en romans lezen. De kortverhalen en novelles domineren. Net als op FanFiction.net zijn er interactieve literaire experimenten zoals de  “ketting-verhalen” waarin verschillende auteurs elk een hoofdstuk schrijven.  Sommige auteurs publiceren hele boeken, hoofdstuk per hoofdstuk zoals Erika Leonard deed op FanFiction.net.  Behalve literatuur biedt Literotica ook discussieforums, chat rooms, web cams, strips, films, zoekertjes etc. Er zijn wedstrijden rond thema’s, wie het meest stemmen haalt wint. Er zijn jaarlijkse awards en gedrukte “Best of Literotica”-bloemlezingen.  De literatuur is ingedeeld in 32 categorieen, naar gelang de sexuele voorkeur. De alfabetische lijst begint met ‘anal’ (zeer populair tegenwoordig, iemand moet eens uitzoeken hoe dat komt), ‘BDSM’, ‘Celebrities and Fan Fiction’. .. Alles mag, behalve pedofilie en bestialiteit (uitgezonderd met fantasiebeesten zoals draken en eenhoorns).

Twee derden van de auteurs op Literotica zijn mannen. Uit het onderzoek van de Britse psycholoog Mark Allen Thornton blijkt dat vooral vrouwen ouder dan 40 afhaken. Oudere mannen blijven erotische fantasieen bedenken maar hun thema’s veranderen. (2)  Vrouwen zijn niet minder geinteresseerd in erotische literatuur maar dan van een andere soort.

Erotica (of porno, de grens tussen beiden is zoals beauty, in the eye of the beholder)  is zeker de dominante vorm van literatuur in cyberspace als men fan fiction meerekent.

Volgens neuroloog Ogi Ogas is FanFiction.net de populairste erotische site voor vrouwen ter wereld, ondanks het verbod op expliciete seks. Wat de meeste vrouwen opwindt is nu eenmaal iets anders dan wat de meeste mannen begeestert.  Ogas analyseerde samen met zijn collega Sai Gaddam een miljard web searches.  Een van hun conclusies was dat steeds meer vrouwen in heel de wereld erotische literatuur zoeken. Maar in plaats van expliciete scenes willen ze romantische liefde. Een kwart tot een derde van de vrouwen lust wel onomfloerste seks maar dat zijn volgens Ogas vrouwen met een meer dan gemiddeld libido:  “Our data suggest that these women probably have a higher sex drive than other women and that they are more socially aggressive and more comfortable taking risks.”

Voor de meeste vrouwen is het niet zo simpel omdat hun brein niet zo simpel is als dat van mannen, volgens Ogas. “The female cortex contains a highly developed system for finding and scrutinizing a prospective partner (…) Using its investigative skills, the female brain evaluates all available evidence regarding a potential mate’s social, emotional and physical qualities to make an all-important decision: Is he Mr. Right or Mr. Wrong?”  Het is die fact-finding mission die de fysieke en psychologische opwinding harmonieus verenigt in het vrouwelijke brein, aldus Ogas.

Het is de bron van de “vrouwelijke intuitie”. “This feminine intuition is designed to solve a woman’s unique challenge of determining whether a man is committed, kind and capable of protecting a family.” En het verklaart volgens Ogas waarom de fan-fiction sites zo interactief zijn, waarom de populaire verhalen er zo druk bediscussieerd worden.  Terwijl mannen porno meestal alleen consumeren zijn de vrouwelijke erotische sites een collectieve bedoening. Want een van de voornaamste onderzoekstechnieken in de vrouwelijke fact-finding mission is het inwinnen van informatie van anderen. Wat ook de reden zou zijn waarom vrouwen meer geinteresseerd zijn in roddel over celebrities.

Wat er ook van zij, de enorme vrouwelijke belangstelling voor verhalen over romantische liefde, waarin de heldin gaandeweg het innerlijke karakter van haar liefdesobject  ontdekt, alle obstakels overwint en  en hem uiteindelijk voor altijd voor zich wint, staat buiten kijf. Het is de voornaamste oorzaak voor de boom in e-books en ook in gedrukte boekvorm overklast dit genre alle andere.

Maar er is natuurlijk nog meer literatuur op het web dan fan-fiction en andere erotica. Meer daarover in de volgende aflevering van deze serie.

 

————————————————

(1) Andere zeer populaire fan fiction sites zijn onder meer Archive of our own en Wattpad.

 

(2)  Zie Thorntons website. Thornton doorkamde 300,000 verhalen op Literotica, geschreven door zo’n 65 000 auteurs, om uit te vissen welke erotische thema’s welke bevolkingsgroepen fascineren. Hij zocht ook uit welke erotische woorden het meest gebruikt worden op Literotica. De top-negen: 1. Cock 2. Mom (!) 3. Pussy  4. Master  5. Mouth  6. Mother  7. Wife  8. Asshole  9. Mistress. Mij verbaast vooral de prominentie van het incest-thema (2 en 6). Had Freud dan toch gelijk?

maart 25, 2017 at 8:51 pm 1 reactie

THEATER

Erdogan op de bres tegen het fascisme

Ook “anti-fascisme” kan koren zijn op de nationalistische molen. In naam van de vrijheid worden vrijheden vertrappeld.  De Holland-Turkije politieke voetbalmatch is daar een voorbeeld van. Een spektakel dat ons aanzet om onze ploeg toe te juichen en de tegenpartij uit te fluiten en dat ons aan beide kanten doet negeren dat spreken belet wordt en dat “onze” oproerpolitie uitrukt om demonstranten aan te vallen. In de onafhankelijke Nederlandse journalistieke website De Correspondent.nl fileert Jesse Frederik het theater.

(tr)

Zo maakte Nederland van een Facebookevenement met 48 geïnteresseerden een #turkijerel

door Jesse FREDERIK

Tot een week geleden telde het Facebookevenement 47 aanmeldingen en 48 geïnteresseerden.  Mevlüt Çavusoglu, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, zou naar partycentrum De Heerlijkheid in Rotterdam komen om ja-stemmers te werven voor het referendum over de Turkse grondwet. Een rampzalige wet, constateren mensenrechtenorganisaties, die de scheiding der machten zou verzwakken en de macht van de president vergroten.

De Nederlandse politiek zag dat niet zitten. ‘We geloven dat de Nederlandse publieke ruimte niet de plek is voor andermans politieke campagnes,’ zei Lodewijk Asscher.

Twee koene helden van het vrije westen

 

Vrijheid, maar nu even niet

 

Vreemd, want de Nederlandse publieke ruimte wordt met enige regelmaat gebruikt door buitenlandse politici om campagne te voeren.Vorig jaar kwam de Britse politicus Nigel Farage nog hiernaartoe om  een ‘nee’ te bepleiten in het Oekraïnereferendum. Goed voor Brexit-stemmers, zei hij.

En twee jaar geleden kwam niemand minder dan Çavusoglu nog naar Rotterdam om campagne te voeren voor de Turkse parlementsverkiezingen. Toen kraaide er geen haan naar.

Andersom is dat overigens ook zo: vorige maand vond er een verkiezingsdebat van Nederlandse Kamerleden plaats op de ambassade in Londen.

We vinden het dan ook ongehoord als onze politici niet de buitenlandse publieke ruimte mogen gebruiken. Zeven jaar geleden weigerde de Britse regering Geert Wilders de toegang tot het Verenigd Koninkrijk. Hij zou naar Londen afreizen om zijn anti-islamfilm Fitna te vertonen. ‘Churchill, de kampioen van het vrije woord, draait zich om in zijn graf,’ oordeelde VVD-Kamerlid Hans van Baalen destijds.

 

Dit is precies wat Erdogan wil

 

Toch: een Turkse minister die zijn recht op vereniging en meningsuiting zou uitoefenen, dat zag de Nederlandse politiek niet zitten. De lijsttrekkers van alle grote partijen vonden het prima om de Turkse minister tegen te houden.

De discussie bij Pauw en Jinek over het bezoek van de Turkse minister. Bij Pauw & Jinek zat Jeanine Hennis-Plasschaert (minister van Defensie, VVD) openlijk te speculeren of ‘brandveiligheid’ niet ingezet kon worden om de bijeenkomst niet door te laten gaan.

Een westerse regering die zich in rare juridische bochten wringt om een Turkse hoogwaardigheidsbekleder zijn rechten te ontzeggen? De Turkse president Recep Tayyip Erdogan ziet niets liever. Onmiddellijk stuurde hij aan op escalatie en begon met sancties te dreigen. De Nederlandse regering trok daarop de landingsrechten voor het vliegtuig van minister Çavusoglu in.

Meer drama, moet Erdogan gedacht hebben: laat ik een minister die toevallig in de buurt is Nederland in rijden om zich als martelaar van het vrije woord op te werpen. De Nederlandse regering gaf hem wat hij wilde: die minister werd gisternacht het land uit geëscorteerd. ‘Democracy, fundamental rights, human rights and freedoms,’ twitterde de Turkse minister van Familiezaken daarop. ‘All forgotten in Rotterdam tonight. Merely tyranny and oppression.’

Een tamelijk potsierlijke uitspraak voor een minister wier regering de afgelopen maanden 125.000 overheidsdienaren heeft ontslagen, 40.000 Turken en 140 journalisten gearresteerd (waaronder Ahmet Şik die ook voor De Correspondent schreef). Toch, we hadden het Erdogan niet veel makkelijker kunnen maken. Honderden woedende Turkse-Nederlanders die de straat opgaan – een nationalistisch vreugdevuur moet aangegaan zijn in Ankara.

‘Schoonmaak’ in Rotterdam

En toen de Britten een jaar of zeven geleden Wilders de toegang weigerden, ging het precies zo. Met vijftig journalisten vloog Wilders naar Londen, waarna hij – goh – het land niet in kwam en met de verzamelde media weer terug kon vliegen. Dank je wel dwaze Britten, moet Wilders gedacht hebben, weer een paar achtuurjournaals erbij.

Dat is nu niet anders. Een paar dagen voor de verkiezingen zal dit onderwerp de talkshows, de kranten en journaals domineren. Onderwerpen die nauwelijks besproken werden deze verkiezingen, zoals schuldproblemen en klimaatverandering, zullen weer onbesproken blijven.

Was getekend…

 

Het had makkelijk anders gekund.

 

‘Meneer Rutte, er schijnt een Turkse minister naar Nederland te komen om campagne te voeren, dat kan toch niet?!’

‘Ik vind dat ongebruikelijk en onverstandig. Maar in Nederland heeft iedereen het recht om in achterafzaaltjes in Rotterdamse partycentra abjecte dingen te roepen. We geloven namelijk in de vrijheden van meningsuiting en vereniging, juist voor die mensen met wie wij het fundamenteel oneens zijn. Wij geven die vrijheden niet zomaar op – niet uit angst voor Wilders, niet om goedkoop stemmen te scoren. En ik hoop dat onze Turkse medelanders – als ze straks moeten stemmen – hun vrijheden ook niet zomaar opgeven.’

Was getekend, Mark Rutte, liberaal.

 

 

 

https://decorrespondent.nl/6378/zo-maakte-nederland-van-een-facebookevenement-met-48-geinteresseerden-een-turkijerel/947575767138-83d2a963

maart 14, 2017 at 5:40 am 1 reactie

INTO THE HELL HOLE

 Photo: Olivier Hoslet

Photo: Olivier Hoslet

 

 door Jacqueline Goossens

 

Anybody who visits Brussels should spend some time in Molenbeek. Yes, that Molenbeek. The community Trump was thinking of when he called Brussel “a hell hole”. The community that quite a few Belgians described, based largely on misinformation, as “the Bronx of Brussels”.

Cartoonist Kim pokes fun at Molenbeek's reputation. Syas the tough guy: " If you want to be part of our gang, you have to walk straight through Molenbeek".

Cartoonist Kim pokes fun at Molenbeek’s reputation. Says the tough guy: ” If you want to be part of our gang, you have to walk straight through Molenbeek”.

This week I had the pleasure to go on an extensive walk through the area with local City Council member Dirk De Block. We strolled through the lively, colorful market which is held every Thursday and Sunday in front of City Hall and the adjacent Graaf Van Vlaanderenstraat. We walked through residential and commercial streets. We passed beautifully restored buildings, houses and apartment-buildings in various need of repair and renovation, surprisingly few vacant properties, small plazas, busy shopping streets, discreet entrances to mosques, schools and community centers, social clubs, cafés, small eateries and a hostel, hotel and museum of contemporary art (MIMA) located in the renovated Bellevue brewery. We admired churches like St John the Baptist and St Remi. We saw playgrounds and parks like Scheutbos, Bonnevi, Marie-José and Muzen. Molenbeek even boasts a castle, the Karreveldkasteel, with well maintained grounds and a large pond.

The market in Molenbeek (Photo: Johannes Vande Voorde)

The market in Molenbeek (Photo: Johannes Vande Voorde)

The area described by Dirk as ‘lower Molenbeek’ or ‘old Molenbeek’, the poorest and mostcrowded neighborhood, is still in desperate need of more green space. It is here that the Vier-Windenstraat is located, known as the hiding place of Salah Abdeslam, at one point ‘the most wanted man’ in Europe, till he was captured in march 2016. I’m happy to report that allI saw on the block where playful kids and their caretakers who had just picked them up at the Vier-Winden Basisschool, one of the Dutch language elementary schools in Molenbeek. “About 60 percent of lower Molenbeek is now of Morrocan descent”, said Dirk.

Dirk and I at the old foundry (Photo: Lotte Verstringe)

Dirk and I at the old foundry  (Photo: Lotte Verstringe)

Nothing stays the same. Not the South-Bronx, not Harlem, not Detroit and not Old Molenbeek. We went to La Fonderie where the Brussels Museum for Labor and Industry is housed. The Museum is located in the old Compagnie des Bronzes de Bruxelles.  Its collection explains the history of the area. What started as a rural medieval village had become a heavily industrialized suburb by the late 1800’s. Life was rough for those who had to toil in the big and small factories. Flemish and Walloon workers competed for jobs and living space. There were strikes, riots and oppression. But just like in so many other industrial areas, be it trendy Williamsburg in Brooklyn or Pittsburg or Flint, Michigan, factories eventually closed or moved. Those inhabitants who could, left. The poorest stayed behind, also in Molenbeek, especially in the old part. New immigrants came and went, attracted by the low housing costs.

Old Molenbeek, just like so many other former industrial areas in other parts of Belgium and the rest of the world, suffered over the decades from neglect from authorities and landlords. But whatever problems Molenbeek has today, it’s a vibrant, evolving community. To me it’s a glass half full, just like for example the South-Bronx and Harlem were to me when I started visiting those neighborhoods in the early 1980’s. So many people had given up on those areas. They were wrong. So Molenbeek, I root for you.

 

The Rainey gates, Bronx Zoo

The Rainey gates, Bronx Zoo

MOLENBEEK IN THE BRONX

And now, instead of comparing Molenbeek to the Bronx, go to the famous New York borough for a bit of real Molenbeek. Visit the Bronx Zoo and take the time to admire the 10 meter high bronze entrance gates decorated with flowers, plants and twenty two animals, amongst them the famous lion Sultan and the tortoise Buster. The impressive work of art was designed by the American sculptor Paul Manship. In 1929 he and the American sponsors of the gates choose La Compagnie des Bronzes in Molenbeek to execute the work. It was finally finished by 1933. Before it was shipped to New York it was put on display in the great hall of the foundry where the public was invited to admire it. In the museum La Fonderie on the grounds you can see a copy of the beloved Bronx lion Sultan and images of the making, shipping and installation in the Bronx of the Zoo gates.

 

februari 13, 2017 at 10:02 pm Plaats een reactie

De wondere wereld van het Franse televisiedebat

politique-nul

 

door Francis Jorissen

 

In Frankrijk, waar ik woon, heeft elk zich respecterend televisiestation elke dag wel een politiek debatprogramma op het menu staan. Daar nemen altijd minimum vier debaters aan deel. Sommigen van hen schuiven zelfs bij meer dan een debat per dag aan en verhuizen van zender naar zender.

Onder de ‘invités’ vind je altijd wel een hoofdredacteur of journalist van de MSM, een tegenwoordig populaire term die uit de VS is komen overwaaien dat staat voor Main Street Media. Ik zie die hoofdredacteurs, ‘grands reporters’ en dat ander journaille soms zo vaak op de verschillende netten verschijnen dat men zich mag afvragen waar ze nog de tijd vinden om artikels te schrijven voor hun kranten, tijdschriften en ‘magazines en ligne’. Maar dit terzijde.

Andere aanschuivers zijn uiteraard politici, woordvoerders van politici en would-be politici die, weliswaar soms maar tijdelijk, de wind in de zeilen hebben. Ze horen tot allerlei partijen maar toch is er een voorkeur voor middle-of-the-road sociaaldemocraten (PS) en rechtse neoliberalen (LR). Het extreemrechtse FN, de Centristen  van UDI en MODEM, de Groenen van het EELV, de Communisten van de PCF en de extreemlinksen van de PG krijgen niet zo veel uitnodigingen in de bus. Hoewel dat voor het FN begint te veranderen. Het zijn binnenkort dan ook presidents- en parlementsverkiezingen en Marine Le Pen en haar ‘faux jetons’ lijken daarin een grote rol te (willen) gaan spelen.

De derde en voornaamste categorie zijn de academici, vorsers, onderzoekers en oud-generaals (daar blijken er heel wat van te zijn). De voornaamste gemeenschappelijke kenmerken zijn: voor 90% mannen, altijd pak en das, ze hebben een boek geschreven en ze komen vaak uit dezelfde elitescholen (Sciences Po, ENA, HEC…) waar de uitgenodigde journalisten en politici ook al vertoefden. De debatten lijken daarom dikwijls op  onderonsjes waar iedereen iedereen kent.

Vermeldenswaard is ook dat al die deelnemers, op nu en dan een uitzondering na, steeds ‘spécialiste’ in het onderwerp van het debat zijn. Dat is natuurlijk aangenaam voor de kijker, dat al die ‘spécialistes’ hun expertise met hen willen delen. Je kan er maar iets van opsteken.

Na een tijdje debatten volgen merk je echter wel een aantal merkwaardige dingen op.

Het voornaamste doel van een debater lijkt er niet per se op gericht de kijker iets bij te brengen. De prioriteit is om zo lang mogelijk aan het woord te blijven. Ook de debatleider doet daar gezellig aan mee. Een vraag wordt vaak ingeleid door een betoog van een paar minuten. Een goede tactiek om het woord te kunnen monopoliseren lijkt te zijn om dan niet op de langdurig ingeleide vraag te antwoorden maar te zeggen dat je eerst iets anders wil duidelijk maken. Daar ga je dan op door en uiteindelijk is iedereen de vraag vergeten. Ademhalen tussen twee zinnen is er ook niet bij want dan dreigt een andere debater je het woord af te nemen. Vaak genoeg word je ook al  midden in je uiteenzetting getackeld door concurrenten die hun beurt niet kunnen afwachten en midden in je volzin aan hun eigen relaas beginnen. Het gevolg is dan ook dat er zich een kakofonie ontwikkelt waar niemand nog iets van begrijpt. Een goede luistertechniek om een Frans debat te volgen is dan ook de afstandsbediening bij de hand houden en een vinger boven de toets ‘MUTE’ laten zweven en er op tijd en stond op te drukken. Wanneer de debatleider de rust in het kippenhok heeft doen terugkeren volstaat het om andermaal die toets te beroeren om weer te kunnen aanschuiven bij het debat.

Vermits het haast allemaal ‘spécialistes’ zijn moeten ze de kijker natuurlijk overbluffen. Verbind dat feit aan het zo lang mogelijk aan het woord blijven en het is onvermijdelijk dat die worden overdonderd door litanieën moeilijke woorden. Liefst voorafgegaan door zoveel mogelijk ook al moeilijke bijvoeglijke naamwoorden in ellenlange zinnen zonder komma’s of punten. Ook na terugspoelen en 2 of meer keer herbeluisteren vaak onbegrijpelijk. Bovendien blijkt ook al te vaak dat na ontleding van het min-of-meer verstaanbare de ‘expertise’ een herkauwen is van wat je al in de MSM hebt kunnen lezen of uit de ronkende volzinnen van regeringswoordvoerders hebt kunnen opmaken. Holle slogans, een opsomming van gemeenplaatsen, propaganda en halve en hele leugens.

Die ‘spécialistes’ zijn trouwens vaak ‘spécialistes’ in alles en niets. De ene dag weten ze alles over, zeg maar Turkije, de andere dag over Syrië en tijdens het derde debat over hoe de hervorming van het middelbaar onderwijs moet worden aangepakt. Je denkt misschien dat het hier over drie verschillende ‘specialistes’ gaat, maar neen hoor, het gaat wel degelijk om één en dezelfde persoon.

Enkele weken geleden viel me ook op dat een ‘spécialiste’ in Turkse politiek, een academicus van Science Po die, naar wat er in het begin van de uitzending werd gezegd, al 15 jaar onderzoek naar Turkije doet geen Turks kende. ‘Spécialistes’ in Poetinisme kennen geen Russisch en verstaan dan ook geen gebenedijd woord van wat het onderwerp van hun expertise debiteert. Nu weet ik wel dat een Fransman niet compatibel is met vreemde talen maar er zijn toch wel grenzen. Dacht ik.

Hoewel het onderwerp niet altijd leuk is kan het debat soms wel een leuke wending nemen. Zeker als de debatleider blijft proberen het in de richting te duwen die hij voorzien en gewenst had maar daar helaas niet in slaagt. Zo werd op de nieuwssite LCI op 15 december een debat gevoerd over Aleppo. Het panel bestond uit… ja hoor, een journalist, twee specialisten en een oud-generaal. Geheel volgens de regels van de kunst dus. Yves Calvi, sinds meer dan 20 jaar professioneel debatleider, kan zijn oren niet geloven wanneer zijn vier ‘invités’ niet willen meestappen in het  discours dat gemeengoed is in nagenoeg de hele Franse pers: al-Assad is de broer van Satan zelf en de ‘rebellen’ zijn engelen. Kijk zelf maar.

Er zijn uiteraard ook wel andere debatten. Die zijn niet zo ‘sérieux’ natuurlijk maar ook alle dagen alomtegenwoordig op televisie. Het verschil is dat die debatten geleid worden door minimum 2 presentatoren en er nog minstens 8 andere deelnemers zijn. Meestal ‘des stars’, clowns, goochelaars en komieken van allerlei niveau en presentatoren van een of andere ‘grand show’. Je weet wel, zo’n urenlang durende show vol met ‘des stars’, clowns, goochelaars en komieken van allerlei niveau en presentatoren van een of ander ‘grand débat’.

Over dat soort debatten en show kan ik echter weinig ‘expertise’ meegeven. Meestal sla ik immers al tilt na nog geen vijf minuten kijken. Wat ik wel kan meegeven is dat er binnen die tijdspanne veel geroepen, gekrijst en (om de eigen grappen) gelachen wordt. Dat alles liefst allemaal en met allen tegelijkertijd. Kortom een kakofonie van jewelste die af en toe wordt onderbroken door de playback van een of ander ontluikend sterretje,  ‘une star’ aan het Franse muziekfirmament. Maar goed, ik heb de rust van ‘la France profonde’ niet opgezocht om dit te moeten ondergaan. Je moet zelf maar eens kijken.

les-sept-candidats-a-la-primaire-de-la-droite-le-13-octobre-2016-lors-de-leur-premier-debat-televise-dans-les-studios-de-tf1-a-la-plaine-saint-denis_5726785

februari 7, 2017 at 1:51 pm 5 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.307 andere volgers