Archief beheerder

OPEN GRENZEN!

Tom Ronse

Niemand, ook niet ter linkerzijde, pleit voor open grenzen, lees ik herhaaldelijk in reacties op Bart De Wevers beruchte opiniestuk over migratie. “Misschien dat u hier of daar nog een overjaarse anarchist kan opduikelen maar dat is het dan ook”, aldus Louis Tobback in De Morgen. Noem me een overjaarse anarchist zo u wil maar hier volgt een dissonante noot in dat eenstemmig koor. Een pleidooi voor, onder meer,  open grenzen.

De Wever verwijt links hypocrisie maar hij is zelf hypocriet. Hij beroept zich op de ‘gouden regel’  -behandel je naaste zoals je zelf zou willen behandeld worden- maar voegt er snel aan toe: “Maar hoe nabij moet die naaste zijn?” Hij beweert “oprecht moreel mededogen” te voelen maar … ‘grenzen bakenen onze impliciete solidariteit af’. Mededogen dat stopt aan de grens is een pleidooi om mensen die vluchten voor oorlog en honger te laten verdrinken in de zee en op te sluiten in kampen en gevangenissen zoals nu al volop gebeurt. Het is helemaal geen mededogen. Barts vriendin heet Tina, kort voor “There is no alternative”.  Het verhaal: de harde Francken-politiek is de enige mogelijke, anders ontstaat er een aanzuigeffect dat ons zal overrompelen, dat chaos en sociale afbraak zal veroorzaken. Intussen helpt zijn partij de sociale afbraak organizeren. Uit mededogen met onze eigen landgenoten  ongetwijfeld.

Links replikeert dat er een gulden tussenweg is tussen het cynisch standpunt van De Wever en het utopisch lijkende idee van ‘open grenzen’. Volgens links is er wel degelijk financiële ruimte om een meer sociaal beleid te voeren, om vluchtelingen een menswaardige opvang te geven. Het aanzuigeffect kunnen we bestrijden door  de economische  ontwikkeling te bevorderen in de landen waar de migranten uit wegvluchten, door informatiecampagnes om hen te overtuigen dat hen hier ook alleen maar ellende wacht en door een buitenlands beleid te voeren dat oorlog ontmoedigt in plaats van zoveel mogelijk wapens te proberen verkopen en bommenwerpers naar het Midden Oosten te sturen.

Maar links maakt het er zich al te gemakkelijk van af. Laat ons iets verder kijken dan onze neus lang is naar de trends die de evolutie van de wereld bepalen en dus ook de kontekst van het debat over migratie.

 

Perfect storm

Ten eerste: automatisering. Die dient om arbeidstijd uit te sparen. Het kan dan ook niet anders dan dat veel arbeidspotentieel overbodig wordt. De informatica-omwenteling  integreert en stoot uit. Alles wordt deel van de globale markt, wat we consumeren is het product van een global assembly line. Tegelijk is er een uitstotingsproces: de global assembly line wordt steeds automatischer, steeds efficienter. Miljoenen worden ‘nutteloos’ en hebben niet langer een pre-kapitalistische economie om op terug te vallen. Dit is nu al de realiteit in vele landen in de periferie waar de effectieve werkloosheid meer dan 50 % bedraagt. Wat niet wil zeggen dat die al werklozen niet werken. Als je tien uur per dag aan een kruispunt snoep en sigaretten staat te verkopen heb je ook een zware werkdag.

Ten tweede: een nieuwe, diepe recessie is hoogstens enkele jaren ver. De schuldenberg zal blijven groeien. In het Engels zeggen we: they kicked the can down the road. Ze schopten het blik wat verder de straat op en deden alsof het weg was. De schulden groeien omdat er, globaal genomen, niet genoeg winst wordt gemaakt. Winstpotentieel bepaalt in onze maatschappij wat geproduceerd wordt. De schuldengroei is nodig om de boel draaiend te houden, om de winstmarge te onderstutten. Daarom hebben de financiële autoriteiten op de great recession van 2008 –die zelf door schuldenlast in gang werd getrapt-  gereageerd door vele biljoenen dollars, euros, yens, RMBs, etc. in de banken en grote bedrijven te pompen en door de rentevoet tot bijna nul te duwen. Dat laatste was een cruciale factor in de huidige heropleving (de zwakste weliswaar sinds de tweede wereldoorlog)  want de lage rentekost maakt krediet bijna gratis. Niet voor iedereen natuurlijk.  Maar rijken konden makkelijk rijker worden door spotgoedkoop geleend geld in de beurs te investeren. De regel – lage rente voor de rijken maar hoge rente voor de armen- is logisch, aangezien lenen aan armen een groter risico inhoudt. Dat geldt zowel voor individuen als voor landen. Het is dus ook logisch dat de kloof tussen rijk en arm steeds groter wordt. En dat landen een harde concurrentiestrijd moeten voeren om kapitaal aan te trekken, door hun sociale lasten te verminderen en fiscale premies te geven.

Maar onvermijdelijk komt ook de lage rente van de rijken onder druk te staan.  De spanning tussen de groeiende schuldverplichtingen en de dalende winstverwachting maakt dan een nieuwe inzinking onvermijdelijk.  Omdat de schuldenlast van bedrijven en regeringen nu veel groter is dan in 2008 zal de recessie wellicht dieper zijn.  Hoe ver de kettingreactie van failissementen zal gaan valt moeilijk te voorspellen. Maar zeker is dat, op alle markten, de zwakste concurrenten de hardste klappen zullen krijgen.

Ten derde: klimaatrampen zullen toenemen. Er iets wezenlijks aan doen kost te veel, dat wil zeggen, het is niet winstgevend. Aangezien de economie op winst en concurrentie gebaseerd is, kunnen we niets meer verwachten dan holle verdragen, en windmolens, zonnepanelen en electrische auto’s als pleisters op een etterend been. We weten heel goed dat een drastische globale verandering in productie en consumptie nodig is om te voorkomen dat de levens van miljoenen door klimaatverstoring zullen ontwricht worden maar we kunnen enkel handenwringend toekijken terwijl het drama zich ontvouwt.

Ten vierde: oorlogen zullen niet verdwijnen, integendeel. De ontwrichting, veroorzaakt door economische krisis en klimaatrampen,  schept opportuniteiten voor kleine en grote imperialisten, voor kriminelen, voor war lords en grootmachten. Droogte en overstromingen doen conflicten ontstaan over schaarse middelen.  Massale werkloosheid zorgt voor een overvloedig aanbod van kanonnenvlees.

 

Neem die vier factoren samen en je hebt het recept voor een perfect storm. Een storm die ook in de rijkere landen tot sociale afbraak zal leiden (om de winstmarge te onderstutten, om kapitaalvlucht tegen te gaan) en in de armere landen miljoenen zal doen vluchten. De gelijktijdigheid van de stijgende verarming en de komst van steeds meer migranten zal door rechts worden aangegrepen om het eerste voor te stellen als het gevolg van het tweede. Door het tweede te bestrijden zal men niet alleen de indruk wekken dat men iets doet aan het eerste maar ook kiezers  paaien die voor hun ontevredenheid een zondebok zoeken. Links, zo mogen we hopen, zal dat cynische spel niet meespelen. Maar het zal ook duidelijk worden dat links inderdaad geen alternatief heeft. Linkse regeringen zullen net als rechtse de sociale uitgaven verlagen en hardere maatregelen nemen om migranten buiten houden. Misschien minder extreem, meer druppels plengend op de gloeiende plaat, maar het verschil zal vooral rethorisch zijn. Kijk naar de linkse Syriza-regering in Griekenland, die doet in wezen niets anders dan de rechtse regering die haar voorafging: de bevelen van de kapitaalbezitters uitvoeren.

In Bart De Wevers opiniestuk krijg je de indruk dat die storm nu al woedt. In de filmversie stel ik me Bart voor, rechtstaande in reddingsboot “De Natiestaat”, met zijn roeispaan kloppend op de vingers van de drenkelingen die zich aan de bootrand vastklampen.  Links probeert hem in te tomen, bewerend dat er nog wel degelijk plaats is in de boot. Maar er zijn zoveel drenkelingen… de triage wordt steeds moeilijker. Geen van beiden vraagt zich af wat de storm veroorzaakt.

We zijn eraan gewend dat de economie, net als het klimaat, wordt voorgesteld als een kracht die ons van buitenaf overkomt. Die we wel kunnen proberen manipuleren maar waar we uiteindelijk aan onderworpen zijn. Dat bakent de politieke ruimte af, dat zet de parameters neer van het debat tussen links en rechts. We kunnen slechts doen wat de economie mogelijk maakt om te doen.  Als het slecht gaat, met de economie of het klimaat, kunnen we niets anders dan schuilen, wachten tot het overwaait en een traan plengen voor diegenen die geen schuilplaats vinden. We vergeten dat de economie door mensen wordt gemaakt en door mensen kan worden veranderd. Dat mensen kunnen beslissen om de economie te onderwerpen aan hun noden, in plaats van hun noden te onderwerpen aan de archaische spelregels van de economie. De sociaal-democratische opiumpijp fluistert dat we allebei tegelijk kunnen doen.

 

De fundamentele Tina

Dat is de kern van de zaak: de perceptie dat de huidige manier om aan de menselijke noden tegemoet te komen, de enige mogelijke is. Dat productie en consumptie wel moeten steunen op kopen en verkopen van arbeidstijd en van al de rest. Dat het hoofddoel van de maatschappij niets anders kan zijn dan kapitaal doen groeien, ongeacht de gevolgen voor het welzijn van de mensheid.  Want dat gedrag is ingebakken in de menselijke natuur, zoals  Adam Smith beweerde. Ook al is de door de markt georganiseerde economie nog maar enkele honderden jaren oud en ontstond ze slechts op één subcontinent, toch lijkt ze voor de eewigheid bestemd. Volgens Francis Fukoyama hebben we “het einde van de geschiedenis” bereikt.  Vanaf nu zijn enkel variaties op het vaste thema mogelijk.  Buiten dit kader is er niets, behalve  onefficiente  staatskapitalistische dictatuur. Dat is de ‘Tina’ waar rechts en links voor buigen. De gevolgen moeten we aanvaarden als  “het nieuwe normaal”, ook als een groot deel van de wereld erdoor dreigt te vergaan.

Een onbevooroordeelde buitenaardse bezoeker die onze wereld zou verkennen, zou ons gek verklaren. Hij zou het absurd vinden dat bij ons 81,2 procent van het globale inkomen naar de rijkste 20 procent van de bevolking gaat terwijl de armste 40 procent het met 3,8 procent moet stellen. En dat de rijkste één procent, wiens inkomen even groot is als dat van de armste 53 procent (3,5 miljard mensen), zij die meer bezitten dan wat ze in duizenden jaren zouden kunnen uitgeven, koortsachtig blijven streven naar meer bezit. En dat wij geloven dat die pathologische bezitsdrang noodzakelijk is om de maatschappij in stand te houden.

Hij zou niet begrijpen dat we onze ecologie kapot maken, dat we weten dat we het doen maar niet kunnen stoppen.

Hij zou onbeschrijfelijk veel pijn in onze wereld aantreffen en wat zijn hart zou breken is dat zoveel van die pijn vermijdbaar is.  Dat miljoenen omkomen door geneesbare ziekten, dat miljoenen van honger vergaan terwijl we gigantische hoeveelheden voedsel weggooien, dat miljarden in slums wonen terwijl wij, in plaats van hen huisvesting te geven, steeds meer wapens maken en hele steden verwoesten, dat bij ons de enen zich moeten kapot werken en de anderen gedwongen worden tot niets doen, dat onze economie met overproductie kampt terwijl de ongelenigde noden zo groot zijn…

En de enige uitleg die we hem zouden geven is alweer Tina, there is no alternative, iets anders kunnen we ons niet voorstellen.

 

Imagine

Een wereld zonder geld, zonder oorlogen, zonder criminaliteit, zonder honger, zonder grenzen, een wereld voor iedereen, dat tart de collectieve verbeelding. Alleen Tobbacks overjaarse anarchist gelooft dat het kan. En John Lennon, wiens anthem “Imagine” nog vaak gespeeld wordt. Maar misschien luistert men niet goed naar de tekst:

Imagine there’s no countries
It isn’t hard to do
Nothing to kill or die for
And no religion, too
Imagine all the people
Living life in peace…

Imagine no possessions
I wonder if you can
No need for greed or hunger
A brotherhood of man
Imagine all the people
Sharing all the world…

Is het echt onvoorstelbaar dat we samen, op lokaal en globaal vlak, zouden overleggen wat we maken en er voor zorgen dat niemand op aarde nog honger lijdt of verstoken blijft van ziektezorg, huisvesting en andere nodige voorzieningen, dat het natuurlijk milieu hersteld wordt, en dat we er een prioriteit van maken om produceren zo aangenaam mogelijk te maken?  Dat we dit kunnen zonder geld, zonder grenzen, zonder logge bureaucratie omdat mensen, bevrijd van de dwangbuis van geld verdienen en winst maken, een ongelooflijke creativiteit aan de dag zullen leggen? Dat vele miljoenen die nu hun bestaan als zinloos ervaren er heel veel zin in zullen krijgen?

Daar valt nog veel meer over te zeggen maar misschien heb je al hoofdschuddend geconcludeerd dat mijn visie radicaal, extremistisch  en utopisch is. Radicaal is ze zeker. Het woord komt, zoals Bart DW kan bevestigen, van het latijnse “radix”, wortel. Daar is het inderdaad waar het probleem zit, het volstaat niet om te proberen de rotte vruchten weg te snoeien. Extremistisch? Kijk om u heen: de extremisten zijn al aan de macht.  Utopisch? Is het niet eerder utopisch om te verwachten dat de huidige  maatschappijvorm zich eindeloos kan in stand houden, dat het zijn toenemende contradicties kan bllijven overleven?

Je mag me een dromer noemen, zong John Lennon.

 

But I’m not the only one
I hope someday you’ll join us
And the world will live as one

februari 15, 2018 at 10:22 pm 6 reacties

MERKWAARDIGE BLOVELS

Yuko Shimizo

Door Tom Ronse

Dit is de veertiende en wellicht laatste aflevering in de serie “Heeft het gedrukte boek nog een toekomst?” De vorige aflevering vind u HIER.

Voor wie de vorige aflevering niet gelezen heeft: blovels zijn romans of novellen die in afleveringen gepubliceerd worden op een blog, al dan niet door meerder auteurs geschreven. De blovel bloeide in het eerste decennium van deze eeuw maar het enthousiasme voor dit formaat is sindsdien danig bekoeld. Dat wil niet zeggen dat er geen blovelaars meer zijn.  Wie zoekt, vindt ze op het web nog heel wat auteurs die in blogvorm literatuur produceren. Omdat ze in het traditionele literaire circuit van tijdschriften en uitgeverijen geen plaats vinden of omdat ze om welbepaalde redenen de blogvorm verkiezen.

Nina Amir

“Blog Your Way to a Book Deal,” schreef Nina Amir in Writers Digest . Voor een nog onbekende auteur is de blovel volgens haar het ideale startpunt want je kunt je publiek  werven terwijl je schrijft. Als het af is, maak je van je blog een blook (een e-book) . “You’ll build platform—a loyal fan base of readers eager to purchase the book you are blogging.” Ze raadt aan om een vijfde van het manuscript niet in je blog te publiceren, zodat je blook voor de volgers van je blog een meerwaarde heeft. Via distributiekanalen als Amazon kun je dan een wereldwijd publiek vinden. Ze geeft zichzelf als voorbeeld: “I’ve self-published several ebooks, all of which have made it onto the Amazon Top 100 right away. In fact, I’ve had as many as six books on the same Amazon Top 100 list at the same time and a total of nine Amazon bestsellers!”

Haar blooks gaan vooral over hoe je moet bloggen, zoals How to Blog a Book  en The Author Training Manual : A Comprehensive Guide to Writing Books That Sell. Daarin geeft ze adviezen zoals, laat de afleveringen (posts) van je blog elkaar snel opvolgen zodat je de aandacht van je lezers niet verliest en breek langere hoofdstukken op in korte posts van 300 tot 500 woorden. Je moet ervan uitgaan dat de hedendaagse lezer weinig tijd en geduld heeft. Ze heeft allerlei adviezen over hoe je je blog bekend kunt maken. Ze doet het allemaal heel gemakkelijk lijken. Drie maanden bloggen is genoeg materiaal voor een boek. “Short books are your ticket to branding, expert status, customers and clients, and cash!”

 

Anoniem

Er zijn ook gevestigde auteurs die de blovel-vorm interessant vinden. Het kan een manier zijn om een verhaal te vertellen waarvan je zelf nog niet zeker weet hoe het zal aflopen.  Je bent nieuwsgierig naar de reacties van lezers en laat die een invloed hebben op het verloop van het verhaal.

Een bekend voorbeeld is de Argentijnse schrijver Hernán Casciari.  Zijn eerste blovel, ‘Más respeto que soy tu madre‘ (2005) (“Meer respect want ik ben je moeder”)  was het zogezegde dagboek van een Argentijnse huisvrouw.

Hernan Casciari

Haar vele problemen (het is crisis, haar man is werkloos, haar zonen zijn onuitstaanbare tieners, haar zwager is een junkie, enz.) zijn met veel humor beschreven. Mede dank zij reclame op de ‘sociale media’ werd de blog een groeiend sukses. Gedurende zijn negen maanden durende looptijd kreeg hij ruim 80.000 commentaren van lezers. Daarna werd de blovel een bestseller en zelfs een theaterstuk.

Sindsdien schreef Casciari nog verschillende andere blovels, waaronder ‘Yo y mi garrote, historia de Xavi L.’ dat in 75 afleveringen verscheen op de website van de Spaanse krant El Pais. Al zijn blovels zijn in de ik-vorm en in de tegenwoordige tijd geschreven (een must, volgens blovel-puristen) en telkens bleef de auteur anoniem tot het verhaal af was. Vele lezers van “Mas respeto…” verkeerden lang in de waan dat het een echt dagboek  was. Ze gaven Mirta, de huisvrouw, goede raad en steunbetuigingen die Casciari las alvorens het vervolg te schrijven. Ook hij wist niet hoe het zou eindigen.  “Het moeilijkste was voorkomen dat iemand zou ontdekken dat ik de auteur was”, zei hij in een interview. “Als dat gebeurd zou zijn, dan had ik moeten stoppen.”

Illustratie uit “Xavi L”

Het internet maakt anonimiteit gemakkelijk. Vele blovelaars kiezen ervoor want anominiteit geeft de auteur de vrijheid om te schrijven wat hij wil, zonder rekening te houden met eventuele gevolgen voor zijn of haar reputatie en zonder de lezers op te zadelen met een vooropgezet idee over de stem die ze in hun verbeelding horen en waarop ze reageren.

 

Nederlandstalig

In ons eigen taalgebied wordt er niet druk gebloveld. Toch vond ik enkele interessante voorbeelden. Zoals Sammy .

Sammy is de naam van de vorige bewoner van het huis waarin blogger Anker Tong met zijn gezin een intrek heeft genomen. In het tuinschuurtjee heeft Tong een koffer met manuscripten van Sammy gevonden. Daaruit probeert hij diens leven te reconstrueren. Hij wordt daarbij geholpen door zijn buurvrouw, Iris Nachtegaal.

“Sammy” is in velerlei opzichten een typische blovel. Zoals Nina Amir adviseert, zijn de blogposts kort en is het ritme van publicatie vrij hoog. De blovel is interactief want door twee auteurs geschreven, wat natuurlijk een literaire truc kan zijn; misschien is er maar één auteur, al zijn er wel degelijk stijlverschillen tussen de posts van Anker en Iris. Anderzijds, van interactie met lezers is er geen spoor. Als je op “Recente reacties” klikt gebeurt er niets.  Anker Tong is een schuilnaam –zogezegd om de privacy van zijn gezin te beschermen – dus ook deze blovel heeft een anonieme auteur. Nog iets wat “Sammy” typerend maakt voor digitale literatuur zijn de ongecorrigeerde typ- en taalfouten. Of dit een statement is of gewoon slordigheid kan ik niet uitmaken.

Afgezien daarvan is deze blovel erg goed geschreven. Vooral de posts van Iris geven een diepe inkijk op de leefwereld van een kind dat vandaag ongetwijfeld al vroeg als autistisch gediagnoseerd zou zijn. Ze doet dat zo indringend, poëtisch en meeslepend dat ik reikhalzend uitkijk naar de volgende post.

 

Een andere blovel die me interesseert heet “Heimwee naar morgen”. Vreemd geboeg is de premisse ook hier een manuscript  van een vorige bewoner, gevonden door de blogger, in casu Willy Vandesompele die zich omschrijft als “een gewone bediende”. Inmiddels wellicht met pensioen want de blog ging al van start in 2010. Het “gevonden”manuscript van Astronomes, zoals de vorige bewoner heet, is een trilogie en we zijn nog maar aan het begin van het tweede deel. Het tempo is laks.  In tegenstelling tot Anker Tong treedt Vandesompele Nina Amirs regels met de voeten. De korte regelmaat die zij bepleit is ver te zoeken: soms zijn er maanden tussen de posts. Die posts zijn meestal ook veel te lang volgens Amirs normen.

De “cover” van boek 1 in “Heimwee naar morgen”

Toch heeft deze blovel enkele digitale troeven. Hij bevat honderden illustraties, waaronder ook bewegende beelden (gifs). In sommige posts zijn er meer beelden dan tekst. Verder maakt de auteur vaak gebruik van hyperlinks. Zo zijn er links naar You Tube-clips van de muziek die in het verhaal ter sprake komt. Er zijn ook links naar een prequel en naar diverse zijverhalen die op aparte webpagina’s staan. Dat zijn dingen die in een gedrukt boek niet kunnen.

Er is nog iets wat deze blovel gemeen heeft met een groot deel van de digitale literatuur: een obsessie met seks. Meer dan de helft van de tekst en het meerendeel van de illustraties vallen onder de noemer erotiek. De protagonisten hebben niet alleen veel seks, ze voeren er ook lange gesprekken over. Ze willen het begrijpen. Biologie, psychologie, religie en filosofie komen er aan te pas. Zo dreigt de blovel tussen twee stoelen te vallen. Lezers belust op erotische bevrediging vinden de dialogen wellicht hinderlijk doodgewicht en anderen die graag intellectueel  gestimuleerd worden ergeren zich vermoedelijk aan al dat seksgedoe.

Misschien heeft Vandesompele dat gevaar begrepen: hij heeft de stoelen uiteen geschoven. Het hoofdverhaal is niet meer seks-gedreven (al blijft het over liefde en verlangen gaan) terwijl de erotische avonturen  in een randverhaal  verdergaan. De lezer kan dus kiezen op welke stoel hij of zij wil zitten.

Interactiviteit, collaboratie tussen auteurs en tussen auteurs en lezers, wordt vaak aanzien als het belangrijkste kenmerk van de digitale literatuur. Op dat vlak scoort Vandesompele slecht. Er zijn haast geen commentaren. Nochtans was interactie met lezers een van de vier redenen waarom hij voor het blogformaat koos, zo legt hij uit in zijn “Over”–pagina.  De drie andere zijn de anonimiteit, de illustratiemogelijkheden en de zelf-opgelegde dwang om regelmatig te posten. Ook wat dat laatste betreft is het, zoals bij zovele bloggers, bij goede voornemens gebleven. Nina Amir heeft ongetwijfeld gelijk dat regelmatig posten en reclame maken op de sociale media broodnodig zijn om een bloggend boek een stem te geven die weerklank krijgt.  Blovels zoals “Heimwee…” die deze regels negeren zijn drijfhout in de wijde cyberoceaan.

Wat niet wil zeggen dat het niet de moeite loont om dat drijfhout op te pikken. De blovels die ik in dit stuk vermeld zijn volgens mijn niet-deskundige opinie alle vier aanraders.

Toch nog dit. Wat vele blovels mankeren is de ingreep van een bekwame redacteur. Dat heeft het traditionele boekcircuit dan weer voor op het blog en blook-formaat.  Al zijn er heel wat uitgeverijen van gedrukte boeken waar de redactie minimaal gebeurt (want dat kost geld en de winstmarge is klein), als de redactie serieus wordt genomen dan is het resulterende boek interactiever (want een product van samenwerking) dan blovels die eenzaam tot stand komen.

Vooral “Heimwee…” lijdt onder de afwezigheid van een klankbord. Van iemand die de auteur bijvoorbeeld duidelijk zou maken dat de aanwezigheid van een naakt meisje op een strand illustreren met meer dan 80 prentjes van het goede wel eventjes te veel is.  De blogger amuseert zich maar bezorgt zijn lezers intussen een indigestie.

Een illustratie uit hoofdstuk 72

Op schrijfcursussen in Amerikaanse universiteiten krijgen beginnende auteurs vaak het advies: “Kill you darlings”. Waarmee bedoeld wordt, laat niets staan enkel en alleen omdat je het zo mooi geformuleerd vindt.  Schrap wat niet functioneel is, wat het verhaal ter plaatse doet trappelen.  Ik weet niet of dit advies altijd het juiste is maar het is vaker juist dan niet. Bloggers die per definitie plaats à volonté hebben – geen boom hoeft te sterven voor Vandesompele’s  zondvloed van beelden-  moeten zich nog meer dan traditionele auteurs  van het gevaar van overdaad bewust zijn.

 

Vele blovels eindigen als e-books. De meeste kan men, niet verwonderlijk, gratis downloaden.  Hieronder enkele sites met een ruim aanbod.

http://webfictionguide.com/

http://www.ereaders.nl/gratis_e-books/

http://www.gratispdf.nl/

http://boekenland.wordpress.com/

 

 

januari 21, 2018 at 5:49 am Plaats een reactie

FLOWER POWER GUERRILLA

Jacqueline Goossens

De laatste maanden werden New Yorkers getracteerd op prachtige boeketten bloemen in vuilnisbakken en op andere schijnbaar lukraak gekozen locaties. Ze zijn het werk van Lewis Miller  en zijn team die op deze manier meer mensen wil bereiken dan de rijke klanten waarvoor hij gewoonlijk werkt. Het idee rijpte doordat hij na feesten waarvoor hij bloemstukken had gemaakt altijd veel bloemen overhield die te mooi waren om weg te gooien. Dus maakte hij er cadeaus van voor zijn stadsgenoten.

“New York is een prachtige maar ook soms een vuile stad; de mensen die hier wonen verdienen af en toe wat onverwachte schoonheid”, zegt Miller. ‘Vogue’ doopte hem “the flower bandit” en Miller is trots op die bijnaam. Hij houdt ervan om in zijn “flower flashes” zoals hij zijn straat-bloemwerken noemt goedkope en dure bloemen te combineren. “Mijn flashes zijn vrijpostig, spontaan en liefdevol onafgewerkt”, zegt hij, “net zoals echte New Yorkers.”

Vuilnisbakken zijn grote vazen voor hem maar hij versiert ook beelden in parken zoals dit:

Hier zet hij het gedenkteken voor John Lennon in Central Park in de bloemen:

Het idee is natuurlijk niet nieuw. In Brussel is  bloemist Geoffroy Mottart de ‘bloemenbandiet’.

Onderstaande buste van Leopold II heeft Mottart al herhaaldelijk ‘opgefleurd’.

 

In Detroit kocht bloemiste Lisa Waud  een vervallen huis voor 250 dollar.  Samen met andere cutting edge bloemisten en tientallen groep vrijwilligers heeft ze het wrak in 2015 omgetoverd in een prachtig bloemenkunstwerk. Elk plekje in het huis werd een adembenemende verrassing.

The Flower House symboliseerde ook de hoop van Waud en andere Detroiters dat hun stad zal heropbloeien. Het huis is inmiddels afgebroken; de grond waarop het stond is nu een bloemenveld.

Voor meer foto’s van the Flower House (fotografe: Heather Saunders), klik HIER.

januari 14, 2018 at 3:13 am 1 reactie

“PERSOON VAN HET JAAR” ?

door Tom Ronse

“The person of the year”, volgens Time Magazine, is niet Donald Trump (tot zijn sjagrijn) maar de “#MeToo”-beweging.  Dat krijgt mijn applaus. Niet dat dit persé het belangrijkste is wat dit jaar op deze planeet gebeurde maar toch, it’s about time. Het is meer dan tijd dat mannen duidelijk wordt gemaakt dat een bezitterige benadering van vrouwen niet meer kan.  Ook al was dat deel van onze dierbare patriarchale  family values.

Voor een stuk is dit het gevolg van verandering in de (kapitalistische) productiewijze. Die is nu minder gebaseerd op fysieke arbeidskracht (waarin mannen een intrinsiek voordeel hebben) en meer op  intellectuele capaciteiten waarin vrouwen niet onderdoen voor mannen.  Als we kijken naar de success rate in universitaire studies dan lijkt het waarschijnlijk dat  er steeds meer vrouwen invloedrijke posities zullen “bemannen” (een woord dat spoedig archaisch zal worden). Dat proces is volop aan de gang. Natuurlijk accepteren vrouwen steeds minder de onderdanige rol die hen voorgeschreven werd en wordt. Ze bevinden zich steeds meer in een sociale positie waarin ze ‘nee’ kunnen zeggen. Ook al zijn er nog veel plaatsen op de wereld waar de status van een vrouw niet hoger staat dan die van een koe en soms zelfs lager.

De “Me Too”-campagne heeft vele sterren van hun voetstuk geschopt. In de hele opperkorst van de maatschappij werd het doekje gelicht over de transgressies van politici, media-moguls, tv-stars, acteurs, dirigenten, journalisten en noem maar op. Meegesleept waren ze allemaal door de euforie van de macht. Zelf heb ik nooit een machtspositie gehad dus kan ik ook niet weten hoe dat voelt, welke verlangens dat opwekt. Wel valt het me op dat het voor verschillende van deze machtsdronken mannen een groot genoegen was om hun penis te tonen aan vrouwen. Wat is het precies wat die ervaring zo erotisch maakt? Ik vind het moeilijk te bevatten maar dat komt misschien omdat ik zelf nooit machtig ben geweest.

Achter de pakweg twintig vrouwen die de moed hadden om de praktijken van Harvey Weinstein te onthullen waren er wellicht vele andere die op zijn exhibitionisme reageerden alsof ze in in een pornofilm acteerden, in de hoop dat hun carriere er wel bij zou varen, of die te geschokt en bang waren om zich te verzetten en om zijn roofdiergedrag publiek te maken. En achter de  pakweg honderd celebrities die aan de schandpaal zijn genageld, zijn er vele duizenden niet-beroemde potentaatjes die ongestraft hetzelfde of erger deden en doen. Zoals al vaak is opgemerkt, dit probleem beperkt zich niet tot de opperste korst, de hele maatschappij is er door aangetast.

Toch is het belangrijk om een gevoel voor proporties te bewaren. Een hand op je bil voelen is niet hetzelfde als verkracht worden, wat elk slachtoffer van verkrachting zal beamen.  Door ze in dezelfde categorie te plaatsen ondergraaft men de ernst van deze laatste misdaad. Waarmee ik het eerste niet wil goedpraten.  Toch is het zo dat dezelfde handelingen zowel sexuele agressie als een welkome flirt kunnen zijn. Het hangt af van de kontekst.

Overal waar mensen samen werken, en zeker daar waar mannen en vrouwen samen werken,en zich samen ontspannen, ontstaat er onvermijdelijk vriendschap en rivaliteit, affectie en antipathie, aantrekking en afstoting, populariteit en pesterij, verleiding en agressie, in allerlei vormen. We zijn mensen tenslotte.

Een ruige grap vertellen kan leuk zijn of gemeen, naar gelang de kontekst.

Flirten kan intimideren of behagen, naar gelang de kontekst.

Zelfs die hand op een bil moet je in zijn kontekst zien.

Natuurlijk  kan dat leiden tot misverstanden. Natuurlijk kun je de signalen verkeerd interpreteren. Is dat niet elk van ons al overkomen? Dat kan leiden tot gedrag dat door een van beiden ongewenst is. Jammer maar dat zal blijven gebeuren zolang we geen telepathische vermogens hebben.

Wat niet weg neemt dat mannen (en soms ook vrouwen)  die het woord nee niet verstaan op hun plaats moeten worden gezet.

Maar met strengere regels kun je lompheid, domheid, raciale, mysogene en andere vooroordelen niet doen verdwijnen. Je kunt ze hoogstens wat onder het tapijt duwen.

Onder gelijken is ongewenst sexueel gedrag een sterk reduceerbaar probleem. Iets dat uitgepraat kan worden. Ongelijkheid is de kern van de zaak.

De relatie gezag/onderwerping bepaalt ook de kontekst. Zij is het die het grensoverschrijdend gedrag voor de daders erotisch maakt (de machtseuforie is wat ze zoeken, niet de sex an sich die ze aan huis kunnen bestellen als pizza) , voor enkele van hun prooien misschien ook, maar de meeste ervaren het wellicht als angstaanjagende, vernederende agressie.

De drang om de machtseuforie sexueel te beleven zal blijven bestaan, zolang de maatschappij op machtsstreven gebaseerd is. De kwaal kan enkel aan de wortels worden uitgeroeid.

Intussen verdienen vrouwen en mannen die onderwerping weigeren, die de stilte verbreken en misdaden aanklagen onze steun. Maar de Me Too-beweging is volgens de Amerikaanse journaliste  Claire Berlinski ontaard in een “morele paniek die zowel voor vrouwen als voor mannen gevaarlijk is”.

De definitie van “harassment” (sexueel wangedrag) is zo elastisch geworden, schrijft ze in The American Interest   dat ze nu ook onschuldig gedrag omvat:  “all the typical flirtation that brings joy and amusement to so many of our lives, all the vulgar humor that says, “We’re among friends, we may speak frankly.” It becomes harassment only by virtue of three words: “I felt demeaned.”

“It now takes only one accusation to destroy a man’s life. Just one for him to be tried and sentenced in the court of public opinion, overnight costing him his livelihood and social respectability. We are on a frenzied extrajudicial warlock hunt that does not pause to parse the difference between rape and stupidity. The punishment for sexual harassment is so grave that clearly this crime—like any other serious crime—requires an unambiguous definition. We have nothing of the sort.”

Ze geeft vele voorbeelden van mannen die ontslagen werden op basis van een ongewenste kus, een omarming, een hand op een knie.

Anyone who imagines it is easy for a man to figure out whether a woman might like to be kissed is insane. The difficulty of ascertaining whether one’s passions are reciprocated is the theme of 90 percent of human literature and every romantic comedy or pop song ever written.

Jonathan Schwartz, een radio-personaliteit bij NPR (National Public Radio) liep over schreef door opmerkingen die hij maakte tegen gasten en collega’s. Een van de klachten was van een vrouw die zei dat hij haar gecomplimenteerd had met haar uiterlijk. Wat hij precies gezegd had werd niet bekend gemaakt. Was het een lompe opmerking over de omvang van haar borsten of zei hij enkel, wat zie jij er mooi uit vandaag?  Hoe dan ook, als dit het ergste was wat die vrouw overkwam, dan mag ze zich gelukkig prijzen.

Schwartz werd ontslagen en met hem verschillende andere sterren van NPR en andere media. Die mensen hebben nu een berufsverbot gekregen. Dustin Hoffman en Kevin Spacey mogen niet meer acteren,  CK Louis mag niet meer optreden, Garrison Keillor mag niet meer over poëzie praten op NPR, Bart De Pauw mag geen televisie meer maken, enzovoort.  Onze cultuur wordt ontsmet. Als we consequent zijn dan moeten we ook alle kunst verwijderen die in het verleden geproduceerd werd door mannen die zich schuldig maakten aan sexueel wangedrag. Dus haal de Picasso’s en de Caravaggio’s uit de musea, verbrandt de films van Polanski en Woody Allen, luister nooit meer naar Michael Jackson, enzovoort. En dan moeten we de cultuur natuurlijk ook inhoudelijk bekijken. Hoeveel van wat in de musea hangt, van wat in films en muziek wordt vertolkt, is vrouw-onvriendelijk?  Is het tijd voor een grote kuis?

Er zou veel plaats vrij komen in de musea en filmotheken. Sommigen maken daar al werk van. Zo is er een petitie  online  die van het New Yorkse Metropolitan Museum of Art eist om “Thérèse rêvant”, een werk uit 1938 van de Pools-Franse schilder Balthus te verwijderen.

De petitie, die al meer dan 11.500 “handtekeningen”verzamelde, stelt dat “given the current climate around sexual assault and allegations that become more public each day, in showcasing this work for the masses the Met is  supporting voyeurism and the objectification of children”.

De illustratie boven de petitie vat het doel goed samen:

Volgens Claire Berlinski dreigen vrouwen zelf het slachtoffer te worden van deze puriteinse kruistocht. Ze waarschuwt haar seksegenoten:

  “From now on, men with any instinct for self-preservation will cease to speak of anything personal, anything sexual, in our presence. They will make no bawdy jokes when we are listening. They will adopt in our presence great deference to our exquisite sensitivity and frailty. Many women seem positively joyful at this prospect. The Revolution has at last been achieved! But how could this be the world we want? Isn’t this the world we escaped?

Who could blame a man who does not enjoy the company of women under these circumstances, who would just rather not have women in the workplace at all?

Like so many revolutions, the sexual revolution risks coming full circle, returning us right where we started—fainting at bawdy jokes, demanding the return of ancient standards of chivalry, so delicate and virginal that a man’s hand on our knee causes us trauma.”

december 30, 2017 at 3:14 am 1 reactie

Prettige feestdagen!

Glen Baxter

Charles Bukowski, 1989

BESTE WENSEN AAN ALLE SALON-VRIENDEN VAN HEEL ONS GEZIN!

december 26, 2017 at 6:38 am Plaats een reactie

BLOVELS

Dit is de dertiende aflevering in de serie “Heeft het papieren boek nog een toekomst? De vorige vind je HIER.

Tom Ronse

Een specifiek product van de digitale literatuur is de blovel.  Het woord is een samentrekking van “blog” en “novel” , een roman dus die in afleveringen in een blog verschijnt. Op zich is dat alweer niets nieuw. Het “feuilleton” bestaat al bijna zo lang als er kranten bestaan.  Beroemde auteurs zoals Dickens, Flaubert  en Couperus publiceerden hun romans in afleveringen. Ook toen al was er een interactief aspect. De schrijvers waren niet ongevoelig voor de reacties van lezers. Toen Conan Doyle Sherlock Holmes liet vermoorden kwam er zoveel protest dat de auteur zijn held in de volgende aflevering van het tijdschrift ‘Strand’ weer tot leven wekte.

Maar door het internet is dat interactieve wel veel belangrijker geworden. “De grote bijdrage die de blovel aan de literatuur heeft geleverd is dat zijn essentiële kenmerk het dialogisme is tussen lezer en auteur”, schrijft Annabell Manjarrés Freyle.

Fiction Express verkoopt interactieve jeugdliteratuur aan scholen. De firma produceert per schooljaar 18 romans (verdeeld over drie leeftijdsgroepen). Elke vrijdag is er een nieuw hoofdstuk dat eindigt op een “cliffhanger” gevolgd door een reeks mogelijke plotwendingen. De episode wordt in de klas besproken (de leraar ontvangt ter begeleiding een lespakket) waarna de leerlingen tot dinsdag de tijd hebben om te stemmen over de plot-opties. Tegen vrijdag heeft de firma al een nieuw hoofdstuk klaar, gebaseerd op de keuze van de meerderheid.

Er is een subcultuur die vindt dat alleen verhalen die rechtstreeks interactief tot stand komen de naam blovel’ waard zijn.  Dat betekent dat verschillende auteurs elk om beurt een hoofdstuk produceren.

Een voorbeeld van zo’n interactieve blovel die vrij veel weerklank kreeg is Le roman d’Arnaud. Men kan het e-book HIER lezen of downloaden.  Drie Franse auteurs schreven gedurende 40 dagen en 40 nachten aan deze thriller die elke dag op een Facebook-pagina werd aangevuld.  Er werd niet gestemd maar de commentaren van lezers hadden wel degelijk een invloed op de plot. Om lezers te werven maakten de auteurs reclame op de sociale media (o.m een trailer op Youtube )

Om samen te schrijven moet er natuurlijk een en ander afgesproken worden. Regels zijn nodig maar sommige blovelsites gaan daar wel heel ver in.  Niet alleen zijn er regels wat de lengte betreft  (meestal kort: tussen 500 en 1000 woorden of tussen 250 en 500 woorden) en aangaande de regelmaat (het moet vaak erg snel gaan) maar het blijkt bovendien een dogma dat de verhalen in de ik-persoon moeten geschreven worden, dat ze het schema begin-krisis-ontknoping moeten volgen, dat elk hoofdstuk op een klifhanger moet eindigen. Ook blovelsites voor blovels met maar één auteur hanteren allerlei regels. Wat me paradoxaal lijkt.  Ik had verwacht dat de digitale auteurs de vrijheid die het internet geeft om te experimenteren, om regels te breken, gretig zouden omarmen. Maar nee, ze leggen zichzelf een keurslijf op.

Misschien had ik bovenstaande zinnen in de verleden tijd moeten schrijven want het blovelgenre lijkt nu al over zijn hoogtepunt heen.  Het  ontstond in de jaren 90 en bloeide in het eerste decennium van deze eeuw, vooral in de Engelse en Spaanse talen.

Een voorbeeld van de vele bovelsites die toen bestonden is Blognovelas.es. Deze site functioneerde als een digitale bibliotheek voor blovels (blognovelas) in het Spaans. Daarnaast kon je er diverse lopende blognovelas lezen en van commentaar voorzien.  De verhalen waren gerangschikt per genre (drama, komedie, romantiek, avontuur, science fiction, fantasy, thrillers…). Er was een top tien van meest bekeken blognovelas  en er werden prijzen uitgereikt per seizoen (dus vier maal per jaar) en per genre op basis van de stemmen van lezers. De populairste blovel van het jaar werd uitgeroepen tot „Blognovela de Oro” (Gouden Blovel). Daarnaast werden er prijzen uitgedeeld voor de de beste auteur van het jaar, het beste personage van het jaar, het beste blogdesign van het jaar… Ook was er een forum, een chatbox, een evenementenkalender en meer. Er schiet niets van over. Blognovelas.es is verdwenen net als andere populaire blovelsites zoals Blovelspot.com en EatYourSerial.  De Blooker-prijs, voor het beste „blook“ (boek gebaseerd op een blovel) bestaat niet meer. De blovel lijkt, zoals zovele andere internet-fenomenen, een voorbijgaande mode.

En toch, de blovel is niet dood.

WORDT VERVOLGD

december 18, 2017 at 4:45 am 1 reactie

ZIN IN EEN SPELLETJE?

             Screen shot uit het computerspel Bioshock

Dit is de twaalfde aflevering in de serie “Heeft het papieren boek nog een toekomst? Vandaag gaat het over literatuur en computer games.

 

Tom Ronse

 

Nog verder dan de digitale auteurs die we in de vorige aflevering  bespraken gaan de experimenten van diegenen die proberen om literatuur te combineren met computer games en apps. De Britse professor Astrid Ensslin schreef er een boek over Literary Gaming (MIT Press 2014) waarin ze een overzicht geeft van wat er op dat vlak gebeurt, onderverdeeld in verschillende categorieen, gaande van literair werk met een lichte game-input tot spelletjes met een beetje literaire opsmuk. Hypertekst (tekst in gelinkte fragmenten) staat wat meer aan de literaire kant en interactieve fictie (tekst die aftakt aan de hand van je keuzes) staat in het midden.

Computer gaming is een gloednieuwe kunstvorm volgens Ensslin. In universiteiten wordt ze bestudeerd door “ludologen” (afgeleid van het latijnse woord voor spel, ludus). Over het kunstgehalte kan gediskussieerd worden maar het staat buiten kijf dat de computer game-industrie op korte tijd een gigantische presence heeft veroverd in de cultuursector. Haar omzet is groter dan die van Hollywood en de hele muziekindustrie . Deze laatsten krijgen in de media nochtans veel meer aandacht. Een reden daarvoor is wellicht dat de grote media eerder conservatief geneigd zijn. Een andere, belangrijker misschien, is dat de game-industrie tot nu toe weinig geproduceerd heeft met een sterk artistiek impact.  De games verbeteren snel maar wat verbetert zijn de audiovisuele effecten, de realistische weergave (binnenkort in 3D), de gebruiksmogelijkheden. Maar de ‘verhalen’ blijven clichématig, de betekenis irrelevant.  Toch in de commerciële game-productie. Daarbuiten zijn er heel wat kleinere producenten die met beperkte middelen en een minimum aan personeel wel vernieuwend werk maken. Clint Hocking, een designer bij de game-firma Ubisoft, verwees naar hen op een Game Developers Conference: “Why can’t we make a game that fucking means something? A game that matters? … “I think it sucks ass that two guys tinkering away in their spare time have done as much or more to advance the industry than the other hundred thousand of us working fifty-hour weeks.” (www.esquire.com)

De academici die “new media art” bestuderen, besteden wel veel aandacht aan computer games. Het kenmerk van de nieuwe media dat ze het meest benadrukken is hun interactiviteit en games zijn per definitie interactief.  Ze lijken de mogelijkheid te bieden om een nieuwe kunstvorm uit te vinden met een structuur die participatief is in plaats van dictatoriaal en die zo de relatie tussen kunstenaar en publiek herdefinieert.  In tegenstelling tot de passieve lezer of kijker van boeken en films is de speler een actieve mede-auteur.

Maar klopt dit wel?

Onverzoenbaar?

De lezers van een literair boek zijn niet zomaar een passieve consumenten. Ze interpreteren het verhaal, maken associaties, gebruiken hun verbeelding. De gamers beinvloeden het verhaal wel door hun acties maar zijn gebonden aan allerlei spelregels. Men kan stellen dat zij meer gemanipuleerd worden dan de lezers van een boek.

De fundamentele vraag is of computer games en literatuur überhaupt wel verzoenbaar zijn.  Kunst vraagt een andere soort concentratie dan gaming – lezen en spelen activeren elk een verschillend deel van de hersens. Dus hoe intenser je speelt, hoe minder aandacht je hebt voor de artistieke kwaliteiten die het spel mogelijks heeft.

Dat is de muur waartegen velen die proberen literatuur en games samen te brengen, te pletter lopen. Een voorbeeld is  The Princess Murderer, een game die veel tekst gebruikt. Die bezit ongetwijfeld literaire kwaliteiten maar het doel van een game is punten scoren en hoe meer je je daarop toelegt, hoe haastiger je leest.

Maar er zijn ook game-designers die deze muur weten te omzeilen. Dat doen ze onder meer door het spel te vertragen, tijdslimieten te elimineren, zodat de gamer meer aandacht kan besteden aan de artistieke aspecten. Games zijn een reflectie van onze competitieve maatschappij. Het komt er op aan om te winnen, een hogere score te behalen, een hoger niveau te bereiken. Handigheid en reactiesnelheid worden beloond, alles wat daar afbreuk aan doet wordt bestraft. In literaire games is dat zelden het geval. De gamer is nog wel een actieve participant – hij moet raadsels oplossen, verbanden leggen en keuzes maken die een gevolg hebben voor het verder verloop van het verhaal- maar winnen is van ondergeschikt belang of komt er helemaal niet meer bij kijken. Wat alle artistieke games gemeen hebben is dat ze vertrekken van een onconventioneel scenario dat op een onconventionele manier wordt ontwikkeld.

     Screen shot uit “Dear Esther”

Sommige zijn ook een commercieel sukses. Van Dear Esther  (2012),een creatie van de Britse studio The Chinese room , werden een miljoen exemplaren verkocht. In dit spel wandel je rond op een verlaten eiland en hoor je onderweg diverse verhaalflarden waaruit op de duur een poëtische samenhang blijkt. De spel-elementen zijn minimaal, de tekst domineert. Het valt nog nauwelijks een game te noemen maar toch is het ook iets anders dan een boek.

Aan de andere kant van Ennslins spectrum vind je kaskrakers zoals Bioshock die veel dichter bij de klassieke game-vorm blijven maar er toch een literaire waarde aan toevoegen. Bioshock won veel prijzen en kreeg vooral lof voor zijn origineel scenario en onderdompelende decors. Volgens Wikepedia wordt het beschouwd als “one of the greatest video games of all time and a demonstration of video game as an art form.”  Na Bioshock kwam Bioshock 2 en vorig jaar Bioshock Infinite. De drie series zijn HIER te vinden. Ze werden bedacht door Ken Levine en ontwikkeld door de studios 2K Boston en 2K Australia.

BioShock is zoals de meeste games een first-person shooter, wat wil zeggen dat er veel schieten en ander geweld aan te pas komt en dat de speler de actie ervaart door de ogen van de protagonist. Vele van de meer artistieke game-designers kiezen daarentegen voor een third-person standpunt juist omdat ze willen vermijden dat de speler, door zich te identificeren met zijn avatar, zich volledig door het spel-aspect laat opslorpen. Bioshock verschilt van de klassieke games door de complexiteit van het verhaal en doordat tekst een belangrijke rol speelt. Het spel begint als je met je vliegtuig in zee stort en in een distopische onderwaterstad terecht komt waar je vijanden en vrienden ontmoet en een manier zoekt om te ontsnappen. Af en toe vind je taperecorders met daarop flarden van monologen. Die zijn puzzelstukjes die je moet samenleggen om het geheel te begrijpen.

                Uit Bioshock Infinite

Literair, min of meer

De meeste literaire games vallen ergens tussen in deze twee extremen. Niels t’Hooft is een Nederlandse auteur en spel-ontwikkelaar  die de ontluikende kunstvorm op de voet volgt. Het stuk dat je nu leest is schatplichtig aan de artikels die hij daarover op zijn site.  Voor wie na dit stuk meer wil vernemen over literaire games is zijn site een goed vertrekpunt. Zelf experimenteert hij ook met nieuwe digitale presentatievormen van zijn literair werk.

Een van zijn favoriete computer games is Kentucky Route Zero, een Amerikaanse reeks avonturenspellen die begon in 2012 en nog steeds loopt. Het gaat over een postbode die door een surrealistische versie van Kentucky dwaalt. Hier is een trailer. “De game is verschrikkelijk mooi gemaakt, barst van de intertekstualiteit, en speelt bovendien met het medium”, oordeelt T’Hooft.

     Uit Kentucky Route Zero

Kentucky Route Zero wordt gemaakt door Cardboard Computer,  een trio vanmediakunstenaars uit Chicago.  T’Hooft: “Ze citeren gretig uit andere media en spelen daar vervolgens mee: beeldende kunst, cinema, muziek, architectuur en literatuur. Zo laten ze zien dat het gamemedium (en software in het algemeen, want games zijn een vorm van software) uitermate goed in staat is om andere media in zich op te nemen. Gewapend met een kleurenscherm, stereospeakers, internetverbinding en dynamisch geheugen kan software vrijwel alle andere kunstvormen absorberen en adapteren. Beeld of tekst, interactief of niet, als je er als toeschouwer toe bereid bent, is diepe onderdompeling mogelijk.”

Een andere favoriet van t’Hooft is The Stanley Parable (2013) gemaakt door de Brit Davey Wreden. In deze game ben je een bediende die in een leeg kantoorgebouw  op zoek gaat naar je verdwenen collega’s.  Naar gelang de aftakking die je neemt in het laberinth van gangen, neemt het verhaal een andere wending. Alles wat je doet wordt becommentarieerd door een droogkomische, licht ontvlambare verteller. Hier is de trailer.

The Stanley Parable is een “mod” ( van“modification“) een variatie van een reeds bestaande game, in dit geval  Half-Life 2.  Er bestaat een hele subcultuur van game mods. Sommigen maken kleine veranderingen, anderen, zoals Wreden, gooien het hele spel om. Sommige zijn zo populair dat de term “vanilla” wordt gebruikt als men het over het originele, niet-gemodifieerde spel heeft, zoals in “Vanilla Battlefield 1942”.  Men kan parallellen zien tussen deze subcultuur en het fenomeen van “fan-fiction” dat we in een vorige aflevering van deze serie bespraken (variaties op bestaande boeken, tv-shows en films) en de hele remix-trend in populaire muziek en videos.  Eclectische collage is een dominante  strategie in de kunst van vandaag.

           Uit The Stanley Parade

 

Andere literaire games die t’Hooft aanstipt zijn onder meer  Device6, Gone Home en Blackbar .

Device6 , een Zweeds product, is een Alice in Wonderland -achtige zoektocht op een eiland waarin je puzzels moet oplossen om naar het volgende hoofdstuk te gaan. (Bekijk hier de trailer)

Blackbar is eenvoudiger, maar volgens T’Hooft beter geslaagd, omdat de verschillende elementen beter samenhangen en alle ruimte is gegeven aan de verbeeldingskracht van tekst. Het is een verhaal over censuur, bureaucratie en vriendschap, verteld aan de hand van documenten waarin gevoelige woorden zijn weggestreept.Door te deduceren wat er onder die zwarte balkjes stond dring je dieper door in het verhaal.

In Gone Home kom je na een wereldreis terug in je ouderlijk huis maar je familie is nergens te bespeuren. Wat er aan de hand is, ontdek je als je de villa kamer voor kamer doorzoekt. Het verhaal wordt verteld in visuele details die je overal tegenkomt, maar ook in de documenten die verspreid liggen: artikels, brieven, notities, de dagboekfragmenten van je jongere zus. Op non-lineaire wijze ontrafel je de plot.

Minder tekstueel gericht is de Vlaming Michael Samyn die samen met zijn Amerikaanse vrouw Auriea Harvey de computer games  The Graveyard, The Path, The Endless Forest en Luxuria Superbia ontwierp. Hun studio Tale of Tales  is gebaseerd in Gent. Momenteel werken ze aan een project dat Cathedral-in-the-Clouds heet.  Ze staan bekend voor hun distinctieve visuele stijl en hun originele benadering van het game-concept.

Harvey en Samyn

In de games van Tale of Tales hoef je niet snel en handig te zijn. Je kunt niet winnen of verliezen.Tekst wordt er zelden in gebruikt. Het zijn eerder atmosferische gedichten of kortverhalen, waarin je wordt ondergedompeld wordt door de pseudo 3D-omgeving en je actieve participatie. Die participatie is soms heel beperkt. In The Graveyard (2008) is je taak een oude dame over een pad door een kerkhof leiden tot ze kan gaan zitten op een bank voor een kapel. Daar luistert ze samen met jou naar “Komen te gaan”, een melancholisch lied van Gerry De Mol  (gezongen in het Nederlands met Engelse ondertiteling). Daarna leidt je de dame het kerkhof uit. Je kunt The Graveyard gratis downloaden op de site van Tale of Tales. Of je kunt 5 dollar betalen voor een versie met iets meer variatie.

 

The Graveyard kreef lof maar ook kritiek van game-puristen  die het pretentieuze artsy fartsy vonden, de naam ‘game’ onwaardig. Hadden Harvey en Samyn er niet even goed een kortfilm van kunnen maken? Samyns antwoord op die vraag is dat een computer game kwaliteiten bezit  –interactie, onderdompeling, simulatie – die niet reproduceerbaar zijn in andere media en die maken dat de spelers de inhoud anders beleven dan als ze een film bekijken of een tekst lezen.

 Apps voor smartphones

Steeds meer games worden geformateerd als apps voor smartphones. De meeste zijn idiote spelletjes maar er zijn ook apps met literaire kwaliteiten. Een recent voorbeeld is Bury me, my love , waarin je een Syriër bent die via smartphones in contact blijft met zijn vrouw die gekozen heeft om naar Europa te vluchten. Je moet haar helpen in het onderhandelen met smokkelaars, het kiezen van een zwemvest enz. De dialogen zijn goed geschreven. De game is gebaseerd op een reportage in Le Monde en de makers hebben  zelf vluchtelingen geinterviewd. Je kunt het spel in ‘realtime’ spelen, zodat je berichten van je Syrische echtgenote krijgt  tussen die van je echte kennissen. De app kost 2,99 dollar. Bekijk HIER de trailer.

Uit Bury me, my love

De Franse studio The Pixel Hunt specialiseert zich in games met een actuele relevantie, games die je doen nadenken en andermans leed invoelen.  Een andere game die op de actualiteit inpikt is  Pry van Danny Cannizzaro en Samantha Gorman, of Tender Claws, twee kunstenaars uit Los Angeles. Het is een verhaal over een getraumatiseerde Irak-veteraan, verteld in hoofdstukken waarin games, film en tekst op steeds andere manieren worden gecombineerd (bekijk HIER de trailer).  Niels t’Hooft schrijft over deze app: “Het is een interessante verkenning van tekstinteracties, die mijn geduld wel erg op de proef stelt. Om te lezen is een rustige modus nodig, een heel precieze stemming. Mijn aandacht moet langere tijd worden vastgehouden, maar met montages vol tekst-en beeldflarden wordt die juist onderbroken. Het geeft me de neiging snel naar de volgende module te willen scrollen; tekst als wegwerpartikel in dienst van het experiment.”

Hij houdt meer van de app-roman  Arcadia van Iain Pears, uitgebracht door de Engelse studio Touchpress. Een game kun je die eigenlijk niet noemen. De roman bestaat uit lineaire teksten maar als lezer kun je kiezen in welke volgorde je de  parallelle verhaallijnen wilt lezen.  Je kunt de app gratis downloaden.

De app Bitterveld van de Nederlandse Liesbeth Eugelink  gebruikt een interactieve kaart van Berlijn als interface. De lezer kan kiezen uit verschillende (metro)routes. Afhankelijk van de keuze die je maakt, wordt de tekst in een andere context geplaatst, waardoor het verhaal telkens een andere betekenis krijgt.In feite is het een non-lineair reisverhaal dat parallellen trekt tussen de tweede wereldoorlog en vandaag.

 

Grunberg

Niemand minder dan de gevierde auteur Arnon Grunberg zei te willen onderzoeken of de toekomst van de literatuur in games ligt. Daartoe ontwierp hij, in samenwerking met studenten van de universiteit van Amsterdam, een urban game, een computerspel dat plaatsvindt in de echte wereld. Being Grunberg, zoals het spel heette, werd in februari 2015 gespeeld in het centrum van Amsterdam door tientallen vrijwilligers gewapend met een smartphone met daarop een app die hen instructies gaf. Niels t’Hooft was een van de deelnemers.  Hij schrijft:

“Een interessante ervaring was het zeker. Afhankelijk van waar ik me bevond kreeg ik verhalende fragmenten te horen via mijn koptelefoon, en ik sprak en onderhandelde met medespelers en acteurs. Zelf nam ik ook een rol aan: als mensensmokkelaar moest ik nep-paspoorten verkopen. Andere spelers waren huisvader, illegaal of marechaussee, ieder met hun eigen speldoel. Daardoor liepen de ervaringen nogal uiteen, al moest iedereen dezelfde informatie verzamelen over een fictieve gijzeling. Omdat ik bij toeval al gauw een voorsprong had in het laatste, kon ik een lucratief informatiehandeltje beginnen; spelen om nieuwe dingen te ontdekken en om het perspectief van een ander aan te nemen (voorname redenen waarom ik doorgaans games speel) maakten snel plaats voor spelen om keihard te winnen.”

Grunberg zelf was volgens t’Hooft vooral geïntrigeerd door het ongemak dat ontstond toen spelers zichzelf voor een raam tentoon moesten stellen en in het openbaar met elkaar moesten knuffelen. “Het ongemakkelijke gevoel dat je kunt ervaren als je een roman leest valt hierbij in het niet”, zei hij na afloop.

Een literaire hoogvlieger was het niet volgens t’Hooft. Toch gelooft hij vast in de toekomstmogelijkheden van de literaire game. Niet dat die in de plaats van de traditionele roman in (gedrukte of digitale) boekvorm komt maar wel daarnaast een bloeiende hybride kunstvorm wordt, omdat het als geen ander medium andere kunsten (film, literatuur, theater, rollenspel,dans, muziek..) in zich kan opnemen.

Money

De grote game-producenten concurreren in snelheid, 3D-effecten, sound and fury en werken met budgetten waar de game-ontwikkelaars met artistieke ambities alleen maar van kunnen dromen. De visuele impact van literaire games kan dan ook soms mager afsteken tegenover het overdonderend geweld van de blockbuster games. Anderzijds kunnen ook game-ontwikkelaars met schaarse middelen via het internet een relatief groot en wereldwijd publiek bereiken.  Sommige financieren hun projecten via Kickstarter en andere vormen van crowd-funding. Subsidies kunnen ook helpen. In 2016 subsidieerde het Nederlands Letterenfonds twee literaire games. Na een open oproep kreeg het fonds bijna 50 projectvoorstellen. De twee winnaars waren Puzzling Poetry’ en ‘Winter’.

‘Puzzling Poetry’ van de Nederlandse Studio Louter en dichter Lucas Hirsch is een game waarin de speler gedeconstrueerde gedichten van Hirsch en andere dichters recreëert. De uitdaging is om naast de betekenis van de woorden goed te kijken naar de ritmiek en de grafische verhoudingen. ‘Het spelen met woorden leidt onverwacht tot een nieuwe, geconcentreerde manier van lezen,’ vond de selectiecommissie. Je kunt de app HIER downloaden.

‘Winter’ van de Leuvense studio Happy Volcano  is een mobile game, waarin de speler stap voor stap navigeert door een wereld van tegels. Per stap ontvouwt zich een verhaal (in de vorm van een innerlijke dialoog)  waarvan de speler het verloop  mee bepaalt. De tekst is geschreven door de Vlaamse auteur Joost Vandecasteele. De speler krijgt met verschillende doodsmomenten te maken, gepresenteerd als op te lossen puzzels. De doodsmomenten variëren van lieflijk en vredevol tot over the top gewelddadig. Die beschrijving komt van de site van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, dat mee subsidieerde, want zelf heb ik niet gevonden waar ‘Winter’ gedownload kan worden. Het project is inmiddels van naam veranderd en heet nu “The almost gone” waarvan de release-datum is opgeschoven naar 2018. Je kunt hier alvast een trailer bekijken.

Voor zover ik kon nagaan waren deze subsidies eenmalig en valt er op dat vlak in de toekomst niet veel te verwachten. Maar de opmars van de literaire games zal er niet door tegengehouden worden. De impuls zal blijven komen van individuen en kleine collectieven, eerder dan van de grote game-firmas die vastzitten in het patroon van productie en mass-marketing. In het verleden was het probleem dat zo’n kleinschalig werk moeilijk een publiek vond. Dankzij het web kunnen creatieve pioniers vandaag de aandacht vangen van geinteresseerden over heel de wereld. Ik vind het hoopgevend dat zovelen dat met zoveel enthousiasme doen, ook al worden ze er niet rijk door.

 

WORDT VERVOLGD

 

december 13, 2017 at 5:28 am 1 reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.373 andere volgers