Archief beheerder

EEN ZALM DIE STROOMAFWAARTS ZWEMT

Het totemdier van De Morgen is de zalm, een vis die ervoor bekend staat dat hij onbevreesd tegen de stroom in zwemt. Helaas treft men in de krant vaak vissen in aan die met de stroom meedrijven; die braafjes de school volgen.

Een recent voorbeeld daarvan is een artikel in De Morgen van 31 oktober, breed getiteld “Anarchistische terreur steekt weer de kop op”. Daar boven: “Drie Belgische defensiebedrijven in brand gestoken, inlichtingendiensten verwachten nog aanvallen”.

Laat ons met de titel beginnen. Wat is terreur? Het woord wordt meestal gebruikt in uitdrukkingen als ‘terreur zaaien’ en terreurbewind”, wat betekent geweldpleging om angst, paniek en onderwerping te veroorzaken. De aanslagen gepleegd door groepen als Isis, Al Qaida  en de bende van Nijvel vallen daar duidelijk onder. De Saoedische, Westerse en Russische bombardementen in Afghanistan, Yemen, Syrië, enz., eveneens.  Maar de “aanslagen” waarover dit artikel gaat niet.

Laat ons aannemen dat de auteur, Yannick Verberckmoes, “terreur” als synoniem voor “terrorisme” gebruikt. Over het politiek gebruik – of beter misbruik- van dat woord heeft Noam Chomsky in zijn recent door EPO uitgegeven boek een mooi hoofdstuk geschreven. Wat onderscheidt terrorisme van militaire acties? Dat burgers het doelwit zijn, is geen bruikbaar criterium, want in oorlogen is dat ook steevast het geval. Dat het geweld politieke doeleinden heeft, eveneens.  Wat er overblijft is wie het geweld pleegt: als een staat het doet, zijn het “militaire acties”of “klandestiene operaties”, als de geweldpleger geen staat is (maar het meestal hoopt te worden) is het terrorisme. Tenzij de geweldplegers aan onze westerse, christelijke kant staan; dan zijn het geen ‘terrorists’ maar ‘freedom fighters’. Journalisten die deze Newspeak overnemen, papegaaien Big Brother.

Alleen al het woord “defensiebedrijven” dat in dit artikel wordt gebruikt om de wapenindustrie te omschrijven is Newspeak. De bedrijven in kwestie maken tanks, raketten die dienen om steden te verwoesten in het Midden Oosten, niet om België te verdedigen. Met defensie heeft dat niets te maken. Vroeger was men eerlijker, toen heette het ministerie van Defensie nog ministerie van Oorlog.

Maar terug naar de “terreur” waarover deze zalm gaat. De aanleiding voor het artikel is een brand eind september in een loods van een bedrijf in een industrieterrein in Mechelen. Dat bedrijf, Varec, maakt rupsbanden voor tanks en andere militaire voertuigen. Er waren geen slachtoffers (van de brand, wel te verstaan, hoeveel slachtoffers vielen door de wapens die Varec hielp maken weten we niet). De “aanslag” werd niet opgeeist, niet door anarchisten noch door iemand anders. Er is geen spoor van een dader. Sterker nog, het is helemaal niet zeker dat er een dader was. Ondanks de stelligheid waarmee Verberckmoes in zijn boventitel spreekt van brandstichting, vindt hij niemand die zijn hypothese wil bevestigen. Hij gaat aankloppen bij het federale parket, bij de ministeries van Binnenlandse Zaken en Defensie maar iedereen houdt zich op de vlakte. Het verst komt hij bij Nele Poesmans van het Mechelse parket die zegt dat de mogelijkheid dat de brand gesticht werd “niet uit te sluiten” valt. Gazet van Antwerpen schrijft: “Over de oorzaak is volgens de lokale politie nog niets bekend”.

Hoe die brand is ontstaan weet ik niet. Maar ik weet wel dat een journalist die een vermoeden voorstelt als een feit een grove beroepsfout maakt. Hij maakt ‘fake news’.

Waarop steunt Verberckmoes zich om de brand een anarchistische aanslag te noemen? Zijn eerste argument is dat er in dezelfde periode nog een brand was in een wapenbedrijf. En bij Thales Belgium, een bedrijf dat raketten en andere offensief oorlogstuig maakt (wat Verberckmoes verzuimt te vermelden), werd een geimproviseerde bom aangetroffen die zonder problemen werd verwijderd. Tussen die drie feiten moet er een verband bestaan, vindt Verberckmoes en dat verband kan volgens hem alleen “anarchistische terreur” zijn.  Zijn bewijs: De Franse website “Info Libertaire” tweette: “Genk, Herstal, Mechelen: mooi hoe panden van de militaire industrie in rook opgaan”.  Meer bewijs heeft onze onderzoeksjournalist niet nodig.

Om zijn wankele stelling te ondersteunen gaat hij te raad bij “experten” die zijn opinie over “de weer oplaaiende terreur van extreem-links” onderschrijven. Dat zijn Ben West, een analist van Stratfor, een geopolitiek consulting bedrijf dat ook bekend staat als “the Shadow CIA” en nauw aanleunt bij de echte CIA en het State Department, en Claude Moniquet, een ex-“veiligheidsagent” van de Franse CIA, de DGSE. Die trekken een lijn tussen de “aanslagen” in België en gebeurtenissen in Frankrijk, zoals het in brand steken van politiewagens en zien internationale netwerken die dat orchestreren.

Moniquet krijgt het laatste woord. “Voorlopig hebben die groepen enkel nog infrastructuur vernietigd maar het risico dat ze zich op personen gaan richten is reëel.” Voel je de koude rillingen over je ruggegraat lopen?

Men wil ons bang maken.

 

Tom Ronse

Dit is slechts één voorbeeld van hoe journalistiek propaganda, en meer specifiek, bangmakerij wordt.  Ik beweer niet dat dit artikel De Morgen in zijn geheel typeert; de krant publiceert ook uitmuntende journalistiek. Ik stond mee aan de wieg van De Morgen en heb er heel lang voor gewerkt en hoop er ook in de toekomst nog af en toe aan mee te werken. Of dat nog kan na een stuk als dit? We zien wel.

 

 

 

november 17, 2017 at 7:21 am Plaats een reactie

DIGITALE ALTERNATIEVEN

Dit is de elfde aflevering in de reeks “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”  De vorige staat HIER.

Door Tom Ronse

 

Niet alle digitale literatuur valt onder de noemer “pulp fiction”.  Er zijn ook vele sites gewijd aan “serieuze” literatuur, aan goed geschreven fictie. In wezen verschillen die niet zo veel van de traditionele literaire tijdschriften behalve dan dat ze veel meer kunnen publiceren. Een site zoals Literary Hub  functioneert als een literair dagblad. Elke dag zijn er nieuwe artikels, verhalen, recensies, gedichten en zo meer. Zo’n site moet goed georganiseerd zijn anders verdwaalt de lezer. Een professionele webdesign is een vereiste. Literary Hub toont hoe het kan.  Een bekend voorbeeld in ons taalgebied is Tzum .

Verandert de electronische drager de literatuur inhoudelijk?  Sommigen zeggen van wel. De ogenblikkelijke overdracht zou tot meer dynamische schrijfstijlen leiden en de grotere wisselwerking tussen auteur en lezers zou de literatuur ook inhoudelijk interactiever maken. Zelf kan ik over deze hypthetische evolutie niet meepraten; daarvoor lees ik te weinig fictie.

Wel valt het me op dat in die literaire sites net als in de meeste digitale fictie-sites zonder literaire pretentie relatief weinig gebruik wordt gemaakt van de hypertekstuele mogelijkheden die het internet biedt. Grafische experimenten, multimedia, illustratie of parallele vertelling met video-clips en muziek zijn zeldzaam.

 

Een meer  experiment-vriendelijke opstelling vinden we in de zogenaamde alt-lit  (alternatieve literatuur) stroming. Een participant, alt-lit auteur No Glykon , definieert die aldus: “In probably the most simple terms, it’s Internet writing. It’s using the tools of the Internet and the figures of speech of the Internet to write.”  Hij noemt alt-lit een “literaire internetgemeenschap”.   De deelnemers zijn meestal jong, van de eerste generatie die met het internet is opgegroeid. Het internet is niet alleen hun medium, het vormt ook hun boodschap, om Marshall MacLuhan (“Het medium is de boodschap”) te parafraseren.

Vormelijk betekent dit onder meer dat de teksten sterk beinvloed zijn door internet-taal  (het jargon, de afkortingen,  de emoticons…), internet-stijl (direct, in korte brokken, soms alles in hoofdletters of alles in kleine letters…) en internet-slordigheid (die ze imiteren met bewust misspelde woorden, vreemd gebruik van leestekens en lettertypes). Alt Lit-dichters gebruiken visueel internet-materiaal zoals screenshots, chat-fragmenten , afbeeldingen (“image macros”) en animatie, niet als illustratie maar al integraal onderdeel van hun poëzie. Ze experimenteren met de automatische aanvul-functie van web browsers, met de antwoorden die zoekmotoren geven op hun poëtische vragen, met twitter-stijl poëzie (zie hoofdstuk zeven van deze serie). Ze zijn overigens niet de enigen die werken met op het internet gevonden tekstflarden. Google-poëzie is een populair fenomeen.  Lees er HIER meer over.

 Alt-lit-auteurs kiezen bewust voor zelf-publicatie van hun werk op het internet, als e-books, in de ‘sociale media’ (vooral Facebook, Twitter en Tumblr), in blogs en vlogs (video-blogs op YouTube), in  combinaties van al deze. Af en toe verschijnt er zelfs iets in gedrukte vorm maar dat is eerder uitzondering dan regel.

De internet-media faciliteren de communicatie tussen de auteurs en tussen auteurs en lezers. Die interactie, en het feit dat ze niet-commercieel is, is belangrijk in deze subcultuur.  Ze maakt van alt-lit een gemeenschap. Een therapiegroep, volgens critici.

Inhoudelijk is het internet een belangrijk thema in alt-lit, naast gebroken harten, drugs, uitzichtloosheid, verveling en vervreemding, de pijn van het zijn.  Geen wonder dat de Franse existentialisten  als voorlopers van alt-lit worden beschouwd. Het is “Bonjour Tristesse” en “La Nausée” all over again, in brokken en stukken. De anti-ironische “New Sincerity” stroming ( Dave Eggers, David Foster Wallace en Karl Ove Knausgard  gelden als voorbeelden) is een andere invloed.  Eerlijkheid is de opperste deugd. Niets is te goor om op te biechten. De vuile was moet uitgehangen worden.  Wat vaak tot zelfbeklag of zelfverachting leidt. Maar liefst toch met enige humor; hoe absurder hoe beter.

Niet iedereen vindt de stroming relevant. “Alt-lit is for boring, infantile narcissists“, schrijft Josh Baines in  Vice.com .Volgens hem is alt-lit “het ergste dat de literatuur is overkomen”.

Maar het is te gemakkelijk om de zwartgalligheid  van alt-lit af te wimpelen als een hedendaagse versie van een tijdloze laat-adolescente weltschmerz.  De wanhoop en doelloosheid die er uit opwalmen weerspiegelen wel degelijk ons tijdsgewricht en moeten dus ernstig genomen worden. Overigens is er in de alt-lit cultuur zelf een tegenstroom ontstaan van mensen die een meer hoopvolle kijk op het leven hebben.

Baines verwijt alt-lit ook dat er enorm veel kaf tussen het koren is. Maar het is ook mooi dat alt-lit een platform biedt aan onervaren auteurs die nieuwe dingen proberen met digitale literatuur. No Glykon vergelijkt de beweging met opkomst van punk in de jaren 1970. “For punk, it’s “learn three chords and you have a song.” I think Alt Lit is like that. It’s crude, it’s DIY” (do it yourself).

Natuurlijk heeft de beweging ook haar sterren. De bekendste is Tao Lin, wiens werk ook in gedrukte vorm een wereldwijd sukses is. Podium  gaf zijn autobiografische roman Taipei uit in het nederlands.   Bret Easton Ellis, de schrijver van “American psycho”,  prees hem als  “the most interesting prose stylist of his generation” .

 

                                               Tao Lin

Tao Lins proza is doordrenkt van internet-taal. Zijn roman Richard Yates bestaat uitsluitend uit fragmenten van Gmail chats tussen de protagonisten.

Een goede informatiebron over alt-lit vind u HIER .

 

Volgende hoofdstuk: literatuur en computer games.

 

september 14, 2017 at 4:26 am 1 reactie

IEDEREEN AUTEUR!

Dit is de tiende aflevering in de reeks “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”

 

Tom Ronse

We zijn als miljarden spinnetjes met minstens een pootje op de trillende draden van ons wereldwijd web, ons dierbaar www. Iedereen kan er, met enkele muisklikken, signalen op uitzenden. Iedereen kan publiceren. Iedereen kan schrijver worden! Als we tenminste een niet-kwalitatieve definitie van het woord ‘schrijver’ hanteren.

Miljoenen maken daar gebruik van. Het aantal romans, novelles, verhalen, gedichten en andere literatuur  (opnieuw, we hanteren een ruime definitie) in cyberspace beloopt in de miljarden.  Vind daar maar je weg in. Omdat massa’s mensen die niet kunnen schrijven maar denken dat ze dat wel kunnen hun rotzooi het web opgooien is vernieuwende literatuur er even moeilijk te vinden als de spreekwoordelijke naald in een hooiberg.  Moed: met een sterke magneet moet het lukken.

Ook het papieren boek heeft dank zij de informatie-technologie een enorme vlucht genomen. “Printing on demand” is zo goedkoop geworden dat het genoegen om je eigen gedrukte boek in je handen te houden in iedereens bereik ligt. Uitgeven in eigen beheer is natuurlijk geen nieuw fenomeen.  Maar terwijl het zich vroeger in de marge afspeelde is het nu (kwantitatief) de voornaamste publicatievorm geworden.

Friedrich Kunath

Sommigen juichen dat toe.  Ze zien er een democratisering in van het uitgeversbedrijf. De uitgeverijen verliezen hun monopolie;  niet langer kunnen zij alleen beslissen wat er gelezen wordt, de auteurs zijn bevrijd van hun censurerende macht.  “De uitgever investeert in je”, schrijft Ellen Deckwitz in De Morgen (03/05/2017), “daarom  krijgt hij ook 85 procent van de netto-opbrengst. Maar waarom zou je tegenwoordig niet gewoon de boel online zetten? Bereik je meer mensen mee dan via de boekhandel, en alle inkomsten gaan direct naar het eigen spaarvarken”.

Tegelijk vind ze uitgeven in eigen beheer iets zieligs hebben.  Haar veronderstelling dat je door online te publiceren meer mensen bereikt en meer verdient, is overigens zelden waar. Ook het idee dat de uitgeverijen aan macht hebben ingeboet, moeten we relativeren. Het is nog altijd de grote droom van iedereen -of toch de meesten- die literatuur online plegen om hun werk ooit in gedrukte vorm in de boekhandels te zien liggen.  Net zoals de meeste street-artists hopen van door een galerij ontdekt te worden.

De uitgeverijen blijven de maatstaf hanteren. Dat moet ook wel; zonder sluiswachters verdrinken we in het overaanbod. Dat betekent niet dat die sluiswachters onfeilbaar zijn. Verre van. De berg rotzooi die ze op de markt brengen is niet te overzien. En er zijn massa’s  voorbeelden van monumenten van de wereldliteratuur die keer op keer door uitgeverijen werden verworpen (zie HIER en HIER). Meesterwerken zoals  Moby-Dick en Lolita zagen enkel het licht omdat hun schrijvers zich ook na tientallen afwijzingen niet lieten ontmoedigen. Niet iedereen heeft zoveel doorzettingsvermogen. Zeker nu het zo gemakkelijk is om “de boel gewoon online te zetten”, kan de verleiding groot zijn om de hele uitgeverswereld straalweg te negeren. Het kan dan ook niet anders dan dat tussen al de klatergouden kitsj online parels te vinden zijn.

Fans van online literatuur verwerpen het argument dat er zonder uitgeverijen geen maatstaven meer zijn. Er is wel degelijk een selectieproces, zo stellen ze, maar de beslissingsmacht is verschoven van de uitgeverijen naar de lezers. Door een digitaal verhaal of roman op de sociale media te prijzen, door de link ernaar te ‘reposten’ of  te ‘retweeten’, maken ze het groot, door het te negeren duwen ze het in de vergeetput. Het volk beslist. Zo wordt de literaire productie dus interactiever en democratischer.

 

Virtuele gemeenschap

Maar hoe bereikt de digitale auteur zijn of haar lezers? Hoe krijgt hij of zij de bal aan het rollen?

Het internet heeft een enorme tendens doen ontstaan naar de vorming van artificiële gemeenschappen.  Ik twijfel om het woord ‘artificieel’ te gebruiken want het is niet omdat een gemeenschap via het internet communiceert dat ze niet echt is. Wat ik bedoel is virtuele gemeenschappen die mensen wegrukken uit hun echte leven. Ontsnappingsterreinen. Ik zie steeds meer mensen, vooral jonge, wandelend, rijdend, etend naar hun schermpjes staren, compleet onbewust van hun omgeving. Waar zijn zij, vraag ik me dan af. Duidelijk niet waar hun lichaam is, tenzij als ze een selfie nemen.

Mensen hebben alsmaar minder tijd. De druk wordt groter, in scholen en op het werk.  Ook daarin speelt de informatie-technologie een rol. Het werd een instrument om ons in de gaten te houden, als producenten én als consumenten, om ons harder te doen werken en meer te doen kopen.  We worden gereduceerd tot jachtige verkopers van onze arbeidstijd en jachtige kopers van producten van andermans arbeidstijd. Kopende koopwaar in een rattenkoers. Traditionele  banden van familie, buurt en klasse verzwakken maar de nood aan gemeenschap verdwijnt niet. Dus zoeken veel mensen dat gemeenschapsgevoel online.

We zien een enorme bloei van virtuele subculturen.  Hoe meer we van anderen gescheiden zijn in ons werk, ons consumptiegedrag  en onze leefsituatie, hoe aantrekkelijk de communiteit van de virtuele subcultuur wordt. Die scheidt ons nog meer van anderen in ons echte leven en zo wordt het een vicieuze cirkel.

Literatuur (alweer, in de breedst mogelijke betekenis) is een van de belangrijkste virtuele bindmiddelen. In de vorige aflevering van deze serie (lees die HIER)  hadden we het over de subcultuur  van fan-fiction waarin eindeloze variaties ontstaan in de fantasiewereld van bijvoorbeeld Harry Potter. Het gemeenschappelijk vertrekpunt –  iedereen is vertrouwd met het decor, met de helden en de schurken – geeft de participanten de achtergrond waartegen ze hun eigen verlangens en angsten kunnen projecteren. Dankzij het interactieve, democratische net.

Er is natuurlijk veel meer dan de fan-fiction en erotica die ik in de vorige aflevering besprak. Elk literair genre en subgenre heeft zijn eigen niche in het web. De populairste bindende thema’s zijn romantische liefde, magie, science-fiction en misdaad. Behalve literatuur zijn er nog vele andere bindmiddelen voor op fantasie gebaseerde gemeenschappen zoals computerspelen, politiek en celebrity gossip (eindeloos gekwetter over het leven van de sterren). Het web wemelt van miljoenen elkaar overlappende subculturen die spreiden en krimpen, verdwijnen, andere vormen aannemen en onmogelijk om in kaart te brengen zijn.

De digitale auteur vindt zijn of haar lezers door deel uit te maken van een subcultuur. Hoe groter die is, hoe meer kans op sukses.  Maar wie niet voor een internetcultuur  kiest en niet al op voorhand bekend is en op Facebook of Twitter een schare volgelingen heeft, kan net zo goed zijn of haar  tekst in een fles stoppen en de zee in gooien. De kans dat het werk gelezen en verspreid wordt is in beide gevallen ongeveer even groot.

WORDT VERVOLGD (spoedig, dit keer)

 

september 9, 2017 at 4:53 am Plaats een reactie

“BE VERY VERY NERVOUS”*

* Dixit Trump, 10 augustus

Photoshop montage Eric Wayne

 

Door Tom Ronse

Er is geen gevaar dat er spoedig een oorlog zal uitbreken tussen de VS en Noord-Korea (tenzij per ongeluk, een mogelijkheid die niet helemaal kan uitgesloten worden). Maar het feit zelf dat de leiders van deze landen openlijk dreigen met het gebruik van kernwapens, met “total warfare” en zelfs met de vernietiging van een heel volk, is veelbetekenend.

Van het Noord-Koreaanse regime zijn we die hysterische toon gewoon. Het verbergt zijn zwakheid al sinds jaar en dag achter stoere krijglustige taal. Maar dat het ons niet verbaast als de leiders van de VS over de mogelijkheid van de totale vernieting van een land spreken, is alarmerend. Niet dat iedereen de furieuze woorden van Trump en zijn defensieminister goed gekozen vond maar er was geen massale globale verontwaardiging over de pure waanzin van dit scenario.

Een oorlog met kernwapens is vandaag onwaarschijnlijk maar de “war of words” met Noord-Korea dient om ons in te enten tegen het idee dat zo’n oorlog onvoorstelbaar is. De bevolking leert te wennen aan het idee dat het nodig kan zijn voor “het nationaal belang” en dat zij die zich er tegen verzetten “bleeding hearts” en landsverraders zijn.

Zoals een schooljongersruzie zal het conflict de-escaleren. Maar het zal niet verdwijnen.

De positie van het Noord-Koreaanse regime is in essentie defensief. Het zoekt zijn territorium of zijn markten niet uit te breiden maar het wilt de macht die het heeft in handen houden. Die macht berust in de eerste plaats op terreur, op de militarisering van de maatschappij, op de isolatie van de bevolking van de buitenwereld. Maar daarop niet alleen. Nationalistische trots en de David-tegen-Goliath-mythe spelen een belangrijke bindende rol. Om die in stand te houden, moet het Noord-Koreaanse regime in de David-positie blijven en dus de Goliath (de VS) blijven uitdagen. De raket-testen hebben dus een dubbele functie: de bevolking iets geven om toe te juichen en Washington waarschuwen dat Noord-Korea geen Irak is. Van deze twee was de eerste misschien wel de belangrijkste.

Er werden zware economische sancties tegen Noord-Korea afgekondigd. Zoals gewoonlijk zullen die de armen armer maken terwijl de rijken er geen ongemak van zullen ondervinden. Het regime is bereid om een derde van zijn export-inkomsten te verliezen (als het in praktijk zoveel blijkt, wat me zou verbazen) om de David-mythe in stand te houden. En aan de andere kant van de oceaan houdt dat de symbiotische mythe in stand van de knettergekke dictator die ons wil vernietigen, wat onze regeerders het recht geeft “to do whatever it takes” om ons te beschermen. Kim Jong-un heeft een buitenlandse vijand nodig maar Trump ook, om de expansie van de militaire uitgaven te verrechtvaardigen en de aandacht af te leiden van de leegheid van zijn kiesbeloften.

cartoon door Matt Wuerker

Het spektakel zal dus voortgaan maar zal het enkel een spektakel blijven? Het wordt steeds moeilijker om de noodzaak om winst te maken –waartoe elk bedrijf, elk land gedwongen wordt- te verzoenen met de noden van de mensheid. Steeds meer mensen worden in de globale automatiserende economie “overbodig”; nutteloos voor het kapitaal, een kost in plaats van een bron van winst. Er is ook steeds meer aanleiding om economische concurrentie te doen escaleren naar militaire concurrentie. Kanonnenvlees genoeg. Er komt een dynamiek op gang die “het onvoorstelbare” voorstelbaar maakt, die de vernietiging van het milieu en massamoord op burgers een logische, rationele  keuze maakt. De oorzaak daarvan gaat veel dieper dan de mentale conditie of de beleidskeuzes van de politici die nu aan de macht zijn (voor wie alles op Trump steekt: Hillary Clinton beloofde tijdens de kiescampagne “de totale vernietiging van Iran” als dat land Israel zou aanvallen). Niet de waanzin van Kim en Trump is het probleem maar de waanzin van het systeem waarvan zij exponenten zijn. De mensvijandige logica van dat systeem moet in vraag gesteld en opzij geschoven worden om te voorkomen dat deze “wars of words” massale vernietigingsoorlogen worden.

Iets nieuw moet verbeeld worden.

augustus 13, 2017 at 5:43 am 2 reacties

CHOMSKY VALT AAN

 

Noam Chomsky

 

Door Tom Ronse

“Wie regeert de wereld?” is de originele titel van het pas door EPO uitgegeven boek “De Chomsky papers”. Het antwoord op die vraag is minder evident dan pakweg twintig jaar geleden. De VS is nog altijd de dominante supermacht maar die macht is in verval, meent Chomsky. Net daardoor wordt ze volgens hem nog gevaarlijker. De “Doomsday Clock” staat op drie voor twaalf”, waarschuwt hij.

Noam Chomsky is een fenomeen. Hij staat bekend als de vader van de moderne linguistiek en een pionier van de cognitieve wetenschap. Daarnaast  was en is hij een politieke activist en auteur van een hondertal boeken en nog veel meer artikels. Kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek en media is zijn hoofdthema. Hij wordt veel gelezen, wereldwijd. Door de enen wordt hij op de handen gedragen, door anderen verguisd. The Observer noemde hem “the world’s greatest public intellectual”, Der Spiegel “de ayatollah van de anti-Amerikaanse haat”.

De star quality van de auteur is vermoedelijk de reden waarom EPO de titel van het boek veranderde in “De Chomsky papers” (eerder gaf EPO al “De essentiële Chomsky” en drie andere Chomsky-boeken uit). Het  boek is een verzameling van eerder gepubliceerde essays, waarvan het oudste dateert van 1966. Helaas heeft de auteur geen poging ondernomen om lang geleden geschreven essays te actualiseren of om de herhalingen die in hoofdstuk na hoofdstuk opduiken te schrappen.

Het boek verscheen in het Engels in 2016. EPO’s versie bevat een nawoord, geschreven na de verkiezing van Trump. Chomsky verwacht uiteraard dat die het nog veel erger zal maken.  De feiten geven hem gelijk.  Trump lijkt vastbesloten om de opwarming van de planeet te versnellen, de bewapeningsuitgaven drastisch te verhogen, de belastingen van de rijksten te verlagen en te besparen op de rug van de armen, de ouderen en de zieken. Wat dat laatste betreft, krijgt hij nog wat tegenwind maar de noodzaak om nog meer uit te geven om Amerika’s militaire suprematie te handhaven wordt in het Congres niet in vraag gesteld. De bereidheid van de bevolking om de nodige offers daartoe te aanvaarden steunt op een brede aanvaarding van de premisse dat de Amerikaanse militaire macht een noodzakelijke en goedaardige rol speelt in de wereld. De wijsheid van een militaire interventie mag betwijfeld worden maar niet de goede bedoelingen.  Het is die mythe die Chomsky onderuit schopt.

Zo contrasteert hij de bewering dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich tot doel stelt om vrijheid en democratie te verspreiden met vele voorbeelden die net het omgekeerde tonen.  Washington steunt een democratisering als dat de belangen van het Amerikaanse kapitaal dient, zo toont hij aan, maar als dat niet het geval is aarzelt ze niet om verkozen regeringen omver te werpen en dictators te steunen. Verkiezingen worden geprezen maar als een bevolking “verkeerd” kiest, zoals de Palestijnen in Gaza, dan wordt ze daarvoor gestraft.

Terwijl hij de vele Amerikaanse militaire interventies overloopt, fileert Chomsky de hypocrisie van de propaganda die ze begeleidde. Achter de humanitaire slogans schuilt vaak een kille onverschilligheid voor de gruwelijke gevolgen voor de burgerbevolking. Hij hekelt de verloedering van het woord “terrorisme”, dat nu in heel de wereld gebruikt wordt om de acties van vijanden te beschrijven maar niet die van bondgenoten.  Washington gaf het voorbeeld toen het de bomaanval op de kazerne van de Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983 terrorisme noemde maar de slachtpartij die kort daarvoor met steun van Israel plaatsgreep in Sabra en Shatila niet. Nochtans was het doelwit in het eerste geval militair en in het tweede de burgerbevolking. De vervaging van dat onderscheid is gevaarlijk omdat ze aanslagen op burgerbevolking even legitiem maakt als acties tegen militaire tegenstanders.

Over selectieve verontwaardiging  heeft Chomsky een heel hoofdstuk.  De wijze waarop gebeurtenissen worden voorgesteld in de media vormen en misvormen onze kijk op de wereld. Ook onze eigen mainstream media laten zich vaak leiden door de selectieve woede van Washington. Chomsky geeft daar treffende voorbeelden van.

Te simpel

Chomsky wil een globaal portret schilderen maar slaagt daar niet echt in. Door zijn grotendeelse focus op het Midden-Oosten, Europa en Rusland en Oost-Azië, blijft de rest van de wereld buiten zijn gezichtsveld.

Voor hem lijkt er maar één imperialistisch land te bestaan. De VS is de enige boosdoener, de rest zijn handlangers of slachtoffers. De misdaden van anderen blijven buiten zijn gezichtsveld.

Volgens Chomsky wordt het wereldgebeuren gedreven door politici. Hij ziet enkel Washington, in dienst van een superrijke, hebzuchtige elite. De onderliggende omwentelingen in de economie en samenleving blijven buiten zijn gezichtsveld. De schaalvergroting van de economie, de IT-revolutie en vele andere ingrijpende veranderingen spelen geen rol in zijn verhaal.

Ingewikkeld maakt hij het niet. De globalisering reduceert hij tot “de bewuste, zelfgekozen ondermijning van eigen krachten” (van de VS). De eindeloze crisis van het Midden-Oosten is de schuld van het Sykes-Picot akkoord (1916) dat  artificiële grenzen creërde, plus Amerikaans imperialisme, en daarmee is de kous af.  Chomsky’s analyse blijft oppervlakkig.  Hij ontmaskert “the good guys”, ze blijken “the bad guys”. De rollen zijn omgekeerd. De “baddest” van al is de Republikeinse partij, “de gevaarlijkste organisatie uit de wereldgeschiedenis”, want ze “heeft zich tot doel gesteld zo snel mogelijk elke vorm van georganiseerd menselijk leven op aarde te vernietigen.”

Dit boek is een aanklacht, een polemiek. Maar een diepgravende analyse van de oorzaken van de huidige ellende is het niet en evenmin biedt het een perspectief om eruit te geraken. Toch is het het lezen waard. Chomsky wrijft het zand uit onze ogen, dat er door propaganda is ingestrooid.

 

Noam Chomsky, De Chomsky papers, EPO, € 24.95

 

(Dit stuk verscheen woensdag in De Morgen)

 

juli 7, 2017 at 3:31 am Plaats een reactie

DE LUXE VAN NIET LEVEND VERBRAND TE WORDEN

Een demonstratie van Grenfell-bewoners aan Kensington Hall (gemeentehuis) liep, zoals dat heet, “uit de hand” (wiens hand dat is, wordt er nooit bij gezegd).

Een Britse vriend zei me dat de brand in Grenfell Tower een diepere indruk heeft gemaakt op de bevolking dan de recente terroristische aanslagen. Hoe meer erover bekend raakt, hoe duidelijker het wordt dat de veiligheid van de bewoners bewust verwaarloosd werd om kosten te sparen of winst te maken, wat op hetzelfde neerkomt. De tegenstelling tussen Londens glanzende luxetorens en de behuizing van haar minder begoeden steekt de ogen uit. De tegenstelling tussen de klassen komt in focus. Nooit hoorde je het woord “arbeidersklasse” zo vaak op tv als in de voorbije vijf dagen, schrijft een Londense blogger.

Een fragment uit zijn of haar artikel:

This has been the longest week ever for many. The agony of the aftermath of the Grenfell Tower fire continues. So many lives lost and so many people still unaccounted for. We are all still in mourning.

We are still making sense of this crime in the City that we love and that is being destroyed and socially cleansed faster and faster. Every day we come across new injustices, new indignities, new outrages. Many, like this one, have been committed in the name of regeneration, a process steeped in everyday violence against us. Regeneration has long been publicly unmasked as a massive act of social engineering where profit is the central machine that drives us out. Homes become investments. People get ‘decanted‘. People get Compulsorily Purchased. No longer are we welcome in the communities we have all had a hand in growing. Our communities are airbrushed away in architect’s plans. The other side of the story is disinvestment, our estates breaking down from a planned lack of care and funds. We are stigmatised here there and everywhere. We are told we are shit. We often live in shit – mould, damp, overcrowding. We are felt to be surplus to the remaking of the City as one massive cash machine that dispenses profit making unaffordable homes be they luxury towers or shared ownership apartment blocks. And if much needed refurbishment is done, the imperative of covering and making housing pretty for the area around it leads to criminal decisions, such as using cheaper flammable cladding.

It’s tragic that the fire, the terror and the deaths at Grenfell Tower have had to be the final potent symbol of all that has been brought down on our heads in the last 30+ years. It’s like everything has been exposed now – the greed behind gentrification and the greed behind cutting corners when maintaining or refurbishing, on materials and fire safety equipment. It’s as everyone has been saying this week – they don’t care about us! Well, if they don’t care about us then it’s only up to us to come together and overthrow the rotten system at heart.

The Problem is Not Towers, It’s the Greedy Bastards!

The liberal chatterers in the press or TV wants us to be silent and wait for ‘the findings‘. The Tory media counter attacks that our anger is ‘a lynch mob‘ and that we should calm down. They want us to be silent and believe what phoney urban planners (like Create Streets) say so that the blame is shifted onto things and technicalities: obsolete buildings, faulty construction, ‘complex’ outsourcing. ‘The problem is tower blocks’ say many, including Mayor of London Sadiq Kahn: “It may well be the defining outcome of this tragedy that the worst mistakes of the 1960s and 1970s are systematically torn down.”

By the mistakes of the 1960s and 1970s, he doesn’t mean the three 42-stories high residential towers of the Barbican, nor the now luxury refurbished Balfron Tower, but those that are still our council estates. Tower blocks do not seem a problem as long as those living in them are not poor, nor as long as millions of profit can be made on – (often) – public land like at Heygate or Aylesbury Estates.

Since 2007 in London have been built at least 20 luxury flat towers taller than 29 floors, 10 of which have over 35 floors. There are tens and tens of high-rise luxury residential towers under construction across the city, 10 of which will be taller than 50 floors. Not only this, but high rise towers such as the Skyline at Woodberry Down in Hackney (31 floors, 2016) replaced the low and medium rise council housing estate by the same name. So let’s not be fooled: tower blocks are not to be blamed. High-rise living is not to be blamed. The blocking of the two alternative exits of the Grenfell tower is to be blamed, not the height of the building. Bad maintenance and murderous refurbishment are to be blamed, not the 24 floors.

Het volledige artikel vind u HIER.

(TR)

juni 26, 2017 at 4:59 pm 1 reactie

HOWARD ZINN BLIJFT ACTUEEL

OOK IN HET TRUMP-TIJDPERK

Howard Zinn, enkele jaren voor zijn dood in 2010

 

Tom Ronse

Het gebeurt maar heel zelden dat van een boek over geschiedenis meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn presteerde het met zijn “People’s History of the Unites States”. De klassieker die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank.  De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het nederlands heruit te geven.

 

In EPO’s uitgave is het boek getiteld: “Geschiedenis van het Amerikaanse volk”, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn, tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt, lijkt de term “het Amerikaanse volk” hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat het “het Amerikaanse volk” met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het “een verzonnen identiteit” is, dat de rode draad doorheen de geschiedenis van zijn land een radikale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als “het Amerikaanse volk”, “We, the people”, dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn “People’s History” beoogde was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals bv. LP Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

 

Partijdig

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord replikeert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. “Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat vermelden? Wat niet? Ik be­sefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (…) Achter elk feit dat wordt aangehaald schuilt een oor­deel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aange­haalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.”

Zinn geeft grif toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij  groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in  New York,  werk­te drie jaar op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst bij de VS-luchtmacht tijdens  WO II. Daarna studeerde hij geschiedenis. Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston was hij actief betrokken in de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam.  Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving “van onderuit” die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: “Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschie­denisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.”

Zinns voornaamste kritiek op de “ortho­doxe geschiedschrijving” is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van “grote mannen”: de “Founding Fathers” die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, FDR die de depressie en de nazi’s overwon, enzovoort.  Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een “redder in nood” om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot “om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen”. Dat idee van “redder in nood” zit volgens Zinn “ver­ankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.” Maar toch vooral in de politiek. De kiescampagne van Donald Trump was er gebaseerd op.

Ondanks de kritiek wordt Zinns “People’s History”  vandaag gebruikt als studieboek  in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten.  Van rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden. In Arkansas werd nog dit jaar daartoe een wetsvoorstel ingediend. Het werd niet goedgekeurd en leverde het boek nog wat extra-publiciteit op.

 

Spannende films

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft.  Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de USA is. Racisme, nationalisme,  imperialisme, oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van. Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van “the ordinary people”,  die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

De grote lijnen zijn bekend maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem nu Stefan Hertmans’ terecht bejubeld boek “Oorlog en terpentijn”: Je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat .

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijk boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films.  Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je haar doet rechtstaan. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang. Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren.  De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geimporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood –om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken-  omdat men liever winstgevende tabak kweekte dan levensmiddelen. Het was de periode waarin de Engelse landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa’s mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar noord-Amerika verscheept als “contractwerkers”. In EPO’s vertaling worden die vaak “bedienden” of “dienstboden” genoemd maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven.  Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo onstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen. Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieen –de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen- samen in opstand zouden komen.  De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig  om ze uiteen te houden.  Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de anders gekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn.  Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zelf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn kiescampagne.

Andrew Jackson

Een sprekend voorbeeld van zo’n politicus was Andrew Jackson die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de anti-politicus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wou inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel-en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

 

De legendarische Wobblies

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). Vakbond is eigenlijk niet het juiste woord want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden. De ‘Wobblies”, zoals IWW-ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond.  Ze waren anti-nationalistisch, anti-racistisch, anti-sexistisch  en vooral anti-kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts “oefeningen” voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en ”Big Bill” Haywood. Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. “Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.”

 

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills “Rebel Girl” werden later in het nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van die stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW “kinderkonvooien”: de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sympathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren.  Op basis van valse beschuldigingen werden de leiders tot lange celstraffen veroordeeld. De IWW bestaat nog steeds maar haar glorietijd is al lang voorbij.

 

Minutieus portret

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode  1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv:  hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washington-schandaal wordt uitgeplozen maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de “war on drugs” als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader.  Zoals David Van Reybroucks “Congo” schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme  in de VS namen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat  het nu zo druk besproken “Fake News” (nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden) allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT journalist en Salon-medewerker Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar maar de vertaler veroorloofde zich te veel vrijheid.  Het is beter, uit respect voor de auteur, om dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (en er zijn heel wat) in rijmend nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het engels). Was dat nodig?  Het is meestal erg goed gedaan maar de noodzaak om het te doen rijmen dwingt soms tot kunstgrepen die ons ver van het origineel verwijderen. En er zijn fouten. De “secretary of State” is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet “het oosten van St. Louis” maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bv. de eerste zin van hoofdstuk 11, “1877 kondigde de 19de eeuw al aan”, onzinnig is?  Had er nu nog de 20ste eeuw gestaan. In de oorspronkelijke tekst staat: “In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw” (mijn letterlijke vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

(Een versie van dit artikel verscheen deze week in de boekenbijlage van De Morgen)

 

 

 

mei 27, 2017 at 5:36 am Plaats een reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.334 andere volgers