Author Archive

EEN SCHURK MINDER

Als een beroemdheid het hoekje omgaat, verandert hij of zij vaak in een heilige. Die eer valt nu te beurt aan G.H.W. Bush. In alle massamedia wordt hij de hemel in geprezen. Niet alleen zijn beleid maar vooral zijn karakter wordt verstikkend veel lof togezwaaid, In de VS en daarbuiten.

Nu is het te verwachten dat de Amerikaanse media bij de dood van een president een buiging maken maar dit keer is de buiging wel erg diep. Het verhaal dat de media vertellen over Bush is, “he was a gentle soul”. Een presidentiele “mister Rogers”. Dat is een referentie die de meeste niet-Amerikanen niet zullen snappen maar mister Rogers was de vriendelijkste man die ooit op tv kwam. Charmant, minzaam, verstandig, beleefd, waardig, bescheiden, bekommerd om anderen en dol op kinderen, op de juiste manier. Bereid om water in zijn wijn te doen om resultaten te bekomen maar onbuigzaam als dat nodig was. Dat we dit beeld van Bush krijgen heeft wellicht niet in geringe mate te maken met de afkeer van de meeste media voor de huidige president. Bush wordt afgeschilderd als de tegenpool van Trump.

 

Er zijn inderdaad grote stijlverschillen tussen de patricier uit Connecticut en de vastgoedmakelaar uit Queens, al zijn ze beiden “met een zilveren lepel in de mond geboren”. Toch hebben ze meer gemeen dan de media laten uitschijnen.

Vergelijk de kiescampagnes waarmee ze in het Witte Huis belandden. Beide waren gebaseerd op het opstoken van blanke angst voor raciale minderheden en op ultra-nationalisme. Bush gebruikte in 1988 het beeld van Willie Horton, een zwarte moordenaar van een blank paar, zoals Trump in 2016 Francisco Sanchez gebruikte, een illegale immigrant die een blank meisje had doodgeschoten. Beiden wikkelden ze zich in de Amerikaanse vlag en bestookten hun tegenstanders met chauvinistische verdachtmakingen. Trump oogste wat Bush gezaaid had.

Als correspondent van De Morgen en andere bladen volgde ik het beleid van Bush van nabij. Het was alles behalve “kind and gentle”.

Op binnenlands vlak was een van zijn eerste initiatieven het lanceren van de “war on drugs”. Dat berustte van bij de aanvang op bedrog. Bush trapte de ‘oorlog’ in gang met een tv-toespraak waarin hij, om te tonen hoe erg de drugepidemie was geworden, een zak crack-cocaine toonde die vlak bij het Witte Huis in beslag was genomen. Later lekte uit dat die inbeslagname speciaal voor de toespraak geensceneerd was. De ‘war on drugs’ was een ‘war on the poor’. Hij werd bijna uitsluitend in zwarte en latino woongebieden gevoerd. Honderdduizenden gekleurde jongeren belandden in de gevangenissen die aan een razend tempo werden bijgebouwd. Zwarte jonge mannen werden gedemoniseerd, net zoals Trump vandaag de illegale immigranten verkettert. Dat aspect van Bush’s beleid werd overigens met enthousiasme door zijn opvolger Bill Clinton voortgezet.

Op buitenlands vlak was Bushs grootste ‘prestatie’ de oorlog tegen Irak. Die wordt tegenwoordig soms “de goede Golfoorlog” genoemd, in tegenstelling tot de tweede, die van zijn zoon, die zoveel ellende meebracht en nu zowel door rechts als door links verguisd wordt. Terwijl vrijwel niemand nog ontkent dat die tweede invasie op basis van leugens (over niet bestaande massale vernietigingswapens) gevoerd werd, wordt de eerste voorgesteld als een nobele strijd voor de westerse waarden. Alsof de VS in het Midden Oosten een onbaatzuchtige toeschouwer was. Washington steunde het regime van Saddam Hoessein jarenlang als tegengewicht voor Iran. Er zijn sterke aanwijzingen dat de Bush-regering de oorlog zelf heeft uitgelokt, om geostrategische redenen. April Glaspie, Bushs ambassadeur in Bagdad, leek Saddam groen licht te geven toen ze hem verzekerde: “We have no opinion on the Arab-Arab conflicts, like your border disagreement with Kuwait”. Eerder al had het State Department Saddam eerder laten weten dat Washington ‘no special defense or security commitments to Kuwait’ had. Met andere woorden, doet u maar.

Op de highway of death’

De afloop van die oorlog was voorspelbaar. Te meer omdat het Iraakse leger te kampen had met massale desertie. Een aspect van die afloop dat in het overwinningsroes door de massamedia tot een voetnoot gereduceerd werd, bleef me bij. Het Iraakse leger was verslagen, een wapenstilstand was afgekondigd. Langs baan 80 die van Koeweit naar Basra in zuid-Irak leidt, trokken tienduizenden Iraakse soldaten naar huis. Sommige in legervoertuigen, anderen in personenwagens en bussen. De meeste zonder wapens. In de nacht van 26 februari 1991 gaf Bush opdracht om het konvooi te vernietigen. Gevechtsvliegtuigen bestookten het urenlang. Toen het voorbij was lagen er meer dan 2000 verbrande voertuigen en duizenden lijken op baan 80, de “Highway of Death”.

Over het waarom van die actie is sindsdien veel gespeculeerd. Militair had ze geen enkele zin, de oorlog was voorbij, het konvooi bestond trouwens grotendeels uit soldaten die geweigerd hadden om te vechten. Vandaar dat niet een Amerikaan sneuvelde in de landaanval om Koeweit te heroveren. Was er een politiek motief? Of een sociaal, zoals sommigen beweren? Op de keper beschouwd doet het er niet toe. Feit is, het was een van de meest gruwelijke slachtpartijen sedert de tweede wereldoorlog. Bush kon urenlang met zijn kleinkinderen spelen maar hij was ook een leugenaar, een cynicus en een oorlogsmisdadiger.

December 5, 2018 at 6:13 am 1 comment

Geen publiciteit meer!

Goed nieuws: dit salon is opnieuw 100 procent reklamevrij.

November 16, 2018 at 5:11 am Leave a comment

GENT 1969

Door Tom Ronse

Ik kon niet aan de verleiding weerstaan. Na de bijdragen over Brussel 1967 en Antwerpen 1968, hier een persoonlijke terugblik op Gent 1969.

Tweede van rechts op de foto: de schrijver van dit stuk, na ontvangst van een rake klap op het achterhoofd

In vergelijking met mei 68 was de Gentse maart 69 natuurlijk klein bier. Een studentenstaking die zich snel uibreidde maar lang niet algemeen was. Betogingen, confrontaties met de politie, de bezetting van een faculteitsgebouw, dagelijkse volksvergaderingen, veel discussies en werkgroepen, een massa-arrestatie, dat was het zo ongeveer… en dan begon de blok en was het voorbij. Wat niet belet dat er heethoofden rondliepen die verkondigden dat de revolte een “generale repetitie” voor de revolutie was.

Ik was een eerstejaarsstudent, een dorpsjongen die met hoog gespannen verwachtingen naar de ‘grote’ stad Gent was gekomen. Ik hunkerde naar vrijheid, liefde, sex, drugs, naar vrienden om samen te vechten tegen onrecht, naar kennis en kunst. De eerste maanden vielen nogal tegen. Gent bleek niet de bruisende stad die ik gedroomd had. Gent was een vuile stad. Zelfs de mooiste gebouwen oogden zwart. Zwarter nog was het stinkende water. Dood water. De stad zelf leek me dood in de weekends, als de meeste studenten naar huis waren. Dat kwam natuurlijk omdat ik de stad niet kende en enkel met soortgenoten omging. Ik was teleurgesteld. De cursussen waren saai, de meisjes onbereikbaar en dat strijden tegen onrecht nam ook geen vaart. Maar dat veranderde op 13 maart.

Censuur!

Ik had toen een job in het studentenrestaurant ‘de Brug’. Toen ik die namiddag van mijn werk kwam, zag ik commotie aan de ingang van het rectoraat, dat vlakbij de Brug is gelegen. Er stonden politiewagens en daarrond had zich een menigte verzameld. Ter plaatse vernam ik dat studenten het rectoraat hadden bezet uit protest tegen de beslissing van rector Bouckaert om een voordracht over “zin of onzin van de pornografie” te verbieden 1. De rector had geweigerd om hen te ontvangen en had de politie gebeld. Die had een deel van de bezetters buiten gebezemd maar een ander deel had zich verschanst in het kantoor van de rector die zich doodsbang onder zijn bureau had verborgen. Intussen groeide de menigte voor het rectoraat. Een trotskist liep voor de eerste rij met een megafoon. Hij riep ons in schoon westvlaams op om niemand te laten wegvoeren. Als de politie met arrestanten buiten kwam moesten we massaal naar voor stormen om de weg naar de dievenwagen te versperren. Dus dat is wat ik deed. Maar niemand volgde. Ik werd neergeknuppeld en bij de andere arrestanten gegooid. De massa week braaf uiteen om plaats te maken voor de politie.

Tot mijn verwondering waren we slechts met drie. We werden opgesloten in de stadsgevangenis, het “Rolleke”. Elk in een afzonderlijke cel. Daar ontdekte ik voor het eerst dat ik aan claustrofobie lijd. De cel had geen venster, je kon niet zien of het dag of nacht was. Het licht was altijd aan. Ik kon niemand horen en niemand hoorde mij. Ik kreeg een deken maar geen matras. De grauwe muren waren bekrast door mijn voorgangers; er waren donkere vegen waarvan mijn angstig brein vermoedde dat ze met stront waren gemaakt. Echt middeleeuws. Mijn mede-arrestanten Jan en Jantje bleven nog een hele tijd gevangen maar ik werd na 24 uren vrijgelaten – men kon me enkel “weerspannigheid” ten laste leggen. Meteen werd ik meegetroond naar de intussen bezette Blandijnberg. Toen ik de massa in het tot de nok gevulde mega-auditorium E moest toespreken schoten de tranen me in de ogen. Dat het verzet zo’n omvang zou nemen had ik in mijn cel niet durven dromen.

studentenbetoging op het Sint Pietersplein

Het kwam niet uit de lucht gevallen. De studentenopstanden in Leuven, Frankrijk, Amerika en elders waren inspirerend. ‘Begeerte had ons aangeraakt’. Anders dan in Leuven had de beweging in Gent van in het begin niets met vlaams nationalisme te maken. Ze begon als protest tegen censuur, betutteling, beknotting van de meningsuiting maar werd snel ruimer. Kritiek op de ondemocratische universitaire structuur werd kritiek op de rol van de universiteit in de maatschappij, wat leidde tot het in vraag stellen van het doel van de maatschappij, van het kapitalisme. Natuurlijk ging lang niet iedereen zo ver mee maar de beweging kon blijven rekenen op brede steun onder de studenten. De enige oppositie kwam van KVHVer Vic Van Branteghem, een eenzame man met stalen zenuwen. In de bezette Blandijnberg keurden volksvergaderingen radikale eisen goed terwijl in de kleinere lokalen allerlei werkgroepen uit diverse faculteiten thema’s zoals ‘universiteit en industrie’ uitdiepten en de inhoud en vorm van hun opleiding bekritiseerden.

Jachtscènes

De beweging had geen officiele leiders maar toch was het meestal hetzelfde duo dat de volksvergaderingen op sleeptouw nam: de trotskist Eric Corijn en de maoist Ludo Martens, de laatste een grote fan van de massamoordenaar Stalin. Dat die twee strekkingen zo’n dominante invloed hadden zegt wel iets over de sfeer van toen. Maar ze konden elkaar niet luchten. Ze waren concurrenten voor dezelfde markt. Corijn was een vlotte redenaar maar Martens had meer charisma. Hij kon een auditorium in vuur en vlam zetten.

Martens in auditorium E

Aanvankelijk was dat niet moeilijk. De beweging werd gestuwd door verontwaardiging over repressie. Verontwaardiging over het verbod van de rector, over de arrestatie van studenten, over de repressie van betogingen, over de aanhouding en uitsluiting van de als leider gebrandmerkte student Renaat Willockx… De halsstarrigheid van de rector en raad van beheer en het harde optreden van de politie en rijkswacht hadden het omgekeerde effect; ze wakkerden het enthousiame aan. We konden de Blandijnberg overdag niet verlaten om te betogen of ze stonden klaar, matrak in de hand. Om hen te omzeilen vertrokken we in kleine groepjes die samenkwamen in de Veldstraat waar we betoogden en pamfletten uitdeelden. De politie kwam erachter en probeerde ons weg te knuppelen wat tot chaos leidde in de drukste straat van Gent. De studenten vluchtten in de winkels. De jachtscènes in de Grand Bazar zouden niet misstaan in een komische film.De mond-aan-mond-navertelling die ook voor de ‘sociale media’ al bestond, maakte ze nog kleuriger.

Confrontatie aan de ingang van de Blandijnberg

Maar als er niets gebeurde, verslapte de participatie. Ik herinner me een volksvergadering waar het revolutionaire vuur op een laag pitje brandde. Het was al laat, mensen begonnen naar huis te gaan. Dan lanceerde Martens (of was het Corijn?) een rekwisitoor tegen de media die onze strijd verzwegen of vervormden. Vooral de Standaard-kranten kregen er van langs. In de Savaanstraat, op een boogscheut van de Blandijnberg, was er een drukkerij van De Gentenaar. ‘Laat ons massaal naar daar gaan om die krant aan de kaak te stellen!’ En hup, er was weer een betoging vertrokken. Dit keer zingend: “De gazetten zijn de marionetten van het grootkapitaal…”

De arbeiders van de nachtshift die vers gedrukte kranten in vrachtwagens aan het laden waren, keken vreemd op toen we daar opdaagden. Ze accepteerden beleefd onze pamfletjes maar om te praten hadden ze geen tijd. Ze gingen voort met hun werk en wij keerden terug. En dat was dat.

“Een dolk in de rug”

Toen ik in die periode met mijn vuile was naar het ouderlijke huis ging, vond ik mijn moeder in alle staten. Ik was bang dat ze een hartaanval zou krijgen. De rector was haar oom, haar geliefde nonkel Jan, bij wie ze vaak op vacantie was geweest, in zijn kasteeltje in Vinderhoute. De man was diep geschokt en had zijn beklag gedaan. De studenten hadden hem in zijn kantoor naar het leven gestaan, zo beweerde hij, en ze hadden hem zaken doorgestoken die ze alleen van zijn familieleden konden weten. Dat zijn eigen familieleden tot die bende behoorde, hij kon het niet geloven. Ik had hem “een dolk in de rug gestoken” zo had hij tegen mijn oma gezegd. Mama schold en jammerde alsof er in haar rug ook een dolk zat, ook al geloofde ze me wel dat ik niets over nonkel Jan zijn privé-leven wist en er dus ook niets over had kunnen vertellen.

Het zou nog erger worden. In de nacht van 20 maart werden niet alleen ik maar ook mijn broer en mijn zus gearresteerd. Samen met pakweg 700 anderen.

Rijkswachters aanvalsklaar op de Kouter

De autoriteiten hadden besloten dat het genoeg was geweest. In het holst van de nacht werd de Blandijnberg door de rijkswacht ontruimd. Alle bezetters werden opgesloten in de rijkswachtkazerne. We werden niet geisoleerd, wat die tweede arrestatie veel gezelliger maakte dan de eerste. Er werd gelachen en gezongen. Toen ik in de ochtend vrijkwam begaf ik me naar de Brug, waar studenten samenkwamen om hun strategie te bespreken. Daar zag ik voor het eerst Paul Goossens, voor wiens vrijlating ik als scholier betoogd had zonder goed te weten wie die Goossens eigenlijk was. Later, toen hij mijn chef was bij De Morgen, leerde ik hem beter kennen. Goossens vond dat we grote ruchtbaarheid moesten geven aan de de gebeurtenis van de vorige nacht. De witte muur tussen het rectoraat en de straat stak zijn ogen uit. Een ideale canvas, vond hij. Hij stelde voor om op die muur “Vannacht: 725 aanhoudingen!” te spuiten2. Iedereen vond dat goed maar niemand wou het doen. Dus deed ik het. Wat niet verstandig was want een derde arrestatie zou me wellicht slecht bekomen zijn. Ik beefde zo erg dat de letters raar kronkelden maar allee, het stond er op. Ik was zo bang dat ik daarna meteen terug naar de Brug rende en me daar in een kast verborg.

De rest was anticlimactisch. Er waren nog enkele massale protesten, zoals op 28 maart toen ik en zestien andere rebellen voor een soort universitaire rechtbank moesten verschijnen. Maar dan maakte examenkoorts zich van de studenten meester.

“ ’t is maar een begin”…

“ ‘t Is maar een begin, wij gaan voort met de strijd”, was wellicht de meest gescandeerde slogan tijdens de maartse rellen. De strijd werd inderdaad voortgezet -de Gentse universiteit bleef het toneel van relatief veel radikaal studentenaktivisme in het daarop volgende decennium – maar werd nooit meer zo massaal.

Vormelijk is er sindsdien veel veranderd. Het stugge conservatisme van de academische en politieke overheden heeft plaats gemaakt voor een intelligenter beheer dat masseert en inkapselt in plaats van te antagoniseren. Inhoudelijk is er minder veranderd. De universiteit plooit zich meer dan ooit naar de noden van het industriekapitaal en de studentenmassa lijkt zich daar minder om te bekreunen dan vroeger.

Op een website van de universiteit (vakgroep geschiedenis) schrijft historica Fien Danniau: Na het orgelpunt van maart 1969 verschuift de belangstelling van het studentenengagement geleidelijk. Het discours rond maatschappij en kapitalisme maakt plaats voor meer specifieke maatschappelijke vraagstukken als de wapenwedloop, atoomenergie, milieuvervuiling, racisme, abortus en de emancipatie van arbeiders, vrouwen en holebi’s.”

Maar vandaag lijkt er ook rond die thema’s weinig te gebeuren aan de Gentse universiteit. En met alle respect voor de passie van mensen die over deze en andere deelaspecten actie voeren, is het niet meer dan tijd om de grondslag van de maatschappij in vraag te stellen? Ondanks onze naiviteit stonden we daaromtrent in 1969 toch een stapje verder.

1 In feite had de rector enkel verboden om illustratiemateriaal te tonen .

2Het precieze cijfer herinner ik me niet. Misschien waren het er minder, misschien meer.

 

October 28, 2018 at 3:27 am Leave a comment

ANTWERPEN 1968

Het vorige artikel in dit salon, de mijmeringen van Lucas Catherine over Brussel 1967, inspireerde Hugo Durieux om terug te blikken naar Antwerpen anno 1968. Durieux studeerde van 1969 tot 1976 Rechten en Wijsbegeerte in Antwerpen en Gent. Hij werkte op verschillende plekken in Europa als journalist, in het hoger onderwijs en in de ambtenarij. Nu beheert hij o.m. de websites https://rivieren-en-meren.online/ en http://www.durieux.eu/. Eerdere bijdragen van zijn hand in het salon kan men HIER en HIER vinden.

Eigenlijk was ik net te jong voor mei’68. In dat bewuste voorjaar zat ik te zuchten in de tweede Latijn-Grieks (de poesis). ‘Leuven Vlaams’ uit 1966, waaruit uiteindelijk voor een belangrijk deel de Belgische politieke mei ’68-beweging zou voortkomen, is helemaal aan mij voorbijgegaan. Wel was ik in die legendarische lente al volop in de ban van een ander fenomeen dat later, in de jaren zeventig, deel zou gaan uitmaken van de ‘erfenis’ van mei ’68: de hippies en de (VS-Amerikaanse) underground. Misschien ben ik wel veel meer een soixante-huitard geworden en gebleven, dan velen die in die periode aan de beweging deelnamen – en ik verloochen er vrijwel niets van.

Om de tien jaar komen in de maand mei dezelfde vragen naar boven in de media: wat heeft het betekend, waar is het goed voor geweest, wat heeft het achtergelaten, zijn wij nu toe aan de definitieve restauratie, of zijn er aspecten van mei ’68 van waarde gebleven? (In 1978 al publiceerde uitgeverij Manteau Mei ’68 – De grote kater, met bijdragen van o.m. Martin van Amerongen, Jos De Man en Piet Piryns.)

De grote verworvenheid van mei ’68 was voor mij dat, vanaf het eerste jaar aan de universiteit, ik een denk- en leefwereld kon vormen waarin de persoonlijke en culturele vrijheid van de hippies zich mengde (maar vaak ook botste en schuurde) met een ontwikkelend klassenbewustzijn. Het eind van de jaren zestig en vrijwel heel het volgende decennium vormden een periode van heftige sociale en politieke strijd, waarbij al heel snel het adagium evident leek, dat wie geen stelling innam, ook een stelling innam. Je kon toch niet onbewogen blijven bij de oorlogen in Vietnam en Cambodja, de culturele revolutie in China, de Praagse lente, de bevrijdingsoorlogen in Angola, Mozambique en Zuid-Afrika, de Portugese Anjerrevolutie, de staatsgreep tegen Allende en de daaropvolgende dictatuur in Chili, de fascistische dictaturen in Argentinië, Brazilië, Uruguay, Paraguay, El Salvador en Nicaragua, Black Panther, de boycot van Cuba, de steeds heftiger onderdrukking van de Palestijnen en het geweld dat dit veroorzaakte in het gehele Midden Oosten, het kolonelsregime in Griekenland, de burgeroorlog in Noord-Ierland, de neutronenbom, maar ook de teloorgang van de staalnijverheid in West-Europa, de linkse en rechtse stadsguerrilla in de Duitse Bondsrepubliek, Frankrijk, Italië, Spanje, zelfs België, de beroepsverboden in Duitsland en België, de loden jaren in Italië en Frankrijk, de dokstaking van 1973 in Antwerpen, de pogingen tot arbeiderszelfbeheer in bedrijven als Salik, LIP of de Boelwerf Temse, et j’en passe. Dat was niet allemaal ver van mijn bed: wie zich in Antwerpen of aan de universiteit solidair betoonde met de verschillende emancipatiebewegingen of zich inzette tegen diverse dictaturen, kreeg al snel te maken met de knokploegen van de Vlaamse Militanten Orde, Were di of de Vlaams-nationalistische studentenorganisatie KVHV.

Het theoretische kader om zowel die mondiale crisis als de ontvoogdingsstrijden te plaatsen en te begrijpen, werd aangeboden door mensen die zich volop aan het verdiepen waren in allerlei varianten van marxisme en anarchisme. Het vrolijke anarchisme van provo in Amsterdam kon wel een tijd aanstekelijk werken, maar het was geen doeltreffende benadering voor de scherpe maatschappelijke conflicten beneden de Moerdijk en de harde repressieve manier waarop de overheden in België daarop reageerden. Ontwikkelend klassenbewustzijn had in de eerste plaats te maken met veel lezen (in de eerste plaats de marxistische klassiekers, maar ook de klassieke anarchisten), maar ook met onregelmatig werk tussendoor als arbeider (in mijn geval in de haven, eerst als leerling-plaatslager in de scheepsherstelling, later ‘met de pas’ als dokwerker). Klassenengagement als student vond een uitdrukking bij de oprichting van de Antwerpse wetswinkel in 1972, en in het verslaggeverswerk voor Bevrijdingspersagentschap (BPA). In navolging van het Franse Agence de Presse Libération (waaruit de krant Libération is voortgekomen) waren in Brussel en Leuven ‘persagentschappen’ ontstaan, die wekelijks gestencilde bulletins uitgaven waarin overwegend studenten nieuws verzamelden uit sectoren waaraan de gevestigde agentschappen en redacties geen aandacht besteedden: sociale strijd, prille milieuorganisaties, studentenbeweging, de minder officiële vrouwenbeweging, gewetensbezwaarden en dienstweigeraars …
De ruimte voor culturele en persoonlijke vrijheid die in die tijd ontstond, leek wel onbegrensd. Wij waren achttien, twintig of daaromtrent, het gezag van ouders werd toch al op alle vlakken bestreden, het was de hoogste tijd voor een meeslepende ontdekkingstocht in de verslavende wereld van de seks. De ‘tweede feministische golf’, die wat noordelijk België betreft hoofdzakelijk uit Nederland afkomstig was, was ook voor mannen een bevrijding: je leerde inzien hoe je was opgevoed in een strak rollenpatroon, maar je ontdekte ook dat seks met zelfbewuste vrouwen veel spannender was en veel verder kon gaan dan wat je je ooit had voorgesteld. De feministische ontdekkingstocht naar het lichamelijke is ook de mannen ten goede gekomen. Maar er was natuurlijk, uiteraard, vanzelfsprekend veel meer dan dat. De zoektocht naar herbronning, naar een alternatief voor de beklemmende katholieke of traditioneel socialistische moraal van de ouders, leidde tot een nieuw milieubewustzijn en openheid voor Aziatische (pseudo-)wijsheid: massage, alternatieve geneeswijzen, makrobiotiek.

Eind jaren zestig en begin jaren zeventig waren in Antwerpen sowieso een spannende tijd op cultureel gebied . De Wide White Space Gallery was nog actief; het ICC op de Meir beleefde zijn glorietijd met Flor Bex en bracht ons Beuys, Joseph Kosuth, James Lee Byars met zijn geverfde maaltijd op de Veemarkt, het prille werk van Anne-Mie Van Kerckhoven, Danny Devos, Ria Pacquée en vele anderen, maar ook talloze experimentele films en festivalletjes rond klankpoëzie; cafés rond het Conscienceplein en de Wolstraat en min of meer besloten clubs als Vécu en Gard Sivik waren ontmoetingsplaatsen voor beeldend kunstenaars, jazzmuzikanten en wilde schrijvers als Szukalski, Wout Vercammen, Marcel Van Maele, Gust Gils, Nic van Bruggen, en Laurent Veydt (die onder zijn echte naam Georges Adé onze leraar Frans bleek te zijn).

In de ‘strijdcultuur’ wilden gezelschappen als Werktheater, Het Trojaanse Paard of de Internationale Nieuwe Scène met militant toneel de persoonlijke en klassenemancipatie van ‘gewone mensen’ stimuleren door toegankelijk theater te maken op toegankelijke plekken. Aan de pas gestarte Universitaire Instelling Antwerpen, met een campus midden in de weilanden in Wilrijk, ontstond het Centrum voor Experimenteel Teater. Wij leerden er Brecht lezen, maar maakten ook kennis met het werk van Bread and Puppet en het Living Theatre; het CET produceerde enkele keren in de ruimten van Fort VI voorstellingen van het nomadische muziektheater van Welfare State. Maar evengoed gingen wij naar Parijs voor het Théâtre du Soleil van Ariane Mnouchkine, of naar Amsterdam, om te kijken naar wat Mickery op de Rozengracht liet zien – om nog maar te zwijgen van uitstappen naar Brussel, voor het Franstalige aanbod in Théâtre 140 of de Hallen van Schaarbeek.

En dan heb ik het nog niet eens over de legendarische Studio Century in Borgerhout, die elke maand een tiental films programmeerde die later klassiekers zouden blijken, van de films uit de Andy Warhol Factory tot het vroege werk van Werner Herzog of Wim Wenders, van het werk van Marguerite Duras of Marco Ferreri tot de eerste kennismaking met de Japanse cinema. Op muzikaal gebied was het Free Music Festival (aanvankelijk in de King Kong, de zaal die later in brand werd gestoken door het neo-fascistische Front de la jeunesse) was elk jaar een bron van opperste verbazing en opwinding: zo zijn mensen ook met geluid bezig! En het genot van die ontdekkingstocht speelde natuurlijk ook een rol bij de kennisname met de elektronische en elektroakoestische muziek: van de geregistreerde studiowerken van Nono, Stockhausen of Lucien Goethals, tot het versterkte gepriegel met schelpen of kammetjes of kraakdozen van John Cage of Michel Waisvisz.

Waarom deze uitgebreide impressie? Omdat de mentaliteit en de maatschappelijke structuren, die zich ontwikkelden tot wat nu ‘mei ‘68’ heet, het perspectief hebben geopend op een vrijwel onbeperkte mogelijkheid tot zelfbevraging en zelfontwikkeling. Door de enorme hoeveelheid informatie en mogelijkheden die ons vanaf 1968 werden aangeboden, en door de vrijheid die wij namen om daar al dan niet op in te gaan, ontstonden bij mij – en bij vele anderen – m ns- en wereldbeelden die persoonlijke vrijheid en ontwikkeling voorop stellen, maar zonder afbreuk te doen aan het verlangen naar vrijheid en ontwikkeling van anderen. (Hier moet zeker nog Jef Sprankenis vermeld worden, de legendarische uitbater van boekhandel De groene waterman. Bij hem vond je tijdschriften, boeken, platen, hoofdzakelijk verzameld en geïmporteerd vanuit Duitsland en Amsterdam, die je kennis lieten maken met politieke inzichten en culturele opvattingen, waarvan je het bestaan zelfs niet had kunnen vermoeden.) Je kan jezelf maar waardevol emanciperen, als dat gebeurt in een context die je omgeving (je leefomgeving, de producenten van wat je gebruikt, het milieu en de dieren, eigenlijk de hele wereld) respecteert. Geen nieuw inzicht, ongetwijfeld, maar wat nu ‘mei ‘68’ heet staat voor een boost aan collectief verlangen naar persoonlijke en globale autonomie en emancipatie, en dat leeft, denk ik, nog steeds.

Tien jaar later, in 1978, hadden de auteurs van De grote kater misschien wel enigszins gelijk: de maatschappelijke structuren leken niet veranderd, de restauratie was in volle gang, en niet weinigen – ook in België – waren het slachtoffer geworden van de repressie die volgde op de pogingen tot maatschappelijke verandering. Maar ik denk dat het toen nog te vroeg was om een begrip als ‘mei ‘68’ zijn historische plaats te geven.
In 1980 ben ik uit België weggegaan, en heb ik op verschillende plekken in Europa geprobeerd mijn mens- en wereldbeeld van een creatieve mix van maatschappelijk bewustzijn en streven naar persoonlijke vrijheid door te geven. Mijn uitgangspunt was altijd: het belangrijkste is dat je een interessante vraag stelt, zodat als daar een antwoord op komt, je weer een goede vraag kan stellen. Vaak zegden studenten me: “Mijnheer, ik ben niet geïnteresseerd in die vraag, ik wil het antwoord.” Maar even goed waren er ook steeds die op het eind van het academiejaar kwamen bedanken, omdat zij bij mij geleerd hadden alles in vraag te stellen wat zij lazen, zagen, hoorden.

En nu, vijftig jaar later, lijkt het weer of het allemaal voor niets is geweest: het nationalisme en de oude politiek zijn terug (in België), de hele wereld wordt gedicteerd door de wetten van markteconomie en mediatisering, en als ik wel eens passeer door wat er allemaal op televisie aangeboden wordt, is er blijkbaar een enorm publiek gecreëerd dat zonder morren enorme hoeveelheden professioneel geproduceerde rotzooi slikt. Je wordt er niet vrolijker van. Maar betekent dat de zinloosheid van de beweging die nu naar mei ’68 genoemd wordt? De politieke en culturele rijkdom die ik in het kielzog van wat enkele jaren eerder begonnen was heb kunnen genieten, nemen zij mij niet meer af. En ik ben niet de enige die op microniveau de idealen van een actieve mengeling van politiek bewustzijn en culturele en persoonlijke vrijheid probeert verder te ontwikkelen en uit te dragen. Als de structuren niet ingrijpend veranderd zijn, dan zijn er toch overal mensen, die in de geest van mei ’68 leven en werken: in het onderwijs, de journalistiek, de wetenschap, de groene en rode actiegroepen en basisgroepen, zelfs het bedrijfsleven. En hoewel ik in Antwerpen en Brussel veel jonge mensen om mij heen zie, die op het eerste gezicht alleen bezig zijn met vegeteren of met agressief gedrag, zie ik er ook veel die zich inzetten, ook op het platteland, voor andere mensen, voor de wereld, voor dieren, voor het milieu, … en die zich op een creatieve manier uiten – ook als ik daar niet veel van begrijp. Uiteindelijk zijn, tegen de dictatuur van de markt en de commerciële media in, talloze mensen bezig met pogingen om hun eigen maatschappelijk bewustzijn te koppelen aan culturele verrijking en persoonlijke ontwikkeling. En laat dat nou net de geest zijn van mei ’68, zoals ik hem gekend heb.

October 18, 2018 at 4:34 am 3 comments

JEZELF OVERLEVEN

 

         Woordeloos door Tomas Ronse   2007

 

Door Gie Van Den Berghe

 

Over Je gaat er niet dood aan. Zoektocht naar de grenzen van mijn aftakeling van Henk Blanken

Atlas Contact, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789045036793 / 256p

 

De Nederlandse journalist Henk Blanken (1959) kreeg als jonge vijftiger de jobstijding dat hij de ziekte van Parkinson had, die mensonterende neurologische stoornis die gepaard gaat met schudden en beven, spier- en spraakstoornissen (zoals ‘het vriest dat het kwaakt’ en ‘domineestenen’), wankel evenwicht en wat al niet meer. Het enige wat vooruitgaat is de ziekte zelf. Ga je er niet aan dood, dan heb je vijftig procent kans dat je langzaam maar zeker in de dichte mist van dementie verdwijnt. Het enige positieve aan dementie, oppert Blanken, is dat je uiteindelijk vergeet dat je vergeet. Dat én vergeten worden, lijkt hem heel wat erger dan verdrinken, stikken, doof of blind worden.

Blanken schrijft niet alleen over zijn eigen ziekte, maar zoekt lot- en pijngenoten op en beschrijft ook hun worsteling met groot mededogen, tederheid en zin voor objectiviteit. Ontroerd, kapot, nieuwsgierig, schrijvend, struikelend, euforisch en wanhopig – dat alles tegelijk. Hij spaart zichzelf niet, slaat ook het eigen trage verval gade. Het fascineert hem, hij wordt er soms euforisch van. ‘Het is mooi zoals veroudering mooi is, craquelé, roest, een barst’. Uit die ‘schoonheid van het verval’ put hij troost.

De ziekte zelf laat zich nog niet doorgronden. Wetenschappers hebben alleen maar vermoedens over mogelijke oorzaken. Onze kennis van de hersenen – waarin paradoxaal genoeg onze kennis zit opgeslagen – is niet groter dan ons inzicht in het universum. En over het oneindige valt weinig meer dan niets te weten. Wat is een paar procent van oneindig? ‘Ons brein’, schrijft Blanken:

is op dezelfde manier onbegrepen als het heelal: naarmate we verder kijken, moeten we accepteren dat we minder weten dan we dachten. Uitgerekend het orgaan dat we meezeulen om het leven te doorgronden, onttrekt zich aan dat begrip – een sardonisch spiegelkabinet, dat is het.

HERSENDIEP

Blanken beschrijft een deep brain stimulation die hij mocht bijwonen. Via twee in de schedel geboorde gaatjes dringt de chirurg met een naald door tot een bepaalde regio in de hersenen. De patiënt moet aangeven als de juiste plek is bereikt. Daar worden elektrische impulsen toegediend en een pacemaker ingeplant. Soms helpt het, soms niet. De risico’s van de ingreep zijn relatief klein. Pijn doet het niet. Hersenen, het centrum van onze pijnervaring, hebben geen weet van de eigen pijn. Blanken beschrijft alles zo beeldend dat je het gevoel hebt over zijn schouder mee te kijken.

Helmut Dubiel, een Duits socioloog, onderging op zijn zevenenveertigste ook zo’n ingreep. Het beven stopte; een paar dagen later echter kreeg hij spraakstoornissen, struikelde over woorden en benen, verloor smaak en geur, kon geen les meer geven, werd depressief.

Pas een jaar na zijn operatie wees de neuroloog hem erop dat hij de sonde in zijn hersenen ook weer kon uitzetten.

Kiezen tussen gekmakend schudden of praten: Dubiel schreef er een boek over (Tief im Hirn uit 2006) en Blanken las het ‘met toenemende weerzin’. Van elke bladzijde ‘druipt de wanhopige woede’. De man was tot op het bot verbitterd, vooral omdat ‘niemand hem van tevoren had verteld dat de pacemaker instelbaar zou zijn’. Zou je niet voor minder?

Dubiel is een van de weinige personen die Blanken bij zijn echte naam noemt, de enige ook over wie hij iets negatiefs schrijft. De confrontatie met Dubiels ontluisterende ervaring was er blijkbaar één te veel.

Je gaat er niet dood aan heet een bewerkte en geactualiseerde versie te zijn van Pistoolvinger. Parkinson en de schoonheid van het verval (2015). Blanken moet dus niet geweten hebben dat Dubiel eind 2015, op negenenzestigjarige leeftijd, op tragische wijze is omgekomen. De man bleef in de metro ergens aan haperen, kwam met zijn elektrisch rolwagentje op de sporen terecht en bezweek enkele weken later aan zijn verwondingen. Begin dat jaar had Dubiel nog in een interview gezegd dat hij zich een proefkonijn, een cyborg had gevoeld, maar dat hij na een tijdje weer met volle teugen van het leven genoot: hij was hertrouwd en had nog een dochter ‘gekregen’.

HERSENDOOD

Blanken gaat voorts uitgebreid in op het zowel verontrustende als hilarische zelfbedrog van mensen die wegdeemsteren in dementie. Vrijwel niemand beseft dat het al begonnen is. Het begint ook zo onschuldig. Je kan er nog om glimlachen of je foetert jezelf uit omdat je je niet meer herinneren kan wat je even voordien gehoord of gezien hebt.

En iedereen wil de volgende lente nog beleven, de appelboom zien bloeien, nog en nog een keer die cantate horen, een kind of een hond knuffelen. Afscheid en euthanasie worden uitgesteld tot het niet meer mag. Eerst struikel je ‘over een straatklinker en vervolgens over de werkelijkheid.’

Dementie vergruist het besef dat er iets ernstig aan de hand is met je hersenen. De ziekte ‘ontkent zichzelf, net als alcoholisme – zonder kans op ontnuchtering.’ Je hersenen draaien je een rad voor de ogen, ‘niemand ziet zichzelf verdwijnen’.

Je raakt almaar grotesker verward, je begint hartverscheurend te sukkelen bij het aankleden, eten, praten en denken. Een enkele keer kun je toegeven dat er iets mis is, terwijl je het ondergoed van je vrouw aantrekt. Je wordt een afwezige die wezenloos voor zich uitstaart. Je weet niet meer wie je bent, noch dat je bent. Aan je vrouw, die je als een uit het nest gevallen vogeltje aan het voederen is, vraag je waarom je vrouw niet meer op bezoek komt. Je eindigt zoals je begonnen bent, ‘opgerold als een foetus’.

Deze afwezige mensen worden ‘voor hun eigen veiligheid’, als kooivogels of wilde dieren, opgesloten in tehuizen, achter deuren en cijfersloten. Mochten ze de cijfercombinatie zien, ze vergeten ze toch meteen. Aan deze bijna-doden wordt een goede dood ontzegd omdat ze niets beslissends meer kunnen beslissen. Het ene moment smeken ze om euthanasie, het volgende zijn ze verontwaardigd als iemand om bevestiging vraagt. Blanken brengt alles zo tastbaar onder woorden dat je sommige mensen en scènes bijna kunt aanraken.

Je moet dus, zo poneert Blanken, uit het leven stappen ‘zodra het begint te schemeren’, want ‘op een dag kom je niet meer terug’. Maar eruit stappen voordat het voorgoed te laat is, is niet iedereen gegeven. In Nederland zitten er momenteel een kwart miljoen demente mensen in tehuizen. Volgens Blanken ontsnapt slechts één op de honderd aan ‘het einde dat niemand heeft gewild.’

Blanken verhaalt ook over vrienden, kunstenaars, godsdienst als doekje voor het bloeden en andere diepzinnige zaken. Hij ergert zich aan het dwangmatig, opgefokt optimisme van tegenwoordig. Je moet alles ‘leuk’ vinden. Zand in de ogen strooien. Schijngeluk en verslaafdheid aan vooruitgang en eindeloze groei. God moet het allemaal geschapen hebben. Schiep hij ook het niets?

 

      Henk Blanken

LAATSTE GLANS

Blanken wil ondanks alle pijn en ongemak graag verder leven. Zolang hij gretig, nieuwsgierig en lucide blijft, vindt hij al de rest nog min of meer te doen. Hij kan ermee leven dat hij sluipenderwijs invalide wordt, ziet er soms het hilarische van in. Ineens languit voorover vallen, als in een slapstick. Op de tenen van een beeldschoon meisje trappen, die zich nog verontschuldigt ook.

Maar Blanken weet beter dan wie ook dat hij met steeds minder genoegen zal nemen, dat het onwaardige hem waardig zal toeschijnen. Uitstel zal afstel worden, en de goede dood onmogelijk. Dan, besluit Blanken, moet zijn geliefde het maar doen. Hij mag pas gaan als hij toch al verdwenen is.

‘Mijn dood’, zegt hij tegen zijn vrouw, ‘is niet van mij’, maar van de achterblijvers. Sandra kan hem niet volgen en het mag toch wettelijk niet? Wetten kunnen veranderen, reageert Blanken. Als hij diep dement wordt, wil hij nog wel even blijven als hij er nog tevreden uitziet, als zijn laatste restje bestaan nog betekenis heeft voor anderen, het afscheid nog te pijnlijk is. Maar dan moet zijn vrouw het stiekem doen. Hij wil:

alleen kunnen beslissen dat [hij] het aan een ander overlaat. En aan wie. Niet meer dan dat. Al het andere laat [hij] los. Het zal jouw beslissing zijn, wat die ook is.

Geen denken aan! Zoiets mag je toch van niemand verlangen? Dan zal Blanken een andere hulpvaardige ziel zoeken. Dat ziet zijn vrouw ook niet zitten en haar man overtuigt haar omdat ze hem liefheeft.

Ethisch gezien is deze ‘oplossing’ onverantwoord. Praktisch en legaal gezien is ze onuitvoerbaar en niet sluitend te regelen. ‘Mijn dood is niet van mij’ mag dan een diepzinnige gedachte zijn, de verantwoordelijkheid voor euthanasie berust bij de persoon zelf. Je mag die niet in andermans schoenen schuiven.

De dood beëindigt je leven, maakt bij wijze van spreken je geboorte ongedaan. Blijdschap en genot, verdriet en lijden zijn dan voorgoed voorbij. Maar voor dierbaren beginnen treurnis en gemis, hoe tijdelijk ook. Goed afscheid nemen, zoveel mogelijk vooraf regelen – dat lijkt me geboden. Bedenk ook dat zulks niet kan als iemand plotseling overlijdt door een hartstilstand of een ongeval. Doe ook niet aan zelfoverschatting, er zijn al te veel mensen op de wereld en er komen er nog altijd bij. Zelf beslissen over menswaardig sterven kan het leven een laatste glans geven. De rest is martelaarschap.

De strafrechtelijke wijziging die Blanken voorstaat, kan er niet komen. Ook als je samen met de persoon die je dood mag of moet maken alles vooraf op papier hebt gezet, kunnen jij of die persoon van mening veranderen of hij/zij kan je aanporren om het nu te doen, of om het hoekje helpen als je het nog niet of niet meer wil.

Mede door dit diep menselijke, confronterende, meesterlijke boek, dat u absoluut moet lezen, zal Henk Blanken zichzelf met glans overleven.

 

Dit stuk verscheen ook in DE REACTOR , een platform voor literaire kritiek.

 

September 15, 2018 at 1:03 pm 2 comments

LINKS, RECHTS, TRUMP, VOORUIT!

Goya: Als de rede slaapt

Door Tom Ronse

Veronderstel dat een linkse militant in 1978 in een diepe slaap werd gedompeld en pas veertig jaar later wakker werd. “Wie is er nu president van Amerika?”, is een van zijn eerste vragen en met een diepe zucht antwoord je: “Trump”.

En wat doet die ? ”

Hij neemt protectionistische maatregelen waar de vakbonden al lang voor pleiten. Hij stelt het nut van de NATO in vraag en zoekt toenadering tot Rusland en verzoening met Noord-Korea. Hij heeft een boon voor de Russische leider, een ex-KGB-er. Hij veroordeelt de militaire politiek van zijn voorgangers en noemt de invasie van Irak “een domme vergissing”. Hij valt uit tegen de FBI en de CIA. Hij vecht tegen wat hij “de diepe staat” noemt, de gevestigde machten die zijn verkiezing volgens hem ongedaan willen maken.”

De militant uit 1978 straalt. “Fantastisch!”, zegt hij, “Is hij een kommunist? Of op zijn minst een socialist?”

Hij is wellicht de meest rechtse president die Amerika ooit heeft gehad.”

De militant schudt zijn hoofd. “Dit zijn vreemde tijden”, zegt hij verbijsterd. En daarin kun je hem geen ongelijk geven.

Wat maakt hem dan zo rechts?” wil hij weten.

Het is niet alleen zijn politiek. Hij geeft de rijken belastingscadeaus, valt de milieubescherming, de gezondheidszorg en de sociale voorzieningen aan, benoemt konservatieve rechters, maar dat is klassiek rechts, daarin onderscheidt hij zich niet van zijn voorgangers. Wat hem anders maakt is dat hij in zijn hart een fascist is.”

Is de VS een fascistisch land geworden?” vraagt de militant verschrikt.

Nee. Maar als de president zijn gang kon gaan…

Hij vertoont veel gelijkenissen met de fascistische leiders van de vorige eeuw. Hij is een charismatische bullebak. Hij is een narcist, wilt voortdurend in het middelpunt van de belangstelling staan, en eist van zijn medewerkers blinde gehoorzaamheid. Hij heeft propagandisten op radio en tv die de cultus rond zijn persoon aanblazen. Hij geeft het volk een zondebok, in casu de immigranten. Hij wakkert haat en wraaklust aan. Hij is een hypernationalist. Hij marchandeert in samenzweringstheorieen. Hij is medogenloos. Hij misprijst vrouwen, anders gekleurden en journalisten. Hij scheldt, hij schreeuwt, hij bluft, hij liegt. En hij doet dat allemaal schaamteloos. Zijn speechen zijn vaak een aaneenrijging van demonstreerbare leugens maar elke kritiek is als water op een eend; hij blijft zijn leugens herhalen tot ze voor zijn gelovigen feiten worden en al de rest “fake news” is.

Durf en schaamteloosheid zijn cruciale factors in het sukses van een fascistoide leider. Zo ontreddert hij zijn tegenstanders, zet hen op het verkeerde been, en brengt hij zijn aanhangers in verrukking.

Trump, Erdogan, Orban, Duterte, etcetera… wat betekent die opmars van politieke leiders met fascistoide trekken in demokratische staten? Ze zijn geen dictators die erop gebeten zijn om de parlementaire demokratie zo snel mogelijk op te heffen. Integendeel, ze spelen het verkiezingsspel met groot enthousiasme. De democratie lijkt eerder een instrument voor hen dan een obstakel (bovendien zitten de demokratische spelregels in de VS zo in elkaar dat je, zoals Trump, kunt verliezen en toch winnen).

Fascistoide leiders onderscheiden zich van andere politici in hun cultivering van een mythisch verleden. “Make America great again”. In dat mythisch verleden was er rust, orde, zekerheid. Je had vast werk. Je hoefde je als blanke Amerikaanse man nergens voor te schamen. Fascistoide leiders mikken op de emoties, eerder dan op het verstand. Op verlangens, op frustraties, op de nood aan zekerheid.

Je kunt het ironisch of voorspelbaar noemen maar ze doen de onzekerheid juist nog toenemen. Verdragen worden opgezegd. Allianties in vraag gesteld. Partners bedreigd. Alles staat op losse schroeven. Nieuwe breuklijnen verschijnen.

Die breuklijnen lopen niet meer simpelweg tussen links en rechts. Ook binnen de partijen woedt een strijd. Zelfs in de Republikeinse partij en in Trumps regering. De partij volgt hem wel als het over belastingsvermindering, meer geld voor het Pentagon en afschaffing van milieuregels gaat. Maar ze is ook traditioneel pro-globalisering en anti-Rusland. Trumps protectionisme, zijn bromance met Poetin en zijn harde aanpak van immigranten gaan voor velen in zijn eigen partij te ver.

Wat Trump nodig heeft, als fascistoide leider, is een fascistoide partij die hem op handen draagt en door dik en dun verdedigt. Daarom is hij de eerste Amerikaanse president die breekt met de traditie dat de president geen kandidaat steunt in de voorverkiezingen van zijn eigen partij. Trump doet dat wel omdat hij de Republikeinse partij wil veroveren. Hij steunt trumpisten soms tegen de kandidaten van de lokale partijleiders in. Anderzijds hebben de Koch broers, pro-globalisten en de grootste geldschieters van de Republikeinen, aangekondigd dat ze 400 miljoen dollar willen besteden om anti-trumpisten te steunen. The game is on.

Inzake de Kongresverkiezingen in november wordt vooral gespeculeerd over de vraag of de Demokraten erin zullen slagen een of beide kamers te heroveren. Maar de vraag welke soort Republikeinen verkozen wordt is misschien even belangrijk voor de tweede helft van Trumps ambtstermijn.

Trump heeft de wind in de zeilen omdat de Amerikaanse ekonomie lekker lijkt te draaien. Maar volgens Ben Bernanke, oud-voorzitter van de Fed, de Amerikaanse centrale bank, valt de wereldekonomie in 2020 van een klif. Dat is het jaar waarin Trump kandidaat zal zijn om zichzelf op te volgen. Meer dan ooit zal hij een zondebok nodig hebben.

August 13, 2018 at 9:38 pm 4 comments

TEKENS LANGS DE WEG

Omdat het augustus is en omdat bloedheet is en omdat het een traditie is in dit salon, serveren we u graag wat lichtere kost. Verkeerstekens zijn dit keer het thema.

 

 

 

August 7, 2018 at 5:25 am 1 comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,556 other followers