Archief beheerder

JEZELF OVERLEVEN

 

         Woordeloos door Tomas Ronse   2007

 

Door Gie Van Den Berghe

 

Over Je gaat er niet dood aan. Zoektocht naar de grenzen van mijn aftakeling van Henk Blanken

Atlas Contact, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789045036793 / 256p

 

De Nederlandse journalist Henk Blanken (1959) kreeg als jonge vijftiger de jobstijding dat hij de ziekte van Parkinson had, die mensonterende neurologische stoornis die gepaard gaat met schudden en beven, spier- en spraakstoornissen (zoals ‘het vriest dat het kwaakt’ en ‘domineestenen’), wankel evenwicht en wat al niet meer. Het enige wat vooruitgaat is de ziekte zelf. Ga je er niet aan dood, dan heb je vijftig procent kans dat je langzaam maar zeker in de dichte mist van dementie verdwijnt. Het enige positieve aan dementie, oppert Blanken, is dat je uiteindelijk vergeet dat je vergeet. Dat én vergeten worden, lijkt hem heel wat erger dan verdrinken, stikken, doof of blind worden.

Blanken schrijft niet alleen over zijn eigen ziekte, maar zoekt lot- en pijngenoten op en beschrijft ook hun worsteling met groot mededogen, tederheid en zin voor objectiviteit. Ontroerd, kapot, nieuwsgierig, schrijvend, struikelend, euforisch en wanhopig – dat alles tegelijk. Hij spaart zichzelf niet, slaat ook het eigen trage verval gade. Het fascineert hem, hij wordt er soms euforisch van. ‘Het is mooi zoals veroudering mooi is, craquelé, roest, een barst’. Uit die ‘schoonheid van het verval’ put hij troost.

De ziekte zelf laat zich nog niet doorgronden. Wetenschappers hebben alleen maar vermoedens over mogelijke oorzaken. Onze kennis van de hersenen – waarin paradoxaal genoeg onze kennis zit opgeslagen – is niet groter dan ons inzicht in het universum. En over het oneindige valt weinig meer dan niets te weten. Wat is een paar procent van oneindig? ‘Ons brein’, schrijft Blanken:

is op dezelfde manier onbegrepen als het heelal: naarmate we verder kijken, moeten we accepteren dat we minder weten dan we dachten. Uitgerekend het orgaan dat we meezeulen om het leven te doorgronden, onttrekt zich aan dat begrip – een sardonisch spiegelkabinet, dat is het.

HERSENDIEP

Blanken beschrijft een deep brain stimulation die hij mocht bijwonen. Via twee in de schedel geboorde gaatjes dringt de chirurg met een naald door tot een bepaalde regio in de hersenen. De patiënt moet aangeven als de juiste plek is bereikt. Daar worden elektrische impulsen toegediend en een pacemaker ingeplant. Soms helpt het, soms niet. De risico’s van de ingreep zijn relatief klein. Pijn doet het niet. Hersenen, het centrum van onze pijnervaring, hebben geen weet van de eigen pijn. Blanken beschrijft alles zo beeldend dat je het gevoel hebt over zijn schouder mee te kijken.

Helmut Dubiel, een Duits socioloog, onderging op zijn zevenenveertigste ook zo’n ingreep. Het beven stopte; een paar dagen later echter kreeg hij spraakstoornissen, struikelde over woorden en benen, verloor smaak en geur, kon geen les meer geven, werd depressief.

Pas een jaar na zijn operatie wees de neuroloog hem erop dat hij de sonde in zijn hersenen ook weer kon uitzetten.

Kiezen tussen gekmakend schudden of praten: Dubiel schreef er een boek over (Tief im Hirn uit 2006) en Blanken las het ‘met toenemende weerzin’. Van elke bladzijde ‘druipt de wanhopige woede’. De man was tot op het bot verbitterd, vooral omdat ‘niemand hem van tevoren had verteld dat de pacemaker instelbaar zou zijn’. Zou je niet voor minder?

Dubiel is een van de weinige personen die Blanken bij zijn echte naam noemt, de enige ook over wie hij iets negatiefs schrijft. De confrontatie met Dubiels ontluisterende ervaring was er blijkbaar één te veel.

Je gaat er niet dood aan heet een bewerkte en geactualiseerde versie te zijn van Pistoolvinger. Parkinson en de schoonheid van het verval (2015). Blanken moet dus niet geweten hebben dat Dubiel eind 2015, op negenenzestigjarige leeftijd, op tragische wijze is omgekomen. De man bleef in de metro ergens aan haperen, kwam met zijn elektrisch rolwagentje op de sporen terecht en bezweek enkele weken later aan zijn verwondingen. Begin dat jaar had Dubiel nog in een interview gezegd dat hij zich een proefkonijn, een cyborg had gevoeld, maar dat hij na een tijdje weer met volle teugen van het leven genoot: hij was hertrouwd en had nog een dochter ‘gekregen’.

HERSENDOOD

Blanken gaat voorts uitgebreid in op het zowel verontrustende als hilarische zelfbedrog van mensen die wegdeemsteren in dementie. Vrijwel niemand beseft dat het al begonnen is. Het begint ook zo onschuldig. Je kan er nog om glimlachen of je foetert jezelf uit omdat je je niet meer herinneren kan wat je even voordien gehoord of gezien hebt.

En iedereen wil de volgende lente nog beleven, de appelboom zien bloeien, nog en nog een keer die cantate horen, een kind of een hond knuffelen. Afscheid en euthanasie worden uitgesteld tot het niet meer mag. Eerst struikel je ‘over een straatklinker en vervolgens over de werkelijkheid.’

Dementie vergruist het besef dat er iets ernstig aan de hand is met je hersenen. De ziekte ‘ontkent zichzelf, net als alcoholisme – zonder kans op ontnuchtering.’ Je hersenen draaien je een rad voor de ogen, ‘niemand ziet zichzelf verdwijnen’.

Je raakt almaar grotesker verward, je begint hartverscheurend te sukkelen bij het aankleden, eten, praten en denken. Een enkele keer kun je toegeven dat er iets mis is, terwijl je het ondergoed van je vrouw aantrekt. Je wordt een afwezige die wezenloos voor zich uitstaart. Je weet niet meer wie je bent, noch dat je bent. Aan je vrouw, die je als een uit het nest gevallen vogeltje aan het voederen is, vraag je waarom je vrouw niet meer op bezoek komt. Je eindigt zoals je begonnen bent, ‘opgerold als een foetus’.

Deze afwezige mensen worden ‘voor hun eigen veiligheid’, als kooivogels of wilde dieren, opgesloten in tehuizen, achter deuren en cijfersloten. Mochten ze de cijfercombinatie zien, ze vergeten ze toch meteen. Aan deze bijna-doden wordt een goede dood ontzegd omdat ze niets beslissends meer kunnen beslissen. Het ene moment smeken ze om euthanasie, het volgende zijn ze verontwaardigd als iemand om bevestiging vraagt. Blanken brengt alles zo tastbaar onder woorden dat je sommige mensen en scènes bijna kunt aanraken.

Je moet dus, zo poneert Blanken, uit het leven stappen ‘zodra het begint te schemeren’, want ‘op een dag kom je niet meer terug’. Maar eruit stappen voordat het voorgoed te laat is, is niet iedereen gegeven. In Nederland zitten er momenteel een kwart miljoen demente mensen in tehuizen. Volgens Blanken ontsnapt slechts één op de honderd aan ‘het einde dat niemand heeft gewild.’

Blanken verhaalt ook over vrienden, kunstenaars, godsdienst als doekje voor het bloeden en andere diepzinnige zaken. Hij ergert zich aan het dwangmatig, opgefokt optimisme van tegenwoordig. Je moet alles ‘leuk’ vinden. Zand in de ogen strooien. Schijngeluk en verslaafdheid aan vooruitgang en eindeloze groei. God moet het allemaal geschapen hebben. Schiep hij ook het niets?

 

      Henk Blanken

LAATSTE GLANS

Blanken wil ondanks alle pijn en ongemak graag verder leven. Zolang hij gretig, nieuwsgierig en lucide blijft, vindt hij al de rest nog min of meer te doen. Hij kan ermee leven dat hij sluipenderwijs invalide wordt, ziet er soms het hilarische van in. Ineens languit voorover vallen, als in een slapstick. Op de tenen van een beeldschoon meisje trappen, die zich nog verontschuldigt ook.

Maar Blanken weet beter dan wie ook dat hij met steeds minder genoegen zal nemen, dat het onwaardige hem waardig zal toeschijnen. Uitstel zal afstel worden, en de goede dood onmogelijk. Dan, besluit Blanken, moet zijn geliefde het maar doen. Hij mag pas gaan als hij toch al verdwenen is.

‘Mijn dood’, zegt hij tegen zijn vrouw, ‘is niet van mij’, maar van de achterblijvers. Sandra kan hem niet volgen en het mag toch wettelijk niet? Wetten kunnen veranderen, reageert Blanken. Als hij diep dement wordt, wil hij nog wel even blijven als hij er nog tevreden uitziet, als zijn laatste restje bestaan nog betekenis heeft voor anderen, het afscheid nog te pijnlijk is. Maar dan moet zijn vrouw het stiekem doen. Hij wil:

alleen kunnen beslissen dat [hij] het aan een ander overlaat. En aan wie. Niet meer dan dat. Al het andere laat [hij] los. Het zal jouw beslissing zijn, wat die ook is.

Geen denken aan! Zoiets mag je toch van niemand verlangen? Dan zal Blanken een andere hulpvaardige ziel zoeken. Dat ziet zijn vrouw ook niet zitten en haar man overtuigt haar omdat ze hem liefheeft.

Ethisch gezien is deze ‘oplossing’ onverantwoord. Praktisch en legaal gezien is ze onuitvoerbaar en niet sluitend te regelen. ‘Mijn dood is niet van mij’ mag dan een diepzinnige gedachte zijn, de verantwoordelijkheid voor euthanasie berust bij de persoon zelf. Je mag die niet in andermans schoenen schuiven.

De dood beëindigt je leven, maakt bij wijze van spreken je geboorte ongedaan. Blijdschap en genot, verdriet en lijden zijn dan voorgoed voorbij. Maar voor dierbaren beginnen treurnis en gemis, hoe tijdelijk ook. Goed afscheid nemen, zoveel mogelijk vooraf regelen – dat lijkt me geboden. Bedenk ook dat zulks niet kan als iemand plotseling overlijdt door een hartstilstand of een ongeval. Doe ook niet aan zelfoverschatting, er zijn al te veel mensen op de wereld en er komen er nog altijd bij. Zelf beslissen over menswaardig sterven kan het leven een laatste glans geven. De rest is martelaarschap.

De strafrechtelijke wijziging die Blanken voorstaat, kan er niet komen. Ook als je samen met de persoon die je dood mag of moet maken alles vooraf op papier hebt gezet, kunnen jij of die persoon van mening veranderen of hij/zij kan je aanporren om het nu te doen, of om het hoekje helpen als je het nog niet of niet meer wil.

Mede door dit diep menselijke, confronterende, meesterlijke boek, dat u absoluut moet lezen, zal Henk Blanken zichzelf met glans overleven.

 

Dit stuk verscheen ook in DE REACTOR , een platform voor literaire kritiek.

 

september 15, 2018 at 1:03 pm 2 reacties

LINKS, RECHTS, TRUMP, VOORUIT!

Goya: Als de rede slaapt

Door Tom Ronse

Veronderstel dat een linkse militant in 1978 in een diepe slaap werd gedompeld en pas veertig jaar later wakker werd. “Wie is er nu president van Amerika?”, is een van zijn eerste vragen en met een diepe zucht antwoord je: “Trump”.

En wat doet die ? ”

Hij neemt protectionistische maatregelen waar de vakbonden al lang voor pleiten. Hij stelt het nut van de NATO in vraag en zoekt toenadering tot Rusland en verzoening met Noord-Korea. Hij heeft een boon voor de Russische leider, een ex-KGB-er. Hij veroordeelt de militaire politiek van zijn voorgangers en noemt de invasie van Irak “een domme vergissing”. Hij valt uit tegen de FBI en de CIA. Hij vecht tegen wat hij “de diepe staat” noemt, de gevestigde machten die zijn verkiezing volgens hem ongedaan willen maken.”

De militant uit 1978 straalt. “Fantastisch!”, zegt hij, “Is hij een kommunist? Of op zijn minst een socialist?”

Hij is wellicht de meest rechtse president die Amerika ooit heeft gehad.”

De militant schudt zijn hoofd. “Dit zijn vreemde tijden”, zegt hij verbijsterd. En daarin kun je hem geen ongelijk geven.

Wat maakt hem dan zo rechts?” wil hij weten.

Het is niet alleen zijn politiek. Hij geeft de rijken belastingscadeaus, valt de milieubescherming, de gezondheidszorg en de sociale voorzieningen aan, benoemt konservatieve rechters, maar dat is klassiek rechts, daarin onderscheidt hij zich niet van zijn voorgangers. Wat hem anders maakt is dat hij in zijn hart een fascist is.”

Is de VS een fascistisch land geworden?” vraagt de militant verschrikt.

Nee. Maar als de president zijn gang kon gaan…

Hij vertoont veel gelijkenissen met de fascistische leiders van de vorige eeuw. Hij is een charismatische bullebak. Hij is een narcist, wilt voortdurend in het middelpunt van de belangstelling staan, en eist van zijn medewerkers blinde gehoorzaamheid. Hij heeft propagandisten op radio en tv die de cultus rond zijn persoon aanblazen. Hij geeft het volk een zondebok, in casu de immigranten. Hij wakkert haat en wraaklust aan. Hij is een hypernationalist. Hij marchandeert in samenzweringstheorieen. Hij is medogenloos. Hij misprijst vrouwen, anders gekleurden en journalisten. Hij scheldt, hij schreeuwt, hij bluft, hij liegt. En hij doet dat allemaal schaamteloos. Zijn speechen zijn vaak een aaneenrijging van demonstreerbare leugens maar elke kritiek is als water op een eend; hij blijft zijn leugens herhalen tot ze voor zijn gelovigen feiten worden en al de rest “fake news” is.

Durf en schaamteloosheid zijn cruciale factors in het sukses van een fascistoide leider. Zo ontreddert hij zijn tegenstanders, zet hen op het verkeerde been, en brengt hij zijn aanhangers in verrukking.

Trump, Erdogan, Orban, Duterte, etcetera… wat betekent die opmars van politieke leiders met fascistoide trekken in demokratische staten? Ze zijn geen dictators die erop gebeten zijn om de parlementaire demokratie zo snel mogelijk op te heffen. Integendeel, ze spelen het verkiezingsspel met groot enthousiasme. De democratie lijkt eerder een instrument voor hen dan een obstakel (bovendien zitten de demokratische spelregels in de VS zo in elkaar dat je, zoals Trump, kunt verliezen en toch winnen).

Fascistoide leiders onderscheiden zich van andere politici in hun cultivering van een mythisch verleden. “Make America great again”. In dat mythisch verleden was er rust, orde, zekerheid. Je had vast werk. Je hoefde je als blanke Amerikaanse man nergens voor te schamen. Fascistoide leiders mikken op de emoties, eerder dan op het verstand. Op verlangens, op frustraties, op de nood aan zekerheid.

Je kunt het ironisch of voorspelbaar noemen maar ze doen de onzekerheid juist nog toenemen. Verdragen worden opgezegd. Allianties in vraag gesteld. Partners bedreigd. Alles staat op losse schroeven. Nieuwe breuklijnen verschijnen.

Die breuklijnen lopen niet meer simpelweg tussen links en rechts. Ook binnen de partijen woedt een strijd. Zelfs in de Republikeinse partij en in Trumps regering. De partij volgt hem wel als het over belastingsvermindering, meer geld voor het Pentagon en afschaffing van milieuregels gaat. Maar ze is ook traditioneel pro-globalisering en anti-Rusland. Trumps protectionisme, zijn bromance met Poetin en zijn harde aanpak van immigranten gaan voor velen in zijn eigen partij te ver.

Wat Trump nodig heeft, als fascistoide leider, is een fascistoide partij die hem op handen draagt en door dik en dun verdedigt. Daarom is hij de eerste Amerikaanse president die breekt met de traditie dat de president geen kandidaat steunt in de voorverkiezingen van zijn eigen partij. Trump doet dat wel omdat hij de Republikeinse partij wil veroveren. Hij steunt trumpisten soms tegen de kandidaten van de lokale partijleiders in. Anderzijds hebben de Koch broers, pro-globalisten en de grootste geldschieters van de Republikeinen, aangekondigd dat ze 400 miljoen dollar willen besteden om anti-trumpisten te steunen. The game is on.

Inzake de Kongresverkiezingen in november wordt vooral gespeculeerd over de vraag of de Demokraten erin zullen slagen een of beide kamers te heroveren. Maar de vraag welke soort Republikeinen verkozen wordt is misschien even belangrijk voor de tweede helft van Trumps ambtstermijn.

Trump heeft de wind in de zeilen omdat de Amerikaanse ekonomie lekker lijkt te draaien. Maar volgens Ben Bernanke, oud-voorzitter van de Fed, de Amerikaanse centrale bank, valt de wereldekonomie in 2020 van een klif. Dat is het jaar waarin Trump kandidaat zal zijn om zichzelf op te volgen. Meer dan ooit zal hij een zondebok nodig hebben.

augustus 13, 2018 at 9:38 pm 3 reacties

TEKENS LANGS DE WEG

Omdat het augustus is en omdat bloedheet is en omdat het een traditie is in dit salon, serveren we u graag wat lichtere kost. Verkeerstekens zijn dit keer het thema.

 

 

 

augustus 7, 2018 at 5:25 am 1 reactie

NIETS DAN DE WAARHEID

Caravaggio, Het offer van Isaak (1603)

Door Gie van den Berghe 

www.serendib.be

Onwaarheden, roddel, nepnieuws – ze zijn van alle tijden. Maar nu worden ze nog sneller verbreid door de a-sociale media, door de vervlakking en commercialisering van ‘het’ nieuws, door de zogenaamde democratisering van kennis. Pastoor, dokter en professor hebben de waarheid niet langer in pacht.

Geen waarheden zonder onwaarheden. De één zijn waarheid is niet zelden de ander zijn onwaarheid. Van kleuren en geuren tot ideologische, religieuze en politieke visies. Maar om waar te zijn, moet iets vatbaar zijn voor weerlegging. Onbetwistbare waarheden zijn valse waarheden. God bijvoorbeeld. Een waarheid die geen tegenspraak duldt, is weinig meer dan een vooroordeel.

Evidente waarheden als de Holocaust mogen dus betwist worden. Wie dat verbiedt, speelt in de kaart van ontkenners en twijfelaars want censuur lijkt aan te geven dat iets het daglicht niet veelt. Bij analyse en weerlegging van negationistische argumenten blijkt trouwens dat sommige aspecten van het stereotiepe Holocaustverhaal voor betwisting vatbaar zijn.

Neem de benaming Holocaust, Grieks voor ‘wat volledig verbrand moet worden’. In het Bijbelboek Genesis stelt God Abraham op de proef. Hij moet zijn geliefde zoon Isaak ten offer brengen. Abraham bereidt zich voor, bewijst godvrezend te zijn en mag daarom een ram in plaats van zijn zoon offeren. God belooft hem rijkelijk te zullen zegenen met een talrijk nageslacht dat al zijn vijanden zal verslaan.

Eind jaren 1970 voerden religieusmystieke joden de Bijbelse slachtofferterm Holocaust in als benaming voor de jodenuitroeiing door de nazi’s. De Binding van Isaak werd een metafoor voor de miljoenen joden die werden geofferd voor de wederopstanding van het joodse volk en Israël. Het offer, dat door sommige exegeten vergeleken wordt met de offerdood van Jezus, is niet tevergeefs geweest. Het onzegbare leed is verwerkt. Israël is het zoenoffer voor de jodenuitroeiing in Europa.

Seculiere joden zagen dit Holocaustbegrip niet zitten. Maxime Steinberg, een Belgisch jood en historicus wiens moeder in Auschwitz werd vermoord, noemde het in 1985 “een belediging van de miljoenen slachtoffers van de genocide, een besmeuring van de herinnering aan mijn moeder”. Zij was immers geen “instemmend slachtoffer van een nieuw liturgisch ritueel waarin de SS de plaats zou ingenomen hebben van de offerpriesters. Ze hebben haar ook niet vermoord om een of ander lot van het joodse volk te rechtvaardigen”. De in deze context “schaamteloze term ‘holocaust'”, vervolgde Maxime, “heeft niets met geschiedenis te maken maar alles met de mythes veroorzaakt door de catastrofe”.

Mede door de Amerikaanse televisieserie Holocaust uit 1978 – een serie die ondanks of dankzij haar soapgehalte nog aan populariteit wint – en de eind vorige eeuw uit de grond rijzende Holocaustmusea, wordt het Holocaust-slachtofferbegrip ondertussen wereldwijd gebruikt, ook door historici.

Alleen maar een kwestie van woorden? We weten toch met zijn allen waarover het gaat?! Gespecialiseerde historici wel, maar het grote publiek kent vooral het stereotiepe Holocaustverhaal. En dat is, zoals veel ingeburgerde verhalen, sterk vereenvoudigd, deels onjuist en onwaar.

Niemand kan alles kennen. Veel van wat we denken te kennen is een oppervlakkige, vereenvoudigde en al te samenhangende versie van de werkelijkheid. U en ik kunnen niet anders dan de beperkte informatie waarover we beschikken beschouwen als alles wat er over een bepaald iets te kennen valt. Met de beschikbare informatie bouwen we een verhaal en als dat goed is, geloven we het, wordt het waarheid.

Kennis is een eiland in een oceaan van onwetendheid.

Vast staat dat meer dan vijf miljoen joden werden vermoord. Maar hoe is het zo ver kunnen komen?Hoe werden mensen als u en ik volkenmoordenaars? Waarom keken we met zijn allen weg? Hoe uniek is de jodenuitroeiing?

Holocaust verwijst naar slachtoffers, niet naar daders. Deze laatsten hadden het over Endlösung der Judenfrage. Eindoplossing – er was dus voordien al sprake van een jodenprobleem. En inderdaad, de diaspora, de verspreiding van joden over de hele wereld, werd in veel landen en kringen als probleem ervaren. De discriminatie, vervolging en verdrijving van deze migranten werd eeuwenlang godsdienstig en antisemitisch gerechtvaardigd.

Gustave Doré  “Le Juif errant” Gekleurde houtsnede in Le Journal pour Rire, Paris, 1852

De eeuwige jood – titel van een antisemitische nazi-propagandafilm uit 1940 – was geen bedenksel van nazi’s maar van katholieken. Het verhaal van de wandelende of dolende jood dateert uit de middeleeuwen. Jezus, zo luidde het, vroeg op weg naar Golgota, gebukt onder het kruis, aan een jood om even op zijn dorpel te mogen rusten. De jood weigerde of bespotte Jezus, waarop die zei: “ik zal rusten, maar gij zult ronddolen over de aarde zonder te kunnen rusten, tot de dag van het laatste oordeel”. Moraal van het verhaal: wie Christus, de christelijke leer verwerpt, moet op geen verlossing rekenen.

Toen het naziregime begin 1933 de macht kreeg, vaardigde het meteen anti-joodse maatregelen uit. Joden moesten door pesterijen, boycots, discriminatie en beroepsverbodenhet land uit gedwongen worden. Maar de rest van de wereld had geen boodschap aan nog meer joden. De VS had al in 1924 beslist dat dergelijke ‘inferieure rassen’ niet langer welkom waren.

Duitsland zat met zijn joden opgescheept. Toch dacht de eerste acht jaar van het nazibewind niemand aan uitroeiing. Die begon pas in de tweede helft van 1941, samen met de inval in de Sovjet-Unie. Eén en ander ging dus heel wat geleidelijker in zijn werk dan het stereotiepe Holocaustverhaal wil.

Niet dat het nazibewind terugschrok voor gewelddaden en massamoord. Lang voor iemand aan jodenuitroeiing dacht, werden talloze mensen van eigen bloed gesteriliseerd en geëuthanaseerd – Ariërs met een mentale of fysieke handicap. Tot het einde van de oorlog werden in totaal 360.000 mensen gesteriliseerd.

Kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog begon de zogenaamde euthanasie-actie, de moord op minstens 70.000 mensen met een handicap.De actie lekte uit, een bisschop hield een opgemerkte preek en de operatie werd officieel stopgezet maar ging achter de schermen door.

Tegen de uitroeiing van de joden kwam ook van katholieke zijde nooit protest. Integendeel, na de oorlog hielp het Vaticaan verscheidene topnazi’s ontkomen naar Zuid-Amerika.

Ook wat sterilisatie en uitroeiing van zogenaamd minderwaardige mensen betreft, heeft het naziregime weinig uitgevonden. De gedachte dat fysieke, mentale en morele kenmerken erfelijk zijn en het dus verstandig is de gezondste, sterkste en meest begaafde mensen aan elkaar te koppelen, is van alle tijden. Plato, Aristoteles, Thomas Morus en tal van verlichtingsfilosofen en wetenschappers hebben daarvoor gepleit.

In 1883 bedacht Francis Galton, een vindingrijk wetenschapper en neef van Charles Darwin, de term eugenics : goede genese, goede geboorte. Darwin viel hem bij : de evolutie van de mens is door toedoen van mens en beschaving vrijwel tot stilstand gekomen. De mens, schreef hij in 1871 in De afstamming van de mens, kan maar vooruitgaan als hij onderworpen blijft aan harde strijd. Alleen dan komen de besten boven drijven. De voortplanting van gewenste individuen zou bevorderd moeten worden en die van ongewensten belemmerd, ware het niet dat zulks in beschaafde naties uit den boze is.

In de VS werd vanaf 1920 al op relatief grote schaal gesteriliseerd. Ook in het democratische Weimar-Duitsland gingen toen stemmen op om zogenaamd levensonwaardig leven te beëindigen. Karl Binding en Alfred Hoche, een jurist en een psychiater, pleitten in Die Freigabe der Vernichtungvoor gedeeltelijke opheffing van het verbod te doden. Twee jaar na de nederlaag in de Grote Oorlog vergeleken ze een slagveld bezaaid met lichamen met een instelling waar idioten met de grootste zorg werden omringd. Tegenbeelden van mensen, zonder wil tot leven of sterven. Levens van negatieve waarde rekken is meedogenloos; ze geen zachte dood gunnen is wreed en een zware belasting voor verwanten en maatschappij. Dergelijke levens doden is geen misdaad of immorele handeling, maar nuttig en geoorloofd.

Nog in 1920, stuurde een directeur van een Saksische verpleeginstelling voor zwakzinnige kinderen een vragenlijst naar de ouders. Zou u instemmen met een pijnloze levensbekorting als vast staat dat uw kind ongeneeslijk idioot is? Of alleen als u niet meer voor uw kind kunt zorgen, na uw dood bijvoorbeeld? Of alleen als uw kind fysiek of psychisch zwaar afziet? En tot slot: wat vindt uw vrouw hiervan? 73 % van de 162 ouders antwoordde ‘ja’ op alles, 27% ‘neen’ op sommige vragen. Nogal wat ouders voegden eraan toe dat ze liever van niks geweten hadden: ‘niet vragen, doen!’.

Het is, voor wie er even bij stil staat, best merkwaardig dat het nazibewind eigen volk steriliseerde en ombracht voordat het joden massaal begon uit te roeien. Blijkbaar zagen ze in joden, anders dan in gehandicapten, toch nog de mens, zij het van een concurrerend ras.

Enkele stappen uit de escalatie tot genocide.

Tien dagen na de aanhechting van Oostenrijk (maart 1938), toen de pers bol stond van nazi-gruweldaden – terwijl de nazi’s door veel Oostenrijkers enthousiast werden verwelkomd – grendelde de beschaafde wereld zijn grenzen verder af.

In juli 1938 overlegden vertegenwoordigers van een dertigtal landen in het mondaine Evian-les-Bains. Alleen de Dominicaanse republiek wou joden opnemen. Australië verklaarde tegen antisemitisme en racisme te zijn en wou die problemen onder geen beding importeren.

Op 5 oktober 1938 ging het nazibewind in op het verzoek van de Zwitserse regering om een rode J te plaatsen op paspoorten van Duitse joden.

Ook Polen weigerde joden op te nemen. Daarom deporteerde Duitsland eind oktober 1938 15.000 Poolse joden naar een niemandsland aan de grens met Polen. Onder hen ook de familie van Herschel Grynszpan. Die pleegde op 7 november een aanslag op een ambtenaar van de Duitse ambassade in Parijs. Duitsland reageerde met een pogrom, de Reichskristallnacht. Talloze synagogen en joodse zaken gingen in vlammen op. Twintigduizend joden werden in concentratiekampen opgesloten, kampen waar tot dan voornamelijk politieke gevangenen zaten. Enkele honderden joden overleefden dit niet, maar de anderen werden na enkele maanden vrijgelaten.

De wereld bleef wegkijken. Eigen volk eerst.

Het slachtofferperspectief berooft ons van inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de Endlösung der Judenfrage.

Hitler hield van honden en kinderen. Hoe waar ook, de bewering druist in tegen onze waarheid. Wij mensen denken makkelijk in absolute goed-kwaad tegenstellingen, in slachtoffer-dader termen. Genocidaire daders worden gedemoniseerd, onherkenbaar gemaakt als mens. We ontmenselijken ze zoals zij met gehandicapten en uiteindelijk ook met joden deden. Wie dehumaniseert verheft zich boven de ander, wordt dader in potentie.

Daderbronnen zoals Hitlers Mein Kampf, de memoires van Auschwitzcommandant Rudolf Höss of die van Adolf Eichmann; de fotoalbums die SS’ers maakten van de ontruiming van het Warschau getto of van de aankomst van een jodenkonvooi in Auschwitz – dit soort daderbronnen maakt duidelijk dat veel daders dachten het goede of toch het noodzakelijke te doen. Ze doodden voor een goed doel: het Volkslichaam zuiveren van biologisch ballast en het jodenprobleem definitief oplossen. Kwaad om bestwil.

Ella Lingens-Reiner, een Oostenrijks arts die wegens hulp aan joden in Auschwitz belandde, zei daar tegen Fritz Klein, de SS-arts met wie ze moest samenwerken, dat ze zich schaamde tot de Duitsers gerekend te worden. Klein, volgens Lingens-Reiner een beschaafd man, begreep dat niet. Hoe kun je, vroeg ze hem toen, meewerken aan de uitroeiing van joden, heb je als arts dan geen respect voor menselijk leven? Natuurlijk wel, antwoordde Klein, “uit respect voor menselijk leven moet ik de rotte appendix uit het zieke lichaam verwijderen en joden zijn de rotte appendix in het Europees lichaam”. Een daderperspectief.

Fritz Klein was een meedogenloze antisemiet. De man ook die kort na de oorlog in Bergen-Belsen gefotografeerd werd in een ‘ravijn’ van lijken, een massagraf dat de Britse bevrijders moesten graven om de in het kamp heersende tyfus te bestrijden.

Bergen-Belsen 24 april 1945

 

Epiloog

In 1931, zeven jaar voor het nazi-bewind de rode J invoerde, introduceerde België in Rwanda etnische identiteitskaarten met daarop het grotendeels fictieve onderscheid Hutu – Tutsi – Twa. Omdat niet iedereen op het oog herkenbaar was, werd bepaald dat wie tien of meer koeien bezat, Tutsi was. Zo gebeurde het dat de ene broer Tutsi en de andere Hutu werd. Tijdens de Rwandese genocide in 1994 werden de racistische identiteitskaarten een dodelijk hulpmiddel bij identificaties aan wegversperringen.

Ook bij deze genocide keek de hele wereld weg, België op kop.

De analogieën met hedendaagse toestanden en houdingen kunnen u niet ontgaan zijn.

Lezing gehouden op 9 juni 2018 in het Liberaal Archief te Gent, in het kader van een lezingencyclus over waarheid en onwaarheden, voor een honderdtal vrijmetselaars (zelf behoort Gie tot geen enkel genootschap, laat staan een geheim).

juli 14, 2018 at 4:33 am 2 reacties

NOT OUR AMERICA!

Honderdduizenden Amerikanen hebben dit weekend betoogd tegen het wreedaardige immigratiebeleid van de Trump-regering. Onder meer in New York. Jacqueline Goossens was erbij. In de foto-reportage hieronder besteedt ze vooral aandacht aan de zelfgemaakte borden van de demonstranten die de heftigheid van de emoties illustreren. Mocht u zich afvragen waar “ICE” op slaat: dat is de immigratiepolitie (“Immigration and Customs Enforcement”).






juli 2, 2018 at 5:54 am 1 reactie

TWEE KEER VERMOORD

Soms zie ik een krantenbericht dat mijn bloed doet koken en me doet tandenknarsen van plaatsvervangende schaamte. Zoals dit in Het Laatste Nieuws van gisteren:

 

Beschonken jongeren slaan dakloze dood in Brussel, maar moeten niet naar gevangenis

 

Drie jonge mannen die in december 2014 een dakloze zo hard toetakelden dat de man het niet overleefde, hebben van de correctionele rechtbank in Brussel straffen met uitstel gekregen. Zolang ze geen nieuw misdrijf plegen, moeten ze dus niet naar de gevangenis.

 

De daders: drie blanke jongeren. Het slachtoffer: een dakloze van Congolese origine. Hij werd twee keer vermoord; eerst door racistische jongemannen, dan door racistische rechters die zijn leven waardeloos verklaarden. Je waant je in de Amerikaanse Old South waar je voor het vermoorden van een “nigger” hoogstens een tikje op de vingers kreeg. Wat een vreselijk signaal geven die rechters. Een vrijbrief is het voor geweld tegen anders gekleurden. Stel je voor dat die jongelui een rechter hadden doodgeslagen. Welke straf hadden ze dan gekregen? De geest van Leopold II is alive and well in Brussel.

Ik kan alleen maar hopen dat deze schandelijke uitspraak enorm veel protest zal uitlokken.

Tom Ronse

juni 14, 2018 at 6:57 am 2 reacties

DAAR GAAN WE WEER

juni 14, 2018 at 6:56 am 1 reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.502 andere volgers