Posts filed under ‘Afrika’

BARS ALS KOLONIAAL ERFGOED IN MAROKKO

Bar Terminus

 

door Lucas Catherine

Fransen hebben stijl, ook als ze koloniseren. Welke stijl, is wat anders. In Marokko hebben ze de Arabisance ingevoerd. Dat is kort gezegd hun versie van Arabische architectuur, en die is volgens hen mooier dan het originele. Ze lieten zich daarbij niet inspireren op de lokale Noord-Afrikaanse bouwtraditie, maar gingen te leen bij de Fatimiden in Kairo.

Ze deden dat op een manier die aan de toekomstige Art-Deco doet denken. Ze bouwen een bank, een kazerne of een pompstation en decoreren die met elementen die zij ‘echt en beter Arabisch’ vinden dan wat de Arabieren zelf hebben ontworpen.

Neem dit bankgebouw in Rabat

Bank Rabat

of een kazerne

Bar Officieren

Pompstation

Zelfs dit pompstation moest Arabisch

 De stijl kende in Marokko zijn hoogtepunt in de jaren 1900-1930. En daarna kwam de echte Art-Deco, vooral in de periode voor en na de Tweede Wereldoorlog, toen de kolonisatie haar hoogtepunt kende. Je vindt die terug in Casablanca, Rabat en vooral in Kenitra, een stad die de Fransen zelf aan de monding van de Marokko’s grootste rivier, de Sebou hebben ontworpen. Gevels genoeg om er een toeristisch circuit mee te vullen. Maar binnenin nu vooral omgebouwd tot fletse kantoren. Waar je wel nog Art-Deco-interieurs kan bewonderen zijn de bars. Je stapt er zo in het provinciale Frankrijk van de jaren 1950.

Nu heb ik iets met Marokkaanse bars, al of niet in Art-Deco. Mijn vrouw zegt: drop hem in om het even welk bled en binnen het kwartier heeft hij een bar gevonden. En zij kan het weten, want ze doet niets liever dan er met mij iets te drinken. Zij een Ricard, ik een lokale pils. Stork, het bier van het werkvolk. De middenstand drinkt liever Flag Spéciale en de Bobo’s en toeristen Casablanca. Dat laatste bier is niet aan mij besteed, maar is voor klanten van luxe bars die geld teveel hebben. Verder zijn er de verloederde, louche bars van beroepsalkoliekers die de lege flessen op tafel voor zich uitstallen en tenslotte mijn soort bars, die van de lokale middenstand: commerçanten, ambtenaren en dat soort volk. Daar kan je trouwens beter eten dan op restaurant. In Rabat is er zo een met de beste kleine brochettes van heel Marokko en Brussel. Goed gemarineerd, met een dipsausje van tomaat, lichtjes pikant en opgefrist met koriander. Vijf dirham (= o,4 Euro) per stuk. Als je goed zoekt vind je hem bij Place Petri (sorry, voor de koloniale naam, het plein heet nu anders, maar ja, ik heb het hier over erfgoed).
Er is een verschil tussen bars als erfgoed van de Fransen en die achtergelaten door de Spanjaarden die het noorden van Marokko (de streek rond Tetuan) koloniseerden. In de Franse bars is het net of je het Frankrijk van de jaren 1950 binnen stapt. De tapa’s zijn er te betalen. In de Spaanse is minder Art-Deco, maar de tapa’s zijn er wel gratis.

Daar, aan de Middellandse Zee, ligt mijn lievelingsbar aan de kust van Tetuan, in Martil. Bar de la Playa.
Het is niet alleen mijn lievelingsbar. Een van de grootste nog levende Arabische dichters, de Irakees Saady Yusuf schreef er zelfs een gedicht over. Een fragment:

Wij waren onlangs in Martil

Tussen het blauw, het blauw en het wit,

Tussen de zee en het strand

Tussen een glas en nog een glas

Waren we welkom in een oude bar

Uit de tijd van de Spanjaarden…
Als je er twee pinten drinkt heb je gegeten, zegt mijn vriend Mohamed. Want het rijtje tapa’s is indrukwekkend: linzen, tuinbonen in tomatensaus, gefrituurde sardientjes of ansjovis, artisjok, al naar gelang het humeur van de kok. Want bars hebben bijna altijd een kok.

Het aantal bars vermindert. Ieder jaar moet ik er schrappen uit mijn lijstje. Dat komt door de religieuze, fundamentalistische partij die er aan de macht is, alla ná de koning natuurlijk. Terwijl die Mohamed VI vroeger wel een andere reputatie had. Ik herinner mij nog de verhalen van toen hij nog kroonprins was en de nacht doorbracht met rijkeluiszoontjes en kompanen uit de Golf in een bar die niet voor niets Amnésia heette. Het Sodoma en Gommora van Rabat in het begin van de jaren negentig.
Bijna alle bars die ik ken hebben een eigen verhaal en geschiedenis. Als voorbeeld geef ik mijn laatste ontdekking: Bar Continental in Kenitra.

Bar Continental

Kenitra is zoals ik daarnet al schreef gesticht door de Franse kolonisator. In 1942 werd ze door de marine van de VS veroverd op het Franse, met de Nazis collaborerende Vichy regime en van toen af was er ook een grote Amerikaanse basis, die officieel in 1977 aan de Marokkanen werd overgedragen. Kenitra is in Marokko vooral bekend om zijn grote gevangenis voor politieke opposanten. Vuile tongen beweren dat de Amerikanen er zich nog altijd thuis voelen en de basis gebruikten voor een eerste ondervraging cum marteling van jihadisten op weg naar Guantanamo. Daarnaast hebben de Amerikaanse mariniers er ook het barwezen ondersteund. En zo kom ik bij mijn verhaal over Bar Continental. We kwamen binnen langs een twintig meter lange zinc waaraan schouder aan schouder klanten zaten. De tapa’s waren voor een keer vegetarisch: slaatjes en radijzen. Het was het seizoen.

Continental Zinc

 

Verder een grote zaal met tafels en stoelen, de grootte van een kleine parochiezaal. Aan de muur drie grote olieverfschilderijen, drie meter op drie, met Amerikaanse thema’s. Onder andere het Capitool.

Toen de barman zag dat we foto’s namen, toonde hij ons nog een tweede, even grote zaal die nu dicht was. Ze werd alleen gebruikt voor evenementen. Daar hingen een twintigtal schilderijen met zichten op Marokkaanse steden. Raar, maar de wanden waren gekromd, en er waren kleine nepraampjes in aangebracht, net of je in de romp van een vrachtvliegtuig za

Vliegtuigzaal

Indertijd, het moet 1948 geweest zijn, toen de bar nog eigendom was van een Française, vertelde de barman had een marinier brand gesticht en de bar was gedeeltelijk verwoest. Om geen kweddellen te krijgen met de Marokkaanse overheid en de Française hadden de Amerikanen voorgesteld de bar op hun kosten her op te bouwen. Vandaar die vliegtuigromp en die Amerikaanse schilderijen.

Vroeger heb ik er ooit aan gedacht om een Beerdrinkers Guide to Morocco te schrijven. Nu denk ik aan een reisgids voor Marokko rond koloniaal erfgoed, in casu bars. Alhoewel, is het de moeite? Zoals alle koloniaal erfgoed wordt het niet meer onderhouden. De enige bar op mijn lijstje dat teruggaat tot de jaren 1980 die werd gerestaureerd is Bar Terminus in Rabat. Het portret van de Koning hangt er nu tussen foto’s van popsterren uit de jaren ’70 en ’80.

(zie foto bovenaan).

 

 

mei 11, 2017 at 10:21 am Plaats een reactie

HET CONGOLESE VERLEDEN VAN DE PVDA

door Walter Zinzen

‘Waarom wordt alles wat extreemrechts doet steeds onder de loep gelegd en is dat niet het geval voor extreemlinks?’, vroeg de Antwerpse burgemeester zich onlangs af. Het moet een retorische vraag geweest zijn, want hij kent het antwoord natuurlijk maar al te goed. Vlaams Belang is een voor racisme veroordeelde partij, die niet tot inkeer is gekomen. Van de PVDA daarentegen kan je veel slechts denken, maar racistisch is ze niet. En ze is de beginselen van de parlementaire democratie toegedaan.

Voor deze partij is een cordon sanitaire overbodig, hoewel Gwendolyn Rutten (Open VLD), Bart De Wever (N-VA) en Rik Torfs daar kennelijk geen bezwaar tegen zouden hebben. Bij de SP.A zijn er lieden, zoals voorzitter Crombez, die overwegen om niet alleen samen met Groen, maar ook met de PVDA naar de kiezer te trekken. Dat lokt dan weer verontwaardigde reacties uit bij andere SP.A’ers: de PVDA heeft contacten met Noord-Korea en vindt Castro geen dictator, met die partij mag niet worden samengewerkt. Waarop de PVDA-voorzitter dan weer zucht dat hij verlost wil worden van de schaduw van het verleden. Daar willen we hem graag in volgen. Laten we dus even naar dat verleden kijken.

Ludo Martens in 1979

Ludo Martens in 1979

Toen Amada (Alle Macht aan de Arbeiders) op een congres in 1979 vervelde tot Partij van de Arbeid, stelde voorzitter Ludo Martens een gastspreker voor: Laurent-Désiré Kabila, vader van de huidige Congolese president Joseph Kabila. Martens zou later een boek publiceren over Kabila de oude, om aan te tonen dat die een echte revolutionair was, een nieuwe Lumumba (in de dagboeken van Che Guevara, die zijn revolutie naar Congo probeerde te exporteren, wordt Kabila evenwel een hoerenloper, dronkenlap en luiaard genoemd). Toen zijn idool in 1997 dictator Mobutu opvolgde als Congolees staatshoofd, verkaste Martens naar Kinshasa om er Kabila te adviseren. Hij slaagde erin de woede op te wekken van Louis Michel (MR), toen Belgisch minister van Buitenlandse Zaken, wegens ‘anti-Belgische’ drijverijen. Kabila werd in 2001 vermoord en Martens overleed in 2011.

Laurent-Desire Kabila

Laurent-Desire Kabila

Als de kans om op het Schoon Verdiep een nieuwe bewoner te installeren groter is met de PVDA erbij, tja, dan moet het maar.

Behoort dit alles tot een verleden dat huidig voorzitter Mertens niet met zich wil meeslepen? Geenszins. Voor de PVDA van vandaag is ook zoon Kabila een volgeling van Patrice Lumumba, die streeft naar échte onafhankelijkheid. Dat diezelfde Kabila van Congo een graailand heeft gemaakt om zichzelf en zijn familie schaamteloos te verrijken (zoals in een uitvoerig gedocumenteerde studie van Bloomberg onlangs is aangetoond) zal de lezer van het partijblad Solidair niet te weten komen. Zoals ook de moorden, folteringen en willekeurige arrestaties door Kabila’s veiligheidsdiensten onbesproken blijven. Dat is allemaal westerse propaganda. Net zoals wijlen Martens de misdaden van Stalin nazipropaganda noemde, die nadien door het Westen is overgenomen. Martens was trouwens een verwoede vijand van Fidel Castro, die volgens hem een bondgenoot was van de ‘valse communisten’ in Moskou. Wat dat betreft is er wel degelijk een breuk met het verleden.

De vraag is of dit soort aberraties een bondgenootschap met andere linkse partijen onmogelijk moet maken. Een aanbeveling is het zeker niet, maar op gemeentelijk vlak zal het niet zoveel uitmaken wat de PVDA over Congo en andere buitenlanden denkt. In Borgerhout bestuurt de partij nu al mee, kennelijk tot tevredenheid van de partners. Maar wie overweegt het bed te delen met de PVDA moet wel goed weten wat voor vlees hij in de kuip heeft. En moet, vooral, nagaan of een samenwerking niet meer kiezers verjaagt dan aantrekt. En of coalities met bijvoorbeeld CD&V nog mogelijk zijn. Zeker in Antwerpen is dat geen overbodige vraag. Maar als blijkt dat de kans om op het Schoon Verdiep een nieuwe bewoner te installeren groter wordt met de PVDA erbij , tja, dan moet het maar. ‘Restafval’, het zou wel eens een geuzennaam kunnen worden.

dit stuk verscheen in De Standaard, vrijdag 6.1

januari 6, 2017 at 2:54 pm Plaats een reactie

SINT-DYNASTIE

 

leopold15nov_new

door Lucas Catherine

15 november: dag der dynastie, ingesteld door Leopold II op de dag van zijn patroonheilige.

De Heilige Leopold is onder meer de patroonheilige van de Overspelige Echtgenoten. Op aanwijzing van de Heilige Maagd vond de Heilige Leopold de sluier van zijn vrouw terug in een bos.

Vandaar deze foto van onze Leopold II en zijn bekendste maitresse: Blanche ook bekend als de barones de Vaughan.

november 15, 2016 at 10:02 am 1 reactie

RADICALISATIE VAN EEN BOURGEOIS: MAURICE CALMEYN IN CONGO

Calm 1

 

door Lucas Catherine

 

Een man staat in de brousse van Noord Congo. Het geweer in de hand. Zijn fox-terrier naast hem. Hij speurt naar een verre olifant. Zijn hondje kijkt hem aan. De man bekijkt de fox-terrier, die heeft: “de oortjes gespitst, de oogjes vol passie, rillingen over zijn lijfje en zijn neusje in de wind. Soms heft hij zijn kop op alsof hij mij vraagt: ‘jij die groter bent dan ik en boven het gras kan kijken, zie jij daar geen wild?’”.

Calmeyn beschrijft zijn hondje in 1908, aan de boorden van de Uele-rivier. De vergelijking met Kuifje dringt zich op, maar Bobbie zal pas twintig jaar later een stripfiguur worden. De scène komt uit  zijn boek: Au Congo.  Calmeyn, een vergeten figuur en een weggemoffeld boek. Dat hij ‘vergeten’ werd ligt misschien aan de titel van het boek dat hij in 1912 publiceerde: Au Congo belge: chasses à l’éléphant, les indigènes, l’administration. Een boek over de jacht op olifanten, maar veel meer.
Maurice Calmeyn, half Brusselaar en daar rijke bourgeois en half De Pannenaar en daar groot-grondbezitter is van opleiding landbouwingenieur en wil als toerist op olifantenjacht in Congo. In de beschrijving die hij geeft van zijn reis van acht maanden (1908) speelt de jacht de hoofdrol – een olifant schiet je het best boven het oor in de schedel, altijd prijs! , en van op 10 meter, anders ben je geen jager maar een dierenbeul- . Maar in het boek duiken vooral kritische noten over de kolonisatie op. Geen hond die er naar luisterde, behalve zijn fox-terrier.

 

Calm 2

 Ook de grote critici van de Congo Vrijstaat: Vangroenweghe met zijn Rood Rubber (1985) of Delathuy’s De Congostaat van Leopold II (1989) verwijzen niet naar Calmeyn. Nochtans vond de Bibliothèque nationale de France het de moeite waard om door Hachette het boek in facsimilé te laten heruitgeven.

Calmeyns oordeel over Leopold II is verpletterend: “Het is spijtig dat de soeverein van Congo een deel van de Belgische en buitenlandse pers heeft omgekocht, maar het is nog erger dat hij bepaalde politici heeft gedegradeerd tot zijn slippendragers en dat die nu geen enkele waardigheid of onafhankelijkheid meer tonen in het parlement. Nu ik dit schrijf weet ik dat men mij een gebrek aan loyauteit aan de koning zal verwijten. Het kan me niets schelen.” “Ministers en politici leggen het landsbelang naast zich neer en verworden tot lakeien van de Kroon. Veel van hen worden voor hun slaafse dienstbaarheid beloond met adellijke titels of postjes in de haute-finance, iets wat ze anders nooit hadden kunnen bekomen.”

Als landbouwingenieur is hij deskundig genoeg om een vernietigend oordeel uit te spreken over de rubberpolitiek: “In Bima heb ik in aanwezigheid van een landbouwinspecteur een plantage bezocht die zes jaar daarvoor was aangelegd, met duizenden aangeplante rubberlianen. Met moeite heb ik er één gevonden die nog niet was afgestorven.”

“Hele bevolkingen worden het woud in gestuurd om rubber te oogsten en kwasi permanent in het woud te kamperen, zonder nog voor zichzelf iets te kweken en dit zonder echte schuilplaats, ze zijn ondervoed.” “De lokale bevolking is niet meer in staat om rubber aan te voeren, alle lianen in de streek zijn weg, kapot geoogst en dus zal men daar tegen de bevolking een politionele actie organiseren.” “Zo een ‘politionele actie’ leidde vaak tot grote opstanden. Het is zo dat de Bangala’s de concessies van de Anversoise in de jaren 1899, 1900, 1901 in vuur en vlam hebben gezet.” “Met stelligheid kan ik beweren dat de bevolking nu veel meer afziet dan in de tijd van de Arabieren… Je mag niet vergeten dat deze ‘Arabische veroveraars’ overal plantages van allerlei voedselculturen hadden aangelegd en dat de lokale bevolking hier alle baat bij vond. Nu zijn die plantages verdwenen en is er niets in de plaats gekomen… Het is spijtig dat er nooit een onpartijdige geschiedenis is geschreven van de aanwezigheid van de Zanzibari Arabieren en van alles wat ze daar hebben gecreëerd.”

 

Calm 3

Calmeyn schrijvend in zijn tent

 

“Wij zullen nog lang en veel werk hebben om de wonden te helen die Leopold II en zijn zakenpartners hebben geslagen.”

“Miljoenen zwarten worden door het koloniaal bestuur geminacht en draaien iedere dag op voor de fouten en de onbekwaamheid van de ambtenaren, tot natuurlijk het moment komt dat ze onvermijdelijk in opstand zullen komen.”

“Na mijn twee reizen ben ik tot de conclusie gekomen dat de Vrijstaat alleen maar aan zijn onmiddellijk eigenbelang heeft gedacht en nooit aan de toekomst van Congo.” “Hier werd systematisch geplunderd door zowel de Vrijstaat als door commerciële bedrijven.”

 

Calm 4

 Maar we hebben daar toch ‘de beschaving’ gebracht, vooral dankzij de missionarissen, of niet?
“De kwestie is niet of onze morele principes superieur zijn aan die van de inboorlingen, maar wel of ze op een betere manier gaan leven als ze onze principes aannemen. Wel, ik kan u verzekeren dat geen enkel contact met missionarissen, katholiek of protestant, ze moreel beter heeft gemaakt.”

“Deze missionarissen vormen een staat binnen de staat, erger nog een staat boven de staat.”

“Ze verspillen hun tijd met de zwarten de catechismus bij te brengen en om hun mooie eigen gezangen te vervangen met van die verschrikkelijke kerkelijke hymnen. Ze zitten nog altijd in de tijd van de Reformatie en steken al hun tijd in aanvallen tegen Protestantse missionarissen of ongelovige Europeanen.”
“De staat zou eigen scholen moeten oprichten waarin de Congolezen een vak leren want zowel de staat als de firma’s hebben nood aan lokale bedienden die kunnen lezen, schrijven en rekenen, vakmensen als metsers, timmerlui, smeden of mecaniciens. Als je het resultaat van de missiescholen bekijkt dan is op dit vlak het resultaat nul.”

“Het ergste is dat de staat met geweld nog altijd kinderen naar de missiescholen brengt en de religieuzen het recht geeft om die tot hun twintig, vijfentwintig uit te buiten. En als ze vluchten stuurt men het leger op hen af.”

Calm 5

Al deze citaten dateren uit 1912 jaar waarin zijn boek verscheen. Zijn kritiek op de kolonisatiepolitiek voert hem ook naar steeds radicalere kritiek op het kapitalistische systeem in België. Hij eindigt zijn carrière als communist.
Hij sticht twee coöperatieven in De Panne en een lekenschool voor vissers- en arbeiderskinderen. Het grootste gedeelte van zijn grond aan de Westkust (118ha) schonk hij aan de gemeenschap en het Museum voor Schone Kunsten kreeg zijn collectie fauvistische schilderijen.
Net voor zijn dood wordt hij de voornaamste financier van de film Misère au Borinage (van Joris Ivens en Henri Storck). Hij zal de film nooit zien, hij sterft de dag van de première.

Wie zijn grafmonument op het kerkhof van De Panne bezoekt, – het torent hoog uit boven al de katholieke kruisen-, merkt direct dat hij Vrijmetselaar en communist was.

Een zuil met daarop de buste van een vrouw, Marianne symbool van la Liberté. Boven haar hoofd de maçonnieke driehoek, op haar borst de Soviet ster, aan haar voeten de slogan Egalité en links en rechts van haar twee grote hamer- en sikkelversieringen.

 

 Calm 6

Is hij vergeten omdat hij zo negatief deed over het ‘genie’ Leopold II of omwille van zijn communisme? Want het spook van het communisme heeft ook in Congo rond gewaard. Met de onafhankelijkheid van Congo grensde het zelfs aan blanke paranoia: Lumumba, communist! Mulele, communist! U moet er maar het propagandaboekje van het ministerie over nalezen: La Pénétration communiste au Congo door Pierre Houart (1960), prof aan de Université catholique de Louvain. Katholieken en communisten, het ging toen nog minder te samen dan in de tijd van Maurice Calmeyn.

 

Meer over Maurice Calmeyn in : Lucas Catherine, Kongo een voorgeschiedenis, dat in het najaar bij uitgeverij EPO verschijnt.

september 5, 2016 at 4:13 am 1 reactie

ZEEP & SANSEVERIA’S

 

D31_0038, 22-08-2003, 09:14,  8C, 2766x4318 (719+1586), 88%, afficheextraza, 1/120 s, R61.0, G42.2, B59.5

 

door Lucas Catherine

 
In de goeie ouwe tijd toen het werkvolk in huis nog geen kraantjes met warm water ter beschikking had, zelfs geen badkuip, werd ik iedere zaterdag gewassen in de waskuip waarin mijn moeder ook het linnen waste. Zowel het ondergoed als ikzelf werden gewassen met zunlicht zeep, onze Brabantse uitspraak van Sunlightsoap.

En die zeep kwam uit de Kongo, of toch de palmolie waarmee ze werd gemaakt. Ze was een van de producten van Baron Zeep. Zo werd in Brussel en omstreken Lord Lever (ja, de man achter het huidige Unilever) genoemd. Later werd dit een scheldwoord voor een ‘nouveaux riche’ die op slinkse manier stinkend rijk is geworden. Hij was indertijd zijn carrière begonnen in de kleine Noordengelse havenstad Sunlight, die hij zelf stichtte (bij Liverpool). Zijn fortuin maakte hij echter in de Kongo en wel dankzij ondermeer socialistenleider Emile Vandervelde die in hem een ideale paternalistische kapitalist zag. Vandervelde, groot criticus van de plundertechnieken van Leopold II verklaarde dan ook in het parlement “De dag dat Mister Lever in Kongo zal zijn, zal het een groot voordeel zijn voor de inboorlingen.” Volgens hem paste Lever perfect in zijn theorie van ‘socialistische kolonisatie’.

Zijn fortuin maakte Lever met de Huileries du Congo belge en de Raffinerie du Congo belge. En de socialisten werden beloond met een zitje in de raad van bestuur, met name de politicus Louis Bertrand, een van de stichters in 1885 van de Belgische Werkliedenpartij. De Gentse Luc Van den Bossche heeft dus een illustere voorganger als het om zetelen in geldgraaiende raden van bestuur gaat. Het werd blijkbaar een partijtraditie. Arme John Crombez!
Lord Lever en zijn bedrijven kregen grote stukken van Kongo toegewezen

Lev 2

En de Zeepbaron kreeg zelfs zijn eigen stad, Leverville (nu Lusanga). Sociaal kon je zijn kolonisatie niet noemen. Hele bevolkingen werden verplaatst naar zijn arbeidskampen. De sterftecijfers liepen daar heel hoog op en zieken moesten gewoon oprotten. Het zou tot een grote opstand leiden van de Pende, het volk rond Leverville. Die waren zo woest dat zij de lokale verantwoordelijke Maximilien Balot eerst vermoordden, dan zijn lijk in stukken sneden en uitdeelden aan de verschillende Pende-leiders.

Lev 3

 

De Raffineries du Congo belge had zijn fabriek in Baasrode aan de Schelde waar de palmolie rechtstreeks uit Kongo arriveerde.

Haar hoofdkwartier was net als dit van de Huileries en de Savonnerie en nog enkele andere firma’s van de Baron Zeep in het Brusselse Lever House. Dat hoofdkwartier werd in 1922 ingericht en bestaat nog altijd. Van buiten zie je niets dat naar Kongo verwijst. Maar zodra je in de hall komt denk je dat je in het Museum van Tervuren bent.

 Lev 4

Dezelfde vloer, de zelfde marmer tegen de muren, dezelfde nissen met beelden van Kongolezen. Bij nader toekijken merk je dat alle beelden Pende voorstellen die palmnoten oogsten.

 

 

Niet alleen is het verhaal achter de rijkdom van Lord Unilever vergeten, niemand heeft bij mijn weten ooit over dit mini-Africamuseum geschreven.

Lev 5

Tot hier het verhaal van de meest winstgevende oliehoudende plant uit Kongo, de palmnoot.

Maar ook een Kongolese vetplant werd wereldberoemd, dan toch in België.

In 1893 startte broeder Justin Gillet in Kisantu een plantentuin. Bedoeling was om zoveel mogelijk planten uit Kongo in een tuin te verzamelen. Een door iedereen nu gekende plant, waarvan niemand zich nog de Kongolese origine herinnert zal zo België bereiken na een reis via de Jardin Colonial van Leopold II in Laken en de Brusselse Plantentuin, de Sanseveria. In 2011 organiseerde de Plantentuin van Meise nog een workshop volledig gewijd aan de Sanseveria.

In Kongo worden de vezels van de bladeren gebruikt om te weven. Een bepaalde soort Sanseveria levert zelfs een sap dat gebruikt werd in gifpijltjes.

Zijn massale verspreiding is echter het werk van ‘onze’ missionarissen. Die hadden geen geld. Wanneer ze overkwamen naar België was dit om te bedelen voor de missies. Officieel arm, konden zij zich geen mooie kado’s uit Kongo veroorloven voor vrienden en familie. En daar bracht de Sanseveria redding. De plant kan het weken zonder water stellen en kon dus makkelijk de reis met de Kongoboot overleven. Een ideaal geschenk. En daardoor ging hij onze raamkozijnen, café’s en parochiezalen veroveren. Het werd een typische Belgische plant waar de Nederlanders meewarig om lachen. Het weze indertijd het Simplistisch Verbond op TV of de carnavalschlager in Breda:

Mijn sanseveria staat voor het raam
En als ik binnen kom dan gaat tie staan
Het is een plantje van een meter hoog
Maar met carnaval dan staat hij altijd droog

 

Lev 6 Sanseveria

 

Van Lucas Catherine verschijnt bij uitgeverij EPO dit najaar: Kongo, een voorgeschiedenis.

 

juni 23, 2016 at 3:08 pm 3 reacties

WIT-ZWART FOTOGRAFIE IN KONGO

K 1 AquaBuls_NEW

door Lucas Catherine
 

Een mens houdt nogal wat brol bij en het mooie is, dat als je het lang genoeg bijhoudt het antiek wordt, of toch minstens vintage.
Zo heb ik enkele fotocamera’s teruggevonden tijdens een reshuffle van dingen die nu te oud zijn om nog weg te gooien. Met eentje, een echte Kodak heb ik zelf mijn eerste foto’s gemaakt. Het is zo een zwarte doos met als objectief een stukje  geslepen glas dat toen voor een lens doorging. Het filmrolletje was nog gedeeltelijk in papier.
En toeval bestaat niet, maar ik was net het reisboek van onze Brusselse burgemeester Charles Buls (1881-1899) in Congo aan het lezen, uit de tijd dat Congo nog Kongo was. ‘Croquis Congolais’ (1899). Zoals alle flaminganten toen schreef hij het liefst in het Frans. Hij had zo’n Kodak mee. Dat concludeer ik tenminste uit dit fragment: “Iets verder duiken twee Zwarte Eva’s op. Ze zijn nog onberoerd door de beschaving en reageren niet wanneer ik mijn Kodak op hen richt…”

 

K 2 Kodak1898

 

Dat kon dus dankzij Kodak. De fotografie had net een grote sprong gemaakt. In 1888 bracht George Eastman de eerste camera met rolfilm voor het grote publiek op de markt met de slogan: “You press the button, we do the rest!”. Of in de versie van De Nieuwe Snaar, honderd jaar later:

“Ja zo’n prachtstuk voor m’n lens

is mijn allergrootste wens

‘k hoef alleen maar goed te mikken

in de hoop dat het zou klikken.”

De camera kreeg de naam KODAK. Je kon hier honderd snapshots mee maken, dan was de filmrol op. Je stuurde dan je camera met film naar Eastman-Kodak en je kreeg je foto’s afgedrukt terug en een nieuwe camera met een nieuwe film. In 1891 volgde dan de eerste echte  losse rolfilm.

Charles Buls had dus zo’n Kodak van het allerlaatste model mee. Tien jaar eerder was dit nog niet mogelijk. Toen werkte men nog op glasplaten. Ze hadden een lange belichtingstijd nodig. De camera moest onbeweeglijk op een statief staan en ze moesten dadelijk ontwikkeld en gefixeerd worden.

 

K 3 Stanleyglas_NEW

 

De glasplaat is gebroken en in het glas is het onderschrift gegrift, zoals toen gebruikelijk was.

 

Dit kon men nog niet reproduceren in boeken. Stanley zal dan ook zijn boeken illustreren met gravures naar zijn foto’s. Het had zo zijn voordeel voor deze sensatiejournalist, ingehuurd door Leopold II om bij een groot publiek zijn kolonisatie te promoten. Hij kon daarmee zijn verhaal nog sensationeler maken, zoals met deze gravure over hoe hij omging met zijn eigen mensen.

 K 4 StanleySchiet_NEW

Ook Jerôme Becker die Karema, de eerste Belgische kolonie in Afrika had bestuurd kende dit technisch probleem toen hij in 1887 zijn boek uitgaf: La Vie en Afrique. Becker had nochtans een fotocamera en 200 glasplaten mee genomen, net als de producten voor ontwikkeling en fixering. Zijn boek is echter niet met foto’s geïllustreerd maar met tekeningen naar zijn foto’s.
In 1897 bij de Koloniale tentoonstelling in Tervuren kon dit al wel. In het begeleidend boek “L’Etat Indépendant du Congo à l’Exposition de Bruxelles” staan al enkele foto’s, maar sterk geposeerde en vooral tekeningen naar foto’s. De foto’s die Stanley twintig jaar voor Buls in Kongo maakte, trekken dan ook op niets. Dit is een van de betere:

 

K 5 Stanleyrivier_NEW

 

Een alternatief middel voor de eerste toeristen was dan ook de waterverftekening. Buls zal de twee technieken toepassen. Zijn aquarel van de stroom spreekt dan ook meer aan: zie de illustratie bovenaan dit stuk.

 

Die foto’s waren in zwart-wit, maar inhoudelijk eerder wit over zwart. Ze vertellen veel over hoe de witten over de zwarten dachten. Erg stereotiep. Neem deze – onscherp want niet op glasplaat maar met een rolfilm Kodak genomen – foto van Charles Buls: Les Eves Noires:

 


K 6 Eva's 001

De foto is dan wel flou, het stereotype is  haarscherp. Om nogmaals De Nieuwe Snaar te citeren:

“Want de angst voor het cliché

levert nooit een goed idee

Dat is het drama

In de fotografie.”

 

En het veranderde niet met de komst van de kleurfilm. Integendeel, de stereotypen werden nog groter. Ik ben het dan ook grondig oneens met Simon & Garfunkel toen die zongen: “Mama don’t take my Kodachrome away. Makes you think all the world’s a sunny day, oh yeah!”
Stereotypen in kleur zijn nog gevaarlijker dan die in zwart-wit. Doe ze weg, zoals De Nieuwe Snaar zingt:

“Als ik in mijn donkere kamer
Al die foto’s overzie
Zoek ik dikwijls naar een hamer…”

En, sorry aan De Nieuwe Snaar voor deze niet zo ortodoxe interpretatie van hun liedje.

mei 22, 2016 at 4:41 pm 2 reacties

KONGOBOOT

De Charlesville in Matadi

De Charlesville in Matadi

 

door Lucas Catherine
Zij waren voor mij een mysterie. In het gehucht waar ik opgroeide kwamen kindjes niet met de ooievaar. Er circuleerden twee andere versies. Ze groeiden als kolen, niet overdrachtelijk, maar letterlijk. Zoals alle werkmensen die net buiten Brussel woonden hadden wij een tuin die diende als tweede inkomen. Aardappelen voor gans het jaar; boontjes en andere groenten die met weckpotten werden ‘gesteriliseerd’ voor consumptie tijdens de winter, en wortels en kolen die werden ingegraven. Als handboek gebruikte mijn vader de zadencatalogus van de Waalse firma Gonthier, toen wereldberoemd bij alle Belgische tuinders. En daarin stond een foto waar ik geweldig onder de indruk van was. Een witte kool en een rode kool en in de krop van de ene zat het hoofdje van een witte baby, in de andere van een negertje. Kinderen kwamen uit de kool. Erg geloofwaardig want 65 jaar geleden moest fotoshop nog worden uitgevonden. Toch twijfelde ik. Ik heb als peuter massa’s kolen gezien, bij ons en in de tuinen van de buren, maar nooit een kinderkopje.

En toen diste men mij het verhaal op dat kinderen kwamen met de Kongoboot en als een vrouw een misval had dan was zij met haar kindje van de loopplank gevallen. Erg voor dat kindje en voor de moeder in het ziekenhuis. Zo iets viel minder te controleren. Alhoewel, met een vader als spoorarbeider reden wij gratis met de trein en een van onze uitstappen was naar Antwerpen sporen en daar aan het Steen kijken naar de arriverende Kongoboten.

De Kongoboot voor het Steen inn Antwerpen

De Kongoboot voor het Steen in Antwerpen

Nooit een kindje aan land zien brengen. Maar sindsdien hou ik van Kongoboten en de verhalen er rond. In België werd maar voor het eerst een Kongoboot gebouwd in 1912, door Cockerill Hoboken. Daarvoor werden ze geïmporteerd uit Engeland. Zo ook de Albertville die in 1898 naar Kongo vertrok. Hij was net in april afgeleverd door de scheepswerven van Middlesborough (UK). Het schip was 107 meter lang en 13 meter breed en in juni vervoerde hij zestig prominente gasten die in Kinshasa de eerste spoorlijn van Kongo gingen inhuldigen. Een verhaal dat ik elders ga vertellen.

De reis duurde 21 dagen. En dat gaat wel vervelen. En wat doe je dan. Drinken! Soms doe ik wel eens research en zo ben ik op de aantekeningen van de barman gestoten. Er werd wat afgedronken. De barman van de boot heeft wat er aller-retour werd opgedronken mooi opgelijst:
4.000 flessen Saint-Emilion 1892.
1.200 flessen Château Roques 1897
een paar duizend ‘goedkope’ rode Bordeaux en Bourgogne.
2.500 flessen witte wijn (Moesel, Rijn, Sauternes)
3.000 flessen Champagne, van het huis F.Secondé, champagne fabrikant in Sillery. Nog altijd een bekend Champagne merk. Die had indertijd een expeditie van Stanley mee gesponsord en daar waren de Belgen hem nog altijd dankbaar voor.
Verder:
300 flessen Fine (Cognac)
200 flessen Oud-Hasseltse Jenever
enkele honderden flessen apertiefdranken en pousse-cafés.
1000 flessen oude Porto (cru 1847 en 1865)
en duizenden flessen bier, gaande van bock tot geuze-lambiek.

Kongoboot_2  Een vlugge schatting levert dan ook zes flessen per passagier per dag.
En zatte mensen vertellen flauwe moppen. Op die reis zat ook een verslaggever van wat toen de Vlaamse kwaliteitskrant was: Het Laatste Nieuws, Camille Verhé en toen ze de Kongo opvaarden waren de passagiers aan het drinken en aan het eten. De Kongolezen op de oever begroetten hen al dansend en Verhé schrijft dan: “Weet gij wat het verschil is tusschen die negertjes en ons? – ? – Die ventjes spelen buiten en wij…spelen binnen.” Waarschijnlijk na zijn zesde fles.
Wat ze te eten kregen weet ik niet. Wel wat ze later, in de jaren 1930 op de Leopoldville te eten kregen. Dankzij een menu uit ons familie-archief. Dit is de menukaart van 31 januari 1937. Ik geef voor wie niet thuis is in de geschriften van Antonin Carême of Auguste Escoffier de basisingrediënten:

Menukaaart van de Leopoldville in de jaren 30

Menukaaart van de Leopoldville in de jaren 30

L’Orange Persanne
Koude schijfjes sinaasappel overgoten met een saus op basis van ingekookte suiker, azijn en sinaassap met daarin de zeste van de sinaasappel, die daarna in kleine stripjes wordt gesneden.

Le Bisque de Langoustines Cleveland
Een klassieke bisque waarin de cognac vervangen wordt door Bourbon (al dan niet uit Cleveland)

Les Paupiettes de Sole Bosniaque
Tongrolletjes bereid met ui, wortel, champignons, truffels, witte wijn en een toets paprika.

La Croustade de Riz de Veau Pétrograd
Riz de Veau in bladerdeeg, bereid met een fond, witte wijn en op het einde met een klein glas vodka.

La Selle d’Agneau Windsor
Schaap gevuld met boter, peterselie en een droge Duxelles (gesnipperde champignons met ui en kruiden).

Le Chapon du Mans Orléandais
Een kapoen (of gewoon een Mechelse koekoek) klaar gemaakt met ui, wortel, look, tomaat, vinaigre d’Orléans, room en een bussel dragon.

La Chaumière Suisse
Zwitserse kaas gepresenteerd op een bed van stro.

Le Gateau Léopoldville
Een Matadi-taart (met zwarte chocolade en crème fraiche)

La coupe de Fruits

Le Moka

Als ik teveel gegeten heb dan droom ik niet van Welsh Rarebit zoals indertijd de stripfiguur van Winsor McCay maar van Matadi en Kongoboten.
Van Lucas Catherine verschijnt dit najaar bij uitgeverij EPO het boek: Kongo, Wit over Zwart (1608-1898).

maart 3, 2016 at 2:49 pm Plaats een reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.315 andere volgers