Posts filed under ‘Afrika’

HOLLANDSE KONGO

Hoe de Hollanders Leopold II in Kongo ondersteunden en ondervonden dat ondank ‘s werelds loon is.

Door Lucas Catherine

Als je stripverhalen leest zou je denken dat de Nederlanders niet weten waar Kongo ligt. Toen Hergé daar populair werd moest Kuifje in Kongo, Kuifje in Afrika heten.

Want wisten ze veel waar Kongo lag ? Nu, als het op koloniale geschiedenis aankomt zijn de Nederlanders inderdaad niet zo sterk in aardrijkskunde: Indië ligt volgens hen niet op het Indische subcontinent, maar in Indonesië. Hun Oost-Indië is het enige “Indië” dat ze kennen. En toen Suske en Wiske ginder in het Noorden populair werden moest het album De Tamtamkloppers niet langer in onze Kongo spelen, maar in hun Suriname. De teksten werden aangepast. Voor de tekeningen kon dit niet : daardoor dat Afrikaanse dieren als leeuwen, giraffen, olifanten, neushoorns of nijlpaarden volgens die albums ook in Suriname rondliepen. Nogal verwarrend voor de Hollandse lezertjes.

En je zal, in hun toch wel prachtige Atlas of Mutual Heritage op het internet  waarop ze al hun koloniale posten en factorijen oplijsten, nergens Boma of Banana vinden. Laat staan Kinshasha. Nochtans, de Hollanders waren voor Leopold II in Kongo. Jawel !

De Hollandse factorij in Boma

De Rotterdamse firma Kerdijk en Pincoffs startte activiteiten in Kongo vanaf 1857 en stuurde Henry Kerdijks broer Lodewijk uit als hun vertegenwoordiger ter plaatse. Hij overleed in 1861 te Boma. De firma Kerdijk & Pincoffs exporteerde katoen, kookgerief, messen, geweren, kruit en sterke drank uit Nederland en ruilde die voor Afrikaanse ivoor, palmolie en rubberKerdijk & Pincoffs waren daarvoor ook in West-Afrika actief, maar ze splitsten hun West-Afrikaanse posten af en brachten de Kongolese factorijen onder in de Afrikaansche Handelsvereeniging (1868). Daar werkten naast vrije arbeiders ook enige honderden slaven (door de Portugezen “coromanos” en door de Nederlanders “Kroo-mannen” genoemd). Pincoffs en Kerdijk waren dan ook deelnemers aan Leopolds Geografische conferentie van Brussel (1876), de eerste stap die hij zette in zijn verovering van Kongo.

 

Deze AHV investeerde mee in Leopolds Kongoproject. Het was Pincoffs die aan Leopold voorstelde een financieringscomité op te richten. Dat werd het Comité d’études du Haut-Congo . Zij werden dan ook bestuurders in dit Comité en waren naast Leon Lambert (vertegenwoordiger van de Rothschilds in België en Leopolds bankier) de tweede grootste aandeelhouders: Lambert voor 400.000 goudfrank. De AHV voor 130.000 goudfrank. Dat was meer dan bijvoorbeeld de Brusselse bankier Georges Brugmann (20.000 frank).

Het is dit Studiecomité dat Stanley engageerde (en betaalde) voor zijn expeditie op de Kongostroom. De Hollandse AHV liet Stanley en zijn materiaal (vier gedemonteerde rivierboten) kosteloos naar Banana verschepen. Van daaruit vertrok op 14 augustus 1879 zijn koloniale expeditie. Het quid pro quo was natuurlijk dat AHV een bevoorrechte positie zou krijgen in Leopolds gebied, maar doordat in 1879 de AHV  na een grootscheepse fraude failliet ging kwam daar niets van terecht. Leopold  maakte van de gelegenheid gebruik om het Comité volledig over te nemen.

Daarop werd de Nieuwe Afrikaansche Handelsvereniging opgericht. In 1884, het jaar vóór de officiële oprichting van de Kongo Vrijstaat bezat ze 69 handelsposten langs de Kongostroom. Haar hoofdkwartier was in Banana. Er was zelfs sprake van dat Nederland soevereiniteit over de Kongostroom zou krijgen. Maar Nederland herkende, na ruggespraak met de NAVH tijdens de Conferentie van Berlijn (1885) de Kongo Vrijstaat onder voorwaarde van vrijhandel, zoals de Conferentie in haar artikel 14 had bepaald.

Korte tijd lang liet onze Leopold II zich als Koning van Kongo Potorko I noemen. Een naam die we terugvinden in een knipsel uit een toenmalige Nederlandse krant

 

Venloosch weekblad, 5 september 1885

Aan het hoofd van de NAVH kwam Anton Greshoff (1). Hij vestigde zich in het dorp Kinshasa, naast Leopoldstad. Greshoff zou een luis in de pels van Leopold worden. Samen met andere handelaars verzette hij zich tegen de verdragen die de Vrijstaat afsloot met de lokale vorsten en waarin die hun soevereiniteit afstonden. Zij eisten dat die vorsten enkel handelsakkoorden zouden ondertekenden.

In 1886 en 1887 schreef Greshoff een reeks artikels in het tijdschrift Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap met felle kritiek. Onder meer dat “na vijf jaar de Vrijstaat nog niets heeft gedaan om de traditionele karavaanweg te verbeteren tot een meer fatsoenlijke weg.” Of dat hij gemerkt had dat “alle dorpen tussen de Inkisi (rivier) en Nzugu-Mbola zijn platgebrand …terwijl hier nooit enige melding van is gemaakt.” De stations van de Staat “kan je eerder stallen dan huizen noemen; zelfs is het zeer twijfelachtig of een aan een zindelijke Hollandse stal gewende koe wel zou voortgaan melk te geven, zo men haar een kamer in Leopoldstad gaf.” En: “Alles wat we van de Vrijstaat gezien hebben is lijnrecht in strijd met haar programma : menslievendheid, wetenschap, beschaving…” Eerst werd Greshoff hiervoor in 1887  in Boma voor de rechtbank gedaagd, maar gelukkig voor hem werd de zaak geseponeerd.

Kinshasa 1883

In Brussel had men op 30 april 1887 een decreet uitgevaardigd dat te land enkel de vlag van de Kongostaat nog mocht worden gehesen, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de gouverneur-generaal. Op de rivier mocht men de eigen vlag hijsen aan de voorsteven, maar de vlag van de Vrijstaat moest aan de achtersteven.

Greshoff had als oranje-patriot overal de Nederlandse driekleur gehesen op al zijn factorijen en boten. Hij boycotte het decreet door ervoor te zorgen dat de vlag van de Vrijstaat steeds rond de vlaggestok bleef gerold en dat alleen de Nederlandse vlag wapperde in de wind.

Hij reisde in 1887 als eerste blanke handelaar naar de Swahili machthebber van Maniema in Kisangani, Hamed ben Mohamed al Murjebi, door de Belgen Tippo-Tip genoemd, met de bedoeling rechtstreeks bij hem ivoor te betrekken. En het lukte ! Directe concurrentie voor Leopold.

In 1889 werd de “fatale, de onvermijdelijk Greshoff”  zoals hij werd genoemd in de maand september per decreet uitgewezen uit Leopolds Kongo. Hij stak de rivier over en vestigde zich rechtover Kinshasa in Brazzaville, Na de ‘Vlaggenoorlog’ volgde nu een papieren oorlog met brochures tegen de Vrijstaat. Een citaatje : “De staat voerde in 1889 voor 4,3 miljoen frank producten uit; de NAHV kocht dat jaar voor 6,1 miljoen producten aan; als men zegt dat de NAHV van geringe betekenis is, hoe klein is dan wel de staat ?”

Maar de NAHV was nu wel haar toegang tot de monding van de Kongorivier kwijt. Anton Greshoff zou vanuit Brazzaville wel nog 12 jaar bedrijvig blijven in de Franse Kongo.

 

Greshoff aan zijn bureau in Brazzaville

Tot slot nog dit : Waarom was Leopold II zo wantrouwig tegenover de Hollandse handelaars ? Dat had wellicht te maken met zijn grote bewondering voor de Nederlandse kolonisatie in Indonesië die hij verschrikkelijk efficiënt vond. Vreesde hij te grote concurrentie ? In zijn eerste toespraak tot de Belgische senaat op 17 februari 1860, toen nog als Hertog van Brabant, sprak hij zijn bewondering al uit over die kolonisatie die “de Verenigde Provincies tot één van de belangrijkste staten van Europa” had gemaakt. Dankzij het gewin in hun kolonies.

Gedenkplaat Max Havelaar, Bergstraat Brussel

“Vorig jaar,” sprak hij, “bedroeg de nettowinst van Nederlands-Indië ongeveer 70 miljoen frank.” Zoals Sir James Brooke, die toen Sarawak bestuurde, na een onderhoud met Leopold verklaarde : “Hij is verliefd op het Hollandse systeem…Ik vond geen spoor van brede opvattingen, van liberale gevoelens; hij dacht alleen maar aan de manier waarop hij geld uit het volk kon persen… Hij lachte met de idee de rechten van de inheemsen te eerbiedigen.” Dat Hollandse systeem bestond uit het zogenaamde cultuurstelsel van gedwongen teelten, waarbij de koloniale ambtenaren gedreven werden door premies: de zogenaamde cultuurprocenten of cultuuremolumenten om de productie zo hoog mogelijk te maken en die dan tegen zeer lage prijs te leveren aan de staat via de Nederlandse Handel-Maatschapij . Leopold zou het in Kongo toepassen.

Dat zelfde jaar 1860 waarin Leopold zijn toespraak hield in de senaat verscheen de grote aanklacht tegen dit cultuurstel : Max Havelaar, of De koffijveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. Edward Douwes-Dekker schreef het boek in Brussel, op geen vijfhonderd meter van het  Koninklijk Paleis.

(1) Zijn neef, de dichter Jan Greshoff schreef indertijd Catrijntje Afrika. Alhoewel hij zelf in Zuid-Afrika woonde speelt dit werk toch in de Kongo van zijn oom Anton.

 

Lucas Catherine

March 13, 2020 at 8:50 pm Leave a comment

CORONA EN HET MILIEU

Wat heeft de Coronapandemie te maken met ons leefmilieu en de klimaatverandering? Hoe komt het dat pandemieën elkaar in snel tempo opvolgen en duizenden slachtoffers maken: HIV, SARS, Ebola, Corona? Daarover gaat een bijdrage in een recent nummer van het Amerikaanse weekblad “The Nation.” Een samenvattende vertaling.

Door Sonia Shah

Was het een schubdier? Een vleermuis? Of een slang, zoals ergens werd beweerd? Welk wild dier zou verantwoordelijk zijn voor het coronavirus, officieel “Covid-19,” dat honderden miljoenen personen heeft besmet die nu in China en andere landen achter schutskringen en in quarantaines worden opgesloten. Een interessante vraag, maar belangrijker nog is niet uit het oog te verliezen hoe kwetsbaar we steeds meer worden voor de diepere oorzaak: de toenemende vernietiging van de habitats.

De laatste 80 jaar zijn ziektekiemen verschenen of teruggekeerd naar streken waar ze vaak nooit eerder waren opgemerkt. Dat is onder andere het geval voor HIV (Human Immunodeficiency virus), voor Ebola in West-Afrika of nog voor Zika op het Amerikaanse continent. De meerderheid (60%) is van dierlijke oorsprong. Een aantal is afkomstig van huis- of landbouwdieren, maar het merendeel (meer dan twee derde) is afkomstig van wilde dieren.

Toch treft hun geen schuld. Veel artikels laten – vaak aan de hand van foto’s – uitschijnen dat wilde dieren verwoestende epidemieën veroorzaken. Maar het is fout te denken dat deze dieren dragers zijn van dodelijke pathogenen die er op uit zijn ons te besmetten. De meerderheid van hun microben leven met hun gastheer of -vrouw samen zonder hun kwaad te doen. Het probleem ligt elders: door de ongeremde ontbossing, urbanisatie en industrialisering hebben we deze microben in staat gesteld zich naar het menselijk lichaam te verplaatsen en zich aan te passen.

Gezondheidswerkers tegen de Ebola-epedemie in Sierra Leone Foto MSF

Door het verdwijnen van de habitats wordt ook het voortbestaan bedreigd van tal van soorten, waaronder medicinale planten en dieren die de basis vormen voor geneesmiddelen. Voor de overlevende soorten zit er niets anders op dan zich terug te trekken op de beperkte habitats die overblijven. Het gevolg is toenemende kans op contact met mensen waardoor onschadelijke microben in het menselijk lichaam muteren naar dodelijke ziektekiemen.

Ebola is een duidelijk voorbeeld. Een studie uit 2017 toont aan hoe het virus, dat oorspronkelijk bij verschillende soorten vleermuizen werd geconstateerd, frequenter opdook in gebieden in Centraal Afrika die recent werden ontbost. Als de bossen verdwijnen gaan de vleermuizen zich nestelen in de bomen van tuinen en boerderijen. Het gevolg is duidelijk: door in een vrucht te bijten waar speeksel van de vleermuizen aan kleeft slikken mensen het in. Op die manier komen virussen die volkomen onschadelijk zijn voor de vleermuis bij bevolkingsgroepen terecht.

Hetzelfde geldt voor de ziektes die door muggen worden verspreid. Er is een verband vastgesteld tussen ontbossing en de frequentie van epidemieën. Hier gaat het niet zozeer om het verdwijnen maar om de transformatie van habitats. Samen met de bomen verdwijnen ook hun wortels en de laag dode bladeren. Daardoor stromen water en sedimenten makkelijker weg over een verarmde grond die uitdroogt door de zon waardoor er plassen ontstaan waarin de moerasmug welig tiert. Uit een studie uitgevoerd door twaalf landen blijkt dat muggen die dragers zijn van menselijke ziektekiemen twee keer vaker voorkomen in ontboste gebieden dan in streken waar de wouden intact zijn gebleven.

GEVAREN VAN DE INDUSTRIËLE VEETEELT

De vernietiging van de habitats dunt verschillende vogelsoorten uit en verhoogt daardoor het risico op het verspreiden van ziekteverwekkers. Een voorbeeld: het Westelijke Nijlvirus dat leeft bij trekvogels. In Noord-Amerika is het aantal vogelpopulaties de laatste 50 jaar met 25% gedaald als gevolg van het verdwijnen van biotopen en andere vernietigingen. Maar niet alle soorten worden in gelijke mate getroffen. “Specialisten” – vogels die aan een bepaalde habitat gebonden zijn zoals spechten en rallen worden harder getroffen dan de generalisten als de roodborsten en de kraaien. De eersten zijn nauwelijks dragers van het Westelijke Nijlvirus terwijl de laatsten dat bij uitstek zijn. Vandaar een uitgesproken aanwezigheid van het virus bij de huisvogels van die regio en dus neemt de kans toe dat eerst een vogel en daarna een mens door een mug gestoken wordt.

Hetzelfde geldt voor de ziektes die door teken worden verspreid. Door langzaam aan het Noordoost-Amerikaanse bosbestand te knagen verjaagt de stadsontwikkeling dieren als de Amerikaanse buidelkat (opossum) die bijdraagt aan het reguleren van het tekenbestand. Andere soorten die veel minder doeltreffend zijn op dat plan tieren welig, zoals de witvoetmuis en het hert. Het gevolg is dat de ziektes die door teken verspreid worden zich makkelijker verspreiden. Daaronder de ziekte van Lyme, die in 1975 voor het eerst in de Verenigde Staten is opgemerkt. De laatste 20 jaar zijn 7 nieuwe ziekteverwekkers geïdentificeerd die door teken worden verspreid.

Niet alleen de vernieling van habitats verhoogt het risico op ziekte-uitbraken, het is ook wat in de plaats komt. Om aan de drang van onze soort naar vleesconsumptie te voldoen hebben we een gebied ter grootte van Afrika ontbost om slachtdieren te kweken. Sommige van die dieren komen tot ons via de illegale handel in wilde dieren of in de markten voor levende dieren (wet markets). Wilde dieren die elkaar in de natuur zelden of nooit zouden tegenkomen worden daar in kooien naast elkaar geplaatst waardoor microben van de ene op de andere soort kunnen overspringen, een proces dat verantwoordelijk is voor het coronavirus dat in 2002-2003 de SARSepidemie veroorzaakte en wellicht ook voor het nieuwe coronavirus waarmee we vandaag geplaagd zitten.

Maar nog veel meer dieren worden gekweekt in industriële boerderijen waar honderdduizenden beesten dicht opeen gepakt wachten op de slacht en de microben ruim de kans geven om te muteren tot dodelijke ziekteverwekkers. Vogelgriepvirussen bijvoorbeeld die voorkomen bij wilde watervogels zwermen uit in fabriekfarms onder de gekooide kippen, muteren en worden kwaadaardiger, een proces dat zo voorspelbaar is dat het in het lab kan worden gereproduceerd. Eén streng, H5N1 genaamd, dat mensen kan besmetten doodt meer dan de helft van de geïnfecteerden. Om een verwante streng die in 2014 Noordamerika bereikte in te dammen moesten tientallen miljoenen kippen worden afgeslacht.

De reusachtige berg uitwerpselen die onze veestapel produceert biedt de dierlijke microben nog meer mogelijkheden om naar de menselijke bevolking door te dringen. De hoeveelheid dierlijk excrement is vele keren groter dan de landbouwgrond als meststof kan absorberen. Op veel plaatsen verzamelt het zich in zinkputten, “mestlagunes” genaamd. Shiga toxine producerende Escherichia coli, onschadelijk in de ingewanden van runderen, houdt zich ook schuil in de uitwerpselen. Bij mensen veroorzaakt het bloedige diarree en koorts en kan het tot acute nierinsufficiëntie leiden. Doordat rundermest makkelijk in het drinkwater en onze voedselketen terecht komt worden jaarlijks 90000 Amerikanen erdoor getroffen.

De transformatie van dierlijke microben naar menselijke ziektekiemen verloopt vandaag sneller maar het fenomeen is niet nieuw. Het begon met de revolutie van het neoliticum, toen de mens voor het eerst de habitat van wilde dieren ruimde om plaats te maken voor voedselgewassen en wilde dieren domesticeerde. De “dodelijke geschenken” die we, zoals Jared Diamond het stelt, van onze “vrienden de dieren” kregen waren onder andere mazelen en tuberculose van koeien, kinkhoest van varkens en griep van eenden. Het ging voort onder de koloniale expansie. Belgische kolonisten bouwden in Congo spoorlljnen en steden die het het lentivirus in een plaatselijke makak mogelijk maakte zijn aanpassing aan het menselijk lichaam te perfectioneren. Britse kolonisten in Bangladesh rooiden de mangrove bossen van de Sundarbans om plaats te maken voor rijstvelden en stelden de mensen daardoor bloot aan de bacteriën die in het brakke water van de drassige gronden leefden.

Prof. Jared Diamond Foto UCLA

De pandemieën ontstaan door deze koloniale ingrepen blijven ons tot vandaag achtervolgen. Het lentivirus van de makak evolueerde naar HIV. De bacteriën uit het brakke water van de Sundarbans, nu bekend als cholera, hebben tot dusver zeven pandemieën veroorzaakt, de recentste op Haïti, een paar honderd mijl van de kust van Florida.

Maar het goede nieuws is dat we niet machteloos staan tegen de mutatie van deze microben. We kunnen de wilde habitat beschermen zodat dierlijke microben in de lichamen van dieren blijven en niet verhuizen naar de mens. Deze aanpak wordt gepropageerd door onder andere de “One Health” beweging. We kunnen de plekken in het oog houden waar de kans het grootst is dat dierlijke microben zich tot menselijke ziekteverwekkers ontwikkelen, op zoek gaan naar die tekenen vertonen van aanpassing aan het menselijk lichaam en ze uitschakelen vóór ze een epidemie veroorzaken. Wetenschappers van het Amerikaanse programma “Predict” hebben over heel de wereld meer dan 900 nieuwe virussen ontdekt, waaronder nieuwe soorten SARS-achtige coronavirussen.

Vandaag hebben we opnieuw te maken met de dreiging van een pandemie. Dat komt niet alleen door het nieuwe coronavirus. Doordat de regering Trump de  winningsindustrieën en de industriële ontwikkeling bevrijd heeft van mileureguleringen kunnen we verwachten dat de vernietiging van habitats waardoor dierlijke microben bij de mens terecht komen in versneld tempo zal doorgaan. Tegelijkertijd beperkt de regering onze mogelijkheden om de volgende “spillover microbe” te ontdekken en onder controle te krijgen als ze  zich begint te verspreiden. Het programma Predict wordt stopgezet en het Witte Huis wil zijn bijdrage aan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) met 53% korten.

De epidemiologist Larry Briljant zei ooit: “Uitbraken zijn onvermijdelijk, maar pandemieën zijn onze keuze.” Maar pandemieën zijn enkel optioneel als we bereid zijn om met hetzelfde gemak waarmee we de natuur en de wilde dieren verstoren ook onze politiek radicaal om te gooien.

Vertaling door Johan Depoortere

10-03-2020

March 10, 2020 at 2:54 pm Leave a comment

HET ZWARTE HUIS

 

door Gie van den Berghe

                                 Hoe wordt men een anti-racist

Stamped from the Beginning – gebrandmerkt van bij het begin – is een meesterlijke geschiedenis van anti-Zwart racisme in Amerika, van de hand van de Afrikaans-Amerikaanse historicus Ibram X Kendi.

Ras is een oppervlakkig, uiterlijk verschijnsel. Genetische verschillen tussen individuen van dezelfde raciale groep zijn vaak groter dan die tussen individuen van verschillende groepen. Racisme, de overtuiging dat de ene raciale groep inferieur of superieur is aan de andere, is een ideologisch, sociaaleconomisch en politiek fenomeen zonder enig biologisch fundament.

Kendi onderscheidt twee vormen van Amerikaans racisme. De enen zijn ervan overtuigd dat de Anderen biologisch minderwaardig zijn. Negers zijn genetisch inferieur, kunnen nooit volwaardige mensen worden. Deze racisten pleiten voor segregatie, een beleid gericht op afscheiding, slavernij, opsluiting, deportatie, onmenselijkheid.

Een andere vorm van Amerikaans racisme stelt dat negers cultureel en gedragsmatig minderwaardig zijn, maar dat ze kunnen verbeteren door assimilatie, door zich eenzijdig aan te passen aan de witte cultuur. Negers moeten bewijzen dat ze niet minderwaardig zijn. Zij moeten veranderen, niet het witte vooroordeel.

Antiracisten daarentegen vinden dat alle beschavingen en culturen beoordeeld moeten worden in relatie tot de eigen geschiedenis, niet met de willekeurige maatstaf van één beschaving of cultuur. Individuele Zwarten zijn ook niet verantwoordelijk voor de racistische ideeën van anderen, ze vertegenwoordigen ook hun ras niet. Racisme is – zoals seksisme – een niet vol te houden veralgemening. Zwarten mogen in alle omstandigheden hun onvolmaakte zelf zijn: mooi én lelijk, meer en minder intelligent, gehoorzaam en opstandig, werklustig en lui. Het zijn met andere woorden mensen, als individu en als groep even onvolmaakt en feilbaar als Witten, als u en ik.

Racisme en antiracisme zijn ook geen onuitwisbare tatoeages. Antiracist zijn, ‘is als tegen een verslaving vechten, het vergt volgehouden zelfbewustzijn, constante zelfkritiek en regelmatig zelfonderzoek’.

Slavernij

Ibram Kendi

Kendi, een begenadigd verteller, hangt zijn verhaal op aan de houding tegenover racisme van vijf prominente Amerikanen. In Brits-koloniaal Amerika vergoelijkte en sanctioneerde de vooraanstaande predikant Cotton Mather (1663-1728) slavernij op theologische wijze. Afrikanen waren door de goddelijke voorzienigheid naar Amerika gehaald om van hun witte meesters het glorieuze testament te leren. Mather benadrukte wel dat negers mensen zijn, geen beesten, ook ‘al werkt hun achterlijkheid ontmoedigend; ze iets aanleren lijkt even hopeloos als ze wassen.’ Hoe minderwaardig ook, door zich tot het christendom te bekeren kunnen negers wel hun ziel wit wassen. Slavenhouders hoeven zich daarover geen zorgen te maken: ‘de wet van het christendom laat slavernij toe’.

Kolonisatie

In het tijdperk van de Amerikaanse revolutie werd slavernij gerechtvaardigd door racistische ideeën die Britse kolonisten hadden meegebracht uit Europa. Thomas Jefferson (1743-1826), één van de stichters van de Verenigde Staten, de voornaamste auteur van de onafhankelijkheidsverklaring en de derde Amerikaanse president, wou in theorie de slavernij afschaffen maar hield er in de praktijk in de loop van zijn leven honderden slaven op na. Ooit ijverde hij voor een wet die witte vrouwen die zwanger waren van een Zwarte had moeten verbannen. ‘Vermenging veroorzaakt alleen maar degeneratie’, vond hij, al die tijd een seksuele relatie onderhoudend met een jonge biraciale vrouw.

Jefferson en de zijnen vonden dat vrije Zwarten niet geïntegreerd konden worden in wit Amerika. Ze moesten ‘teruggestuurd’ worden, Afrika koloniseren (sic) en er de witte beschaving uitdragen. Jefferson had Sierra Leone op het oog, de Province of Freetown waar Groot-Brittannië sinds 1792 zijn bevrijde slaven parkeerde, maar de Britten gaven niet thuis. In 1821 verwierf de VS een strook land ten zuiden van Sierra Leone. Amerikaanse settlers bouwden er versterkingen en noemden het Liberia, een thuis voor alle vrije en opstandige Zwarten die Amerika kwijt wou. Rond 1832 had elke noordelijke staat een resolutie in die zin aangenomen. Eind 19de eeuw waren de meeste witte Amerikanen ervoor gewonnen.

Maar Afrikaanse Amerikanen wilden helemaal niet ‘terug’ naar Afrika, het continent dat Witten als wild en achterlijk afschilderden. Om er niet langer mee geassocieerd te worden, noemden ze zich geen Afrikaan meer maar Neger. Meer dan een eeuw later, in de jaren 1960, zullen volgelingen van Malcolm X de term Neger aan assimilatie en accommodatie koppelen en het begrip Zwarte omhelzen, tot ontsteltenis van Martin Luther King en de zijnen die liever Neger werden genoemd.

Toen in 1807 de illegale slavenhandel werd verboden (een eerder symbolische wet), namen slaven in waarde toe en begonnen slavenhouders als Jefferson slaven te ‘kweken’ om aan de vraag van plantagehouders te voldoen. In 1808 bepaalde een wet in Zuid-Carolina dat pasgeboren kinderen van slaven aan hun meester toebehoorden, zoals de worp van huisdieren.

Inventaris van slaven op de Pleasant Hill Plantage in Mississippi, 1850

William Lloyd Garrison (1805-1879), een gedreven en hervormingsgezind uitgever, was tegen zwarte kolonisatie van Afrika. Negers waren geen barbaren, ze waren barbaars geworden door raciale discriminatie en slavernij. Hun gedrag en cultuur waren inferieur door twee eeuwen onderdrukking. Geduldige opvoeding en aanpassing aan de witte cultuur moest hen uit dat moeras halen.

Een dubbel zelf

Toen W.E.B. Du Bois (1868-1963) als eerste hooggeschoolde Zwarte afstudeerde, waren lynchpartijen dagelijkse kost. Slachtoffers werden onder massale belangstelling opgehangen omdat ze een witte vrouw lastiggevallen of verkracht zouden hebben. Niemand bekommerde zich om bewijs, getuigen of proces. Iedereen wist toch dat negers oversekste beesten zijn. Kijk maar naar hun vrouwen die zoveel witte mannen verleiden!

Een lynching in Indiana, 1930

Du Bois streed zijn hele leven tegen racisme. Aanvankelijk vond ook hij dat Afrikaanse Amerikanen door de slavernij sociaal en moreel verkreupeld waren. Ze moesten heropgevoed, geëmancipeerd worden. Later zag hij in dat negers de eigen karaktertrekken en talenten moeten koesteren en ontwikkelen. Hun dubbel bewustzijn afleggen, stoppen met zichzelf door ogen van Witten te beoordelen, niet langer ‘de eigen ziel evalueren met de meetlat van een wereld die geamuseerd minachtend en medelijdend toekijkt’. Het ‘dubbele zelf’ omsmelten tot een authentiek zelf. Maar tegelijk vond Du Bois dat getalenteerde negers (zoals hij) de massa moesten leiden en beschaven, kwestie van de racistische vooroordelen van Witten te weerleggen.

Antiracisme

Bekeken door Kendi’s antiracistische blik was de houding van deze vier prominente Amerikanen in min of meerdere mate racistisch. Het volstaat namelijk niet te denken of zoals brulaap Donald Trump luidkeels te verkondigen dat je geen racist bent (terwijl de man de ene na de andere racistische uitspraak doet). Wat racisme betreft bestaat geen neutraliteit, je moet antiracist zijn en daarnaar handelen. Eerst en vooral de eigen onverdraagzaamheid, het eigen racisme onder ogen zien. Een proces dat veel revolterende Zwarten, van Malcolm X tot Kendi, hebben doorgemaakt; een evolutie en bewustwording die Kendi haarfijn uit de doeken doet in How to be an antiracist.

Het begrip antiracisme werd gelanceerd door de militante activiste Angela Davis (1943…). Grootgebracht op een dieet van antikapitalisme en antiracisme, had ze een gloeiende hekel aan de zwarte armoe rondom haar en elke vorm van assimilationisme. Wat racisme betreft zag ze weinig of geen verschil tussen noordelijke en zuidelijke staten. Gematigd racisme bestaat niet. Ze nam zich voor nooit Wit te willen zijn. Bleek je huid niet, ontkrul je haar niet. Draag fier je Afro (kapsel). Black is beautiful. In 1967 sloot Davis zich aan bij Black Power. Zoals andere zwarte activisten had ze Luther King als een ongevaarlijk leider opzijgeschoven omwille van zijn religieuze filosofie en geweldloze politiek. Toen King het jaar daarop vermoord werd, ruilden heel wat Zwarten hun dubbel bewustzijn in voor antiracisme.

Law and order

Machtige racisten deden er ondertussen alles aan om Zwarten onder de knoet te houden. Onder Richard Nixon en de Law and order beweging werden talloze antiracistische, antikapitalistische, anti-seksistische en anti-imperialistische zwarte activisten gevangen gezet. Zo ook Angela Davis. In de gevangenis kwam haar zwart-feministisch bewustzijn tot volle wasdom. Toen ze in 1972 dit broeinest van criminaliteit achter zich liet, voerde ze ook strijd tegen dit moderne afgietsel van de slavernij.

In de jaren 1970 verdrievoudigde het ledenaantal van de Ku Klux Klan. Lynchpartijen zaaiden angst, vernieling en dood. Maar al dit geweld verbleekte bij de terreur die de politie uitoefende. Voor elke door de politie gedode Witte, sneuvelden er tweeëntwintig Zwarten. Als racisme niet helpt, neemt bruut geweld het over.

Onder Hollywoodpresident Ronald Reagan trad in 1986 de Anti Drug Abuse Act in werking. Een crackdealer of -gebruiker die betrapt werd met vijf gram – de gebruikelijke hoeveelheid onder Zwarten en armen – kreeg minimaal vijf jaar gevangenisstraf. De doorgaans witte en rijke dealers en gebruikers van poedercocaïne – actief in buurten met minder politie – moesten vijfhonderd gram cocaïne bij zich hebben om even zwaar bestraft te worden.

De antidrugwet leidde tot massale opsluiting, vooral van Zwarten. De gevangenispopulatie verviervoudigde in minder dan twintig jaar tijd. Anders dan het racistisch stereotiep wil, waren en zijn er verhoudingsgewijs meer witte dan zwarte jongeren die drugs verhandelen, maar Zwarten lopen een veel hoger risico gearresteerd te worden. Hoe meer politie, hoe meer arrestaties. Hoe meer arrestaties, hoe meer veronderstelde criminaliteit. Gevolg: nog meer politie, arrestaties en ‘criminaliteits’cijfers. Jonge mannelijke Zwarten lopen een twintig keer hoger risico gedood te worden door de politie – ook door zwarte agenten – dan witte leeftijdsgenoten. Zwarten riskeren verhoudingsgewijs veel vaker ter dood veroordeeld te worden dan Witten en eens op death row hebben ze een vier keer hogere kans geëxecuteerd te worden.

Alles, elk middel, ook opvoeding en wetenschap, werd ingezet om Zwarten eronder te houden. Het in Frankrijk bedachte intelligentiequotiënt, bedoeld om achterophinkende leerlingen vooruit te helpen, werd in de VS omgevormd tot een instrument dat de intellectuele minderwaardigheid moest aantonen van Zwarten, achtergestelde sociale klassen en immigranten. Dat gestandaardiseerde testen ‘minderheidsgroepen’ discrimineren die niet tot de standaardcultuur behoren, werd buiten beschouwing gelaten. Toelatingsproeven voor hogescholen, universiteiten en bedrijven houden geen rekening met sociaaleconomische ongelijkheid en verhuld institutioneel racisme. Zwarten zijn niet minderwaardig, ze kregen en krijgen minderwaardige kansen. De zogenaamde prestatiekloof is een kansenkloof.

Racistische cultuur

Kendi toont overtuigend aan dat de Amerikaanse cultuur doordrenkt is van racisme. Ook de literatuur en film. In The birth of a nation (1915) – de eerste film die in het Witte Huis werd vertoond – wordt een door een blanke gespeelde neger gelyncht omdat hij een witte vrouw verkracht zou hebben. Miljoenen Amerikanen zagen de prent en kregen het beeld mee van de seksbeluste, criminele neger. In de kaskraker Gone with the Wind (1939) zijn de slavenhouders nobel en bedachtzaam, terwijl negers afgeschilderd worden als lui en loyaal, gelukkige slaven, niet in staat tot vrijheid. De succesrijke televisiereeks Roots (1977) zit vol racistische ideeën over achterlijk Afrika, beschavende Amerikaanse slavernij en domme, afgestompte, tevreden slaven en losbandige slavinnen.

Vrijwel iedereen kent De (neger)hut van Oom Tom of heeft die antislavernij roman van Harriet Beecher Stowe gelezen. Uncle Tom’s Cabin; or, Life Among the Lowly (1852) werd meteen in vele talen vertaald. In 1852 als De hut van Onkel Tom: een slaven-geschiedenis (Gent, uitgeverij Hoste). Datzelfde jaar werd het in Nederland als toneelstuk opgevoerd en bezorgde ene Tante Mary (sic) een versie voor kinderen. De hut van Oom Tom wordt nog steeds met de regelmaat van een klok herdrukt (laatst in 2016 in een slordige vertaling bij Van Goor).

Het boek zou de houding tegenover slavernij ingrijpend veranderd hebben. Zeker, maar het populariseerde ook verschillende kwalijke stereotiepen over negers. De gemoedelijke mammy, brave ‘nikkertjes’ (pickaninnies) en Oom Tom als plichtbewuste dienaar, onveranderlijk trouw aan witte meesters. Hij zal als een zwarte Christus de opzichters die hem verraden hebben en vasthielden terwijl zijn meester hem doodsloeg vergiffenis schenken.

De vier volwassenen die in De hut van Oom Tom naar het noorden vluchten zijn mulatten, biraciale Zwarten. Ze zien er wit uit en gedragen zich wit, maar zitten tragisch gevangen in de restanten van hun zwartheid. Maar, vindt Stowe, ze verzetten zich ten minste, staan dus boven negers als Tom. In een conclusie aan het eind van haar roman (weggelaten of grondig herschreven in Nederlandse vertalingen) roept Stowe de kerk van de noordelijke Amerikaanse staten op om de vluchtelingen te ‘ontvangen in de geest van Christus, ze in een christelijk milieu en scholen op te voeden, en eens ze een beetje morele en intellectuele rijpheid bereikt hebben, ze te helpen bij hun terugkeer naar [Afrikaanse] kusten, waar ze de in Amerika geleerde lessen in de praktijk kunnen omzetten’. God, schrijft ze, ‘heeft een vluchtoord voorzien in Afrika’. Vul Liberia niet met ‘een onwetend, onervaren, half-barbaars ras, dat nog maar net bevrijd is uit de ketens van de slavernij’. Stowe’s oproep was een godsgeschenk voor de zieltogende American Colonization Society.

De hut van Oom Tom behandelt slavernij niet als een politiek maar als een individueel menselijk probleem, iets dat door christelijke liefde kon worden opgelost. Stowe aanvaardde de mogelijkheid van menswaardige slavernij.

Kleurenblind

Veel witte Amerikanen menen dat de VS ondertussen een kleurenblinde, postraciale maatschappij geworden is. Er zou niet meer gediscrimineerd worden, Zwarten beroepen zich daar alleen maar op om positiefgediscrimineerd te worden. Zeker, sommige Zwarten hebben raciale vooruitgang geboekt, maar voor de meeste Zwarten is alleen het racisme erop vooruitgegaan. Witte studenten hebben een meer dan vijf keer hogere kans om toegelaten te worden tot de beste colleges en universiteiten. Op elk niveau van het strafrecht, van wetgeving tot politiepraktijken, wordt gediscrimineerd. Zwarten worden in overtal gearresteerd en gestraft. Hoe lichter de huidkleur, hoe lichter de straf.

In 2005 blies orkaan Katrina het kleurenblinde dak van de VS. Wetenschappers en journalisten waarschuwden al jarenlang voor een ramp maar de bevoegde instanties hielden zich doof. Alsof het rampen-kapitalisme wachtte op een gelegenheid om New Orleans herop te bouwen en de al uitpuilende zakken verder te vullen. Journalisten waren in een mum van tijd ter plekke, terwijl de federale hulptroepen drie dagen nodig hadden. Ondertussen verspreidden sommige media gruwelverhalen over Zwarten die hun kinderen de keel oversneden en hulpverleners bekogelden.

Het racisme moge dan meer verhuld zijn, het beleid is dat geenszins. Zoiets valt af te lezen aan de vele raciale ongelijkheden, gaande van inkomen tot gezondheid. Ras moge dan een hersenschim zijn, de mensheid heeft er zich op zeer tastbare wijze rond georganiseerd. Het bestaan van rassen wegdenken in een racistische wereld is volgens Kendi even behoudsgezind en schadelijk als klassen wegdenken in een kapitalistische wereld – het laat de heersende rassen en klassen toe verder te heersen. Wil je racisme ongedaan maken dan moet je eerst en vooral de sociaaleconomische categorie ‘ras’ erkennen. Om institutioneel achtergestelde mensen gelijk te behandelen, moet je beginnen met ze verschillend te behandelen.

Racisme

Racistisch ideeën worden dixit Kendi niet geproduceerd door onwetende en haatdragende mensen met racistisch beleid tot gevolg. Het is andersom: racistische ideeën vloeien voort uit een racistische politiek in dienst van economisch, politiek en cultureel eigenbelang. Racistisch beleid produceert racistische ideeën om discriminatie, onderdrukking en uitbuiting te rechtvaardigen.

Het lijdt geen twijfel dat slavenhandelaars en slavenhouders baat hadden bij racistische opvattingen en ontmenselijking van hun slachtoffers. Maar dat racistische ideeën altijd en overal van bovenaf, intentioneel worden opgelegd, valt te betwijfelen. Mogelijk in de VS waar racisme als het ware werd geïmporteerd, al gaat Kendi er te gemakkelijk vanuit dat er zonder die inbreng geen sprake zou zijn geweest van racisme.

De term racisme is van relatief recente datum maar geringschatting, discriminatie, ontmenselijking en onderdrukking van Anderen is van alle tijden. In de vierde eeuw voor onze tijdrekening stelde Aristoteles dat Grieken superieur zijn aan alle andere volkeren. Mensen die in een warmer of kouder klimaat leefden dan het Griekse waren daardoor intellectueel, fysiek en moreel gedegenereerd. Afrikanen noemde hij ‘verbrande gezichten’. Of hoe de Griekse slavernijpraktijk en heerschappij over de westelijke Middellandse Zee filosofisch goedgepraat kon worden. Een kleine twintig eeuwen later maakten Turken in het gebied rond de Zwarte Zee Slaven buit om ze aan de meestbiedende West-Europeanen te verkopen. Dat is ook de oorsprong van ons woord ‘slaaf’. In de 15de eeuw trokken de Slaven forten op tegen de Turken. De handel verschoof geleidelijk naar Afrika. Slaven werden zwart. Portugezen, Spanjaarden en moslims die in de 17de eeuw streden om de heerschappij over winstgevende handelsroutes in grote West-Afrikaanse rijken, zagen en behandelden kleurlingen als inferieure wezens, bijna-beesten.

Laatdunkende en ontmenselijkende houdingen tegenover de Ander zijn van alle tijden en culturen. Sla er de joodse bijbel maar op na. Ook de West-Europese cultuur was ervan doordrenkt. Van William Shakespeare tot Immanuel Kant. Midden 17de eeuw noemde Robert Boyle, de vader van de Engelse scheikunde, een zwarte huid een lelijke misvorming van de normale witheid. Voltaire zei niet te weten of de neger van de aap, dan wel de aap van de neger afstamde. Linnaeus plaatste de ‘luie, trage en zorgeloze Zwarte’ onderaan zijn mensenladder. Alleen de Homo monstrosis monorchidei, de Zuid-Afrikaanse Hottentot, plaatste hij nog lager. John Locke twijfelde er niet aan dat West-Afrikaanse vrouwen met apen konden paren en hun kinderen konden baren. David Hume beweerde dat ‘een geleerd of beschaafd lijkende neger alleen maar een papegaai is die een paar woorden heeft leren napraten’. Ook Kant vond dat de mens zijn grootste perfectie had bereikt in het witte ras.

Door de evolutie die onze waarden sindsdien hebben ondergaan, kunnen we niet meer bevatten dat toen onze voorouders voor het eerst in contact kwamen met autochtone Amerikanen en Australiërs (‘roodhuiden’, ‘indianen’, ‘Aboriginals’) en Zwarten, ze dat vreemde wezens vonden en ze niet meteen als medemensen zagen, ja, bij vergelijking met zichzelf ‘on’menselijk achtten en daardoor ook onmenselijk mochten en konden behandelen. Teruggeplaatst in hun tijd waren deze houding en dit gedrag normaal; ze gehoorzaamden aan toen geldende normen. Vergelijk het met onze normaliteit van dieren eten, wezens die we vaak op beestachtige wijze kweken en slachten. Als je houdingen en gedrag uit andere tijden en culturen beoordeelt aan de hand van hedendaagse beschavingsnormen, kom je vanzelf uit bij afkeuring en veroordeling. Zo mis je niet alleen inzicht in het verleden maar ook in de onophoudelijke evolutie van menselijke waarden, normen en idealen; zo ga je voorbij aan geschiedenissen van normaliteit.

Blootstellen

De kiem van onverdraagzaamheid tegenover Anderen schuilt vermoedelijk in de gemeenschap waarin men geboren en getogen wordt: kerngezin, familie, wijk-, dorp- en leeftijdsgenoten, sportclub, sociale klasse. Buitenstaanders die er andere gewoonten op nahouden en/of uiterlijk afwijken, zijn vreemd. Vreemdelingen zijn ongewoon, ze verstoren onze vaak geconstipeerde gewoonten, bedreigen onze geborgenheid. Die verstoring en dreiging worden aan hen toegeschreven en het is tegen die projectie dat we ons te weer stellen. Parasiterende machthebbers spelen hier ideologisch op in, slaan er politieke munt uit.

Het is dus zaak om van jongs af met zoveel mogelijk Anderen – Zwart/Wit, vrouw/man, arm/rijk, homo/hetero, vreemdeling/vluchteling – in contact te komen, hen te ont-moeten, te ontdekken en te ervaren als medemens. Elke maatschappij die naam waardig moet dit mogelijk maken en bevorderen, elke vorm van segregatie ontmoedigen.

December 21, 2019 at 7:00 am 2 comments

ALLEMAN MOO LEIVE, WIT EN ZWET. KARABOUGIA !

 Door Lucas Catherine

Op 11 november  worden de oudstrijders uit WO I herdacht. Dit is het verhaal van één van de Kongolezen die vochten aan de Ijzer: Simon Lisasi, alias Johny, de man die de Karabougia uitvond.

Herdenking van de Kongolese oudstrijders in Schaarbeek

Nadat België officieel Kongo van Leopold II had overgenomen waren de Kongolezen niet langer onderdaan van de Kongo Vrijstaat maar werden ze Belgisch onderdaan. Vanaf 1909-1910 arriveerden dan ook enkele tientallen Kongolezen in Brussel. Het waren ex-matrozen die gediend hadden op Kongoboten, boys die tijdens de vakantie van de koloniale familie waarvoor ze werkten waren gaan lopen, of ontslagen waren. Ze vestigden zich vooral in de wijk rond de Beurs en op de Vlaamse Steenweg.

Op het nummer 14 van die steenweg, op zo’n vijf huizen van de Kathelijnemarkt ontstond zelfs een soort opvangs- of doorgangs huis. Officieel woonden er François Usekebambola en Antoine Boïmbo, maar er passeerden tientallen Kongolezen die er een tijdje hun intrek namen. Eén van de Kongolezen die er verbleven was Simon Lisasi, bijgenaamd Jo(h)ny. Hij raakte verliefd op een Brussellès, Hermine Van Welde en ze wilden trouwen. Maar dit kon niet want zijn papieren waren niet in orde.

Hij leerde er ook bakker Vos kennen die iets verder op de Vlaamse steenweg woonde, op nr 146. Die fabriceerde guimauves (schuimpjes in het Nederlands) en ook wat men in het Brussels maskesvlies of nonnenbillen noemt. Simon bracht hem op het idee om de brokjes die achterbleven te hergebruiken door ze samen tot een harde, zwarte suikerplaat te bakken die gearomatiseerd werd met anijs. Die werd daarna met een hamer in brokjes geslagen. Het kreeg een swahili-naam karabougia (van kara : brok en bugia : snoep).

Karabougia

Eerst werd het verkocht op de nabijgelegen Kathelijnemarkt. Simon, zeg maar Johny, deed dat heel spectaculair. In de zomer met enkel een strooien rokje en een halsketting van schelpen en hij danste en hij prees zijn waar niet alleen in het Frans aan, maar ook in het Brussels, geleerd van zijn Hermine : Karabougia, Karabougia ! Bolle vi de valling ! Bolle vi den oest. Alleman moo leive, wit en zwet. Karabougia !

Als het kouder werd stak hij zich in kostuum en droeg een bolhoed. Een marktkramer moet opvallen. Hij werkte voor zijn brood ook als mecanicien. Lisasi kreeg veel navolging en na een tijdje werkten er tientallen Kongolese karabougiaverkopers voor Simon Lisasi in opdracht van bakker Vos.

Karabougiaverkoper

Het werd een erg populaire zoetigheid die in Brusselse cafés zal worden verkocht tot in de jaren zestig. Dat iedereen het kende mag ook blijken uit het Kuifjesalbum De Krab met de Gulden Scharen, daarin speelt de boot van kapitein Haddock een hoofdrol en die boot heet, jawel, Karaboudjan. Het werd trouwens ook door Kongolezen verkocht op de markten van de dorpen en de streek rond Brussel.

Toen de oorlog uitbrak werd Simon Lisasi, net als 32 andere Kongolezen oorlogsvrijwilliger. Hij diende ondermeer in het 9de Linie waarmee hij vocht rond Nieuwpoort . Hij vocht ook bij Lombardzijde waar hij gewond raakte en in het militair hospitaal belandde. Daarna werd hij doorverwezen naar het hospitaal in Calais. Het bleek dat zijn longen aangetast waren door de Duitse gasaanvallen.

Gifgasaanval

Na de oorlog keerde hij naar Brussel terug maar zijn oud appartement was nu door anderen bewoond en al zijn bezittingen waren verdwenen. In 1919 was hij één van de medestichters van de eerste vereniging van Kongolezen in België, L’Union Congolaise. Hij trouwde met Hermine en ze vestigden zich in de Spoormakersstraat (bij de Beurs), later in Schaarbeek, waar hij werkte als mecanicien. Hij zal er in 1929  sterven, als gevolg van zijn oorlogsverwondingen.

 

November 11, 2019 at 9:39 am 4 comments

MENSAAPJES KIJKEN

Wereldtentoonstelling Brussel 1958

Het onderstaande artikel is een uittreksel uit het essay van Gie van den Berghe : ” Wild. Exotische dieren en mensen op Belgische wereldtentoonstellingen”. Het volledig essay met alle bronverwijzingen, noten, bibliografie en vele illustraties, is te vinden op http://www.serendib.be/boeken/WILD.htm

 

Op wereldtentoonstellingen en koloniale exposities werden behalve olifanten ook veel andere ‘curiosa’ uitgestald en opgevoerd. Wilde dieren, mensen uit verre streken en ‘misvormde’ mensen (Siamese tweelingen, dwergen, mensen zonder ledematen…) werden van oudsher vertoond op foren, volksfeesten en kermissen, in circussen, freakshows, carnavalstoeten en theaters (onder meer in de Folies Bergères). In de tweede helft van de negentiende eeuw kregen de exotische dieren in de zoo het gezelschap van exotische ‘wilden’ in mensenzoo’s (Hottentotten, ‘kannibalen’, pygmeeën, Azteken…). Veel mensen zagen voor het eerst zogenaamde wilden en reageerden er verbaasd, met verstomming en racistisch op, ook in de media en de literatuur. Het ongewone oefent op mens en dier een ongeëvenaarde aantrekkingskracht uit en ook al merkt men de uiterlijke gelijkenissen op, het exotische blijft vreemd en mysterieus, bedreigend en interessant. Het aan het Latijn ontleende woord fascinatie drukt dit goed uit, het omvat aantrekkelijkheid, hekserij en betovering. De door vreemdheid geïntrigeerde en sensatiebeluste massa stroomde toe naar deze in scène gezette vertoningen van het verschil die het raciaal meerderwaardigheidsgevoel en kolonialisme sterkten of goed praatten.

In 1874 organiseerde Carl Hagenbeck vader, dierenhandelaar van beroep, in Hamburg, Berlijn en Leipzig de eerste Völkerschau (volkerenshow), bestaande uit een gezin uit Lapland. Het werd een voor herhaling vatbaar succes. Op zijn tweede ‘antropologisch-zoölogische tentoonstelling’ waren Kalmüchen te bewonderen, boeddhisten uit zuidwest Rusland. Zoon Carl Hagenbeck opende in 1909 in Hamburg een zoo, Hagenbecks Tiergarten, met een afdeling voor een permanente Völkerschau, negerdorp inbegrepen.

De eerste wereldtentoonstelling waarop ‘wilden’ werden vertoond, was die van 1867 in Parijs. Antwerpen liet zich op zijn wereldtentoonstelling van 1885 niet onbetuigd. Op die voor de arbeidersklasse beperkt toegankelijke expo kwam er op initiatief van het Antwerps Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap een koloniale sectie met een facsimile negerdorp (village congolais), bewoond door twaalf streng bewaakte Congolezen bestaande uit twee gezinnen met kinderen, die moesten poseren voor de vele foto’s die men toen al maakte. Op de expo van 1894 in Antwerpen waren er al 144 Congolese ‘inlanders’ te bezichtigen, naast muilezels, koeien en varkens. Allen werden gefotografeerd en gemeten voor wetenschappelijk onderzoek. Bezoekers wierpen ze geldstukken toe en de zwartjes mochten ze uit het water opvissen. Vijf overleefden het Belgisch klimaat en de erbarmelijke levensomstandigheden in het dorp niet.

Ook op de wereldtentoonstelling van Luik in 1905 mochten bezoekers van het Senegalees dorp in het Frans paviljoen muntstukken gooien die door Senegalezen moesten worden opgedoken. Het onterend gebruik hield nog lang stand in dierentuinen.

Ook op aparte koloniale tentoonstellingen, zoals die van 1883 in het Brusselse Leopoldpark, de Koloniale Feesten van 1909 in Antwerpen en de Exposition Coloniale Internationale van 1931 in Parijs, werden exotische mensen opgevoerd.

In 1897 was Brussel aan de beurt. Koning Leopold II wou speciale aandacht voor zijn kolonie en het koloniale luik kwam er op het koninklijk domein in Tervuren, gescheiden van de wereldtentoonstelling die doorging in het enkele jaren voordien tot stand gekomen Jubelpark. Leopold II wou de interesse van de Belgen wekken voor ‘zijn’ kolonie en, meer nog, industriëlen overtuigen om erin te investeren. Bezoekers van de Koloniale Tentoonstelling konden zich in het Koloniënpaleis vergapen aan de rijkdommen van ‘de Congo’, de weldaden van witte missionarissen en het gebrek aan beschaving van halfnaakt opgevoerde Congolezen. De 269 ‘wilden’ – mannen, vrouwen en kinderen – waren door uit België uitgestuurde artsen geselecteerd uit 600 vrijwilligers uit verschillende Congolese stammen. Onder hen 178 manschappen van de Force publique. Twee Congolezen overleefden de lange bootreis naar België niet. Overdag moesten de uitgestalde zwarten hun dagelijks leven naspelen in drie aan de Sint-Hubertusvijver in het Warandepark nagebouwde dorpen (villages nègres; twee van de Bangala’s en één van de Mayombe). Het schouwspel was volledig in scène gezet. De gegrimeerde en ‘authentiek’ uitgedoste Congolezen kregen iedere dag hetzelfde programma af te werken: prauwwedstrijden, dans en gezang, vreemde gebruiksvoorwerpen demonstreren, potten bakken, primitieve wapens en ebbenhouten beeldjes vervaardigen.

De ‘inboorlingen’ werden constant bewaakt door 178 leden van de Force publique, op hun beurt in het gareel gehouden door een contingent Belgische politielui. Omdat sommige bezoekers de Congolezen eten wilden aanreiken, plaatsten de organisatoren een bord met het verzoek ze niet te voederen.

In een afzonderlijk dorp, het village de Gyseghem (ook village civilisé genoemd) illustreerden zestig in matrozenpakjes gehulde leerlingen dat negers mits de nodige inspanningen vatbaar zijn voor enige beschaving. Ze moesten de bezoekers vergasten op zang, muziek en dans. Bijna alle Congolezen werden antropometrisch opgemeten door Belgische artsen.

De “village civilisé ” (foto Alphonse Gautier)

Zeven Congolezen, bijna allen twintigers, overleefden het Belgisch klimaat en de onherbergzame levensomstandigheden niet. Ze werden begraven in de ongewijde grond bestemd voor overspelige echtgenoten, prostituees en geesteszieken. De pers schoot wakker en er kwamen vervelende vragen in het parlement. Op 30 augustus verordende België dat de Congolezen terug moesten naar de kolonie.

De commotie rond de dood van de zeven Congolezen, het begin 20ste eeuw losbarstende internationale protest tegen de barbaarsheid, uitbuiting en gruweldaden in Congo-Vrijstaat, plus de daaruit voortvloeiende overdracht van de kolonie aan België (1908), zorgden ervoor dat er in België gedurende enkele decennia geen Congolese negerdorpen meer te bezichtigen waren.

Op Expo 58 in Brussel, de laatste Belgische wereldtentoonstelling, werd aan de voet van het Atomium een vooraanstaande plaats ingeruimd voor Belgisch Congo en Ruanda-Urundi. ‘Zeven paleizen, gelegen in een tropische tuin, belichtten het Belgische beschavingswerk in zijn Afrikaanse kolonies’. Acht hectaren groot, zelfverheerlijking lukt niet op een zakdoek. De Troubadours van Koning Boudewijn, een Congolees kinderkoor onder leiding van een missionaris, en een Congolees gezelschap van 120 dansers en muzikanten die op de Heizel en in andere grote steden optraden, kregen heel wat bijval. Het Congolese namaakdorp in de Koloniale tuin werd bevolkt door een twintigtal ‘primitieve’ Congolezen. Het contrast tussen de strohutten en de stoffige grond van een hedendaags Congodorp te midden de moderne paviljoenen werkte de tegenstelling tussen beschaving en primitiviteit in de hand, praatte kolonisatie goed. Zes decennia na de tentoonstelling in Tervuren werden Congolezen eens te meer ontmenselijkt als vee, vlees voor witte toeschouwers. Niet meteen een bewijs van beschaving of vooruitgang.

De negers, zoals ze toen nog steeds genoemd werden, ‘zaten achter een bamboeafsluiting, wat de indruk wekte dat ze gevaarlijk waren’. België schaamde zich niet voor zijn kolonialisme, het was zoals andere landen trots op zijn rol als beschavingsbrenger. In het belangrijkste paviljoen van de Congolese afdeling, dat van de katholieke missies, beriep men er zich op dat ‘al zeven van de twaalf miljoen inlanders bekeerd waren’. Koning Boudewijn bleef bij zijn bezoek aan het ‘negerdorp’ toch maar op veilige afstand. Miljoenen bezoekers vergaapten zich aan de ‘als halve wilden gepresenteerde mensen die in schamele kledij aan eenvoudige werktuigen zaten te knutselen’. ‘Net apen’, vonden sommige bezoekers en ze gooiden hen pinda’s en bananen toe, soms vergezeld van oerwoudgeluiden en dito gebaren. Anderen wilden hun witte tanden en handpalmen onderzoeken. Op 26 juni berichtte Le Soir pour les Enfants (een bijlage van de krant Le Soir) over een bezoekster die luidkeels een ‘o zo schattig’ zwartje bejubelde, de jongen wat snoep toegooide dat hij zonder opkijken teruggooide over de afsluiting. ‘Goed zo’, schreef de journalist, ‘groot gelijk. Het Congolees dorp is geen zoo’. Maar dat was het dus wel. Enkele verontwaardigde figuranten hadden het dorp al na enkele dagen verlaten. Eind juli, halverwege de expo, weigerden de meesten verder vernederd te worden, de pers nam het voor hen op en het dorp werd opgedoekt voordat de wereldtentoonstelling de deuren sloot. De hutten bleven leeg achter.

Het lijdt geen twijfel dat de houding van veel bezoekers van koloniale tentoonstellingen werd ingegeven of bevorderd door de propaganda die Leopold II (tot 1908) en de Belgische staat (van 1908 tot de dekolonisatie) voerden om Congo en het imperialisme te promoten bij de Belgische bevolking. Koloniale expo’s, musea, monumenten, herdenkingsoorden, de Koloniale Loterij (vanaf 1934), koloniale film en dito onderwijs dirigeerden de geschiedenis van Congo in functie van kolonialisme, paternalisme en machtsmisbruik, zoals ook in andere koloniale landen gebeurde. De propaganda was alomtegenwoordig.

Missiespaarpotjes, missienegertjes of kniknegertjes (dankbaar knikkend als iemand geld in de gleuf stopte) stonden in Vlaanderen tot in de jaren 1960-70 op de toog van bakkers, slagers, kruideniers en in de klas. Denk ook aan Hergé’s tweede stripalbum Tintin au Congo (1931) gemaakt om bij jonge lezertjes koloniale roepingen op te wekken. De inboorlingen erin werden voorgesteld als lui, dom en bijgelovig; de opinie van de doorsnee Belg in die tijd.

Anders dan vaak beweerd wordt, waren behoorlijk wat Belgen trots op ‘hun’ kolonie, heerste er een koloniale cultuur en een enthousiast imperialisme dat ons gevoel anders en superieur te zijn sterkte.

Epiloog

In 1997 werd in de tuin van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, op de plaats waar honderd jaar voordien de negerdorpen stonden, in opdracht van de Regie der Gebouwen, een satirisch herdenkingsmonument opgericht van de hand van Tom Frantzen (°1954). De naam van het kunstwerk, The Congo, I presume? parodieert de – vermoedelijk nooit uitgesproken – woorden van Henry Morton Stanley toen hij David Livingstone ontmoette: Dr Livingstone, I presume? De beelden in de waterpartij evoceren de tentoonstelling van 1897 waarop zowel exotische dieren als mensen werden vertoond. De leeuw en de olifant keren Leopold II de rug toe. De voeten van de drie krijgshaftig uitgebeelde Afrikaanse krijgers zijn afgehakt, een verwijzing naar de onmenselijke praktijken in Congo-Vrijstaat.

een vader staart naar de afgehakte hand en voet van zijn vijfjarig dochtertje dat te weinig rubber zou geoogst hebben .

 

 

 

 

 

October 28, 2019 at 11:17 pm 2 comments

Wie was de eerste Zwarte Afrikaan in Brussel ?

Door Lucas Catherine,

Over de geschiedenis van Zwarte Afrikanen in de Zuidelijke Nederlanden is slechts fragmentarisch gepubliceerd. Dit is dan ook op het eerste gezicht een moeilijke vraag om te beantwoorden . We moeten hiervoor terug naar de tijd toen hier nog slaven rondliepen. In den beginne kende men in Europa bijna uitsluitend blanke slaven, afkomstig uit de Kaukasus en uit Slavisch Europa. In de komst van de zwarte slaven zijn grosso modo drie perioden te onderscheiden :

De tijd van de slavernij toen het nog ging om huisbedienden en vakmensen.

De tijd van de slavenhandel die diende om de plantage-economie van het beginnende kapitalisme te bevoorraden.

De koloniale tijd.

Katharina

De eerste grote Europese handelaars in zwarte slaven waren de Portugezen, later gevolgd door Hollanders, Fransen en Britten. In het begin van de 16de eeuw introduceerden de Portugezen in Antwerpen de eerste negerslaven.Toen Albrecht Dürer in 1520-1522 door de Zuidelijke Nederlanden reisde dineerde hij op 5 augustus 1520 bij João Brandão de eerste Portugese factorijhouder in Antwerpen. Hij tekent er de zwarte slavin Katharina en een zwarte bediende. Maar Antwerpen is natuurlijk Brussel niet.

1520 blijkt een scharnierjaar te zijn als we de schilderkunst als bron nemen. Schilders hadden voor de Aanbidding door de drie Wijzen een zwarte nodig, maar wat blijkt : bij de Vlaamse Primitieven – een nogal bizarre benaming uit de 19de eeuw voor wat men beter de Brugse Vroeg-Renaissance zou noemen – bij die ‘Primitieven’ zijn de drie Wijzen wit. Kijk maar naar de versie van Diederic Bouts uit 1470

Diederik Bouts, De Drie Wijzen

Later zal de derde koning een blanke worden die men zwart heeft gemaakt. De eerste zwarte Wijze zien we bij deze Anonieme Meester (ca 1520) Hier op het titelblad van de catalogus Exotische Primitieven, Brugge 2007.

 

 Wat opvalt is de rijke kledij van deze zwarte koning (en ook van de latere). Het beeld dat we toen hadden van de Afrikanen was nog niet dat van werkbeesten. De zwarten die we kenden waren huisbedienden of vakmannen die hier ongeveer hetzelfde statuut hadden als onder de Arabieren en de moslims van het Midden-Oosten: huisbediende, bijzit, vakman. Die werden bij de dood van hun meester, en vaak vroeger, vrij gelaten en kregen het statuut van volwaardig burger. Zo vinden we in Spanje zwarte ex-slaven terug als chirurg of advokaat. Aan het hof van Henry VII in Engeland werkten zwarte muzikanten (trompetisten) en aan het Schotse hof kennen we een zwarte drummer. Die zwarten arriveerden daar uit Noord-Afrika, bij ons was dit eerder uit het Ottomaanse Rijk. De bekendste is misschien wel Hasan al Wazan, gedoopt tot Leo Africanus die in 1518 door Spanjaarden werd gevangen genomen en vanaf, alweer 1520 carrière maakte aan het Pauselijk hof.

En dat gebeurde ook in Brussel. We weten dat Keizer Karel een vrijgelaten zwarte ex-slaaf, afkomstig uit het Midden-Oosten, als lijfwacht had. De man, bekend als Christoffel De Moor was begonnen als stalmeester. Moren waren specialisten in het africhten van paarden. Na zijn vrijlating werd hij dus persoonlijke lijfwacht en in die hoedanigheid trok hij in 1520 met Keizer Karel op bedevaart naar de Zwarte Lievevrouw van Halle. Jan Mostaert schilderde hem  iets later.

Jan Mostaert: Christoffel De Moor

 

Op het portret kan je zien dat hij op zijn tulband het pelgrimsmedaillon van de Halse bedevaart draagt. De eerste Zwarte in Halle, maar daarvoor dus in Brussel. En tijdens het bewind van Keizer Karel arriveren nog Afrikanen in Brussel.

Moulay Hasan, de Bey van Tunis wordt in 1530 afgezet wegens zijn wreedaardig bewind en vlucht, dankzij de reisdienst van de Graven van Turn und Tassis naar Brussel, waar hij steun zoekt bij Keizer Karel, die trouwens daarop beslist in 1535 Tunis te gaan veroveren met een leger van ondermeer Brusselse adel en Moulay Hasan weer op de troon te helpen. Moulay Hassan logeerde in Brussel bij de Graven van Turn und Tassis en in de Brusselse refuge van de Sint-Baafsadbij van Gent, naast het Begijnhof, nu het Zaterdagplein. Hij was vergezeld van een groot gevolg, onder andere van zijn zoon Moulay Ahmad. Vader en zoon waren nogal aan de zwarte kant. Jan Vermeyen, die als grafisch verslaggever mee naar Tunis trok om de verovering in cartons voor tapijten vast te leggen, maakte ook in Brussel een portret van Moulay Ahmad.

Jan Vermeyen: Moulay Ahmad.

 Rubens zal dit portret later nog eens overdoen en Moulay Ahmad zal hem ook inspireren voor zijn latere Aanbidding der Wijzen.

Rubens: Moulay Ahmad

Maar dan ontwikkelt zich binnen het groeiend kapitalisme de plantage-economie, en ons beeld van de Afrikaan zal grondig wijzigen : geen zijden kleren, geen zwaarden, geen juwelen meer.

Dat gebeurt in Sicilië en ook op het Iberisch Schiereiland. In Spanje worden werkslaven ook ingezet in de mijnen. Tussen 1559 en 1576 sterven 125 zwarte mijnwerkers in de zilvermijnen van Guadalcanal.

De plantage-economie kent haar hoogtepunt in de Amerika’s en dat is het beeld dat we nu krijgen van zwarten: werkslaven. De grootste slavenhandelaars naar Noord-Amerika waren de Nederlanders. Zij openden de eerste slavenmarkt in Nieuw-Amsterdam (nu New York). Het West-Afrikaanse eiland dat symbool staat als vertrekpunt voor de Noord-Amerikaanse slavenhandel draagt een Hollandse naam : Gorée, Franse verbastering van Goeree. Het eiland werd namelijk genoemd naar het Zeeuwse eiland Goeree, met als connotatie : Goede Rede, Veilige ankerplaats.

De Nederlanders zullen op nog een andere manier meewerken aan de foute beeldvorming over zwarten. In navolging van de Portugezen gaan ze zwarten ook als huisbedienden gebruiken. Zie dit schilderij van Eglon van der Neer uit 1680 van een blanke dame met zwart huispersonneel.

Eglon van der Neer: Dame met huispersoneel

 Dit huispersonneel zal tot voorbeeld dienen voor de bediende van Sinterklaas, Zwarte Piet. De overeenkomsten tussen de kleding van deze zogeheten Morenpages en het Pietenpak.is opvallend. Die Zwarte Piet duikt trouwens pas in de 19de eeuw op. Als ‘uitvinder’ van Zwarte Piet geldt tegenwoordig Jan Schenkman, een onderwijzer uit Amsterdam die in 1850 zijn boek Sint Nikolaas en zijn Knecht uitbracht.

Bij ons in België zal Piet pas later doorbreken, vooral door de commercialisering van Sinterklaas die lokale heiligen zonder knecht, als Sinte Maarten kwam verdringen.

Trouwens de eerste knechten zullen bij ons niet de vorm aannemen van Moorse huisbedienden, maar van voorchristelijke natuurgeesten als Kludde en vooral de Nekkers (denk aan Nekkerspoel in Mechelen of Nekkersdal in Brussel). De Nekker huisde in moerassen en bedreigde voorbijgangers. Zij zullen als strafgeesten onze Sinterklaasen in den beginne vergezellen. Zie deze foto uit 1910, met een zwart gemaakte knecht in lompen die een zware ketting voortsleept (een attribuut van Kludde met zijn Keet). De Zwarte Pieten, zoals we die nu kennen, zullen later in Brussel opduiken in Au Bon Marché, de Priba of de Innovation, waar ik ze indertijd te zien kreeg.

SinterNekker.

Met dank aan Jean-Pierre Laus van Dekoloniseer Halle die mij attent maakte op het boek Revealing the African Presence in Renaissance Europe (The Walters Art Museum, Baltimore, 2013)

August 22, 2019 at 10:51 am 2 comments

De Kongolese Olifant, een verhaal met prentjes maar niet van Côte d’Or

De eerste olifant die ik zag was niet in de Zoo van Antwerpen, maar in Tervuren. Eigenlijk waren het er twee: de bijna echte, want opgezette die binnen stond en buiten, de grote stenen met drie Kongolezen erop. Daarna verzamelde ik allerlei prentjes, chromo’s van chocolade Jacques, van Artis, van Côte d’Or. Toen was de olifant in. En al een tijdje. Die stenen olifant was een overblijfsel van de de koloniale tentoonstelling in Antwerpen (1930). Toen heeft dezelfde beeldhouwer trouwens een hele brug naar het Kiel met olifanten gedecoreerd.

Van waar die Belgische liefde voor de Olifant? Of beter, wat had Leopold II, de man die ons Kongo en zijn olifanten ‘schonk’, met dat beest?

Vanaf 1877 organiseerde Leopold II vijf expedities naar wat later Kongo werd, en dit vanuit Zanzibar. Vergeet even Stanley, want hij was er niet bij betrokken. De leiders waren allen Belgische militairen in dienst van Leopolds Association Internationale Africaine.

Normaal liet je, zoals Stanley deed, zo’n expeditie praktisch organiseren door Zanzibari handelaars, die daar al decennia ervaring mee hadden. Maar dat kostte geld. Vooral dragers waren duur. Jawel, vergeet de koloniale mythe dat die dragers slaven waren. Slaven waren koopwaar, net als ivoor, maar geen dragers. Heel het traject tussen Zanzibar en het Tanganikameer werd beheerst door de WaNyamwezi – nu nog altijd de grootste volksgroep in Tanzania. Die mannen hadden een soort closed-shopsysteem ontwikkeld: alleen zij mochten drager spelen, en ze moesten betaald worden, met balen textiel of met geld. Alle mannen deden eraan mee, zelfs de zonen van de chefs. Niemand van de jonge Nyamwezi mannen mocht trouwen voor hij als drager de oceaan had gezien.

.

Wanyamwezi maken hun lading klaar

Zo’n karavaan was een prachtig zicht: voorop de kirongozi, de gids met een hoed van apevel waarop allerhande veren, de staart van een leeuw rond het middel en over de schouders een groot, rood stuk stof wapperend in de bries  – rood was de kleur van de Zanzibari sultan onder wiens soevereiniteit de karavanen marcheerden. Dan kwam het orkest met kleine trommels  en korte trompetten uit antiloophoorn. Zij kondigden bij het naderen van een dorp de komst van de karavaan aan. Achter hen volgde de lange lijn pazazi, de dragers. Het waren fiere jongens en ze liepen er in allesbehalve werkkledij bij. Op hun hoofd droegen ze een hoed van zebramanen en pluimen van struisvogels en kranen. Aan hun armen rinkelden ivoren armbanden en rond hun hals zaten kralen en koperen bangles. Ze droegen ook handwapens. Meestal zongen ze geïmproviseerde liedjes over wat er op de tocht zoal was gebeurd. Verder droegen ze voetbelletjes. Aan de punten van de olifiantstanden hingen koebellen. Dan volgden de vrouwen en kinderen en de manga, de ziener-medicijnman, het lijf behangen met amuletten. Zijn mening over het meest gunstige vertrekuur en de minst gevaarlijke weg werd dagelijks gevraagd. Als laatste kwam de kafila bashi met de askari-soldaten. Hij was de leider van de karavaan en de soldaten keken er op toe of geen drager achterop raakte of er met zijn lading van door ging.

(Deze beschrijving is van Jerome Becker, die Karema bestuurde, de eerste Belgische kolonie in Afrika, aan de oever van het Tanganika-meer)

Veel volk, dus en dat moest allemaal betaald worden. Te duur vond Leopold. Toen zijn eerste expeditie in 1877 vanuit Zanzibar vertrok probeerde men veel van dat volk te vervangen door ossenkarren. Dat lukte niet, volkomen onaangepast aan het terrein.

In 1865 had Leopold door India getourd en had daar gedresseerde olifanten bewonderd. Dat moest ook in Afrika kunnen. Hij contacteerde zijn Britse partner MacKinnon en die bezorgde hem vier afgerichte olifanten. Ze arriveerden met een Indische dhow, de Chinsura voor de kust van Oost-Afrika en werden daar opgewacht door zijn tweede expeditie, geleid door Popelin. De olifanten waren vergezeld van hun  vaste begeleiders,  hun kornaks. De dhows probeerden aan te meren in de baai van Msasani (nu Dar es Salaam), maar dit lukte niet want de mangroves en andere planten groeiden tot in zee. De dhows kwamen langs, zo dicht als de peilingen het toelieten en dan hesen de kornaks de olifanten eerst aan dek met een takel die ze aan de fokkemast hadden geïnstalleerd; daarna werden ze over de reling richting strand gedraaid.

Ze hadden de olifanten in een soort harnas verpakt van dekens en koorden die onder hun buiken doorliepen. De kornaks hingen er ook aan. De dieren passeerden hoog boven de reling en werden dan dankzij de fokkemast op een tiental meter van de romp in zee gedropt. Op het moment dat ze de zeespiegel raakten, hakten de kornaks die zich aan de olifantsflanken vastklampten, de koorden door, zodat het harnas zonk. De dieren reageerden niet: wekenlang hadden ze in het ruim opgesloten gezeten en wisten niet wat hen overkwam. Ze bleven ter plaatse drijven. De kornaks gebruikten hun prikspieren om ze aan te porren, niks hielp. Maar toen ze het groen op de oever in de snuit kregen, staken ze hun slurf op en zwommen luid trompettend met ruim kielzog naar de wal. Ze draafden op het verse groen af en de bevolking stond er perplex op toe te kijken, slaakte kreten van bewondering. Nijlpaarden hadden ze al in zee zien baden, maar olifanten? Waar hadden die Belgen het!

Het waren twee mannetjes: Sundergrund en Naderbux en twee vrouwtjes: Sosankali en Pulmalla. Ze waren begeleid door dertien kornaks. Die kornaks waren belangrijke gasten. Ook dat was in India een soort closed-shop-systeem. Een beroep van vader op zoon waarmee veel geld was te verdienen. Ze waren dan ook gekleed als rajahs: hun kledij was van zuivere zijde in flamboyante kleuren, en ze droegen allerlei juwelen.

De bedoeling was om de kornaks en de olifanten in te zetten bij het domestikeren van Kongolese olifanten. En toen zag men het nog groot. De kolonalie propaganda heeft het over een project om in één jacht dertig of meer lokale olifanten gevangen te nemen en af te richten. Het zou anders uitdraaien.

Vanuit Dar es Salaam vertrok de karavaan onder leiding van Popelin met de olifanten, de kornaks, acht askari-soldaten en eenenzeventig dragers richting Karema, aan het Tanganikameer. Die dragers kwamen van pas, want halfweg in Tabora bleef er nog één olifant over. Het was het wijfje Pumalla waarmee Popelin triomfantelijk de stad introk. De olifanten verdroegen het klimaat niet.  De dragers hadden het moeten overnemen, maar ze stonden sterk want ze hadden al het vlees van de dode olifanten opgegeten.

Pumalla, haalde wel Tabora. Maar van kweken kwam niets in huis. Ook zij stierf. De karavaanroute vanuit Zanzibar naar Kongo bleek te duur, daarom werd daarna vooral de route langs de Kongorivier gevolgd die Stanley had geëxploreerd, maar ook anderen, zoals de gebroeders Van de Velde uit Gent, naar wie de eerste hoofdstad van de Kongo Vrijstaat, Vivi werd genoemd. Vivi is geen bantoe woord maar verwijst naar de V’s in hun naam, die indruk maakten op de lokale bevolking.Leopold zou het africhten van olifanten niet opgeven. Hij wou in de geschiedenisboeken komen als de eerste man na Hannibal die Afrikaanse olifanten dresseerde en gebruikte om zijn doel te bereiken.

In 1900 gaf hij commandant Laplume opdracht olifanten te vangen en hun africhting aan te vatten. De olifantenfarm lag in het verre noordoosten, in Gangala na Bodio.  Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ze hadden niet de eeuwenlange ervaring van de Indische kornaks, en Afrikaanse olifanten waren blijkbaar moeilijker te vangen. Ze probeerden het vooral door kuddes op de vlucht te jagen en dan een achtergebleven jong te strikken. Vijf jaar later hadden ze er 55 bijeen. Dat was ongeveer iets meer dan men twintig jaar eerder had gedacht te vangen bij één jacht.

 .

In de jaren 1942-1944 bedroeg het aantal olifanten onder staatscontrole 70. in 1944 werden 25 jonge olifanten gevangen, in 1945 waren er dat 40 en begin 1946 ongeveer 29. Echt vooruitgang zat er dus niet in. Maar de olifant had ondertussen in België een grote status gekregen als symbool voor Kongo. Je vond olifanten zowat overal afgebeeld, en niet alleen op chromo’s bij de chocolade. Ik had het al over de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Het grootste olifantenbeeld dat er stond is bewaard. Het staat nu voor het Africamuseum in Tervuren. In Geraardsbergen is het monument voor de Kongoveteranen (1948) een olifant.

Geraardsbergen

 

En die cultus van de olifant begon vroeg, en natuurlijk eerst bij de artiesten. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1897 was in Tervuren een hele zaal gewijd aan chryselephantine sculpturen. Chryselephantine gaat terug op de Grieken die sculpturen maakten bestaande uit goud (chrys) en ivoor. Nu moest dit de kolonisatie artistiek verdedigen dankzij het ivoor van de Kongolese olifant. Het bekendste werk is misschien wel dit van Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie. Het werd door Leopold II geschonken aan Van Eetvelde, de eerste goeverneur van de Kongo Vrijstaat.

Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie.

En de olifant? Hij staat nog altijd in Tervuren, in Geraardsbergen, op de reclames van Côte d’Or, en life in de Zoo van Antwerpen.

Lucas Catherine

Historicus met een olifantengeheugen

July 26, 2019 at 3:54 pm 3 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,653 other followers