Posts filed under ‘België’

ALLEMAN MOO LEIVE, WIT EN ZWET. KARABOUGIA !

 Door Lucas Catherine

Op 11 november  worden de oudstrijders uit WO I herdacht. Dit is het verhaal van één van de Kongolezen die vochten aan de Ijzer: Simon Lisasi, alias Johny, de man die de Karabougia uitvond.

Herdenking van de Kongolese oudstrijders in Schaarbeek

Nadat België officieel Kongo van Leopold II had overgenomen waren de Kongolezen niet langer onderdaan van de Kongo Vrijstaat maar werden ze Belgisch onderdaan. Vanaf 1909-1910 arriveerden dan ook enkele tientallen Kongolezen in Brussel. Het waren ex-matrozen die gediend hadden op Kongoboten, boys die tijdens de vakantie van de koloniale familie waarvoor ze werkten waren gaan lopen, of ontslagen waren. Ze vestigden zich vooral in de wijk rond de Beurs en op de Vlaamse Steenweg.

Op het nummer 14 van die steenweg, op zo’n vijf huizen van de Kathelijnemarkt ontstond zelfs een soort opvangs- of doorgangs huis. Officieel woonden er François Usekebambola en Antoine Boïmbo, maar er passeerden tientallen Kongolezen die er een tijdje hun intrek namen. Eén van de Kongolezen die er verbleven was Simon Lisasi, bijgenaamd Jo(h)ny. Hij raakte verliefd op een Brussellès, Hermine Van Welde en ze wilden trouwen. Maar dit kon niet want zijn papieren waren niet in orde.

Hij leerde er ook bakker Vos kennen die iets verder op de Vlaamse steenweg woonde, op nr 146. Die fabriceerde guimauves (schuimpjes in het Nederlands) en ook wat men in het Brussels maskesvlies of nonnenbillen noemt. Simon bracht hem op het idee om de brokjes die achterbleven te hergebruiken door ze samen tot een harde, zwarte suikerplaat te bakken die gearomatiseerd werd met anijs. Die werd daarna met een hamer in brokjes geslagen. Het kreeg een swahili-naam karabougia (van kara : brok en bugia : snoep).

Karabougia

Eerst werd het verkocht op de nabijgelegen Kathelijnemarkt. Simon, zeg maar Johny, deed dat heel spectaculair. In de zomer met enkel een strooien rokje en een halsketting van schelpen en hij danste en hij prees zijn waar niet alleen in het Frans aan, maar ook in het Brussels, geleerd van zijn Hermine : Karabougia, Karabougia ! Bolle vi de valling ! Bolle vi den oest. Alleman moo leive, wit en zwet. Karabougia !

Als het kouder werd stak hij zich in kostuum en droeg een bolhoed. Een marktkramer moet opvallen. Hij werkte voor zijn brood ook als mecanicien. Lisasi kreeg veel navolging en na een tijdje werkten er tientallen Kongolese karabougiaverkopers voor Simon Lisasi in opdracht van bakker Vos.

Karabougiaverkoper

Het werd een erg populaire zoetigheid die in Brusselse cafés zal worden verkocht tot in de jaren zestig. Dat iedereen het kende mag ook blijken uit het Kuifjesalbum De Krab met de Gulden Scharen, daarin speelt de boot van kapitein Haddock een hoofdrol en die boot heet, jawel, Karaboudjan. Het werd trouwens ook door Kongolezen verkocht op de markten van de dorpen en de streek rond Brussel.

Toen de oorlog uitbrak werd Simon Lisasi, net als 32 andere Kongolezen oorlogsvrijwilliger. Hij diende ondermeer in het 9de Linie waarmee hij vocht rond Nieuwpoort . Hij vocht ook bij Lombardzijde waar hij gewond raakte en in het militair hospitaal belandde. Daarna werd hij doorverwezen naar het hospitaal in Calais. Het bleek dat zijn longen aangetast waren door de Duitse gasaanvallen.

Gifgasaanval

Na de oorlog keerde hij naar Brussel terug maar zijn oud appartement was nu door anderen bewoond en al zijn bezittingen waren verdwenen. In 1919 was hij één van de medestichters van de eerste vereniging van Kongolezen in België, L’Union Congolaise. Hij trouwde met Hermine en ze vestigden zich in de Spoormakersstraat (bij de Beurs), later in Schaarbeek, waar hij werkte als mecanicien. Hij zal er in 1929  sterven, als gevolg van zijn oorlogsverwondingen.

 

November 11, 2019 at 9:39 am 4 comments

MENSAAPJES KIJKEN

Wereldtentoonstelling Brussel 1958

Het onderstaande artikel is een uittreksel uit het essay van Gie van den Berghe : ” Wild. Exotische dieren en mensen op Belgische wereldtentoonstellingen”. Het volledig essay met alle bronverwijzingen, noten, bibliografie en vele illustraties, is te vinden op http://www.serendib.be/boeken/WILD.htm

 

Op wereldtentoonstellingen en koloniale exposities werden behalve olifanten ook veel andere ‘curiosa’ uitgestald en opgevoerd. Wilde dieren, mensen uit verre streken en ‘misvormde’ mensen (Siamese tweelingen, dwergen, mensen zonder ledematen…) werden van oudsher vertoond op foren, volksfeesten en kermissen, in circussen, freakshows, carnavalstoeten en theaters (onder meer in de Folies Bergères). In de tweede helft van de negentiende eeuw kregen de exotische dieren in de zoo het gezelschap van exotische ‘wilden’ in mensenzoo’s (Hottentotten, ‘kannibalen’, pygmeeën, Azteken…). Veel mensen zagen voor het eerst zogenaamde wilden en reageerden er verbaasd, met verstomming en racistisch op, ook in de media en de literatuur. Het ongewone oefent op mens en dier een ongeëvenaarde aantrekkingskracht uit en ook al merkt men de uiterlijke gelijkenissen op, het exotische blijft vreemd en mysterieus, bedreigend en interessant. Het aan het Latijn ontleende woord fascinatie drukt dit goed uit, het omvat aantrekkelijkheid, hekserij en betovering. De door vreemdheid geïntrigeerde en sensatiebeluste massa stroomde toe naar deze in scène gezette vertoningen van het verschil die het raciaal meerderwaardigheidsgevoel en kolonialisme sterkten of goed praatten.

In 1874 organiseerde Carl Hagenbeck vader, dierenhandelaar van beroep, in Hamburg, Berlijn en Leipzig de eerste Völkerschau (volkerenshow), bestaande uit een gezin uit Lapland. Het werd een voor herhaling vatbaar succes. Op zijn tweede ‘antropologisch-zoölogische tentoonstelling’ waren Kalmüchen te bewonderen, boeddhisten uit zuidwest Rusland. Zoon Carl Hagenbeck opende in 1909 in Hamburg een zoo, Hagenbecks Tiergarten, met een afdeling voor een permanente Völkerschau, negerdorp inbegrepen.

De eerste wereldtentoonstelling waarop ‘wilden’ werden vertoond, was die van 1867 in Parijs. Antwerpen liet zich op zijn wereldtentoonstelling van 1885 niet onbetuigd. Op die voor de arbeidersklasse beperkt toegankelijke expo kwam er op initiatief van het Antwerps Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap een koloniale sectie met een facsimile negerdorp (village congolais), bewoond door twaalf streng bewaakte Congolezen bestaande uit twee gezinnen met kinderen, die moesten poseren voor de vele foto’s die men toen al maakte. Op de expo van 1894 in Antwerpen waren er al 144 Congolese ‘inlanders’ te bezichtigen, naast muilezels, koeien en varkens. Allen werden gefotografeerd en gemeten voor wetenschappelijk onderzoek. Bezoekers wierpen ze geldstukken toe en de zwartjes mochten ze uit het water opvissen. Vijf overleefden het Belgisch klimaat en de erbarmelijke levensomstandigheden in het dorp niet.

Ook op de wereldtentoonstelling van Luik in 1905 mochten bezoekers van het Senegalees dorp in het Frans paviljoen muntstukken gooien die door Senegalezen moesten worden opgedoken. Het onterend gebruik hield nog lang stand in dierentuinen.

Ook op aparte koloniale tentoonstellingen, zoals die van 1883 in het Brusselse Leopoldpark, de Koloniale Feesten van 1909 in Antwerpen en de Exposition Coloniale Internationale van 1931 in Parijs, werden exotische mensen opgevoerd.

In 1897 was Brussel aan de beurt. Koning Leopold II wou speciale aandacht voor zijn kolonie en het koloniale luik kwam er op het koninklijk domein in Tervuren, gescheiden van de wereldtentoonstelling die doorging in het enkele jaren voordien tot stand gekomen Jubelpark. Leopold II wou de interesse van de Belgen wekken voor ‘zijn’ kolonie en, meer nog, industriëlen overtuigen om erin te investeren. Bezoekers van de Koloniale Tentoonstelling konden zich in het Koloniënpaleis vergapen aan de rijkdommen van ‘de Congo’, de weldaden van witte missionarissen en het gebrek aan beschaving van halfnaakt opgevoerde Congolezen. De 269 ‘wilden’ – mannen, vrouwen en kinderen – waren door uit België uitgestuurde artsen geselecteerd uit 600 vrijwilligers uit verschillende Congolese stammen. Onder hen 178 manschappen van de Force publique. Twee Congolezen overleefden de lange bootreis naar België niet. Overdag moesten de uitgestalde zwarten hun dagelijks leven naspelen in drie aan de Sint-Hubertusvijver in het Warandepark nagebouwde dorpen (villages nègres; twee van de Bangala’s en één van de Mayombe). Het schouwspel was volledig in scène gezet. De gegrimeerde en ‘authentiek’ uitgedoste Congolezen kregen iedere dag hetzelfde programma af te werken: prauwwedstrijden, dans en gezang, vreemde gebruiksvoorwerpen demonstreren, potten bakken, primitieve wapens en ebbenhouten beeldjes vervaardigen.

De ‘inboorlingen’ werden constant bewaakt door 178 leden van de Force publique, op hun beurt in het gareel gehouden door een contingent Belgische politielui. Omdat sommige bezoekers de Congolezen eten wilden aanreiken, plaatsten de organisatoren een bord met het verzoek ze niet te voederen.

In een afzonderlijk dorp, het village de Gyseghem (ook village civilisé genoemd) illustreerden zestig in matrozenpakjes gehulde leerlingen dat negers mits de nodige inspanningen vatbaar zijn voor enige beschaving. Ze moesten de bezoekers vergasten op zang, muziek en dans. Bijna alle Congolezen werden antropometrisch opgemeten door Belgische artsen.

De “village civilisé ” (foto Alphonse Gautier)

Zeven Congolezen, bijna allen twintigers, overleefden het Belgisch klimaat en de onherbergzame levensomstandigheden niet. Ze werden begraven in de ongewijde grond bestemd voor overspelige echtgenoten, prostituees en geesteszieken. De pers schoot wakker en er kwamen vervelende vragen in het parlement. Op 30 augustus verordende België dat de Congolezen terug moesten naar de kolonie.

De commotie rond de dood van de zeven Congolezen, het begin 20ste eeuw losbarstende internationale protest tegen de barbaarsheid, uitbuiting en gruweldaden in Congo-Vrijstaat, plus de daaruit voortvloeiende overdracht van de kolonie aan België (1908), zorgden ervoor dat er in België gedurende enkele decennia geen Congolese negerdorpen meer te bezichtigen waren.

Op Expo 58 in Brussel, de laatste Belgische wereldtentoonstelling, werd aan de voet van het Atomium een vooraanstaande plaats ingeruimd voor Belgisch Congo en Ruanda-Urundi. ‘Zeven paleizen, gelegen in een tropische tuin, belichtten het Belgische beschavingswerk in zijn Afrikaanse kolonies’. Acht hectaren groot, zelfverheerlijking lukt niet op een zakdoek. De Troubadours van Koning Boudewijn, een Congolees kinderkoor onder leiding van een missionaris, en een Congolees gezelschap van 120 dansers en muzikanten die op de Heizel en in andere grote steden optraden, kregen heel wat bijval. Het Congolese namaakdorp in de Koloniale tuin werd bevolkt door een twintigtal ‘primitieve’ Congolezen. Het contrast tussen de strohutten en de stoffige grond van een hedendaags Congodorp te midden de moderne paviljoenen werkte de tegenstelling tussen beschaving en primitiviteit in de hand, praatte kolonisatie goed. Zes decennia na de tentoonstelling in Tervuren werden Congolezen eens te meer ontmenselijkt als vee, vlees voor witte toeschouwers. Niet meteen een bewijs van beschaving of vooruitgang.

De negers, zoals ze toen nog steeds genoemd werden, ‘zaten achter een bamboeafsluiting, wat de indruk wekte dat ze gevaarlijk waren’. België schaamde zich niet voor zijn kolonialisme, het was zoals andere landen trots op zijn rol als beschavingsbrenger. In het belangrijkste paviljoen van de Congolese afdeling, dat van de katholieke missies, beriep men er zich op dat ‘al zeven van de twaalf miljoen inlanders bekeerd waren’. Koning Boudewijn bleef bij zijn bezoek aan het ‘negerdorp’ toch maar op veilige afstand. Miljoenen bezoekers vergaapten zich aan de ‘als halve wilden gepresenteerde mensen die in schamele kledij aan eenvoudige werktuigen zaten te knutselen’. ‘Net apen’, vonden sommige bezoekers en ze gooiden hen pinda’s en bananen toe, soms vergezeld van oerwoudgeluiden en dito gebaren. Anderen wilden hun witte tanden en handpalmen onderzoeken. Op 26 juni berichtte Le Soir pour les Enfants (een bijlage van de krant Le Soir) over een bezoekster die luidkeels een ‘o zo schattig’ zwartje bejubelde, de jongen wat snoep toegooide dat hij zonder opkijken teruggooide over de afsluiting. ‘Goed zo’, schreef de journalist, ‘groot gelijk. Het Congolees dorp is geen zoo’. Maar dat was het dus wel. Enkele verontwaardigde figuranten hadden het dorp al na enkele dagen verlaten. Eind juli, halverwege de expo, weigerden de meesten verder vernederd te worden, de pers nam het voor hen op en het dorp werd opgedoekt voordat de wereldtentoonstelling de deuren sloot. De hutten bleven leeg achter.

Het lijdt geen twijfel dat de houding van veel bezoekers van koloniale tentoonstellingen werd ingegeven of bevorderd door de propaganda die Leopold II (tot 1908) en de Belgische staat (van 1908 tot de dekolonisatie) voerden om Congo en het imperialisme te promoten bij de Belgische bevolking. Koloniale expo’s, musea, monumenten, herdenkingsoorden, de Koloniale Loterij (vanaf 1934), koloniale film en dito onderwijs dirigeerden de geschiedenis van Congo in functie van kolonialisme, paternalisme en machtsmisbruik, zoals ook in andere koloniale landen gebeurde. De propaganda was alomtegenwoordig.

Missiespaarpotjes, missienegertjes of kniknegertjes (dankbaar knikkend als iemand geld in de gleuf stopte) stonden in Vlaanderen tot in de jaren 1960-70 op de toog van bakkers, slagers, kruideniers en in de klas. Denk ook aan Hergé’s tweede stripalbum Tintin au Congo (1931) gemaakt om bij jonge lezertjes koloniale roepingen op te wekken. De inboorlingen erin werden voorgesteld als lui, dom en bijgelovig; de opinie van de doorsnee Belg in die tijd.

Anders dan vaak beweerd wordt, waren behoorlijk wat Belgen trots op ‘hun’ kolonie, heerste er een koloniale cultuur en een enthousiast imperialisme dat ons gevoel anders en superieur te zijn sterkte.

Epiloog

In 1997 werd in de tuin van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, op de plaats waar honderd jaar voordien de negerdorpen stonden, in opdracht van de Regie der Gebouwen, een satirisch herdenkingsmonument opgericht van de hand van Tom Frantzen (°1954). De naam van het kunstwerk, The Congo, I presume? parodieert de – vermoedelijk nooit uitgesproken – woorden van Henry Morton Stanley toen hij David Livingstone ontmoette: Dr Livingstone, I presume? De beelden in de waterpartij evoceren de tentoonstelling van 1897 waarop zowel exotische dieren als mensen werden vertoond. De leeuw en de olifant keren Leopold II de rug toe. De voeten van de drie krijgshaftig uitgebeelde Afrikaanse krijgers zijn afgehakt, een verwijzing naar de onmenselijke praktijken in Congo-Vrijstaat.

een vader staart naar de afgehakte hand en voet van zijn vijfjarig dochtertje dat te weinig rubber zou geoogst hebben .

 

 

 

 

 

October 28, 2019 at 11:17 pm 2 comments

Waarom N-VA zo vijandig staat tegenover de klimaatbeweging

Door Jan De Zuttter
Kersvers minister voor Onderwijs, Ben Weyts (N-VA), gaat strenger optreden tegen klimaatspijbelaars. Tegen alle spijbelaars, maar tegen klimaatspijbelaars een beetje meer. Want spijbelen is als door een rood licht rijden; dat mag niet. Mocht dit een geïsoleerde uitspraak zijn van een overspannen excellentie, we zouden wellicht onze schouders ophalen. Dat is het helaas niet, het past in een zorgwekkende evolutie waarin klimaatbeleid in het vizier is gekomen van rechts-populisten en nationalisten die er een electoraal wingewest in zien.

HET PRIMAAT VAN DE PATRIARCH

Voor de goede orde, N-VA behoort niet tot de Europese hard core populisten; Cas Mudde noemt ze eerder een burgerlijk conservatieve partij die zo nu en dan ‘in het populistisch verweer gaat’. De uitspraak van Ben Weyts zou je als populistisch verweer kunnen beschouwen. Ze appelleert aan het conservatieve waardenkader van burgers die opgevoed werden in wat George Lakoff het ‘strikte vadermodel’ noemt, waarbij vader de regels bepaalt, absolute autoriteit heeft en kinderen die de regels overtreden, gestraft worden. Kinderen horen achter de schoolbanken te zitten en als ze dat niet doen – wat ook de reden is – moeten ze gestraft worden.

Dat waardenkader heeft het bijzonder moeilijk met pluralisme dat het gezag uitdaagt. Dat verklaart onder meer ook de voortdurende roep in N-VA-middens om het primaat van de politiek te herstellen, in Lakoffs woorden: het primaat van de patriarch. Dat is minder onschuldig dan het lijkt. De afgelopen jaren verschenen er talrijke rapporten van middenveldorganisaties en zelfs van het EU Agentschap voor Fundamentele Rechten om het zogenaamde fenomeen van de shrinking space aan te klagen, het doelbewust inkrimpen van de bewegingsruimte van het burgerlijk middenveld. Het gebeurt op evidente wijze in landen als Hongarije en Polen, maar net zo goed – zij het iets voorzichtiger – in Vlaanderen, waar N-VA de aanval heeft ingezet op de middenveldorganisaties. Youth for Climate is zo’n jonge middenveldorganisatie en de waarschuwing van Weyts dat hij zal ingrijpen als ze op het ‘foute moment’ op straat komen, moet wel degelijk gezien worden in het kader van het shrinking space-fenomeen.

 

George Lakoff Foto: By Mikethelinguist – Own work, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=52124483

Tot nader orde behoort het recht om betogingen en optochten te organiseren nog steeds tot de essentie van een pluralistische democratie, een recht dat verankerd is in het Charter van de Fundamentele Rechten van de EU. Dat recht kan worden beperkt, maar enkel omwille van zeer ernstige redenen zoals de bedreiging van de openbare orde, terrorisme of het risico van witwaspraktijken.

Er zijn nog mogelijkheden om de klimaatspijbelacties te laten ophouden: door een rechtvaardig klimaatbeleid te voeren, één dat de terechte zorgen wegneemt van de grote groep mensen die vrezen dat zij zullen opdraaien voor een crisis die ze niet zelf veroorzaakt hebben. Het Vlaamse regeerakkoord stemt helaas tot pessimisme. Maar dat was misschien de bedoeling. Met klimaatscepticisme zijn immers stemmen te rapen.

STEMMEN RAPEN MET KLIMAATSCEPTICISME

De klimaatcrisis is de afgelopen jaren gestaag opgepikt door rechts-populistische en nationalistische groepen en partijen die er een punt van hebben gemaakt om zich actief te verzetten tegen klimaatactie. Ze doen dat uiteraard omdat ze beseffen dat daar stemmen mee te rapen zijn. Toch blijft het een merkwaardig fenomeen omdat rechts-populisten hun electorale basis hebben uitgebouwd door zich te focussen op migratie of minderheden.

In 2019 veroverden rechts-populistische partijen bijna een kwart van de zetels in het Europees Parlement. Een recent onderzoek van de onafhankelijke denktank Adelphi toont aan dat in het verleden deze partijen – 21 zijn het er ondertussen al – systematisch tégen Europese maatregelen stemden om de klimaatcrisis onder controle te krijgen. De helft van alle stemmen tégen resoluties van het Europees Parlement over klimaat en energie komen van rechts-populistische partijen.

Maar waarom is klimaat plots een hot issue geworden voor rechts-populisten en nationalisten? Dat is immers niet altijd zo geweest aan de rechterzijde van het politieke spectrum. Eén van de eerste krachtige stemmen om maatregelen te nemen tegen klimaatverandering was Margaret Thatcher die in 1989 voor de Algemene Vergadering van de VN stelde dat ‘klimaatverandering ons allemaal treft en dat actie enkel effectief kan zijn als het op internationaal niveau wordt ondernomen.’ Zelfs Donald Trump, die we niet kunnen verdenken van enige sympathie voor de klimaatbeweging, was in 2009 in de aanloop naar de klimaatconferentie van Kopenhagen medeondertekenaar van een open brief van Amerikaanse bedrijfsleiders, gericht aan Barach Obama om dringend ingrijpende klimaatmaatregelen te nemen. ‘Als we niet meteen optreden, is het wetenschappelijk onweerlegbaar dat er catastrofale en onomkeerbare gevolgen zijn voor de mensheid en de planeet,’ vond Trump toen. Maar tijdens zijn presidentiële campagne keerde Trump zijn kar en ging hij voluit voor het klimaatsceptische discours. Hij noemde klimaatverandering zelfs een verzinsel van de Chinezen. In 2017 liet hij de VS uit de Klimaatakkoorden van Parijs stappen.

WAAROM ZIJN RECHTS-POPULISTEN VAAK OOK KLIMAATSCEPTICI?

Er is te weinig onderzoek gedaan naar de verbanden tussen rechts-populisme en nationalisme enerzijds en het politieke klimaatscepticisme anderzijds om precies te kunnen verklaren waarom deze partijen zich zo actief inzetten tégen de klimaatzaak. Er zijn uiteraard al wel enkele verklaringen geformuleerd, onder meer in een publicatie uit 2018 van de Universiteit van Sussex in het magazine Environmental Politics. Die schuift twee verklaringen naar voor. De ‘structuralistische verklaring’ zoekt de oorzaak in de economische achterstelling en marginalisering van de zogenaamde slachtoffers van de globalisering, van ‘those who are left behind’. Een tweede verklaring is eerder cultureel-ideologisch van aard en bouwt verder op de tegenstelling tussen ‘het volk’ en de ‘kosmopolitische elite’, waarbij klimaatactie gezien wordt als een wereldwijd complot van die elite tégen het volk.

Volgens de onderzoekers vertoont de structuralistische verklaring nogal wat mankementen, omdat de groep mensen die rechtstreeks getroffen wordt door de uitstap uit de koolstofintensieve economie relatief klein is. De mijnwerkers uit de steenkoolindustrie, die vaak worden aangehaald als slachtoffers van klimaatactie, maken slechts 0,5% uit van de totale tewerkstelling in landen als Polen en Australië die nog sterk op steenkool aangewezen zijn en zelfs minder in de VS. Belangrijker allicht is de vrees van grote groepen mensen dat ze opgezadeld zullen worden met allerlei extra kosten om de klimaatcrisis de baas te kunnen. Dat is vooral het geval in gebieden waar de oude industrieën verdwenen zijn en de voormalige arbeiders niet hebben kunnen meeprofiteren van de nieuwe geglobaliseerde wereldeconomie. Maar zelfs dat is geen voldoende verklaring, want het electoraat van populistische partijen behoort niet noodzakelijk en niet overal tot de laagste inkomenscategorie.

Vandaar dat de cultureel-ideologische dynamiek mogelijk meer zoden aan de dijk zet. Die schuift het klassieke culturele discours van het populisme naar voor, namelijk de tegenstelling tussen ‘het volk’ en de ‘kosmopolitische elite’. Daar komt uiteraard een pak complotdenken aan te pas. Want er moet een aannemelijke verklaring bestaan waarom die ‘kosmopolitische elite’ een ‘onbestaande’ klimaatcatastrofe zou willen verzinnen.

Bij ons verduidelijkte N-VA, bij monde van oud-minister Johan Van Overtveldt in een opiniestuk van 27 januari 2019 in De Tijd, waarom dat wereldwijde complot bestaat. Een complot waaraan blijkbaar ook 97% van alle klimaatwetenschappers actief deelnemen: ‘De indruk dat hier een andere en bredere agenda speelt, tekent zich elke dag wat duidelijker af.’ Die agenda is volgens Van Overtveldt niet meer of minder dan de omverwerping van het kapitalisme. Dat complotdenken sloop zelfs bij de CD&V binnen toen voormalig minister voor Milieu, Joke Schauvliege, beweerde dat de acties van de klimaatjongeren helemaal niet spontaan waren. Dat had ze van de staatsveiligheid vernomen. Het was fake news, maar het wees er wel op hoe het populistische discours zich zelfs meester maakt van traditionele partijen.

De link naar Big Governement, Deep State of wereldvreemde technocraten van de EU is dan snel gemaakt. Klimaatbeleid komt zo terecht in het zog van identitaire politiek, van het Euroscepticisme dat rechts-populisten en nationalisten uitdragen en van de bedreiging van de volkseigenheid en de etnische identiteit door ‘superstaten’. Dat precies Europa aan de kar trekt van het klimaatbeleid is meteen het keiharde bewijs voor die these. Dezelfde Unie die de ‘islamisering van het Westen’ voorbereidt, of die de ‘grenzen wagenwijd openzet’, wil ook uw biefstuk afpakken en u op een dieet van bonen en sla zetten. Als je die Eurocraten hun gang laat gaan, wordt dat wellicht wormstekige bio-sla.

Dat de leiders van de klimaatbetogingen jongeren zijn – die horen hun mond te houden – van het vrouwelijk geslacht én er ‘rare’ gedragingen op na houden – ze hebben autisme of zijn genderfluïde – is extra koren op de molen. Alles wringt met het oude wereldbeeld van een door traditionele mannen gedomineerde samenleving.

KLIMAAT ALS ONDERDEEL VAN CULTUUROORLOGEN

Klimaatbeleid is op die manier een onderdeel geworden van de zogenaamde culture wars, schrijft Andrew Hoffman in How Culture Shapes the Climate Change Debate. Er is immers een overweldigende consensus in de exacte wetenschappen over de antropogene oorzaken van klimaatverandering, maar die heeft niet geleid tot een maatschappelijke consensus. Grofweg twee groepen staan lijnrecht tegenover elkaar, groepen die in een steeds toenemende polarisatie verwikkeld zijn: zij die de wetenschappelijke feiten aanvaarden en voorstander zijn van ingrijpende maatregelen en zij die de wetenschappelijke consensus verwerpen of in twijfel trekken en zich verzetten tegen klimaatmaatregelen. Een paper gepubliceerd naar aanleiding van een klimaatcongres in Brussel in 2010 maakt duidelijk dat er in de jaren 1990 in de VS nauwelijks een verschil was tussen Republikeinse en Democratische kiezers als het over klimaatverandering ging. Tegen 2008 was dat radicaal veranderd. Bij de klimaatontkenners noemde 76% zich Conservatief en slechts 3% Democraat. Klimaatontkenners verzetten zich ook tegen herverdelingsmechanismes, armoedebestrijdingsprogramma’s, het reguleren van ondernemingen, of houden er conservatieve meningen op na als het gaat over het homohuwelijk, abortus of de beperking van de verkoop van wapens.

Klimaatverandering is op ongeveer tien jaar tijd deel gaan uitmaken van de culture wars die eerst in de VS en nadien ook in Europa van de grond kwamen. Sociale wetenschappers verduidelijken dat mensen zowat alle politieke en maatschappelijke vraagstukken bekijken vanuit hun waardenkader. Als de feiten botsen met dat waardenkader wordt niet dat laatste aangepast, maar wordt er aan de feiten gesleuteld. In het geval van klimaatverandering worden de feiten geminimaliseerd (het is minder ernstig dan wat de ‘doemdenkers’ beweren), de oplossingen vereenvoudigd (technologie zal de klus wel klaren) of wordt de ernst van de feiten in twijfel getrokken (de feiten zijn een vervalsing georganiseerd door een wereldwijd complot dat onze manier van leven onderuit wil halen).

De grote boosdoener in het debat, CO₂, is daarbij zelfs een spelbreker. CO₂ is immers geen ‘gif’ dat enkel door mensen wordt geproduceerd, het komt ook gewoon in de natuur voor en is zelfs noodzakelijk voor planten om te overleven. Het is pas schadelijk als er op de lange termijn onevenwichten ontstaan in de atmosfeer. Bovendien is het paradoxaal genoeg een graadmeter voor welvaart, want hoe hoger de CO₂-uitstoot hoe hoger de welvaart van een betrokken land. De strijd tegen CO₂ kan dan makkelijk vertaald worden naar een aanslag op ‘onze welvaart’, onze manier van leven. CO₂-uitstoot afbouwen, impliceert immers een heel nieuwe kijk op de wereld en op hoe de mens zich verhoudt ten opzichte van zijn omgeving. Het stelt fundamentele waardenkaders en wereldbeelden in twijfel en geeft daarom aanleiding tot grote onzekerheid. Het gevoel dat onze eigenheid, onze identiteit en onze wereldbeelden bedreigd worden door klimaatactivisten leeft dan ook sterk bij grote delen van de bevolking. Dat die hele ‘klimaathysterie’ op z’n zachts gezegd overdreven is of misschien wel één groot complot is om onze manier van leven onderuit te halen, is dan een geruststellende gedachte.

DOORBRAAK: MEDIAPLATFORM VOOR KLIMAATSCEPTICI

Nu we het complot kennen, kunnen we er van uitgaan dat de klimaatjongeren en hun spijbelacties in het ergste geval medecomplotteurs zijn en in het beste geval de slachtoffers van hun boosaardige, welstellende, stedelijke en kosmopolitische, bakfietsrijdende ouders. Die framing wordt er in heel Europa ingelepeld. Verschillende gradaties van complotdenken passeren de revue, gaande van een wereldbeweging die financieel ondersteund wordt door Georges Soros of een rijke Zweedse mecenas in het geval van Greta Thunberg, tot de heimelijke financiering door Groen in het geval van Anuna De Wever. Maar ook bescheidenere complotten, georganiseerd door een netwerk van ‘linkse ouders’, doen het goed.

Greta Thunberg Foto Ketnet

Op Doorbraak, de mediasatelliet van het Vlaams-nationalisme, noemt auteur Michel Berger het opjutten van jongeren door hun ouders ronduit kindermishandeling. Michel Berger kan het weten, want hij is een gepensioneerd leraar die bezorgd is om het welzijn van kinderen. Hij is ook actief bij N-VA Genk, waar hij zich verkiesbaar stelde én hij is de oud-leraar van de huidig Vlaamse minister verantwoordelijk voor klimaatbeleid, Zuhal Demir (N-VA). Hoewel, haar titulatuur vermeldt ‘Milieu’ niet langer; het is nu ‘Omgeving’: dat klinkt minder groen.

Berger mag weliswaar geen zwaargewicht zijn in de partij, zijn pennenvrucht is interessant omdat ze alle ingrediënten bevat van het klimaatsceptische discours dat breed gedeeld wordt bij het kiespubliek van N-VA. De ernst van de klimaatcrisis wordt gerelativeerd: er waren in het verleden immers zoveel dreigingen die nooit bewaarheid werden, zoals het gat in de ozonlaag of de gevolgen van Tsjernobyl. Ook dat was gewoon bangmakerij om niets. Bezorgdheid om klimaatverandering is een rancuneuze vingerwijzing naar de vorige generaties die ‘alles hebben opgesoupeerd’ terwijl het toch overduidelijk is dat die generaties gezorgd hebben voor een welvaart zoals nooit tevoren. In dat argument wordt CO₂-uitstoot gelinkt aan stijgende welvaart.

‘De echte daders zitten in de ‘linkse’ hoek, de hoek die teert op klassenstrijd, (…) op rancune tegen de bourgeoisie, de traditie, het patriarchaat en het systeem.’ Let op de bezorgdheid voor traditie en het patriarchaat – de ingrediënten van Lakoffs ‘strikte vadermodel’. Ook de verwijzing naar de vermeende hypocrisie van de klimaatjongeren komt aan bod. Je weet wel, die jongeren die beter niet met het vliegtuig op reis zouden gaan, maar zoals vroeger hun bottines moeten strikken om op trektocht te gaan, die geen rommel moeten achterlaten op festivals en beter een boek zouden lezen in plaats van computerspelletjes te spelen. De klimaatjongeren zouden verdikke blij moeten zijn dat ze naar school mogen gaan, de grootouders van Berger konden dat niet eens.

Het stukje leest als de communicatiebijbel voor populisten. Het is gedrenkt in een heimatverlangen naar het goede, strenge leven van weleer waar eenieder in korte broek en met de dikke trui van de oudere broer vele kilometers door de bittere koude naar school marcheerde, terwijl de ouders stoflongen opdeden in de koolmijn. Waar klagen die verwende jongelui toch over?

Op Doorbraak passeren ook de usual suspects de revue of worden klimaatjongeren in anonieme ‘satirische’ stukjes geschoffeerd als zijnde psychiatrische patiënten met waanbeelden. Dat niveau wordt afgewisseld met pseudo-ernstige artikels, waaronder in september de befaamde brief van 500 klimaatsceptici die vragen het klimaatbeleid stop te zetten. Bij de 19 Belgische ondertekenaars, zo berichtte Knack, was er niet één klimaatwetenschapper, en publiceerden 6 onder hen voordien reeds klimaatsceptische stukken op Doorbraak.

KLIMAATOPLOSSING BEDREIGT BESTAANSREDEN VAN N-VA

Dat het Vlaams-nationalisme op z’n zachtst gezegd vijandig staat ten opzichte van de klimaatbeweging is duidelijk. Dat die vijandigheid doorsijpelt in de communicatie van de N-VA-top mag daarom niet verbazen. De waarschuwing van Ben Weyts aan de spijbelende jongeren is dus geen geïsoleerde uitspraak, maar past naadloos in de rij klimaatsceptische uitspraken zoals die van minister voor Omgeving, Zuhal Demir, die de ‘straatprotesten welletjes vindt. We hebben het nu wel begrepen’ of van Vlaams minister-president, Jan Jambon (N-VA), die het onlangs had over klimaathysterie. Hij echode daarmee de uitspraken van de populisten van de Ware Finnen. Die doen vandaag niet aan biefstukkennationalisme zoals N-VA, maar aan worstennationalisme. Want klimaatbeleid zal de ‘worst uit de mond van de arbeider halen’. Het is zelfs erger volgens de Ware Finnen. Ook katten en honden zullen worden getroffen door de klimaatjongeren, want de prijs van een blik honden- of katteneten zal met 20 tot 40% stijgen. ‘Wat ga je zeggen tegen die kleine jongen of dat kleine meisje dat in huilen zal uitbarsten als mama en papa vertellen dat ze dat niet meer kunnen betalen?’ Minister voor Dierenwelzijn, Ben Weyts, is gewaarschuwd.

Dat Vlaams-nationalisten en nationalisten in het algemeen, zo vlot meegaan in het populistische discours over het klimaat heeft er uiteraard mee te maken dat hun bestaansreden zelf bedreigd wordt door de klimaatproblematiek. Die is per definitie globaal én kan enkel door supra- of postnationale instellingen aangepakt worden. Het adagium ‘wat we zelf doen, doen we beter’ klinkt dan als de uitspraak van een keizer zonder kleren. Dat geven Vlaams-nationalisten ook volmondig toe. De impact van een Vlaams klimaatbeleid is op wereldschaal verwaarloosbaar, luidt het argument. Dat klopt, maar dat geldt ook voor de strijd tegen fraude, criminaliteit, terrorisme, of voor een duurzaam migratiebeleid… afijn voor zowat elk beleidsdomein met een grensoverschrijdende impact.

De klimaatjongeren hebben begrepen dat in een geglobaliseerde wereld de solidariteit buiten de grenzen van de natiestaat moet treden om de grote uitdagingen te kunnen aanpakken. Taal- en cultuurverschillen worden overbrugd met het oog op het algemeen belang. Zelfs op Belgisch niveau slagen de Vlaamse Anuna De Wever en de Waalse Adelaïde Charlier er probleemloos in een coalitie te vormen op hetzelfde moment dat Belgische partijen zich met het mes tussen de tanden naar de onderhandelingstafel slepen. Dat is allemaal heel erg vervelend voor een partij die teert op exclusie van wie de Vlaamse identiteit niet ten volle omarmt.

COMPLEXITEIT GEEN EXCUUS

Zoals wel vaker, plugt rechts-populisme en nationalisme in op terechte zorgen en bekommernissen van een grote groep burgers. De klimaatcrisis is een ongeziene uitdaging waarvoor veel, maar lang niet alle oplossingen beschikbaar zijn. Maar iedereen die de problematiek kent, weet dat de transitie naar een koolstofneutrale economie een titanenwerk zal zijn dat bovendien een pak geld zal kosten. Het vergt bovendien een langetermijnplanning, waar politici die dat proces in gang zetten, wellicht nooit zelf electoraal van kunnen profiteren.

George Lakoff vertelt dat met die langetermijnstrategie nog een tweede probleem opduikt, namelijk dat de taal nauwelijks in staat is om die op eenvoudige manier over te brengen. Het politieke discours heeft het makkelijk met ‘directe oorzakelijkheid’, namelijk maatregelen of gebeurtenissen die een direct aantoonbaar effect hebben. Maar taal heeft het veel moeilijker met wat hij ‘systemische oorzakelijkheid’ noemt, omdat dat zo complex is dat het niet te vatten is in enkele zinnen. Om het eenvoudig te stellen: je krijgt het gewoon niet uitgelegd. Klimaatsceptici gebruiken daarom vaak directe oorzakelijkheid als ze het over klimaat hebben, bijvoorbeeld als ze tijdens een barre winterprik opmerken dat het toch wel heel erg koud is om van klimaatopwarming te kunnen spreken.

Maar de complexiteit van de dynamiek van klimaatverandering is geen reden voor verantwoordelijke politici om de kop in het zand te steken, zelfs niet als de oplossing een titanenwerk is dat handenvol geld zal kosten. Immers, niets doen zal een groter titanenwerk opleveren én bovendien méér kosten. De uitdaging vandaag, ook voor N-VA, is om de aanpak van de klimaatcrisis niet enkel georganiseerd te krijgen, maar vooral om er voor te zorgen dat die transitie rechtvaardig gebeurt en dat gewone burgers nooit de dupe zullen worden van de noodzakelijke maatregelen. Elk klimaatbeleid dat enige kans op succes wil hebben, zal moeten starten met een stevig sociaal beleid en – om het betaalbaar te maken – met eerlijke belastingen, ook en vooral voor multinationals en de superrijken. Als dat links klinkt, so be it.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit SAMPOL

October 25, 2019 at 6:23 pm Leave a comment

Oostendse Kapers en Brusselse Bankiers als slavendrijvers.

Door Lucas Catherine

Ze hebben dan wel Gorée niet gesticht of de eerste slavenmarkt van New-York geopend, maar hun verhaal wil ik u toch niet onthouden.

Het huis van bankier en slavenhandelaar Frederic Romberg in Brussel (Nieuwe Graanmarkt)

Na de afscheiding van de Noordelijke Nederlanden werd in Holland de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht en later de West-Indische compagnie, die zich richtte op de Amerika’s en op West-Afrika.

Dit was een doorn in het oog van de financiële elite in de Zuidelijke  Nederlanden. Wanneer zij Oostenrijks worden in 1715 vinden zij steun bij de Gevolmachtigd Minister en dus de eigenlijke gouverneur, de Marquis de Prié. Hij zal het ‘Belgisch’* kapitaal stimuleren om met de VOC te gaan wedijveren en later aan de basis liggen van de oprichting van de Oostendse Compagnie.

De Marquis zal zelf de meeste aandelen in die Compagnie verwerven (150) daarna volgen vooral Brusselse adel, waaronder de hertog van Arenberg (120) en bankiers uit Brussel, waaronder de tweede grootste aandeelhouder Corneel Walckiers met 121 aandelen. Walckiers was een bankier die voor bewezen diensten tot raadgever van keizer Karel VI werd benoemd en tot algemeen belastingontvanger van Vlaanderen.

 De eerste boot die eind september 1718 vanuit Oostende vertrekt richting Afrika om zijn part in de koloniale handel op te eisen heet dan ook Le Marquis de Prié (100 ton, 22 bemaningsleden en zes kanonnen.) De reder was de Oostendenaar Jean de Schonamille. De familie Schonamille was met Jeans broer, François al van 1690 actief in de kaapvaart. Wanneer de boot twee maand later het anker uitgooit aan de monding van de Rio Sestro op de Peperkust (nu Liberia) wordt hij door twee fregatten van de VOC gekaapt. Zij verwijderen de Keizerlijke Oostenrijkse vlag en voeren de bemanning als criminelen mee naar hun grote slavenfactorij Elmina op de Côte d’Or/ Goudkust (nu Ghana). Elmina zal tussen 1637 en 1872 Hollands blijven. Vergeet niet dat de Nederlanders tot de eerste grote slavenhandelaars behoorden. Zij hebben ook het bekende slaveneiland Gorée gesticht. Eigenlijk Goeree (naar het gelijknamig Zeelandse eiland), later verbasterd in het Frans tot Gorée. En in 1646 openden zij de eerste grote slavenmarkt in Nieuw-Amsterdam (nu New-York).

De kapitein van de Marquis de Prié, Jan Willemsen overleefde de gevangenneming niet en de bemaning werd gedwongen aan te monsteren op Hollandse slavenschepen. Een jaar later werd het zusterschip La Marquise de Prié het zelfde lot beschoren. Ook hiervan was de reder een Oostendenaar, François Woelaert net als de kapitein, De Winter. Pieter-François Woelaert was toen thesaurier van de stad Oostende en reder. De bemanning werd in Elmina vast gehouden maar kapitein De Winter kreeg toestemming om met het jacht Commany  naar Europa terug te keren om daar de situatie uit te leggen°. De Winter wist in Dover te ontsnappen en aangekomen in Oostende zorgde hij ervoor dat hij  met de hulp van de Oostendse admiraliteit de Commany kon kapen zodra ze de Engelse wateren had verlaten. De lading werd aangeslagen: 150 Goudmark, olifantstanden ter waarde van 20.000 pond en nogal wat peper. Als repressaille werd in Holland het Brugse schip Flandrina binnen de Hollandse wateren gekaapt.

Het werd een diplomatieke warboel en de Oostendse Companie werd in 1727 opgeheven.

Windwijzer in de vorm van een schip op het huis Romberg. De boot is van het zelfde type als die van de Oostendse Companie.

Wanneer Oostende een vrijhaven wordt (1781-1783) zal Brussel van daaruit opnieuw de slavenhandel activeren.

In 1782 doet de Brusselse bankier Joseph Chapel een oproep om de slavenhandel te ontwikkelen. Hij heeft dan net met bankier Frederik Romberg, die kantoor houdt op de Brusselse Nieuwe Graanmarkt (het huis is nu een school, zie foto), de Société Romberg, Bapts & Cie gesticht.. Deze Société zal samenwerken met partners in Le Havre, toen een van de grote thuishavens van slavenhandelaars, om zo een nieuwe boycot van Holland of Engeland te ontlopen.

 Ook de familie Walckiers is van de partij. Zij waren een van de grote, rijke families, afstammelingen van de al genoemde Corneel Walckiers. Adrien-Ange Walckiers bouwt in 1765 het kasteel van Helmet met grote Engelse Tuin waar nu het Walckierspark een restant van is (nu beschermd erfgoed). Zo zal Eduard Walckiers (1721-1799), eigenaar van de grootste bank in de Zuidelijke Nederlanden, het Belvédère kasteel bouwen (nu deel van het Koninklijk Domein van Laken).

Beaulieu kasteel

De broers Jean-Joseph en Josse-Jean Walckiers worden partner van Frederik Romberg. Zij zullen alle drie samen het kasteel van Beaulieu (nu aan de Woluwelaan) overkopen. Jean-Joseph richt ook het huidige domein Drie Fonteinen in als Engelse tuin.

In 1786 stuurt Romberg & Cie boten naar San Domingo en start er een financiële operatie. De bank geeft leningen als voorafbetaling op de oogst aan een zestigtal kolonisten die slaven inzetten op hun plantages. Bedoeling is dat Romberg in exclusiviteit hun produkten in Europa mag commercialiseren. De colons houden zich niet echt aan de afspraak en zo wordt Romberg niet terug betaald en wanneer in 1791 een grote slavenopstand plaats vindt, gaat dit project in 1793 failliet.

Naar Afrika zelf zal de Société Romberg, in opdracht van Slavenhandelaars in Le Havre et La Rochelle, elf slavenboten uitrusten. Enkele namen : Etats de Brabant, Comte de Flandre, Le Négrier Impérial, of Le Cheval Marin Flamand en Le Roy du Congo die in het gebied rond de monding van de Kongostroom slaven opkochten. Maar in 1783 vaardigt Frankrijk een verbod uit op niet-Franse slavenboten en de Brusselse slavenhandel van Romberg & cie zal langzaam wegkwijnen.

In 1818 vaardigt Koning Willem I een algeheel verbod op slavenhandel uit.

Wet tegen de slavenhandel

Het wordt nu wachten op een nieuwe manier om zwarte arbeidskracht uit te buiten. Leopold II zal die introduceren in Kongo. Hij wordt de nieuwe Roy du Congo.

* De Noordelijke Nederlanden werden in het Latijn Belgica Foederata genoemd, de Oostenrijkse Belgium Austriacum.

 ° Een jacht was toen een snel, klein oorlogsschip.

October 4, 2019 at 9:49 pm Leave a comment

DE OORLOG IN EEN KLEIN DORP

Door Johan Depoortere

75 jaar geleden, op 7 september 1944, werd mijn geboortedorp Westrozebeke (bekend van die slag in 1382) door Poolse troepen bevrijd. De eerste Shermantanks met leden van het 10e Regiment Pantsers rolden rond half tien het dorp binnen. Het enthousiasme van de bevolking was enorm: de tanks en vrachtwagens werden met bloemen overladen, jonge mannen en vrouwen reden in triomf op de tanks door de dorpsstraat. Maar de oorlog was niet voorbij. Nauwelijks een uur later botsten de bevrijders op hevig Duits verzet in het nabijgelegen Hooglede. In het gehucht Sleihage, tussen Westrozebeke en Hooglede vielen de eerste drie doden onder de Polen. Dat was nog maar een begin: de bevrijding van Hooglede kostte nog eens het leven aan 7 Poolse militairen en 20 Duitsers. Er vielen ook 2 burgerslachtoffers en er werden 200 krijgsgevangenen gemaakt. Duitse scherpschutters werden ter plekke afgemaakt en in een massagraf gegooid. (1)

Duits soldatenkerkhof Hooglede. Hier liggen de Duitse gesneuvelde soldaten uit de twee wereldoorlogen.

Dat was twee en een halve maand vóór mijn geboorte. Ook de naweeën van de bevrijding en de “repressie” heb ik niet bewust meegemaakt. Alles wat ik me ervan herinner was het besmuikt praten daarover door de volwassenen. En toch hebben zich in mijn prille levensjaren ook bij onze directe buren dramatische gebeurtenissen voorgedaan. Onze overbuurman Henri was een timmerman, of preciezer een wagenmaker met een groot gezin. Eén van de zonen was “fabriekswachter,” een kleine garnaal in de collaboratie dus. Toch werd bij de bevrijding het hele hebben en houden van Henri, inclusief zijn timmeratelier en de machines, kort en klein geslagen door – volgens mijn vader – de verzetslui van het laatste moment.

Ik herinner me nog dat mijn vader er schande van sprak dat de dorpspastoor geen vin uitstak om het geweld te doen stoppen. Later, het moet 48 of 49 geweest zijn, verdween plotseling Isolde (2), mijn beste vriendinnetje, een kleindochter van Henri. Ze was met haar moeder plotsklaps naar Brussel verdwenen, zo werd me uitgelegd. Een jaar of zo geleden kwam ik bij een begrafenis na meer dan 70 jaar Isolde weer tegen. Ze was niet bereid of in staat veel details mee te delen over die plotselinge verhuizing. Ze wist me alleen te vertellen dat haar vader, een zekere Vanhaver – met wie ze nooit veel contact heeft gehad – in de gevangenis zat of was vrijgekomen. Het laat zich raden waarom de man was opgepakt.

Euforie bij de bevrijding van Westrozebeke

In het dorp kwam kort na de bevrijding ook Godelieve Van Opbroecke (“Lieveke”) terug, de weduwe van een verzetsman die samen met nog een andere in de laatste maanden van de oorlog was gedeporteerd naar het concentratiekamp van Bergen-Belsen en was omgekomen op één van de dodenmarsen in april 1945. Haar man, Gilbert Hallein, was koster van de parochiekerk en actief in de verzetsgroep Nola, die onder andere Britse piloten hielp onderduiken. Van Opbroecke zelf had het concentratiekamp Ravensbrück overleefd, maar had door de ontberingen en de ellende haar zoontje (een paar dagen na mij geboren) verloren. Later werd het kind plechtig herbegraven in Westrozebeke, van de verzetslui zijn de resten niet teruggevonden (3). Oorlogsdrama in een klein dorp.

Mijn familie is van dat drama grotendeels gespaard gebleven al had mijn vader de reputatie veeleer “Duitsgezind” te zijn. Hij sprak bijvoorbeeld met grote bewondering over Reimond Tollenaere, de beruchte propagandist voor het Oostfront. Hij moet de man gekend hebben tijdens zijn studiejaren aan het Klein Seminarie van Roeselare waar Tollenaere een jaar of zo hoger zat dan hij. Na de oorlog kreeg mijn vader, die toen bij de post werkte, een “blaam” omdat collega’s hem hadden betrapt op het lezen van de Brüsseler Zeitung! Hij kwam er dus met weinig kleerscheuren van af. Zijn “Duitsgezindheid” was blijkbaar beperkt tot het lezen van een Duitse krant al had hij wel sympathie voor de nieuwe orde, maar ik vermoed dat hij gemengde gevoelens had over de bezetting en de nazis.

Mijn vader, Geerard Depoortere, speelde als amateur de rol van dorpsfotograaf en hij legde de intocht van de bevrijders vast op grote zwart-witnegatieven (6x9cm). De foto’s zijn niet bijzonder scherp: de filmgevoeligheid lag in die dagen lang niet zo hoog als nu en 7 september was een druilerige sombere dag. Maar het zijn historisch waardevolle beelden die nu worden tentoongesteld in de Christus-Koningkerk in de wijk Sleihage tussen Westrozebeke en Hooglede. (4) Daar zijn nog meer historische documenten over de bevrijding te bewonderen. Daarbij het tragikomisch verhaal van de „Engelse piloot“ die in Staden als bevrijder werd gehuldigd, maar die in werkelijkheid een Poolse SS-er was die bij een plaatselijke boer was ondergedoken. In de verwarde dagen aan het einde van de oorlog was alles mogelijk.

De man in het witte hemd is de vermeende Engelse piloot, in werkelijkheid een ontsnapte kampbewaker.

 

  1. Met dank aan Wilfried Deraeve
  2. Sommige namen zijn pseudoniemen
  3. Zie: Gilbert Coghe Westrozebekenaars in de Tweede Wereldoorlog (2010). Uitgave in eigen beheer.
  4. Nog tot 29 september

September 23, 2019 at 4:20 pm 1 comment

De Kongolese Olifant, een verhaal met prentjes maar niet van Côte d’Or

De eerste olifant die ik zag was niet in de Zoo van Antwerpen, maar in Tervuren. Eigenlijk waren het er twee: de bijna echte, want opgezette die binnen stond en buiten, de grote stenen met drie Kongolezen erop. Daarna verzamelde ik allerlei prentjes, chromo’s van chocolade Jacques, van Artis, van Côte d’Or. Toen was de olifant in. En al een tijdje. Die stenen olifant was een overblijfsel van de de koloniale tentoonstelling in Antwerpen (1930). Toen heeft dezelfde beeldhouwer trouwens een hele brug naar het Kiel met olifanten gedecoreerd.

Van waar die Belgische liefde voor de Olifant? Of beter, wat had Leopold II, de man die ons Kongo en zijn olifanten ‘schonk’, met dat beest?

Vanaf 1877 organiseerde Leopold II vijf expedities naar wat later Kongo werd, en dit vanuit Zanzibar. Vergeet even Stanley, want hij was er niet bij betrokken. De leiders waren allen Belgische militairen in dienst van Leopolds Association Internationale Africaine.

Normaal liet je, zoals Stanley deed, zo’n expeditie praktisch organiseren door Zanzibari handelaars, die daar al decennia ervaring mee hadden. Maar dat kostte geld. Vooral dragers waren duur. Jawel, vergeet de koloniale mythe dat die dragers slaven waren. Slaven waren koopwaar, net als ivoor, maar geen dragers. Heel het traject tussen Zanzibar en het Tanganikameer werd beheerst door de WaNyamwezi – nu nog altijd de grootste volksgroep in Tanzania. Die mannen hadden een soort closed-shopsysteem ontwikkeld: alleen zij mochten drager spelen, en ze moesten betaald worden, met balen textiel of met geld. Alle mannen deden eraan mee, zelfs de zonen van de chefs. Niemand van de jonge Nyamwezi mannen mocht trouwen voor hij als drager de oceaan had gezien.

.

Wanyamwezi maken hun lading klaar

Zo’n karavaan was een prachtig zicht: voorop de kirongozi, de gids met een hoed van apevel waarop allerhande veren, de staart van een leeuw rond het middel en over de schouders een groot, rood stuk stof wapperend in de bries  – rood was de kleur van de Zanzibari sultan onder wiens soevereiniteit de karavanen marcheerden. Dan kwam het orkest met kleine trommels  en korte trompetten uit antiloophoorn. Zij kondigden bij het naderen van een dorp de komst van de karavaan aan. Achter hen volgde de lange lijn pazazi, de dragers. Het waren fiere jongens en ze liepen er in allesbehalve werkkledij bij. Op hun hoofd droegen ze een hoed van zebramanen en pluimen van struisvogels en kranen. Aan hun armen rinkelden ivoren armbanden en rond hun hals zaten kralen en koperen bangles. Ze droegen ook handwapens. Meestal zongen ze geïmproviseerde liedjes over wat er op de tocht zoal was gebeurd. Verder droegen ze voetbelletjes. Aan de punten van de olifiantstanden hingen koebellen. Dan volgden de vrouwen en kinderen en de manga, de ziener-medicijnman, het lijf behangen met amuletten. Zijn mening over het meest gunstige vertrekuur en de minst gevaarlijke weg werd dagelijks gevraagd. Als laatste kwam de kafila bashi met de askari-soldaten. Hij was de leider van de karavaan en de soldaten keken er op toe of geen drager achterop raakte of er met zijn lading van door ging.

(Deze beschrijving is van Jerome Becker, die Karema bestuurde, de eerste Belgische kolonie in Afrika, aan de oever van het Tanganika-meer)

Veel volk, dus en dat moest allemaal betaald worden. Te duur vond Leopold. Toen zijn eerste expeditie in 1877 vanuit Zanzibar vertrok probeerde men veel van dat volk te vervangen door ossenkarren. Dat lukte niet, volkomen onaangepast aan het terrein.

In 1865 had Leopold door India getourd en had daar gedresseerde olifanten bewonderd. Dat moest ook in Afrika kunnen. Hij contacteerde zijn Britse partner MacKinnon en die bezorgde hem vier afgerichte olifanten. Ze arriveerden met een Indische dhow, de Chinsura voor de kust van Oost-Afrika en werden daar opgewacht door zijn tweede expeditie, geleid door Popelin. De olifanten waren vergezeld van hun  vaste begeleiders,  hun kornaks. De dhows probeerden aan te meren in de baai van Msasani (nu Dar es Salaam), maar dit lukte niet want de mangroves en andere planten groeiden tot in zee. De dhows kwamen langs, zo dicht als de peilingen het toelieten en dan hesen de kornaks de olifanten eerst aan dek met een takel die ze aan de fokkemast hadden geïnstalleerd; daarna werden ze over de reling richting strand gedraaid.

Ze hadden de olifanten in een soort harnas verpakt van dekens en koorden die onder hun buiken doorliepen. De kornaks hingen er ook aan. De dieren passeerden hoog boven de reling en werden dan dankzij de fokkemast op een tiental meter van de romp in zee gedropt. Op het moment dat ze de zeespiegel raakten, hakten de kornaks die zich aan de olifantsflanken vastklampten, de koorden door, zodat het harnas zonk. De dieren reageerden niet: wekenlang hadden ze in het ruim opgesloten gezeten en wisten niet wat hen overkwam. Ze bleven ter plaatse drijven. De kornaks gebruikten hun prikspieren om ze aan te porren, niks hielp. Maar toen ze het groen op de oever in de snuit kregen, staken ze hun slurf op en zwommen luid trompettend met ruim kielzog naar de wal. Ze draafden op het verse groen af en de bevolking stond er perplex op toe te kijken, slaakte kreten van bewondering. Nijlpaarden hadden ze al in zee zien baden, maar olifanten? Waar hadden die Belgen het!

Het waren twee mannetjes: Sundergrund en Naderbux en twee vrouwtjes: Sosankali en Pulmalla. Ze waren begeleid door dertien kornaks. Die kornaks waren belangrijke gasten. Ook dat was in India een soort closed-shop-systeem. Een beroep van vader op zoon waarmee veel geld was te verdienen. Ze waren dan ook gekleed als rajahs: hun kledij was van zuivere zijde in flamboyante kleuren, en ze droegen allerlei juwelen.

De bedoeling was om de kornaks en de olifanten in te zetten bij het domestikeren van Kongolese olifanten. En toen zag men het nog groot. De kolonalie propaganda heeft het over een project om in één jacht dertig of meer lokale olifanten gevangen te nemen en af te richten. Het zou anders uitdraaien.

Vanuit Dar es Salaam vertrok de karavaan onder leiding van Popelin met de olifanten, de kornaks, acht askari-soldaten en eenenzeventig dragers richting Karema, aan het Tanganikameer. Die dragers kwamen van pas, want halfweg in Tabora bleef er nog één olifant over. Het was het wijfje Pumalla waarmee Popelin triomfantelijk de stad introk. De olifanten verdroegen het klimaat niet.  De dragers hadden het moeten overnemen, maar ze stonden sterk want ze hadden al het vlees van de dode olifanten opgegeten.

Pumalla, haalde wel Tabora. Maar van kweken kwam niets in huis. Ook zij stierf. De karavaanroute vanuit Zanzibar naar Kongo bleek te duur, daarom werd daarna vooral de route langs de Kongorivier gevolgd die Stanley had geëxploreerd, maar ook anderen, zoals de gebroeders Van de Velde uit Gent, naar wie de eerste hoofdstad van de Kongo Vrijstaat, Vivi werd genoemd. Vivi is geen bantoe woord maar verwijst naar de V’s in hun naam, die indruk maakten op de lokale bevolking.Leopold zou het africhten van olifanten niet opgeven. Hij wou in de geschiedenisboeken komen als de eerste man na Hannibal die Afrikaanse olifanten dresseerde en gebruikte om zijn doel te bereiken.

In 1900 gaf hij commandant Laplume opdracht olifanten te vangen en hun africhting aan te vatten. De olifantenfarm lag in het verre noordoosten, in Gangala na Bodio.  Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ze hadden niet de eeuwenlange ervaring van de Indische kornaks, en Afrikaanse olifanten waren blijkbaar moeilijker te vangen. Ze probeerden het vooral door kuddes op de vlucht te jagen en dan een achtergebleven jong te strikken. Vijf jaar later hadden ze er 55 bijeen. Dat was ongeveer iets meer dan men twintig jaar eerder had gedacht te vangen bij één jacht.

 .

In de jaren 1942-1944 bedroeg het aantal olifanten onder staatscontrole 70. in 1944 werden 25 jonge olifanten gevangen, in 1945 waren er dat 40 en begin 1946 ongeveer 29. Echt vooruitgang zat er dus niet in. Maar de olifant had ondertussen in België een grote status gekregen als symbool voor Kongo. Je vond olifanten zowat overal afgebeeld, en niet alleen op chromo’s bij de chocolade. Ik had het al over de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Het grootste olifantenbeeld dat er stond is bewaard. Het staat nu voor het Africamuseum in Tervuren. In Geraardsbergen is het monument voor de Kongoveteranen (1948) een olifant.

Geraardsbergen

 

En die cultus van de olifant begon vroeg, en natuurlijk eerst bij de artiesten. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1897 was in Tervuren een hele zaal gewijd aan chryselephantine sculpturen. Chryselephantine gaat terug op de Grieken die sculpturen maakten bestaande uit goud (chrys) en ivoor. Nu moest dit de kolonisatie artistiek verdedigen dankzij het ivoor van de Kongolese olifant. Het bekendste werk is misschien wel dit van Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie. Het werd door Leopold II geschonken aan Van Eetvelde, de eerste goeverneur van de Kongo Vrijstaat.

Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie.

En de olifant? Hij staat nog altijd in Tervuren, in Geraardsbergen, op de reclames van Côte d’Or, en life in de Zoo van Antwerpen.

Lucas Catherine

Historicus met een olifantengeheugen

July 26, 2019 at 3:54 pm 3 comments

MUSHAIDI NGELENGWA, ALIAS MSIRI, DE MAN DIE VAN GEEN BELGEN WOU WETEN

door Lucas Catherine

Op 30 juni vierden de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een tweede verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri onthoofd.

In wat nu Katanga is regeerde Mushaidi over de kopermijnen. Hij zal in 1891 worden vermoord door koloniale held Omer Bodson. De koperwinning en -handel is zeer oud in centraal Afrika. We kennen al kopergeld dat 8 eeuwen oud is.

Kopergeld

 

Hoe zag dat geld eruit? De munten die dagelijks werden gebruikt waren heel klein (1cm x 1cm), en in H-vorm. De oudste dateren uit de 13de eeuw. Dan was er het grof geld, voor belangrijke zaken, zoals het uitbetalen van bloedgeld na een moord of als bruidschat. De Koningen van die koper-koninkrijken, zoals Mushaidi, stockeerden grote staven in dubbele T-vorm. Die dateren uit de 19de eeuw en Livingstone heeft er nog mee rond gezeuld. Er liggen er nu in het Livingstone Museum (Schotland). En meezeulen is het juiste woord want ze wegen 30kg en meer. In het Africamuseum van Tervuren hebben ze er ook een.

Er was ook koperhandel met de West-Afrikaanse kust. Dit weten wij dankzij Pieter Van den Broecke die tussen 1608 en 1612 dertig maanden aan de Kongomonding handel dreef. Hij schrijft over de koning van de baKongo: ‘Hij heeft een goed inkomen en bezit huizen vol ivoor en rood koper.’ ‘De vrouwen dragen er koperen en zilveren armringen.’ In 1846 zal de Zanzibar-Swahili Said bin Habib dwars door Afrika trekken, van Zanzibar naar het gebied ten zuiden van de Kongomonding (nu Noord- Angola) – Stanley was toen een kleuter van vijf jaar! –. Hij ziet de talrijke kopermijnen in het gebied ten zuidwesten van het Tanganika-meer en vertelt dat het vandaar naar het noorden wordt uitgevoerd via de Lufira en zo naar het Kongobekken.

Uit: La Force Publique de sa naissance à 1914, Brussel, 1952

België penetreert het gebied dat nu Katanga heet via drie militaire expedities. De derde (in 1891), onder leiding van de Brit William Grant Stairs en kapitein Bodson heeft succes. Ze zullen zelfs de vorst van het gebied Mushaidi Ngelengwa (verbasterd door de Belgen tot Msiri) vermoorden. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij afgeschilderd als een brute, gewelddadige despoot. Maar we hebben een Afrikaanse visie op hem. Zijn zoon Mukanda Bantu beschreef het leven van zijn vader in zijn memoires. Mushaidi was oorspronkelijk afkomstig uit het gebied ten oosten van het Tanganika-meer (Nu West-Tanzania). Hij was er samen met de Swahili van de kust actief in de handel in ivoor en koper, en secundair ook in slaven. Hij beslist om zich bij de kopermijnen te vestigen. Mukanda Bantu vertelt het zo:

“Bij de Luapula-rivier ontmoette Mushaidi een vorst genoemd Kazembe Kinyanta. Die zei hem: ‘Welkom hier, maar leer mij enkele van uw remedies tegen ziekten.’ Mushaidi  gaf hem remedies tegen ondermeer de pokken. Inenting was in Mushaidi’s streek van origine al bekend: je deed enkele sneetjes in de huid op het voorhoofd, waar de neus begint en smeert ze in met een mengsel van olie en etter uit een pestbuil van een zieke. Ze noemden het kutema lulindi (beschermende insnijding). Mushaidi  kende Kazembe Kinyanta want die handelde met de Zanzibari’s in ruil voor geweren, munitie en balen stof.”

“Daarna trok Mushaidi naar vorst Katanga. Die ontving hem met open armen en gaf hem twee mukuba wa matwi, lange koperen staven van 90cm lang en 6cm breed met aan de uiteinden twee dwarsstaven van ieder 20cm. Daarop installeerde Mushaidi zich bij Katanga.” Na de dood van Katanga volgde hij hem op.

“Later trok Mushaidi ook naar vorst Pande. Die was oud en voelde zijn einde naderen  en schonk hem de omande-schelp en bij het volk van de Pande, de baSanga staat die gelijk met de kroon van Europese vorsten.”

Mushaidi bouwt zijn rijk op door één voor één de kleinere bestaande gemeenschappen op te slorpen. Hij zal daarop zijn rijk organiseren. De vorsten van de opgeslorpte gebieden of hun opvolgers blijven op post, maar nu als een soort gouverneurs van Mushaidi. Zijn hoofdstad Bunkeya maakt indruk op de eerste missionarissen die arriveren en zij noemen het “Neger Londen.” Rond de stad en overal in zijn gebied worden plantages van maniok, zoete patatten en yam aangeplant. Die worden op overheidsbevel geïrrigeerd tussen januari en maart. Verder vaardigt Mushaidi wetten uit en stelt een rechtsprocedure op. Daarbij worden nutteloze en bijgelovige gewoonten afgeschaft. De doodstraf werd beperkt en kon vervangen worden door schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer. Hij organiseerde de ivoorhandel, de zoutwinning en de mijnbouw. Op de kopermijnen werd toegezien door een vrouw, de Inafumu (Moeder van de Vorst). Zowel op ivoor, koper als zout hief hij hoge belastingen, in ruil kenden zijn onderdanen geen wetteloosheid of willekeur meer.

Het portret dat zijn zoon van hem ophangt , klopt dus helemaal niet met de koloniale geschiedschrijving. De Memoires van Mukanda Bantu werden dan ook gemarginaliseerd en zelden gebruikt. Te dissonant van de koloniale versie. Ook hoe Mushaidi aan zijn einde kwam laat ik zijn zoon vertellen:

Als de derde Belgische expeditie vraagt om zich onder de hoede en de autoriteit van Leopold II te stellen, antwoordt hij: ”Ik heb geen bescherming nodig. Ik ben de grootste koning van Afrika. Men zegt dat ik een despoot ben, maar ik regeer volgens de gewoonten van mijn volk.”

Na wat gepalaver doet hij soi-disant een toegeving: “OK, ik wil uw vlag aanvaarden, maar wat jullie bij hebben is veel te klein. Kom eens terug met een groter exemplaar”.

Het antwoord is duidelijk: “Als je onze vlag niet wil accepteren, dan zullen we je met geweld verplichten om het te doen.”.

Enkele dagen later arriveert de tweede in commando van de expeditie, Omer Bodson, aan het hof van Mushaidi.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri en Bodson

De blanke man Bodson kwam bij Mushaidi en zei: ‘Mushaidi, kom en sluit een vriendschapsverdrag met uw vriend hier.’ Mushaidi antwoordde: ‘Wacht ik roep mijn zonen om mij bij te staan. Ik ben een groot vorst en we zullen dat morgen regelen.’ Daarop antwoordde de blanke: ‘Neen, dat moet nu gebeuren!’  Mushaidi sprak: ‘Ik merk aan uw toon dat gij alles behalve als vriend komt, gij wilt mij doden.’  Toen ontstond er ruzie en de blanke trok zijn pistool en schoot op Mushaidi. Die probeerde nog zijn huis te bereiken maar viel dood neer. Daarop schoot een zoon van Mushaidi, Masuka de blanke dood en de soldaten die bij de blanke waren schoten daarop ook Masuka dood. Toen zond Stairs, leider van de Belgische expeditie soldaten met de opdracht om de blanke en Msiri bij hem te brengen. Ze droegen de blanke in een hangmat maar Mushaidi werd over de grond gesleept. Toen hakten ze zijn hoofd af en staken het op een stok van de pallissade van het fort van de blanken.

Graf Mushaidi in Bunkeya.

Van toen af was het koper Belgisch.

 

Lucas Catherine

(dit is een fragment uit mijn aangevulde en sterk uitgebreide Wandelen naar Kongo dat in september verschijnt)

July 10, 2019 at 10:18 am Leave a comment

Older Posts Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,699 other followers