Posts filed under ‘België’

GENT 1969

Door Tom Ronse

Ik kon niet aan de verleiding weerstaan. Na de bijdragen over Brussel 1967 en Antwerpen 1968, hier een persoonlijke terugblik op Gent 1969.

Tweede van rechts op de foto: de schrijver van dit stuk, na ontvangst van een rake klap op het achterhoofd

In vergelijking met mei 68 was de Gentse maart 69 natuurlijk klein bier. Een studentenstaking die zich snel uibreidde maar lang niet algemeen was. Betogingen, confrontaties met de politie, de bezetting van een faculteitsgebouw, dagelijkse volksvergaderingen, veel discussies en werkgroepen, een massa-arrestatie, dat was het zo ongeveer… en dan begon de blok en was het voorbij. Wat niet belet dat er heethoofden rondliepen die verkondigden dat de revolte een “generale repetitie” voor de revolutie was.

Ik was een eerstejaarsstudent, een dorpsjongen die met hoog gespannen verwachtingen naar de ‘grote’ stad Gent was gekomen. Ik hunkerde naar vrijheid, liefde, sex, drugs, naar vrienden om samen te vechten tegen onrecht, naar kennis en kunst. De eerste maanden vielen nogal tegen. Gent bleek niet de bruisende stad die ik gedroomd had. Gent was een vuile stad. Zelfs de mooiste gebouwen oogden zwart. Zwarter nog was het stinkende water. Dood water. De stad zelf leek me dood in de weekends, als de meeste studenten naar huis waren. Dat kwam natuurlijk omdat ik de stad niet kende en enkel met soortgenoten omging. Ik was teleurgesteld. De cursussen waren saai, de meisjes onbereikbaar en dat strijden tegen onrecht nam ook geen vaart. Maar dat veranderde op 13 maart.

Censuur!

Ik had toen een job in het studentenrestaurant ‘de Brug’. Toen ik die namiddag van mijn werk kwam, zag ik commotie aan de ingang van het rectoraat, dat vlakbij de Brug is gelegen. Er stonden politiewagens en daarrond had zich een menigte verzameld. Ter plaatse vernam ik dat studenten het rectoraat hadden bezet uit protest tegen de beslissing van rector Bouckaert om een voordracht over “zin of onzin van de pornografie” te verbieden 1. De rector had geweigerd om hen te ontvangen en had de politie gebeld. Die had een deel van de bezetters buiten gebezemd maar een ander deel had zich verschanst in het kantoor van de rector die zich doodsbang onder zijn bureau had verborgen. Intussen groeide de menigte voor het rectoraat. Een trotskist liep voor de eerste rij met een megafoon. Hij riep ons in schoon westvlaams op om niemand te laten wegvoeren. Als de politie met arrestanten buiten kwam moesten we massaal naar voor stormen om de weg naar de dievenwagen te versperren. Dus dat is wat ik deed. Maar niemand volgde. Ik werd neergeknuppeld en bij de andere arrestanten gegooid. De massa week braaf uiteen om plaats te maken voor de politie.

Tot mijn verwondering waren we slechts met drie. We werden opgesloten in de stadsgevangenis, het “Rolleke”. Elk in een afzonderlijke cel. Daar ontdekte ik voor het eerst dat ik aan claustrofobie lijd. De cel had geen venster, je kon niet zien of het dag of nacht was. Het licht was altijd aan. Ik kon niemand horen en niemand hoorde mij. Ik kreeg een deken maar geen matras. De grauwe muren waren bekrast door mijn voorgangers; er waren donkere vegen waarvan mijn angstig brein vermoedde dat ze met stront waren gemaakt. Echt middeleeuws. Mijn mede-arrestanten Jan en Jantje bleven nog een hele tijd gevangen maar ik werd na 24 uren vrijgelaten – men kon me enkel “weerspannigheid” ten laste leggen. Meteen werd ik meegetroond naar de intussen bezette Blandijnberg. Toen ik de massa in het tot de nok gevulde mega-auditorium E moest toespreken schoten de tranen me in de ogen. Dat het verzet zo’n omvang zou nemen had ik in mijn cel niet durven dromen.

studentenbetoging op het Sint Pietersplein

Het kwam niet uit de lucht gevallen. De studentenopstanden in Leuven, Frankrijk, Amerika en elders waren inspirerend. ‘Begeerte had ons aangeraakt’. Anders dan in Leuven had de beweging in Gent van in het begin niets met vlaams nationalisme te maken. Ze begon als protest tegen censuur, betutteling, beknotting van de meningsuiting maar werd snel ruimer. Kritiek op de ondemocratische universitaire structuur werd kritiek op de rol van de universiteit in de maatschappij, wat leidde tot het in vraag stellen van het doel van de maatschappij, van het kapitalisme. Natuurlijk ging lang niet iedereen zo ver mee maar de beweging kon blijven rekenen op brede steun onder de studenten. De enige oppositie kwam van KVHVer Vic Van Branteghem, een eenzame man met stalen zenuwen. In de bezette Blandijnberg keurden volksvergaderingen radikale eisen goed terwijl in de kleinere lokalen allerlei werkgroepen uit diverse faculteiten thema’s zoals ‘universiteit en industrie’ uitdiepten en de inhoud en vorm van hun opleiding bekritiseerden.

Jachtscènes

De beweging had geen officiele leiders maar toch was het meestal hetzelfde duo dat de volksvergaderingen op sleeptouw nam: de trotskist Eric Corijn en de maoist Ludo Martens, de laatste een grote fan van de massamoordenaar Stalin. Dat die twee strekkingen zo’n dominante invloed hadden zegt wel iets over de sfeer van toen. Maar ze konden elkaar niet luchten. Ze waren concurrenten voor dezelfde markt. Corijn was een vlotte redenaar maar Martens had meer charisma. Hij kon een auditorium in vuur en vlam zetten.

Martens in auditorium E

Aanvankelijk was dat niet moeilijk. De beweging werd gestuwd door verontwaardiging over repressie. Verontwaardiging over het verbod van de rector, over de arrestatie van studenten, over de repressie van betogingen, over de aanhouding en uitsluiting van de als leider gebrandmerkte student Renaat Willockx… De halsstarrigheid van de rector en raad van beheer en het harde optreden van de politie en rijkswacht hadden het omgekeerde effect; ze wakkerden het enthousiame aan. We konden de Blandijnberg overdag niet verlaten om te betogen of ze stonden klaar, matrak in de hand. Om hen te omzeilen vertrokken we in kleine groepjes die samenkwamen in de Veldstraat waar we betoogden en pamfletten uitdeelden. De politie kwam erachter en probeerde ons weg te knuppelen wat tot chaos leidde in de drukste straat van Gent. De studenten vluchtten in de winkels. De jachtscènes in de Grand Bazar zouden niet misstaan in een komische film.De mond-aan-mond-navertelling die ook voor de ‘sociale media’ al bestond, maakte ze nog kleuriger.

Confrontatie aan de ingang van de Blandijnberg

Maar als er niets gebeurde, verslapte de participatie. Ik herinner me een volksvergadering waar het revolutionaire vuur op een laag pitje brandde. Het was al laat, mensen begonnen naar huis te gaan. Dan lanceerde Martens (of was het Corijn?) een rekwisitoor tegen de media die onze strijd verzwegen of vervormden. Vooral de Standaard-kranten kregen er van langs. In de Savaanstraat, op een boogscheut van de Blandijnberg, was er een drukkerij van De Gentenaar. ‘Laat ons massaal naar daar gaan om die krant aan de kaak te stellen!’ En hup, er was weer een betoging vertrokken. Dit keer zingend: “De gazetten zijn de marionetten van het grootkapitaal…”

De arbeiders van de nachtshift die vers gedrukte kranten in vrachtwagens aan het laden waren, keken vreemd op toen we daar opdaagden. Ze accepteerden beleefd onze pamfletjes maar om te praten hadden ze geen tijd. Ze gingen voort met hun werk en wij keerden terug. En dat was dat.

“Een dolk in de rug”

Toen ik in die periode met mijn vuile was naar het ouderlijke huis ging, vond ik mijn moeder in alle staten. Ik was bang dat ze een hartaanval zou krijgen. De rector was haar oom, haar geliefde nonkel Jan, bij wie ze vaak op vacantie was geweest, in zijn kasteeltje in Vinderhoute. De man was diep geschokt en had zijn beklag gedaan. De studenten hadden hem in zijn kantoor naar het leven gestaan, zo beweerde hij, en ze hadden hem zaken doorgestoken die ze alleen van zijn familieleden konden weten. Dat zijn eigen familieleden tot die bende behoorde, hij kon het niet geloven. Ik had hem “een dolk in de rug gestoken” zo had hij tegen mijn oma gezegd. Mama schold en jammerde alsof er in haar rug ook een dolk zat, ook al geloofde ze me wel dat ik niets over nonkel Jan zijn privé-leven wist en er dus ook niets over had kunnen vertellen.

Het zou nog erger worden. In de nacht van 20 maart werden niet alleen ik maar ook mijn broer en mijn zus gearresteerd. Samen met pakweg 700 anderen.

Rijkswachters aanvalsklaar op de Kouter

De autoriteiten hadden besloten dat het genoeg was geweest. In het holst van de nacht werd de Blandijnberg door de rijkswacht ontruimd. Alle bezetters werden opgesloten in de rijkswachtkazerne. We werden niet geisoleerd, wat die tweede arrestatie veel gezelliger maakte dan de eerste. Er werd gelachen en gezongen. Toen ik in de ochtend vrijkwam begaf ik me naar de Brug, waar studenten samenkwamen om hun strategie te bespreken. Daar zag ik voor het eerst Paul Goossens, voor wiens vrijlating ik als scholier betoogd had zonder goed te weten wie die Goossens eigenlijk was. Later, toen hij mijn chef was bij De Morgen, leerde ik hem beter kennen. Goossens vond dat we grote ruchtbaarheid moesten geven aan de de gebeurtenis van de vorige nacht. De witte muur tussen het rectoraat en de straat stak zijn ogen uit. Een ideale canvas, vond hij. Hij stelde voor om op die muur “Vannacht: 725 aanhoudingen!” te spuiten2. Iedereen vond dat goed maar niemand wou het doen. Dus deed ik het. Wat niet verstandig was want een derde arrestatie zou me wellicht slecht bekomen zijn. Ik beefde zo erg dat de letters raar kronkelden maar allee, het stond er op. Ik was zo bang dat ik daarna meteen terug naar de Brug rende en me daar in een kast verborg.

De rest was anticlimactisch. Er waren nog enkele massale protesten, zoals op 28 maart toen ik en zestien andere rebellen voor een soort universitaire rechtbank moesten verschijnen. Maar dan maakte examenkoorts zich van de studenten meester.

“ ’t is maar een begin”…

“ ‘t Is maar een begin, wij gaan voort met de strijd”, was wellicht de meest gescandeerde slogan tijdens de maartse rellen. De strijd werd inderdaad voortgezet -de Gentse universiteit bleef het toneel van relatief veel radikaal studentenaktivisme in het daarop volgende decennium – maar werd nooit meer zo massaal.

Vormelijk is er sindsdien veel veranderd. Het stugge conservatisme van de academische en politieke overheden heeft plaats gemaakt voor een intelligenter beheer dat masseert en inkapselt in plaats van te antagoniseren. Inhoudelijk is er minder veranderd. De universiteit plooit zich meer dan ooit naar de noden van het industriekapitaal en de studentenmassa lijkt zich daar minder om te bekreunen dan vroeger.

Op een website van de universiteit (vakgroep geschiedenis) schrijft historica Fien Danniau: Na het orgelpunt van maart 1969 verschuift de belangstelling van het studentenengagement geleidelijk. Het discours rond maatschappij en kapitalisme maakt plaats voor meer specifieke maatschappelijke vraagstukken als de wapenwedloop, atoomenergie, milieuvervuiling, racisme, abortus en de emancipatie van arbeiders, vrouwen en holebi’s.”

Maar vandaag lijkt er ook rond die thema’s weinig te gebeuren aan de Gentse universiteit. En met alle respect voor de passie van mensen die over deze en andere deelaspecten actie voeren, is het niet meer dan tijd om de grondslag van de maatschappij in vraag te stellen? Ondanks onze naiviteit stonden we daaromtrent in 1969 toch een stapje verder.

1 In feite had de rector enkel verboden om illustratiemateriaal te tonen .

2Het precieze cijfer herinner ik me niet. Misschien waren het er minder, misschien meer.

 

October 28, 2018 at 3:27 am Leave a comment

ANTWERPEN 1968

Het vorige artikel in dit salon, de mijmeringen van Lucas Catherine over Brussel 1967, inspireerde Hugo Durieux om terug te blikken naar Antwerpen anno 1968. Durieux studeerde van 1969 tot 1976 Rechten en Wijsbegeerte in Antwerpen en Gent. Hij werkte op verschillende plekken in Europa als journalist, in het hoger onderwijs en in de ambtenarij. Nu beheert hij o.m. de websites https://rivieren-en-meren.online/ en http://www.durieux.eu/. Eerdere bijdragen van zijn hand in het salon kan men HIER en HIER vinden.

Eigenlijk was ik net te jong voor mei’68. In dat bewuste voorjaar zat ik te zuchten in de tweede Latijn-Grieks (de poesis). ‘Leuven Vlaams’ uit 1966, waaruit uiteindelijk voor een belangrijk deel de Belgische politieke mei ’68-beweging zou voortkomen, is helemaal aan mij voorbijgegaan. Wel was ik in die legendarische lente al volop in de ban van een ander fenomeen dat later, in de jaren zeventig, deel zou gaan uitmaken van de ‘erfenis’ van mei ’68: de hippies en de (VS-Amerikaanse) underground. Misschien ben ik wel veel meer een soixante-huitard geworden en gebleven, dan velen die in die periode aan de beweging deelnamen – en ik verloochen er vrijwel niets van.

Om de tien jaar komen in de maand mei dezelfde vragen naar boven in de media: wat heeft het betekend, waar is het goed voor geweest, wat heeft het achtergelaten, zijn wij nu toe aan de definitieve restauratie, of zijn er aspecten van mei ’68 van waarde gebleven? (In 1978 al publiceerde uitgeverij Manteau Mei ’68 – De grote kater, met bijdragen van o.m. Martin van Amerongen, Jos De Man en Piet Piryns.)

De grote verworvenheid van mei ’68 was voor mij dat, vanaf het eerste jaar aan de universiteit, ik een denk- en leefwereld kon vormen waarin de persoonlijke en culturele vrijheid van de hippies zich mengde (maar vaak ook botste en schuurde) met een ontwikkelend klassenbewustzijn. Het eind van de jaren zestig en vrijwel heel het volgende decennium vormden een periode van heftige sociale en politieke strijd, waarbij al heel snel het adagium evident leek, dat wie geen stelling innam, ook een stelling innam. Je kon toch niet onbewogen blijven bij de oorlogen in Vietnam en Cambodja, de culturele revolutie in China, de Praagse lente, de bevrijdingsoorlogen in Angola, Mozambique en Zuid-Afrika, de Portugese Anjerrevolutie, de staatsgreep tegen Allende en de daaropvolgende dictatuur in Chili, de fascistische dictaturen in Argentinië, Brazilië, Uruguay, Paraguay, El Salvador en Nicaragua, Black Panther, de boycot van Cuba, de steeds heftiger onderdrukking van de Palestijnen en het geweld dat dit veroorzaakte in het gehele Midden Oosten, het kolonelsregime in Griekenland, de burgeroorlog in Noord-Ierland, de neutronenbom, maar ook de teloorgang van de staalnijverheid in West-Europa, de linkse en rechtse stadsguerrilla in de Duitse Bondsrepubliek, Frankrijk, Italië, Spanje, zelfs België, de beroepsverboden in Duitsland en België, de loden jaren in Italië en Frankrijk, de dokstaking van 1973 in Antwerpen, de pogingen tot arbeiderszelfbeheer in bedrijven als Salik, LIP of de Boelwerf Temse, et j’en passe. Dat was niet allemaal ver van mijn bed: wie zich in Antwerpen of aan de universiteit solidair betoonde met de verschillende emancipatiebewegingen of zich inzette tegen diverse dictaturen, kreeg al snel te maken met de knokploegen van de Vlaamse Militanten Orde, Were di of de Vlaams-nationalistische studentenorganisatie KVHV.

Het theoretische kader om zowel die mondiale crisis als de ontvoogdingsstrijden te plaatsen en te begrijpen, werd aangeboden door mensen die zich volop aan het verdiepen waren in allerlei varianten van marxisme en anarchisme. Het vrolijke anarchisme van provo in Amsterdam kon wel een tijd aanstekelijk werken, maar het was geen doeltreffende benadering voor de scherpe maatschappelijke conflicten beneden de Moerdijk en de harde repressieve manier waarop de overheden in België daarop reageerden. Ontwikkelend klassenbewustzijn had in de eerste plaats te maken met veel lezen (in de eerste plaats de marxistische klassiekers, maar ook de klassieke anarchisten), maar ook met onregelmatig werk tussendoor als arbeider (in mijn geval in de haven, eerst als leerling-plaatslager in de scheepsherstelling, later ‘met de pas’ als dokwerker). Klassenengagement als student vond een uitdrukking bij de oprichting van de Antwerpse wetswinkel in 1972, en in het verslaggeverswerk voor Bevrijdingspersagentschap (BPA). In navolging van het Franse Agence de Presse Libération (waaruit de krant Libération is voortgekomen) waren in Brussel en Leuven ‘persagentschappen’ ontstaan, die wekelijks gestencilde bulletins uitgaven waarin overwegend studenten nieuws verzamelden uit sectoren waaraan de gevestigde agentschappen en redacties geen aandacht besteedden: sociale strijd, prille milieuorganisaties, studentenbeweging, de minder officiële vrouwenbeweging, gewetensbezwaarden en dienstweigeraars …
De ruimte voor culturele en persoonlijke vrijheid die in die tijd ontstond, leek wel onbegrensd. Wij waren achttien, twintig of daaromtrent, het gezag van ouders werd toch al op alle vlakken bestreden, het was de hoogste tijd voor een meeslepende ontdekkingstocht in de verslavende wereld van de seks. De ‘tweede feministische golf’, die wat noordelijk België betreft hoofdzakelijk uit Nederland afkomstig was, was ook voor mannen een bevrijding: je leerde inzien hoe je was opgevoed in een strak rollenpatroon, maar je ontdekte ook dat seks met zelfbewuste vrouwen veel spannender was en veel verder kon gaan dan wat je je ooit had voorgesteld. De feministische ontdekkingstocht naar het lichamelijke is ook de mannen ten goede gekomen. Maar er was natuurlijk, uiteraard, vanzelfsprekend veel meer dan dat. De zoektocht naar herbronning, naar een alternatief voor de beklemmende katholieke of traditioneel socialistische moraal van de ouders, leidde tot een nieuw milieubewustzijn en openheid voor Aziatische (pseudo-)wijsheid: massage, alternatieve geneeswijzen, makrobiotiek.

Eind jaren zestig en begin jaren zeventig waren in Antwerpen sowieso een spannende tijd op cultureel gebied . De Wide White Space Gallery was nog actief; het ICC op de Meir beleefde zijn glorietijd met Flor Bex en bracht ons Beuys, Joseph Kosuth, James Lee Byars met zijn geverfde maaltijd op de Veemarkt, het prille werk van Anne-Mie Van Kerckhoven, Danny Devos, Ria Pacquée en vele anderen, maar ook talloze experimentele films en festivalletjes rond klankpoëzie; cafés rond het Conscienceplein en de Wolstraat en min of meer besloten clubs als Vécu en Gard Sivik waren ontmoetingsplaatsen voor beeldend kunstenaars, jazzmuzikanten en wilde schrijvers als Szukalski, Wout Vercammen, Marcel Van Maele, Gust Gils, Nic van Bruggen, en Laurent Veydt (die onder zijn echte naam Georges Adé onze leraar Frans bleek te zijn).

In de ‘strijdcultuur’ wilden gezelschappen als Werktheater, Het Trojaanse Paard of de Internationale Nieuwe Scène met militant toneel de persoonlijke en klassenemancipatie van ‘gewone mensen’ stimuleren door toegankelijk theater te maken op toegankelijke plekken. Aan de pas gestarte Universitaire Instelling Antwerpen, met een campus midden in de weilanden in Wilrijk, ontstond het Centrum voor Experimenteel Teater. Wij leerden er Brecht lezen, maar maakten ook kennis met het werk van Bread and Puppet en het Living Theatre; het CET produceerde enkele keren in de ruimten van Fort VI voorstellingen van het nomadische muziektheater van Welfare State. Maar evengoed gingen wij naar Parijs voor het Théâtre du Soleil van Ariane Mnouchkine, of naar Amsterdam, om te kijken naar wat Mickery op de Rozengracht liet zien – om nog maar te zwijgen van uitstappen naar Brussel, voor het Franstalige aanbod in Théâtre 140 of de Hallen van Schaarbeek.

En dan heb ik het nog niet eens over de legendarische Studio Century in Borgerhout, die elke maand een tiental films programmeerde die later klassiekers zouden blijken, van de films uit de Andy Warhol Factory tot het vroege werk van Werner Herzog of Wim Wenders, van het werk van Marguerite Duras of Marco Ferreri tot de eerste kennismaking met de Japanse cinema. Op muzikaal gebied was het Free Music Festival (aanvankelijk in de King Kong, de zaal die later in brand werd gestoken door het neo-fascistische Front de la jeunesse) was elk jaar een bron van opperste verbazing en opwinding: zo zijn mensen ook met geluid bezig! En het genot van die ontdekkingstocht speelde natuurlijk ook een rol bij de kennisname met de elektronische en elektroakoestische muziek: van de geregistreerde studiowerken van Nono, Stockhausen of Lucien Goethals, tot het versterkte gepriegel met schelpen of kammetjes of kraakdozen van John Cage of Michel Waisvisz.

Waarom deze uitgebreide impressie? Omdat de mentaliteit en de maatschappelijke structuren, die zich ontwikkelden tot wat nu ‘mei ‘68’ heet, het perspectief hebben geopend op een vrijwel onbeperkte mogelijkheid tot zelfbevraging en zelfontwikkeling. Door de enorme hoeveelheid informatie en mogelijkheden die ons vanaf 1968 werden aangeboden, en door de vrijheid die wij namen om daar al dan niet op in te gaan, ontstonden bij mij – en bij vele anderen – m ns- en wereldbeelden die persoonlijke vrijheid en ontwikkeling voorop stellen, maar zonder afbreuk te doen aan het verlangen naar vrijheid en ontwikkeling van anderen. (Hier moet zeker nog Jef Sprankenis vermeld worden, de legendarische uitbater van boekhandel De groene waterman. Bij hem vond je tijdschriften, boeken, platen, hoofdzakelijk verzameld en geïmporteerd vanuit Duitsland en Amsterdam, die je kennis lieten maken met politieke inzichten en culturele opvattingen, waarvan je het bestaan zelfs niet had kunnen vermoeden.) Je kan jezelf maar waardevol emanciperen, als dat gebeurt in een context die je omgeving (je leefomgeving, de producenten van wat je gebruikt, het milieu en de dieren, eigenlijk de hele wereld) respecteert. Geen nieuw inzicht, ongetwijfeld, maar wat nu ‘mei ‘68’ heet staat voor een boost aan collectief verlangen naar persoonlijke en globale autonomie en emancipatie, en dat leeft, denk ik, nog steeds.

Tien jaar later, in 1978, hadden de auteurs van De grote kater misschien wel enigszins gelijk: de maatschappelijke structuren leken niet veranderd, de restauratie was in volle gang, en niet weinigen – ook in België – waren het slachtoffer geworden van de repressie die volgde op de pogingen tot maatschappelijke verandering. Maar ik denk dat het toen nog te vroeg was om een begrip als ‘mei ‘68’ zijn historische plaats te geven.
In 1980 ben ik uit België weggegaan, en heb ik op verschillende plekken in Europa geprobeerd mijn mens- en wereldbeeld van een creatieve mix van maatschappelijk bewustzijn en streven naar persoonlijke vrijheid door te geven. Mijn uitgangspunt was altijd: het belangrijkste is dat je een interessante vraag stelt, zodat als daar een antwoord op komt, je weer een goede vraag kan stellen. Vaak zegden studenten me: “Mijnheer, ik ben niet geïnteresseerd in die vraag, ik wil het antwoord.” Maar even goed waren er ook steeds die op het eind van het academiejaar kwamen bedanken, omdat zij bij mij geleerd hadden alles in vraag te stellen wat zij lazen, zagen, hoorden.

En nu, vijftig jaar later, lijkt het weer of het allemaal voor niets is geweest: het nationalisme en de oude politiek zijn terug (in België), de hele wereld wordt gedicteerd door de wetten van markteconomie en mediatisering, en als ik wel eens passeer door wat er allemaal op televisie aangeboden wordt, is er blijkbaar een enorm publiek gecreëerd dat zonder morren enorme hoeveelheden professioneel geproduceerde rotzooi slikt. Je wordt er niet vrolijker van. Maar betekent dat de zinloosheid van de beweging die nu naar mei ’68 genoemd wordt? De politieke en culturele rijkdom die ik in het kielzog van wat enkele jaren eerder begonnen was heb kunnen genieten, nemen zij mij niet meer af. En ik ben niet de enige die op microniveau de idealen van een actieve mengeling van politiek bewustzijn en culturele en persoonlijke vrijheid probeert verder te ontwikkelen en uit te dragen. Als de structuren niet ingrijpend veranderd zijn, dan zijn er toch overal mensen, die in de geest van mei ’68 leven en werken: in het onderwijs, de journalistiek, de wetenschap, de groene en rode actiegroepen en basisgroepen, zelfs het bedrijfsleven. En hoewel ik in Antwerpen en Brussel veel jonge mensen om mij heen zie, die op het eerste gezicht alleen bezig zijn met vegeteren of met agressief gedrag, zie ik er ook veel die zich inzetten, ook op het platteland, voor andere mensen, voor de wereld, voor dieren, voor het milieu, … en die zich op een creatieve manier uiten – ook als ik daar niet veel van begrijp. Uiteindelijk zijn, tegen de dictatuur van de markt en de commerciële media in, talloze mensen bezig met pogingen om hun eigen maatschappelijk bewustzijn te koppelen aan culturele verrijking en persoonlijke ontwikkeling. En laat dat nou net de geest zijn van mei ’68, zoals ik hem gekend heb.

October 18, 2018 at 4:34 am 4 comments

BRUSSEL 1967

door Lucas Catherine

U kent het spreekwoord ‘als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel’. In 1967 was dit zeker niet zo: hier regende het al lang voor het een jaar later in mei in Parijs begon te druppelen. Daarom dat ik al die expo’s hier over Parijs-Mei 68 zo beu ben. 1967 was in Brussel een wonderjaar, zou Hendrik Conscience geschreven hebben, maar wat hier in 1967 gebeurde had natuurlijk te maken met het onweer in Leuven in mei 1966.

We leefden in een CVP-staat waar de Kerk meer macht had dan goed voor ons was. De bisschoppen zouden het in Leuven laten merken met hun fameus ‘mandement’ tegen Leuven Vlaams, daarbij gesteund door de CVP onder leiding van Paul Van den Boeynants. Zelf heb ik die verstikkende CVP-staat voor het eerst ondervonden toen ik na mijn Brusselse collegejaren besloot om in Leuven linguistiek te gaan studeren. De sfeer op die univ was bekrompen, drukkend zelfs en dat voor iemand als ik die toch uit een katholiek college kwam. Niet alleen viel die linguistiek tegen: één uur en dat was het, en voor de rest werd je opgeleid om kinderen de verbuiging van der, die, das aan te leren en ze erop attent te maken dat Shakespeare niet vervelend was. Maar wat erger was: we moesten twee uur kerkgeschiedenis volgen en dan nog eens metafysica, een soort gecamoufleerde godsdienstles waarin ‘bewezen’ werd dat god bestond, dat Sartre een onbenul was en de nazi Heidegger de grootst levende filosoof. En sex bestond nog niet. Ludo Martens werd van de universiteit gestuurd, niet omwille van zijn politieke ideeën maar omwille van het sex-nummer van het studentenblad Ons Leven, waar hij verantwoordelijk voor was. Het academiejaar was dan ook nog maar halfweg of ik schreef me in aan een Brusselse filmschool. Het linkse Brussel van 1967 dat niet te lijden had onder de verstikkende CVP-staat, ook al werd die toen geleid door de Brusselaar Paul Van den Boeynants.

Het Brussels filmmuseum, onderleiding van oud-verzetsman Jacques Ledoux, organiseerde in Knokke in 1967 een Experimenteel Filmfestival. Daar waren niet alleen experimentele films te zien, maar je kon er ook homo-erotische films bekijken van een Griek wiens naam ik ben vergeten en dat in het Casino van Knokke. En, er was ook spektakel: een Japanse jonge dame begon zich op de galatrappen uit te kleden en kroop poedelnaakt in een grote zwarte zak om niet meer te verroeren. Ze heette Yoko Ono – toen nog nooit van gehoord. (1) Hugo Claus liet er zijn versie van Marieke van Nijmegen opvoeren. “Masscheroen en God,” of beter “de Drievuldigheid,” werd gespeeld door drie naakte mannen, waaronder de directeur van mijn school, Rudi Van Vlaenderen. Naar aanleiding van mei 68 in Parijs werd het later ook nog eens opgevoerd in de Brusselse Bozar.

Masscheroen (Rudi Van Vlaenderen is de man in het midden)

Als Claus blote mannen toont, ik een blote vrouw dacht de toen nog onbekende Jef Geeraerts en in dat zelfde Bozar werd in datzelfde jaar 1967 zijn “Zeven Doeken van de Schepping” opgevoerd in een regie van een leraar van ons, Dré Poppe – later stichter van NTG-Gent- en de blote vrouw werd gespeeld door zijn dochter Martine Poppe en dat was een schoon kind. Ik kon het weten want ze vrijde toen met mijn boezemvriend. Wij daar naartoe, maar buiten het beeld van Martine herinner ik mij niets meer van dat stuk, behalve een onnozele haikoe die erin werd gedebiteerd: ‘De zon komt op, De Zon gaat onder, Langzaam telt de Chinese boer zijn kloten’. Geeraerts was toen al overroepen.

Maar de censuur sloeg ook in Brussel toe, en wel bij de interessantste, meertalige boekhandel rechtover Bozar, Librarie Corman. Mathieu Corman(2) was een communist met anarchistische neigingen die nog in de Spaanse burgeroorlog bij de Durutticolonne had gevochten en wars was van elke censuur.

Mathieu Corman in Asturië

Het is in zijn boekhandel dat in 1969 van dezelfde Geeraerts, “Gangreen I” kortstondig werd aangeslagen. Maar je vond er naast artistieke, literaire of libertijnse boeken – ik kocht er mijn eerste nummers van Hara Kiri – heel veel politiek. Zo alles wat Francois Maspéro in Parijs publiceerde. Als ik door mijn bibliotheek ga vind ik er nog van terug: ‘La Guerre de Guérilla’ van Che Guevara, ‘Guerre du Peuple, armée du peuple’ van Vo Nguyen Giap, de Vietnamese generaal die de Fransen versloeg in Dien Bien Phu, alles uit 1967.

In januari van datzelfde linkse wonderjaar 1967 wou Rudi Barnet – nu als 80-jarige actief in de BDS-beweging tegen Israël – het stuk van Aimé Césaire opvoeren over de moord op Lumumba, “Une saison au Congo.” Geen enkel theater durfde het aan, ook al kreeg hij de steun van Hugo Claus en vele anderen, waaronder mijn directeur Rudi Van Vlaenderen. Het werd een opvoering in een klein cultureel centrum in Anderlecht, met alle politie-intimidatie die er bij hoorde. De rol van generaal Janssen was voor Rudi Van Vlaenderen.

Une Saison au Congo

Tot slot was er de impact van de Chinese Culturele Revolutie, zonder dat de studenten De Gedachten van Mao Tsetoeng hadden gelezen vielen ze voor de man en wel hierom. Toen de studenten daar in Peking zich roerden tegen de bureaucratie van het regime door dit op grote muurkranten (Dazibao) te verkondigen kregen ze onverwachte steun van de Grote Roerganger die hen met een eigen dazibao aanmoedigde om in heel China het stof van de oude cultuur te doen wegwaaien. Dat was wat anders dan Leuven of België. Groeperingen die zich naar Mao’s voorbeeld marxistisch – leninistisch gingen noemen sproten dan ook op in Brussel: Mao Spontex, UUU-Université-Usine-Unité, UCMLB, dat later opging in Amada, nu PvdA en zelfs de officiële KP kende een splitsing. Brussel en later heel België zou nooit meer de ‘rust’ kennen die de CVP-staat zo wenste. De meeste partijen werden gesplitst en ook de staat. Alle rust was weg want zoals Bertold Brecht over de revolutionair al dichtte: ‘waar hij gaat zitten, gaat ook de onrust zitten.’ Ik was toen twintig en ben nog altijd tamelijk ‘onrustig’.

(1) De toenmalige BRT heeft het optreden van Yoko Ono gefilmd, net als de opvoering van Masscheroen. Beide opnames werden door de BOB (Bijzondere Opsporingsbrigade) in beslag genomen en deze historische documenten van onschatbare waarde zijn daarna verdwenen in de krochten van het justitiepaleis.

(2) Over de ongemeen boeiende figuur van Mathieu Corman presenteerde journaliste-filmmaakster Greet Brauwers haar documentaire vorige zomer op Theater aan Zee in Oostende. Zie: https://www.hln.be/regio/oostende/-hij-was-zoveel-meer-dan-boekhandelaar~ab93e5fe/

Zie ook: http://florsnieuweblog.blogspot.com/2014/12/van-durruti-naar-corman.html

 

 

 

 

October 6, 2018 at 10:54 am 4 comments

MEDIA EN POLITIEK

Door Johan Depoortere

Doen de media aan politiek? Dat zal wel zijn: daar waar de politiek tekort schiet vervullen de media hun essentiële taak en dat is de klok te luiden over toestanden die de samenleving aanbelangen. Is dat politiek? Wel zeker als je ervan uitgaat dat politiek zowat alles is wat samenleven ten goede of ten kwade beïnvloedt. Is het niet opvallend dat het de media zijn die in deze verkiezingstijden een aantal grote thema’s op het bord van de politici hebben gelegd en daarmee een noodzakelijk debat op gang hebben gebracht? Denk aan de commotie rond het extreemrechtse Schild en Vrienden, de neonazis op de Vlaams-Belanglijsten, en meest recent het schandaal van de sociale huisvesting in Gent. Allemaal thema’s die van het hoogste belang zijn in onze samenleving maar die onder de korenmaat waren gebleven had het van de campagnevoerende politici afgehangen. Ook het falende energiebeleid is grotendeels dank zij de media – en ongetwijfeld tot ongenoegen van de beleidsmakers – onder de aandacht van het grote publiek gekomen.

Rik Van Cauwelaert opperde in zijn commentaar op de campagnegebeurtenissen van de dag dat de media de laatste tijd de geliefkoosde boksbal lijken te zijn van de politici die de burger smeken om zijn stem. Het is duidelijk waarom: hoe comfortabel zou het niet zijn als die vervelende journalisten- pottenkijkers de andere kant opkeken of er het zwijgen toe deden. NVA-voorzitter Bart De Wever gaf tijdens het openingscollege met de voorzitters in Gent zijn extreemrechtse collega Van Grieken gelijk toen die het de krant Het Laatste Nieuws kwalijk nam dat ze de neonazis op de VB-lijst met naam en foto had aangewezen. Let wel: foto’s van kandidaten die met alle mogelijke middelen campagne voeren zouden dus met de grootste discretie tegemoet moeten worden getreden. Het is veelbetekenend dat zowel Van Grieken als De Wever het in Keulen hoorden donderen toen ze via de media moesten vernemen dat Hitleraanbidders en antisemieten op hun kieslijsten prijken. Zonder Pano, Het Laatste Nieuws of Apache waren neonazis en aanhangers van Schild en Vrienden ongetwijfeld als normale mainstream kandidaten van NVA en Vlaams Belang aan de kiezer gepresenteerd.

Dat diezelfde Bart De Wever op gespannen voet leeft met publicates als De Standaard en met de openbare omroep is genoegzaam bekend. The press is the enemy zei Richard Nixon al en voor Trump zijn de media vijanden van het volk. De Wever lijkt er ongeveer ook zo over te denken. Hij deinst er niet voor terug om één bepaalde journalist, namelijk Bart Brinckman, openlijk tot vijand te verklaren en diens werkgever onder druk te zetten om hem te broodroven. Het zal de burgemeester van Antwerpen ook niet welgevallig zijn dat zowel De Standaard als de VRT zijn leugens en verdraaiingen over het zogenaamde Australische “immigratiemodel” hebben doorprikt en hebben aangetoond hoe dat “model” in werkelijkheid een afschrikwekkend voorbeeld is van onmenselijkheid en totale minachting voor de anders zo geprezen “waarden van de Verlichting.” Als de media de geliefkoosde boksbal van de politiek zijn is er maar één conclusie: dat ze deze keer althans doen wat van hen wordt verwacht.

October 3, 2018 at 9:27 pm 1 comment

TRUMP AAN DE SCHELDE

Bart De Wever en de strategie van de angst.

Door Johan Depoortere

Bart De Wever moet met tevredenheid terugkijken op zijn recente optreden in Terzake. De Antwerpse burgemeester kiest zijn mediamomenten zorgvuldig uit en nu was er reden genoeg om de partijcommunicatie in eigen handen te nemen. Zijn goudhaantje Franken lag serieus onder vuur, krachtpatser Jambon slaagt er niet in een geloofwaardige strategie uit te werken voor het zogenaamde “transmigratieprobleem,” “straffe madam” Zemir leek uit de bocht te gaan met haar verzet tegen een islamschool in haar thuisbasis Genk. De leiders van de coalitiepartijen roken bloed en schoten met scherp.

Maar de voorzitter trad hen in Terzake met open vizier tegemoet: het zelfvertrouwen, de assertiviteit, ja de agressiviteit spatte ervan af. De baas zou even de puntjes op de i zetten: ja de – nog op te richten – islamschool in Genk is een gevaar voor de democratie en ja Franken heeft een model op zak voor de oplossing van het migratieprobleem, het Australische namelijk dat zijn doeltreffendheid bewezen heeft: geen enkele vluchteling sterft nog op zee en de kampen op de eilanden in de Stille Oceaan zijn leeg. Nog een ideetje van de voorzitter: pak die “transmigranten” hun mobieltje af en je ziet dat ze België voortaan zullen vermijden als de pest. Probleem opgelost.

Dat het allemaal zover is moeten komen daarvoor is de Duitse bondskanselier Angela Merkel verantwoordelijk: de toestroom van vluchtelingen, de Brexit, de “destabilisatie van de Duitse democratie” – allemaal de schuld van het “Wir schaffen das.” De keizer van Antwerpen klopte zich luidruchtig op de borst: Had hij het immers niet allemaal precies zo voorspeld? En hij haalde er zijn beste Engels voor boven: “I hate to say I told you so.”

Helaas helaas blijkt er met de “oplossingen” uit de koker van de keizer een en ander loos te zijn en lijden de beweringen van De Wever onder een hoog Trumpgehalte. Dat Merkel verantwoordelijk zou zijn voor de “toestroom” van vluchtelingen en alle ellende die daarmee gepaard gaat wordt door de feiten tegengesproken. Onderzoek door het Duitse kwaliteitsblad Die Zeit en de Britse universiteit van Oxford leert dat de vluchtelingenstroom uit Syrië al in 2012 op gang is gekomen, drie jaar vóór de uitspraak van Merkel. Niet de beroemde zin van de Duitse bondskanselier maar de opflakkering van de oorlog in Syrië was daarvan de oorzaak. Na het “Wir schaffen das” is het aantal vluchtelingen in Europa niet toe- maar afgenomen. De opkomst van Alternative für Deutschland waar De Wever naar schijnt te verwijzen is behalve door de immigratiepolitiek van Merkel nog door tal van andere oorzaken te verklaren. De manier bijvoorbeeld waarop de Duitse eenmaking is verlopen die een economische kaalslag heeft veroorzaakt in de voormalige DDR en die een groot deel van de Oostduitse bevolking met diepe frustraties heeft achtergelaten. Sympathiseren met de anti-migratiestandpunten van extreem-rechts en tegelijk krokodillentranen plengen over de teloorgang van de democratie: ziedaar de spagaat van de NVA.

 

Vluchtelingen op het eiland Nauru “Isle of Despair”

Zowel De Standaard als Terzake brachten de dag na het interview met De Wever verhalen over de werkelijke toestand op de eilanden die volgens de NVA-voorzitter “ontruimd” zouden zijn en dus het succes zouden bewijzen van de Australische vluchtelingenaanpak. Het gaat om de eilanden Nauru (in de Stille Oceaan) en Manus op Papoea-Nieuw-Guinea. Daar worden sinds 2013 kandidaat-asielzoekers opgesloten die per boot Australië proberen te bereiken. De levensomstandigheden in de detentiekampen zijn onmenselijk. Het kamp op Manus werd inderdaad eind vorig jaar gesloten, maar de bewoners zijn niet verdwenen; ze dolen rond op het eiland, worden bedreigd door de plaatselijke bevolking en kunnen nergens naartoe, tenzij ze zich bereid verklaren terug te keren naar het land dat ze om veel redenen zijn ontvlucht. “Op Nauru zitten honderden kinderen vast zonder utizicht op een toekomst,” schrijft De Sandaard Dat leidt tot depressies en zelfmoordpogingen. ‘Sommige kinderen zitten er al zo lang dat ze niet langer praten of eten’, zei Daniel Webb van het Human Rights Law Center in Melbourne deze week aan de Washington Post.Tot zover het Australische succesverhaal.

De Wever haalde  nog een tovermiddel uit zijn hoed om de problemen van transmigratie op te lossen: Pak de migranten hun mobieltjes af. De keizer van Antwerpen ziet zich als “minister van binnenlandse zaken, van justitie en nog wat meer” merkte justitieminister Koen Geens sarcastisch op. Hij had eraan toe kunnen voegen dat de NVA-voorzitter zich ook met de wetgevende macht lijkt te vereenzelvigen. Maar een nieuwe wet is blijkbaar niet nodig om de migranten te pesten: nu al klagen tientallen van hen dat de politie hun mobieltje afpakt: de levenslijn in hun precaire omstandigheden. Daar blijft het overigens niet bij: getuigenissen over hondenbeten, verwondingen en agressief gedrag door politiemensen zijn schering en inslag. Niets van dat alles zal wanhopige mensen ervan weerhouden om in of via België een menswaardig bestaan te zoeken. Volgens professor Mirjam van Reisen, voorzitter van het adviesorgaan Europe External Policy Advisors, werkt het afpakken van smartphones om mensensmokkel te stoppen zelfs volledig averechts: “Om mensenhandelnetwerken in kaart te brengen, heb je het vertrouwen nodig van de slachtoffers” zegt ze tegen Apache (maar dat is dan weer een “lasterlijk medium” volgens De Wever).5

In dit gebouw zou een islamitische school moeten komen. Niet als het van de NVA afhangt.

Tenslotte is er de controverse over het voornemen van de organisatie Milli Görüs om een islamitische school op te richten in Genk. Volgens De Wever is Milli Görüs een gevaar voor de democratie. De Duitse veiligheidsdiensten zien “banden met de Sharia, het verheerlijken van terreur en het salafisme” beweerde De Wever in Terzake. Alweer volgens De Standaard blijken die Duitse Veiligheidsdiensten een veel genuanceerder beeld te hebben van de organisatie die overigens haar banden met Turkije wil versoepelen. De Standaard: ‘De leden van de organisatie mogen niet meer in hun geheel tot het extremistisch milieu gerekend worden’, staat in rapporten van de federale (Duitse – jd) inlichtingendienst.’ De alarmkreten van Demir en De Wever zijn dus op zijn minst voorbarig maar passen perfect in de strategie van de angst waarmee de NVA op electoraal succes rekent: angst voor de islam, angst voor migranten, angst voor de drugsmaffia, angst dat uw kinderen geen fatsoenlijk onderwijs zullen krijgen, angst voor Borgerhout, angst voor de Turnhoutse Baan – de lijst is eindeloos. Om de angst op te poken zijn alle middelen goed, inclusief platte leugens en demagogie.

 

1 Zie Knack 12-01-2017 “Factcheck: bracht Merkel met ‘Wir schaffen das’ de vluchtelingenstroom op gang”

2 Zie: https://salonvansisyphus.wordpress.com/2018/09/06/chemnitz-het-lelijke-gezicht-van-duitsland/

3 De Standaard 21-09-2018 Factcheck ‘De opvangkampen zijn leeg’

4 Ibid

6 De Standaard 22-09-2018 Bart De Wever in Terzake: ‘Volgens de Duitse veiligheidsdiensten doet Milli Görüs zich gematigd voor, maar is ze tegen de westerse waarden’

September 22, 2018 at 5:47 pm 4 comments

DE KRIMINELE KEIZER

Door Lucas Catherine

‘s Zondags kan je best door Brussel flaneren via zijn markten: de Voddenmarkt, de Zuidmarkt, de markt van het Slachthuis van Anderlecht, noem maar op. De Antiekmarkt op de Zavel doe ik omdat daar meneer Van Ghendt staat die handelt in voor mij meestal onbetaalbare Kongoboeken. Nu stond er achter zijn kraam een soort folkloregroep te dansen. Eerst dacht ik: Basken, maar de groep moest Brusselaars uit de zestiende eeuw verbeelden. Ah ja, natuurlijk Den Ommegang gaat uit en er loopt het Keizer Karel festival dat zal uitmonden in een Bruegel-jaar. Breughel zeggen de folkloristen.

Nu heb ik iets tegen Keizer Karel, de man die in 1522 de inquisitie bij ons invoerde via zijn Leuvense biechtvader Adriaan Boeyens die hij later als beloning massaal sponserde om Paus te worden als Adrianus V. Dezelfde Adriaan die hoofdinquisiteur in Spanje werd en in 1520 beval de eerste boeken in Leuven te verbranden en drie jaar later de eerste contestanten, zeg maar protestanten, op de Brusselse Grote Markt op de brandstapel deed belanden. Keizer Karel die oorlog voerde tegen Frankrijk en verder tot in Tunis en Algiers, de man die Rome plat brandde, er paters en nonnen tot orgieën verplichtte en er twaalf duizend mensen liet doden. Een man, waar katholieken en folkloristen toch veel goeds over kunnen vertellen en die gepropageerd wordt via bier en vertelselkes zoals De Pot van Olen of de Pissende Boer van Berchem. Michel de Ghelderode was zo’n antimodern katholiek schrijver die deze verhalen zogezegd verzamelde maar ze vaak zelf verzon.

Foto: Toeristische Dienst Brussel

 En hoe viert de toeristische dienst van Brussel hem: met een Ommegang die niets te maken heeft met de originele in de zestiende eeuw, want daar liepen toen bvb kamelen in, maar de huidige toeristische versie werd in 1830 gecreëerd door de folklorist Albert Marinus en toenmalig burgemeester Adolphe Max. Verder ‘niet te missen’ een Buffet Historique, Kruisboogschieten of doet u liever mee aan een atelier over bierologie (jawel de kunst van het bierbrouwen)?

Als het aan mij lag dan kreeg u eerder een atelier aangeboden over hoe de dichters van toen de Keizer zagen:

Des Conings hert gantsch rotsig,

end’ hard als marbelsteen,

bloetdorstig, loos en vals,

is seer verkeert en trotsig,

hij trachtet maer elck een,

te brengen om den hals.

Of dit :

Men brand, men blaeckt, men schend, men moort:

t Arme volc laes! Rechte voort

lyd nu groot gewelt, en wort seer gequelt.

Noyt dack van regen so druypen men sag,

Gelyck men ’t volck weenen siet al den dag.

Of nog dit prozastuk, het verslag van een ooggetuige van zo’n verbranding op de Brusselse Grote Markt in 1545

Het is niet te geloven welke afschrikwekkende vlammen dat produceerde, want het materiaal was uiterst brandbaar. Bij mijn weten heb ik werkelijk nooit van mijn leven zoiets afschuwwekkends gezien. De brand was zo fel, het geweld van de vlammen zo hevig, dat

het leek alsof zij zelfs de wolken raakten en deze door hun gloed compleet in brand staken en in vlammen deden opgaan. Een onmetelijke vonkenregen steeg onder luid geknetter ten hemel en bad de eeuwige godheid als met een sprekende stem om wraak voor zo’n misdrijf. Uiteindelijk was het zo’n grote vlammenzee dat de lichamen in een handomdraai in as waren verkeerd en in rook opgegaan.’

De eerste terechtstelling in 1523 van Hendrik Vos en Jan Van Esschen lokte bij de Brusselse intelligentia die naar de verbranding keek verontwaardiging op. De tapijtwevers Tsas, De Pannemaeker en hofschilder Barend van Orley protesteerden luidop. Van toen af werden Wederdopers, Lutheranen en Calvinisten Protestanten genoemd.

En die protesten hielden niet op. Bruegel is er een mooi voorbeeld van. Alleen zal je er in het Bruegeljaar niet veel van merken. Ook hier wordt het folklore en wordt de ‘Boeren Breughel’ opgevoerd. Terzijde: de spelling Breughel komt van de folkloristen. De man zelf tekende zolang hij in Antwerpen woonde met Brueghel en later in Brussel met Bruegel. Spreek uit Brugel en niet Breugel. Soit. Het worden dus kinderspelen en spreuken en geen contestatie. Nochtans was Bruegel een contestant. In al zijn Bijbelse schilderijen is het decor het Pajottenland rond Brussel en zijn de Romeinse slechteriken vervangen door Spaanse tertio’sIn het schilderij De Preek van Johannes de Doper is het decor het bos van Heeghde (nu Louizalaan), de hoofdfiguur is niet Johannes maar Nicolaas Van der Elst, een bekend hagepreker en rechts op een boomtak heeft Bruegel zich zelf geschilderd samen met zijn vrouw Marijke en zijn schoonmoeder Maaike.

Pieter Bruegel de Oude: De Preek van Johannes de Doper

 

2018 is in Brussel ook het jaar dat men de contestatie van Mei ’68 herdenkt. Daarom deze verre voorloper van “Sous les pavées il y a la plage”:

Want g’lyck de paerden syn geschapen om te ryden,

De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,

De Visch tot swemmen, end’ tot jock en ploeg den Os;

Soo mede wy oock om te wesen vry en los.

Bruegel produceerde in Antwerpen vooral prenten. Zijn schilderijen maakte hij in Brussel.

July 6, 2018 at 5:42 pm 1 comment

Het Brussel van Elsschot

 

Wie Elsschot zegt denkt Antwerpen. De film Lijmen Het Been van Robbe De Hert met onder andere Mike Verdrengh en Koen de Bouw heeft de koekenstad als decor. Dat klopt niet met het boek van Elsschot en ook niet met de realiteit waarop het gebaseerd is: het tragikomische verhaal van Boorman, mevrouw Lauwereyssen en Frans Laarmans speelt zich af in Brussel, en wel in het historische hart van de hoofdstad waar reclameman Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, zijn bureau en zijn stamcafé had, wellicht het “café van Dikke Jeanne.” Elsschot en Brussel, het is een band die onbekend en onderbelicht is en daar wil een andere Brusselaar iets aan doen: Lucas Catherine met name die in Elsschots oude buurt woont en die eerder naam maakte als eminente kenner van het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijns conflict. Het verband tussen die twee – Elsschot en de Arabische wereld – legt hij hieronder zelf uit.

Johan Depoortere

Tachtig jaar geleden verscheen Lijmen/Het Been als één boek.

Misschien denkt u nu, hoe komt het dat Lucas Catherine die toch vooral over Kongo, de Arabische wereld en Islam schrijft, het over Willem Elsschot heeft? Wel dat is een heel verhaal:

In 1979, toen nog geen journalist het woord jihad had gebruikt kocht ik het zeer academische boek: The doctrine of Jihad in Modern History. In de eerste paragraaf viel al de eerste voetnoot, en wel bij de zin: of all Islamic institutions, jihad is certainly the one that offers the most admirable ressources for studies on the inexhaustible and complex theme of the relationship between Islam and Western colonialism.1

De auteur had hier duidelijk de marmer- en piano-tekst van Boorman en Laarmans uit Lijmen/Het Been toegepast. Dit is de oorspronkelijke Elsschottekst: De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigeux et inépuisable thème de la décoration.

En van het een komt het ander en heb ik Lijmen/Het Been herlezen en wat bleek voor mij als Brusselaar: Je kon dat boek gebruiken als een soort historische gids om mijn wijk, de Vismet en dat is dus de oude Brusselse haven te leren kennen tijdens de Belle Epoque en het Interbellum.

untitled--2

Het echtpaar Elsschot op wandel in Laken, bij het Chinees Paviljoen (foto Letterenhuis)

Willem Elsschot heeft tussen 1911 en 1914in Brussel op nogal wat adressen gewoond: Waterloose steenweg 41 (St-Gillis); Waverse steenweg 929 (Oudergem) en in Laken, Bockstaellaan 237, 3deetage boven Café Le Cygne (patronne: Dikke Jeanne), nu bakkerij. Hij vlucht naar Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog, maar zal Brussel iedere donderdag bezoeken, onder andere om zijn kleinzoon Tsjip in Ukkel te zien (E. Cavellstraat 106), stad waar hij ook naar toevlucht tijdens WO II.

Je mag niet vergeten dat ook zijn La Revue Continentale Illustrée = Algemeen Wereldtijdschrift voor Handel, Financiën, hier in Brussel op meerdere adressen gevestigd was, oa Quai des Charbonnages 74, Koolmijnenkaai, Molenbeek en in oktober 1913 : Brandhoutkaai 51 (Vismet, nu Citadinnes). Wat ook nogal eens vergeten wordt is dat hij een reclamebureau bezat: La Propagande Commerciale met een kantoor in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort .

Alfons De Ridder heeft zijn pseudoniem, Willem Elsschot in Brussel gelanceerd, maar het verwijst eigenlijk naar een dorp in Limburg van waaruit zijn moeder afkomstig was. Ook zijn eerste roman Villa des Roses heeft hij van hieruit uitgegeven. Het contract met de uitgever schreef hij neer op briefpapier van La Revue Continentale/ Het Algemeen Wereldtijdschrift.

Cover Revue Continentale Illustrée (bibliotheek Ugent)

Elsschot zei zelf: Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op één of andere manier van af moest komen. De gebeurtenissen in de boeken hebben zich ook in de werkelijkheid voorgedaanIk heb feitelijk niets anders dan een dagboek bijgehouden.

Brussel, en dan vooral het Brussel van net voor de Grote Oorlog is dan ook erg goed te herkennen in Lijmen/Het Been.Gezien al die adressen heeft Elsschot nogal wat rond gehangen in onze stad en zich verplaatsen was toen nog geen probleem. Brussel had net de paardentrams vervangen door elektrische trams en het centrum was prima verbonden met voorsteden als Ukkel, Sint-Gillis, Oudergem, Elsene of Laken. Zo zong Jef Casteleyn op de wijze van de Marseilleise

Pour admirer notre Belgique

Comme la richesse elle l’a changée

On voyait des trams éléctriques

Remplis de Belges et Etrangers

En de auto’s verschenen in het stadsbeeld. Het eerste Brusselse autosalon werd al in 1899 georganiseerd in de Pôle Nord (tussen de Kathelijnekerk en het de Brouckère plein) en vanaf 1902 gebeurde dit jaarlijks in het Jubelpark.De auto zou de trein gaan beconcurreren, of zoals Korthals het tegen Boorman uitlegt: Vroeger werden onze lieve doden gewoon per spoor verzonden, net als haring. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief tot eindelijk onze veertien (zijn gemotoriseerde lijkwagen) aan die gruwel een einde heeft gemaakt. 

Leopold II voorziet in zijn testament al de aanleg van de eerste autoweg Brussel-Oostende.

De Vismet met de Brandhoutkaai (collectie Plaizier)

De Vismet vandaag

Tussen smederij Lauwereyssen, Vlaamse steenweg 62, en het redactieadres van La Revue Continentale Illustrée lag de vroegere haven. Ze werd stelselmatig gedempt. Het dok dat voor het nummer 51 van de Brandhoutkaai lag was het laatste en verdween één jaar voor Elsschot er kwam werken. De Vismarkt werd er opgericht, tussen de Kathelijnekerk en de Populierstraat, maar het noordelijk deel van wat we nu nog de Vismet noemen werd chic. De cavitjes en kabberdoesjen die typisch waren voor de havenwijk ruimden plaats voor meer burgerlijke gebouwen. En ook de industrie rond de haven trok weg: de duurte van de grond, waardoor de meeste fabrieken de wijk moeten nemen uit het centrum, zoals Boorman de toestand samenvatte aan mevrouw Lauwereyssen..

De Varkensmarkt, aan het einde van de Vismet, werd verbreed, net als het kanaal. En parallel met de Vismet werd de Dansaertstraat aangelegd als veel bredere concurrent voor de smalle Vlaamse steenweg. Wat nog eens de grondprijs de hoogte in joeg en van de Vlaamse Steenweg een ingesloten populaire wijk maakte tussen riante nieuwbouw. Het wordt haast een Vergeten Straat, denk aan haar beschrijving in het Algemeen Wereldtijdschrift: Kent gij de rue de Flandre? Bezoekt haar en lezer, ook al had gij haar bestaan niet vermoed, en gij zijt ons dankbaar, niet? Want geen gids ter wereld, ook niet het reisbureau Orient, dat anders van aardige hoekjes afweet, had u er nooit heengebracht…Lezer gij hebt nu een hoekje van Brussel bezocht, waarvan gij het bestaan niet had vermoed.

Vlaamse Steenweg (collectie Plaizier) “En zo was ik met mijn rouwende drijver op een onzalige voormiddag toevallig in een zijstraat van de Chaussée d’Anvers terecht gekomen, niet ver van de Rue de Flandre waar Lauwereyssen en dikke Jeanne zaken deden. De groentemarkt was in volle gang. Er stonden talloze handkarretjes, ieder met een schreeuwend wijf, en op het trottoir verdrongen zich de koopsters alsof er voor allen niet genoeg zou zijn.” (Het Been – OP DE MARKT)

Café op de Vlaamse Steenweg: de inspiratie voor “het café van Dikke Jeanne?”

Langs de grote centrale lanen die onder Leopold II waren aangelegd over de gedempte Zenne, vestigden zich de eerste grote luxe restaurants. De vreemdeling die door ’t centrum van Brussel slentert en die, verdoofd door de drukte en de herrie, ergens bij de Beurs op een bank gaat uitrusten… verbeeldt zich nu eenmaal dat het centrum van die weelderige stad alleen uit hotels, koffiehuizen, patisserieën en parfumwinkels bestaat.De meer populaire restaurants vond je in de Beenhouwersstraat en langs de Vismarkt. Elsschot zal trouwens Louis-Paul Boon voor het eerst ontmoeten in Les Armes de Bruxelles, in die Beenhouwersstraat.

Het is de tijd dat de Belgische keuken haar eigen stijl ontwikkelt, onder meer dankzij Gaston Clément (1879-1973) die als kok voor Leopold II en Albert I werkte. Hij is niet alleen de founding father van de Belgische keuken, maar promoot ook een nieuwigheid in onze voeding, de conserven. Van hem zijn de legendarische woorden: ‘de beste asperges zijn de asperges uit blik’. En die conserven nemen in het Museum voor Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen (de centrale gang in het kantoor van het Wereldtijdschrift) het meeste plaats in. Mevrouw Boorman komt er zich regelmatig bevoorraden en veertien jaar later vraagt Boorman zich in Het Been af of zij niet is gestorven aan al die conserven.

In Boormans Museum prijkt naast een standbeeld van Leopold II, een negerafgod, een werpspeer en een baal rubber. De exploitatie van Congo had na de Belgische overname in 1910 een geweldige toename gekend. Alle produkten uit de kolonie werden in Antwerpen gecommercialiseerd, behalve twee luxe items: de banaan en de cacao. Dat de banaan bij het gewone volk een luxeproduct was, blijkt in Het Been, wanneer tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften een van de bieders, ostentatief vier bananen zit te eten. Alleen mensen met geld konden ze zich veroorloven en het mevrouwtje doet dan ook het hoogste bod: “Zo liet ook mijn buurvrouw de vellen van haar vierde banaan afhangen, zonder de laatste hap te doen…tot mijn buurvrouwtje dat de hele morgen gegeten en gezwegen had, haar onttakelde banaan in de hoogte stak om de aandacht van de notaris te trekken en rustig driehonderdvijftig bood. 

Bananen kwamen toen exclusief uit Congo – het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat de Amerikanen hun Latijns-Amerikaanse bananen bij ons zullen introduceren – en in de havenwijk waren er dan ook verschillende bananenrijperijen. Zo waren de huidige binnenparking van restaurant La Belle Maraichère en het kunstencentrum Argos oorspronkelijk bananenrijperijen.

Inladen van Bananen in Kongo (foto Otraco)

En dan is er de cacao die de reeds bestaande chocolademakerijen niet alleen een boom bezorgde, maar de Congolese cacao zorgde van toen af voor de speciale diepe smaak van de Belgische chocolade. De cacao was van ons, en dus niet duur, dus mocht er extra veel in de cacaoboter. En toen kwam een Griekse Ottomaan uit Gent op het lumineuze idee om, zoals men frieten op straat aan het gewone volk verkocht, zijn pralines op de centrale lanen aan de paraderende bourgeoisie te verkopen. Leonidas Georges Kestekides had met zijn chocolade een prijs gewonnen op de koloniale tentoonstelling van 1910 en verhuisde in 1924 (het jaar dat Lijmen verscheen) zijn fabriek van Gent naar de Devaustraat (naast de Kiekenmarkt) en opende enkele winkels langsheen de centrale lanen2. Ze bestaan nog.

Ook de al bestaande kleine warenhuisketen Delhaize werd groot dankzij haar koloniale produkten. In 1906 werden ze hofleverancier voor cacao en koffie uit Kongo en waren mede-financiers van het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1910. Ze hadden ondermeer een winkel op de hoek van de Vlaamse steenweg en het Kathelijneplein. Ze versierden hun winkels met een Belgische Leeuw (vandaar Delhaize Le Lion), de slogan: gebruikt de producten uit onze kolonie en met een borstbeeld van Leopold II. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat Boorman zijn Museum op dezelfde manier inrichtte.

Vitrine Delhaize –1920 (colectie Delhaize)

Niet alleen de fabrieken trekken weg uit deze nieuwe, chique wijk, ook La Revue Continentale verlaat de Brandhoutkaai en trekt over het kanaal naar de Steenkoolmijnkaai 74.

Maar niet alleen La Revue Continentale Illustrée diende Elsschot als inspiratiebron, ook zijn reclamebureau La Propagande Commerciale (met een adres in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort). Met dit bureau geeft hij onder andere de officiële catalogi uit van de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Antwerpen en Luik (1930). Na ruzie met zijn vennoten (1931) geeft hij in eigen naam de catalogus uit van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1935. De rue de la Reinette loopt parallel met de Naamse Poort en daar was al tijdens de Kongo Vrijstaat van Leopold II een koloniale wijk ontstaan. Centrum was het Café de l’Horloge waar nu een metro-ingang is. Dat was een heel chic café waar het koloniaal kapitaal vergaderde. Je betaalde er niet met geld maar met jettons. Die moest je in tamelijk grote hoeveelheid ineens aankopen, zo beperkte men de clièntèle tot alleen maar de kapitaalkrachtigen.

Dit Art Nouveau Café werd tijdens de aanleg van de kleine ring als voorbereiding voor Expo 58, afgebroken en opgekocht door de grote baas van de Hiltonketen. Het werd steen voor steen genummerd en terug opgebouwd in Cairo in de Nile Hilton waar het bekend staat als Taverne du Champ de Mars, naar het Brusselse plein waar het stond. Minder begoede kolonialen spraken af in meer populaire cafés bij het begin van de Waversesteenweg. Het meest bekende was Le Lion Belge en dat moet Elsschot zeker bezocht hebben. Waarschijnlijk diende het als voorbeeld voor Brasserie du Lion Royal waar Boorman Laarmans zijn contract laat ondertekenen.

De koloniale wijk aan het begin van de Naamse Poort, gezien vanaf de Pippelingstraat (archief Stad Brussel)

Maar hiermee zijn we al ver van smederij Lauwereyssen, rue de Flandre 62 en het café van Dikke Jeanne.In deze oude havenwijk nemen de sociale conflicten toe. De kloof tussen rijk en arm wordt er erg groot, getuige het verhaal van de mosselvrouw die op afbetaling een pelsmantel had gekocht bij Weinstein, een van juifs de la rue Sainte Cathérine en die na vier jaar niet meer kon afbetalen. In Brussel stonden de joden bekend om hun handel in textiel en ook in pels. Mijn tante Julia heeft jaren bij de jood in de pels gewerkt tot ze er stoflong van kreeg. De bekendste winkel waren de Grands Magasins Hirsch in de Nieuwstraat (waar nu de C&A is). Hirsch is de Brusselse folklore ingegaan omdat zijn kleren tweedehands werden verkocht uitgespreid op de grond van de Voddenmet die daarom ook ondermeer als bijnaam kreeg Hirsch par Terre. Dat er in de Kathelijnewijk nogal wat joodse mensen woonden kan je nog merken aan de koperen herinneringsstenen naast klerenwinkel Au Coin de Rue ter gedachtenis van het echtpaar De Leeuw-Levie, in Auschwitz vermoord door de nazi’s in 1943.

Het is ook de tijd dat de socialisten sterk worden. Na de invoering van het meervoudig algemeen stemrecht hadden de liberalen hun absolute meerderheid in de Brusselse gemeenteraad verloren. Liberaal burgemeester Charles Buls neemt dan ook ontslag omdat hij, zoals hij in zijn dagboek schrijft: je ne veux être ni le prisonnier des cléricaux, ni l’allié des socialistenEn de vakbonden worden sterk – Horta had al in 1899 het Volkshuis gebouwd – en mevrouw Lauwereyssen klaagt dan ook: als bij afspraak wordt het gereedschap neergegooid en gaan de heren vloekend aan het staken. En wat je dan ook praat, het baat niet. Zij eisen verkorting van werktijd en verhoging van loon… Zij hebben twee bondsleden op mij afgezonden, mensen van hun metaalbewerkersbond of hoe het dan ook moet heten. Drie weken lang heb ik nog weerstand geboden, maar toen moest ik wel toegeven…

Was dit ook de visie van Willem Elsschot? Ik betwijfel het want in Kaas dat tussen Lijmen en Het Been in verscheen (in 1933) schrijf hij haast een lofzang op de toenmalige Sovietunie (van Stalin!): Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Men zegt zelfs dat zij in Rusland de heren geworden zijn. Als het waar is dan hebben zij dat verdiend dunkt mij. Zij schijnen het trouwens met hun bloed gekocht te hebben.

Volkshuis van Victor Horta, nu afgebroken (collectie Plaizier)

Toen Elsschot, op aandringen van Nederlandse vrienden Het Been als een vervolg schreef op Lijmen moest hij zijn personages van tien jaar eerder laten evolueren. Dikke Jeanne uit het café in de Vlaamse steenweg vermagerde wegens suikerziekte en veranderde van haarkleur. Laarmans was weer een gewone bediende geworden, maar wat met Boorman?

Elsschot’s voormalige zakenpartner, René Leclercq, met wie hij zeven jaar eerder had gebroken, had psychische problemen gekregen en had zich laten behandelen in de kleine privé-kliniek Sans-Souci van dokter Titeca. De naam Titeca is trouwens in het Brussels nog een synoniem voor ‘zothuis’. Maar Boorman wordt elders opgesloten. Hij wordt door de politie aangehouden wegens ordeverstoring tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften van mevrouw Lauwereyssen en de Brusselse politie voert gekken niet af naar een privé-kliniek, maar wel naar de psychiatrische afdeling van Brugmann, het OCMW-ziekenhuis van de stad. Daarvoor inspireert Elsschot zich op de lotgevallen van een goede kennis, Leo Frenssen, een ambulante kruidenier waar hij vaak mee discussieerde. Frenssen had in Antwerpen een partij gesticht voor Een Redelijke en Demokratische Communistische Maatschappij en gaf zo een krantje uit: De Voorlichter. Ze behaalden in 1938 zes zetels in de gemeenteraad en een jaar later wordt hij zelfs volksvertegenwoordiger. Tijdens een van zijn betogingen in Brussel werd Leo Frenssen door de politie opgepakt en naar de psychiatrische afdeling van het Brugmann-ziekenhuis gebracht. Hij vertelde zijn wedervaren in De Voorlichter en Willem Elsschot was er zo over verontwaardigd dat hij het verhaal gebruikt in de gasthuisscène van Het Been. Veel details kloppen: de zingende zot in bad, de geschifte die telkens opnieuw zijn bed dwangmatig opmaakt en de testen die Frenssen moest doen: onder meer snel na mekaar herhaalde malen Trente troisième régiment d’artillerie te zeggen. Bij Elsschot wordt dit Derde rijdende artillerie brigade.

Brugmann Ziekenhuis (collectie auteur)

Dezelfde Elsschot schreef ook een gedicht over communist Van der Lubbe – dat trouwens eindigt met mocht je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn. Maar daarnaast schrijft hij ook, in 1947, een gedicht tegen de terechtstelling van nazi-collaborateur Borms. Zoals ze in Brussel zeggen: daane Elsschot, heum es nie veu ien gat te vange.

De auteur bij de gedenkplaat gemaakt door de de Brusselse kunstenaar Benoît van Innis op de plek aan de Vlaamse Steenweg waar zich wellicht de smederij van mevrouw Lauwereyssen bevond.

Lucas Catherine, Zaterdagplein –neuvest de Vismet en ’t Begaanhof,2018

1Willem Elsschot, Lijmen. In: Verzameld werk, Amsterdam 1963.

2Patisserie Centrale Leonidas. De term pralines Leonidas duikt pas in 1937 op.

June 6, 2018 at 3:29 pm 7 comments

Older Posts Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,582 other followers