Posts filed under ‘boeken’

GODDELIJK

door Gie van den Berghe

Zonder ongelukken blijven de meeste mensen leven tot er vanzelf een einde aan komt. Dat kan maar hoeft niet te betekenen dat hun leven voldoende bevrediging biedt of genoeg laat verhopen. Wie er bewust heeft over nagedacht, kiest voor het leven ook al blijft de zin van vrijwel elk mensenleven beperkt tot een relatief kleine mensenkring. In het licht van de eeuwigheid hadden u en ik net zo goed niet kunnen bestaan.

Trek je deze gedachtegang door, vraag je naar zin en betekenis van het bestaan van homo sapiens, dan wordt objectief oordelen nog moeilijker. Vrijwel niemand kan het besef toelaten dat de Aarde beter af was geweest zonder mensensoort die eenieders biotoop verpest. De denkoefening loopt dood als je de balans probeert op te maken van wat homo sapiens aan positiefs en negatiefs heeft bijgedragen. Bijgedragen aan wat en vanuit welk gezichtspunt?
We kunnen de mensheid, haar betekenis, prestaties en tekortkomingen dus niet anders evalueren dan vanuit het eigen, soort-, mensgebonden perspectief. Humanisme in het kwadraat.

God ziet u

Giacomo Sartori (°1958), een Italiaans bodemdeskundige en schrijver, hanteert in zijn zevende roman, Sono Dio (Ik ben God), een metastandpunt: dat van god. God werd aan het denken gezet toen zijn oog op Daphne viel, een opgeschoten atheïste die beroepsmatig tot aan de ellenboog in de aars van koeien zit om aangelengd stierensperma in te brengen; als hobby kruisbeelden steelt om er zich in haar haard aan te verwarmen; volgens god seksverslaafd is en op de koop toe de website van het Vaticaan probeert te kraken om alle bankgeheimen en pedofiliedossiers te openbaren.

Choqueren doet het god niet, hij heeft wel erger meegemaakt: vierendeling, kruistochten, genocide – om maar iets te noemen. Maar hij is wel op slag verliefd op het schepsel. Het slaat hem met verstomming, maar hij heeft zich nooit eerder zo goddelijk en opgewonden gevoeld, erectie inbegrepen. Behoorlijk in de war begint hij – want ja, god is een stereotiepe hij – te denken en te schrijven, met dit dagboek als resultaat.

Daphne werd door Sartori vermoedelijk vernoemd naar die bosnimf uit de Griekse mythologie die werd achternagezeten door de god Apollo. Die had Eros een slecht boogschutter genoemd en de liefdesgod had zich gewroken door Apollo te treffen met een goud gepunte liefdespijl en Daphne met loden exemplaar. Apollo werd tot over de oren verliefd op Daphne en zij kon dat met geen mogelijkheid beantwoorden. Ten einde raad veranderde haar moeder haar in een laurierboom (‘daphne’ in het Grieks), een boom die Apollo tot het einde der tijden aanbad.

Apollo en Daphne door Jan Broekhorst (circa 1640)

Bij een zoveelste one night stand van de aardse Daphne overweegt god om het hart van haar sekspartner stop te zetten of hem door een tractor te laten verpletteren. Even voelt god de opwinding van de doder maar hij laat het daarbij. Overdreven geweld heeft hem nooit aangesproken, wat de bijbel – ‘een van de meest onbetrouwbare en misleidende verhalenbundels ooit’ – daar ook mag over beweren. Goed, hij heeft een paar keer zijn verstand verloren, maar dat waren uitzonderingen en die bevestigen, zoals dat heet, de regel.

Het daagt god dat voelen en denken onnodige kwalen zijn. Tot dan had hij perfect zonder gekund. Alleen daardoor kon hij eeuwenlang sereen en onpartijdig blijven. Niemand bevoor- of benadelen. Nooit tussenkomen, een kwestie van beroepsernst. Doet iemand er te lang over om een vreselijke dood te sterven dan is dat niet anders. Sentimentaliteit is uit den boze.

De rede is een overbodige luxe. Neem de schepping. Anders dan de bijbel het wil was dat geen weloverwogen daad, maar iets dat hem, god, overkwam. Uit het niets begon hij te scheppen. Hij was niet te houden, schiep en schiep. Het had op totale chaos kunnen uitdraaien. Maar zie, de hele creatie is harmonieus, ja esthetisch verantwoord. Krijg dat maar eens uitgelegd! Mensen konden niet anders dan de natuur bewonderen. Niet één vermoeide filosoof – en zo zijn er veel – heeft ooit beweerd dat de aarde afstotelijk of de natuur vreselijk is, geen enkele bioloog heeft ooit gezegd dat het dieren- of plantenrijk overgedaan moest worden. Niet niks, want mensen behagen is beslist geen sinecure. Ze aanbaden en vergoddelijkten de natuur, deden er behoorlijk lang over om zijn bestaan te ontdekken. Nu ja, beter laat dan nooit.

Na nog een eeuwigheid kregen mensen door dat de Aarde een onooglijk planeetje is dat rond een kleine ster draait in een kleine melkweg die met veel fantasie dé Melkweg wordt genoemd. Al gauw kwamen ze met een nieuwe theorie aanzetten, de Big Bang, alsof een universum uit zichzelf kan ontstaan. Voor dergelijke traagheid van geest moet je als Alwetende flink wat geduld opbrengen.

Geen evenbeeld

Sartori’s god is een mensenhater. Volgens hem besteden ze het grootste deel van hun tijd en energie aan achterhouden, voorwenden en misleiden. Charlatanisme zit hen in het bloed. Zoals nachtegalen geboren zijn om te zingen en kangoeroes om te springen. Mensen zijn lompe seksmaniakken met een onweerstaanbare neiging tot bijgeloof en fanatisme, wat steevast uitmondt in beestachtige daden en wederzijdse uitroeiing. Zonder mens geen kindermoord, oorlog of genocide. Het kwaad zit ze in het DNA. ‘Niet één nijlpaard werd een seriemoordenaar, geen enkele ijsbeer achtte zich superieur aan de bruine beer, niet één koe heeft ooit overwogen om soortgenoten met een iets andere neus te vergassen en te verbranden’. Of neem mensenkoppels. Ooit een koppel pinguïns elkaar de huid zien volschelden omwille van een schoonmoeder of nagelschaartje?! En dat voor een soort die dweept met liefdesliederen en zichzelf superieur acht aan alle andere dieren.

Tussenkomen heeft ook geen zin. Mensen houden van onrechtvaardigheden. Mocht god alle bestaande wreedheden ongedaan maken, dan zouden ze hun hersenen pijnigen om nog verschrikkelijkere te vinden. Je kunt van een nijlpaard niet verwachten dat het koorddanst of van een giraffe dat ze vliegt. Mocht god kunnen herbeginnen dan zou hij de mens niet meer in roulatie brengen, of in elk geval zijn libido drastisch verminderen of tot een bronsttijd beperken. Met heel wat minder mensen als bijkomend voordeel.

Uitverkoren

Evolutietheorie of niet, mensen gaan ervan uit dat ze superieur zijn en dat god hen boven alle andere dieren verkiest. Ze verlagen hem tot een dienstknecht die niet beter te doen heeft dan hun onbetekenende gezichtspunten, verlangens en smarten begrijpen. Jezus, die zogenaamde zoon van hem, heeft dergelijke waanideeën versterkt. Theologen hebben zoveel theorieën gespuid over de onbevlekte ontvangenis dat god de vader sterk twijfelt aan dat vaderschap. Er zijn zoveel gekken die rondbazuinen dat ze god zijn. Eén iets staat vast: mocht die uitgemergelde hippie in deze godvergeten tijd terugkeren dan zou hij geen zoon zijn maar een overtuigd terrorist.

Een categorie mensen vernedert hem niet maar ontkent zijn bestaan. Fundamentalisten die denken dat de wetenschap alles kan verklaren, ook de behoefte aan god en andere drugs, ja zelfs de oorsprong van leven. Ze schaften god en zijn rituelen af om ze meteen te vervangen door superstars, sportmanifestaties, muziekfestivals en consumentisme. Ze doen maar. Hij heeft iedereen altijd maximale vrijheid gegund. Waarom anders een Laatste Oordeel organiseren?

Het hele gedoe is soms best onderhoudend. Niet dat god amusement behoeft, maar deze clowns zijn zo vol van zichzelf, zo immoreel en onvoorspelbaar dat je eraan vastzit als aan de met leegte volgepropte televisieprogramma’s.

Mensen hebben twee voordelen op hem: stukje bij beetje vergeten ze alles en ze zijn sterfelijk, die meest radicale soort van vergeten. Ze hebben grote moeite met die eindigheid, terwijl een kind begrijpt dat een mensenleven maar de moeite loont omdàt er een eind aan komt. Misschien had hij hun levenscyclus anders moeten inrichten. Oud geboren, jong gedaan. Een evolutie van grijsaard naar volwassene, adolescent, zorgeloos kind, onwetend embryo. Versmelten met het niets. Minder leed, minder spijt, almaar gezonder en onwetender! [NOOT: Dit herinnert aan The curious case of Benjamin Britten (F. Scott Fitzgerald, 1921) in 2008 verfilmd door David Fincher.]

Hoogste hemel

Verliefd als hij is, begint god de mens iets beter te begrijpen. Even overweegt hij te incarneren als mens. Geen vleesgeworden god maar een feilbaar schepsel. Een tweevoeter die altijd angstig of ongelukkig is om peulschillen, altijd hongerig, dorstig of slaperig. God wil sterveling worden. Zeker, mens-zijn is een ellendige, middelmatige conditie, soms brutaliserend en dehumaniserend, maar ook romantisch. Hij wil het toch even aan den lijve  ondervinden. Ook die voor mensen zo belangrijke seksuele stimuli. Dronken worden van alle voortreffelijke wijn, bier, geestrijke drank en elixirs samen. Niet meer alleen zijn. Daphne als mens verleiden, haar vooral niet laten merken wie hij werkelijk is. De atheïste zou hem toch niet geloven.
God raakt over zijn toeren. Om te kalmeren plaatst hij enkele miljarden lichtjaren tussen hem en de aarde om als vanouds te genieten van de ontelbare melkwegstelsels die hij geschapen heeft. Terug goddelijkheid smaken. Afstand nemen van de mens, één van de tien miljoen diersoorten die hij op de wereld heeft gezet. Hij heeft de mens niet nodig. En Daphne? Wat hem betreft kan ze gefolterd of van achteren gepakt worden door een neushoorn, het maakt hem niet meer uit.

God is niet kwaad of razend, dat is beneden zijn waardigheid. Hij is ontgoocheld. Mensen hebben hem altijd al teleurgesteld. Oneindig goed als hij is, bleef hij het aankijken. Maar nu is het welletjes geweest. Ze gaan de weg op van dinosauriërs en mammoets. Ecologisch gezien is de mens uitroeien trouwens een goede daad. Goed, ze doen er zelf alles aan om dat te bewerkstelligen, maar het blijft maar duren, misschien kunnen ze een zetje gebruiken. Een ongeneeslijke epidemische ziekte of die Amerikaanse president even extra prikkelen om een kernoorlog te ontketenen. Maar toch beter van niet. Mensen geen excuus geven, ze verder hun eigen graf laten delven. Laat ze maar meedogenloos de Aarde uitputten en zich in slaap sussen met petities voor bijna uitgestorven soorten en te late milieuconferenties. Zelfs hij, de Almachtige, kan de catastrofe niet meer voorkomen. Dan nog maar eens scheppen? Geen sprake van! Hij heeft genoeg gezien.

Sartori’s knap gecomponeerde roman over een god die zijn schepper veroordeelt, zit boordevol filosofische en morele vraagstukken, knappe metaforen, zwarte humor en geestige terzijdes. Het boek verdient een plaats naast Voltaire’s Candide, ou l’Optimisme (1759) en het minder bekende maar even briljante toneelstuk van Oskar Panizza, Het liefdesconcilie (1894 – zie hierover: http://www.serendib.be/artikels/hemelbestormer.htm).

Affiche voor ‘Het Liefdesconcilie’ in de Rotterdamse Schouwburg

 

Giacomo Sartori – I am God. A novel, New York, Restless books, 2019, 208 blz. uit het Italiaans vertaald door Frederika Randall

https://restlessbooks.org/bookstore/i-am-god

 

July 6, 2019 at 6:30 am Leave a comment

ALS DE DOOD VOOR STERVEN

Tomas Ronse:  Rusthuis serie (2007)  Rene

door Gie van den Berghe

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Barbara Ehrenreich (°1941) werd bij het grote publiek bekend met De achterkant van de Amerikaanse droom (2005, oorspronkelijk Nickel and Dimed, 2001). Daarin deed ze verslag van drie maand undercoverwerk als serveerster, verpleegster en vakkenvulster, kwestie van de wereld van de slecht betaalden te doorgronden. Blijkt dat mensen die Amerikanen bedienen in supermarkten, drankgelegenheden, restaurants en ziekenhuizen – vaak zwarten – met geen mogelijkheid kunnen deelnemen aan het consumptiefestijn en vaak een precair leven leiden.

Barbara Ehrenreich

 

Werk genoeg, maar doorgaans zo slecht betaald dat je er niet behoorlijk kan van leven. Gevestigde kranten als The New York Times en The Washington Post besteden weinig aandacht aan de verholen armoede, haaks als die staat op de ronkende reclames voor allerhande luxeproducten. Daarom richtte Ehrenreich in 2012 het Economic Hardship Reporting Project op (http://economichardship.org), bedoeld voor undercover journalistiek die maatschappelijke ongelijkheid en onrechtvaardigheid blootlegt.

In haar recentste boek, Natural causes: An epidemic of wellness, the certainty of dying, and killing ourselves to live longer, pakt Ehrenreich – die ooit promoveerde in de immunologie – de gezondheidsgekte en geneeskunde aan.

De confronterende Nederlandse titel, Oud genoeg om dood te gaan, sprak me direct aan. Het 74 jaar oude lichaam dat ik ben is versleten, zit vol mankementen en pijn. Geneeskundigen zitten met de handen in het haar en loodsen me van de ene onwaarschijnlijke tot zotte diagnose (‘het zit allemaal in uw hoofd’) naar het andere lapmiddel. Dus ja, oud genoeg om dood te gaan. Gedaan met geloop, wachtzalen, pillen, placebo’s en panacees. Aanvaarden dat leven opgeleefd wordt, geen beroep meer doen op een geneeskunde die niet genezen kan, wat niet te genezen valt. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het voelt aan als een op de lange baan geschoven zelfdoding. Dat vergt moed. Je bent ook niet alleen op de wereld. Je geeft om anderen, anderen geven om jou. Zolang er gegeven kan worden. En er is nog zoveel te beleven en te doen. Zoals dit boek lezen en aan jullie kenbaar maken.

 

Stervelingen

We komen blètend ter wereld en verlaten hem zelden met een glimlach op de lippen. Alleen hardleerse gelovigen zijn ervan overtuigd dat er na de dood leven is, een hiernamaals waar alles gelukzalig is. Ze sterven om herboren te worden. Maar niet iedereen kan of wil troost putten uit de gedachte dat er na een leven van ontzegging, ontbering, gehoorzaamheid en boete (het smalle pad uit de Jezus’ Bergrede) een hemel opengaat.

In de voorbije decennia is de ouderdomsgrens in het noordelijk halfrond flink opgeschoven. Gerontologen hebben het over jonge ouden – fysiek en mentaal gezond – en oude ouden. Maar de helft van alle 85-jarigen is of wordt dement. En dat in een overbevolkte en mede daardoor almaar onleefbaarder wereld. Toch wordt er ijverig gezocht naar levensverlenging en worden bedenkelijke levens ‘gered’. Begin dit jaar mocht in Japan een in leven gehouden prematuurtje van 268 gram na een half jaar het ziekenhuis verlaten.

Als leven heilig is, een godsgeschenk, dan zijn sterven en dood taboe. Geen abortus, geen euthanasie, geen (hulp bij) zelfdoding. Palliatief lijden en afzien, hoe voltooid en verdoofd het overleven ook is. Voortijdig sterven mag enkel en alleen voor het Vaderland.

 

De ziekte-industrie

De gezondheidszorg, schrijft Ehrenreich, is veranderd van een vorm van huisnijverheid in een industrie die een gezond en lang leven belooft. Ouder worden en doodgaan worden niet langer gezien of ervaren als doodnormale fases in een levenscyclus, maar als een soort ziektes, behandelbaar en wel. Je mag niet zomaar dood gaan. Alles wordt in het werk gesteld om je te ‘redden’. Ook wie duidelijk heeft gemaakt dat hij of zij in bepaalde omstandigheden op een natuurlijke, niet-gemedicaliseerde manier wil sterven, komt vaak nog ‘aan slangen en snoeren op de afdeling intensive care’ terecht. Sommige Amerikaanse artsen die weten dat die intensieve zorg ‘eerder tot gebreken dan tot een verbeterde gezondheid leidt’, hebben een tatoeage laten zetten die duidelijk maakt dat ze onder geen beding gereanimeerd willen worden. Het stervensproces, schrijft Ehrenreich, werd gemedicaliseerd en verlengd zonder dat er veel veranderde aan het ouderdomsproces. En dat blijft voor velen lang, onaangenaam, lastig, smerig en eenzaam.

 

Op sterven na

Als immunologe weet Ehrenreich dat het lichaam geen geoliede machine is ‘maar een plaats waar op celniveau een onophoudelijke strijd woedt die, tenminste in alle ons bekende gevallen, eindigt in de dood’. Kanker bijvoorbeeld – die ze zelf overwonnen heeft – is ‘een opstand van een groepje cellen tegen het organisme’. Je mag nog zo goed letten op je levensstijl, calorieën tellen, eindeloos fitnessen, niet roken, geen alcohol drinken, geen vlees eten – op den duur kunnen immuuncellen die het lichaam beschermen er zich tegen keren. Bij de voortdurende vernieuwing van immuuncellen treden met het verstrijken der jaren meer en meer foutjes op. Ehrenreich verwijst hiervoor naar de volgens haar alom geaccepteerde theorie van Claudio Franceschi, maar bij nazicht van enkele van diens publicaties blijkt een en ander toch iets ingewikkelder in elkaar te zitten.

Toen Ehrenreich met het klimmen der jaren ‘geleidelijk aan tot de conclusie kwam dat [ze] oud genoeg was om dood te gaan, besloot ze dat ze tevens oud genoeg was om geen pijn, ‘ongemak of verveling meer te doorstaan ten gunste van een langere levensduur’. Daarom doet ze sinds enkele jaren niet meer mee aan verplichte of ‘raadzame’ medische onderzoeken. Er rest haar steeds minder tijd en dus ‘is elke maand en dag [haar] te kostbaar om in wachtkamers zonder ramen of onder het kille oog van een apparaat door te brengen. Oud genoeg zijn om dood te gaan is een prestatie, geen nederlaag, en de vrijheid die dat geeft is het waard om te vieren’. Leven, schrijft ze, is tenslotte maar ‘een onderbreking van de eeuwigheid waarin je niet bestaan hebt’, een korte gelegenheid ‘om de levende, altijd verrassende wereld om ons heen te observeren en ermee verbonden te zijn’.

 

 

Bevolkingsonderzoek

Ehrenreich heeft geen boodschap aan al die op preventie gerichte bevolkingsonderzoeken. Artsen, ziekenhuizen en farmaceutische bedrijven verdienen geld aan volkomen gezonde mensen door ze aan testen en onderzoeken te onderwerpen die statistisch gezien veel te weinig opleveren. Mensen, vervolgt Ehrenreich, worden opgeroepen, bang gemaakt en ondergaan screenings die niet altijd ongevaarlijk zijn, foutpositieve en foutnegatieve resultaten kunnen opleveren. Een mammografie is behalve ongemakkelijk tot pijnlijk, ook ‘de enige omgevingsfactor waarvan met zekerheid geweten is dat die borstkanker kan veroorzaken’. Doorverwijzingen voor een mammografie zijn ook op weinig meer gebaseerd dan het Fingerspitzengefühl van artsen. Grootschalige, internationale controlestudies tonen volgens Ehrenreich (die naar tal van bronnen verwijst) geen betekenisvolle verlaging van borstkankermortaliteit die te danken zou zijn aan regelmatig borstonderzoek. Hetzelfde geldt voor de screening op prostaatkanker.

 

Tekening: Frank Soete

 

Het Amerikaanse College van Artsen meldde in 2014 dat de meeste gynaecologische controles geen enkele meerwaarde hebben voor gezonde volwassen vrouwen en ‘het ongemak, de angst, de pijn en extra kosten’ absoluut niet waard zijn. Vijftigplussers ontkomen ook niet aan de druk om zich aan darmonderzoek te onderwerpen terwijl ook daar foute uitslagen geregistreerd worden die overbehandeld ofwel niet behandeld worden. Veel mensen worden ‘behandeld voor een tumor die waarschijnlijk nooit voor problemen zal zorgen’. Een recent artikel in De Groene Amsterdammer leert dat veel van dit alles ook geldt voor onze contreien (Malou van Hintum, Tot de operatie was ik kerngezond, 24.4.2019 –https://www.groene.nl/artikel/tot-de-operatie-was-ik-kerngezond ).

 

Overdiagnostiek neemt, dixit Ehrenreich, epidemische vormen aan. Botverzwakking of osteopenie bijvoorbeeld, is geen ziekte, maar vrij normaal bij vrouwen van boven de vijfendertig. Het hoort bij ouder worden. Maar wat blijkt: in de VS worden ‘de meeste botscans zwaar gepromoot en zelfs gesubsidieerd door de fabrikant van het medicijn. Sterker nog, het begunstigde medicijn bleek in de periode van [Ehrenreichs] diagnose juist de problemen te veroorzaken die het moest voorkomen – botontkalking en breuken’.

Moeilijk te beoordelen voor de medische leken die de meesten onder ons zijn. Zeker, de ziekte-industrie moet kritischer benaderd worden, maar wel oppassen dat je niet in het spoor raakt van anti-vaxxers.

 

Rituelen

Veel medische handelingen en behandelingen zijn een soort bezweringsrituelen, vergelijkbaar met genezingsrituelen bij zogenaamd primitieve volkeren. Ze gebeuren op speciale plekken, worden uitgevoerd door gekostumeerde en vaak gemaskerde mensen, die magische en gevaarlijke middelen toedienen en instrumenten hanteren die buiten het bereik vallen van gewone mensen.

Rituelen spelen een niet onbelangrijke rol in de medische zorg. Patiënten zijn ervan gediend en hebben er ook baat bij. Ehrenreich vermeldt een onderzoek waaruit blijkt dat de klachten van mensen met het prikkelbaredarmsyndroom die een pil kregen waarvan expliciet werd gezegd dat ze géén werkzame stof bevatte, evenveel baat hadden bij die placebo als de controlegroep die een door de overheid goedgekeurd medicijn had gekregen.

 

Toen Ehrenreich in wetenschappelijke publicaties ontdekte dat de ‘vijfenzeventig jaar oude remedie tegen verhoogde oogdruk die al aan tientallen miljoenen mensen was voorgeschreven’ niet werkzaam was, ja dat zes studies uitwezen ‘dat de behandelde patiënten uiteindelijk slechter af waren dan de onbehandelde groep’, besefte ze ‘dat het medische besluitvormingsproces niet op harde feiten of een formele analyse berust, maar op drijfzand’. Dat moge dan een onterechte veralgemening zijn, geruststellend is dit allerminst. Bij nazicht van enkele van Ehrenreichs bronnen bleek ook dat artsen die dergelijke zaken door zorgvuldig onderzoek aantoonden, grote moeite hadden om hun bevindingen gepubliceerd te krijgen.

 

Selfies

Het ‘zelf’, een strikt persoonlijke identiteit, is een relatief recente uitvinding, zeg maar de opvolger van de in ongebruik geraakte ‘ziel’ of ‘geest’. Door dat ‘zelf’ kunnen mensen zich maar moeilijk een wereld voorstellen waar ze geen deel meer aan hebben, een bestaan zonder hen. Maar, voegt Ehrenreich hieraan toe, vrijwel iedereen kan zich een wereld zonder andere mensen, zelfs zonder dierbaren voorstellen. Iedereen heeft een sterk bewustzijn van een eigen toekomst. Ons ego zit ons tal te zeer dwars om te aanvaarden dat ons bestaan langzaam maar zeker ophoudt. Als remedie bedachten en bedenken mensen goden en hemels. Maar nu god plaats gemaakt heeft voor het ‘zelf’ wordt de uiteindelijke teloorgang nog onaanvaardbaarder.

Oplossing? Hef het ‘zelf’ op en de angst voor de dood verdwijnt. Dat althans concludeert men volgens Ehrenreich uit klinische proeven waarbij kankerpatiënten met sterke doodangst een flinke dosis psilocybin (het actieve bestanddeel in zogenaamde magische paddenstoelen) krijgen toegediend hun ‘existentiële smart’ af te zwakken. De patiënt tript enkele uren onder het toeziend oog van een arts. Eens de drug uitgewerkt brengt de patiënt gedetailleerd verslag uit en wordt een en ander verder opgevolgd. Resultaat: de patiënten waren hun sterke doodsangst gedurende een zestal maand kwijt. De drug heft, zo heet het, de identificatie met het lichaam op waardoor ‘de geest’ (het brein?) zich in een ego-vrije toestand bevindt.

Het idee om aan stervenden een psychedelische drug te geven, werd het eerst geopperd door Aldous Huxley in The Doors of Perception (1954) en Huxley maakte er uiteindelijk ook zelf gebruik van. In de jaren zestig werd LSD gebruikt om doodsangst te bezweren en alcoholisten te behandelen, maar die experimenten waren slecht opgezet en onvoldoende gecontroleerd.

In haar enthousiasme vergeet Ehrenreich te vermelden dat het met die paddo’s toch niet allemaal koek en ei is. Bij de experimenten ermee waren er ook kwalijke effecten. Onder invloed van de drug krijgen de patiënten niet alleen mystieke maar ook angstaanjagende hallucinaties. Confrontaties met afzichtelijke monsters, het gevoel te stikken en te sterven. Geen nood, de patiënten werden voordien getraind om dit aan te kunnen. Gewoon omhelzen! Omdat ze de dood in ogen hebben gezien maar niet gestorven zijn, raken ze ervan overtuigd dat ze de dood van hun lichaam op de een of andere manier zullen overleven. Dat althans is de redenering. Laten we hopen dat deze patiënten nog een lang leven beschoren is maar dan zullen ze, gezien het feit dat de therapie maar relatief korte tijd helpt, nog duizend doden sterven.

Ehrenreich besteedt heel wat aandacht aan de fitnessideologie en de gezondheidsrage. Vooral vrouwen (moeten) alle moeite van de wereld doen om te beantwoorden aan het vrouwonvriendelijk beeld waaraan de meesten onder ons verknocht zijn. Wie niet meedoet, wordt en is gezien. Dat armoede, beroep en ras (het gaat over de VS) een grote rol spelen in iemands gezondheid, daar wordt zelden rekening mee gehouden. De doctrine van de individuele verantwoordelijkheid betekent dat wie minder gezond is, dat aan zichzelf te wijten heeft.

Toen Ehrenreich eind vorig jaar de prestigieuze Erasmusprijs kreeg, schreef De Volkskrant dat ze ‘de gave heeft om dingen die niemand graag ziet als eerste op te merken’. Het was een bekroning van haar ‘ondogmatische manier van kritisch denken’. Ehrenreichs ironisch-kritische kijk op het tijdsegment waarin we leven maakt ook de eigenheid, het tijd- en mode gebonden karakter ervan duidelijk.

Het boek is goed gedocumenteerd maar bij controle van enkele bronnen, blijkt dat Ehrenreich niet altijd even correct interpreteert en rapporteert. Ze veronderstelt ook heel wat en vindt zonder enig argument dat alternatieve geneeswijzen ‘ten onrechte als pseudowetenschappelijk worden afgedaan’.

Ehrenreich besluit haar relaas met het laatste gedicht dat Bertolt Brecht in 1956 op zijn sterfbed zou geschreven hebben:

Bertold Brecht

Toen ik in mijn ziekenkamer in de Charité   

Tegen de ochtend wakker werd

En een merel hoorde zingen, begreep ik

Het beter. Ik was al een tijd

Niet bang meer voor de dood. Want er kan

Niets meer met me aan de hand zijn

Als ik zelf niets ben. Nu

Kon ik ook genieten

Van het gezang van iedere merel na mij

 

 

Brecht herstelde, werd uit de Charité ontslagen, genoot nog van de zomer en gaf de briljante geest in eigen huis.

 

Barbara Ehrenreich: Oud genoeg om dood te gaan  Over de vragen die iedereen zich ooit moet stellen. Atlas Contact; 224 pagina’s; € 19,99.

 

Zie ook: https://www.nytimes.com/2015/11/03/science/book-review-ending-medical-reversal-laments-flip-flopping.html

en: https://www.springer.com/us/book/9783319932231

 

May 17, 2019 at 3:24 am 1 comment

DE KRIMINELE KEIZER

Door Lucas Catherine

‘s Zondags kan je best door Brussel flaneren via zijn markten: de Voddenmarkt, de Zuidmarkt, de markt van het Slachthuis van Anderlecht, noem maar op. De Antiekmarkt op de Zavel doe ik omdat daar meneer Van Ghendt staat die handelt in voor mij meestal onbetaalbare Kongoboeken. Nu stond er achter zijn kraam een soort folkloregroep te dansen. Eerst dacht ik: Basken, maar de groep moest Brusselaars uit de zestiende eeuw verbeelden. Ah ja, natuurlijk Den Ommegang gaat uit en er loopt het Keizer Karel festival dat zal uitmonden in een Bruegel-jaar. Breughel zeggen de folkloristen.

Nu heb ik iets tegen Keizer Karel, de man die in 1522 de inquisitie bij ons invoerde via zijn Leuvense biechtvader Adriaan Boeyens die hij later als beloning massaal sponserde om Paus te worden als Adrianus V. Dezelfde Adriaan die hoofdinquisiteur in Spanje werd en in 1520 beval de eerste boeken in Leuven te verbranden en drie jaar later de eerste contestanten, zeg maar protestanten, op de Brusselse Grote Markt op de brandstapel deed belanden. Keizer Karel die oorlog voerde tegen Frankrijk en verder tot in Tunis en Algiers, de man die Rome plat brandde, er paters en nonnen tot orgieën verplichtte en er twaalf duizend mensen liet doden. Een man, waar katholieken en folkloristen toch veel goeds over kunnen vertellen en die gepropageerd wordt via bier en vertelselkes zoals De Pot van Olen of de Pissende Boer van Berchem. Michel de Ghelderode was zo’n antimodern katholiek schrijver die deze verhalen zogezegd verzamelde maar ze vaak zelf verzon.

Foto: Toeristische Dienst Brussel

 En hoe viert de toeristische dienst van Brussel hem: met een Ommegang die niets te maken heeft met de originele in de zestiende eeuw, want daar liepen toen bvb kamelen in, maar de huidige toeristische versie werd in 1830 gecreëerd door de folklorist Albert Marinus en toenmalig burgemeester Adolphe Max. Verder ‘niet te missen’ een Buffet Historique, Kruisboogschieten of doet u liever mee aan een atelier over bierologie (jawel de kunst van het bierbrouwen)?

Als het aan mij lag dan kreeg u eerder een atelier aangeboden over hoe de dichters van toen de Keizer zagen:

Des Conings hert gantsch rotsig,

end’ hard als marbelsteen,

bloetdorstig, loos en vals,

is seer verkeert en trotsig,

hij trachtet maer elck een,

te brengen om den hals.

Of dit :

Men brand, men blaeckt, men schend, men moort:

t Arme volc laes! Rechte voort

lyd nu groot gewelt, en wort seer gequelt.

Noyt dack van regen so druypen men sag,

Gelyck men ’t volck weenen siet al den dag.

Of nog dit prozastuk, het verslag van een ooggetuige van zo’n verbranding op de Brusselse Grote Markt in 1545

Het is niet te geloven welke afschrikwekkende vlammen dat produceerde, want het materiaal was uiterst brandbaar. Bij mijn weten heb ik werkelijk nooit van mijn leven zoiets afschuwwekkends gezien. De brand was zo fel, het geweld van de vlammen zo hevig, dat

het leek alsof zij zelfs de wolken raakten en deze door hun gloed compleet in brand staken en in vlammen deden opgaan. Een onmetelijke vonkenregen steeg onder luid geknetter ten hemel en bad de eeuwige godheid als met een sprekende stem om wraak voor zo’n misdrijf. Uiteindelijk was het zo’n grote vlammenzee dat de lichamen in een handomdraai in as waren verkeerd en in rook opgegaan.’

De eerste terechtstelling in 1523 van Hendrik Vos en Jan Van Esschen lokte bij de Brusselse intelligentia die naar de verbranding keek verontwaardiging op. De tapijtwevers Tsas, De Pannemaeker en hofschilder Barend van Orley protesteerden luidop. Van toen af werden Wederdopers, Lutheranen en Calvinisten Protestanten genoemd.

En die protesten hielden niet op. Bruegel is er een mooi voorbeeld van. Alleen zal je er in het Bruegeljaar niet veel van merken. Ook hier wordt het folklore en wordt de ‘Boeren Breughel’ opgevoerd. Terzijde: de spelling Breughel komt van de folkloristen. De man zelf tekende zolang hij in Antwerpen woonde met Brueghel en later in Brussel met Bruegel. Spreek uit Brugel en niet Breugel. Soit. Het worden dus kinderspelen en spreuken en geen contestatie. Nochtans was Bruegel een contestant. In al zijn Bijbelse schilderijen is het decor het Pajottenland rond Brussel en zijn de Romeinse slechteriken vervangen door Spaanse tertio’sIn het schilderij De Preek van Johannes de Doper is het decor het bos van Heeghde (nu Louizalaan), de hoofdfiguur is niet Johannes maar Nicolaas Van der Elst, een bekend hagepreker en rechts op een boomtak heeft Bruegel zich zelf geschilderd samen met zijn vrouw Marijke en zijn schoonmoeder Maaike.

Pieter Bruegel de Oude: De Preek van Johannes de Doper

 

2018 is in Brussel ook het jaar dat men de contestatie van Mei ’68 herdenkt. Daarom deze verre voorloper van “Sous les pavées il y a la plage”:

Want g’lyck de paerden syn geschapen om te ryden,

De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,

De Visch tot swemmen, end’ tot jock en ploeg den Os;

Soo mede wy oock om te wesen vry en los.

Bruegel produceerde in Antwerpen vooral prenten. Zijn schilderijen maakte hij in Brussel.

July 6, 2018 at 5:42 pm 1 comment

Het Brussel van Elsschot

 

Wie Elsschot zegt denkt Antwerpen. De film Lijmen Het Been van Robbe De Hert met onder andere Mike Verdrengh en Koen de Bouw heeft de koekenstad als decor. Dat klopt niet met het boek van Elsschot en ook niet met de realiteit waarop het gebaseerd is: het tragikomische verhaal van Boorman, mevrouw Lauwereyssen en Frans Laarmans speelt zich af in Brussel, en wel in het historische hart van de hoofdstad waar reclameman Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, zijn bureau en zijn stamcafé had, wellicht het “café van Dikke Jeanne.” Elsschot en Brussel, het is een band die onbekend en onderbelicht is en daar wil een andere Brusselaar iets aan doen: Lucas Catherine met name die in Elsschots oude buurt woont en die eerder naam maakte als eminente kenner van het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijns conflict. Het verband tussen die twee – Elsschot en de Arabische wereld – legt hij hieronder zelf uit.

Johan Depoortere

Tachtig jaar geleden verscheen Lijmen/Het Been als één boek.

Misschien denkt u nu, hoe komt het dat Lucas Catherine die toch vooral over Kongo, de Arabische wereld en Islam schrijft, het over Willem Elsschot heeft? Wel dat is een heel verhaal:

In 1979, toen nog geen journalist het woord jihad had gebruikt kocht ik het zeer academische boek: The doctrine of Jihad in Modern History. In de eerste paragraaf viel al de eerste voetnoot, en wel bij de zin: of all Islamic institutions, jihad is certainly the one that offers the most admirable ressources for studies on the inexhaustible and complex theme of the relationship between Islam and Western colonialism.1

De auteur had hier duidelijk de marmer- en piano-tekst van Boorman en Laarmans uit Lijmen/Het Been toegepast. Dit is de oorspronkelijke Elsschottekst: De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigeux et inépuisable thème de la décoration.

En van het een komt het ander en heb ik Lijmen/Het Been herlezen en wat bleek voor mij als Brusselaar: Je kon dat boek gebruiken als een soort historische gids om mijn wijk, de Vismet en dat is dus de oude Brusselse haven te leren kennen tijdens de Belle Epoque en het Interbellum.

untitled--2

Het echtpaar Elsschot op wandel in Laken, bij het Chinees Paviljoen (foto Letterenhuis)

Willem Elsschot heeft tussen 1911 en 1914in Brussel op nogal wat adressen gewoond: Waterloose steenweg 41 (St-Gillis); Waverse steenweg 929 (Oudergem) en in Laken, Bockstaellaan 237, 3deetage boven Café Le Cygne (patronne: Dikke Jeanne), nu bakkerij. Hij vlucht naar Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog, maar zal Brussel iedere donderdag bezoeken, onder andere om zijn kleinzoon Tsjip in Ukkel te zien (E. Cavellstraat 106), stad waar hij ook naar toevlucht tijdens WO II.

Je mag niet vergeten dat ook zijn La Revue Continentale Illustrée = Algemeen Wereldtijdschrift voor Handel, Financiën, hier in Brussel op meerdere adressen gevestigd was, oa Quai des Charbonnages 74, Koolmijnenkaai, Molenbeek en in oktober 1913 : Brandhoutkaai 51 (Vismet, nu Citadinnes). Wat ook nogal eens vergeten wordt is dat hij een reclamebureau bezat: La Propagande Commerciale met een kantoor in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort .

Alfons De Ridder heeft zijn pseudoniem, Willem Elsschot in Brussel gelanceerd, maar het verwijst eigenlijk naar een dorp in Limburg van waaruit zijn moeder afkomstig was. Ook zijn eerste roman Villa des Roses heeft hij van hieruit uitgegeven. Het contract met de uitgever schreef hij neer op briefpapier van La Revue Continentale/ Het Algemeen Wereldtijdschrift.

Cover Revue Continentale Illustrée (bibliotheek Ugent)

Elsschot zei zelf: Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op één of andere manier van af moest komen. De gebeurtenissen in de boeken hebben zich ook in de werkelijkheid voorgedaanIk heb feitelijk niets anders dan een dagboek bijgehouden.

Brussel, en dan vooral het Brussel van net voor de Grote Oorlog is dan ook erg goed te herkennen in Lijmen/Het Been.Gezien al die adressen heeft Elsschot nogal wat rond gehangen in onze stad en zich verplaatsen was toen nog geen probleem. Brussel had net de paardentrams vervangen door elektrische trams en het centrum was prima verbonden met voorsteden als Ukkel, Sint-Gillis, Oudergem, Elsene of Laken. Zo zong Jef Casteleyn op de wijze van de Marseilleise

Pour admirer notre Belgique

Comme la richesse elle l’a changée

On voyait des trams éléctriques

Remplis de Belges et Etrangers

En de auto’s verschenen in het stadsbeeld. Het eerste Brusselse autosalon werd al in 1899 georganiseerd in de Pôle Nord (tussen de Kathelijnekerk en het de Brouckère plein) en vanaf 1902 gebeurde dit jaarlijks in het Jubelpark.De auto zou de trein gaan beconcurreren, of zoals Korthals het tegen Boorman uitlegt: Vroeger werden onze lieve doden gewoon per spoor verzonden, net als haring. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief tot eindelijk onze veertien (zijn gemotoriseerde lijkwagen) aan die gruwel een einde heeft gemaakt. 

Leopold II voorziet in zijn testament al de aanleg van de eerste autoweg Brussel-Oostende.

De Vismet met de Brandhoutkaai (collectie Plaizier)

De Vismet vandaag

Tussen smederij Lauwereyssen, Vlaamse steenweg 62, en het redactieadres van La Revue Continentale Illustrée lag de vroegere haven. Ze werd stelselmatig gedempt. Het dok dat voor het nummer 51 van de Brandhoutkaai lag was het laatste en verdween één jaar voor Elsschot er kwam werken. De Vismarkt werd er opgericht, tussen de Kathelijnekerk en de Populierstraat, maar het noordelijk deel van wat we nu nog de Vismet noemen werd chic. De cavitjes en kabberdoesjen die typisch waren voor de havenwijk ruimden plaats voor meer burgerlijke gebouwen. En ook de industrie rond de haven trok weg: de duurte van de grond, waardoor de meeste fabrieken de wijk moeten nemen uit het centrum, zoals Boorman de toestand samenvatte aan mevrouw Lauwereyssen..

De Varkensmarkt, aan het einde van de Vismet, werd verbreed, net als het kanaal. En parallel met de Vismet werd de Dansaertstraat aangelegd als veel bredere concurrent voor de smalle Vlaamse steenweg. Wat nog eens de grondprijs de hoogte in joeg en van de Vlaamse Steenweg een ingesloten populaire wijk maakte tussen riante nieuwbouw. Het wordt haast een Vergeten Straat, denk aan haar beschrijving in het Algemeen Wereldtijdschrift: Kent gij de rue de Flandre? Bezoekt haar en lezer, ook al had gij haar bestaan niet vermoed, en gij zijt ons dankbaar, niet? Want geen gids ter wereld, ook niet het reisbureau Orient, dat anders van aardige hoekjes afweet, had u er nooit heengebracht…Lezer gij hebt nu een hoekje van Brussel bezocht, waarvan gij het bestaan niet had vermoed.

Vlaamse Steenweg (collectie Plaizier) “En zo was ik met mijn rouwende drijver op een onzalige voormiddag toevallig in een zijstraat van de Chaussée d’Anvers terecht gekomen, niet ver van de Rue de Flandre waar Lauwereyssen en dikke Jeanne zaken deden. De groentemarkt was in volle gang. Er stonden talloze handkarretjes, ieder met een schreeuwend wijf, en op het trottoir verdrongen zich de koopsters alsof er voor allen niet genoeg zou zijn.” (Het Been – OP DE MARKT)

Café op de Vlaamse Steenweg: de inspiratie voor “het café van Dikke Jeanne?”

Langs de grote centrale lanen die onder Leopold II waren aangelegd over de gedempte Zenne, vestigden zich de eerste grote luxe restaurants. De vreemdeling die door ’t centrum van Brussel slentert en die, verdoofd door de drukte en de herrie, ergens bij de Beurs op een bank gaat uitrusten… verbeeldt zich nu eenmaal dat het centrum van die weelderige stad alleen uit hotels, koffiehuizen, patisserieën en parfumwinkels bestaat.De meer populaire restaurants vond je in de Beenhouwersstraat en langs de Vismarkt. Elsschot zal trouwens Louis-Paul Boon voor het eerst ontmoeten in Les Armes de Bruxelles, in die Beenhouwersstraat.

Het is de tijd dat de Belgische keuken haar eigen stijl ontwikkelt, onder meer dankzij Gaston Clément (1879-1973) die als kok voor Leopold II en Albert I werkte. Hij is niet alleen de founding father van de Belgische keuken, maar promoot ook een nieuwigheid in onze voeding, de conserven. Van hem zijn de legendarische woorden: ‘de beste asperges zijn de asperges uit blik’. En die conserven nemen in het Museum voor Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen (de centrale gang in het kantoor van het Wereldtijdschrift) het meeste plaats in. Mevrouw Boorman komt er zich regelmatig bevoorraden en veertien jaar later vraagt Boorman zich in Het Been af of zij niet is gestorven aan al die conserven.

In Boormans Museum prijkt naast een standbeeld van Leopold II, een negerafgod, een werpspeer en een baal rubber. De exploitatie van Congo had na de Belgische overname in 1910 een geweldige toename gekend. Alle produkten uit de kolonie werden in Antwerpen gecommercialiseerd, behalve twee luxe items: de banaan en de cacao. Dat de banaan bij het gewone volk een luxeproduct was, blijkt in Het Been, wanneer tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften een van de bieders, ostentatief vier bananen zit te eten. Alleen mensen met geld konden ze zich veroorloven en het mevrouwtje doet dan ook het hoogste bod: “Zo liet ook mijn buurvrouw de vellen van haar vierde banaan afhangen, zonder de laatste hap te doen…tot mijn buurvrouwtje dat de hele morgen gegeten en gezwegen had, haar onttakelde banaan in de hoogte stak om de aandacht van de notaris te trekken en rustig driehonderdvijftig bood. 

Bananen kwamen toen exclusief uit Congo – het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat de Amerikanen hun Latijns-Amerikaanse bananen bij ons zullen introduceren – en in de havenwijk waren er dan ook verschillende bananenrijperijen. Zo waren de huidige binnenparking van restaurant La Belle Maraichère en het kunstencentrum Argos oorspronkelijk bananenrijperijen.

Inladen van Bananen in Kongo (foto Otraco)

En dan is er de cacao die de reeds bestaande chocolademakerijen niet alleen een boom bezorgde, maar de Congolese cacao zorgde van toen af voor de speciale diepe smaak van de Belgische chocolade. De cacao was van ons, en dus niet duur, dus mocht er extra veel in de cacaoboter. En toen kwam een Griekse Ottomaan uit Gent op het lumineuze idee om, zoals men frieten op straat aan het gewone volk verkocht, zijn pralines op de centrale lanen aan de paraderende bourgeoisie te verkopen. Leonidas Georges Kestekides had met zijn chocolade een prijs gewonnen op de koloniale tentoonstelling van 1910 en verhuisde in 1924 (het jaar dat Lijmen verscheen) zijn fabriek van Gent naar de Devaustraat (naast de Kiekenmarkt) en opende enkele winkels langsheen de centrale lanen2. Ze bestaan nog.

Ook de al bestaande kleine warenhuisketen Delhaize werd groot dankzij haar koloniale produkten. In 1906 werden ze hofleverancier voor cacao en koffie uit Kongo en waren mede-financiers van het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1910. Ze hadden ondermeer een winkel op de hoek van de Vlaamse steenweg en het Kathelijneplein. Ze versierden hun winkels met een Belgische Leeuw (vandaar Delhaize Le Lion), de slogan: gebruikt de producten uit onze kolonie en met een borstbeeld van Leopold II. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat Boorman zijn Museum op dezelfde manier inrichtte.

Vitrine Delhaize –1920 (colectie Delhaize)

Niet alleen de fabrieken trekken weg uit deze nieuwe, chique wijk, ook La Revue Continentale verlaat de Brandhoutkaai en trekt over het kanaal naar de Steenkoolmijnkaai 74.

Maar niet alleen La Revue Continentale Illustrée diende Elsschot als inspiratiebron, ook zijn reclamebureau La Propagande Commerciale (met een adres in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort). Met dit bureau geeft hij onder andere de officiële catalogi uit van de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Antwerpen en Luik (1930). Na ruzie met zijn vennoten (1931) geeft hij in eigen naam de catalogus uit van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1935. De rue de la Reinette loopt parallel met de Naamse Poort en daar was al tijdens de Kongo Vrijstaat van Leopold II een koloniale wijk ontstaan. Centrum was het Café de l’Horloge waar nu een metro-ingang is. Dat was een heel chic café waar het koloniaal kapitaal vergaderde. Je betaalde er niet met geld maar met jettons. Die moest je in tamelijk grote hoeveelheid ineens aankopen, zo beperkte men de clièntèle tot alleen maar de kapitaalkrachtigen.

Dit Art Nouveau Café werd tijdens de aanleg van de kleine ring als voorbereiding voor Expo 58, afgebroken en opgekocht door de grote baas van de Hiltonketen. Het werd steen voor steen genummerd en terug opgebouwd in Cairo in de Nile Hilton waar het bekend staat als Taverne du Champ de Mars, naar het Brusselse plein waar het stond. Minder begoede kolonialen spraken af in meer populaire cafés bij het begin van de Waversesteenweg. Het meest bekende was Le Lion Belge en dat moet Elsschot zeker bezocht hebben. Waarschijnlijk diende het als voorbeeld voor Brasserie du Lion Royal waar Boorman Laarmans zijn contract laat ondertekenen.

De koloniale wijk aan het begin van de Naamse Poort, gezien vanaf de Pippelingstraat (archief Stad Brussel)

Maar hiermee zijn we al ver van smederij Lauwereyssen, rue de Flandre 62 en het café van Dikke Jeanne.In deze oude havenwijk nemen de sociale conflicten toe. De kloof tussen rijk en arm wordt er erg groot, getuige het verhaal van de mosselvrouw die op afbetaling een pelsmantel had gekocht bij Weinstein, een van juifs de la rue Sainte Cathérine en die na vier jaar niet meer kon afbetalen. In Brussel stonden de joden bekend om hun handel in textiel en ook in pels. Mijn tante Julia heeft jaren bij de jood in de pels gewerkt tot ze er stoflong van kreeg. De bekendste winkel waren de Grands Magasins Hirsch in de Nieuwstraat (waar nu de C&A is). Hirsch is de Brusselse folklore ingegaan omdat zijn kleren tweedehands werden verkocht uitgespreid op de grond van de Voddenmet die daarom ook ondermeer als bijnaam kreeg Hirsch par Terre. Dat er in de Kathelijnewijk nogal wat joodse mensen woonden kan je nog merken aan de koperen herinneringsstenen naast klerenwinkel Au Coin de Rue ter gedachtenis van het echtpaar De Leeuw-Levie, in Auschwitz vermoord door de nazi’s in 1943.

Het is ook de tijd dat de socialisten sterk worden. Na de invoering van het meervoudig algemeen stemrecht hadden de liberalen hun absolute meerderheid in de Brusselse gemeenteraad verloren. Liberaal burgemeester Charles Buls neemt dan ook ontslag omdat hij, zoals hij in zijn dagboek schrijft: je ne veux être ni le prisonnier des cléricaux, ni l’allié des socialistenEn de vakbonden worden sterk – Horta had al in 1899 het Volkshuis gebouwd – en mevrouw Lauwereyssen klaagt dan ook: als bij afspraak wordt het gereedschap neergegooid en gaan de heren vloekend aan het staken. En wat je dan ook praat, het baat niet. Zij eisen verkorting van werktijd en verhoging van loon… Zij hebben twee bondsleden op mij afgezonden, mensen van hun metaalbewerkersbond of hoe het dan ook moet heten. Drie weken lang heb ik nog weerstand geboden, maar toen moest ik wel toegeven…

Was dit ook de visie van Willem Elsschot? Ik betwijfel het want in Kaas dat tussen Lijmen en Het Been in verscheen (in 1933) schrijf hij haast een lofzang op de toenmalige Sovietunie (van Stalin!): Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Men zegt zelfs dat zij in Rusland de heren geworden zijn. Als het waar is dan hebben zij dat verdiend dunkt mij. Zij schijnen het trouwens met hun bloed gekocht te hebben.

Volkshuis van Victor Horta, nu afgebroken (collectie Plaizier)

Toen Elsschot, op aandringen van Nederlandse vrienden Het Been als een vervolg schreef op Lijmen moest hij zijn personages van tien jaar eerder laten evolueren. Dikke Jeanne uit het café in de Vlaamse steenweg vermagerde wegens suikerziekte en veranderde van haarkleur. Laarmans was weer een gewone bediende geworden, maar wat met Boorman?

Elsschot’s voormalige zakenpartner, René Leclercq, met wie hij zeven jaar eerder had gebroken, had psychische problemen gekregen en had zich laten behandelen in de kleine privé-kliniek Sans-Souci van dokter Titeca. De naam Titeca is trouwens in het Brussels nog een synoniem voor ‘zothuis’. Maar Boorman wordt elders opgesloten. Hij wordt door de politie aangehouden wegens ordeverstoring tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften van mevrouw Lauwereyssen en de Brusselse politie voert gekken niet af naar een privé-kliniek, maar wel naar de psychiatrische afdeling van Brugmann, het OCMW-ziekenhuis van de stad. Daarvoor inspireert Elsschot zich op de lotgevallen van een goede kennis, Leo Frenssen, een ambulante kruidenier waar hij vaak mee discussieerde. Frenssen had in Antwerpen een partij gesticht voor Een Redelijke en Demokratische Communistische Maatschappij en gaf zo een krantje uit: De Voorlichter. Ze behaalden in 1938 zes zetels in de gemeenteraad en een jaar later wordt hij zelfs volksvertegenwoordiger. Tijdens een van zijn betogingen in Brussel werd Leo Frenssen door de politie opgepakt en naar de psychiatrische afdeling van het Brugmann-ziekenhuis gebracht. Hij vertelde zijn wedervaren in De Voorlichter en Willem Elsschot was er zo over verontwaardigd dat hij het verhaal gebruikt in de gasthuisscène van Het Been. Veel details kloppen: de zingende zot in bad, de geschifte die telkens opnieuw zijn bed dwangmatig opmaakt en de testen die Frenssen moest doen: onder meer snel na mekaar herhaalde malen Trente troisième régiment d’artillerie te zeggen. Bij Elsschot wordt dit Derde rijdende artillerie brigade.

Brugmann Ziekenhuis (collectie auteur)

Dezelfde Elsschot schreef ook een gedicht over communist Van der Lubbe – dat trouwens eindigt met mocht je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn. Maar daarnaast schrijft hij ook, in 1947, een gedicht tegen de terechtstelling van nazi-collaborateur Borms. Zoals ze in Brussel zeggen: daane Elsschot, heum es nie veu ien gat te vange.

De auteur bij de gedenkplaat gemaakt door de de Brusselse kunstenaar Benoît van Innis op de plek aan de Vlaamse Steenweg waar zich wellicht de smederij van mevrouw Lauwereyssen bevond.

Lucas Catherine, Zaterdagplein –neuvest de Vismet en ’t Begaanhof,2018

1Willem Elsschot, Lijmen. In: Verzameld werk, Amsterdam 1963.

2Patisserie Centrale Leonidas. De term pralines Leonidas duikt pas in 1937 op.

June 6, 2018 at 3:29 pm 7 comments

MERKWAARDIGE BLOVELS

Yuko Shimizo

Door Tom Ronse

Dit is de veertiende en wellicht laatste aflevering in de serie “Heeft het gedrukte boek nog een toekomst?” De vorige aflevering vind u HIER.

Voor wie de vorige aflevering niet gelezen heeft: blovels zijn romans of novellen die in afleveringen gepubliceerd worden op een blog, al dan niet door meerder auteurs geschreven. De blovel bloeide in het eerste decennium van deze eeuw maar het enthousiasme voor dit formaat is sindsdien danig bekoeld. Dat wil niet zeggen dat er geen blovelaars meer zijn.  Wie zoekt, vindt ze op het web nog heel wat auteurs die in blogvorm literatuur produceren. Omdat ze in het traditionele literaire circuit van tijdschriften en uitgeverijen geen plaats vinden of omdat ze om welbepaalde redenen de blogvorm verkiezen.

Nina Amir

“Blog Your Way to a Book Deal,” schreef Nina Amir in Writers Digest . Voor een nog onbekende auteur is de blovel volgens haar het ideale startpunt want je kunt je publiek  werven terwijl je schrijft. Als het af is, maak je van je blog een blook (een e-book) . “You’ll build platform—a loyal fan base of readers eager to purchase the book you are blogging.” Ze raadt aan om een vijfde van het manuscript niet in je blog te publiceren, zodat je blook voor de volgers van je blog een meerwaarde heeft. Via distributiekanalen als Amazon kun je dan een wereldwijd publiek vinden. Ze geeft zichzelf als voorbeeld: “I’ve self-published several ebooks, all of which have made it onto the Amazon Top 100 right away. In fact, I’ve had as many as six books on the same Amazon Top 100 list at the same time and a total of nine Amazon bestsellers!”

Haar blooks gaan vooral over hoe je moet bloggen, zoals How to Blog a Book  en The Author Training Manual : A Comprehensive Guide to Writing Books That Sell. Daarin geeft ze adviezen zoals, laat de afleveringen (posts) van je blog elkaar snel opvolgen zodat je de aandacht van je lezers niet verliest en breek langere hoofdstukken op in korte posts van 300 tot 500 woorden. Je moet ervan uitgaan dat de hedendaagse lezer weinig tijd en geduld heeft. Ze heeft allerlei adviezen over hoe je je blog bekend kunt maken. Ze doet het allemaal heel gemakkelijk lijken. Drie maanden bloggen is genoeg materiaal voor een boek. “Short books are your ticket to branding, expert status, customers and clients, and cash!”

 

Anoniem

Er zijn ook gevestigde auteurs die de blovel-vorm interessant vinden. Het kan een manier zijn om een verhaal te vertellen waarvan je zelf nog niet zeker weet hoe het zal aflopen.  Je bent nieuwsgierig naar de reacties van lezers en laat die een invloed hebben op het verloop van het verhaal.

Een bekend voorbeeld is de Argentijnse schrijver Hernán Casciari.  Zijn eerste blovel, ‘Más respeto que soy tu madre‘ (2005) (“Meer respect want ik ben je moeder”)  was het zogezegde dagboek van een Argentijnse huisvrouw.

Hernan Casciari

Haar vele problemen (het is crisis, haar man is werkloos, haar zonen zijn onuitstaanbare tieners, haar zwager is een junkie, enz.) zijn met veel humor beschreven. Mede dank zij reclame op de ‘sociale media’ werd de blog een groeiend sukses. Gedurende zijn negen maanden durende looptijd kreeg hij ruim 80.000 commentaren van lezers. Daarna werd de blovel een bestseller en zelfs een theaterstuk.

Sindsdien schreef Casciari nog verschillende andere blovels, waaronder ‘Yo y mi garrote, historia de Xavi L.’ dat in 75 afleveringen verscheen op de website van de Spaanse krant El Pais. Al zijn blovels zijn in de ik-vorm en in de tegenwoordige tijd geschreven (een must, volgens blovel-puristen) en telkens bleef de auteur anoniem tot het verhaal af was. Vele lezers van “Mas respeto…” verkeerden lang in de waan dat het een echt dagboek  was. Ze gaven Mirta, de huisvrouw, goede raad en steunbetuigingen die Casciari las alvorens het vervolg te schrijven. Ook hij wist niet hoe het zou eindigen.  “Het moeilijkste was voorkomen dat iemand zou ontdekken dat ik de auteur was”, zei hij in een interview. “Als dat gebeurd zou zijn, dan had ik moeten stoppen.”

Illustratie uit “Xavi L”

Het internet maakt anonimiteit gemakkelijk. Vele blovelaars kiezen ervoor want anominiteit geeft de auteur de vrijheid om te schrijven wat hij wil, zonder rekening te houden met eventuele gevolgen voor zijn of haar reputatie en zonder de lezers op te zadelen met een vooropgezet idee over de stem die ze in hun verbeelding horen en waarop ze reageren.

 

Nederlandstalig

In ons eigen taalgebied wordt er niet druk gebloveld. Toch vond ik enkele interessante voorbeelden. Zoals Sammy .

Sammy is de naam van de vorige bewoner van het huis waarin blogger Anker Tong met zijn gezin een intrek heeft genomen. In het tuinschuurtjee heeft Tong een koffer met manuscripten van Sammy gevonden. Daaruit probeert hij diens leven te reconstrueren. Hij wordt daarbij geholpen door zijn buurvrouw, Iris Nachtegaal.

“Sammy” is in velerlei opzichten een typische blovel. Zoals Nina Amir adviseert, zijn de blogposts kort en is het ritme van publicatie vrij hoog. De blovel is interactief want door twee auteurs geschreven, wat natuurlijk een literaire truc kan zijn; misschien is er maar één auteur, al zijn er wel degelijk stijlverschillen tussen de posts van Anker en Iris. Anderzijds, van interactie met lezers is er geen spoor. Als je op “Recente reacties” klikt gebeurt er niets.  Anker Tong is een schuilnaam –zogezegd om de privacy van zijn gezin te beschermen – dus ook deze blovel heeft een anonieme auteur. Nog iets wat “Sammy” typerend maakt voor digitale literatuur zijn de ongecorrigeerde typ- en taalfouten. Of dit een statement is of gewoon slordigheid kan ik niet uitmaken.

Afgezien daarvan is deze blovel erg goed geschreven. Vooral de posts van Iris geven een diepe inkijk op de leefwereld van een kind dat vandaag ongetwijfeld al vroeg als autistisch gediagnoseerd zou zijn. Ze doet dat zo indringend, poëtisch en meeslepend dat ik reikhalzend uitkijk naar de volgende post.

 

Een andere blovel die me interesseert heet “Heimwee naar morgen”. Vreemd geboeg is de premisse ook hier een manuscript  van een vorige bewoner, gevonden door de blogger, in casu Willy Vandesompele die zich omschrijft als “een gewone bediende”. Inmiddels wellicht met pensioen want de blog ging al van start in 2010. Het “gevonden”manuscript van Astronomes, zoals de vorige bewoner heet, is een trilogie en we zijn nog maar aan het begin van het tweede deel. Het tempo is laks.  In tegenstelling tot Anker Tong treedt Vandesompele Nina Amirs regels met de voeten. De korte regelmaat die zij bepleit is ver te zoeken: soms zijn er maanden tussen de posts. Die posts zijn meestal ook veel te lang volgens Amirs normen.

De “cover” van boek 1 in “Heimwee naar morgen”

Toch heeft deze blovel enkele digitale troeven. Hij bevat honderden illustraties, waaronder ook bewegende beelden (gifs). In sommige posts zijn er meer beelden dan tekst. Verder maakt de auteur vaak gebruik van hyperlinks. Zo zijn er links naar You Tube-clips van de muziek die in het verhaal ter sprake komt. Er zijn ook links naar een prequel en naar diverse zijverhalen die op aparte webpagina’s staan. Dat zijn dingen die in een gedrukt boek niet kunnen.

Er is nog iets wat deze blovel gemeen heeft met een groot deel van de digitale literatuur: een obsessie met seks. Meer dan de helft van de tekst en het meerendeel van de illustraties vallen onder de noemer erotiek. De protagonisten hebben niet alleen veel seks, ze voeren er ook lange gesprekken over. Ze willen het begrijpen. Biologie, psychologie, religie en filosofie komen er aan te pas. Zo dreigt de blovel tussen twee stoelen te vallen. Lezers belust op erotische bevrediging vinden de dialogen wellicht hinderlijk doodgewicht en anderen die graag intellectueel  gestimuleerd worden ergeren zich vermoedelijk aan al dat seksgedoe.

Misschien heeft Vandesompele dat gevaar begrepen: hij heeft de stoelen uiteen geschoven. Het hoofdverhaal is niet meer seks-gedreven (al blijft het over liefde en verlangen gaan) terwijl de erotische avonturen  in een randverhaal  verdergaan. De lezer kan dus kiezen op welke stoel hij of zij wil zitten.

Interactiviteit, collaboratie tussen auteurs en tussen auteurs en lezers, wordt vaak aanzien als het belangrijkste kenmerk van de digitale literatuur. Op dat vlak scoort Vandesompele slecht. Er zijn haast geen commentaren. Nochtans was interactie met lezers een van de vier redenen waarom hij voor het blogformaat koos, zo legt hij uit in zijn “Over”–pagina.  De drie andere zijn de anonimiteit, de illustratiemogelijkheden en de zelf-opgelegde dwang om regelmatig te posten. Ook wat dat laatste betreft is het, zoals bij zovele bloggers, bij goede voornemens gebleven. Nina Amir heeft ongetwijfeld gelijk dat regelmatig posten en reclame maken op de sociale media broodnodig zijn om een bloggend boek een stem te geven die weerklank krijgt.  Blovels zoals “Heimwee…” die deze regels negeren zijn drijfhout in de wijde cyberoceaan.

Wat niet wil zeggen dat het niet de moeite loont om dat drijfhout op te pikken. De blovels die ik in dit stuk vermeld zijn volgens mijn niet-deskundige opinie alle vier aanraders.

Toch nog dit. Wat vele blovels mankeren is de ingreep van een bekwame redacteur. Dat heeft het traditionele boekcircuit dan weer voor op het blog en blook-formaat.  Al zijn er heel wat uitgeverijen van gedrukte boeken waar de redactie minimaal gebeurt (want dat kost geld en de winstmarge is klein), als de redactie serieus wordt genomen dan is het resulterende boek interactiever (want een product van samenwerking) dan blovels die eenzaam tot stand komen.

Vooral “Heimwee…” lijdt onder de afwezigheid van een klankbord. Van iemand die de auteur bijvoorbeeld duidelijk zou maken dat de aanwezigheid van een naakt meisje op een strand illustreren met meer dan 80 prentjes van het goede wel eventjes te veel is.  De blogger amuseert zich maar bezorgt zijn lezers intussen een indigestie.

Een illustratie uit hoofdstuk 72

Op schrijfcursussen in Amerikaanse universiteiten krijgen beginnende auteurs vaak het advies: “Kill you darlings”. Waarmee bedoeld wordt, laat niets staan enkel en alleen omdat je het zo mooi geformuleerd vindt.  Schrap wat niet functioneel is, wat het verhaal ter plaatse doet trappelen.  Ik weet niet of dit advies altijd het juiste is maar het is vaker juist dan niet. Bloggers die per definitie plaats à volonté hebben – geen boom hoeft te sterven voor Vandesompele’s  zondvloed van beelden-  moeten zich nog meer dan traditionele auteurs  van het gevaar van overdaad bewust zijn.

 

Vele blovels eindigen als e-books. De meeste kan men, niet verwonderlijk, gratis downloaden.  Hieronder enkele sites met een ruim aanbod.

http://webfictionguide.com/

http://www.ereaders.nl/gratis_e-books/

http://www.gratispdf.nl/

http://boekenland.wordpress.com/

 

 

January 21, 2018 at 5:49 am Leave a comment

BLOVELS

Dit is de dertiende aflevering in de serie “Heeft het papieren boek nog een toekomst? De vorige vind je HIER.

Tom Ronse

Een specifiek product van de digitale literatuur is de blovel.  Het woord is een samentrekking van “blog” en “novel” , een roman dus die in afleveringen in een blog verschijnt. Op zich is dat alweer niets nieuw. Het “feuilleton” bestaat al bijna zo lang als er kranten bestaan.  Beroemde auteurs zoals Dickens, Flaubert  en Couperus publiceerden hun romans in afleveringen. Ook toen al was er een interactief aspect. De schrijvers waren niet ongevoelig voor de reacties van lezers. Toen Conan Doyle Sherlock Holmes liet vermoorden kwam er zoveel protest dat de auteur zijn held in de volgende aflevering van het tijdschrift ‘Strand’ weer tot leven wekte.

Maar door het internet is dat interactieve wel veel belangrijker geworden. “De grote bijdrage die de blovel aan de literatuur heeft geleverd is dat zijn essentiële kenmerk het dialogisme is tussen lezer en auteur”, schrijft Annabell Manjarrés Freyle.

Fiction Express verkoopt interactieve jeugdliteratuur aan scholen. De firma produceert per schooljaar 18 romans (verdeeld over drie leeftijdsgroepen). Elke vrijdag is er een nieuw hoofdstuk dat eindigt op een “cliffhanger” gevolgd door een reeks mogelijke plotwendingen. De episode wordt in de klas besproken (de leraar ontvangt ter begeleiding een lespakket) waarna de leerlingen tot dinsdag de tijd hebben om te stemmen over de plot-opties. Tegen vrijdag heeft de firma al een nieuw hoofdstuk klaar, gebaseerd op de keuze van de meerderheid.

Er is een subcultuur die vindt dat alleen verhalen die rechtstreeks interactief tot stand komen de naam blovel’ waard zijn.  Dat betekent dat verschillende auteurs elk om beurt een hoofdstuk produceren.

Een voorbeeld van zo’n interactieve blovel die vrij veel weerklank kreeg is Le roman d’Arnaud. Men kan het e-book HIER lezen of downloaden.  Drie Franse auteurs schreven gedurende 40 dagen en 40 nachten aan deze thriller die elke dag op een Facebook-pagina werd aangevuld.  Er werd niet gestemd maar de commentaren van lezers hadden wel degelijk een invloed op de plot. Om lezers te werven maakten de auteurs reclame op de sociale media (o.m een trailer op Youtube )

Om samen te schrijven moet er natuurlijk een en ander afgesproken worden. Regels zijn nodig maar sommige blovelsites gaan daar wel heel ver in.  Niet alleen zijn er regels wat de lengte betreft  (meestal kort: tussen 500 en 1000 woorden of tussen 250 en 500 woorden) en aangaande de regelmaat (het moet vaak erg snel gaan) maar het blijkt bovendien een dogma dat de verhalen in de ik-persoon moeten geschreven worden, dat ze het schema begin-krisis-ontknoping moeten volgen, dat elk hoofdstuk op een klifhanger moet eindigen. Ook blovelsites voor blovels met maar één auteur hanteren allerlei regels. Wat me paradoxaal lijkt.  Ik had verwacht dat de digitale auteurs de vrijheid die het internet geeft om te experimenteren, om regels te breken, gretig zouden omarmen. Maar nee, ze leggen zichzelf een keurslijf op.

Misschien had ik bovenstaande zinnen in de verleden tijd moeten schrijven want het blovelgenre lijkt nu al over zijn hoogtepunt heen.  Het  ontstond in de jaren 90 en bloeide in het eerste decennium van deze eeuw, vooral in de Engelse en Spaanse talen.

Een voorbeeld van de vele bovelsites die toen bestonden is Blognovelas.es. Deze site functioneerde als een digitale bibliotheek voor blovels (blognovelas) in het Spaans. Daarnaast kon je er diverse lopende blognovelas lezen en van commentaar voorzien.  De verhalen waren gerangschikt per genre (drama, komedie, romantiek, avontuur, science fiction, fantasy, thrillers…). Er was een top tien van meest bekeken blognovelas  en er werden prijzen uitgereikt per seizoen (dus vier maal per jaar) en per genre op basis van de stemmen van lezers. De populairste blovel van het jaar werd uitgeroepen tot „Blognovela de Oro” (Gouden Blovel). Daarnaast werden er prijzen uitgedeeld voor de de beste auteur van het jaar, het beste personage van het jaar, het beste blogdesign van het jaar… Ook was er een forum, een chatbox, een evenementenkalender en meer. Er schiet niets van over. Blognovelas.es is verdwenen net als andere populaire blovelsites zoals Blovelspot.com en EatYourSerial.  De Blooker-prijs, voor het beste „blook“ (boek gebaseerd op een blovel) bestaat niet meer. De blovel lijkt, zoals zovele andere internet-fenomenen, een voorbijgaande mode.

En toch, de blovel is niet dood.

WORDT VERVOLGD

December 18, 2017 at 4:45 am 2 comments

ZIN IN EEN SPELLETJE?

             Screen shot uit het computerspel Bioshock

Dit is de twaalfde aflevering in de serie “Heeft het papieren boek nog een toekomst? Vandaag gaat het over literatuur en computer games.

 

Tom Ronse

 

Nog verder dan de digitale auteurs die we in de vorige aflevering  bespraken gaan de experimenten van diegenen die proberen om literatuur te combineren met computer games en apps. De Britse professor Astrid Ensslin schreef er een boek over Literary Gaming (MIT Press 2014) waarin ze een overzicht geeft van wat er op dat vlak gebeurt, onderverdeeld in verschillende categorieen, gaande van literair werk met een lichte game-input tot spelletjes met een beetje literaire opsmuk. Hypertekst (tekst in gelinkte fragmenten) staat wat meer aan de literaire kant en interactieve fictie (tekst die aftakt aan de hand van je keuzes) staat in het midden.

Computer gaming is een gloednieuwe kunstvorm volgens Ensslin. In universiteiten wordt ze bestudeerd door “ludologen” (afgeleid van het latijnse woord voor spel, ludus). Over het kunstgehalte kan gediskussieerd worden maar het staat buiten kijf dat de computer game-industrie op korte tijd een gigantische presence heeft veroverd in de cultuursector. Haar omzet is groter dan die van Hollywood en de hele muziekindustrie . Deze laatsten krijgen in de media nochtans veel meer aandacht. Een reden daarvoor is wellicht dat de grote media eerder conservatief geneigd zijn. Een andere, belangrijker misschien, is dat de game-industrie tot nu toe weinig geproduceerd heeft met een sterk artistiek impact.  De games verbeteren snel maar wat verbetert zijn de audiovisuele effecten, de realistische weergave (binnenkort in 3D), de gebruiksmogelijkheden. Maar de ‘verhalen’ blijven clichématig, de betekenis irrelevant.  Toch in de commerciële game-productie. Daarbuiten zijn er heel wat kleinere producenten die met beperkte middelen en een minimum aan personeel wel vernieuwend werk maken. Clint Hocking, een designer bij de game-firma Ubisoft, verwees naar hen op een Game Developers Conference: “Why can’t we make a game that fucking means something? A game that matters? … “I think it sucks ass that two guys tinkering away in their spare time have done as much or more to advance the industry than the other hundred thousand of us working fifty-hour weeks.” (www.esquire.com)

De academici die “new media art” bestuderen, besteden wel veel aandacht aan computer games. Het kenmerk van de nieuwe media dat ze het meest benadrukken is hun interactiviteit en games zijn per definitie interactief.  Ze lijken de mogelijkheid te bieden om een nieuwe kunstvorm uit te vinden met een structuur die participatief is in plaats van dictatoriaal en die zo de relatie tussen kunstenaar en publiek herdefinieert.  In tegenstelling tot de passieve lezer of kijker van boeken en films is de speler een actieve mede-auteur.

Maar klopt dit wel?

Onverzoenbaar?

De lezers van een literair boek zijn niet zomaar een passieve consumenten. Ze interpreteren het verhaal, maken associaties, gebruiken hun verbeelding. De gamers beinvloeden het verhaal wel door hun acties maar zijn gebonden aan allerlei spelregels. Men kan stellen dat zij meer gemanipuleerd worden dan de lezers van een boek.

De fundamentele vraag is of computer games en literatuur überhaupt wel verzoenbaar zijn.  Kunst vraagt een andere soort concentratie dan gaming – lezen en spelen activeren elk een verschillend deel van de hersens. Dus hoe intenser je speelt, hoe minder aandacht je hebt voor de artistieke kwaliteiten die het spel mogelijks heeft.

Dat is de muur waartegen velen die proberen literatuur en games samen te brengen, te pletter lopen. Een voorbeeld is  The Princess Murderer, een game die veel tekst gebruikt. Die bezit ongetwijfeld literaire kwaliteiten maar het doel van een game is punten scoren en hoe meer je je daarop toelegt, hoe haastiger je leest.

Maar er zijn ook game-designers die deze muur weten te omzeilen. Dat doen ze onder meer door het spel te vertragen, tijdslimieten te elimineren, zodat de gamer meer aandacht kan besteden aan de artistieke aspecten. Games zijn een reflectie van onze competitieve maatschappij. Het komt er op aan om te winnen, een hogere score te behalen, een hoger niveau te bereiken. Handigheid en reactiesnelheid worden beloond, alles wat daar afbreuk aan doet wordt bestraft. In literaire games is dat zelden het geval. De gamer is nog wel een actieve participant – hij moet raadsels oplossen, verbanden leggen en keuzes maken die een gevolg hebben voor het verder verloop van het verhaal- maar winnen is van ondergeschikt belang of komt er helemaal niet meer bij kijken. Wat alle artistieke games gemeen hebben is dat ze vertrekken van een onconventioneel scenario dat op een onconventionele manier wordt ontwikkeld.

     Screen shot uit “Dear Esther”

Sommige zijn ook een commercieel sukses. Van Dear Esther  (2012),een creatie van de Britse studio The Chinese room , werden een miljoen exemplaren verkocht. In dit spel wandel je rond op een verlaten eiland en hoor je onderweg diverse verhaalflarden waaruit op de duur een poëtische samenhang blijkt. De spel-elementen zijn minimaal, de tekst domineert. Het valt nog nauwelijks een game te noemen maar toch is het ook iets anders dan een boek.

Aan de andere kant van Ennslins spectrum vind je kaskrakers zoals Bioshock die veel dichter bij de klassieke game-vorm blijven maar er toch een literaire waarde aan toevoegen. Bioshock won veel prijzen en kreeg vooral lof voor zijn origineel scenario en onderdompelende decors. Volgens Wikepedia wordt het beschouwd als “one of the greatest video games of all time and a demonstration of video game as an art form.”  Na Bioshock kwam Bioshock 2 en vorig jaar Bioshock Infinite. De drie series zijn HIER te vinden. Ze werden bedacht door Ken Levine en ontwikkeld door de studios 2K Boston en 2K Australia.

BioShock is zoals de meeste games een first-person shooter, wat wil zeggen dat er veel schieten en ander geweld aan te pas komt en dat de speler de actie ervaart door de ogen van de protagonist. Vele van de meer artistieke game-designers kiezen daarentegen voor een third-person standpunt juist omdat ze willen vermijden dat de speler, door zich te identificeren met zijn avatar, zich volledig door het spel-aspect laat opslorpen. Bioshock verschilt van de klassieke games door de complexiteit van het verhaal en doordat tekst een belangrijke rol speelt. Het spel begint als je met je vliegtuig in zee stort en in een distopische onderwaterstad terecht komt waar je vijanden en vrienden ontmoet en een manier zoekt om te ontsnappen. Af en toe vind je taperecorders met daarop flarden van monologen. Die zijn puzzelstukjes die je moet samenleggen om het geheel te begrijpen.

                Uit Bioshock Infinite

Literair, min of meer

De meeste literaire games vallen ergens tussen in deze twee extremen. Niels t’Hooft is een Nederlandse auteur en spel-ontwikkelaar  die de ontluikende kunstvorm op de voet volgt. Het stuk dat je nu leest is schatplichtig aan de artikels die hij daarover op zijn site.  Voor wie na dit stuk meer wil vernemen over literaire games is zijn site een goed vertrekpunt. Zelf experimenteert hij ook met nieuwe digitale presentatievormen van zijn literair werk.

Een van zijn favoriete computer games is Kentucky Route Zero, een Amerikaanse reeks avonturenspellen die begon in 2012 en nog steeds loopt. Het gaat over een postbode die door een surrealistische versie van Kentucky dwaalt. Hier is een trailer. “De game is verschrikkelijk mooi gemaakt, barst van de intertekstualiteit, en speelt bovendien met het medium”, oordeelt T’Hooft.

     Uit Kentucky Route Zero

Kentucky Route Zero wordt gemaakt door Cardboard Computer,  een trio vanmediakunstenaars uit Chicago.  T’Hooft: “Ze citeren gretig uit andere media en spelen daar vervolgens mee: beeldende kunst, cinema, muziek, architectuur en literatuur. Zo laten ze zien dat het gamemedium (en software in het algemeen, want games zijn een vorm van software) uitermate goed in staat is om andere media in zich op te nemen. Gewapend met een kleurenscherm, stereospeakers, internetverbinding en dynamisch geheugen kan software vrijwel alle andere kunstvormen absorberen en adapteren. Beeld of tekst, interactief of niet, als je er als toeschouwer toe bereid bent, is diepe onderdompeling mogelijk.”

Een andere favoriet van t’Hooft is The Stanley Parable (2013) gemaakt door de Brit Davey Wreden. In deze game ben je een bediende die in een leeg kantoorgebouw  op zoek gaat naar je verdwenen collega’s.  Naar gelang de aftakking die je neemt in het laberinth van gangen, neemt het verhaal een andere wending. Alles wat je doet wordt becommentarieerd door een droogkomische, licht ontvlambare verteller. Hier is de trailer.

The Stanley Parable is een “mod” ( van“modification“) een variatie van een reeds bestaande game, in dit geval  Half-Life 2.  Er bestaat een hele subcultuur van game mods. Sommigen maken kleine veranderingen, anderen, zoals Wreden, gooien het hele spel om. Sommige zijn zo populair dat de term “vanilla” wordt gebruikt als men het over het originele, niet-gemodifieerde spel heeft, zoals in “Vanilla Battlefield 1942”.  Men kan parallellen zien tussen deze subcultuur en het fenomeen van “fan-fiction” dat we in een vorige aflevering van deze serie bespraken (variaties op bestaande boeken, tv-shows en films) en de hele remix-trend in populaire muziek en videos.  Eclectische collage is een dominante  strategie in de kunst van vandaag.

           Uit The Stanley Parade

 

Andere literaire games die t’Hooft aanstipt zijn onder meer  Device6, Gone Home en Blackbar .

Device6 , een Zweeds product, is een Alice in Wonderland -achtige zoektocht op een eiland waarin je puzzels moet oplossen om naar het volgende hoofdstuk te gaan. (Bekijk hier de trailer)

Blackbar is eenvoudiger, maar volgens T’Hooft beter geslaagd, omdat de verschillende elementen beter samenhangen en alle ruimte is gegeven aan de verbeeldingskracht van tekst. Het is een verhaal over censuur, bureaucratie en vriendschap, verteld aan de hand van documenten waarin gevoelige woorden zijn weggestreept.Door te deduceren wat er onder die zwarte balkjes stond dring je dieper door in het verhaal.

In Gone Home kom je na een wereldreis terug in je ouderlijk huis maar je familie is nergens te bespeuren. Wat er aan de hand is, ontdek je als je de villa kamer voor kamer doorzoekt. Het verhaal wordt verteld in visuele details die je overal tegenkomt, maar ook in de documenten die verspreid liggen: artikels, brieven, notities, de dagboekfragmenten van je jongere zus. Op non-lineaire wijze ontrafel je de plot.

Minder tekstueel gericht is de Vlaming Michael Samyn die samen met zijn Amerikaanse vrouw Auriea Harvey de computer games  The Graveyard, The Path, The Endless Forest en Luxuria Superbia ontwierp. Hun studio Tale of Tales  is gebaseerd in Gent. Momenteel werken ze aan een project dat Cathedral-in-the-Clouds heet.  Ze staan bekend voor hun distinctieve visuele stijl en hun originele benadering van het game-concept.

Harvey en Samyn

In de games van Tale of Tales hoef je niet snel en handig te zijn. Je kunt niet winnen of verliezen.Tekst wordt er zelden in gebruikt. Het zijn eerder atmosferische gedichten of kortverhalen, waarin je wordt ondergedompeld wordt door de pseudo 3D-omgeving en je actieve participatie. Die participatie is soms heel beperkt. In The Graveyard (2008) is je taak een oude dame over een pad door een kerkhof leiden tot ze kan gaan zitten op een bank voor een kapel. Daar luistert ze samen met jou naar “Komen te gaan”, een melancholisch lied van Gerry De Mol  (gezongen in het Nederlands met Engelse ondertiteling). Daarna leidt je de dame het kerkhof uit. Je kunt The Graveyard gratis downloaden op de site van Tale of Tales. Of je kunt 5 dollar betalen voor een versie met iets meer variatie.

 

The Graveyard kreef lof maar ook kritiek van game-puristen  die het pretentieuze artsy fartsy vonden, de naam ‘game’ onwaardig. Hadden Harvey en Samyn er niet even goed een kortfilm van kunnen maken? Samyns antwoord op die vraag is dat een computer game kwaliteiten bezit  –interactie, onderdompeling, simulatie – die niet reproduceerbaar zijn in andere media en die maken dat de spelers de inhoud anders beleven dan als ze een film bekijken of een tekst lezen.

 Apps voor smartphones

Steeds meer games worden geformateerd als apps voor smartphones. De meeste zijn idiote spelletjes maar er zijn ook apps met literaire kwaliteiten. Een recent voorbeeld is Bury me, my love , waarin je een Syriër bent die via smartphones in contact blijft met zijn vrouw die gekozen heeft om naar Europa te vluchten. Je moet haar helpen in het onderhandelen met smokkelaars, het kiezen van een zwemvest enz. De dialogen zijn goed geschreven. De game is gebaseerd op een reportage in Le Monde en de makers hebben  zelf vluchtelingen geinterviewd. Je kunt het spel in ‘realtime’ spelen, zodat je berichten van je Syrische echtgenote krijgt  tussen die van je echte kennissen. De app kost 2,99 dollar. Bekijk HIER de trailer.

Uit Bury me, my love

De Franse studio The Pixel Hunt specialiseert zich in games met een actuele relevantie, games die je doen nadenken en andermans leed invoelen.  Een andere game die op de actualiteit inpikt is  Pry van Danny Cannizzaro en Samantha Gorman, of Tender Claws, twee kunstenaars uit Los Angeles. Het is een verhaal over een getraumatiseerde Irak-veteraan, verteld in hoofdstukken waarin games, film en tekst op steeds andere manieren worden gecombineerd (bekijk HIER de trailer).  Niels t’Hooft schrijft over deze app: “Het is een interessante verkenning van tekstinteracties, die mijn geduld wel erg op de proef stelt. Om te lezen is een rustige modus nodig, een heel precieze stemming. Mijn aandacht moet langere tijd worden vastgehouden, maar met montages vol tekst-en beeldflarden wordt die juist onderbroken. Het geeft me de neiging snel naar de volgende module te willen scrollen; tekst als wegwerpartikel in dienst van het experiment.”

Hij houdt meer van de app-roman  Arcadia van Iain Pears, uitgebracht door de Engelse studio Touchpress. Een game kun je die eigenlijk niet noemen. De roman bestaat uit lineaire teksten maar als lezer kun je kiezen in welke volgorde je de  parallelle verhaallijnen wilt lezen.  Je kunt de app gratis downloaden.

De app Bitterveld van de Nederlandse Liesbeth Eugelink  gebruikt een interactieve kaart van Berlijn als interface. De lezer kan kiezen uit verschillende (metro)routes. Afhankelijk van de keuze die je maakt, wordt de tekst in een andere context geplaatst, waardoor het verhaal telkens een andere betekenis krijgt.In feite is het een non-lineair reisverhaal dat parallellen trekt tussen de tweede wereldoorlog en vandaag.

 

Grunberg

Niemand minder dan de gevierde auteur Arnon Grunberg zei te willen onderzoeken of de toekomst van de literatuur in games ligt. Daartoe ontwierp hij, in samenwerking met studenten van de universiteit van Amsterdam, een urban game, een computerspel dat plaatsvindt in de echte wereld. Being Grunberg, zoals het spel heette, werd in februari 2015 gespeeld in het centrum van Amsterdam door tientallen vrijwilligers gewapend met een smartphone met daarop een app die hen instructies gaf. Niels t’Hooft was een van de deelnemers.  Hij schrijft:

“Een interessante ervaring was het zeker. Afhankelijk van waar ik me bevond kreeg ik verhalende fragmenten te horen via mijn koptelefoon, en ik sprak en onderhandelde met medespelers en acteurs. Zelf nam ik ook een rol aan: als mensensmokkelaar moest ik nep-paspoorten verkopen. Andere spelers waren huisvader, illegaal of marechaussee, ieder met hun eigen speldoel. Daardoor liepen de ervaringen nogal uiteen, al moest iedereen dezelfde informatie verzamelen over een fictieve gijzeling. Omdat ik bij toeval al gauw een voorsprong had in het laatste, kon ik een lucratief informatiehandeltje beginnen; spelen om nieuwe dingen te ontdekken en om het perspectief van een ander aan te nemen (voorname redenen waarom ik doorgaans games speel) maakten snel plaats voor spelen om keihard te winnen.”

Grunberg zelf was volgens t’Hooft vooral geïntrigeerd door het ongemak dat ontstond toen spelers zichzelf voor een raam tentoon moesten stellen en in het openbaar met elkaar moesten knuffelen. “Het ongemakkelijke gevoel dat je kunt ervaren als je een roman leest valt hierbij in het niet”, zei hij na afloop.

Een literaire hoogvlieger was het niet volgens t’Hooft. Toch gelooft hij vast in de toekomstmogelijkheden van de literaire game. Niet dat die in de plaats van de traditionele roman in (gedrukte of digitale) boekvorm komt maar wel daarnaast een bloeiende hybride kunstvorm wordt, omdat het als geen ander medium andere kunsten (film, literatuur, theater, rollenspel,dans, muziek..) in zich kan opnemen.

Money

De grote game-producenten concurreren in snelheid, 3D-effecten, sound and fury en werken met budgetten waar de game-ontwikkelaars met artistieke ambities alleen maar van kunnen dromen. De visuele impact van literaire games kan dan ook soms mager afsteken tegenover het overdonderend geweld van de blockbuster games. Anderzijds kunnen ook game-ontwikkelaars met schaarse middelen via het internet een relatief groot en wereldwijd publiek bereiken.  Sommige financieren hun projecten via Kickstarter en andere vormen van crowd-funding. Subsidies kunnen ook helpen. In 2016 subsidieerde het Nederlands Letterenfonds twee literaire games. Na een open oproep kreeg het fonds bijna 50 projectvoorstellen. De twee winnaars waren Puzzling Poetry’ en ‘Winter’.

‘Puzzling Poetry’ van de Nederlandse Studio Louter en dichter Lucas Hirsch is een game waarin de speler gedeconstrueerde gedichten van Hirsch en andere dichters recreëert. De uitdaging is om naast de betekenis van de woorden goed te kijken naar de ritmiek en de grafische verhoudingen. ‘Het spelen met woorden leidt onverwacht tot een nieuwe, geconcentreerde manier van lezen,’ vond de selectiecommissie. Je kunt de app HIER downloaden.

‘Winter’ van de Leuvense studio Happy Volcano  is een mobile game, waarin de speler stap voor stap navigeert door een wereld van tegels. Per stap ontvouwt zich een verhaal (in de vorm van een innerlijke dialoog)  waarvan de speler het verloop  mee bepaalt. De tekst is geschreven door de Vlaamse auteur Joost Vandecasteele. De speler krijgt met verschillende doodsmomenten te maken, gepresenteerd als op te lossen puzzels. De doodsmomenten variëren van lieflijk en vredevol tot over the top gewelddadig. Die beschrijving komt van de site van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, dat mee subsidieerde, want zelf heb ik niet gevonden waar ‘Winter’ gedownload kan worden. Het project is inmiddels van naam veranderd en heet nu “The almost gone” waarvan de release-datum is opgeschoven naar 2018. Je kunt hier alvast een trailer bekijken.

Voor zover ik kon nagaan waren deze subsidies eenmalig en valt er op dat vlak in de toekomst niet veel te verwachten. Maar de opmars van de literaire games zal er niet door tegengehouden worden. De impuls zal blijven komen van individuen en kleine collectieven, eerder dan van de grote game-firmas die vastzitten in het patroon van productie en mass-marketing. In het verleden was het probleem dat zo’n kleinschalig werk moeilijk een publiek vond. Dankzij het web kunnen creatieve pioniers vandaag de aandacht vangen van geinteresseerden over heel de wereld. Ik vind het hoopgevend dat zovelen dat met zoveel enthousiasme doen, ook al worden ze er niet rijk door.

 

WORDT VERVOLGD

 

December 13, 2017 at 5:28 am 1 comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,591 other followers