Posts filed under ‘boeken’

HET MEDEDOGEN VAN ALEXANDER DE CROO

Walter Zinzen en Alexander De Croo in De Afspraak van 16 december 2016. http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/politiek/1.2846467

Door Johan Depoortere

“Mededogen” synoniem volgens van Dale voor “barmhartigheid,” een christelijk geladen term die in het debat over immigratie en asiel zelden wordt gebezigd. Oud-journalist Walter Zinzen introduceerde het woord tijdens een debat in “De Afspraak” op 16 december 2016. Hij kreeg – zo leek het op het eerste gezicht – flink lik op stuk van zijn gesprekspartner, vice-premier Alexander De Croo. Op hoge toon beweerde De Croo dat zijn rechts-liberale regering op dat stuk niets te verwijten valt. Immers – zo heette het – België toonde méér mededogen dan de buurlanden door 65000 Syriërs asiel te verlenen. Letterlijk zegt De Croo: “Het mededogen is dat ons land 65000 Syriërs opgevangen heeft.” De Croo zegt er niet bij over welke periode hij het heeft, maar het heeft er alle schijn van dat de vice-premier hier een beetje zat te jokken. De cijfers van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen zijn op hun website makkelijk terug te vinden. In 2016 dienden een totaal van 18710 vluchtelingen een asielaanvraag in. Daarvan kwamen er 6500 uit Afghanistan, Syrië en Irak. Ruim de helft van de asielaanvragen kregen een positieve eindbeslissing. Voor de Syriërs (samen met de Afghanen en de Irakezen) dus minder dan één tiende van het cijfer dat De Croo hanteert.

Woorden zeggen niet alles, maar wel heel veel. De immigratiepolitiek van deze regering is er geen van “mededogen” maar van verdediging tegen wat wordt voorgesteld als een “toestroom,” een “vloedgolf” en andere metaforen die de burger angst moeten aanjagen voor de “vreemdeling,” of – erger nog – de “gelukszoeker.” Voorbeelden van hoe dat ook anders kan waaien ons soms toe uit onverwachte hoek. Wie kent bijvoorbeeld Toomas Hendrik Ilves, tot voor kort president van het Baltische Estland? Ilves is de zoon van vluchtelingen. Zijn ouders zijn tijdens de bezetting van Estland door de Sovjetunie van Stalin naar Zweden en later naar de Verenigde Staten gevlucht. Daar is de toekomstige president, die in Stockholm is geboren, opgegroeid. Op 2 februari 2016 sprak Ilves als staatshoofd het Europese parlement in Straatsburg toe. Walter Zinzen – hij weer – laat er ons kennis mee maken met een artikel in MO, waarin hij uitvoerig uit de toespraak van Ilves citeert.

Toomas Hendrik Ilves, voormalige president van Estland

“De grote aantallen vluchtelingen mogen ons niet afschrikken”, zo betoogde Ilves in het Europees parlement, want “we hebben veel erger mee gemaakt. In het Europa van 1946 waren er in Duitsland alleen 12 miljoen binnenlandse vluchtelingen en nog eens 12 miljoen ontheemden met 20 verschillende nationaliteiten. De toenmalige UNRRA (United Nations Relief and Rehabilitation Administration), besteedde toen, omgerekend in hedendaags geld, 50 miljard euro om dit probleem op te lossen. Ik citeer dit getal om aan te tonen hoe ontzaglijk de taak was waar onze grootouders voor stonden in een tijd dat Europa nog geen instellingen had, en er soms zelfs geen soevereine regeringen waren.”

Die prestatie van toen moet ons inspireren voor de problemen van vandaag vindt Ilves: ‘We zullen deze migratiecrisis oplossen als we dezelfde vastberadenheid als onze voorouders aan de dag leggen.” Maar de president – zo schrijft Zinzen in zijn commentaar op de toespraak – is niet blind voor de problemen van vandaag. Zijn speech kwam niet zo lang na de aanslagen in Parijs en hij beseft dat het terrorisme populisten en extremisten in de kaart speelt. Hij reageert: ‘We kennen het argument dat we geen vluchtelingen kunnen accepteren omdat het terroristen zijn, gemakshalve vergetend dat de vluchtelingenstroom naar Europa juist bestaat uit mensen die op de loop zijn gegaan voor hetzelfde regime, dezelfde brutaliteit en moordzucht die we in Parijs hebben gezien.”

“Hoe komt het dat zo weinig politieke leiders dat standpunt delen? vraagt Zinzen zich af. “Behalve Ilves zelf (die dus ondertussen president af is) en Merkel ken ik er maar één: de Canadese premier Trudeau. Maar Merkel en haar aanhang worden steevast afgebrand, belachelijk gemaakt en bespot door de Bart De Wevers, de Jean-Marie De Deckers, de Theo Franckens en Maarten Boudry’s van deze wereld. Wie vindt dat vluchtelingen recht hebben op een menselijk onthaal wordt door deze heren weggezet als gutmensch.”

Of als “cultuurmarxist” zou je er kunnen aan toe voegen. En Zinzen besluit met een andere historische parallel. “Toen de nazi’s aan de macht kwamen in Duitsland en nadien een groot deel van Europa bezetten, sloegen honderdduizenden joden op de vlucht. Maar niemand wilde ze hebben. Het “neutrale” Zwitserland sloot zijn grenzen,het fascistische Portugal en Spanje deden hetzelfde. In Zuid-Amerika werd schepen boordevol vluchtelingen de toegang tot het vasteland geweigerd, ja zelfs in Palestina – toen nog onder Brits bestuur – waren Joodse vluchtelingen niet welkom.

Yuval Noah Harari verhaalt in zijn wereldwijde bestseller Homo Deus hoe de Portugese consul in Bordeaux tegen de wil in van zijn bazen visa afleverde aan 30.000 Franse joden, zodat ze Portugal binnen konden. Aristides de Souza Mendes heette de man. Hij werd ontslagen omdat hij zijn orders niet had opgevolgd. Hij heeft wel 30.000 mensenlevens gered. Een gutmensch dus, of, wie weet, een cultuurmarxist. Nietwaar, heren van de joods-christelijke traditie.”

Het volledige MO-artikel kun je hier lezen

oktober 12, 2017 at 1:22 pm 1 reactie

DIGITALE ALTERNATIEVEN

Dit is de elfde aflevering in de reeks “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”  De vorige staat HIER.

Door Tom Ronse

 

Niet alle digitale literatuur valt onder de noemer “pulp fiction”.  Er zijn ook vele sites gewijd aan “serieuze” literatuur, aan goed geschreven fictie. In wezen verschillen die niet zo veel van de traditionele literaire tijdschriften behalve dan dat ze veel meer kunnen publiceren. Een site zoals Literary Hub  functioneert als een literair dagblad. Elke dag zijn er nieuwe artikels, verhalen, recensies, gedichten en zo meer. Zo’n site moet goed georganiseerd zijn anders verdwaalt de lezer. Een professionele webdesign is een vereiste. Literary Hub toont hoe het kan.  Een bekend voorbeeld in ons taalgebied is Tzum .

Verandert de electronische drager de literatuur inhoudelijk?  Sommigen zeggen van wel. De ogenblikkelijke overdracht zou tot meer dynamische schrijfstijlen leiden en de grotere wisselwerking tussen auteur en lezers zou de literatuur ook inhoudelijk interactiever maken. Zelf kan ik over deze hypthetische evolutie niet meepraten; daarvoor lees ik te weinig fictie.

Wel valt het me op dat in die literaire sites net als in de meeste digitale fictie-sites zonder literaire pretentie relatief weinig gebruik wordt gemaakt van de hypertekstuele mogelijkheden die het internet biedt. Grafische experimenten, multimedia, illustratie of parallele vertelling met video-clips en muziek zijn zeldzaam.

 

Een meer  experiment-vriendelijke opstelling vinden we in de zogenaamde alt-lit  (alternatieve literatuur) stroming. Een participant, alt-lit auteur No Glykon , definieert die aldus: “In probably the most simple terms, it’s Internet writing. It’s using the tools of the Internet and the figures of speech of the Internet to write.”  Hij noemt alt-lit een “literaire internetgemeenschap”.   De deelnemers zijn meestal jong, van de eerste generatie die met het internet is opgegroeid. Het internet is niet alleen hun medium, het vormt ook hun boodschap, om Marshall MacLuhan (“Het medium is de boodschap”) te parafraseren.

Vormelijk betekent dit onder meer dat de teksten sterk beinvloed zijn door internet-taal  (het jargon, de afkortingen,  de emoticons…), internet-stijl (direct, in korte brokken, soms alles in hoofdletters of alles in kleine letters…) en internet-slordigheid (die ze imiteren met bewust misspelde woorden, vreemd gebruik van leestekens en lettertypes). Alt Lit-dichters gebruiken visueel internet-materiaal zoals screenshots, chat-fragmenten , afbeeldingen (“image macros”) en animatie, niet als illustratie maar al integraal onderdeel van hun poëzie. Ze experimenteren met de automatische aanvul-functie van web browsers, met de antwoorden die zoekmotoren geven op hun poëtische vragen, met twitter-stijl poëzie (zie hoofdstuk zeven van deze serie). Ze zijn overigens niet de enigen die werken met op het internet gevonden tekstflarden. Google-poëzie is een populair fenomeen.  Lees er HIER meer over.

 Alt-lit-auteurs kiezen bewust voor zelf-publicatie van hun werk op het internet, als e-books, in de ‘sociale media’ (vooral Facebook, Twitter en Tumblr), in blogs en vlogs (video-blogs op YouTube), in  combinaties van al deze. Af en toe verschijnt er zelfs iets in gedrukte vorm maar dat is eerder uitzondering dan regel.

De internet-media faciliteren de communicatie tussen de auteurs en tussen auteurs en lezers. Die interactie, en het feit dat ze niet-commercieel is, is belangrijk in deze subcultuur.  Ze maakt van alt-lit een gemeenschap. Een therapiegroep, volgens critici.

Inhoudelijk is het internet een belangrijk thema in alt-lit, naast gebroken harten, drugs, uitzichtloosheid, verveling en vervreemding, de pijn van het zijn.  Geen wonder dat de Franse existentialisten  als voorlopers van alt-lit worden beschouwd. Het is “Bonjour Tristesse” en “La Nausée” all over again, in brokken en stukken. De anti-ironische “New Sincerity” stroming ( Dave Eggers, David Foster Wallace en Karl Ove Knausgard  gelden als voorbeelden) is een andere invloed.  Eerlijkheid is de opperste deugd. Niets is te goor om op te biechten. De vuile was moet uitgehangen worden.  Wat vaak tot zelfbeklag of zelfverachting leidt. Maar liefst toch met enige humor; hoe absurder hoe beter.

Niet iedereen vindt de stroming relevant. “Alt-lit is for boring, infantile narcissists“, schrijft Josh Baines in  Vice.com .Volgens hem is alt-lit “het ergste dat de literatuur is overkomen”.

Maar het is te gemakkelijk om de zwartgalligheid  van alt-lit af te wimpelen als een hedendaagse versie van een tijdloze laat-adolescente weltschmerz.  De wanhoop en doelloosheid die er uit opwalmen weerspiegelen wel degelijk ons tijdsgewricht en moeten dus ernstig genomen worden. Overigens is er in de alt-lit cultuur zelf een tegenstroom ontstaan van mensen die een meer hoopvolle kijk op het leven hebben.

Baines verwijt alt-lit ook dat er enorm veel kaf tussen het koren is. Maar het is ook mooi dat alt-lit een platform biedt aan onervaren auteurs die nieuwe dingen proberen met digitale literatuur. No Glykon vergelijkt de beweging met opkomst van punk in de jaren 1970. “For punk, it’s “learn three chords and you have a song.” I think Alt Lit is like that. It’s crude, it’s DIY” (do it yourself).

Natuurlijk heeft de beweging ook haar sterren. De bekendste is Tao Lin, wiens werk ook in gedrukte vorm een wereldwijd sukses is. Podium  gaf zijn autobiografische roman Taipei uit in het nederlands.   Bret Easton Ellis, de schrijver van “American psycho”,  prees hem als  “the most interesting prose stylist of his generation” .

 

                                               Tao Lin

Tao Lins proza is doordrenkt van internet-taal. Zijn roman Richard Yates bestaat uitsluitend uit fragmenten van Gmail chats tussen de protagonisten.

Een goede informatiebron over alt-lit vind u HIER .

 

Volgende hoofdstuk: literatuur en computer games.

 

september 14, 2017 at 4:26 am 1 reactie

IEDEREEN AUTEUR!

Dit is de tiende aflevering in de reeks “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”

 

Tom Ronse

We zijn als miljarden spinnetjes met minstens een pootje op de trillende draden van ons wereldwijd web, ons dierbaar www. Iedereen kan er, met enkele muisklikken, signalen op uitzenden. Iedereen kan publiceren. Iedereen kan schrijver worden! Als we tenminste een niet-kwalitatieve definitie van het woord ‘schrijver’ hanteren.

Miljoenen maken daar gebruik van. Het aantal romans, novelles, verhalen, gedichten en andere literatuur  (opnieuw, we hanteren een ruime definitie) in cyberspace beloopt in de miljarden.  Vind daar maar je weg in. Omdat massa’s mensen die niet kunnen schrijven maar denken dat ze dat wel kunnen hun rotzooi het web opgooien is vernieuwende literatuur er even moeilijk te vinden als de spreekwoordelijke naald in een hooiberg.  Moed: met een sterke magneet moet het lukken.

Ook het papieren boek heeft dank zij de informatie-technologie een enorme vlucht genomen. “Printing on demand” is zo goedkoop geworden dat het genoegen om je eigen gedrukte boek in je handen te houden in iedereens bereik ligt. Uitgeven in eigen beheer is natuurlijk geen nieuw fenomeen.  Maar terwijl het zich vroeger in de marge afspeelde is het nu (kwantitatief) de voornaamste publicatievorm geworden.

Friedrich Kunath

Sommigen juichen dat toe.  Ze zien er een democratisering in van het uitgeversbedrijf. De uitgeverijen verliezen hun monopolie;  niet langer kunnen zij alleen beslissen wat er gelezen wordt, de auteurs zijn bevrijd van hun censurerende macht.  “De uitgever investeert in je”, schrijft Ellen Deckwitz in De Morgen (03/05/2017), “daarom  krijgt hij ook 85 procent van de netto-opbrengst. Maar waarom zou je tegenwoordig niet gewoon de boel online zetten? Bereik je meer mensen mee dan via de boekhandel, en alle inkomsten gaan direct naar het eigen spaarvarken”.

Tegelijk vind ze uitgeven in eigen beheer iets zieligs hebben.  Haar veronderstelling dat je door online te publiceren meer mensen bereikt en meer verdient, is overigens zelden waar. Ook het idee dat de uitgeverijen aan macht hebben ingeboet, moeten we relativeren. Het is nog altijd de grote droom van iedereen -of toch de meesten- die literatuur online plegen om hun werk ooit in gedrukte vorm in de boekhandels te zien liggen.  Net zoals de meeste street-artists hopen van door een galerij ontdekt te worden.

De uitgeverijen blijven de maatstaf hanteren. Dat moet ook wel; zonder sluiswachters verdrinken we in het overaanbod. Dat betekent niet dat die sluiswachters onfeilbaar zijn. Verre van. De berg rotzooi die ze op de markt brengen is niet te overzien. En er zijn massa’s  voorbeelden van monumenten van de wereldliteratuur die keer op keer door uitgeverijen werden verworpen (zie HIER en HIER). Meesterwerken zoals  Moby-Dick en Lolita zagen enkel het licht omdat hun schrijvers zich ook na tientallen afwijzingen niet lieten ontmoedigen. Niet iedereen heeft zoveel doorzettingsvermogen. Zeker nu het zo gemakkelijk is om “de boel gewoon online te zetten”, kan de verleiding groot zijn om de hele uitgeverswereld straalweg te negeren. Het kan dan ook niet anders dan dat tussen al de klatergouden kitsj online parels te vinden zijn.

Fans van online literatuur verwerpen het argument dat er zonder uitgeverijen geen maatstaven meer zijn. Er is wel degelijk een selectieproces, zo stellen ze, maar de beslissingsmacht is verschoven van de uitgeverijen naar de lezers. Door een digitaal verhaal of roman op de sociale media te prijzen, door de link ernaar te ‘reposten’ of  te ‘retweeten’, maken ze het groot, door het te negeren duwen ze het in de vergeetput. Het volk beslist. Zo wordt de literaire productie dus interactiever en democratischer.

 

Virtuele gemeenschap

Maar hoe bereikt de digitale auteur zijn of haar lezers? Hoe krijgt hij of zij de bal aan het rollen?

Het internet heeft een enorme tendens doen ontstaan naar de vorming van artificiële gemeenschappen.  Ik twijfel om het woord ‘artificieel’ te gebruiken want het is niet omdat een gemeenschap via het internet communiceert dat ze niet echt is. Wat ik bedoel is virtuele gemeenschappen die mensen wegrukken uit hun echte leven. Ontsnappingsterreinen. Ik zie steeds meer mensen, vooral jonge, wandelend, rijdend, etend naar hun schermpjes staren, compleet onbewust van hun omgeving. Waar zijn zij, vraag ik me dan af. Duidelijk niet waar hun lichaam is, tenzij als ze een selfie nemen.

Mensen hebben alsmaar minder tijd. De druk wordt groter, in scholen en op het werk.  Ook daarin speelt de informatie-technologie een rol. Het werd een instrument om ons in de gaten te houden, als producenten én als consumenten, om ons harder te doen werken en meer te doen kopen.  We worden gereduceerd tot jachtige verkopers van onze arbeidstijd en jachtige kopers van producten van andermans arbeidstijd. Kopende koopwaar in een rattenkoers. Traditionele  banden van familie, buurt en klasse verzwakken maar de nood aan gemeenschap verdwijnt niet. Dus zoeken veel mensen dat gemeenschapsgevoel online.

We zien een enorme bloei van virtuele subculturen.  Hoe meer we van anderen gescheiden zijn in ons werk, ons consumptiegedrag  en onze leefsituatie, hoe aantrekkelijk de communiteit van de virtuele subcultuur wordt. Die scheidt ons nog meer van anderen in ons echte leven en zo wordt het een vicieuze cirkel.

Literatuur (alweer, in de breedst mogelijke betekenis) is een van de belangrijkste virtuele bindmiddelen. In de vorige aflevering van deze serie (lees die HIER)  hadden we het over de subcultuur  van fan-fiction waarin eindeloze variaties ontstaan in de fantasiewereld van bijvoorbeeld Harry Potter. Het gemeenschappelijk vertrekpunt –  iedereen is vertrouwd met het decor, met de helden en de schurken – geeft de participanten de achtergrond waartegen ze hun eigen verlangens en angsten kunnen projecteren. Dankzij het interactieve, democratische net.

Er is natuurlijk veel meer dan de fan-fiction en erotica die ik in de vorige aflevering besprak. Elk literair genre en subgenre heeft zijn eigen niche in het web. De populairste bindende thema’s zijn romantische liefde, magie, science-fiction en misdaad. Behalve literatuur zijn er nog vele andere bindmiddelen voor op fantasie gebaseerde gemeenschappen zoals computerspelen, politiek en celebrity gossip (eindeloos gekwetter over het leven van de sterren). Het web wemelt van miljoenen elkaar overlappende subculturen die spreiden en krimpen, verdwijnen, andere vormen aannemen en onmogelijk om in kaart te brengen zijn.

De digitale auteur vindt zijn of haar lezers door deel uit te maken van een subcultuur. Hoe groter die is, hoe meer kans op sukses.  Maar wie niet voor een internetcultuur  kiest en niet al op voorhand bekend is en op Facebook of Twitter een schare volgelingen heeft, kan net zo goed zijn of haar  tekst in een fles stoppen en de zee in gooien. De kans dat het werk gelezen en verspreid wordt is in beide gevallen ongeveer even groot.

WORDT VERVOLGD (spoedig, dit keer)

 

september 9, 2017 at 4:53 am Plaats een reactie

VAROUFAKIS EN THUCYDIDES

2015-06-27 17:59:16 Greek Finance Minister Yanis Varoufakis gives a press conference during a Eurogroup meeting at the EU headquarters in Brussels on June 27, 2015. AFP PHOTO/ JOHN THYS

 

door Marc Coucke

 

Dit stuk gaat over twee Grieken (maar niet in gelijke mate) :  Varoufakis die naam gemaakt heeft in de 21ste eeuw en Thucydides, die de Peloponnesische oorlog heeft beschreven in de 5de eeuw voor onze tijdrekening.

Yanis Varoufakis heeft een zeer leesbaar en lijvig boek [1] geschreven over zijn periode als Grieks Minister van Financiën. Het is een belangrijk boek, niet zozeer omwille van het relaas van wat zich heeft afgespeeld in Griekenland in 2015 maar wel omdat het een inkijk geeft over hoe er in de hoogste regionen in Europa en de wereld (IMF) aan politiek wordt gedaan. Het democratisch deficit wordt hier wel heel erg bloot gelegd.

De toon van het boek wordt reeds gezet in de inleiding. In april 2015 heeft Varoufakis in Washington een lange informele ontmoeting met Larry Summers, de Amerikaanse  Minister van Financiën onder Bill Clinton en de voormalige President van Harvard University. Beiden kennen elkaar heel goed en kunnen het goed met elkaar vinden. Summers zegt aan Varoufakis dat hij in zijn openbaar leven één grote les heeft geleerd :  ‘Er zijn 2 soorten politici, de insiders en de outsiders. De outsiders houden zich het recht voor duidelijke taal te spreken en hechten veel belang aan de waarheid. De prijs die zij moeten betalen voor die vrijheid van spreken is dat zij genegeerd worden door de insiders, die de belangrijke beslissingen nemen.  De insiders huldigen één  heilige stelregel : ga nooit in tegen andere insiders en verklap nooit aan outsiders wat insiders zeggen of doen. Wat krijgen zij daarvoor ? Toegang tot inside information en een kans om machtige personen te beïnvloeden.’ Het boek is een aaneenschakeling van politieke ontmoetingen die dit inzicht bevestigen.

Yanis Varoufakis (geboren in 1961) had naam gemaakt als economist voor hij door Alexis Tsipras van Syriza gevraagd werd om in de politiek te gaan. Hij heeft zijn universitaire studies gedaan in Engeland en heeft als professor gedoceerd in Engeland, Australië, Griekenland en Amerika. Zijn vakgebied is game theory [2] en dat laat zich in dit boek voelen. Voor elke politieke ontmoeting heeft hij verschillende scenario’s uitgeschreven en denkt hij enkele stappen vooruit. Hij benadert de politiek als een academicus en hij denkt zijn collega ministers te kunnen overtuigen met rationele argumenten, quod non. Hij komt van een kale reis thuis en wordt dikwijls geconfronteerd met collega’s die naar hem kijken alsof hij niets gezegd heeft, alsof hij geen plan heeft voorgelegd. Zij weigeren met hem in dialoog te gaan. Daarover ondervraagd[3] zegt hij dat hij niet naïef was en heel goed besefte dat men hem niet met open armen zou ontvangen. Hij ging ervan uit dat, indien hij zinnige proposities en een afschrikkingswapen op tafel legde, zij dan wel moesten luisteren.  Hij had een mogelijk atoomwapen in zijn hand. In 2010 had de ECB voor € 33 miljard Griekse staatsleningen overgekocht van privé investeerders. De nieuwe Griekse regering kon in 2015 beslissen deze leningen niet terug te betalen. Dat zou Mario Draghi in een onhoudbare positie gebracht hebben want er was een uitspraak van het Europees Hof (na een klacht van de Duitse Bundesbank bij het Duitse Grondwettelijk Hof) dat de ECB geen enkel verlies mocht lijden op aangekochte staatsleningen.

Voor hij minister werd in januari 2015 was Griekenland reeds twee keer financieel  ‘gered’ geworden. Griekenland had in mei 2010 voor € 110 miljard leningen ontvangen van (verschillende landen in) Europa en het IMF. Dit moest de Griekse staat, die bankroet was en daarom geen beroep meer kon doen op de financiële markten, er bovenop helpen. Als tegenprestatie moest Griekenland aanvaarden dat er drastische hervormingen werden doorgevoerd die ter plaatse gecontroleerd werden door een trojka van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF. Deze bail-out was echter niet opgezet om Griekenland te helpen maar moest dienen om grote Duitse en Franse banken van de ondergang te redden. Die banken hadden Griekse staatsleningen gekocht voor een bedrag van meer dan € 200 miljard. Indien Griekenland dit geld aan de banken niet kon terugbetalen dan zouden ook Portugal, Spanje en Italië in het vizier komen van de financiële markten en de exposure van die banken aan die zuiderse landen was nog veel groter en zij riskeerden daaraan ten onder te gaan.  Sarkozy en Merkel hadden hun banken al eens moeten redden na de financiële crisis van 2008 en konden het zich politiek niet veroorloven hun Parlement nog een tweede keer een reddingsboei te vragen voor hun banken. De tweede redding van de Franse en de Duitse banken is dus verpakt geworden als een redding van Griekenland. Van de € 110 miljard die Griekenland als lening gekregen heeft in mei 2010 van Europa (de Europese belastingbetalers) en het IMF is dus niets Griekenland ten goede gekomen. Dit bedrag werd volledig aangewend om de Griekse staatsleningen vervroegd terug te betalen aan de Franse en Duitse banken. De dubieuze leningen die die banken verschaft hebben aan de Griekse staat werden dus overgenomen door de Europese en internationale  gemeenschap.

Griekenland heeft een tweede lening gekregen van € 130 miljard in 2012. Hier waren heel wat voorwaarden aan verbonden, die werden vastgelegd in een Memorandum of Understanding (MoU). Eerst en vooral een 90 % schuldafschrijving (een haircut) van € 100 miljard op eerdere Griekse staatsleningen die gekocht werden door Griekse pensioenfondsen, Griekse banken en Griekse burgers. Deze Griekse obligatiehouders werden in één klap € 100 miljard armer. De buitenlanders bleven buiten schot. Andere voorwaarden waren het oprichten van The Hellenic Financial Stability Fund, dat toezicht moest houden op de Griekse banken maar volledig gecontroleerd werd door de trojka, de aanstelling door de trojka van een nieuw hoofd van de Griekse belastingdienst, die niet kon ontslagen worden door de Griekse regering en het oprichten van een dienst die Griekse overheidsholdings moest privatiseren. Van de lening van € 130 miljard werd € 50 miljard aangewend om de Griekse banken te onderstutten met nieuw kapitaal (om de haircut te compenseren) en een ander deel diende om een deel van de vroegere leningen van Europa en het IMF terug te betalen.

De Griekse bevolking had in de verkiezingen van januari 2015 aan Syriza een mandaat gegeven om het Griekse reddingsplan te heronderhandelen met Europa en het IMF. Varoufakis was (en blijft) ervan overtuigd dat de aanpak van de trojka Griekenland niet uit het moeras kan trekken maar Griekenland vast ketent in een schuldengevangenis. De MoU is een giftig medicijn dat de toestand van de patiënt enkel slechter maakt. Die aanpak van de trojka is noodzakelijk om te vermijden dat enkele belangrijke Europese leiders politiek gezichtsverlies zouden lijden door toe te geven dat ze het verkeerd voor hadden.

Varoufakis had zijn eigen plan, dat hij getoetst had bij belangrijke economische adviseurs (Jamie Galbraith, Jeff Sachs, Norman Lamont) en dat oorspronkelijk was goedgekeurd door het Griekse war cabinet, maar waar Tsipras uiteindelijk is voor gezwicht. Het plan hield een schuldherschikking in (bestaande leningen vervangen door enerzijds eeuwigdurende leningen die in principe nooit terug betaald worden en waarop enkel eeuwigdurend intrest wordt betaald en anderzijds door leningen waarvan de afbetaling zou gekoppeld worden aan de groei van de Griekse economie), een voorstel om de failliete Griekse banken over te hevelen naar het Europees niveau (want het was Europees geld dat ze overeind hield) en een voorstel om belastingen te innen bij belastingontduikers door gebruik te maken van data mining.

Wanneer Varoufakis zijn plan voorstelde in de Eurogroup vergadering van 11 februari 2015 was het  antwoord van de Duitse minister Schäuble heel kort : ‘Verkiezingen kunnen geen voorwendsel zijn om de economische politiek te veranderen.’ Varoufakis antwoordde :  ‘Democratie is geen luxe die de rijke landen zich kunnen veroorloven maar moet ontzegd worden aan de arme landen.’ Toen Varoufakis vroeg dat zijn voorstel ten minste zou uitgedeeld worden aan zijn collega’s om het te kunnen bestuderen werd dit door Schäuble geweigerd want dan zou hij wettelijk verplicht zijn dit voorstel ten berde te brengen in het Duits Parlement waar het zeker zou worden afgekeurd. Schäuble zei dat Varoufakis zijn voorstel maar aan de trojka moest overmaken. Varoufakis argumenteerde dat de trojka een groep technici zijn die niet verkozen zijn en geen verantwoording moeten afleggen. Hij wilde een discussie op politiek niveau maar die kreeg hij niet.

Op het einde van de Eurogroup vergadering van 27 juni 2015, de laatste die Varoufakis heeft bijgewoond, wilde Voorzitter Jeroen Dijsselbloem een communiqué verspreiden waar Varoufakis niet mee akkoord ging en wilde hij een nieuwe vergadering samenroepen in de namiddag zonder Varoufakis. Varoufakis vroeg aan de secretaris of dat zo maar kon. Het antwoord van de secretaris, na consultatie met de Juridische Dienst van de Europese Commissie,  was dat de Eurogroup geen juridische basis heeft omdat het in geen enkel Europees verdrag voorkomt en dat de Voorzitter daarom kan handelen naar eigen goeddunken.

In het boek komen nog veel voorbeelden voor van machtspelletjes. Dijsselbloem en Schäuble die Varoufakis afdreigen met uitsluiting uit de eurozone (Grexit), Schäuble die Griekenland wil afstraffen om Frankrijk een lesje te leren en discipline op te leggen. Daar tegenover stelt Varoufakis altijd het belang van de soevereiniteit van de staat en de waardigheid van het volk.

Waar blijft Thucydides ? Zijn uitspraak van 26 eeuwen terug vat het boek goed samen :  ‘In de echte wereld doen de sterken wat zij willen en ondergaan de zwakken wat zij moeten.’ Dit is trouwens ook de titel van een ander boek dat Varoufakis recent geschreven heeft : ‘And the weak suffer what they must ?’

[1] ‘Adults in the room’, ISBN 9781847924452, 550 blz.

[2] https://www.yanisvaroufakis.eu/books/game-theory-a-critical-text/

[3] https://www.socialeurope.eu/adults-room-taking-europes-deep-state

augustus 6, 2017 at 8:47 am 1 reactie

CHOMSKY VALT AAN

 

Noam Chomsky

 

Door Tom Ronse

“Wie regeert de wereld?” is de originele titel van het pas door EPO uitgegeven boek “De Chomsky papers”. Het antwoord op die vraag is minder evident dan pakweg twintig jaar geleden. De VS is nog altijd de dominante supermacht maar die macht is in verval, meent Chomsky. Net daardoor wordt ze volgens hem nog gevaarlijker. De “Doomsday Clock” staat op drie voor twaalf”, waarschuwt hij.

Noam Chomsky is een fenomeen. Hij staat bekend als de vader van de moderne linguistiek en een pionier van de cognitieve wetenschap. Daarnaast  was en is hij een politieke activist en auteur van een hondertal boeken en nog veel meer artikels. Kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek en media is zijn hoofdthema. Hij wordt veel gelezen, wereldwijd. Door de enen wordt hij op de handen gedragen, door anderen verguisd. The Observer noemde hem “the world’s greatest public intellectual”, Der Spiegel “de ayatollah van de anti-Amerikaanse haat”.

De star quality van de auteur is vermoedelijk de reden waarom EPO de titel van het boek veranderde in “De Chomsky papers” (eerder gaf EPO al “De essentiële Chomsky” en drie andere Chomsky-boeken uit). Het  boek is een verzameling van eerder gepubliceerde essays, waarvan het oudste dateert van 1966. Helaas heeft de auteur geen poging ondernomen om lang geleden geschreven essays te actualiseren of om de herhalingen die in hoofdstuk na hoofdstuk opduiken te schrappen.

Het boek verscheen in het Engels in 2016. EPO’s versie bevat een nawoord, geschreven na de verkiezing van Trump. Chomsky verwacht uiteraard dat die het nog veel erger zal maken.  De feiten geven hem gelijk.  Trump lijkt vastbesloten om de opwarming van de planeet te versnellen, de bewapeningsuitgaven drastisch te verhogen, de belastingen van de rijksten te verlagen en te besparen op de rug van de armen, de ouderen en de zieken. Wat dat laatste betreft, krijgt hij nog wat tegenwind maar de noodzaak om nog meer uit te geven om Amerika’s militaire suprematie te handhaven wordt in het Congres niet in vraag gesteld. De bereidheid van de bevolking om de nodige offers daartoe te aanvaarden steunt op een brede aanvaarding van de premisse dat de Amerikaanse militaire macht een noodzakelijke en goedaardige rol speelt in de wereld. De wijsheid van een militaire interventie mag betwijfeld worden maar niet de goede bedoelingen.  Het is die mythe die Chomsky onderuit schopt.

Zo contrasteert hij de bewering dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich tot doel stelt om vrijheid en democratie te verspreiden met vele voorbeelden die net het omgekeerde tonen.  Washington steunt een democratisering als dat de belangen van het Amerikaanse kapitaal dient, zo toont hij aan, maar als dat niet het geval is aarzelt ze niet om verkozen regeringen omver te werpen en dictators te steunen. Verkiezingen worden geprezen maar als een bevolking “verkeerd” kiest, zoals de Palestijnen in Gaza, dan wordt ze daarvoor gestraft.

Terwijl hij de vele Amerikaanse militaire interventies overloopt, fileert Chomsky de hypocrisie van de propaganda die ze begeleidde. Achter de humanitaire slogans schuilt vaak een kille onverschilligheid voor de gruwelijke gevolgen voor de burgerbevolking. Hij hekelt de verloedering van het woord “terrorisme”, dat nu in heel de wereld gebruikt wordt om de acties van vijanden te beschrijven maar niet die van bondgenoten.  Washington gaf het voorbeeld toen het de bomaanval op de kazerne van de Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983 terrorisme noemde maar de slachtpartij die kort daarvoor met steun van Israel plaatsgreep in Sabra en Shatila niet. Nochtans was het doelwit in het eerste geval militair en in het tweede de burgerbevolking. De vervaging van dat onderscheid is gevaarlijk omdat ze aanslagen op burgerbevolking even legitiem maakt als acties tegen militaire tegenstanders.

Over selectieve verontwaardiging  heeft Chomsky een heel hoofdstuk.  De wijze waarop gebeurtenissen worden voorgesteld in de media vormen en misvormen onze kijk op de wereld. Ook onze eigen mainstream media laten zich vaak leiden door de selectieve woede van Washington. Chomsky geeft daar treffende voorbeelden van.

Te simpel

Chomsky wil een globaal portret schilderen maar slaagt daar niet echt in. Door zijn grotendeelse focus op het Midden-Oosten, Europa en Rusland en Oost-Azië, blijft de rest van de wereld buiten zijn gezichtsveld.

Voor hem lijkt er maar één imperialistisch land te bestaan. De VS is de enige boosdoener, de rest zijn handlangers of slachtoffers. De misdaden van anderen blijven buiten zijn gezichtsveld.

Volgens Chomsky wordt het wereldgebeuren gedreven door politici. Hij ziet enkel Washington, in dienst van een superrijke, hebzuchtige elite. De onderliggende omwentelingen in de economie en samenleving blijven buiten zijn gezichtsveld. De schaalvergroting van de economie, de IT-revolutie en vele andere ingrijpende veranderingen spelen geen rol in zijn verhaal.

Ingewikkeld maakt hij het niet. De globalisering reduceert hij tot “de bewuste, zelfgekozen ondermijning van eigen krachten” (van de VS). De eindeloze crisis van het Midden-Oosten is de schuld van het Sykes-Picot akkoord (1916) dat  artificiële grenzen creërde, plus Amerikaans imperialisme, en daarmee is de kous af.  Chomsky’s analyse blijft oppervlakkig.  Hij ontmaskert “the good guys”, ze blijken “the bad guys”. De rollen zijn omgekeerd. De “baddest” van al is de Republikeinse partij, “de gevaarlijkste organisatie uit de wereldgeschiedenis”, want ze “heeft zich tot doel gesteld zo snel mogelijk elke vorm van georganiseerd menselijk leven op aarde te vernietigen.”

Dit boek is een aanklacht, een polemiek. Maar een diepgravende analyse van de oorzaken van de huidige ellende is het niet en evenmin biedt het een perspectief om eruit te geraken. Toch is het het lezen waard. Chomsky wrijft het zand uit onze ogen, dat er door propaganda is ingestrooid.

 

Noam Chomsky, De Chomsky papers, EPO, € 24.95

 

(Dit stuk verscheen woensdag in De Morgen)

 

juli 7, 2017 at 3:31 am Plaats een reactie

HOWARD ZINN BLIJFT ACTUEEL

OOK IN HET TRUMP-TIJDPERK

Howard Zinn, enkele jaren voor zijn dood in 2010

 

Tom Ronse

Het gebeurt maar heel zelden dat van een boek over geschiedenis meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn presteerde het met zijn “People’s History of the Unites States”. De klassieker die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank.  De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het nederlands heruit te geven.

 

In EPO’s uitgave is het boek getiteld: “Geschiedenis van het Amerikaanse volk”, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn, tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt, lijkt de term “het Amerikaanse volk” hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat het “het Amerikaanse volk” met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het “een verzonnen identiteit” is, dat de rode draad doorheen de geschiedenis van zijn land een radikale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als “het Amerikaanse volk”, “We, the people”, dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn “People’s History” beoogde was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals bv. LP Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

 

Partijdig

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord replikeert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. “Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat vermelden? Wat niet? Ik be­sefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (…) Achter elk feit dat wordt aangehaald schuilt een oor­deel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aange­haalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.”

Zinn geeft grif toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij  groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in  New York,  werk­te drie jaar op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst bij de VS-luchtmacht tijdens  WO II. Daarna studeerde hij geschiedenis. Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston was hij actief betrokken in de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam.  Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving “van onderuit” die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: “Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschie­denisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.”

Zinns voornaamste kritiek op de “ortho­doxe geschiedschrijving” is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van “grote mannen”: de “Founding Fathers” die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, FDR die de depressie en de nazi’s overwon, enzovoort.  Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een “redder in nood” om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot “om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen”. Dat idee van “redder in nood” zit volgens Zinn “ver­ankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.” Maar toch vooral in de politiek. De kiescampagne van Donald Trump was er gebaseerd op.

Ondanks de kritiek wordt Zinns “People’s History”  vandaag gebruikt als studieboek  in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten.  Van rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden. In Arkansas werd nog dit jaar daartoe een wetsvoorstel ingediend. Het werd niet goedgekeurd en leverde het boek nog wat extra-publiciteit op.

 

Spannende films

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft.  Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de USA is. Racisme, nationalisme,  imperialisme, oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van. Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van “the ordinary people”,  die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

De grote lijnen zijn bekend maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem nu Stefan Hertmans’ terecht bejubeld boek “Oorlog en terpentijn”: Je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat .

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijk boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films.  Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je haar doet rechtstaan. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang. Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren.  De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geimporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood –om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken-  omdat men liever winstgevende tabak kweekte dan levensmiddelen. Het was de periode waarin de Engelse landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa’s mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar noord-Amerika verscheept als “contractwerkers”. In EPO’s vertaling worden die vaak “bedienden” of “dienstboden” genoemd maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven.  Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo onstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen. Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieen –de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen- samen in opstand zouden komen.  De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig  om ze uiteen te houden.  Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de anders gekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn.  Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zelf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn kiescampagne.

Andrew Jackson

Een sprekend voorbeeld van zo’n politicus was Andrew Jackson die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de anti-politicus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wou inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel-en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

 

De legendarische Wobblies

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). Vakbond is eigenlijk niet het juiste woord want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden. De ‘Wobblies”, zoals IWW-ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond.  Ze waren anti-nationalistisch, anti-racistisch, anti-sexistisch  en vooral anti-kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts “oefeningen” voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en ”Big Bill” Haywood. Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. “Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.”

 

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills “Rebel Girl” werden later in het nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van die stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW “kinderkonvooien”: de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sympathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren.  Op basis van valse beschuldigingen werden de leiders tot lange celstraffen veroordeeld. De IWW bestaat nog steeds maar haar glorietijd is al lang voorbij.

 

Minutieus portret

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode  1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv:  hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washington-schandaal wordt uitgeplozen maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de “war on drugs” als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader.  Zoals David Van Reybroucks “Congo” schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme  in de VS namen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat  het nu zo druk besproken “Fake News” (nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden) allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT journalist en Salon-medewerker Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar maar de vertaler veroorloofde zich te veel vrijheid.  Het is beter, uit respect voor de auteur, om dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (en er zijn heel wat) in rijmend nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het engels). Was dat nodig?  Het is meestal erg goed gedaan maar de noodzaak om het te doen rijmen dwingt soms tot kunstgrepen die ons ver van het origineel verwijderen. En er zijn fouten. De “secretary of State” is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet “het oosten van St. Louis” maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bv. de eerste zin van hoofdstuk 11, “1877 kondigde de 19de eeuw al aan”, onzinnig is?  Had er nu nog de 20ste eeuw gestaan. In de oorspronkelijke tekst staat: “In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw” (mijn letterlijke vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

(Een versie van dit artikel verscheen deze week in de boekenbijlage van De Morgen)

 

 

 

mei 27, 2017 at 5:36 am Plaats een reactie

GRAAILAND? MAAIEN ZONDER ZAAIEN

                                             De zaaier

door Jef Coeck

 

Zou een boek een revolutie kunnen ontketenen? Natuurlijk, het is al meermaals gebeurd. Het ‘Communistisch Manifest’ van Marx en Engels – deels in Brussel geschreven –  heeft zo goed als wereldwijd de proletaar naar een beter lot doen grijpen. Het Rode Boekje van Mao? Dat was voor insiders, enkele honderden miljoenen, maar toch, een wat vertrouwelijk karakter. Niet vergeten dat ook de godsdienstoorlogen door geschriften zijn veroorzaakt.

En zou in ons landje een boek opstanden kunnen ontketenen? We kijken er naast, maar het is volop bezig. Terwijl iedereen roept dat rechts-extreem overal aan de orde is, zien we links over het hoofd. Peter Mertens, leider van de PVDA (Partij van de Arbeid) en zijn compagnon Raoul Hedebouw in Wallonië (PTB, Parti du Travail de Belgique) presteren nog nooit geziene dingen. In enkele jaren tijd schreef Mertens, geholpen door zijn achterban, drie boeken waarvan twee ongehoorde bestsellers. ‘Hoe durven ze?’ en zijn jongste ‘Graailand’ blijken nooit geziene oplagen te halen, zeker voor zo’n doorgaans verfoeielijk geheten lectuur.  Voor de goede orde: volgens Van Dale betekent graaien: wegkapen.

Het vorige deel ging hoofdzakelijk over de internationale graaiers, met name zij die een poot hebben binnen de Europese Unie. Dit derde deel gaat over de dieven die ons in eigen land bestelen. Het zijn niet enkel de rijken en machtigen maar ook politici, van groot tot klein. Niet allemaal, maar wel meer en meer. Het is nu haast zo ver dat vele landgenoten een mandaat nastreven, om te kunnen graaien. Daar bestaan statistieken over, nagetrokken door de eigen studiedienst van Mertens  en Co.

Mertens: ‘Toen ik in 2011 ‘Hoe durven ze?’ schreef, hadden 325 multimiljardairs  even veel geld als de 3,5 miljard armste mensen. Vandaag zijn het er geen 325 maar 62. Dan weet je: het gaat ontploffen.’ En hoe weten we dat het links geschrijf effect heeft? Vooreerst door de grote oplagen, in de tienduizenden op geen tijd. Dit gegeven, in combinatie met de politieke opiniepeilingen levert een bijna ongelooflijk resultaat af, zowel in noord als in zuid. In Wallonië wordt de PVDA/PTB de tweede grootste partij, nog voor de eeuwenoude socialisten van de PS en zijn Elio di Rupo. In Vlaanderen wipt de partij twee keer over de kiesdrempel. Het blijft voorlopig bij peilingen, maar die plegen ook wel eens uit te komen.Leven we daarom na de volgende verkiezingen in een pseudo-communistische staat?

Nee, maar nu leven we in een tweesporenmaatschappij. Voor de ene klasse van mensen zijn de normen: weinig steun, veel voorwaarden en harde sancties. Voor de andere klasse van mensen geldt: veel steun, bijna geen voorwaarden en sancties die kunnen worden afgekocht met geld.

Bij een transactie waarmee hij 100 miljoen binnengraait betaalt Marc Coucke (de ondernemer, niet de medewerker van het Salon) geen cent belasting – en daar is hij nog fier op ook. Het is bekend dat de werkster van een multinationaal bedrijf meer belasting betaalt dan het rijke bedrijf zelf. Bij wijze van enkele sprekende voorbeelden. Dat dit tot woede leidt bij een groot deel van de bevolking, zal niemand verbazen. Uit die woede verklaart Mertens de ommekeer in het politieke landschap. Natuurlijk moet er nog gestemd worden, in 2018 en 2019. Als dan zou blijken niets te kloppen van de peilingen, kan de woede alleen nog maar stijgen.

Het gerommel, gesjoemel en gegraai speelt zich niet enkel op puur politiek niveau af. Het is evenzeer present in de werkgelegenheidssector, in de zorg, in de pensionering, in het transport, in de openbare werken en in tal van andere noodwendigheden. Geen wonder dat de armoede in België hand over hand toeneemt.

Ook met de N-VA aan de macht blijft ons land vooral een belastingparadijs voor het grootbedrijf, aldus Mertens. In 2015 bezetten vennootschappen van AB InBev, ExxonMobil, en Electrabel de eerste drie plaatsen in onze top vijftig. Zij maken in totaal 6,46 miljard winst en die wordt belast tegen 0,6 procent. Terwijl de energiearmoede stijgt en de prijzen door het dak gaan, bedraagt de belastingvoet van Electrabel in 2014  welgeteld 0,4 procent. Dure elektriciteit, heette destijds al een programma van Maurice De Wilde. Goed dat de man het vandaag niet meer hoeft mee te maken. In plaats van Electrabel behoorlijk (zwaar) te belasten, verhoogt de regering de btw op de elektriciteit.

De boeman van de rijken heet ‘miljonairstaks’. Het is een zachtere aanpak dan men van ex-communisten en –maoïsten had kunnen verwachten maar toch wordt deze nieuwigheid afgewezen bij perceptie. Deze taks slaat alleen op fortuinen van meer dan 1 miljoen euro, bovenop de eigen eerste woning met een waarde tot 500.000 euro. Het is een progressieve belasting, met een maximum-aanslagvoet van drie procent: één procent belasting op het deel van het vermogen boven de 1 miljoen euro, twee procent op het deel boven 2 miljoen en drie procent op het deel boven 3 miljoen. De taks laat alle vermogens lager dan 1 miljoen ongemoeid. Bovendien wordt de woning die het gezin betrekt, vrijgesteld voor een bedrag van 500.000 euro. Concreet: de onbelaste schrijf bedraagt in de meeste gevallen 1,5 miljoen euro. Deze door sommigen halfzachte maatregel genoemd, kreeg uitdrukkelijk niet de naam van ‘vermogensbelasting’, want dat is het niet. Aan het vaste vermogen wordt niet geraakt.

Natuurlijk neemt dat het verzet niet weg. Het komt met name uit de hoek van de ultra-liberale hoek,  meer bepaald Bart De Wever en Gwendolyn Rutten. Zij willen hun partijen laten draaien op het graaien – en totnogtoe slagen ze daar aardig in. Geen wonder dus dat de grootste politieke graaiers bij de N-VA en de Open VLD zitten. Wie daar nog aan twijfelt heeft de actualitieit van de jongste maanden niet goed gevolgd. Het spreekt andere partijen of sommigen van hun leden natuurlijk niet vrij. Het venijn zit overal maar bij de een weleens meer dan bij de anderen.

                                               De graaier

Hoe krijgen we deze augiasstal ooit uitgemest? Met een Hercules die sterk, nobel, eerlijk, deugdzaam en standvastig is?  En geen dictatoriale neigingen ontwikkelt. Waar zit hij/zij die België, of desnoods Vlaanderen, op het rechte pad brengt. Liefst zonder revolutie. Toch kan het geen kwaad dat Mertens al begint te shrijven aan zijn eigen ‘’communistisch’ manifest’, waarbij we de drie vorige boeken zullen beschouwen als zijn ‘Das Kapital’.

Peter Mertens, Graailand, Het leven boven onze stand, Berchem, EPO, 2017

april 6, 2017 at 1:44 pm 4 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.329 andere volgers