Posts filed under ‘boeken’

PROTEA, SUIKERBOSSIE VOOR DE WITMENS

?????????????????????????????????????????????????????????????????????????????????

door Jef Coeck

Zuid-Afrika mét Apartheid, dat heeft altijd geklikt voor de Vlaamse intellectueel. De banden tussen Vlaanderen en het toenmalige Zuid-Afrika waren dan ook stevig en ver uitgedeind. In 1978 werden ze onthuld door Maurice Mthombeni, Jef Coeck, Paul Goossens en Walter De Bock, in hun gezamenlijke boek ‘Suikerbossie’ (met cover van GAL). Suikerbossie is de populaire naam voor de Kaapse bloem Protea. De bindingen, open en verdoken, werden blootgelegd, althans een deel ervan. Want de drukinkt was nog niet droog of er stonden alweer nieuwe investeerders uit Vlaanderen op de mat in Pretoria. De namen van de meeste politici, captains of industry, journalisten, schrijvers, instellingen en bedrijven zijn intussen veranderd of verdwenen. Toch heeft het zin – nu Mandela goed en wel begraven is – nog even te herinneren aan wie van hieruit zoal meegeholpen hebben om hem eerst jaren in de gevangenis te begraven. Het zou in 1978 nog twaalf jaar duren voor hij vrijkwam. (jc)

————————

Eind 1977 werd België in zijn democratisch fatsoen aangetast door de oprichting van PROTEA, een zogeheten contactclub van prominente politici, ambtnearen, journalisten en ondernemers die meer begrip wilden kweken voor de Apartheid. In de buurlanden kon met tegelijkertijd een sterke ant-Apartheidsstroming waarnemen. Logisch, want door de opstand in Soweto (1976) waren de onmenselijke aspecten van het Zuidafrikaanse systeem nogmaals belicht. Steve Biko was vermoord. President Vorster had het verzet – en de pers – de nek trachten om te draaien.

Soweto in opstand 1976

Soweto in opstand 1976


Maar, alleen in België bleken deze gebeurtenissen de sympathie voor het schrikbewind in Pretoria nog te vergroten, althans bij een deel van de bevolking. Dat kan verwondering wekken, maar voor wie zich de moeite neemt enkele decennia Belgische geschiedenis na te vlooien komt het allemaal niet uit de lucht vallen.
(…)

De ledenlijst van Protea is niet zomaar terug te voeren tot openlijk extreem-rechtse groepen. Ook grote zogenaamd kulturele en a-politieke organisaties hebben er hun afgevaardigden. Daarbij moet worden opgemerkt dat de meeste van de reeds genoemde verenigingen zich eveneens als a-politiek bestempelen.
Het Ijzerbedevaartcomité kon onmogelijk op het Protea-appél ontbreken. Het is present, met André Demedts van de gelijknamige Prijs, Anton Van Wilderode en Willem Melis. Ook Jozef Coenen, voorzitter van het Ijzerbedevaartcomité en ex-gouwleider van het VNV, is lid. Het is natuurlijk fout de jaarlijkse Ijzerbedevaart als een zuiver fascistische aangelegenheid te bestempelen, maar laten we afspreken dat het opvalt dat extreem-rechtse groepen er elke keer goed vertegenwoordigd zijn. In 1977 waren dat nog: VMO, Were Di, Voorpost-NAG, Wolfsangel, Solidaristische Beweging, Viking Jeugd Vlaanderen, KKVHV, St.-Maertensfonds, Alternatief, evenals Duitse, Britse, Oostenrijkse en Nederlandse fascisten, plus de Ku Klux Klan. De groet uit Suid-Afrika en het spelen van het Suidafrikaanse volkslied behoren tot de vaste programma-onderdelen op dit rendez-vous der ware Vlamingen. In dezelfde sfeer wortelt het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ) en zijn voorzitter Valeer Portier. Idem voor Jozef Van Overstraeten (bekroond met de André Demedtsprijs) voorzitter van de Vlaamse Toeristenbond en de Vlaamse Automobilistenbond ((VTB-VAB).  Deze vereniging pleegt geregeld een bal te organiseren, uit louter vriendschap met Zuid-Afrika. Meestal heeft het bal een motto bv. ‘Vrolikheid in vakansieland Suid-Afrika’.

Het katholieke Davidsfonds, de grootste kulturele organisatie van het land (70.000 leden) is een belangrijke promotor van de Vlaams-Suidafrikaanse Vriendschap. Voorzitter Clem De Ridder was eerst lid van Protea, maar zag zich tot zijn spijt verplicht dit lidmaatschap op te zeggen onder druk van een gedeelte van het bestuur. Talloos zijn de boeken, platen en bijeenkomsten van het Davidsfonds – vaak in samenwerking met de Zuidafrikaanse ambassade – waarin gedweept wordt met de kolonisten aan de Kaap.
Nie minder dan 38 stichtende Protea-ers zijn ook lid van de Orde van den Prince. Dit is een van de belangrijkste service- en managersclub die ons land rijk is. Met de Prins wordt Willem van Oranje bedoeld, de promotor van de Verenigde 17 Provinciën. Deze Orde is dan ook van zuiver Dietse signatuur, met afdelingen in Nederland, Kinsjasa en Bujumbura.  Ze zegt van zichzelf dat ze pluralistisch is en de mens centraal stelt, maar wie is en doet dat tegenwoordig niet? In België zou ze beschikken over 1300 leden, gespreid over een 60-tal afdelingen, gemiddeld 21 à 22 per afdeling. Daaruit kan al worden opgemaakt dat ze elitair is, alleen toegankelijk voor beter gesitueerden die zich bezig houden met onze moederspraak en de Nederlandse stam. De Prins van Oranje, bijgenaamd De Zwijger, wordt door heel wat extreem-rechtse groepen aanbeden wegens zijn vermeende streven naar een soort Belgisch-Hollands federalisme avant la lettre. Het is een idee dat vierhonderd jaar geleden ongetwijfeld aktueel was.

protea 3
De voorzitter van PROTEA is André Vlerick, katholiek politicus, oud-minister, bestuurder van de VUM (De Standaard) en professor aan de Gentse universiteit. Hij is ook ondervoorzitter van de Kredietbank, de concentratie van ‘Vlaams’ kapitaal. Geen wonder dat deze bank enkele jaren geleden in vijf Belgische steden een propaganda-tentoonstelling over Zuid-Afrika organiseerde, onder auspiciën van de Zuidafrikaanse ambassadeur. Geen wonder dat ook nog andere leden van het Kredietbankbestuur in Protea worden aangetroffen: Jean Teyssen, André Monteyne, Maurits van Lerberghe. In een gesprek met ’t Pallieterke maakt Vlerick ongewild duidelijk wat voor soort objectieve informatie van Protea verwacht mag worden: ‘Zuid-Afrika is op de goede weg. (…) Wij hebben helemaal geen reden om dit land de les te lezen. (…) De Boeren hebben in het verleden al vaak bewezen dat ze moedig waren.  Ze hebben een prachtige geschiedenis die me altijd ontroerd heeft. (…) Het is typisch dat Zuid-Afrika niet vermeld wordt op de lijst van landen waar er volgens Amnesty International gefolterd wordt.’
Pech voor Vlerick, want zijn woorden waren nauwelijks koud of Amnesty International startte een wereldwijde campagne tegen het systeem van de politieke gevangenen in Zuid-Afrika. Het was echter geen reden voor de professor om zijn mening te herzien, laat staan zijn voorzitterschap van Protea op te geven. Overigens laat Vlerick zich in zijn oordeel nooit hinderen door de feiten. Toen hij de bovenstaande uitspraken deed waren er al achttien Zuidafrikaanse pacifistische organisaties en kranten door Vorster verboden. Zegt de voorzitter: ‘Ik kan bezwaarlijk van hieruit gaan oordelen over deze dingen. Naar verluidt zouden ze hebben opgeroepen tot moord en doodslag.’
De voorzitter van een vereniging die brede informatie over Zuid-Afrika wil verstrekken, kan dus niet oordelen over deze dingen, omdat hij blijkbaar over onvoldoende informatie beschikt uit het land zelf.
Niettemin suggereert Vlerick dat verenigingen als het Christelijk Instituut van dominee Beyers-Naudée zouden hebben opgeroepen tot moord en doodslag. Dat is meer dan een verdachtmaking, dat is laster. Alleen al daarom zou ieder die zich in dit land katholiek noemt, de uitlatingen van de heer Vlerick ten strengste moeten afkeuren, want laster, dat mag toch niet van de paus?

De voorzitter blijkt dus op zijn minst slecht ingelicht te zijn over Zuid-Afrika. Bovendien is hij een racist. Hij ontzegt mensen op grond van hun huidskleur het recht er een ander oordeel dan het zijne op na te houden. Citaat uit hetzelfde interview: ‘Als zwarte kan Young (de Amerikaanse UNO-ambassadeur die namens president Carter met Vorster c.s. onderhandelt/red.) onmogelijk genuanceerd denken over Zuid-Afrika, hij kan onmogelijk een genuanceerde oplossing voorstaan.’
In sommige van onze buurlanden zou een dergelijke uitspraak van een zich christelijk en democraat noemende oud-minister heel wat stof doen opwaaien. Niet zo in België. Een en ander geeft wel goed de sfeer aan waarin de hele PROTEA-bedoening zich wentelt: een sfeer van hypocriete en selectieve verontwaardiging met racistische inslag. Een sfeer van profijt ook, zoals uit volgende hoofdstukken zal blijken.
(…)

Vakantieland Soweto zonder opstand

Vakantieland Soweto zonder opstand

De Zuidafrikaanse televisie (Uitsaai Korporasie -SAUK) kon in 1976 slechts van de grond komen met de doorgevoerde steun van de BRT. Dit hoeft geen verwondering te wekken. De Directeur-Generaal van de BRT, Paul Vandenbussche, staat vanouds bekend als een vriend van de Boeren. Het is een publiek geheim dat hij enkele jaren geleden de Belgische ambassadeurspost in Pretoria ambieerde. Het feest ging niet door omdat Vandenbussche jammerlijk zakte voor het diplomatiek toegangsexamen, zo gaat het verhaal. Hoe het ook zij, Vandenbussche wekt sterk de indruk de informatie over Zuid-Afrika in radio en televisie te willen manipuleren.
Nadat Jan Van Nuffelen een indringende en kritische reportage over het land van de Apartheid had gemaakt, voelde de direkteur-generaal zich genoopt om dit werkstuk  tegenover de redaktie af te keuren, zij het dan dat hij niet de moed opbracht om het in het publiek te doen.  Hij ging dus blijkbaar stilzwijgend akkoord met de Zuidafrikaanse ambassade in Brussel die over dit onderwerp schreef: ‘Een mislukte reportage. Zelden heeft men een film over Zuid-Afrika gemaakt die zo eenzijdig negatief was. Alles was slecht!’
Allicht vond de ambassade de film slecht, het was immers de eerste keer dat op de Vlaamse buis tegenstanders van de Apartheid uitvoerig aan het woord werden gelaten. Zuid-Afrika telt toch meer tegen- dan voorstanders van de Apartheid? Maar dat bleek niet de opvatting van de heer Vandenbussche. Daar zond hij bij wijze van Wiedergutmachung Walter Geerts uit. Deze in Congo geboren star-reporter vol begrip voor zwarte mensen, begaf zich voorjaar 1976 naar Zuid-Afrika, belast met de opdracht om niet minder dan twee reportages te maken. Hij filmde uitvoerig Soweto: leuke huisjes, veel groen, de meeste zwarten hebben er een auto voor de deur en een zwembad in de tuin. Niets aan de hand dus.
Nauwelijks was deze vriendelijke reportage uitgezonden echter, of de omstandigheden keerden zich tegen Geerts. Soweto bleek toen een plek te zijn met veel doden (waarschijnlijk verdronken in hun zwembad, zo luidde toen een inside-joke bij de BRT), in de fik gestoken auto’s, diverse soorten van ellende.

Hendrik Verwoerd postzegel

Hendrik Verwoerd postzegel


In Soweto begon een ontwikkeling die twee jaar later al niet meer te remmen is. Dat was Geerts niet opgevallen, maar als objectieve reporter kan je toch onmogelijk alle meningen peilen? Zelfs de Bond van Radio- en Televisiejournalisten, een vereniging die doorgaans niet zeer happig is om collega’s aan de schandpaal te spijkeren, distancieerde zich uitdrukkelijk van het product van Geerts. Waarna de om zijn flair vaak bekroonde journalist uit de belangstelling verdween en lid werd van PROTEA.

Nog andere BRT-prominenten hebben zich in de loop der jaren uitgesloofd  om de blanken aan de Kaap ter wille te zijn. Televisiedirecteur Jozef Coolsaet ging de vorderingen van de SAUK ter plaatse toejuichen. Het stoort hem blijkbaar niet dat de Zuidafrikaanse televisie een vrijwel exclusief blanke aangelegenheid is. Overigens gaat Coolsaet zo ver om de Apartheid een ‘politiek van gescheiden ontwikkeling’ te noemen, daarmee het eufemisme gebruikend dat door Pretoria werd uitgevonden. Eerder al was de socialistische radiodirecteur Marcel Coole zonder scrupules in een Belgisch-Zuidafrikaanse jury gaan zitten, ter beoordeling van een gezamenlijke luisterspelwedstrijd. De voorzitter van BRT’s Raad van Beheer Adriaan Verhulst, is een der talrijke vooraanstaande Vlamingen die zich in de loop der jaren hebben laten strikken om in het kader van het Kultureel Akkoord het land van de Apartheid te gaan bewonderen. Hij is in goed gezelschap: André Demedts, Paul Rock, André Vlerick,Herman Vos, Clem De Ridder. Ook nog: Marc Galle, voormalig taalman van de BRT en thans socialistisch parlementslid (en later minister/jc) en Karel Jonckheere, ex-letterkundig adviseur van Nationale Opvoeding en gewezen chef van de Dienst Verspreiding van de Nederlandse letteren in het buitenland. Deze cultuurfilosoof laat zich geregeld voor de wagen van de Zuidafrikaanse propaganda spannen.  (jc)

———————————————————————————
*Walter De Bock, Jef Coeck, Paul Goossens, Maurice Mthombeni – Suikerbossie, België en Zuidelijk Afrika – Manteau, Brussel/Amsterdam, 1978
(alleen nog antiquarisch te verkrijgen, ook via Ebay)

Dit zijn maar enkele uittreksels over de culturele samenwerking tussen vooral (maar niet uitsluitend) Vlaanderen en de Apartheid. Andere hoofdstukken zijn gewijd aan ekonomische, sociale en militaire onderwerpen. Diamant bv., en gouddelving. Ook de tabakswinning in de toen nog blanke kolonie Rhodesië, het latere Zimbabwe, komt aan bod. Een dubieuze rol werd destijds gespeeld door onze minister van Cultuur, mevr. Rika De Backer. Ondanks de druk van alle zijden hield de christelijke politica veel te lang het Cultureel Akkoord België-Zuid-Afrika aan. Maar bijna iedereen aan het bewind in deze periode, had boter op het hoofd. En toen Mandela in 1990 vrijkwam stonden de meesten van hen te juichen, alsof zij niet medeplichtig waren aan zijn jarenlange opsluiting.

Wellicht dachten enkelen van hen zelfs nog als de voormalige Zuidafrikaanse president Hendrik Verwoerd, de architekt van de Apartheid, die bij de veroordeling van Mandela in 1963 het volgende zei:

Protea txt Verwoerd 6

Met dank aan Lucas Catherine

December 15, 2013 at 8:46 am 2 comments

MANDELA EN HET ANC

M1 MandelaBoxer

 

Nelson Mandela’s eeuwige strijd

Staatshoofden die Nelson Mandela nu op handen dragen, zouden hem in een vroegere periode voor een terrorist hebben gehouden. Maar in hoeverre was de ANC-leider voor een gewelddadige strijd gewonnen?

 

door Rudi Boon

27-06-2008

‘NO NO NO, some of them were my ideas.’ Nelson Mandela houdt een foto op van hem als bokser. Shorts, de vuisten omhoog, de linkervoet naar voren, de blik afwachtend. Zijn idee, deze foto. Het is november 2003, bij hoge uitzondering heeft Mandela ingestemd met deelname aan een documentaire, die over een oude en dierbare vriend van hem zal gaan. Eli Weinberg, ‘hoffotograaf van het ANC’, legde in de jaren vijftig en zestig de leefomstandigheden van de zwarte bevolking vast, maar portretteerde ook de ANC-leiders van toen, die spoedig naar Robbeneiland of in ballingschap zouden verdwijnen. Ik reik Mandela een van zijn bekendste portretten aan.
‘Wist u dat tijdens uw gevangenschap in de hele wereld deze foto van u werd gebruikt, op posters, spandoeken, T-shirts?’
‘Is that so? No no no, ik wist dat niet. We kregen beetje bij beetje informatie over wat er gebeurde, maar hier wist ik niets van.’
Gespeelde verbazing, en dan opeens, alsof hem iets invalt: ‘Maar nu u mij vertelt dat deze foto genomen is door Eli Weinberg verbaast het mij eigenlijk niets dat de hele wereld ermee rondliep.’
Het is een typische Mandela-scène, alles zit erin. Charmant de draak stekend met zijn eigen mythe, altijd lichtelijk mystificerend over de vraag in hoeverre hij achter de tralies nog aan de touwtjes trok, en en passant een hoffelijk gebaar naar een oude strijdmakker van een halve eeuw geleden. De Mandela van de foto zal nog een paar jaar op vrije voeten zijn, jaren die hij gebruikt om een ondergronds leger op te zetten. Een stap die hij later in zijn autobiografie Long Walk to Freedom zal omschrijven als ‘a fateful step, een stap waarvan we de gevolgen niet wisten en niet konden weten’. Het grootste deel van zijn achterban was daar nog lang niet aan toe en verkeerde, zij het met steeds meer gewelddadige uitingen van ongeduld, in de overgang van geweldloos en geduldig protest naar meer militante vormen als stakingen, burgerlijke ongehoorzaamheid en massademonstraties.

2Mandela New Yorker

27 jaar later zijn de rollen omgedraaid. Mandela oogt bij zijn vrijlating als de reïncarnatie van Gandhi en Martin Luther King tegelijk, maar zijn volk lijkt precies het tegengestelde traject te hebben afgelegd. In veel zwarte woonoorden is de stemming dan al enkele jaren uitgesproken revolutionair. Als hij in 1992 Katlehong bezoekt, waar de confrontatie tussen ANC- en Inkatha-aanhangers hoog is opgelopen, vindt hij een briefje op zijn spreekgestoelte met de smeekbede: ‘Please Mr Mandela, praat ons niet van vrede. No peace. We hebben er genoeg van. Geef ons wapens, geen vrede.’
In geen van de geweldopties die Mandela en de zijnen begin jaren zestig de revue lieten passeren, was rekening gehouden met de situatie die zij na hun vrijlating zouden aantreffen. Laat staan dat Mandela kon voorzien hoe de geweldspiraal zich op dramatische wijze zou vermengen met wat hem in zijn persoonlijk leven het meest dierbaar was.

Een gangbare wijsheid is dat de staatshoofden en regeringsleiders die Mandela nu op handen dragen, hem in een vroegere periode zonder twijfel voor een terrorist zouden hebben gehouden. Maar in 1963 leek de internationale gemeenschap andere prioriteiten te hebben. Overal in de niet-westerse wereld waren dekolonisatieprocessen aan de gang en onafhankelijkheidsbewegingen actief; revolutionair geweld was in de context van die tijd min of meer een politiek gegeven. Zorgwekkender dan die paar bommen van het ANC vond men de nauwe samenwerking met de Zuid-Afrikaanse communistische partij, en wat dat zou betekenen in het krachtenveld van de Koude Oorlog. De westerse landen wilden echter ook niet op het verkeerde paard wedden, tenslotte had de man die zojuist wegens revolutie en gewapende strijd tot levenslang was veroordeeld in zijn slotpleidooi zijn bewondering uitgesproken voor de westerse parlementaire democratie. Ze konden het ANC niet goed plaatsen en ambivalentie zou hun houding tegenover het ANC tot diep in de jaren tachtig blijven bepalen.

3Mandela New Yorker

Minstens zo uitzonderlijk in dit revolutionaire tijdperk was dat Mandela’s keuze voor de gewapende strijd vooral betwijfeld werd binnen het ANC zelf. De geest van Mahatma Gandhi, die rond de eeuwwisseling in Zuid-Afrika verbleef, was nog sterk aanwezig in de belangrijkste partnerorganisatie van het ANC, het Indian National Congress. Naast principiële werden ook praktische bezwaren aangevoerd, profetischer dan Mandela kon vermoeden: de gewapende strijd zou ten koste kunnen gaan van het politieke organisatiewerk. Voor ANC-president Albert Luthuli, een indrukwekkende Zulu-chief en diepgelovig christen, was geweldloosheid een onwrikbaar principe, geen tactiek die je aanpast naar gelang de omstandigheden. ‘Voor mij gold precies het omgekeerde’, aldus Mandela in zijn autobiografie. ‘Geweldloosheid was een tactiek die je loslaat, zodra ze niet meer werkt.’
Tegen alle weerstanden in wist vergadertijger Mandela in juli 1961 een besluit te forceren om een ondergronds leger op te richten dat Umkhonto we Sizwe (‘Speer van de natie’) zou heten, kortweg MK. ‘Omdat het ANC toch al afkerig was van het omarmen van geweld’, zo zou hij er later over schrijven, ‘lag het voor de hand te beginnen met een vorm die het minst personen zou treffen: sabotage.’ Uitgerekend in het jaar dat Luthuli zich met grote tegenzin daarbij neerlegde, werd hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend. Bij de uitreiking in Oslo beleed Luthuli als gewoonlijk de geweldloosheid die sinds 1912 de politiek van het ANC was geweest; 16 december 1961, de dag na zijn terugkeer in Zuid-Afrika gingen de eerste bommen af. Er volgden meer aanslagen; de allereerste MK-saboteur die werd opgepakt, was een geadopteerde kleinzoon van Mahatma Gandhi.


Op een heuvel even buiten Addis Abeba hield Mandela voor het eerst in zijn leven een automatisch geweer in handen. Hij leerde mortieren afschieten, bommen maken, sjouwde met zware bepakking door onherbergzaam gebied. Het hele continent had hij bereisd voor steun en adviezen voor zijn leger in oprichting, zijn dagboek stond vol ideeën en toezeggingen van financiële en militaire aard. Er was ook nog een cadeautje voor hemzelf: een pistool met tweehonderd kogels.
Sinds het besluit om een leger te formeren, leidde Mandela een ondergronds bestaan. Overdag had hij in allerlei schuilplaatsen talloze oorlogen en revoluties bestudeerd (en ’s nachts rondgereisd en vergaderd), het meest nog in ‘safe house’ Lilliesleaf Farm in Rivonia. Hij zoog alles in zich op, van Clausewitz tot generaal De Wet, van Menachem Begin tot Che Guevara, maakte eindeloos aantekeningen, alleen al over Mao zo’n 65 pagina’s, die grotendeels in handen zouden vallen van de openbare aanklager. De Algerijnse revolutie tegen het bewind van een blanke (Franse) minderheid leek nog het meest op de Zuid-Afrikaanse situatie, maar confronteerde hem ook met een half miljoen doden. Algerijnse guerrilla-eenheden konden opereren vanuit bases in bevriende landen als Marokko en Tunesië, maar dat zou zijn eigen leger voorlopig niet gegeven zijn, omringd als Zuid-Afrika was door koloniën en protectoraten.

4Guardian front cover of Nelson Mandela's death 5th December 2013

Na terugkeer van zijn Afrikaanse reis zou hij nog twee weken op vrije voeten blijven, te kort om zijn ervaringen te bundelen en een duidelijke militaire strategie achter te laten. Want dat is wat ontbreekt in de vele biografische geschriften: wat was nu eigenlijk Mandela’s conclusie? Welk type gewapende strijd, welke revolutionaire theorie was van toepassing op Zuid-Afrika? We weten in ieder geval wat Mandela níet wilde. Dat was het plan voor een guerrilla-oorlog, Operation Mayibuye genaamd, dat nota bene zijn eigen Hoge Commando van Umkhonto open en bloot op tafel had liggen toen de veiligheidspolitie de boerderij in Rivonia binnenviel. Dit plan, opgesteld zonder Mandela die toen al was gearresteerd maar waarvoor hij als hoofdverdachte wel zou worden aangeklaagd, zou in zijn autobiografie leiden tot een van de zeldzame momenten dat hij zich distantieerde van zijn oude kameraden. ‘Totaal onrealistisch in doelstelling en uitwerking. Ik geloofde niet dat guerrilla-oorlogvoering een levensvatbare optie was in dat stadium.’
De verdediging bij monde van Bram Fischer gooide het erop dat het maar een plan was en geen officieel ANC-besluit, maar zelfs daarover was onder de beklaagden geen overeenstemming. Uiteindelijk accepteerde de rechter het verweer, wat waarschijnlijk de doorslag gaf om niet de doodstraf op te leggen, zoals alom werd verwacht. Bijna was Mandela opgehangen voor een plan waar hij niet in geloofde.
Maar wat geloofde Mandela dan wél? Hoe had zijn denken zich ontwikkeld? Naar aanleiding van Guevara’s Guerrilla Warfare noteerde hij: ‘Sabotagedaden moeten onderscheiden worden van terrorisme, een middel dat dikwijls onschuldige slachtoffers maakt en een groot aantal levens vernietigt die waardevol zijn voor de revolutie.’ In zijn slotpleidooi I Am Prepared to Die zette hij tegenover de rechter uiteen dat zijn saboteurs ‘strenge instructies kregen dat zij onder geen beding mensen mochten verwonden of doden bij de planning of uitvoering van operaties’.
Maar in zijn autobiografie liet hij opnieuw onduidelijkheid bestaan over de vraag wat nu zijn werkelijke opvattingen waren: ‘Als sabotage niet de resultaten opleverden die wij wilden, waren we bereid naar het volgende stadium over te gaan: guerrilla-oorlog en terrorisme.’

Maart 1986. In Uitenhage bij Port Elisabeth heeft de politie het vuur geopend op een begrafenisstoet. Twintig doden. Ik maak voor de krant een reconstructie en bekijk vanuit de verte de ligging van de township waar het gebeurde. Er stijgt een rookkolom omhoog. Pas ’s avonds zie ik op de televisie dat ik naar een levende verbranding heb staan kijken. Mandela en de zijnen kijken sinds enkele jaren ook televisie. Ze waren van Robbeneiland overgeplaatst naar de Pollsmoorgevangenis op het vasteland, lazen kranten als de oppositionele Weekly Mail en ontvingen steeds meer bezoek. Mannen op gevorderde leeftijd, die twintig jaar lang verstoken waren gebleven van directe beelden van de veranderingen in hun land. Wat zeiden ze tegen elkaar als ze in hun gemeenschappelijke cel, Room 99, daarmee werden geconfronteerd?
Vier jaar later, op de dag van Mandela’s vrijlating, krijg ik daar een eerste aanwijzing voor. In een stadion in Soweto wacht een uitzinnige menigte op zijn komst. De ene spreker na de andere zingt de lof over de gewapende strijd, het massaal gescandeerde ‘Viva the spirit of no compromise, VIVA!’ verdringt iedere gedachte aan onderhandelingen. Dan krijgt Andrew Mlangeni het woord, medegevangene van Mandela vanaf het eerste uur en celgenoot in Pollsmoor, die een paar maanden eerder is vrijgelaten. Mlangeni stikt bijna van woede. ‘Wat wij in onze lange verloren jaren allemaal te horen hebben gekregen! Het is onuitsprekelijk!’ Het stadion verstomt. ‘Jullie vermoorden je eigen broeders en zusters! Jullie verkrachten! Jullie zijn zakkenrollers! Het is walgelijk! Dis-gus-ting! Ga naar school!’

5Mandela New Yorker

Veel zwarte woonoorden waren ‘onregeerbaar’ geworden. Ondanks een spectaculaire groei van het defensie- en veiligheidsbudget, ondanks noodtoestanden en een fijnmazig netwerk van collaborateurs en informanten, lukte het Pretoria niet de geest weer in de fles te krijgen. Jongeren van na Soweto 1976 hadden Umkhonto nieuwe impulsen gegeven. Er waren vanaf begin jaren tachtig bovengrondse massaorganisaties ontstaan waartegen de regering evenmin kon optreden; de hele wereld keek inmiddels mee.
Aanvankelijk leek het ANC zich niet te herstellen van de klap die was uitgedeeld in Pretoria en de jaren erna; wat sabotagedaden betreft was de teller jarenlang op nul blijven staan. Nu zag Umkhonto eindelijk een nieuwe taak voor zichzelf. Het ANC legde in 1984 de beleidswijziging officieel vast: van ondergrondse guerrillastrijd naar ‘volksoorlog’; Oliver Tambo riep 1986 uit tot ‘jaar van het volksleger’. De officiële doelstelling werd nu om ‘het leger van stenengooiers’ om te zetten in ‘een leger met geweren, benzinebommen en handgranaten’. De ‘collaborateurs en verklikkers’ die veel townships tot een obsessie waren geworden en door jeugdbendes en ‘volksrechtbanken’ werden omgebracht, waren nu ‘erkende’ doelwitten van het ANC. ‘Richting geven aan het spontane geweld’, heette het nu. De halskettingmoorden (brandende autobanden) werden afgekeurd, als middel: liquidatie moest netter kunnen.

Op Robbeneiland hadden Mandela en de zijnen tijdens het werk in de steengroeve jarenlang kunnen filosoferen over de juiste revolutie, of die nu op het platteland moest beginnen of in de steden en wat de rol van het guerrillaleger daarbij was. Veel van de voorwaarden waaraan ten tijde van Operation Mayibuye niet kon worden voldaan – militaire bases in bevriende buurlanden, politieke organisatie in het binnenland – waren inmiddels gerealiseerd, ook in de ogen van Mandela. De vraag die Mandela echter steeds meer was gaan bezighouden was wat er met een ‘guerrilla-oorlog’ respectievelijk ‘volksoorlog’ precies kon worden bereikt.
In zijn (ongepubliceerde) gevangenismemoires die hij midden jaren zeventig bijhoudt, staat hij stil bij zijn bezoek aan het hoofdkwartier van het Algerijnse Armée de Liberation Nationale, vlak over de grens in Marokko. Daar had de Algerijnse kolonel en latere president Boumedienne hem precies uitgelegd dat het doel van een bevrijdingsbeweging eigenlijk nooit is om regimes omver te werpen, maar om ze aan de onderhandelingstafel te dwingen. Dat was op 19 maart 1962 geweest, exact de dag waarop met Frankrijk een wapenstilstand werd bereikt; een beslissende ervaring voor Mandela. Veertien jaar later concludeert hij op Robbeneiland dat het geen zin heeft te proberen het apartheidsregime militair omver te werpen.

6Mandela New Yorker

En nu, midden jaren tachtig, was het eindspel begonnen, en iedereen wist het. Nelson Mandela had op magistrale wijze zijn beperkingen als gevangene omgezet in een unieke onderhandelingspositie. Vanuit Lusaka startte Thabo Mbeki een diplomatiek offensief, gelijktijdig werd het geweld opgevoerd. Van de principiële terughoudendheid in het gebruik ervan, die altijd in meer of mindere mate aan Umkhonto ten grondslag had gelegen, zou in deze laatste fase nauwelijks sprake meer zijn, hooguit van interpretatieverschillen. Zo legde Mandela aan het Britse Hogerhuislid Lord Nicholas Bethel, die hem in 1985 bezocht, geduldig uit dat de gewapende strijd van het ANC gericht bleef op militaire doelen, niet op mensen. In dezelfde periode zette Thabo Mbeki in Lusaka uiteen waarom het zo belangrijk was dat het ANC boerengezinnen met vrouwen en kinderen in de grensgebieden opblies: ‘Deze boeren hebben een militaire taak.’
Mandela’s gevangenschap zou nu van groot strategisch voordeel worden voor het ANC. Hier gingen de onderhandelingen immers altijd door, wat er ook gebeurde in het land. Die relatieve onverstoorbaarheid kende echter een kwetsbare kant. In april 1986 – Nelsons rechtstreekse contacten met leden van de regering waren nog geen half jaar oud – deed Winnie Mandela een uitspraak die de hele wereld over zou gaan: ‘Samen, hand in hand, met onze luciferdozen en onze halskettingen, zullen wij dit land bevrijden.’ Bij deze zegening der wapenen zou het niet blijven. Al snel werd duidelijk dat Winnie in Soweto haar eigen variant van de volksoorlog ter hand had genomen: straatterreur door haar FC Mandela United, verdwijningen, mishandeling en ten slotte lynchpartijen. Tot ontzetting van het ANC-hoofdkwartier in Lusaka veroorzaakte Winnie symboolverwarring: de halsband was voor de townships, Winnie was bestemd voor overseas. Gevreesd werd voor reputatieschade: zou men Mandela nog zien als de leider die als enige in staat was de radicaliserende achterban te disciplineren en excessen tegen te gaan, als hem dat bij zijn eigen vrouw al niet lukte?
Algemeen werd aangenomen dat Nelson Mandela de necklace afkeurde. Maar naarmate de keerzijde van de volksoorlog zich meer rechtstreeks in zijn persoonlijk leven mengde, werd zijn positie complexer, zo blijkt uit een document waarvan ik het bestaan tot voor kort niet kende. Het bevat de notulen van een vergadering in de Pollsmoorgevangenis op 19 mei 1986, gemaakt door Mandela’s advocaat Ismael Ayob, met daarin de volgende zinsnede: ‘NM keurt WM’s necklace speech goed. Hij zegt dat het een goede zaak was omdat er geen enkele zwarte persoon is geweest die WM daarop heeft aangevallen.’

7The Star

Valt hieruit een mening van Nelson Mandela af te leiden over de volksoorlog en het geweld waarmee deze oorlog gepaard ging? Heeft hij zich niet te ver willen verwijderen van de kaders van het ANC waar in brede kring de necklace als ANC-tactiek werd gezien? Of betreden we hier een domein van zijn leven waar we naar andere verklaringen moeten zoeken om hem te begrijpen? Nelson verafgoodde Winnie, zijn hele gevangenisbestaan scharnierde om haar en haar schaarse bezoeken, zijn hooggestemde brieven aan haar waren over de hele wereld vertaald. Maar net als zijn volk had ook Winnie een traject afgelegd tegenovergesteld aan dat van hemzelf. Zij die tegenover de hele wereld het in de cel verblijvende symbool van verzoening en verdraagzaamheid vertegenwoordigde, was in werkelijkheid een verbitterde vrouw geworden, die zich had voorgenomen het gehate regime met gelijke munt terug te betalen.
Nelson werd verteerd door schuldgevoelens. Tot de dag van vandaag staat in zijn jaarlijks tweemaal herdrukte autobiografie te lezen dat wat hem betreft de onschuld van Winnie boven iedere twijfel verheven is. Verdict or no verdict.
Maar misschien had Winnie hem toch iets aangereikt waarmee hij de onmogelijke missie die hem na zijn vrijlating wachtte, kon volbrengen. Hij was als onbetwiste leider van de onderhandelingen geaccepteerd door de gematigde krachten van alle partijen. Nu moest hij het vertrouwen winnen van hen die al sinds jaar en dag alleen nog maar geloofden in geweld. Ondertussen was Winnie van haar ethische voetstuk gevallen en op het schild gehesen van de mensen aan de zelfkant, voor wie het dagelijks leven niet bepaald inspireerde tot verheven idealen. In zekere zin leefde nu ook Nelson, net als iedereen, in meerdere werkelijkheden die elkaar leken uit te sluiten. Nog meer dan voorheen was zijn identiteit komen samen te vallen met de identiteit van zijn land.
Misschien was het dat wat hem in staat stelde die tegenstrijdige werkelijkheden als één vanzelfsprekende realiteit te presenteren. Hoe vanzelfsprekend, zag ik in 1992 in Alexandra, een van de ellendigste woonoorden van Johannesburg. Bij een confrontatie tussen Inkatha- en ANC-aanhangers waren doden en gewonden gevallen. Mandela kwam, met Cyril Ramaphosa, rechtstreeks van Codesa, de conventie voor een democratisch Zuid-Afrika, waar de onderhandelingen stroef verliepen. Hij luisterde naar de bewoners, klom op een keukentrapje en won de harten van zijn gehoor moeiteloos met een felle aanval op de politie, de veiligheidsdiensten en president De Klerk, die volgens hem allemaal vuil spel speelden. Een stem uit het publiek vroeg wat dit betekende voor de onderhandelingen.
‘Niets’, zei Mandela. Zijn gezicht een granieten masker, de mondhoeken omlaag, bars. Tegenspraak ondenkbaar. ‘Niets. De onderhandelingen gaan door. Wat er ook gebeurt in dit land.

 

8Mandela New Yorker


Dit stuk is verschenen in het boek Voor Nelson Mandela: Verhalen en voetnoten bij zijn negentigste verjaardag (uitgeverij Mets & Schilt)

overgenomen uit De Groene Amsterdammer

Beeld bovenaan:
Foto Eli Weinberg / Mayibuye Archives / NIZA

USA Today

December 7, 2013 at 12:59 pm 3 comments

Wat heeft onze taal toch misdaan?

vlataal

Door Johan Nootens

Zowat elke dag spreek ik drie varianten van onze taal. Standaardtaal met vrouw en kinderen, dialect met mijn linkerbuurman en omgangstaal met mijn rechterbuurman. Dat wil zeggen dat ik “ga je mee”, “gorre ga mei” en “gade gij mee” elk op zijn tijd gebruik.
Zoals andere talen, maken ook die talen een ontwikkeling door. Onze Nederlandse standaardtaal wordt Belgischer/Vlaamser. Mijn dialect kan de moderne tijd niet meer aan en verliest bereik. En de Vlaamse omgangstaal wordt in de media en in het dagelijkse leven vaker en vaker gebruikt. Maar die omgangstaal van ons wordt gehoond en uitgefoeterd. Hoe komt dat en waarom aanvaarden wij zo maar klakkeloos dat onze taal uitgescholden wordt?

Scheldpartijen

Miljoenen Vlaamse mannen, vrouwen en kinderen spreken elke dag hun omgangstaal. Aan de ontbijttafel, voor de schoolpoort, op de trein, in de koffiekamer, in de klas, in de lerarenkamer, bij de huisarts, in het gemeentehuis, in het Vlaams Parlement, op radio en televisie, in de collegezalen, op café, in bed.

Die omgangstaal wordt door sommigen verketterd, bespuwd en bevochten. Zowel door zeloten als Benno Barnard en Geert Van Istendael, als door neo-rechtse baronessen als Mia barones Doornaert en progressieve journalisten als Walter Zinzen. Een fraaie verzameling van dat gescheld stond onlangs nog in een opiniestuk van Mark Van De Voorde: “bloedloze tussentaal”, “onbenullig taalgebruik”, “een vervuilde taal”, “bloedloos en zielloos”, “armtierig”, een uiting van “cultuurloze kneuterigheid en zielige arrogantie”[1].

Onze omgangstaal wordt dan “ontaal” (Devos), “wantaal” (Benno Barnard), “halftaal” (Geert Van Istendael) of “verdomde Vloms” (Kurt Van Eeghem) genoemd. De vaakst gebruikte scheldwoorden zijn “Soapvlaams”, “tussentaal” en het ondertussen wijdverbreide “Verkavelingsvlaams” van Geert Van Istendael. Hij lanceerde die term in 1988[2] en liet zich meteen al eens goed gaan:

“Er is iets nieuws, iets vuils de taal in de zuidelijke Nederlanden aan het aantasten. Een manke usurpator in kale kleren, maar hij heeft de verwaandheid en de lompheid van een parvenu. Hij heet Verkavelingsvlaams. Het is de taal die gesproken wordt in de betere villa’s op de verkavelde grond van onze verminkte dorpen. Het is de taal van de jongens en de meisjes die naar een deftige school gaan en andere kinderen uitlachen omdat die zo onbeschaafd praten.(…) Ik haat die nieuwe halftaal, omdat ze mijn taal, het Nederlands, bedreigt en haar voedingsbodem, het dialect, vertrapt.”

En daarmee is de toon gezet: we zitten met een “vuile” taal, en ook met de sprekers ervan is er iets aan de hand. Onze omgangstaal is “lui Vlaams” (Johan Taeldeman) “voor wie te laf is om te kiezen tussen dialect en ABN” (Sabine Vandeputte-VRT). Je hoort in dat soort uitspraken een echo van het misprijzen van de oude franskiljons.

 franskilions

 Al dat geschimp komt meestal van mensen die met taal hun brood verdienen: auteurs, journalisten en columnisten. Maar ook van taalkundigen en talig geschoolde mensen als leraren en schoolboekenmakers. Dat is niet alleen jammer maar ook onbegrijpelijk. In Duitsland bijvoorbeeld wordt de “Umgangssprache” even serieus bestudeerd als de drie variëteiten (Duits Duits, Oostenrijks Duits en Zwitsers Duits) van de standaardtaal.

In Vlaanderen mogen professoren en onderwijzers in 2013 nog altijd verkondigen dat de sprekers van onze omgangstaal “luie en laffe” mensen zijn die een “ontaal” hanteren. Hoewel bijna al hun leerlingen en studenten in die “ontaal” opgegroeid en gesocialiseerd zijn.

‘Taalkramp’

Gelukkig worden die taalideologen en taalpolitici stilaan ouder. Er is intussen een nieuwe generatie taalwetenschappers voor wie de taalwerkelijkheid belangrijker is dan de taalideologie en voor wie taalvariëteiten en taalvariatie normale studieonderwerpen zijn.

Maar zoals te verwachten was, krijgen ze sterke tegenwind in de Vlaamse media. Toen Kevin Absillis, Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof de bundel De Manke Usurpator – Over Verkavelingsvlaams publiceerden[3], gingen de poppen aan het dansen en schoot weldenkend Vlaanderen weer in een “rituele taalkramp” (Jan Blommaert)[4].

Wat voor opzienbarends staat er dan wel in dat boek? Eigenlijk heel gewone waarnemingen en beschouwingen over de taalvariëteiten in Vlaanderen. Niet alle verontwaardigde critici hadden het boek gelezen [5] dus sta me toe om er uit te citeren.

Johan De Caluwé stelt vast dat “tussentaal alomtegenwoordig is in Vlaamse scholen, als informele variëteit naast de standaardtaal” (blz. 108) en wie de beheersing van de standaardtaal op school wil verbeteren, moet “durven bouwen op alle vaardigheden van leerlingen en leerkrachten, en ophouden een belangrijk deel van die vaardigheden botweg te negeren of af te doen als taalarmoede” (blz. 120). “De vele onderwijzers waarmee ik over grammatica-onderwijs gesproken heb,” ondervond Ides Callebaut, “dachten bijna allemaal dat taal gebaseerd is op de schoolgrammatica en niet omgekeerd” (blz. 128).   usurpator

Voor Johan De Schryver is “tussentaal een overbodige, negatieve en tendentieuze term met een willekeurige inhoud” en dat blijkt ook “uit de schoolboeken”. Een Vlaams taalbeleid zou “een positieve attitude tegenover taalvariatie” moeten bevorderen (blz. 141).

Volgens Koen Plevoets “kan er in Vlaanderen inderdaad sprake zijn van een ‘taalkloof’, als die maar begrepen wordt als een sociale kloof: er is een elite die Verkavelingsvlaams spreekt, en een middenklasse die taalonzeker is” (blz. 215).

Voor wie nog altijd gelooft dat de komst van VTM het begin van het “Soapvlaams” betekende, heeft Sarah Van Hoof het taalgebruik in de fictie op de BRT(N)/VRT in de jaren 80 en vandaag bekeken. In de jaren 80 was dat taalgebruik “bijzonder gevarieerd en veelkleurig. Vrijwel het hele continuüm tussen Standaardnederlands en dialect wordt bestreken” (blz. 280). En in de fictie van vandaag wordt de standaardtaal “vrijwel onvermijdelijk als theatraal, onnatuurlijk of bizar ervaren door wie alledaagsheid, herkenbaarheid en realisme verwacht zoals in hedendaagse fictie dominant is geworden” (blz. 298).[6]

Het is bizar dat men zich opwindt over dergelijke nuchtere en voor de hand liggende vaststellingen.

Vooroordelen en misverstanden

In de volksmond maar ook in doorgeleerde kringen wordt er wel eens gepraat over “lelijke” talen, zelfs over “ontalen”. Maar er bestaan geen “lelijke” talen of “ontalen”. Er leven alleen vooroordelen over de mensen die een taal gebruiken. Mensen die van thuis uit een vooroordeel meekrijgen over de dialectsprekers van hun dorp of streek,  wagen zich al eens aan uitspraken als “Dat dialect is echt wel lelijk”. Waarmee ze vooral uiting geven aan hun eigen identiteitsbesef, en soms ook aan hun onderachting van de sprekende volksmens.

Dialecten zijn niet “zuiverder” dan andere talen en ze zijn zeker niet “de voedingsbodem” van de standaardtaal, zoals Van Istendael dat heel romantisch stelt. Er zijn nogal wat bestrijders van onze omgangstaal die zich graag verliezen in lofzangen op het dialect. Terwijl ze vaak nooit in een dialect geleefd hebben. Voor hen vertegenwoordigt een dialect de pure natuur, het gezellige plattelandsleven en de weerstand tegen de moderniteit. Terwijl een dialect een gewoon communicatiemiddel is voor een geografisch beperkte gemeenschap, een taal die meer en meer woorden moet overnemen uit de omgangstaal en de standaardtaal omdat ze die woorden niet in voorraad heeft.

Waarvoor dialect niet geschikt is

Waarvoor dialect niet geschikt is

Een ander, vervelend misverstand is dat er zo iets zou bestaan als het enige, echte en ondeelbare Nederlands. Maar net zoals elke andere taal, is het Nederlands een huis met veel kamers. In Nederland worden er dialecten en regiolecten gesproken, naast NRC-Nederlands, Kamernederlands[7], Gedeelde post bekijken geenstijl-Nederlands, ambtenarees, Murksnederlands, Poldernederlands en de omgangstaal van Henk en Ingrid in hun Vinexwijk[8]. In Vlaanderen worden dialecten en regiolecten gesproken, naast Journaalnederlands, Migrantennederlands,  ambtenarees, Bakfietstnederlands, omgangstaal in Thuis en op straat, en ga zo maar door.

De stand van de taal in Vlaanderen in 2013

Ik hoorde vanmorgen in de Ochtend op Radio 1 dat de N-VA “het eerste luik van zijn congresteksten voorgesteld heeft”. De redacteuren van De Morgen en De Standaard gebruiken vandaag ook dat “luik”. En de N-VA zelf ook. Maar volgens de taaladviseur van de VRT is dat een taalfout: in plaats van “luik” hadden ze “hoofdstuk” of “(onder)deel” moeten zeggen[9].  En volgens Taaladvies.net van de Nederlands-Vlaamse Taalunie is “luik” “in die betekenis standaardtaal in België”[10].

Op die manier creëer je natuurlijk chaos: in de politiek en de media gebruiken ze “luik” voor “deel”, de officiële taaladvies-site van de Vlaamse en de Nederlandse overheid noemt dat woord “standaardtaal in België” en de taaladviseur van de VRT keurt het af. Omdat “luik” een gallicistische vertaling van het Franse “volet” is, zoals dat in de gouden jaren van de taalzuivering verwijtend werd gesteld. Terwijl gallicismen eigenlijk gewone contactverschijnselen zijn in ons land waar het Nederlands en het Frans elkaar tegenkomen, zoals “mon kot” en “mazoutketel“, “je ne sais pas de chemin avec mon garçon” en “u bent niet weerhouden“.

Mijn drie zoons waren tweeëneenhalf toen ze naar de eerste kleuterklas gingen, in 1975, 1985 en 2008. En met alle drie heb ik hetzelfde meegemaakt: ze waren opgegroeid en opgevoed met “jij” en “halfzes” en na twee dagen speelplaats en kleuterjuf beheersten ze de “gij”-vormen perfect en wisten ze wat “vijfenhalf” is. Ook op die leeftijd al gaan kinderen vlot om met taalvariatie.

Zak in De Morgen van 1 september 2012

Zak in De Morgen van 1 september 2012

De taalfundamentalisten zullen het niet graag lezen, maar sociale, regionale en culturele variatie is het belangrijkste kenmerk van de taalsituatie in het Vlaanderen van 2013. Dat geldt voor alle taalgebieden in alle talen, maar er zijn ook eigen Vlaamse aspecten:

–          Een relatief grote groep van de bevolking spreekt en begrijpt nog dialect. In het dialectvaste West-Vlaanderen is dat meer het geval dan elders: daar spreken ook kinderen nog vaak dialect.

–          Elk jaar schrijven en lezen meer mensen de standaardtaal. De Vlaamse media worden massaal gelezen, bekeken en beluisterd, er zijn nooit meer leerlingen naar school gegaan en het hoger onderwijs telde eind 2011 195.902 studenten.

–          De “spraakmakende gemeente” is door de economische opgang van Vlaanderen, door de politieke federalisering, door de universitaire groei en culturele bloei verbreed en verstevigd en kiest duidelijk voor een eigen Vlaams-Belgische variant van de standaardtaal.

–          De standaardtaal is voor veel Vlamingen een op school aangeleerde taal met te weinig registers en varianten en een opvallende aandacht voor uitspraak en spelling. Geen dt-fouten maken en “naar de letter” spreken is voor veel Vlamingen nog altijd een na te streven standaardtaalnorm.

–          De omgangstaal is een wijdverbreide variant van het Nederlands, zowel wat de sociaal-culturele als de situationele spreiding betreft: situaties die bijvoorbeeld in Nederland de standaardtaal nodig hebben, kunnen in Vlaanderen vaak in de omgangstaal verlopen.

Unisone politieke napraterij

Het verbaast niet echt, maar de Vlaamse politieke partijen slagen er niet in om zich een eigen, afgewogen oordeel te vormen over de taalsituatie in Vlaanderen. Op de Taaldag van de VRT op 25 oktober 2011 houdt VRT-taaladviseur Ruud Hendrickx een voorzichtig pleidooi voor wat meer variatie en regionale accenten op de VRT-zenders. Daags nadien gooien de Vlaamse partijen alle remmen los in de Plenaire Vergadering van het Vlaams Parlement.[11]

We geven een paar letterlijke citaten. De spits werd afgebeten door de N-VA’er Wilfried Vandaele, een notoir Groot-Nederlander. Hij richt zich tot Ingrid Lieten, minister van de Media: “Gisteren heeft de stuurgroep Taal van de VRT ter gelegenheid van de Taaldag van de VRT verklaard dat de openbare omroep nood (sic!) heeft aan een nieuw taalcharter om meer ruimte voor regionale uitspraak en voor taalvarianten te maken. Wat ons betreft, is de regel dat de standaardtaal wordt gebruikt, punt uit. Ik weet dat het taalcharter momenteel dialecten en tussentaal in bepaalde programma’s niet uitsluit. Dialect kan functioneel zijn. De tussentaal (…), dat taaltje heeft volgens mij geen reden van bestaan.”

Een normaal mens zou daarop antwoorden: een bestaande taal heeft geen reden van bestaan nodig. Maar zo lucide zijn Vlaamse volksvertegenwoordigers blijkbaar niet. CD&V’er Johan Verstreken valt Vandaele bij: “Ik steun volledig wat de heer Vandaele (…) hier heeft gezegd. Ik ben een beetje bang wanneer de huidige taalraadsman zegt dat radiopresentatoren best meer over variatie in hun Standaardnederlands mogen laten horen. Ik denk dat dat niet kan.” Vlaams Belanger Wim Wienen merkt tersluiks op: “Ik vind het heel eigenaardig dat de VRT met een nieuw taalcharter bezig is waarin dit soort ideeën worden ontwikkeld, op een moment dat minister Smet van Onderwijs een talennota heeft geschreven waarin hij net gaat naar een opwaardering van dat Standaardnederlands.” VLD’er Bart Tommelein heeft er een regionale bedenking bij: “De openbare omroep moet heel duidelijk op deze lijn blijven: Standaardnederlands. We hebben het als West-Vlamingen al moeilijk genoeg om voorbeelden te horen van hoe het echt moet.” Sp.a’er Philippe De Coene speelt meteen op de man: “Gisteravond in De laatste show waren we getuige van een gesprek met een medewerker van een VRT-programma die een ellendig soort Nederlands sprak met een ellendige tongval, een soort Joost Vandecasteele. Minister, bespaar ons dit. Voor de medewerkers: laat ons de standaardtaal koesteren.” En Bart Caron van Groen besluit: “Tussentaal is eigenlijk niet te harden. Dialect kunnen we steunen, maar de standaard is het goede Nederlands.”

Zeldzame eensgezindheid in het Vlaamse parlement

Zeldzame eensgezindheid in het Vlaamse parlement

Minister Pascal Smet schrijft in zijn conceptnota Samen taalgrenzen verleggen (versie 22 juli 2011): “Nochtans is een rijke kennis van het Standaardnederlands dé voorwaarde voor wie in Vlaanderen wil leren, wonen, werken, leven. Wie van elders komt, en geen Standaardnederlands leert, blijft in de beslotenheid van het eigen gezin of de eigen gemeenschap leven, en leeft – in Vlaanderen – buiten Vlaanderen.” Je zou van een Onderwijsminister een meer genuanceerde mening verwachten. Wat bedoelt hij met “Standaardnederlands”? Als een werkzoekende in West-Vlaanderen een cursus ‘West-Vlams voe behunners’[12] volgt om in de zorgsector te kunnen werken, leeft die dan buiten Vlaanderen, net als die tienduizenden West-Vlamingen die alleen dialect praten? Leef je in Vlaanderen, als je omgangstaal spreekt met een duidelijk Antwerps of Marokkaans accent? En een kleuterjuf die aan haar jongste peuter vraagt “Hoe noemde gij?”, leeft die buiten Vlaanderen?

Pleidooi voor een realistisch en inclusief taalbeleid

Al die verbale krachtpatserijen over onze talen zijn contraproductief. Ze proberen de samenleving op te delen in sprekers van verschillende taalvariëteiten. Een hedendaags taalbeleid vereist realisme en inclusie: het uitgangspunt is dat er in Vlaanderen verschillende variëteiten van Nederlands, omgangstaal en dialect worden gesproken en dat al die variëteiten respect verdienen omdat ze allemaal op een bepaald moment en in een bepaalde omgeving functioneel zijn.

Meer vergelijkend en contrastief variatieonderzoek kan helpen om de leermethodes te verbeteren. In het onderwijs kunnen de kinderen zich op die manier  efficiënter en sneller de standaardtaal eigen maken. Het respect voor hun moedertaal – dialect, omgangstaal of Marokkaans – blijft de basis om op voort te bouwen. Van studenten die zich voorbereiden op een onderwijsberoep of een talig beroep wordt een grondige beheersing van verschillende registers van de standaardtaal vereist.

Jongeren die de middelbare school verlaten (aso, kso, tso en bso) hebben leren nadenken over:

  • het gebruik van standaardtaal, regionale en sociale taalvariëteiten;
  • het gebruik van in hun omgeving voorkomende talen;
  • normen, houdingen, vooroordelen en rolgedrag via taal;
  • taalgedragsconventies;
  • de gevolgen van hun taalgedrag voor anderen en henzelf;
  • talige aspecten van cultuuruitingen in hun omgeving.

Voor wie dat laatste een onrealistische en onhaalbare doelstelling vindt: die hele opsomming is een letterlijk citaat uit de heldere “eindterm 6.4” van de Eindtermen Nederlands voor het lager onderwijs van 1 september 2010[13]. De uitspraken die u hierboven kon lezen van ministers, volksvertegenwoordigers, journalisten en publicisten getuigen ervan dat zij in geen geval de Eindtermen Nederlands voor het lager onderwijs zouden halen.

Johan Nootens is oud‑communicatieadviseur Vlaamse Ombudsdienst.

Meer over dit onderwerp in het Salon leest u HIER


[1] In Knack van 15 augustus 2013

[2] In het Nieuw Wereldtijdschrift verscheen toen een voorpublicatie uit zijn Het Belgisch labyrint of de schoonheid der wanstaltigheid (Atlas 1989).

[3] Kevin Absillis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof (red.), De Manke Usurpator – Over Verkavelingsvlaams, Gent, Academia Press, 2012, 431 blz.

[4] Een overzicht van de bijwijlen hilarische reacties staat te lezen op http://demankeusurpator.wordpress.com/

[5] Geert Van Istendael gaf dat op 3 september 2012 ruiterlijk toe in het radioprogramma Hautekiet op Radio 1.

[6] In HUMO van 17 september 2013 zegt actrice Veerle Eyckermans onder meer: “Het probleem is dat we elkaar aanspreken met ‘je’ en ‘jij’ in de standaardtaal, maar alle Vlaamse televisiemakers vinden dat onnatuurlijk klinken. Ze kiezen altijd voor ‘ge’ en ‘gij’. De meeste acteurs verkiezen dat ook, en ja, dan glijdt de rest van het taalgebruik snel mee af naar de verschillende streektalen van al die mensen.” (blz.33-34)

[7] Nederland stond even op stelten toen Geert Wilders op 22 september 2011 in de Tweede Kamer tegen premier Rutte zei: “Doe eens normaal man!” (zie www.youtube.com/watch?v=2MgHKN4a5vI Wat Yves Desmet in De Morgen van 28 september 2011 het commentaar ontlokte: “Enfin, om maar te zeggen: Nederlanders, doe even normaal, ja?”.

[8] De kans is groot dat u een Vinexwijk niet kent. Omdat Vlaanderen een andere (woon)cultuur heeft dan Nederland. Voor Vinex: zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Vinex .

[9] http://www.vrt.be/taal/luik

[10] http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1444/

[11] Handelingen Plenaire Vergadering van 26 oktober 2011, Actuele vraag van Wilfried Vandaele tot Ingrid Lieten, Vlaams minister van Media, over het beleid van de VRT inzake het gebruik van het Standaardnederlands en eventuele variaties ervan

[12] Knack van 2 november 2013

[13] http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum/basisonderwijs/lager-onderwijs/leergebieden/nederlands/eindtermen.htm

In Nederland heet zo’n eindterm voor het lager onderwijs overigens een “kerndoel”.

Johan Nootens is oud-communicatieadviseur van de Vlaamse Ombudsdienst.

December 5, 2013 at 8:12 am 7 comments

ZEEBRUGGE-VIETNAM: ALLER-RETOUR

Kim Phuc midden

door Piet Wittevrongel

Zo een veertig jaar geleden werd de haven van Zeebrugge gebruikt voor het massaal verschepen van Amerikaanse bommen voor de oorlog in Vietnam. Dit werd doodgezwegen bij de 100-jarige viering van de haven van Zeebrugge en onlangs nog bij het bezoek van Kim Phuc aan Brugge.

Kim raakte wereldwijd bekend van deze schrijnende foto (boven/midden), die het resultaat is van een Amerikaans bombardement met napalm. Dankzij de emotionele foto van Nick Ut uit 1974, kreeg Kim de beste zorgen en kwam zij het vreselijke trauma te boven. Ze reist nu de wereld af, onlangs ook België, in dienst van de vrede (foto onder). Voor haar is het altijd 11 november.

The times they are a changing. Binnenkort worden er massaal vietnamese pangasiusfilets ingevoerd via dezelfde haven van Zeebrugge.

Spijtig genoeg hebben deze vissen geen al te goede reputatie: ze worden gekweekt met water uit de zwaar vervuilde Mekong rivier. In 2010 opende de Europese Commissie nog een onderzoek naar de omstandigheden waaronder de vis gekweekt wordt. Uit een rapport van een Nederlandse voedseltechnoloog was gebleken dat er zware metalen, zoals kwik, arseen en lood, zitten in het water en de grond van de Mekong waar de pangasius vandaan komt. Onder meer kwik kan zich ophopen in het lichaam van de vissen en kan zo op het bord van de consument belanden.

Laten we hopen dat er in onze vis ook geen resten meer van Agent Orange (dioxine) worden aangetroffen,  het Amerikaanse massavernietigingsgif dat tot op vandaag in het zwaar gebombardeerde Vietnam nog steeds slachtoffers maakt.

*Gie van den Berghe, Kijken zonder zien, Omgaan met historische foto’s, Pelckmans, 2011

Kim Phuc vandaag

 

November 14, 2013 at 2:05 pm 2 comments

OORLOG EN TERPENTIJN, OF DE PIJN VAN HET ZIJN

WO 1

 

door Jef Coeck

Een roman is een roman als er ‘roman’ op staat. Er mogen zelfs prentjes bij. Een schrijver is geheel souverein om zijn/haar geesteskind te dopen zoals hij/zij het wil. Ook als een roman grote lappen werkelijkheid bevat, non-fictie zogezegd, blijft het een roman. De beschrijving van een realiteit die er dan in voorkomt, noemen we tegenwoordig ‘literaire non-fictie’.

Voor een gewoon non-fictie-boek werkt dat heel anders. Daarin moeten alle beschreven feiten kloppen met de werkelijkheid, of althans met een werkelijkheid die verder reikt dan de fantasie van de schrijver. Er bestaan mengvormen. Dit boek is er zo een. Niet dat het ‘genre’ er echt toe doet. Als een boek goed is, is het gewoon een goed boek. En dat is het. Wat zeg ik, het is een zéér goed boek.

Authenticiteit

Opmaak 1  Er zijn wel meer, waarschijnlijk zelfs veel boeken, verhalen, films die beginnen met het vinden van een document, verloren gewaande tekst of, zoals in dit geval, twee schriftjes handgeschreven belevenissen – of noem het mémoires – van een grootvader. Of die schriftjes een literaire truuk zijn, dan wel of ze echt bestaan, doet er niet toe. Waarom? Omdat na korte tijd de lezer geheel wordt opgenomen in de lectuur ervan. De geloofwaardigheid is totaal. Al snel laat schrijver Hertmans de ontroerend ouderwetse stijl van zijn opa los, om zelf de pen over te nemen, in een eigentijdse en zeer nauwkeurige taal. Het boek wordt nu niet gewoon geloofwaardig, het wordt fascinerend.

De authenticiteit wordt verhoogd door het inlassen van kleine zwartwit afdrukjes van oude foto’s, die telkens iets illustreren wat in de tekst voorkomt. Het is een procédé dat bij mijn weten in de moderne tijd voor het eerst werd toegepast door Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in zijn klassieker ‘Istanbul’. En ook hier is weer het adagio van toepassing: maakt niet uit of ze, echt als ze toch al zijn, weergeven wat ze pretenderen weer te geven. Ook foto’s kunnen literaire non-fictie zijn.

Het boek gaat over de periode voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Het is zonder meer duidelijk dat de auteur zich uitstekend geïnformeerd heeft, vooral in het middenstuk dat in hoofdzaak over de toestand aan de Ijzer gaat – daar zat opa Hertmans (zijn echte naam is Urbain Martien)  een halve oorlog lang in de loopgraven. Research over deze periode is op zich een hele klus, vanwege de bibliotheken die erover vol zijn geschreven.

Stefan Hertmans, foto: Jimmy Kets
Als ik een gok mag doen, Hertmans heeft natuurlijk Sophie De Schaepdrijver (De Groote Oorlog) gelezen, maar ook Robert Graves (Goodbye to All That) en, meer dan vermoedelijk ook Orwell’s ‘Homage to Catalonia’, over de wreedheden in de Spaanse burgeroorlog. Daarmee weze ook gezegd dat Hermans’ ‘Oorlog en Terpentijn’ van internationale allure is.

Gelijkenissen en verschillen

Grootvader Urbain werd geboren in 1891 en stierf in 1981. Niet de Orwelliaanse omkering van jaartallen brengt mij op het spoor van Orwell, maar wel passages als deze: ‘Het begon nu licht te worden. Kilometers ver langs het front rommelde het van ongeregeld zinloos schieten, zoals de regen die blijft doorgaan na de storm. Ik weet nog hoe triest alles eruit zag, het moddermoeras, de tranende populieren, het gele water op de bodem van de loopgraven; en de uitgeputte gezichten van de soldaten, ongeschoren, met moddervegen en tot aan de ogen zwart van het roet.’

Bijna identieke fragmenten vinden we ook bij de Brit Robert Graves, die aan het Franse front was ingezet: ‘De loopgraven hebben min of meer zichzelf aangelegd en lopen zonder vast patroon tussen de grote, tien meter hoge stapels bakstenen door; heel verwarrend. De borstwering van een loopgraaf die we niet gebruiken is gemaakt van munitiekisten en lijken. Alles is hier vochtig en stinkt. De Duitsers zitten heel dichtbij: zij bezetten de ene helft van de steenhopen, wij de andere.’

De overeenkomst tussen Graves, Orwell en Urbain Martien is dat ze alle drie ooggetuigen zijn die een soortgelijke oorlogsvoering vanop de eerste rij hebben meegemaakt. Hertmans’ boek bevat eveneens passages waarbij je de rillingen over de rug lopen. De Ijzer, Frankrijk, later Spanje, het zijn drie uitschuivers van de mensheid die miljoenen levens hebben gekost en wie het meemaakte kon het niet vergeten. Maar er over praten werd, met de afstand van de tijd, steeds moeilijker omdat de omgeving het niet wilde horen. ‘Hij weer met zijn gruwelverhalen.’ Dan is het meer dan logisch dat meer ‘gewone’ soldaten dan we vermoeden, naar de pen grepen om het van zich af te schrijven. Bovendien is het begrijpelijk dat de kleinzoon, auteur Hertmans, lang aarzelt om de schriftjes van zijn grootvader aan te breken. Hij kon vermoeden wat hem te wachten stond.

 

In de rechter benedenhoek staat met inkt: 'Zo kwam Urbain weer t huis bij moeder broers en zusters na den oorlog 1914-18

In de rechter benedenhoek staat met inkt: ‘Zo kwam Urbain weer t huis bij moeder broers en zusters na den oorlog 1914-18

Toch zijn de drie genoemde boeken niet verwisselbaar, hoe sterk soms ook de gelijkenissen. Graves en Orwell revolteren, verbaal en metterdaad. In hun verslag komen passages van kritische kwaadheid voor. Niet, of zelden, in ‘Oorlog en Terpentijn’. Urbain heeft een militaire opleiding achter de rug (het was soldaat of pastoor, meer keuze had hij niet) en weet ook in extreme omstandigheden zichzelf in de hand te houden. Bovendien is hij als kunstenaar (schilder) gevoelig voor nog andere gebeurtenissen dan geweervuur en gasgranaten. Wat herinneren we ons het eerst als de Eerste Wereldoorlog ter sprake wordt gebracht? Dat een slimme Westvlaamse ambtenaar wat sluizen opendraaide en op die manier de snelle Duitse opmars tot staan heeft gebracht. Die topgebeurtenis heeft Hertmans geniaal en bondig weergegeven:

‘Wat we echter de volgende ochtend in de schemer voor ons zagen, sloeg iedereen in de benen: een massa honden, konijnen, katten, wezels, bunzingen en ratten kwam, de snuiten net boven de waterlijn, als een onwerelds leger de rivier overzwemmen, met hun gevoelige snuiten talloze driehoeken trekkend in het gladzwarte wateroppervlak; de sluizen in Nieuwpoort waren opengezet en tot in Stuivenskerke, Pervijze, Tervaete en Schoorbakke liep het land geleidelijk onder water. Het drong langzaam tot ons door dat hiermee de opmars van de vijand misschien gestopt zou worden. Met bonzend hart keken we toe. Er werd ten strengste verboden op de vluchtende dieren te vuren, omdat dat onze positie zou verraden. Zo zagen we hen, de fijnneuzige boodschappers van een verdoemde wereld, op de vlucht voor het onbegrijpelijke armageddon, aan land komen, het water uit hun pelzen schudden, zonder ergens acht op te slaan langs onze loopgraven rennen, blind op de vlucht als lemmingen. Niemand greep naar de dieren, niemand wilde er een doden om het op te eten, hoe hongerig we ook waren. Als vermomde engelen van de dag des oordeels verdwenen de doorweekte spookwezens weer uit het zicht, springend over de in het grauwe ochtendlicht zwartblinkende moddervlakte. Verbluft tuurden we naar het donkere oppervlak van de narimpelende rivier. In de verte zagen we de vage weerglans van het naderende water in de polders.’ (pag. 206-207)

Veranderende Zeitgeist

Het einde van De Groote Oorlog was ook het einde van een tijdperk. In de moraal van het geweld, in de levensvisie, de mentaliteit en de zeden van deze generatie, deed zich een stijlbreuk – of noem het een breuk, tout court – voor. Eerst bij de militairen maar niet alleen bij hen. Tot dan moest een militair een voorbeeld vormen voor de burgers die hij geacht werd te beschermen. De loopgraven en andere baldadigheden veranderden grondig de militaire ethos.

17wo1-04 Loopgraaf 1914

‘Soldaten werden doelbewust dronken gevoerd voor ze de vuurlinie in werden gedreven (een van de grootste taboes bij patriottische geschiedschrijvers, maar de verhalen van mijn grootvader logen er niet om); er waren steeds meer, en naarmate het einde van de oorlog naderde bij wijze van spreken overal heimelijke ‘tingeltangels’ zoals mijn grootvader ze noemde, waar de soldaten werden aangemoedigd hun gefrustreerde seksuele verlangens op niet altijd even zachtzinnige wijze te stillen – een novum op zich, in deze georganiseerde vorm.’ (p. 267)

Maar de aandoenlijke ‘ouderwetse’ mentaliteit, met een nauwkeurig werkend eergevoel, had Urbain Martien nooit verlaten. Toch had hij in latere jaren last van plots opduikend wantrouwen, achtervolgingswaan, buien van drift en woede tegen niemand in het bijzonder, zonder zichtbare aanleiding. Veel mensen moeten toen geleden hebben onder wat we nu PTSS (post-traumatisch stress-syndroom) noemen. Het werd niet (h)erkend en er was dus geen behandeling tegen. Tenzij schriftjes.

Nog in het zog van de oorlog sloeg in heel Europa de Spaanse griep toe, ze maakte meer slachtoffers dan de oorlog zelf. En ook daar bestond geen middel tegen. Antibiotica werden uitgevonden in 1928, penicilline ook in 1928, cortisone wordt voor het eerst aangetroffen in de bijnierschors in 1935, het bronchiënverwijdende fenoterol komt pas op het eind van de twintigste eeuw in zwang. Had ik al gezegd dat auteur Hertmans grondige research heeft verricht? Dat blijkt ook op tal van andere plaatsen in het boek.

Grootvader blijft zelf gespaard van de virale killer maar niet zijn omgeving. Dat geeft aanleiding tot ontroerende bladzijden vol romantische maar reële tragiek. Het leven was voor hem lijden, de tijden vol veranderingen die hij niet kon vatten. Het was de meest hardvochtige eeuw in de mensengeschiedenis, ‘met nog een tweede oorlog, het ontstaan en neergang van de moderne kunst, de wereldwijde expansie van de motorenindustrie, de Koude Oorlog, de opkomst en de neergang van de grote ideologieën, de uitvinding van het bakeliet, telefoon en saxofoon, de industrialisering, de filmindustrie, het plastic, de jazz, de vliegtuigindustrie, de landing op de maan, het uitsterven van talloze diersoorten, de eerste grote ecologische rampen, de ontwikkeling van penicilline en antibiotica, mei ’68, het eerste rapport van de Club van Rome, de popmuziek, de uitvinding van de pil, de vrouwenemancipatie, de opkomst van de televisie, van de eerste computers…’  In 1981 – hij was toen 90 – kon hij eindelijk het moede hoofd erbij neerleggen.

Duffel 1914

Duffel 1914

De auteur besluit zijn boek met een soort Odyssee langs de Belgische geografie, steden en plekken waar zijn grootvader heeft verbleven of die anderszins een rol hebben gespeeld in zijn leven. Want, niet vergeten, de oorlog woedde niet enkel aan de Ijzer maar in heel het land. Veel verhalen in het boek wil ik onvermeld laten hoe relevant ze ook zijn, (bv. dat over het gouden horloge) om uw leesplezier niet te bederven. Ik krijg het ook nooit zo goed verteld als de grote stylist die Stefan Hertmans is.

Schilderkunst

Hiermee heb ik nu ongeveer twee derden van het boek besproken. Grootvader Urbain had natuurlijk ook al een leven v’o’or de Eerste Wereldoorlog. Daar moet iets over gezegd worden, alleen al om de titel te begrijpen. Als jongen werkte hij in een Gentse ijzergieterij, dat tijdsgewricht wordt pakkend beschreven met alle vormen van uitbuiting en frustratie die eraan verbonden waren. Urbain werd militair en was kunstschilder. Volgens zijn kleinzoon was hij geen uitblinker maar wel een bekwame amateur, een vakman die zelf zijn verven, doeken, kaders, stijlen en technieken uitvond of prepareerde. Daar kwam in die tijd nogal wat chemie aan te pas, in de vorm van terpentijn. Vooral in kopieën was hij goed. De Venus van Velazquez speelt een prominente rol in zijn leven. En in het boek.
WO 17 Venus van Velazquez

Urbains vader, Hertmans’ overgrootvader dus, had zich ook al aan de schilderkunst begeven, vooral met muurschilderingen in kloosters, kerken en abdijen. Dat levert een spannend verhaal op als Urbain tijdens de oorlog gekwetst wordt en voor herstel/revalidatie naar Engeland meer bepaald naar Liverpool wordt afgevoerd. In deze stad had zijn vader ooit verbleven en de rest is op het randje van de serendipiteit. In elk geval: de cirkel is merkwaardig rond.

‘Zo was de paradox de constante van zijn leven: heen en weer te worden geslingerd tussen de militair die hij noodgedwongen was geweest en de kunstenaar die hij had willen zijn. Oorlog en terpentijn. De vrede van zijn laatste jaren heeft hem langzaam afscheid laten nemen van zijn trauma’s.’ (p.332)

—–
Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn, roman, 2013, De Bezige Bij, Amsterdam
————-

WO 15 Sophie DS*Sophie De Schaepdrijver, De Groote Oorlog, Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, 2013, Houtekiet – Atlas Contact

*George Orwell, Saluut aan Catalonië, 2000, Atlas, Amsterdam/Antwerpen

*Robert Graves, Dat hebben we gehad, 2001, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen

November 10, 2013 at 12:59 pm 4 comments

ZWARTE PIET EN ZIJN VELE MISVERSTANDEN

Zwarte Piet_NEW

 

door Lucas Catherine

 


Open brief aan Verene Shepherd, vijand van Zwarte Piet

Geachte Mevrouw Verene Shepherd, UNO-specialiste en presentatrice van een historisch programma op de Jamaicaanse Radio. Mag ik u de geschiedenis van Zwarte Piet en Sinterklaas vertellen. Hun verhaal gaat veel verder terug dan u denkt, dan de kolonisatie en wortelt in ons voor-christelijk Keltisch en Germaans geloof. De Sint startte zijn carrière namelijk als Germaanse god.

Deze oorlogsgod Wodan reed door de lucht op zijn paard, met een rode mantel en zwaaiend met zijn speer. Hij is overgegaan in Sint-Maarten, ook al een krijger, want afgebeeld als Romeins legioensoldaat, met vrijwel dezelfde attributen als zijn voorganger: een witte schimmel, een rode mantel en een zwaard ter vervanging van de speer. Hij brengt nog op sommige plaatsen de kinderen op 11 november geschenken terwijl hij rijdt door de lucht en over de daken. Later wordt hij verdrongen op 6 december, door Sinterklaas, die er andere Wodan-attributen bijneemt: de ring (Draupnir) en het boek waarin alles opgeschreven staat (het Runenboek van Wodan).

Beiden zijn vergezeld van een Zwarte Piet. Oorspronkelijk was dit geen knecht, maar een tegenhanger van de hemelgod, namelijk een onderaardse geest, een nikker of nekker. Dat is geen neger. Het woord komt van de préindogermaanse stam *n-k- waar ook ons woord nacht van is afgeleid en betekent donker. Zo’n geest kwam uit de onderwereld naar boven via water –denk aan de plaatsnaam Nekkerspoel: vijver waarin een nekker huist. Het onderaardse werd geregeerd door de godin Helle – de latere christelijke hel is naar haar genoemd – zij was ook zwart en overleeft als Zwarte Lieve-Vrouw. Onderaardse geesten werden bij de Kelten bruin of bruinzwart gekleurd.

Wie braaf was werd beloond door de hemelgeest, wie stout was kreeg een vermaning van de onderaardse geest. Binnen de oude mythologie was dit: rechtstreeks naar het Walhalla in de hemel gaan, of onder de aarde naar Helle om herboren te worden en zo een tweede kans te krijgen.

 

Later, in de Sinterklaas-versie werd dit een knecht en ging hij gekleed als Moorse jongen. Dat moet zo in de zestiende eeuw zijn geweest en toen kwam Klaas ook uit Spanje, per boot en niet meer uit de lucht. We waren toen één land met Spanje en kenden de Moren (Morisco’s, Moslims) daar als onderdrukte groep. Hier wordt Zwarte Piet dus een bruine Arabier.

Spanje werd ook symbool voor overdaad en rijkdom, denk maar aan de goudschat van de Inca’s die in Antwerpen aankwam om daarna in het paleis van Keizer Karel op de Brusselse Koudenberg te worden ten toongesteld. Vandaar dat de Sint nu toekomt per boot uit Spanje in de twee grootste havens van de Nederlanden waar al die schatten uit Spaans Amerika arriveerden .

Wanneer in de zeventiende eeuw Sinterklaas naar Nieuw Amsterdam/ New York verhuist wordt hij Santa Claus en Spanje heeft toen zijn glorietijd wel gehad. Onder invloed van de Scandinavische immigranten daar rijdt hij gewoon weer door de lucht, maar nu op een arreslee zoals de skandinavisch-finse hemelgod Ukko (letterlijk Oude Man).

Kludde de Watergeest

Kludde de Watergeest

Kent u als historica en UNO-specialiste dit verhaal? Neen? Mag ik U daarom een compromis voorstellen: we zouden terug kunnen keren naar de oerversie en van Piet opnieuw een Nekker maken, en om zeker te zijn dat men die niet verwart met nigger/neger zouden we hem een nieuwe naam kunnen geven. Die van een andere Keltische watergeest die overleeft in de folklore van de dorpen langs de Schelde, de Dender en zelfs langs de Zenne, namelijk Kludde. Klaas en Kludde, het bekt nog ook.

 

Ik vind trouwens, met alle respect mevrouw, als u absoluut wil doorzetten dat u dan ook het kaartspel Zwarte Pieten moet laten verbieden. Dat is nu eens duidelijk een afspiegeling van de kolonisatie. Wie in het spel met de Zwarte Piet blijft zitten is de grote verliezer. En is dat niet wat tijdens de kolonisatie gebeurde: de blanken gingen met alle goede kaarten/grondstoffen lopen en de lokale bevolking werd letterlijk en figuurlijk de Zwarte Piet.

 

 

Lucas Catherine

Aanhanger van Sinte Maarten en van Kludde.

Vrouw en kind van Zwarte Piet wachten, zoals elk jaar, in spanning de veilige terugkeer af van hun man en vader...

Vrouw en kind van Zwarte Piet wachten, zoals elk jaar, in spanning de veilige terugkeer af van hun man en vader…


October 25, 2013 at 10:18 am 9 comments

BEKENTENISSEN VAN EEN MAOÏST

Rode Boekje 1

door Lucas Catherine

In november verschijnt er een nieuwe, herziene uitgave van het Rode Boekje. Het stond al in de krant, alhoewel het eigenlijk de bedoeling is dat het boekje pas terug in de winkels ligt in december, voor de 120ste verjaardag van Mao.

Ik heb iets met het Rode Boekje, of beter met Rode Boekjes. Meervoud zal u zeggen? Er is toch maar een echte, authentieke versie, namelijk dat samengesteld in 1966 door grote leider, maar niet zo groot als Mao of Zhou En Lai,  Lin Biao? Ik had het niet voor Lin Biao en gelukkig maar.

Toen ik in China was, op het einde van de Culturele Revolutie stapte ik zekere dag uit de trein, ik weet niet meer in welk station want het was gewoon om op het perron een krant te kopen. De uitgave van die dag van de Renmin Ribao, de Volkskrant voor de niet Maoisten onder u, zou een collectors item worden, zei mijn Chinese reisleider. En inderdaad, er stond toen die dag zwart op wit in die partijkrant dat de al een paar maand anoniem geciteerde slechterik aan de top, Lin Biao heette.

(Tussen haakjes zal u zich misschien afvragen: hoe komt die Arabierenfreak in China terecht? Wel mei 1966, u weet wel de Grote Revolte in Leuven had mij van de universiteit, niet de fabriek in gejaagd zoals toen onder de eerste Belgische Maoisten de gewoonte was, maar naar de filmschool. Tijd zat dus en China was in de actualiteit. Bij gebrek aan een lief zat ik iedere ochtend alleen te ontbijten en toen dacht ik, waarom leer ik niet wat Chinees. En zoals ik eerder zes jaar lang iedere dag tien nieuwe Latijnse woordjes had geleerd, memoriseerde ik iedere ochtend tien Chinese karakters. Met als gevolg dat ik na een jaar zo’n 500 karakters kende – de woordenschat van een ongeschoolde arbeider en arbeider was toen al de norm onder Maoisten -. Tijd dus voor mij om naar China te trekken. Als door de Belgisch-Chinese Vereniging erkend Maoist kon ik een delegatie van Waalse staalarbeiders vervoegen. Die mochten naar China op de kosten van Mao. Toerisme naar dat land zou pas jaren later mogelijk worden. En nu sluiten we de haakjes.)

Ik ga u niet mijn reis naar China vertellen, we zouden het over de Rode Boekjes hebben.

Natuurlijk had ik in Brussel al een exemplaar van de Citaten van Voorzitter Mao, maar gezien mijn artistieke studierichting en mijn karakter was ik er achter gekomen dat er nog een ander Rode Boekje bestond, ook van Mao maar dan met zijn gedichten. Mao Zhuxi Shici. En ik was aan het vertalen geslagen, kwestie van een iets ruimere woordenschat te ontwikkelen dan
die van een ongeschoold arbeider. Het gedicht dat het meest indruk op mij maakte was Sneeuw/ Xue uit 1936, dus lang voor hij aan de macht was. Inhoudelijk was het typisch Mao. Het landschap ligt er bevroren en doods bij (lees maar China), de oude keizers – en hij somt er een rits op – betekenen niet veel, alleen in het heden vind je nog gecultiveerde mannen (Hij en zijn kameraden dus). Maar vooral het gedicht was in zijn eigen kalligrafie en die maakte indruk.

Daarom dat ik nu weet dat Chinese kalligrafie zo iets is als Les Ballets C de la B. Ritme en tijd, maar dan vastgelegd op papier. En dat komt zo. Je houdt je penseel verticaal op het papier en naargelang je het dichter bij het papier brengt krijg je een dikkere lijn, veel inkt kan dan worden opgeslorpt en als je dan sneller gaat verdunt die lijn en zo krijg je dus een idee van de snelheid waarmee de kalligraaf over het papier is gegaan. Bij het gedicht Sneeuw heeft Mao die techniek zo toegepast dat je de indruk krijgt door een wolk sneeuwvlokken te kijken. Zie maar hieronder. Rechts de gedrukte versie van het gedicht, links de gekalligrafieerde.
RodeBoekje2_NEW
Dus eens in China, in Shanghai stapte ik nieuwsgierig een boekhandel binnen. Een grote boekhandel en volgens Vrij Nederland en andere Linkse Boekjes was het boekenarmoe troef in China en zou ik daar alleen maar de Vier Chinese Opera’s vinden waarmee de Chinezen toen om de oren werden geslagen, zoals wij nu met interviews van NV-A’ers in onze kwaliteitspers. Die opera’s interesseerden mij niet, die kon ik in Brussel ook kopen. Maar gelukkig lag er meer. Ik kon niet alle titels ontcijferen, je moet mijn Chinees nu ook niet overschatten, maar in mijn valies belandde toen wel wat andere boeken, onder meer een uitgave van Tang-gedichten (7de-10de eeuw), een exemplaar van De Droom in de Rode Kamer een klassieke maar ook erotische roman uit de 18de eeuw, en een klein mapje met veertien zwart-wit etsen, waaronder een van Gent, door een zekere Maisuijuile, Masereel dus in Chinese transcriptie.


En natuurlijk lagen daar ook Rode Boekjes in alle soorten. Wetende dat ik een invité was verwachtte ik mij eraan dat ik samen met mijn reisgenoten zou opgetrommeld worden voor een of andere betoging of défilé en ook met het Rode Boekje zou moeten zwaaien. Nu is individualisme mij niet vreemd en ik zocht dus wat anders. Het u bekende Boekje is samengesteld door Lin Biao, toen opperbevelhebber van het leger en moest dus in het borstzakje van zo’n legeruniform passen. Maar er waren ook kleinere formaten. Het kleinste dat ik vond was op ‘boerenformaat’ en droeg de titel Shouyi xin shenliao fa, Nieuwe Veterinaire Naaldbehandelmethode, jawel, een handboekje voor acupunctuur bij varkens. En als u mij niet gelooft, kijk maar hieronder:

 RodeBoekjeVarken_NEW

 

En ik zo blij als een kind. Ik heb mijn Rode Boekje nooit moeten gebruiken. Ik heb ook nooit zoals miljoenen Chinezen miljard maal hebben gescandeerd, geroepen Mao Zhuxi wansui, wan wan sui! Voorzitter Mao, lang mag hij leven! Daarom, nu dat hij dood is, en ter gelegenheid van zijn 120ste verjaardag, ga ik het toch een keer doen: Mao Zhuxi wansui, wan wan sui!

Daar gaat mijn reputatie, als ik die al had.

Rode Boekje

October 14, 2013 at 10:13 am 3 comments

ERGERNISSEN, GECONDENSEERD

Pamflet (2)

 

door Jef Coeck

Het pamflet is terug en dat moet van harte worden toegejuicht. Naarmate de krantenartikels, vooral in de zaterdagse bijlagen, langer worden, vallen de boekjes kleiner en dunner uit. Spitser ook, en vaak correcter. Het lijkt of de pamflettist, woekerend met tijd en lengte, zichzelf ertoe verplicht om meteen naar de kern van de zaak te gaan. Een reële vooruitgang. Die indruk steken we althans op uit het jongste pamflet in ons taalgebied, van de bekende journalist, publicist en Salonmedewerker Walter Zinzen, ‘Mens erger je!’ Ja, vaak hebben pamfletten imperatieven in de titel. En uitroeptekens.

Zinzen heeft het genre natuurlijk niet uitgevonden, zelfs niet her-gelanceerd. In Nederland waren onder meer Geert Mak, A.H.J. Dautzenberg en in zekere zin ook Jeroen Brouwers hem voor (als men geen al te streng onderscheid maakt tussen pamflet en polemiek). En worldwide was er natuurlijk de Fransman Stéphane Hessel die ons mobiliseerde met ‘Indignez-vous!’, gevolgd door ‘Engagez-vous!’.
Op die twee boekjes lijkt dat van Zinzen nog het meest. Ze bewijzen pur et simple dat informatie ook een vorm van aktievoeren kan zijn.

Waaraan moeten we ons zoal ergeren? Aan de politiek EN aan de leugens erover. Aan het groeiend democratisch deficit en aan de partijen die daar verantwoordelijk voor zijn. Allemaal, dus. Maar sommigen gaan onbeschaamder tewerk, houden zich niet aan afspraken, liegen erop los luidens de strengste instructies van Machiavelli (‘er blijft altijd wel iets van hangen’) en draaien onbeschaamd hun kont naar de andere kant als hen dat zo uitkomt. U hebt al geraden welke landgenoten in dit soort praktijken de hoofdvogel afschieten: N-VA en haar trawanten.

Dat is een ander kenmerk van het pamflet: het taalgebruik is vaak risqué, op het beledigende af – of erover. Dat valt bij Zinzen nog wel mee. Ik denk niet dat iemand zich genoopt zal voelen om hem een proces aan te doen. Niet dat hij niemand beledigt, integendeel, ongeveer alle politici en partijen krijgen hun deel van de pek en veren. Maar het is zo slim gedaan dat niemand kan beweren dat de schrijver op de man/vrouw schiet. Des te harder op zijn/haar ideeën.

Of het zou moeten zijn dat Zijne Kribbigheid Bart De Wever zich in het nauw gedreven voelt. Een citaat dan maar, over de almacht van de partijvoorzitters: ‘Een democratisch mandaat hebben ze niet, want ze zijn alleen verkozen door hun partijgenoten. Zeker, sommigen cumuleren hun voorzitterschap met een mooi electoraal succes. Bart De Wever bijvoorbeeld. Meer dan 700.000 voorkeurstemmen katapulteerden hem in de Senaat. Fantastisch. Amper waren de stemmen geteld of hij diende zijn ontslag in als senator. Om prompt opnieuw te gaan zetelen, maar dit keer als gemeenschapssenator. Op 1 januari 2013 legde hij ook die functie neer om burgemeester van Antwerpen te worden. Als senator heeft hij niets uitgericht. Hij geeft dat ook toe. Hij wou zijn mandaat buiten de Senaat uitoefenen, zei hij toen hem op zijn inactiviteit gewezen werd. Spreekt daar respect voor de kiezers uit? Twee en een half jaar lang heeft hij zijn senaatswedde opgestreken zonder te doen wat de kiezers van hem gevraagd hadden. Dat getuigt niet alleen van een weinig democratische houding, het is ook fundamenteel oneerlijk. Overigens is De Wever tot op de huidige dag ook lid van het Vlaams Parlement. Andermaal een goed betaald mandaat waar hij weinig of niets voor terug doet.’

In tegenstelling tot veel andere pamfletten, doet Zinzen ook aanbevelingen tot verbetering van de toestand. Niet de splitsing, nee dat kan het alleen nog maar erger maken. Enkele verbeteringen zouden zijn: de Federale kieskring (elke burger kan stemmen voor elke kandidaat die hij wenst), de Federale Republiek (de dure operette van Laken en Belvédère worden afgeschaft). De bestaande parlementen krijgen eindelijk hun volle bevoegdheid inclusief de regeringsvorming. Alle ‘grendels’ en soortgelijke ondemocratische mechanismen worden verwijderd, alle vormen van nationalisme geweerd. De macht van de partijvoorzitters wordt ongedaan gemaakt, zoniet de partijen zelf. We blijven wel gehecht aan een representatieve, geen directe democratie. (Omdat de mens maar een mens is.) Met het middel ‘referendum’ dient zuinig en zorgvuldig te worden omgesprongen, het kan geenszins verkiezingen vervangen. De buitenlandse politiek moet eindelijk eens serieus worden genomen en ontdaan van alle opportunisme. Brussel moet leren leven naar zijn stand, het is geen twee- maar veel-talige stad, waar alle minderheden respect verdienen. De migratiepolitiek moet niet alleen rechtvaardig maar ook logisch worden opgezet: moeten we echt mensen die hier maar tijdelijk zijn, verplichten Nederlands te leren, een taal waarmee ze in de rest van hun leven niets meer kunnen doen?

‘O hypocrisie, uw naam is Vlaanderen. Pardon, Flanders.’

Walter zou Zinzen niet zijn als hij ook niet menige paragraaf aan Congo wijdde. En aan onze defensiepolitiek, of wat daarvoor door moet gaan. Veel lof overigens voor Karel De Gucht, die als enig (?) Belgisch minister totnogtoe het Congolese profitariaat en zijn Belgische medestanders op hun plaats durfde te zetten.

Et voilà. Zo heb ik dus van een toch al klein boekje nog een eigen samenvatting trachten te maken. Dat is gedoemd tot mislukken. Maar Sisyphus indachtig zal ik morgen toch weer mijn steen naar boven rollen. Want optimisme, zegt ook deze schrijver, is een morele verplichting.

 

*Walter Zinzen, Mens erger je!, Pelckmans, 2013
 

October 10, 2013 at 2:22 pm 8 comments

AFRIKA WORDT ZELFS OORLOGSGEWIJS VERGETEN

Wo I Afrika 4 Musician_in_the_Belgium_Congo_-_NARA_-_197078

door Jef Coeck

Zacht maar zeker hobbelt dit land met zijn Vlaamse meerderheid naar een grootscheepse herdenking van De Groote Oorlog, die van 1914-18, ook wel Wereldoorlog Eén genoemd. Volgend jaar zal het precies honderd jaar geleden zijn dat hij begon, voorbereidselen en schijnmanoevres niet meegerekend. Af te lezen van de boekenplanken in bibliotheken en winkels, lijkt alles over deze oorlog al menig keer te zijn gezegd. Toch zijn er grote blinde vlekken in ons geheugen, of simpelweg in onze kennis van het onderwerp.

Vraag aan vrienden en buren wat WO I voor hen betekent en ze zullen haast zeker antwoorden met de bekende highlights: loopgraven, de Ijzer, vier jaar stellingenoorlog met zandzakjes, ratten, slijk, gifgas, onder water gezette polders, stank en ziekte. Sommigen zullen aanvoeren dat Vlaamse soldaten werden bevolen door Franstalige officieren en dat het de grootste schande en de oorzaak van alles was. Soms lijkt het, kortom, alsof het een binnenlandse taaloorlog betrof en dat de loopgraven ophielden ergens achter West-Vlaanderen.

Toch blijven we hem hardnekkig een ‘Wereldoorlog’ noemen en dat is geheel terecht. Niet enkel België, Frankrijk en Engeland waren er bij betrokken – en Duitsland natuurlijk – maar ook hun kolonies en mandaatgebieden. In totaal, schrijft Jan Blommaert in zijn Voorwoord, nam ruim een miljoen koloniale onderdanen deel aan de strijd van de geallieerden. ‘Askari’ werden ze in Congo genoemd.

‘We hadden hen heel hard nodig , want we konden die oorlog niet winnen zonder hen. En we gedenken dat slechts met tegenzin…’

Het was een oorlog die gevoerd werd en effecten had, de hele wereld rond. Niet enkel aan de Ijzer maar ook in Leuven, over Sarajevo tot Gallipoli. Ook in Afrika werd Hij gevoerd. De Duitsers hadden er nogal wat kolonies en daar bleef de bezettingsmacht niet werkloos toezien: Kameroen, Togoland, Duits Zuid-West Afrika (nu Namibië) en Duits Oost-Afrika, nu een groot deel van Congo en Tanzania. Dat is bekend terrein voor onze medewerker Lucas Catherine.

Ook het Nabije en Midden-Oosten veranderden grondig van aanzien door de eerste Wereldoorlog. Turkije werd na afloop een moderne lekenstaat, geleid door de westers gerichte Atatürk. De Ottomaanse kolonies in het Midden-Oosten werden her-verdeeld onder de grootmachten, zodat de ontwrichting van volken en staten volop kon beginnen. Het ‘Palestijns probleem’ is een erfenis uit die tijd, evenals het ‘Zionistisch probleem’. Daarover heeft Catherine in andere boeken en artikels al uitvoerig bericht. Hier beperkt hij zich vrijwel uitsluitend tot de Belgische kolonie Congo en occasioneel Rwanda en Burundi.


Force Publique

Wo I Afrika 2 Congolesetroepen Koning Leopold II – ja, bij hem begint ook weer dit verhaal. Hij richtte in ‘zijn’ kolonie de Force Publique/ Openbare Weermacht op. Dat was 1885. Daarvoor deed hij een beroep op Belgische militairen die gedetacheerd werden, en blanke buitenlanders, vooral Scandinaven. Die moesten uiteraard het officierencorps vormen. De voertaal van de Weermacht is het Lingala, oorspronkelijk een lingua franca van vissers langs de Congostroom, die wordt vervormd onder invloed van het officierenfrans.

De Congolese Weermacht moest militair niet onderschat worden. Ze had gevechtservaring opgedaan in de oorlog tegen de Zanzibari en tegen de Mahdisten in Zuid-Soedan. De Weermacht werd ook ingezet tegen lokale opstandelingen. Eigenlijk als politiemacht.

Het is dit goedgetrainde leger met veel gevechtservaring, dat in de Eerste Wereldoorlog de Duitsers in Oost-Afrika moet zien te verslaan. Daar stonden ze het sterkst en boden ze de meeste weerstand. In 1908 bestond de Congolese Weermacht uit 17.833 manschap, uitgerust met 27.000 geweren en 535 Browningpistolen – voor de blanke officieren. Als veldgeschut werden zowat 120 kanonnen gebruikt, vervaardigd door Krupp in Duitsland en door de wapenfabrieken van Seraing bij Luik.

De Congolese Weermacht had niet enkel soldaten en officieren in dienst, maar ook (en vooral zelfs) dragers. In de dichte brousse was geen ander transport mogelijk dan te voet. Aanvankelijk had men begroot op 450 dragers per 600 soldaten. Dat bleek snel te weinig. Eén blanke officier had op een veldtocht behoefte aan zowat 20 dragers.

Bij het begin van de oorlog had de Weermacht 20.000 vaste dragers in dienst (met hun familie) die doorgaans 30 km. per dag aflegden met een last van 30 kilo op het hoofd. Tijdens de oorlog werden nog eens 260.000 tijdelijke dragers aangeworven. Velen van hen zijn tijdens de veldtochten omgekomen door ziekte en ontbering. Zij vormen veruit het grootste aantal slachtoffers. Officieel zijn in deze Afrikaanse oorlog 145 blanken gesneuveld, 1895 zwarte soldaten en 7124 vaste dragers. Over de tijdelijke dragers zijn geen cijfers bekend, maar hun dodental ligt volgens de schattingen boven de 20.000. Over de zwarte vrouwen en kinderen die het leven lieten, zijn helemaal geen cijfers bekend.

De Duitse vijand kon beschikken over 11.367 getrainde soldaten en 2591 hulptroepen, gecommandeerd door 2712 Europeanen. Ze beschikten over 50 kanonnen. Op het Kivumeer hadden de Belgen het overwicht, met 1 schip, de Paul Renkin. Op het Tanganyikameer daarentegen waren de Duitsers almachtig, aanvankelijk met twee kleinere schepen, in 1915 aangevuld met de Von Götzen. Het schip van 100 ton kon 1000 manschappen vervoeren en had een zwaar kanon van 105 mm. aan boord.  Het was dus met name in Oost-Afrika dat tot op het einde van de oorlog gevochten werd.

Uitpuilende dankbaarheid

Lucas Catherine beschrijft vrij gedetailleerd het verloop van de Wo I Afrika 3 Congolesesoldaten gevechten en gunt ons af en toe ook een blik in het Moederland, want Brussel (en de andere geallieerden) waren er niet helemaal gerust op, hoewel zij de handen vol hadden aan hun eigen oorlogsvoering.

In 1915 werden, over land (!), twee kleine watervliegtuigen aangedragen om de Von Götzen te counteren. Het transport verliep niet zonder moeite, grotendeels te voet. De toestellen waren uiteen gehaald en in 32 grote kisten van elk 500 ton gepropt. Zo kon de Von Götzen worden uitgeschakeld door het allereerste luchtbombardement, zeer tot afgunst van de Britten.

Om Tabora werd zwaar gevochten. Ook andere steden rond het Tanganyikameer waren het toneel van bloedige veldslagen. Uiteindelijk kon de Kongolese Weermacht doorstoten tot Dar-es-Salaam – de vroegere  hoofdstad van Tanzania. In elk geval werd de oorlog in Afrika gewonnen dank zij het Congolese leger.

Met de Belgische en Europese dankbaarheid is het zwak gesteld. Er is een monument voor de askari in Schaarbeek, opgericht door de staat Congo zelf. België had geen zwarte troepen naar het front in Europa gestuurd. (Frankrijk en Groot-Brittanië wel). Zowel de toenmalige gouverneur als konign Albert waren tegen zwarte troepen aan de Ijzer. Zwarte soldaten zijn ‘gevaarlijk’ voor Europese vrouwen, wegens hun sexuele potentie en appetijt. Daarom dus. Geen racisme, o nee, dat zeker niet.

Segregatie was de officiële Belgische politiek sedert Leopold II: zo weinig mogelijk, liefst geen, zwarten laten overkomen naar België – zelfs niet om voor ons te sneuvelen. Achter de Ijzer hebben welgeteld ooit 27 Congolezen gestreden. Geen ereteken of foto bestaat er van hen, geen straat draagt hun naam, nergens in België is er een Askari-plein.

Gevreesd moet worden dat bij de aanstaande grootscheepse vieringen en herdenksels een miljoen zwarte helden andermaal uit de boot zal vallen. Als we het overlaten aan minister Bourgeois (vice-premier Vlaamse regering, bevoegd voor onder anderen inburgering, toerisme en onroerend erfgoed) zal het in hoofdzaak weer gaan over onze Vlaamse jongens die de dood werden ingestuurd omdat ze de Franse bevelen niet begrepen. Dat die mythe allang ontmaskerd is door betrouwbare historici als Sophie De Schaepdrijver en Bruno De Wever, kan de ware flamingant niet deren. WO I, de Groote Oorlog, was een kaakslag voor de Vlaamse Beweging. Full stop?

Wo I Afrika 5 Soldiers_in_the_Belgium_Congo_-_NARA_-_197079
Lucas Catherine, Loopgraven in Afrika (1914-1918), De vergeten oorlog van de Congolezen tegen de Duitsers, EPO, 2013

October 7, 2013 at 11:05 am 2 comments

MAROKKANEN AAN DE IJZER

Otto Dix Der Krieg

Otto Dix Der Krieg

 

door Lucas Catherine

Op 4 augustus is het 99 jaar geleden dat Duitsland België de oorlog verklaarde. Ik weet het, die verjaardag zal pas over een jaar worden gevierd, maar ik vrees dat er nogal wat leemten in die viering zullen zitten.

Zal men herdenken dat in die Eerste Wereldoorlog de genadeslag werd gegeven aan het Ottomaanse Rijk? Turken zoals premier Erdogan zijn er nog altijd niet van bekomen.

Dat de Britse generaal Allenby toen met de hulp van Franse koloniale troepen, Spahi’s en Chasseurs d’Afrique Jeruzalem veroverde en zo de kolonisatie van Palestina door Europese joden echt op dreef hielp?


Of, dat ons koloniaal Kongolese leger toen in Oost-Afrika de Duitsers versloeg, wat ons Burundi en Rwanda als nieuwe kolonies opleverde?

Wat over de geplande vieringen tot hier toe duidelijk werd, is dat die zich zullen concentreren op wat in de IJzer-vlakte gebeurde. Zal men dan ook de 30.000 Marokkanen herdenken die door Frankrijk in de strijd werden geworpen, ondermeer  in Flanders Fields?

Voor alle zekerheid hier al het verhaal over die Marokkanen: Eind augustus 1914 arriveerde de Marokkaanse Divisie in Frankrijk. En het waren harde vechters. De Duitsers hadden zich in Vimy, dat is halfweg tussen Atrecht en Lens in Frans-Vlaanderen, ingegraven op een heuvelrug in vier opeen volgende loopgrachten. De Franse bevelhebbers wilden daar een doorbraak, maar hadden er niet veel hoop op. De Marokkaanse Divisie werd ingezet en tegen alle verwachtingen in doorbraken ze het front en veroverden op anderhalf uur tijd de vier loopgrachten. De Franse bevelhebbers konden het niet geloven en hadden geen versterking klaar staan om de Marokkanen achterna te gaan en, zoals dat dan heet, de sector te zuiveren. De Franse historicus Pierre Miquel schrijft dan ook in zijn “La Butte Sanglante”: “De Marokkaanse Divisie maakte een cruciale fout, ze wonnen waar dat niet werd verwacht, hun overwinning kon niet worden geconsolideerd door versterking en dus werd hun overwinning later geminimaliseerd.” De vorige Marokkaanse koning liet dan maar zelf een monument bouwen voor die Divisie:

Ijzer 1

Hierna trok de Marokkaanse divisie verder naar het noorden. In Radinghem, bij Rijsel sneuvelde een van de weinige Marokkaanse officieren, Brick Ben Kaddour.

Op 13 november 1914 arriveerde de tweede brigade van de Divisie aan het kanaal Ieper-IJzer waar ze Bikschote en het bos er rond veroverde. Een ander onderdeel van de Divisie, het 7e RMT (Régiment de marche de tirailleurs) werd ingezet bij Hill 60 in Zinnebeke en daarna op de rechteroever van de IJzer bij Lombaardzijde en Nieuwpoort. Eind januari 1915 werd de Divisie op rust gesteld bij Duinkerke.

 

 

Ijzer 2

In België werd geen monument opgericht voor deze Marokkanen, zelfs hun graven zijn moeilijk te vinden, want liggen her en der verspreid op begraafplaatsen voor Fransen. (Waar je wel 8 moslim graven kan zien is op de militaire begraafplaats van Veurne aan de Oude Vestingstraat, het Ossuaire Français.)  Maar direct na de Grote Oorlog lag hun herinnering nog vers in het geheugen. Zo beschrijft de tekenaar en auteur James Thiriar hen in zijn boek Gloire et Misère au Front de Flandre. Het boek verscheen in 1919 en is geïllustreerd met tientallen tekeningen, waaronder een grote prent van Marokkaanse Goums. (Goums is Frans militair slang voor inlandse troepen, van het Arabische woord qaoum , “etnisch”)

 

Goums

Goums

 

James Thiriar schrijft ondermeer:

 

“Dat deel van het Franse leger dat in België opereerde had tussen zijn eskadrons cavalerie Marokkaanse en Algerijnse goums. Na de terugtocht achter de IJzer werden deze ruiters ingezet. Ze waren gewend aan grote fantasia’s onder een brandende zon, nu moesten zij strijden in modder en miserie… We herinneren ons een sheikh die temidden van het gewoel een raspaard ging recupereren en denken ook terug aan die ruiters met getaand gelaat die hun bloedrode sabels afveegden aan het getuig van hun paarden. Maar meestal was het een triest schouwspel: te midden verlaten duinen onder regenwolken en een strakke noordenwind bevroor hun gemoed. Velen van hen waren jong, met sombere gelaatstrekken, een dikke baard, koolzwarte ogen, met magere handen waaraan ringen zaten. Wanneer ze lachten blonk hun gebit als leeuwentanden. Hun leider stamde af van Abdel Kader. Ze werden gekantonneerd in afgelegen hofsteden die verdronken in een zee van modder en in dorpen die tussen de duinen beschutting zochten tegen de koude winter.

De goumiers hadden licht en zon verwacht, hier rilden ze van de kou, hun gezicht omzwachteld door een linnen sjerp en hun handen diep in de zakken van hun burnous. Langsheen de grijze stranden, onze Noordzeestranden waar zware hemels, grijze golven en nat zand een intens triestige uitzicht aan kunnen geven, liepen ze als spoken op zoek naar zon. We zagen ze aan de bron van de IJzer, later in Boesinghe en Steenstraete, deze tirailleurs uit de kolonies die met hun ontzagwekkend voorkomen de bewondering afdwongen van onze eigen ‘piotten’.”

 

 

Lucas Catherine,

Historicus van Vergeten Zaken.

 

Van  Lucas Catherine verschijnt in oktober bij EPO het boek: Loopgraven in Afrika (1914-1918), de vergeten oorlog van de Kongolezen tegen de Duitsers.

 

 

August 3, 2013 at 9:40 am 2 comments

Older Posts Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,731 other followers