Posts filed under ‘boeken’

HEBBEN WE NU ALLES GEHAD OVER DE GROOTE OORLOG?

De Commune

De Commune

 

door Jef Coeck

 

Veel toch. Films, musicals, tv-series, herdenkingen, meters boeken van wisselende kwaliteit. En weten we nu alles over dit onderwerp? Nee, dus. Er verschijnen bv. nog altijd historische werken die klemtonen leggen waar andere schrijvers overheen keken.

Volgens de Belgische historicus die zijn leven lang in Canada doceerde Jacques R. Pauwels was WO I het product van de 19de eeuw. Ze wordt doorgaans beschouwd als de ‘lange’ eeuw. Ze eindigde niet enkel in 1919, maar is volgens deze theorie ook vroeg begonnen, nl. in 1789, met de Franse Revolutie. Daarop volgden met enige regelmaat andere politieke en militaire conflicten: de Franse en Belgische revoluties van 1830, de opstanden van 1848 in diverse Europese steden, de Frans-Pruisische oorlog in 1870 met aansluitend de Commune van Parijs, Dat waren stuk voor stuk ook sociale conflicten. Het kan dus niet anders of ook de Groote Oorlog 1914-1919 (Verdrag van Versailles), was een klassenstrijd. Daarom noemt de historicus dit conflict de Groote Klassenoorlog.
JP 2

De Eerste Wereldoorlog was dus zeker niet: een louter politiek en militair gebeuren, een tragisch ‘ongeval’ van de geschiedenis, een vorm van onbegrijpelijke ‘menselijke waanzin’. Dit was een oorlog binnen de oorlog, vol berekening en hebzucht. Het ging niet enkel om een strijd van Fransen tegen de Duitsers, maar ook van Fransen tegen Fransen, en Duitsers tegen Duitsers. Een bepaalde klasse van Fransen, Duitsers en Britten ging de confrontatie aan met een heel andere klasse van Fransen, Duitsers en Britten.

De Groote Oorlog was een verticale oorlog, tussen landen en bondgenootschappen. Maar het was in elk land ook een horizontale oorlog, tussen de bovenklasse en de onderklasse. Ons is geleerd dat het een gewapend conflict tussen naties was, verder niets. De waarheid is dat de Groote Oorlog gewild en uitgelokt was door een Europese elite die gevormd werd door een symbiose van de grootgrondbezittende adel en de haute bourgeoisie, die vooral bestond uit industriëlen en bankiers.

Oorlog als bevrijding

Het kapitalisme ontwikkelde zich steeds sneller. Een verschijningsvorm of op zijn minst een bijverschijnsel ervan was het imperialisme. De essentiële functie van het imperialisme was het door oorlog veroveren of direct controleren van gebieden waar belangrijke grondstoffen te vinden waren. Die gebieden moesten dienen als afzetmarkten en de inwoners ervan als goedkope arbeidskrachten. Daardoor werden aanzienlijk hogere winsten mogelijk. De kosten, verbonden aan de imperialistische oorlogen werden gedragen door de staat. Zo werkt het ook vandaag nog, in Irak, Afghanistan… De regel is: privatisering van de winsten, socialisering van de kosten. ‘Het kapitalisme draagt de oorlog in zich zoals de wolk het onweer in zich draagt’, verklaarde de Franse socialistische leider Jean Jaurès in 1895. Enkele jaren later werd hij vermoord door een Franse nationalist.
JP 4

De socialistische partijen, die steeds meer afgleden naar het reformisme (evolutie i.p.v. revolutie) en naar de sociaal-democratie, keuren zowat overal de oorlogskredieten goed. Ook de kerken bleken geen morele of andere bezwaren te hebben tegen een winstgevend oorlogje. Niet alleen de katholieke kerk maar ook de anglicaanse in Groot-Brittanië, de lutherse in Duitsland en de ortodoxe in Rusland – dachten dat zij uit een grote oorlog groot voordeel konden halen. Het spreekt vanzelf dat hun gelovigen die in zo’n oorlog sneuvelden, recht naar de hemel gingen. Waar is het verschil met het jihadisme van de huidige islamisten? Allemaal zeggen ze in hun eigen taal: Gott mit Uns (Hitler).

De Brits-Amerikaanse historicus Adam Hochschild verwoordt het aldus: ‘De komst van de oorlog werd algemeen aangevoeld als een bevrijding en een opluchting… Net als een onweer maakte het een einde aan de spanning van de verwachtingen en het bracht opnieuw frisse lucht… Na eindeloos wachten openden nu de gordijnen en kon een groot en opwindend historisch drama aanvangen, een drama waarin de toeschouwers tezelfdertijd acteurs zouden zijn.’ (Hochschild, To End all Wars: a Story of Loyalty and Rebellion 1914-1918, Boston/New York, 2011).
JP 5

In de Tweede Wereldoorlog ging het net zo. Alleen, met nog meer middelen, mensen en verliezen. Het was echter niet bij ‘de overgrote meerderheid van het volk’, zoals Hitler geloofde, dat de opluchting en vreugde groot waren. Dat was wel het geval bij de adel en de haute bourgeoisie en bij een deel van de kleine burgerij, waartoe Hitler zelf behoorde. De oorlog die uitgebroken was, was de door hen gewilde oorlog waarmee ze het democratiseringsproces wilden terugschroeven, het socialisme overwinnen en het risico op revolutie definitief elimineren.

En ook dit was tegelijk een verticale en horizontale oorlog: tussen landen en in elk land tussen klassen. De bovenklasse bestond uit de adel en de haute bourgeoisie, de onderklasse werd (wordt) gevormd door de kleinburgerlijke en de proletarische massa. De laatsten waren de ‘classes dangereuses’, de dreigende massa die opgestookt door de socialisten al sinds tientallen jaren onrustig waren en via het democratiseringsproces al te veel vooruitgang hadden geboekt. De elite beschouwde de verlossende oorlog als een strijd tegen democratie, revolutie, internationalisme en pacifisme.

En de derde?

Slechts in één land was de socialistische (communistische) revolutie gelukt, met vooruitzicht op democratie en pacifisme: Rusland, a.k. de Sovjet-Unie. Voor de relatief hoge graad van welvaart en democratie die West-Europa na 1945 bereikte, aldus Pauwels, moeten we dus vooral Lenin en Stalin dankbaar zijn, ook al wordt dit duo door westerse historici en media als on- en antidemocratisch afgeschilderd. Toch is het ook zo dat die hervormingen er niet zouden zijn gekomen als de arbeiders en andere proletariërs in West-Europa zelf niet via stakingen en demonstraties enorme druk op de elite hadden uitgeoefend en de elite op die manier tot grote toegevingen hadden gedwongen.

Ondanks de opdoffer waarmee de Tweede Wereldoorlog eindigde voor de elite, ontketende zij al een nieuwe klassenoorlog voor die van 1939-1945 goed en wel ten einde was: de Koude Oorlog. Net als de twee wereldoorlogen was ook deze Koude Oorlog naast een verticale oorlog tussen landen (en blokken van landen: Navo en Warschaupact) een horizontale oorlog tussen klassen. Voor de door Washington aangevoerde elite ging het in die oorlog zeker niet alleen om een overwinning op een land, maar eerder om een overwinning op een systeem, namelijk het socialistische systeem zoals dat in de Sovjet-Unie na 1917 was opgebouwd.
JP  3

Samenvattende conclusie van historicus Jacques Pauwels: ‘De vrede die in Versailles officieel verklaard werd, manifesteerde zich slechts als een wapenstilstand. Het was een wapenstilstand die gedoemd was om vroeg of laat af te lopen en opnieuw in krijgsverrichtingen en een officiële oorlog te hervallen. In 1939 was het zover en brak een nieuwe Groote Oorlog uit.
Geschiedkundigen zoals Arno Mayer hebben daarom gesproken van de ‘Dertigjarige Oorlog’ van de 20ste eeuw, gevoerd van 1914 tot 1945, met tussendoor een ‘wapenstilstand’, een ‘twintigjarig bestand’ van 1919 tot 1939.’

Een voor de hand liggende vraag,: wanneer de volgende oorlog? Van zodra de A-B-C-krachten zich aanzienlijk voelen verzwakken. ABC staat voor Adel/Bourgeoisie/Christendom. Het blijven dezelfde krachten, maar ze vertonen zich nu onder wat andere verschijningsvormen. 1 procent rijken, 49 procent die rijk willen worden, en 50 procent die het nooit zullen zijn – omdat ze verpletterd worden door het systeem. Want laten we ons geen illusies maken: na het einde van de Koude Oorlog is de horizontale (klassen-)oorlog gewoon doorgegaan. Als die onhoudbaar wordt, komt er ook een nieuwe verticale oorlog. De laatste? Een armaggeddon als uitsmijter?

Terror drones

Terror drones

*Jacques R. Pauwels, De Groote Klassenoorlog 1914-1918, EPO, Berchem, 2014

October 23, 2014 at 9:50 am 4 comments

EEN KOSTSCHOOL IS SCHRIJVERSGOUD

Brouwers-Jeroen-foto-Annaleen-Louwes

door Jef Coeck

Er is een nieuwe Jeroen Brouwers. Jaaaa! En hij gaat over mishandeling van jongetjes in de kostschool. O Neee!! Moeten we nu weer door de pedofielenzeik waden? Na de kranten, de weekbladen, de televisie, de radio, de facebooks en –crooks, na pastoors, bisschoppen en de paus zelve zullen we nu ook nog onze beste schrijvers zich laten corrumperen met letterlijk uitgemolken onderwerpen?

Er is één troost: het is een roman, want dat staat er buiten op en hij heeft het ook al in tien interviews gezegd. Dit is niet autobiografisch, de schrijver zelf is destijds nooit sexueeel misbruikt geworden, althans niet op de kostschool. En nog een: het gaat maar matig over sexueel misbruik, en heel veel over fysieke, intellectuele en morele mishandeling door de dienaren gods. Dat klinkt al beter, hoewel de vergrotende trap van ‘goed’ hier alles behalve toepasselijk is.

‘Het Hout’ van de titel is een stokachtig en hard voorwerp, een soort borstel zonder haren, waarmee de jongens gekasteid worden als hun ‘opvoeders’ daar zin in hebben. Wat het verhaal nog prangender maakt is, dat het zich afspeelt in een kloosterschool vlakbij de Duitse grens, Zuid-Limburg (Ned.), begin jaren vijftig dus vrij kort na de oorlog en dat de Opper-houtslagmeister een Duitse franciskaan is. Zo speelt de auteur zich een mooie troef in handen: hij kan hele stukken dialoog of de korte weergave ervan in een soort Duits-Nederlands omzetten. En reken maar dat het werkt, soms op de lachspieren dan weer op de ruggewervel. Terloops, de franciscanen waren vanaf de 13de eeuw de favoriete pauselijke uitvoerders van de inquisitiebesluiten. Maar dat soort leuke details hoef je geen Jeroen Brouwers te vertellen.

Het gaat dus weer zoals (bijna) altijd met een boek van Brouwers. Ik begin erin te lezen en het steekt me goed tegen: het onderwerp, de woordkeuze, de verhaallijn, de contextuele details, alles. Nee, hier heb ik geen zin in, denk ik dan, als ik wil walgen ken ik fijnere methoden, ik drink gewoon een glas wijn teveel onder het kijken naar een B-film met bijvoorbeeld Eddy Murphy. Maar Brouwers laat me niet los. Want ik wéét natuurlijk dat ik, twintig bladzijden verder, niet meer los kàn van het boek. Stijl en verhaal zijn dan zo dwingend geworden, dat je ervoor op zou blijven om het uit te lezen. Aldus geschiedt.

De hoofdfiguur, de jonge broeder Bonaventura – geen incarnatie van Brouwers, dus – ondergaat en onderneemt zowat alle dingen die des mensen zijn. Hij is per ongeluk en tegen maar ook toch wel met zijn zin in het klooster versukkeld geraakt, doet daar nu zijn devotie tussen de kostschooljongens en de fraters in. Hij bekleedt dus een uitstekende observatiepost en is een meer dan geschikte persoon om te weten wie van het hout kreeg als hij het zelf al niet was. Ouders die van hun zoontjes te horen kregen dat ze mishandeld waren, reageerden: Je zal het er wel naar hebben gemaakt. De broeders weten heus wel wat goed en rechtvaardig is. Er spande zich een membraan van angst over het leven binnen de muren.

Brouwers schrijft in een ritme waaraan niet te ontsnappen valt. Een cello-suite van Bach. Ook als de klankkleur je niet helemaal aanstaat, blijf je toch luisteren. Zo lees je, beschaamd maar leergierig door in een vijf pagina’s-lange verkrachtingsscène waarin schoolhoofd Mansuetus, de mof, maar geen greep krijgt op het steeds kleiner wordende geslacht van het jongetje dat soms helemaal uit zijn handen glipt. Hij wordt met ether buiten bewustzijn gebracht; zo verrukkelijk moest sterven zijn. Hoe dramatisch en walgelijk ook, het hele verhaal is hilarisch, alsof Bach zelf met zijn cello door de lucht klieft terwijl hij rustig doorspeelt.

Het is een soort klassenstrijd die het instituut op stelten zet en almaar harder gevoerd wordt. De middenfiguur Bonaventura tracht eerst nog neutraal te blijven, of noem het objectief, of loyaal aan iedereen. Maar dat wordt van langsom minder mogelijk. Uiteindelijk kiest hij voor de onderkant, tegen de machtigen. Maar het loopt niet uit op een revolutie, zelfs niet op een Groote Stooringhe. Bonaventura is geen Rodenbach, laat staan een Karl Marx. De opstand gaat vanzelf over: De kloosterling raakt verliefd.

Het derde boekdeel is van een ongemene tederheid, vaak gecamoufleerd in spitse formuleringen (van haar, ene Patricia) of in opperste klunsigheid (van hem). Je zou denken: nu kan hij het klooster wel achter zich laten, ze willen het allebei, maar hij zal het moeten doen. Hij is te laf. Hij leest haar gesmokkelde brieven op de ouderwetse patersplee, waar de stank en de vliegen niet te harden zijn, maar het is de enige plaats met wat privacy. Bij zo’n treurigheid blijven je ogen niet droog. Hij mag niet durven wat hij zou willen durven. Hij scheurt haar brief in duizend snippers, dumpt ze in de excrementen, een moeras van stront. “Wat ben ik aan het doen, wat doe ik hier. Alles aan mijn lichaam, alles in mijn overhoop geploegde hersens hunkert naar jou.”

Tot slot moet Bonaventura op het matje bij overste Benedictus. Die heeft een nieuw soort Nederlands ontworpen om iemand uit te kafferen. Brouwers inventor. Bonaventura moet als straf naar de missies, Nieuw-Guinea, streek Fakfak. De beklaagde, die eigenlijk Eldert Haman heet, denkt fukfuk. Dat is denken. Maar doen?

De rest mag ik niet prijsgeven, om het lezersplezier niet te bederven. Maaar het is Pasen, het feest van de wederopstanding. U zal er nog van opkijken, van dit slot van Brouwers’ laatste roman. Allerlaatste? Dat is tenminste wat hij zegt, althans suggereert, maar ja wie kent de toekomst? En het zou ons verbazen als hij niet al een ideetje had voor zijn volgende boek. Het zal niet over de kostschool gaan, denk ik.

*Jeroen Brouwers, Het hout, Roman, uitg. Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2014

October 10, 2014 at 1:43 pm Leave a comment

HET LEF VAN LEUVEN

door Lucas Catherine

Leuven herdenkt Vesalius. Op hun website lees ik: (ik knip en plak): De geboorteplaats van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie. Een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was een Brusselaar, en ondertekende altijd met Andreas Vesalius Bruxellensis. Waar hij begraven ligt vertel ik zo dadelijk, maar dat is zeker niet in Leuven.

A1 BoekVesal_0001_NEW

De dag dat de Leuvense viering op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd want dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de Brusselaars hem moeten vieren. Maar in Brussel vinden ze dat Vesalius niet te slijten is aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de Ommegang en Keizer Karel. Als ze in Leuven de geschiedenis herschrijven om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme.
Vesalius was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en tegenkanting heeft gekend.

gedenkplaat Miniemenstraat

gedenkplaat Miniemenstraat

Op 31 december 1514 werd in het Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries van Wesel omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel naar Brussel was geëmigreerd Het Hellestrotje bestaat niet meer. Het was een verbindingsstraat tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat Zijn vader liet hem vanaf zijn zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort op Sint-Goriks bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van de clerus en allerlei ongewenste kerkelijke praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd. Daar leerde Andries zijn eerste woordjes Latijn en Grieks. In 1530 gaat hij twee jaar studeren in Leuven aan het Pedagium Castri, De School aan de Borcht , zoiets als de middelbare school die afhing van de universiteit daar en hij vervolmaakt zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College

De sfeer in Leuven had niet veel met de renaissance te maken. Het rook er teveel naar wierook en verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de Paus rook daarna het solfer van de ketterij en in juli 1520 arriveerde een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen vroeg. Karel ondertekent daarop in september het eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand later organiseert de Leuvense Universiteit de eerste boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gaan in de vlammen op. Het mag niet helpen. Nog dat jaar verschijnen de eerste vertalingen van Luther in het Nederlands en in 1521 worden, ondanks het edict en de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privé-leraar van de jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar Spanje, wordt er tot kardinaal gekroond en Karel promoveert hem tot inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia. In 1519 overlijdt Karels grootvader Maximiliaan en hij vertrekt naar Duitsland om zich daar tot keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelt hij Adriaan Boeyens aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en Leon. Daarmee komt dan heel de Spaanse Inquisitie onder een ‘Leuvens’ bevel.

A3 Priempoort

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd. Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant wordt door de Keizer officieel aangesteld om de repressie te organiseren en Adriaan Boeyens die ondertussen paus is gekroond, dankzij politieke druk van Karel, bekrachtigt dit en geeft van der Hulst de titel van “universalem et generalem inquisitorem”. Kort daarna wordt hij opgevolgd door drie clericale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hebben nauwe banden met de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen kwamen van hier.

En Leuven bleef een bastion van Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son (1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek en “ zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een ooggetuige het in 1545.

Dan was Parijs toleranter. Vesalius gaat dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden was sterk gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken waren verboden.

In 1536 brak de oorlog uit tussen François I en Keizer Karel, en als onderdaan van een vijandige natie moet Vesalius Parijs verlaten en keert terug naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, en niet alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze gestorven was omdat haar corset te hard was dicht gesnoerd. Hij zette zijn studies nu een jaar verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis “Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem Almansorem.., Parafrase van het negende boek van de grote Arabische geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur”. Eer het jaar om is krijgt hij ruzie met zijn professor en daarom trekt hij in dat zelfde jaar 1537 naar Padua waar hij zijn eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld wordt als hoogleraar in de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceert hij zijn eerste groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen, die hij opdraagt aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer Karel. In 1543 volgt dan zijn meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem ( Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk: het weegt 7 kg, telt 663 pagina’s en elke bladzijde is bijna een halve meter hoog, draagt hij op aan Keizer Karel.

A4 Plaat uit het boek

Die is daarmee erg gevlijd en stelt hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel heeft Andreas meer dan zijn handen vol. Omwille van keizers slechte eetgewoonten – slecht kauwen en ijskoude dranken – had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een kruisbijter was. De Keizer leed verder nog aan een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius terug. In 1546 schrijft hij zijn Chinawortelbrief, Andreae Vesalii Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator usus est, pertractans….Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar, geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd… Wanneer Keizer Karel op 25 oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesaliius en benoemt hem tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans Paleis, dit levert hem een aardige lijfrente op. Daarop treed onze Brusselaar in dienst van de zoon en opvolger, Filips II met wie hij op 23 augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelt er zich niet echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen lijkschouwingen verrichten en kon zijn anatomisch onderzoek niet verder zetten.

In 1564 vertrekt hij op bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg, bij een tussenstop in Sète, bij Montpellier neemt hij afscheid van zijn gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant. In Palestina bezoekt hij de heilige plaatsen, Jericho en de Jordaanvallei, maar op de terugreis komt zijn schip in een storm terecht en ze leidden schipbreuk op het eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland. Daar sterft hij aan tyfus op 15 oktober 1564. Hij kreeg op dit eiland twee monumenten en een straat is er naar hem genoemd, de hodos Andrea Vesal. In Brussel hangt op de plek waar zijn huis stond, nu het atheneum Robert Cateau een gedenkplaat. Verder kreeg hij een standbeeld op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een straat in de Bas-Fonds. Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg heette ze Spellekensstraat, omdat Jan Grouwels, een van de beruchte inquisiteurs er woonde. Zijn bijnaam Spellekens kwam van het feit dat hij met spelden de ogen van de ketters bewerkte. Zo konden ze volgens hem niet meer naar de duivel kijken. Ook een anatoom dus, maar van een ander soort. Of Grouwels in Leuven had gestudeerd vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen want zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma halen”.

standbeeld Barricadenplein

standbeeld Barricadenplein

October 8, 2014 at 9:32 am 4 comments

THE PROPHET: DYAB ABOU JAHJAH

Dyab

door Jef Coeck

‘Dit Brussel zal bruisen, welvarend zijn en nog meer investeringen aantrekken en over meer financiële middelen beschikken. De stadsvlucht zal stoppen en nieuwe immigratie richting het stadcentrum zal plaatsvinden. Gentrificatie is dan geen toepasselijk concept meer, omdat het geheel van de stad door de opkomende middenklasse gegentrificeerd zal zijn. Er zullen wijken ontstaan waar rijkdom aanzienlijk toeneemt, met als gevolg dat de prijzen van woningen er zullen stijgen, buurten waar de jetset zich nestelt en het exclusieve uitgangsleven plaats vindt. Maar die wijken zullen etnisch gemengd zijn, net zoals gebieden waar de middenklasse leeft en ook de volkswijken.

Met de tijd zal de diversiteit nog meer toenemen, vooral omdat Brussel zich als Europees gebied profileert en zich openstelt voor alle mogelijke invloeden van buitenaf. De Brusselse identiteit zal zich tweetalig in het Frans en het Engels uitdrukken. Het eerste referentiekader is de stad zelf, haar territorium en haar straatbeeld, maar vooral ook het verhaal dat Brussel uitdraagt en uitstraalt. Immigratie zal gevierd worden als een belangrijke component van deze identiteit, zonder de eigen Brusselse geschiedenis te verloochenen. Sociologisch gezien zal een Brusselaar een kosmopoliet zijn, een polyglot die ook het Frans en het Engels beheerst naast een of meerdere andere talen. Die Brusselaar is vooruitstrevend en tolerant, tegelijk strijdbaar en laat niet met zich sollen. Hij is rebels en eerder progressief dan conservatief, maar geniet ook van de consumptiemaatschappij. De Brusselaar werkt en produceert en heeft ook dat zuiderse temperament om te feesten en uit te gaan.

Deze nieuwe Brusselse identiteit zal kenmerken hebben van al haar componenten. Dat bewustzijn zal zo sterk groeien dat er spoedig een generatie zal aankomen voor wie de oorspronkelijke etnische verschillen niet meer zijn dan een erfenis. Haar enige echte identiteit zal Brussels zijn. Dit is nu al in wording en zal nog uitgediept worden. Deze Brusselaar kan Mohammed of Jan heten, Layla of Virginie of Agneshka, blank of zwart zijn, meestal iets daar tussenin. Hij zal in de eerste en de laatste plaats een kind zijn van zijn stad. De inwijkelingen zullen ook snel deel willen uitmaken van de Brusselse droom.

Segregatie zal onmogelijk worden als gemeenschappelijke idealen en identiteit onvermijdelijk leiden tot een genetische mix waardoor vanzelf een Brussels type zal ontstaan. Een meerderheid van de Brusselaars zal dan tegen 2050 een gemengde achtergrond hebben. Ultraortodoxe gemeenschappen zullen blijven bestaan, maar tegen 2050 zal een salafistische moslim in Brussel even zeldzaam zijn als een ortodoxe jood. Babylon zal het niet zijn, maar Rome.’

———————
Deze profetische woorden, of noem ze utopisch of visionair, komen uit het nieuwe boek van Dyab Abou Jahjah, ‘De stad is van ons/Manifest van de nieuwe meerderheid’.

Deze Libanese immigrant werd in 2002 verdacht van het aanstoken van rellen in Borgerhout, terwijl hij juist trachtte ze te sussen. Toch werd hij met ‘pomp and circumstance’ gearresteerd – met fanfare dus, geblazen en voorafgegaan door een aankondiging in het Parlement door premier Verhofstadt. Anders gezegd: de premier had het gerecht de opdracht gegeven die arrestatie te verrichten – wat in strijd is met de Belgische grondwet, die voorziet in de scheiding der machten. De politiek mag zich niet met de rechtsgang bemoeien.

Dyab zat enkele maanden en werd dan, vrijgesproken van alles, weer vrijgelaten. De commissaris die hem arresteerde en eerst beschuldigde, herzag zijn mening en bood excuses aan. Ook zelden gezien.

Dyab liet het hierbij en keerde terug naar zijn vaderland Libanon, waar het zoveelste gewapende konflikt aan de hand was. Hij stond aan de kant van Hezbollah, tegen Israël, maar zonder de wapens te hanteren. Ook daar was het dus niet de plaats om een rustige oude dag tegemoet te zien of veel te betekenen voor de mensheid. Dyab kwam, vorig jaar, weer terug naar België. Hij kon, zo dacht hij, zich beter dienstbaar maken door zinnige oplossingen te bedenken voor de toenemende migratie in België en Europa. Hij had tenslotte uitvoerig van beide walletjes gegeten.

Zijn jongste boek is een theoretisch, filosofisch werk met modellen. Hij verlegt het zwaartepunt van Antwerpen naar Brussel. Voor de hoofdstad van Vlaanderen/België werkt hij drie scenario’s uit, of noem het profetieën. De eerste twee, die ik niet citeer, zijn uiterst pessimistisch op het doemdenken af, of voorbij. De derde staat in een lang citaat hierboven weergegeven – het is een positief model, dat kàn omdat het moet.
—————————–
Waar haalt Dyab Abou Jahjah de praktijk van de profetie vandaan?
Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met zijn landgenoot Khalil Gibran.

Dyab the.prophetKhalil Gibran (1883-1931) (spreek uit: Challil Zjibraan) was een Libaese dichter en kunstenaar die meende over buitengewone esoterische kwaliteiten te beschikken. Toen zijn haring in eigen land niet braadde, ging hij naar Amerika, waar hij in de kortste keren (dank zij de crisis?) een ware profeet en succesauteur werd.
—————————

Ik wil Dyab niet echt met Gibran vergelijken. De eerstgenoemde zoekt oplossingen in het hiernumaals, niet in de metafysica. Dat hij toch enige aanleg voor poëtische verwoording heeft, mag blijken uit dit laatste fragment over de Nieuwe Meerderheid:

‘Wij zijn de nieuwe meerderheid. Mensen in de steden, maar ook mensen buiten de steden met stedelijke reflexen. Wij zijn blank en bruin en geel en zwart. We komen in alle smaken en in alle geuren en in alle kleuren voor. We spreken duizend talen en vertellen duizend verhalen. Wij zijn dragers van de geschiedenis en makers van een nieuwe geschiedenis. Dragers van cultuur en makers van nieuwe cultuur. We hebben diepe wortels, vast verankerd in ons verleden, maar onze takken groeien naar boven, naar de lucht en de zon. We zijn kwetsbaar, zoals een pasgeboren kind, maar de kracht straalt uit onze ogen. We praten al in onze wieg, we zijn een mirakel in wording. We zijn losser en serener, we hebben meer temperament maar minder paniek, we zijn enthousiast maar bedachtzaam. We zijn mooier, hipper, moderner, meer in tune, up to date, global, nooit neutraal. We hebben een kleur en een smaak.

We zijn strijders maar niet waar het niet nodig is. We zijn ernstig, maar niet waar we kunnen lachen. We relativeren onszelf, alvorens we anderen relativeren; we bespotten onzelf voordat we anderen bespotten,maar apologetisch zijn we niet, bedeesd zijn we niet, bang voor een confrontatie zijn we niet. We gaan ervoor, we zijn scherp, kritisch maar niet cynisch noch defaitistisch.

Wij zijn geen teken van een einde, maar een begin. We geloven, zonder noodzakelijk een god te hebben. En we hebben goden zonder die op aarde te vertegenwoordigen. We beseffen dat we allemaal gelijk zijn, in onze geboorte en in onze dood, en dus in de waarde van wat we tussen die twee absolute waarheden zijn en worden.’

dyab khalil-gibran-biography

Uit: Dyab Abou Jahjah, De stad is van ons/Manifest van de nieuwe meerderheid, Pelckmans, Kalmthout, 2014
(Pelckmans was in het verleden een bij uitstek katholieke uitgever, en heeft zich nadien toegelegd op filosofische werken van alle gezindten)

September 2, 2014 at 11:55 am 3 comments

Koper in Afrika: VAN KOPERETERS TOT BELGENMOP

Lukoper boven

door Lucas Catherine

Ze vragen mij wel eens: waar haalt zo’n historicus van Vergeten Zaken zijn verhalen? En ik antwoord dan met een platitude: in mijn bibliotheek. Alhoewel, een platitude is dat niet echt. Mijn bibliotheek is namelijk mijn levenslijn en heeft talloze en niet zo direct herkenbare voordelen, meer dan je zou verwachten. Ze is bijvoorbeeld ook mijn beste remedie tegen de ziekte van Alzheimer. Vroeger dacht ik altijd, die ziekte kan mij niets doen, zolang ik de voornaam van die dokter onthou. Maar ik beken, ik heb het nu, voor de allereerste keer moeten googlen. Ik was vergeten dat hij Alois heette! Maar ik blijf volhouden dat een eigen bibliotheek, die je dan ook nog gebruikt, een betere remedie is tegen zijn ziekte dan kruiswoordpuzzles oplossen. Mijn schoonmoeder geloofde in die laatste theorie en ze is gestorven met Alzheimer.

Natuurlijk is een bibliotheek ook gewoon een schatkamer aan verhalen en ik haal dus mijn verhalen uit mijn bibliotheek. Die heb ik regelmatig moeten zuiveren van onnuttige lectuur, vooral litteratuur, omwille van het gewicht want ik heb mijn bibliotheek altijd meegezeuld, naar Khartoum of Dar es Salaam, in een 20 voet container, dankzij Buitenlandse Zaken en onder het motto ‘Join Tindemans and see the world’. Leo Tindemans was toen bevoegd voor BuZa.

En mijn verhalen haal ik ook uit mijn passie voor verzamelen. Ik had het hier laatst nog over mijn verzameling ‘mannekesboekskes’. Ik verzamel ook oude koperen munten. Ik weet, dat is niet modieus.
Kijk maar naar wat die kopertjes van de Euro te beurt valt.Muntjes van 1 en 2 cent, wie wil ze nog? In ieder geval niet Linda, bij wie ik iedere dag mijn eerste Stella bestel. Zij kipt ze in een vaas, en ‘als ze vol is ga ik er mee naar de Nationale Bank. Voor één kilo krijg ik twintig Euro.’

Ik hou van koper en verzamel dan ook kopergeld. Maar dan in functie van mijn historische belangstelling voor Afrika. Afrikaans kopergeld dus. En alhoewel Homeros in zijn Ilias schrijft: koper is geen goud, daar in Zwart Afrika speelde koper de rol van goud bij ons. De Britse ontdekkingsreiziger Cameron uitte al in Across Africa (1877) zijn verbazing over het feit dat de mensen in centraal Afrika wel goud kenden, maar liever koper gebruikten. Goud was te zacht en te buigzaam.

Koperproductie en de handel erin lagen aan de basis van de grote Koninkrijken der Savanne, zoals Jan Vansina ze noemde. Wat de Engelsen later de Copperbelt zijn gaan noemen strekte zich uit vanaf Katanga tot aan het Malawimeer.
En niet alleen Centraal-Afrika leefde in de ban van koper. Zelfs de Oostkust, waar de Swahili vanaf het eiland Kilwa de goudtrafiek controleerden tussen zuidelijk Afrika (het oude Zimbabwe) en de Arabische Golf. Mijn oudste munt dateert van daar. En alhoewel de Swahili in goud trafikeerden, is de munt uit koper. Hij dateert uit 1070 en de tekst rijmt nog ook: Ali bin al Hassan, yathiq bi mawla al Minan. Ali zoon van Hassan, betrouw op de Heer der Gratie muntje nr 7). Ik heb hem niet zelf opgegraven, maar geruild. Tegen een fles goedkope whisky, Johnny Walker Red Label. Het was nog in de tijd van het socialisme à la Nyerere, erg geliefd in Europa, desastreus voor de Tanzanianen en ook voor het toerisme. Vandaar dat de weinige Indische antiquairs van Dar es Salaam zelfs bereid waren in natura betaald te worden.

Lukoper 1

Een fles rode wiskhy dus voor een klein rood koperen muntje uit 1070. Ze begrepen zelfs niet wat er op stond, want dat was Arabisch. Zo komen we bij een tweede informatieve kant van kopertjes: je ziet er de evolutie op van de dominante cultuur- en handelstaal. Mijn meest moderne munt uit Oost-Afrika is dan ook in het Engels en industrieel vervaardigd, want er zit een gaatje in (nr 1). Hij dateert uit 1956. Tachtig jaar eerder, toen de Britten pas arriveerden, gebruikten ze nog de oude cultuurtaal, Arabisch voor hun eerste munten toen (nr 2): Mombassa 1306, en dat is natuurlijk de moslim jaartelling, vertaal maar naar 1888. De Britten hadden er concurrenten, de Duitsers en ook die gebruikten eerst Arabisch (nr 4) Sharika Alemania, sana 1309, vertaal als Deutsch Ostafrikanische Gesellschaft, 1892. Daarna werd het alleen nog Duits (nr 3). De sultan van Zanzibar, die toen over heel de Swahili-kust heerste van Mogadishu (nu Somalia) tot Mozambiek, besloot toen om snel zelf munten uit te geven om zijn soevereiniteit te benadrukken. Natuurlijk in het Arabisch.

Maar wie zou die voor hem aanmaken? Britten en Duitsers vertrouwde hij niet. En toen dook er een Belgische Consul op die de Onafhankelijke Kongo Staat vertegenwoordigde en die wou de Sultan gunstig stemmen met spiegels uit Val Saint Lambert en geweren uit Herstal. Maar sultan Bargash wou geld, zijn eigen geld. Konden ze in Brussel geen munten voor de sultan slaan? Dat kon, en gebeurde in 1299/1882 in naam van Sultan Bargash bin Said. Alleen verhaspelden ze in Brussel zijn naam en werd het Said bin Bargash. Eerste Belgenmop in Oost-Afrika (nr 6). Vijf jaar later werd een tweede reeks aangemunt, en nu waren ze voorzichtiger, er kwam alleen het Arabische woord Zanjbar/Zanzibar op (nr 5). Zoveel Arabisch kenden ze in Brussel toen wel. En dat allemaal omdat Leopold II ook vanuit Zanzibar Kongo wou koloniseren. Maar in Kongo hadden ze hun eigen munten. De zogenaamde croisettes, omdat sommigen ervan in kruisvorm zijn, maar ze bestaan ook in H-vorm, I -vorm en I-vorm.

Kopereters

Kopereters

Hoe ze werden gemaakt? Wel, Iedere maand mei, na het oogstseizoen, verklaarde de leider van de mijnwerkers en de metaalgieters het koperseizoen voor geopend.
Heel het dorp ging dan, zoals ze lokaal zegden ‘koper eten’. De vrouwen legden proviand aan. Het gereedschap werd bijeengebracht en hersteld: hakken, houwelen, draagkorven om het mineraal te vervoeren, blaasbalgen in antilopenhuid. Daarna zette heel het dorp zich in beweging richting de groene heuvels. Daar werd een tijdelijk dorp gebouwd langsheen de rivier waarin het erts ligt. Vrouwen en kinderen rapen het malachiet op van net onder de bovenste grondlaag. De mannen graven grachten en schachten die soms tot dertig meter diep gaan. Dit werk kan een paar maanden duren. Alleen zuiver malachiet wordt verzameld en op kleine hoopjes gestapeld. Dan bouwen zij smeltovens die zo’n twee meter hoog zijn. Elke oven wordt bediend door een meester-smelter. Houtskool en houtbundels worden in brand gestoken en daarop giet men vijftig kilogram gebroken malachiet. Vier blaaspijpen in antilopenhuid worden onderaan de oven ingebracht. Het metaal begint te smelten en wordt opgevangen in gietvormen. Na afkoeling recupereert men de blokken koper. Eens de “koperoogst” gedaan, verlaat men het kampement en keren de “kopereters” terug naar hun dorp.’

En hoe zag dat geld eruit? De munten die dagelijks werden gebruikt waren heel klein (1cm x 1cm), en niet in kruisvorm, maar in H (muntje 8). De oudste dateren uit de 13de eeuw. Dan was er het grof geld, voor belangrijke zaken, zoals het uitbetalen van bloedgeld na een moord of als bruidschat. De Koningen van die koper etende koninkrijken, zoals Msiri (Katanga), Kazembe (koning van de Yeke) stockeerden grote staven in dubbele T-vorm, die dateren uit de 19de eeuw en Livingstone heeft er nog mee rond gezeuld. Er liggen er nu in het Livingstone Museum (Schotland). En meezeulen is het juiste woord want ze wegen 30kg en meer. In het Africamuseum van Tervuren hebben ze er ook een.

Museum Tervuren

Museum Tervuren

Ik heb het uitgeleend voor de expo Loopgraven in Afrika, over het Kongolese koloniale leger in ’14-‘18 die heel de zomer in Oostende loopt en we hebben er ons een breuk aan geheft om het in een vitrine te krijgen. Zo’n koperstuk zit dus niet in mijn verzameling. Het exemplaar waar ik het over heb was een cadeau aan koningin Fabiola, die het uitleende aan Tervuren.. En ook de grote croisettes, de Katangakruisen, zitten niet in mijn verzameling. Ze worden tot op vandaag geproduceerd voor de schaarse toeristen en alle kolonialen hebben er een in hun verzameling, of meestal, in de verzameling van hun vrouw. Het bijbehorend verhaal is namelijk dat je daar een vrouw kon mee kopen. Lukoper 4 croisette

Dat deze Katangakruisen nog altijd geproduceerd worden is ‘te danken’ aan de Union Minière du Haut Katanga, toen die de koperhoudende gronden hadden afgenomen van de lokale bevolking, kregen sommige chefs jaarlijks een quotum kopererts waarmee dan hun smeden die kruisen konden aanmaken. Mijn verzameling van H-vormige croisettes heb ik gewoon in Brussel gekocht, waar sommige handelaars in oude munten ze voor een zeer schappelijke prijs (die van drie pinten) te koop aanbieden. Wat natuurlijk normaal is als je weet dat die kleintjes het echte dagelijks gebruikte geld was. En op die kleine koperen Kongolese muntjes staat niets, in geen taal, en dat is ook normaal: echt geld kent geen grenzen en dus geen taal.
Lucas Catherine
Historicus van Vergeten Geld
GOED NIEUWS:

Van 4 juli tot 14 september loopt in de Venetiaanse Gaanderijen van Oostende de tentoonstelling ‘LOOPGRAVEN IN AFRIKA 1914-1918’. Het klinkt cynisch om dit ‘goed nieuws’ te noemen. Toch is het zo, vanwege onze onbekendheid met deze feiten.
De Groote Oorlog speelde zich niet enkel achter de Ijzer en aan de Somme af, maar zelfs in Afrika. Historicus van Vergeten Zaken Lucas Catherine dook in de archieven van WO I en diepte een verhaal op dat nooit de Belgische geschiedenisboeken haalde. Maar wel het Salon van Sisyphus: AFRIKA WORDT ZELFS OORLOGSGEWIJS VERGETEN (7 oktober 2013)

De Europese naties waren koloniale rijken die soldaten uit de hun toegeëigende gebieden inzetten in hun strijd. Dit maakte deze oorlog niet tot een Europees conflict maar tot een heuse wereldoorlog. België zond – in tegenstelling tot Frankrijk en Groot-Brittanië – geen koloniale troepen naar het front in Europa. Onze legerleiders mobiliseerde in Congo strijdbare mannen en vrouwen voor de Force Publique.Ze werden ingezet om het Duitse leger te bevechten in wat nu Tanzania heet.

De tentoonstelling ‘Loopgraven in Afrika’ brengt het archiefmateriaal samen in een unieke fototentoonstelling en vertelt een verhaal dat de loop van onze Europese geschiedenis bepaalde zonder dat het ooit die erkenning kreeg.

Kongolese kunstenaars (Freddy Tsimba) nemen deel met hun werken, installaties en literaire events. Ook collages van oude foto’s (Sammy Baloji) zijn er te zien, samen met hedendaagse foto’s (Crispin Mvano).
meer inlichtingen: http://www.oostendecultuurstad.be (jc)

Lukoper slot

 

June 29, 2014 at 1:47 pm 2 comments

MANNEKESBOEKSKES OVER CONGO

Luc 2
door Lucas Catherine

 

Boeken worden hier regelmatig besproken. Mannekesboekskes niet. En daarmee bedoel ik geen Mannen Bladen, maar ik gebruik hier ons Brabants woord voor stripverhalen. Die Mannekesboekskes hebben mij een venster op de wereld geopend. Ik weet het die vergelijking is van Gerard Walschap toen hij het over de beginjaren van de televisie had, maar ondertussen is dat venster al lang op een heel kleine kier na gesloten.

Bij stripverhalen, of beter albums zeggen we nu, is de omgekeerde beweging aan de gang. De tijd van Suske en Wiske, Nero en Kuifje ligt al eeuwen achter mij. En ik geef het grif toe, dat was geen ‘venster op de wereld’, maar een vervormd spiegelpaleis. En dan heb ik het niet alleen over Tintin au Congo – voor onze noordelijke taalgenoten vertaald als Kuifje in Afrika. Van Kongo hadden die nooit gehoord -, maar ook over de Tamtamkloppers, De Vliegende Aap, om niet te spreken van Nero die mij in de Negen Peperbollen mijn eerste woorden swahili leerde. En ondanks die Duistere Spiegel, keek ik er graag naar.

Als ik nu even over mijn toetsenbord kijk dan merk ik dat mijn verzameling stripverhalen stukken indrukwekkender is dan die van de romans die ik nog niet tweedehands heb gedumpt. Die strips zijn voor mij erg belangrijk geweest, vooral in mijn jeugd. En toen, we spreken nu van voor de oorlog (ik bedoel die van Korea) was er al een onderscheid in de Mannekesboekskes tussen fictie en non-fictie. Die laatste variant was minder bekend, maar De verhalen van Oom Wim (“Les Belles Histoires de l’ Oncle Paul”, voor de West-Vlamingen onder u die in het Frans werden opgevoed) was een Belgische educatieve stripreeks die tussen 1951 en 1982 in het weekblad Robbedoes/Spirou verscheen. Daarin heb ik Stanley leren kennen, de man die volgens Oom Wim koning Leopold II de Kongo schonk, en die dus daarna diezelfde Kongo aan ons Belgen schonk.

Stripverhalen zijn geen echte culturele producten. Akkoord. Maar ondertussen heb je ook albums. En daar wil ik er u twee van voorstellen. Allebei over Kongo.
U heeft, of dat had u moeten doen, Joseph Conrad’s Hearth of Darkness gelezen. Ik zal u wat bekennen, ik had dat gelezen, maar wist er nog weinig van. Eerste ‘roman’ over de wrede kolonisatie van Leopold II, zeer getrouw aan de realiteit, dus helemaal niet zo fictief. Een ding herinner ik mij wel erg goed, iets heel intrigerends: waarom kwam die Pool, want zijn volle naam is Jozef Teodor Konrad Korzeniowski, die zo gebiologeerd was door Afrika naar Brussel, terwijl hij toch half Engelsman was geworden? Waarom ging hij werken voor een Brusselse koloniale maatschappij, en niet voor een Britse? Een vrouwenkwestie. Hij had een tante, maar dan een heel jonge, die en plus weduwe was van een Brusselaar, Marguerite Poradowska en hij was verliefd op haar. De toenmalige liberale Brusselse burgemeester Charles Buls was trouwens ook haar aanbidder. Geen van beiden heeft het gehaald. Zij stond te veel op haar onafhankelijkheid, maar Joseph Conrad schreef haar wel heel de tijd brieven, die nog interessanter zijn dan zijn boek. Soit.

Hij nam dienst bij Albert Thys, naar wie later in Kongo, Thysville werd genoemd. Een man met vele compagnies, van spoorwegen tot ivoor, en het is als ‘ivooroogster’, zo heette dat toen dat Conrad de Kongostroom afvaarde in dienst van Thys. De man stierf tijdens de Eerste Wereldoorlog en daarna gingen zijn talrijke bedrijven over in de Société Générale, daardoor dat hij een beetje uit de plundergeschiedenis van Kongo verdween, maar hij rijfde zeker evenveel Kongolees geld binnen als Leopold II en de familie Thys zit nog altijd in de Belgische haute-finance. Zij waren trouwens betrokken in het recente financieel schandaal rond de Compagnie du Bois Sauvage.
Wel ik heb dat verhaal van Conrad over Thys helemaal herlezen, maar nu als stripalbum en als u dat verhaal van Joseph Conrad, Heart of Darkness ook nog eens wil herlezen, historisch heel getrouw en ook nog eens verbazend mooi geïllustreerd,

Baruti en vrienden

Baruti en vrienden

dan raad ik u aan: “Kongo, Le ténébreux voyage de Józef Teodor Konrad Korzeniowski” van Tirabosco en Petrissin. Het is nog maar enkele maanden uit.
Doen, voor de tekst én voor de tekeningen. En om een platitude uit de filmkritiek te gebruiken: de remake is beter dan het origineel.

Luc CongostripBar2_NEW
In het kader van de 100ste verjaardag van Wereldoorlog I, was ik flabbergasted, ik schrijf het in het Engels, want de Engelsen zijn specialist in het herschrijven in hun voordeel van de geschiedenis, ook die van WO I in Afrika, ik was dus flabbergasted door het stripverhaal van Barly Baruti over die Belgische koloniale oorlog in Oost-Afrika. Flabbergasted, omvergevallen van verbazing door de tekeningen, maar zeker door het verhaal.

Barly Baruti is Belg, Kongolees, schilder, muzikant en striptekenaar. Hij heeft nog met Bob De Moor gewerkt in de ateliers van Hergé, en dat kan je zien aan de tekeningen. De bekende Belgische klare lijn, maar dan in kleur door een zwarte.
Het album is nog niet uit (het ligt pas op 2 juli in de boekhandel), maar ik kon het inkijken.

Luc CongostripBar3_NEW
Het heeft niets van een manga of andere modieuze strip, dus geen geweld of bloed dat van de pagina’s druipt. Een oorlogsverhaal dat gaat over menselijke verhoudingen. En dat is een heikel thema als het over ‘Onze Kongo’ gaat. Want de Belgische kolonisatie was er een van segregatie, zeg maar apartheid à la Belge, met een paternalistisch contact tussen blank en zwart die een dekmantel was voor hard racisme. Bambi Ceuppens van het Africamuseum heeft daar een pertinente analyse van gemaakt. Baruti is natuurlijk een artiest. Bij hem is de moeilijke verhouding in een verhaal gegoten. De geschiedenis van Madame Livingstone

Luc Conrad1_NEW
De Belgische kolonisator noemde zijn zwarte ondergeschikten niet bij hun echte, traditionele naam, maar voorzag ze van een bijnaam. Zo kreeg de vader van Barly Baruti de naam David Livingstone omdat hij lang, niet gekroesd en niet zo zwart haar had. Net als de Schotse missionaris waar toen veel over te doen was. Baruti kreeg eerst ook die naam, maar die veranderde na de ‘Zairizering’ van Mobutu in Barly Baruti. Maar dat is lang na ’14-’18, waarin het verhaal speelt. De jonge Kongolees hoort over de oorlog en wil dienen in het koloniaal leger, als verkenner, want hij kent de grensstreek als geen ander. Hij stoot vooral op spot: hoe kan je Livingstone heten, je bent toch geen Schot? Daarop besluit onze held om een krat Belgisch bier te stelen uit de legervoorraad en die naar de Britse troepen over de grens te gaan omruilen tegen een Schotse kilt. Trots keert hij terug naar zijn eenheid in het koloniale leger, maar het levert hem enkel een nieuwe bijnaam op, omwille van de kilt, Madame Livingstone en in het stripverhaal gaat hij nu een belangrijke rol spelen. Hij is eigenlijk de man die de grote oorlogsbodem, de Von Götzen, bombardeert op het Tanganyikameer (de grens tussen Kongo en toenmalig Duits Oostafrika).

Luc Conrad2_NEW

Niets historisch, maar een literaire parabool die duidelijk maakt welke belangrijke rol de Kongolezen speelden in deze oorlog. Een strip dus die meer vertelt dan de officiële herdenkingen.

Lucas Catherine
Historicus van Vergeten Zaken.

Lees over deze geschiedenis op dit Salon ook:
https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/10/07/afrika-wordt-zelfs-oorlogsgewijs-vergeten/

 

June 19, 2014 at 10:09 am 2 comments

D-DAY: HOE WAS DAT IN DUITSLAND?

Komen ze? Komen ze niet?

Komen ze? Komen ze niet?

door Jef Coeck

Victor Klemperer (1881-1960) was schrijver, romanist, vrijzinnige jood en anti-nazist. Toch bleef hij de hele duur van het Derde Rijk, volle 12 jaar, in Duitsland, meer bepaald in Dresden. Eind jaren 30 is hij door de nazi’s bijna volledig kalltgestellt: als jood mag hij nauwelijks zijn huis nog uit, hij mag niet meer doceren, geen auto meer rijden, geen bibliotheek meer bezoeken. In zijn isolement houdt hij de hele periode lang een dagboek bij, nadien schrijft hij ook nog een autobiografie. Daarmee wordt hij wereldberoemd, hoewel er aanvankelijk geen uitgever voor te vinden was. Nu worden zijn twee vuistdikke volumes geprezen als het meest volledige verslag dat een Duitse burger ooit over die onzalige periode neerschreef.
Uiteraard worden er in het Dagboek 1933-1945 ook enkele paragrafen gewijd aan de landing in Normandië, althans aan het nieuws daarover. We laten Klemperer zelf aan het woord.

6 juni, tegen de avond

 

Terwijl ik Bernard Stühler lesgaf, kwam Eva met het nieuws dat de invasie vannacht (van de 5de op de 6de juni) bij Cherbourg begonnen is. Eva was heel opgewonden, haar knieën knikten. Ikzelf bleef heel koel, ik ben niet meer of nog niet in staat te hopen.

8 juni, donderdag tegen de avond

De Engelsen houden al drie dagen stand en staan bij of in Caen en Bayeux; de eigenlijke landing is dus geslaagd. Maar zal het doorgaan, en in welk tempo? Ik kan niet meer hopen, het is bijna onvoorstelbaar dat ik het einde van deze marteling, deze slavenjaren meemaak.-
De macht van het reële. Tot dinsdag heette het: waarschijnlijk landen ze niet, ze hebben de tijd, ze hoeven dat offer niet te brengen. Of als ze komen, dan niet aan de Atlantikwall. Veel waarschijnlijker is Denemarken, Spanje, Zuid-Frankrijk, de Balkan… Sinds dinsdag bewijst men dat ze wel moesten komen, en nergens anders dan aan de Atlantikwall. Achteraf worden altijd de steekhoudendste argumenten voor de verwezenlijking van de verwezenlijkte mogelijkheid gevonden. Maar als er een andere mogelijkheid verwezenlijkt was, waren er precies zulke steekhoudende argumenten gevonden.

10 juni, zaterdagochtend

De invasie schijnt te vorderen. Bericht van gisteren: opmars in Normandië. Maar ik kan nog niet hopen. Steeds weer is er gesproken over ‘vergelding’, over ‘een nieuw wapen’. Goebbels schreef dat hij banger was voor het uitblijven van de invasie dan voor het begin ervan; Hitler één dag voor de landing: we zullen hun op de beslissende plek een vernietigende nederlaag toebrengen. Het zou zelfs voor LTI een te sterk staaltje zijn als dat allemaal alleen bluf is. Is er een list in het spel, willen ze de vijand voltallig in een val lokken? Gas soms? Anderzijds: de Engelsen zijn voorzichtig en heel goed op de hoogte, en de onoverwinnelijke Atlantikwall is overduidelijk doorbroken. We gissen, en ik kan niet hopen. Dat wil zeggen: ik ben zeker van de Duitse nederlaag, sinds 1-9-1939 ben ik daar zeker van – maar wanneer? Ook de vernietiging van de ‘invasoren’ zou niet tot de overwinning van Duitsland leiden, alleen maar tot een verlenging van de oorlog […]

*Victor Klemperer, Tot het bittere einde, Dagboek 1933-1945, Olympus, 2013
*Victor Klemperer, Curruculum vitae, Herinneringen 1881-1918, Atlas, 2009
Hierbij, enkele van de duizenden foto’s die Magnumfotograaf (en –stichter) Robert Capa van de landing heeft gemaakt:

WAR & CONFLICT BOOK ERA:  WORLD WAR II/WAR IN THE WEST/GERMANY

D Day 3
D Day 4 Capa

NOOT

 

In de tekst komt de afkorting LTI voor. Dat staat voor ‘Lingua Tertii Imperii’, de Taal van het Derde Rijk. Het verwijst naar een ander boek van Klemperer, met als volledige titel ‘Lingua Tertii Imperii:Notizbuch eines Philologen’ (1947). Filoloog Klemperer heeft zeer zorgvuldig de eigen taal en uitdrukkingen van de nazi-periode bestudeerd. Om een andere schrijver uit dezelfde periode maar een ander land te citeren: Orwell bedacht het woord ‘newspeak’, nieuwspraak. De Neusprache à la Hitler werd van bovenaf (Goebbels) gedirigeerd en maakte veelvuldig gebruik van pseudo-wetenschappelijke en neutraal lijkende termen. Dit alles om de gruwelijke werkelijkheid te camoufleren.
Voorbeelden.
-Evakuierung= deportatie/ – Sonderbehandlung (speciale behandeling): moord/ – ent-juden: ont-joden. Veel woorden krijgen specifieke voorzetsels: Gross-, Volks-, Welt-
Het is verbijsterend hoe snel die nieuwe taal door bijna heel de gemeenschap wordt overgenomen. (JC)

 

June 6, 2014 at 2:55 pm 2 comments

Older Posts Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,699 other followers