Posts filed under ‘Caraïben’

HOWARD ZINN BLIJFT ACTUEEL

OOK IN HET TRUMP-TIJDPERK

Howard Zinn, enkele jaren voor zijn dood in 2010

 

Tom Ronse

Het gebeurt maar heel zelden dat van een boek over geschiedenis meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn presteerde het met zijn “People’s History of the Unites States”. De klassieker die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank.  De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het nederlands heruit te geven.

 

In EPO’s uitgave is het boek getiteld: “Geschiedenis van het Amerikaanse volk”, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn, tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt, lijkt de term “het Amerikaanse volk” hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat het “het Amerikaanse volk” met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het “een verzonnen identiteit” is, dat de rode draad doorheen de geschiedenis van zijn land een radikale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als “het Amerikaanse volk”, “We, the people”, dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn “People’s History” beoogde was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals bv. LP Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

 

Partijdig

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord replikeert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. “Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat vermelden? Wat niet? Ik be­sefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (…) Achter elk feit dat wordt aangehaald schuilt een oor­deel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aange­haalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.”

Zinn geeft grif toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij  groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in  New York,  werk­te drie jaar op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst bij de VS-luchtmacht tijdens  WO II. Daarna studeerde hij geschiedenis. Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston was hij actief betrokken in de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam.  Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving “van onderuit” die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: “Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschie­denisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.”

Zinns voornaamste kritiek op de “ortho­doxe geschiedschrijving” is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van “grote mannen”: de “Founding Fathers” die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, FDR die de depressie en de nazi’s overwon, enzovoort.  Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een “redder in nood” om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot “om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen”. Dat idee van “redder in nood” zit volgens Zinn “ver­ankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.” Maar toch vooral in de politiek. De kiescampagne van Donald Trump was er gebaseerd op.

Ondanks de kritiek wordt Zinns “People’s History”  vandaag gebruikt als studieboek  in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten.  Van rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden. In Arkansas werd nog dit jaar daartoe een wetsvoorstel ingediend. Het werd niet goedgekeurd en leverde het boek nog wat extra-publiciteit op.

 

Spannende films

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft.  Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de USA is. Racisme, nationalisme,  imperialisme, oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van. Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van “the ordinary people”,  die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

De grote lijnen zijn bekend maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem nu Stefan Hertmans’ terecht bejubeld boek “Oorlog en terpentijn”: Je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat .

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijk boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films.  Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je haar doet rechtstaan. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang. Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren.  De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geimporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood –om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken-  omdat men liever winstgevende tabak kweekte dan levensmiddelen. Het was de periode waarin de Engelse landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa’s mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar noord-Amerika verscheept als “contractwerkers”. In EPO’s vertaling worden die vaak “bedienden” of “dienstboden” genoemd maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven.  Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo onstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen. Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieen –de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen- samen in opstand zouden komen.  De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig  om ze uiteen te houden.  Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de anders gekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn.  Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zelf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn kiescampagne.

Andrew Jackson

Een sprekend voorbeeld van zo’n politicus was Andrew Jackson die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de anti-politicus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wou inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel-en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

 

De legendarische Wobblies

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). Vakbond is eigenlijk niet het juiste woord want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden. De ‘Wobblies”, zoals IWW-ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond.  Ze waren anti-nationalistisch, anti-racistisch, anti-sexistisch  en vooral anti-kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts “oefeningen” voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en ”Big Bill” Haywood. Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. “Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.”

 

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills “Rebel Girl” werden later in het nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van die stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW “kinderkonvooien”: de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sympathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren.  Op basis van valse beschuldigingen werden de leiders tot lange celstraffen veroordeeld. De IWW bestaat nog steeds maar haar glorietijd is al lang voorbij.

 

Minutieus portret

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode  1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv:  hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washington-schandaal wordt uitgeplozen maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de “war on drugs” als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader.  Zoals David Van Reybroucks “Congo” schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme  in de VS namen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat  het nu zo druk besproken “Fake News” (nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden) allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT journalist en Salon-medewerker Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar maar de vertaler veroorloofde zich te veel vrijheid.  Het is beter, uit respect voor de auteur, om dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (en er zijn heel wat) in rijmend nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het engels). Was dat nodig?  Het is meestal erg goed gedaan maar de noodzaak om het te doen rijmen dwingt soms tot kunstgrepen die ons ver van het origineel verwijderen. En er zijn fouten. De “secretary of State” is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet “het oosten van St. Louis” maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bv. de eerste zin van hoofdstuk 11, “1877 kondigde de 19de eeuw al aan”, onzinnig is?  Had er nu nog de 20ste eeuw gestaan. In de oorspronkelijke tekst staat: “In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw” (mijn letterlijke vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

(Een versie van dit artikel verscheen deze week in de boekenbijlage van De Morgen)

 

 

 

mei 27, 2017 at 5:36 am Plaats een reactie

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

mei 24, 2017 at 3:48 pm 7 reacties

BIJ DE DOOD VAN FIDEL

44175-004-1aa92245

Fidel Castro is gestorven en de media hebben ons de clichés niet bespaard. Met karrenvrachten werden ze over ons uitgestrooid en ook de gebruikelijke onzin mocht niet ontbreken. Zo kwam de eminente Cubakenner Herman De Croo ons in een extra Terzake kond doen van het historische feit dat hij – Herman – als jonge man in de straten van Mexico voor Fidel werd aangezien en toegejuicht. Die baard weet je wel. De Croo verklapte nog een ander geheim: Castro was een dictator die daar een “ideologie rond breide om dat te camoufleren.”

Ja Fidel werd door de enen aanbeden en door de anderen gehaat en ja hij was een monument van de 20e eeuw die zijn tijdperk heeft overleefd. Castro was een buitenmaatse persoonlijkheid met een bovenmaats ego die dan ook een sterke persoonlijke stempel op de Revolutie heeft gekleefd. Maar hij bleef ontzettend populair zeker bij de generatie die de revolutie heeft meegemaakt. Volgens Marc Frank van Reuters, één van de langst verblijvende buitenlandse journalisten op Cuba, bestaat één derde van de bevolking uit enthousiaste aanhangers van het regime, een kleine minderheid zijn politieke opposanten, de rest is een grijze zone waar mensen meer bezig zijn met de dagelijkse strijd om het bestaan dan met de slogans van La Revolución.

501279

Fidel struikelt (2004)

Tot vóór de Amerikaanse burgeroorlog aan het einde van de 19e eeuw leek het voor velen in de VS een uitgemaakte zaak dat Cuba één van de Amerikaanse staten zou worden. Vooral de slavenhouders in het Zuiden maakten daar een strijdpunt van: Met Cuba in de Unie zou het slavenhoudende Zuiden immers de balans in het voordeel van de slavenstaten doen doorwegen. Het is wellicht aan de bloedige burgeroorlog te danken dat het niet zover is gekomen, wat niet belet dat Cuba tot aan de Revolutie in de praktijk een Amerikaanse kolonie was, de goktent en het bordeel voor de superrijke yankees. Toen Cuba zich met hulp van de Verenigde Staten had losgemaakt van het Spaanse juk kwam het meteen onder een andere heerschappij terecht. Tot 1940 gaf het “Platt Amendment” de Verenigde Staten een vetorecht over belangrijke beslissingen van het Cubaanse parlement en de regering en het recht om militair tussenbeide te komen als dat “nodig mocht blijken.” Tot vandaag blijft op basis van het Platt Amendment de militaire basis van Guantanamo Amerikaans grondgebied.

dsc0093

Geen personencultus voor Fidel, wel voor Ernesto Guevara

Vriend en vijand zullen het erover eens zijn dat Fidel Castro voor Cuba eindelijk de onafhankelijkheid heeft verworven waar het eiland meer dan een eeuw lang voor heeft gestreden en bloed vergoten. Maar voor die onafhankelijkheid hebben de Cubanen een enorme prijs betaald. Het embargo heeft het eiland ei zo na economisch doodgeknepen. Politieke vrijheden en mensenrechten werden geofferd op het altaar van de “Revolutie,” bureaucratie en foute beslissingen deden de rest. Het wegvallen van de “broederhulp” uit de Sovjet-Unie en de “speciale periode” die daarop volgde maakten de economische rampspoed compleet. Zonder de levenslijn van het Chavistische Venezuela kun je je nauwelijks voorstellen hoe het regime zou hebben overleefd. Nu gaat het langzaamaan beter en dat de Cubanen ondanks alles gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen kunnen blijven genieten mag een klein wonder heten. Maar het volk mort. Bijna elke familie op Cuba heeft verwanten in Miami. Cubanen vergelijken hun levensstandaard met die van hun rijke familieleden in Florida, niet met die van het naburige eiland Haïti waar armoede en ellende de ogen uitsteken.

cuba-0410

Openbaar vervoer op Cuba

Toen ik de voorbije twee jaar het eiland van Noord tot Zuid en van Oost tot West doorkruiste kon ik met tientallen mensen praten die aan de kant van de weg stonden te liften. Door het ontbreken van een openbaar vervoer die naam waardig is liften op het eiland een nationale sport. Bijna al mijn gesprekspartners kloegen steen en been over de lage inkomsten en de hoge prijzen. Met een gemiddeld salaris van 20 euro per maand is het lastig overleven, ook al komt niemand om van de honger. Dank zij rantsoenbonnen kan iedereen aan de basisbehoeften voldoen, maar alles wat daarboven uitsteekt : schoenen, kleren, speelgoed, reizen, internet  is een luxe buiten het bereik van wie het met een officieel salarisje moet stellen. Alleen wie op de een of andere manier van het manna van de toerisme-industrie kan genieten kan zich een behoorlijke levensstandaard veroorloven. Het was opvallend hoe openlijk de meeste medereizigers zonder schroom kritiek ten beste gaven op de regering en op het “systeem.” Velen gaven openlijk lucht aan hun heimwee naar vroeger – maar daarmee werd niet de periode vóór de Revolutie bedoeld, wél de jaren vóór de instorting van het “socialistische kamp” en de erbarmelijke levensomstandigheden in de zogenaamde “speciale periode” die daarop volgde.

201_raul_castro_0429

Raúl Castro: de hardliner die hervormer werd.

De hervormingen van Raúl hebben de tweespalt in de Cubaanse maatschappij verdiept. Ook op Cuba neemt de ongelijkheid toe. Eén van de eerste beleidsdaden van Raúl Castro was het ontslag van een half miljoen werknemers uit de publieke sector. Die konden vijf maanden werkloosheidsvergoeding krijgen en moesten daarna maar zien hoe ze zich uit de slag trokken. Een maatregel die meer naar neoliberalisme dan naar communisme ruikt, al konden de ontslagen ambtenaren blijven genieten van gratis onderwijs en gezondheidszorg en konden ze in hun basisbehoeften voorzien dankzij de gesubsidieerde voedselprijzen.

cuba-110

Staatswinkel op het platteland

cuba-4275

Meer markt

Maar de toename van de privésector en de “vrije markt” zorgt voor een tweedeling in de economie en de samenleving. Het dubbele muntsysteem is daar de meest zichtbare manifestatie van. De meeste Cubanen worden betaald in peso of  “Moneda Nacional.” Eén peso is ongeveer 4 eurocent. Het gemiddelde maandloon is 500 peso – 20 euro. Basisproducten worden in peso betaald en zijn voorhanden in de staatswinkels (bonnen voor sommige producten), en op de vrije markt: de boerenmarkten, de verkopers op straat. Al de rest – alles wat wordt ingevoerd – moet betaald worden met de zogenaamde “convertibele peso” of CUC. Eén CUC is ongeveer één euro of 24 pesos in moneda nacional. Buitenlanders betalen praktisch alles in CUC, maar ook Cubanen willen waar het kan aan CUCs geraken. De hele toeristische sector draait om CUCs – vandaar dat een taxichauffeur vele keren het maandloon van een dokter kan verdienen omdat hij in CUC wordt betaald. Wie het moet stellen met het officiële loontje, de “sueldito,” leeft op of onder de armoedegrens. Wie op een of andere manier kan profiteren van de toeristen kan een aardig inkomen verdienen: als gids, taxichauffeur, schoonmaker, prostituee, verhuurder van kamers, het zijn er duizenden. Neem de “jinoteros” en de “jinoteras.” Die laatsten zijn niet noodzakelijk prostituees, maar je vindt ze in toeristische centra op elke hoek van de straat. Ze bieden diensten aan, ze gidsen je door de wirwar van straatjes, brengen je naar een restaurant, naar een hotel of naar een van de als paddenstoelen uit de grond gerezen toeristenverblijven in privéwoningen en krijgen daar een deel van de opbrengst voor.

cuba-2275

Havana, Marina Hemingway

Wie zoals wij met de boot in een Cubaanse marina aankomt krijgt met een resem inspecteurs en ambtenaren te maken. Het begint met de gezondheidsinspectie. De dokter komt aan boord en vraagt meteen of hij misschien een biertje kan krijgen. Als hij vertrekt vraagt hij of hij misschien een biertje kan meenemen voor zijn vrouw. Tussendoor ontspint zich een gemoedelijk gesprek. De dokter is pas terug van Miami waar hij de droeve opdracht had zijn vader te begraven. En dat alles daar zo vreselijk duur is. Zelf heeft hij niet te klagen al moeten veel van zijn collega’s zien rond te komen door bij te klussen als taxichauffeur, automonteur of verkoper van verf en onderhoudsproducten. De ambtenaren van de landbouwinspectie die komen controleren op vervallen etenswaren of verdachte blikken aan boord zijn twee minzame oudere heren. Bij het afscheid vragen ze discreet of ze misschien die paar blikken tonijn mee naar huis mogen nemen.En zo gaat het de hele reis door Cuba door. Heeft Fidel van zijn volk een bedlaarsvolk gemaakt vragen we ons soms af. “Heb je misschien een zeepje? Shampoo? Een balpen voor de kinderen?” De havenkapitein in Cienfuegos polst of we misschien geen oude zonnebril kunnen achterlaten. Als in Marina Hemingway de eindafrekening wordt gepresenteerd komt de aap uit de mooi: “Het is gebruikelijk om bovenop het liggeld een fooi van 10% te geven”– in het zwart uiteraard. Alles met de glimlach en de Cubaanse nonchalance, zonder de minste agressiviteit. Maar het is pijnlijk te zien hoe dit trotse volk zich op die manier verlaagt om te overleven.cuba-0003

Nee, Cuba is niet het paradijs van de “Nieuwe Mens” waar Che Guevara van droomde, noch de hel zoals die in de geesten en de propaganda van de Cubaanse ballingen in Miami’s Little Havana bestaat. Misschien is de beste samenvatting nog die van Irene Aloha Wright, een Amerikaanse historica en journaliste die in 1910 schreef: “Wie langer dan tien jaar op Cuba heeft gewoond laat alle dogma’s en doctrines over dat land achter zich. Het eiland wordt niet voor niets het land van “ondersteboven” genoemd.“

Johan Depoortere

november 29, 2016 at 10:54 am 7 reacties

CUBAANSE STEMMEN

DSC_3726

Onze wijn is bitter, maar het is onze wijn.”

Cuba is volop in transitie. Het economische model van de Revolutie staat onder zware druk. De hervormingen van Raúl hebben voor de meeste Cubanen het dagelijks leven niet gemakkelijker gemaakt, integendeel. Door invoering van het marktprincipe – zij het met mondjesmaat – dreigen veel Cubanen tussen twee stoelen te vallen: de bescherming van de socialistische verzorgingsstaat valt weg en de weldaden van het kapitalisme zijn voor een minderheid weggelegd. De ongelijkheid in de Cubaanse maatschappij neemt zienderogen toe. Op onze tien dagen durende reis door het land en tijdens ons verblijf in Havana hebben we met een paar dozijn Cubanen gesproken: mannen en vrouwen die onze weg kruisten: lifters, taxichauffeurs, eigenaars van “casas particulares” (de Cubaanse vorm van B&B), ambtenaren, mensen op straat.

Uit de gesprekken komt geen rooskleurig beeld naar voren van de situatie op het socialistische eiland waar op elke hoek Revolutionaire slogans de bevolking oproepen tot “discipline” en “productie.” “La Revolución es Invencible” heet het maar ook: “Sí se Puede,” geleend van Obama. Maar er gaapt een reusachtige kloof tussen de gedateerde revolutionaire retoriek en de dagelijkse werkelijkheid. Wat de Cubanen – zo blijkt uit onze gesprekken – bezig houdt zijn niet de idealen van Che Guevara en Fidel Castro maar de strijd om het dagelijks bestaan. Gezondheidszorg en onderwijs zijn gratis – een aantal van onze gesprekspartners laten niet na dat te beklemtonen – maar de lonen zijn laag – volstaan niet om behoorlijk van te leven al lijdt niemand honger. Aan de basisbehoeften wordt voldaan maar alles wat daar enigszins bovenuit stijgt: kleren, schoenen, reizen is duur en voor de meesten nauwelijks bereikbaar. Transport is een reusachtig probleem. Mensen worden als vee vervoerd in zestig jaar oude vrachtwagens die verschrikkelijke roetwolken verspreiden. Bussen rijden soms wel, soms niet, stoppen soms soms ook niet. Vandaar de vele tientallen lifters op alle grote wegen. Toeristen zijn dol op de antieke Amerikaanse auto’s die miljoenen keren worden gefotografeerd maar de Cubanen moeten dag in dag uit leven in de uitlaatgassen van die milieu-onvriendelijke oude bakken die maken dat de lucht in de steden niet te ademen valt. Het historische centrum van Trinidad is een uitzondering: daar worden auto’s uit het centrum gebannen.DSC_4227

DSC_2893

Cubanen zijn een uiterst vriendelijk en gastvrij volk, maar de economische noodzaak heeft van de onderdanen van Fidel en Raúl een bedelaarsvolk gemaakt. Een gebaar met de rechterhand wrijvend over de linkerarm: “Heb je geen zeep?” Wasgebaren over het kapsel: “Heb je geen shampoo?” “Heb je misschien een pen, een potlood, een zonnebril…” In alle toeristische centra zie je het fenomeen van de “jinoteros:” jonge mannen meestal die je proberen mee te lokken naar een “paladar” (restaurant bij particulieren) of een “casa particular” en die daarvoor een percentje en een fooi opstrijken. “Jinoteras” bieden dan weer diensten aan van een andere aard. Wat zou Che hiervan denken als hij terug zou komen?

mappa_guia_cubaOnze reis voerde van Marina Hemingway in de buurt van Havana naar Santa Clara, Sancti Spiritus, Trinidad, Ciego de Avila, Camagüey, Bayamo, Santiago, Guantanamo tot in het uiterste oosten van het land Baracoa en Varadero waar de mooiste stranden ingenomen worden door toeristenhotels – een kwalijk voorbeeld van alles overwoekerend massatoerisme. Waar we konden namen we lifters mee. De meesten spraken openlijk over de problemen van het land – de ouderen meer uitgesproken dan de jongeren. Bijna iedereen klaagt over de penibele economische toestand, weinigen geven de regering of de “Revolución” de schuld. Ondanks de verbeterde betrekkingen met de VS zijn de verwachtingen over de toekomst niet hoog gespannen. ¿Quien sabe? “Wie weet” is meestal het antwoord op de vraag of het in de toekomst beter wordt.

Voor een goed begrip: op Cuba bestaan twee muntsystemen naast elkaar. De meeste Cubanen worden betaald in peso “Moneda Nacional.” Eén peso is ongeveer 4 eurocent. Het gemiddelde maandloon is 500 peso – 20 euro. Basisproducten worden in peso betaald en zijn voorhanden in de staatswinkels (bonnen voor sommige producten), en op de vrije markt: de boerenmarkten, de verkopers op straat. Al de rest – alles wat wordt ingevoerd – moet betaald worden met de zogenaamde “convertibele peso” of CUC. Eén CUC is ongeveer één euro of 24 pesos in moneda nacional. Buitenlanders betalen praktisch alles in CUC, maar ook Cubanen willen waar het kan aan CUCs geraken. De hele toeristische sector draait om CUCs – vandaar dat een taxichauffeur vele keren het maandloon van een dokter kan verdienen omdat hij in CUC wordt betaald.DSC_2216

Marina Hemingway

Bij aankomst in een Cubaanse haven wacht je een hele reeks formaliteiten vóór je officieel het land in mag. Het begint met een dokter voor de gezondheidsinspectie, daarna komen achtereenvolgens ambtenaren van douane en immigratie aan boord, een drugshond snuffelt de hele boot door, een tweede hond die de procedure herhaalt. Twee ambtenaren van de sanitaire inspectie – beminnelijke oudere heren – die kijken of je geen verboden voedingsproducten binnenbrengt (citrusvruchten, eieren, varkensvlees – allemaal verboden). Eén van de twee neemt neemt een citroen uit het fruitmandje en stopt hem in zijn boekentas. Als het formele gedeelte is afgelopen en de papieren zijn ingevuld vragen de twee of we misschien een blikje tonijn of sardienen kunnen missen voor hun lunch. De immigratie-ambtenaar die daarna de visa aflevert wordt binnenkort voor de eerste vader en vraagt voor hij de papieren opbergt of we misschien een kleinigheid kunnen missen, maar reageert met de glimlach als hij nul op rekest krijgt. Welkom op Cuba!

DSC_2275

Marina Hemingway

Wordt het beter in de toekomst, nu de betrekkingen met de VS hersteld worden? Ik vraag het aan Jorge, de andere immigratie-ambtenaar in Marina Hemingway. Jorge haalt de schouders op:

Het hangt van het Amerikaanse Congres af en het Congres wordt gedomineerd door de Republikeinen.”

Trinidad

Julia, huisvrouw, staat te liften aan de uitvalsweg in Trinidad. Op de bus wachten heeft geen zin, zegt ze: Soms komt hij , soms ook niet.

Ik moet rondkomen met 200 peso (acht euro) per maand. Mijn man heeft de Spaanse nationaliteit en krijgt om de twee jaar van Spanje een pensioen van 100 euro.

Gezondheid en onderwijs zijn gratis gratis dat wel maar voor de rest is het leven hier erg hard. De lonen volstaan niet om van rond te komen. Een kilo rijst kost twintig peso (bijna een euro), een kilo vlees kost tot 30 peso (1,25 euro) op de vrije markt, de helft in de staatswinkel. Kleren en schoenen zijn onbetaalbaar voor mijn inkomen.

Ciego de Avila

Marciana – beter bekend als “Merci” – is gescheiden. Ze woont in haar eigen huis en kan haar inkomen aanvullen met wat ze toegestopt krijgt van haar zoon die agent is bij een bewakingsfirma. Haar zwager was politieke gevangene en is daarna uitgewezen naar de VS waar hij van een uitkering leeft. Maar hij komt elk jaar ongehinderd naar Cuba terug om de familie te bezoeken.

Hoe is de situatie van het land? Slecht, heel slecht. Ik heb een inkomen van 350 peso (14 euro) per maand. Ja, ik betaal geen huur, maar ik heb te weinig om rond te komen. Iedereen is ontevreden. Water moet ik kopen van de tankwagen die langs komt, elektriciteit is duur.

Zoals bijna iedereen in Cuba heeft Merci een mobieltje. Dat kost haar vijf pesos per maand (20 eurocent).

DSC_2826

Camagüey


Camagüey
in het noordoosten van het eiland is een labyrint van smalle straatjes met éénrichtingverkeer. Aan de ingang van de stad staan jinoteros op de fiets auto’s met een toeristen nummerplaat op te wachten om ze naar een restaurant of “casa particular”te begeleiden. We proberen ze de ene na de andere van ons af te schudden, maar Raúl is hardnekkig en als we ons tenslotte voor de zoveelste keer in hetzelfde straatje vastrijden brengt hij ons met de glimlach naar de casa particular die we hebben uitgekozen om te overnachten. Een fooi van twee euro vindt hij niet genoeg: Fidel geeft ons weinig te eten zegt hij met de glimlach.

DSC_2851

Casa Particular van Renato

Renato (Camagüey) is Italiaan, met een Cubaanse getrouwd en woont sinds drie jaar in Camagüey . Hij is een kleine ondernemer met behalve de casa particular ook een kapperszaak en een bouwonderneming. Het huis dat bewoont heeft hij mooi gerestaureerd en bij de buren hetzelfde gedaan. Hij heeft zeven werknemers die hij 700 peso (28 euro) per maand betaalt.

Het gemiddelde maandloon is rond de 500 peso (20 euro). Ik weet niet hoe ze daarmee rondkomen maar de Cubanen kennen het systeem en de middelen om te overleven. De absolute basisbehoeften worden gedekt, maar al de rest is heel moeilijk. De prijzen voor kleren en schoenen zijn op Europees niveau.

De verwachtingen zijn niet hoog gespannen. Bij de val van de muur in Berlijn verwachtten de Cubanen grote veranderingen, nu zijn ze sceptisch en nemen het zoals het komt.

Guantánamo)

Yane is 29 jaar, getrouwd, drie kinderen. Ze heeft een opleiding boekhouding gevolgd maar niet afgemaakt omdat ze het “te saai” vond. Haar man werkt in een zoutwinningsbedrijf en brengt elke maand 800 peso (32 euro) naar huis.

Nee, daar kan ik niet mee rondkomen. Het is nauwelijks genoeg om elke dag eten op tafel te hebben. Kleren en schoenen zijn heel duur – alles wat nodig is voor de kinderen.

Jaime is 60 en econoom in een vakantiedorp voor pioniers (kinderen tot 14 jaar). Hij had erop gerekend met zijn zestigste op pensioen te kunnen gaan, maar de door de hervormingen van Raúl moet hij twee jaar langer werken.

Onze samenleving veroudert omdat vrouwen niet meer dan twee kinderen willen. Daardoor moet ik nu langer werken en ik zie het helemaal niet zitten, ik haal het gewoon niet.

Ik heb nu 350 per maand (14 euro) – mijn pensioen zal nog lager zijn. Hoe moet ik daarmee rondkomen? Jullie zijn toeristen, je kunt heel het land bezoeken maar wij Cubanen kunnen niet op vakantie gaan omdat we er het geld niet voor hebben.

De economische situatie in het land is heel slecht. Natuurlijk is het embargo daar schuld aan, maar we hebben ook fouten gemaakt. Overal worden fouten gemaakt. Hier ook. Mijn grootvader was lid van de Beweging van de 26e juli – de organisatie van Fidel. Hij was eigenaar van een tankstation en toen dat na de overwinning van de Revolutie werd genationaliseerd was hij zeer ontgoocheld. Hij is als bitter man gestorven.

Het embargo is crimineel. Kinderen sterven in gespecialiseerde ziekenhuizen in Havana aan kanker omdat we de nodige medicijnen niet kunnen invoeren.

Misschien moeten we méér markteconomie hebben maar met een socialistische politiek. Hoewel, zoals het nu in China is, dat is ook niet goed. Een vriend van me is muzikant en heeft door China gereisd. Hij stond versteld hoe duur alles daar is. Arbeiders werken er in ongelooflijk slechte omstandigheden en dat voor een socialistisch land.

De jongeren geloven niet meer in de revolutionaire idealen. Ze willen een beter leven en vluchten in muziek , alcohol en vertier.

Ja er is grote ontevredenheid bij de bevolking, maar geen opstandigheid. We willen ook niet dat Amerika ons de wet oplegt. Ik zeg het met de woorden van José Martí: “Onze wijn is bitter, maar het is onze wijn.”

DSC_3416

Baracoa

Andrés, is eigenaar van een en casa particular. In de woonkamer staan een paar redelijk moderne computers met flatscreen en printers. Hier kunnen klanten fotocopieën maken en tekst uitprinten. Is er ook internet? vraag ik. Nee dat is nog niet voor morgen. Komt het ook? ¿Quien sabe? – Wie weet?

Ja iedereen klaagt, maar nu gaat het goed. Veel beter dan tien jaar geleden. Toen het socialistische kamp uit mekaar viel, toen ging het slecht, toen hadden de mensen reden om te klagen.

Maar nu – wie wil werken kan werken: voor de staat of voor de privé. Maar velen willen niet werken, ze verwachten dat het manna uit de hemel komt neergedaald.

IMG_1630

Andrés, eigenaar van Casa Particular in Baracoa

 

Las Tunas

Aymara is 45 en instructrice voor kaderleden. Ze komt net van een volksvergadering als ze aan de rand van de weg staat te liften en we haar enkele kilometers meenemen. Ze ziet er erg depressief uit.

Wat gaat slecht in het land? Alles. Alles

Havana

Hoe overleven de Cubanen? Terug in Havana krijgen we misschien een tipje van de sluier opgelicht. We bezoeken de befaamde sigarenfabriek Pártagas. Een zestigtal werknemers maken hier per dag een paar duizend van de duurste sigaren ter wereld, allemaal handwerk. Een Cohiba kost 17 euro per stuk, méér dan het maandloon van de mannen en vrouwen die de sigaren rollen. Zij verdienen tussen 350 en 400 peso (14 á 16 euro) per maand. Maar per dag mogen ze vijf sigaren mee naar huis nemen die ze dan verkopen voor harde dollars. Is dat legaal? De meningen zijn verdeeld – er wordt wat besmuikt gelachen.

DSC_4037 IMG_0013

In Havana is alles duurder dan in de rest van het land, maar er zijn ook meer mogelijkheden, vooral in de toeristische sector. Wie van toerisme leeft heeft het beter dan de rest en wellicht daardoor krijgen we in Havana iets minder klachten te horen over de economische toestand. De woonomstandigheden daarentegen zijn voor veel gewone Habaneros erbarmelijk. De verkrotting van de oude stadskern lijkt niet meer te stoppen al worden ook veel fraaie historische gebouwen gerestaureerd.

Laura staat te liften aan de rand van de stad. Ze zou op pensioen kunnen maar blijft werken uit noodzaak en geeft Spaans in een secundaire school.

Het leven is hard hier. Jongeren zijn slecht opgevoed “mal educados” en denken alleen aan vertier.

DSC_2105

Cubaanse jongeren

 

_DSC0262Emilio is bouwkundig ingenieur maar werkt als officieel geregistreerde privétaxichauffeur met zijn eigen auto, een Ford 1957.

Ik kom uit Santiago maar in Havana heb je meer mogelijkheden. Ik kan tot 80 CUC (80 euro) per dag verdienen ook al betaal ik 900 belastingen per maand.

Dokters verdienden tot voor kort 500 peso (20 euro) nu 1000 maar velen werken zoals ik als taxichauffeur: ze verdienen in één dag het veelvoud van wat ze als dokter in een maand zouden hebben.

Is zijn generatie er beter aan toe dan die van zijn ouders?

Nee, ik geloof het niet. Wij hebben het moeilijk en de generatie na ons zal het nog altijd heel moeilijk hebben.

Gregorio rijdt met een gele officiële taxi. De auto is eigendom van de staat. Hij betaalt maandelijks een bedrag van 1400 a 1500 euro voor het gebruik van de auto. Alle andere kosten – brandstof, onderhoud, moet hij zelf dragen en zien terug te verdienen. Kan hij daarmee behoorlijk leven?

Helemaal niet. Het is vechten om te overleven. De economie deugt niet, het systeem deugt niet.

De hervormingen van Raúl? Het betekent niets voor mij. Ja, we kunnen nu op hotel gaan en reizen maar we hebben het geld er niet voor.

 

DSC_4435

De Revolutie is er niet in geslaagd de armoede uit te bannen. In het centrum van Havana wonen mensen in erbarmelijke omstandigheden.


DSC_4418

Wordt de toekomst beter, nu de betrekkingen met de VS worden hersteld?

Ik geloof het niet. Alles blijft bij het oude. De rijken blijven rijk en de armen blijven arm. En de jongeren? Die denken alleen aan zichzelf en geloven nergens meer in.

Enrique, een gepensioneerd fabrieksdirecteur, treffen we aan bij de brooddistributie waar hij met vrienden staat te wachten.

Een brood kost vijf centavos (minder dan een eurocent), met de “libreta” (de rantsoeneringsbonnen), rijst vijf pesos (20 eurocent) voor een pond. De kosten voor levensonderhoud zijn uiterst laag. Gezondheidszorg en onderwijs zijn gratis, de tandarts, de oogarts allemaal gratis.

Zonder het embargo zou Cuba er zo op vooruitgaan, maar dat willen de Amerikanen niet. Ze zijn bang dat Cuba het Japan van Amerika wordt. We hebben alles, we hebben nikkel, we hebben grondstoffen, goede infrastructuur: autowegen van oost naar west. We hebben vijftig universiteiten. Vijftig universiteiten! De hervormingen van Raúl zijn goed – ze hebben ons dagelijks leven verbeterd. We willen goede relaties met Amerika, maar onze principes zullen we nooit opgeven.

DSC_2867

Marilyn even populair als Che

 

Tekst en foto’s: Johan Depoortere

Meer foto’s:

https://plus.google.com/photos/117588368688820428866/albums/6127662817991102225

 

 

maart 18, 2015 at 8:05 pm 4 reacties

VAN A NAAR B OP CUBA

 Door de hervormingen van Raúl Castro kunnen de Cubanen sinds 2011 auto’s kopen en verkopen. Nieuwe, geïmporteerde Europese auto’s, komen nu mondjesmaat op de Cubaanse wegen maar zijn voor de meeste Cubanen onbetaalbaar. De Amerikaanse vintage cars uit de jaren vijftig blijven daardoor het straatbeeld beheersen. Cubanen zijn meesters in het improviseren en repareren is een nationale sport. Een Toyotamotor in een Belair 1956 – geen probleem. Ondanks de komst van Chinese redelijk moderne bussen blijft het openbaar vervoer in de meeste steden een nachtmerrie. De bussen –  „guagua” in het Cubaanse slang – zitten overvol en de meeste Cubanen verplaatsen zich van A naar B in „Camiones,” omgebouwde vrachtwagens. Maar ook paard en kar blijven populair en een fiets is een kostbaar bezit. Toeristen zijn dol op de fietstaxi, voor de Cubanen is het een alternatief voor de bus of de „camión.”
_DSC0135

Chevrolet Belair, met stip de populairste auto op Cuba

_DSC0078

Fietstransport

_DSC0402
_DSC0205

De fietstaxi: exotisch maar voor de taxifietser een loodzware karwei.

 

_DSC0490

De trotse bezitters van een Chinese fiets

_DSC0004

De “guagua” kost omgerekend een paar centen maar is een hele luxe in vergelijking met de “camión”

_DSC0425_DSC0422_DSC0413
_DSC0465

Repareren tot hij uit mekaar valt

_DSC0495
_DSC0475

Vervoer per paard op het platteland, maar ook in de stad

_DSC0551
_DSC0486

Trinidad

_DSC0481
Foto’s en tekst: Johan Depoortere

november 18, 2014 at 12:33 am Plaats een reactie

NA FIDEL

raul_and_fidel_castro_wait_for_pope

De gebroeders Castro

De Revolutie is niet meer wat ze gewest is. Fidel Castro, ontelbare malen door zijn vijanden dood verklaard, is nog steeds onder de levenden, maar voor Cuba is het post-Fideltijdperk al een poosje begonnen. Raúl, de andere Castro, heeft de touwtjes nog stevig in handen maar acht jaar na het terugtreden van Fidel is het revolutionaire eiland onmiskenbaar veranderd. Fidel Castro, die straks 88 wordt, leidt een teruggetrokken bestaan en de meningen zijn verdeeld over hoever zijn invloed nog reikt: staat hij op de rem voor de hervormingen van zijn broer of is ook hij tot het besef gekomen dat de “oude vormen en gedachten” niet langer houdbaar zijn? De hervormingen van Raúl zijn hoe dan ook onomkeerbaar en de vraag is alleen of ze de “Revolutie” zullen redden dan wel liquideren.

Beweging in Havana en Miami

Ook aan de andere kant van de Straat van Florida, in Miami, evolueren de geesten. Voor het eerst blijkt een meerderheid van Cubaans-Amerikanen voorstander te zijn van een opheffing van het halve eeuw oude embargo tegen het Caraïbische eiland. De zonen en dochters van de Cubanen die vijftig jaar geleden Cuba ontvluchtten zijn niet langer geobsedeerd door Fidel. Zij zien in het Cuba van vandaag vooral business opportunities en proberen – voorlopig vergeefs – de beleidsmakers in Washington tot een meer realistische koers te bewegen. Een kleine maar uiterst invloedrijke groep hardliners blijft zwaar wegen op de Cubapolitiek van de president en de hoogste Amerikaanse regeringskringen.

Schermafbeelding 2014-09-03 om 10.30.35Cuba blijft in de Amerikaanse publieke opinie een hot topic, getuige de stroom boeken die over het eiland blijven verschijnen. Without Fidel van Ann Louise Bardach is rijk aan anekdotiek over Fidel en Raúl. Bardach maakte eerder naam met Cuba Confidential: Love and Vengeance in Miami and Havana (2002) over de gecompliceerde relaties tussen de twee Cubaanse hoofdsteden en vooral de krabbenmand van de Cubaanse gemeenschap in Miami en haar relatie met Washington.

Schermafbeelding 2014-09-03 om 10.39.12Marc Frank is één van de weinige Westerse journalisten die ook in Cuba wonen. Hij is de auteur van Cuban Revelations: Behind the Scenes in Havana, een journalistiek verslag van de recentste ontwikkelingen op Cuba. Frank woont al sinds 1990 in Havana en is met een Cubaanse getrouwd. Daardoor kent hij het dagelijks leven en de dagelijkse zorgen van de Cubanen zeer goed en hij schrijft met kritische sympathie over de Cubaanse Revolutie.

Fidel Castro en de Cubaanse Revolutie hebben tien Amerikaanse presidenten, talloze moordpogingen en het einde van de Sovjetunie overleefd. Internationaal staat Cuba vandaag minder geïsoleerd dan ooit. Bevriende regimes in Venezuela, Brazilië, Ecuador en Nicaragua hebben de vroegere paria weer geïntroduceerd in inter-Amerikaanse fora zoals de OAS, de Organisatie van Amerikaanse, decennia lang de exclusieve speeltuin van Washington. In 2008 schrapte de Europese Unie alle sancties die ze had opgelegd na de arrestatie van 73 dissidenten in 2003 al blijft de Unie politieke hervormingen eisen als voorwaarde voor verdere economische samenwerking.

Hamburgers van bananenschillen

Het succes op het buitenlandse politieke toneel staat in schril contrast tot de penibele toestand op het eiland zelf. Cuba kruipt langzaam overeind uit het diepe economische dal na de val van de Sovjetunie en het wegvallen van de royale Russische steun. De ”speciale periode” van oorlogseconomie in vredestijd ligt elke Cubaan nog vers in het geheugen. “We maakten hamburgers van pompelmoes- en bananenschillen; we maakte schoon met sap van limoenen en zure sinaasappels en we gebruikten het zwarte poeder uit batterijen als haarvferf en make-up” herinnert zich een verpleegster uit de kennissenkring van Marc Frank.

Toen de nood het hoogst was verscheen als een deus ex machina Hugo Chavez op het toneel die de Cubaanse economie van het failliet redde. Chavez leverde olie tegen voorwaarden ver onder de marktprijs en hij betaalde cash voor de artsen die Cuba massaal naar Venezuela stuurde. In. 2004 bijvoorbeeld ontving Cuba 5 miljard dollar voor medische en andere technische assistentie aan Venezuela. De relatie tussen Cuba en Venezuela leek vooral gebaseerd op de persoonlijke vriendschap tussen Fidel en Hugo Chavez en toen Raúl Castro in 2006 de teugels van zijn broer overnam vreesden velen dat de vriendschap tussen de twee landen zou bekoelen. Maar onder Raúl namen de Venezolaanse investeringen in de Cubaanse olie-industrie nog toe en zelfs de dood van Chávez in 2013 heeft daar niets aan veranderd.

De reddingsboei die Chávez de Cubaanse economie toegooide had als gevolg dat Fidel Castro in 2002 de hervormingen begon terug te draaien die hij in de jaren 90 noodgedwongen had doorgevoerd. Er kwam strengere controle op de invoer van buitenlandse deviezen en de samenwerking met buitenlandse investeerders werd teruggeschroefd. Fidel zette een nieuwe ideologische campagne op onder de slogan: “De slag om de ideeën” en een nieuw internationalistisch programma: “Plan Mirakel” dat voorzag in gratis gezondheidszorg voor Latijns-Amerikaanse buurlanden en in medische opleiding voor tienduizenden jongeren uit die landen. En toen struikelde de Líder Máximo.

501279

De val van Fidel. De auteur van de video die de dramatische val vastlegde leeft nu in de VS

Raúl komt uit de coulissen

Castro viel op 20 oktober 2004 toen hij van het podium afdaalde na een speech in de centrale provincie Villa Clara. Hij brak zijn knieschijf en zijn bovenarm, maar dat was pas het begin van een lange lijdensweg die Fidel een paar keer aan de rand van de dood bracht en die twee jaar zou leiden tot de tijdelijke overname van zijn functies door zijn jongere broer Raúl en nog eens twee jaar later tot zijn officieel aftreden als president en partijleider. Toen Raúl op het toneel verscheen was hij voor de meeste Cubanen, laat staan voor buitenlandse pundits en waarnemers, weinig méér dan een schimmige figuur aan het hoofd van het leger. Velen waren van mening dat Raúl een handpop zou zijn, gemanipuleerd door zijn oudere broer.

raul-castro-1-sized

De jonge Raúl Castro

Raúl Modesto Castro Ruz werd geboren op 3 juni 1931, de jongste zoon van Angel Castro en Lina Ruz. Raúl stond altijd in de schaduw van zijn zes jaar oudere broer Fidel die hij mateloos bewonderde. De jongste Castro miste de intellectuele nieuwsgierigheid en de atletische fysiek van Fidel, maar hij was de lieveling van zijn moeder en van het gezin. In de kring van intimi staat hij bekend om zijn humor, zijn charme en zijn empathie. Maar politiek stond Raúl altijd de harde lijn voor en hij wordt in de eerste plaats verantwoordelijk geacht voor de honderden, volgens sommigen duizenden executies van politieke tegenstanders tijdens de guerrillastrijd tegen het Battistaregime en in de eerste jaren van de revolutie. Des te opmerkelijker is het dat Raúl Castro zich algauw ontpopte tot de hervormer. Hij maakte meteen schoon schip van de bevlogen plannen van Fidel: exit de Slag om de Ideeën en Plan Mirakel. Pragmatisme werd de nieuwe marsrichting.

Het volk mort

De hervormingen van Raúl kwamen er niet uit ideologische overwegingen, maar uit pure noodzaak. Het volk morde en de toekomst van de Revolutie stond op het spel. Toen Raúl in 2006 tijdelijk de leiding had overgenomen had hij de Cubanen uitgenodigd tot een groot debat. Het gevolg was een stortvloed aan klachten en aanbevelingen, vooral over de staat van de economie. Een eerste reeks klachten ging over de kloof tussen inkomen en prijzen. De Cubanen worden betaald in pesos, maar veel goederen en diensten zijn alleen te krijgen in de zogenaamde “deviezenwinkels” waar betaald moet worden in CUC , de Convertibele peso die ongeveer 24 keer meer waard is. Dat systeem van de dubbele munt maakt levensnoodszakelijke producten voor de meeste Cubanen zo goed als onbetaalbaar. Zo kost een fles keukenolie 2 CUC, het equivalent van 48 pesos, een bedrag waar de gemiddelde Cubaan drie dagen voor moet werken.

Een andere klacht ging over de achteruitgang van het veel geroemde systeem van gratis gezondheidszorg. Dit had voor een deel te maken met het tekort aan dokters en verplegend personeel. Veel hoog opgeleide gezondheidswerkers werden uitgestuurd naar het buitenland waar ze geld opbrachten voor de schatkist of ze verkozen te werken in de informele economie waar ze een veelvoud konden verdienen van hun staatsinkomen. Veel anderen verkozen gewoon het land te verlaten en een lucratieve carrière op te bouwen in het buitenland.

Een derde reeks klachten ging over de bureaucratie, de corruptie en de regelneverij van de overheid. De wet bijvoorbeeld die Cubanen de toegang ontzegde tot toeristenhotels, tot het internet en mobiele telefoons, de reisbeperkingen, het verbod op het kopen en verkopen van huizen en auto’s.

Kortom, bij het aantreden van Raúl waren de verwachtingen in alle lagen van de bevolking hooggespannen. Voor het eerst gaven de officiële media ook uiting aan de klachten en de aanbevelingen van de bevolking. Boven het verslag van een uiterst kritisch congres van Cubaanse schrijvers en kunstenaars blokletterde Granma, het officiële orgaan van de Cubaanse Communistische Partij: We moeten ons voorbereiden op een nieuwe toekomst voor ons land.

De hervormingen van Raúl

Raúl Castro had goed naar de verzuchtingen van de Cubanen geluisterd en bijna op dag één van zijn aanstelling in februari 2008 maakte hij werk van een hele reeks hervormingen die over de jaren het leven van de eilandbewoners ingrijpend zouden veranderen. Het begon met het openstellen van de markt voor computers en dvd’s. Kort daarop konden de Cubanen voor het eerst mobiele telefoons kopen. Enkele jaren later waren 1,5 miljoen mobieltjes en in omloop en vandaag zie je in het straatbeeld van Havana en andere Cubaanse steden net zoveel mensen met een smartphone aan het oor als waar ook ter wereld. Toegang tot het internet blijft beperkt en duur.

De hervormingen in de landbouw hadden grote invloed op het dagelijks leven van de Cubanen. De boerenmarkten die her en dar oogluikend werden getolereerd werden gelegaliseerd. Privéboeren kunnen nu overal hun producten rechtstreeks aan de consument verkopen. De staat gaf de boeren ook hogere prijzen voor melk, kaas en vlees en braakliggend land van de staat werd onder duizenden kleine boeren en coöperaties verdeeld. De privésector die nog altijd slechts een fractie van de landbouwgrond bezit produceert nu 70% van de landbouwproducten die naar de consument gaan. Zelf kon ik vaststellen dat je in alle grote steden nu zonder problemen een grote variatie aan vlees, groenten en fruit kunt vinden zowel op de openbare markten als aan de honderden stalletjes van verkopers op straat.

Een auto kopen en verkopen, een eigen huis bezitten, vrij reizen naar het buitenland (of zelfs van de provincie naar de hoofdstad): het was allemaal taboe zo lang Fidel het voor het zeggen had. Sinds 2011 kunnen auto’s en huizen van eigenaar wisselen zonder de bijna onoverkomelijke bureaucratische rompslomp die tot dan toe gepaard ging met de “ruil” van woning of auto. De maatregel bracht de bestaande zwarte markt en de corruptie die ermee gepaard ging bovengronds. Voortaan kunnen Cubanen ook naar het buitenland reizen en terugkeren zonder het risico te lopen dat in hun afwezigheid hun bezittingen geconfiskeerd worden.

marino_murillo

Marino Murillo, vice-president en hervormingstsar wordt vaak geciteerd als mogelijke opvolger van Raúl

Taboes sneuvelen en ongelijkheid neemt toe.

De hervormingen van Raúl en zijn economietsaar Marino Murillo lijken zo uit het receptenboekje van het IMF geplukt en in zijn toespaken klinkt Raúl af en toe als een neo-liberale hervormer. Het idealistische en paternalistische en sterk gepersonaliseerde revolutionaire project van Fidel Castro heeft zijn tijd gehad en moet vervangen worden door een meer realistische benadering die rekening houdt met het eigenbelang – zo omschrijft Frank de nieuwe marsrichting. Of in de woorden van Raúl: “Het komt erop aan de foute en onhoudbare opvattingen over socialisme te transformeren, die in de loop van de jaren in brede lagen van de bevolking diep wortel hebben geschoten en die het gevolg zijn van een té paternalistische, idealistische en egalitaire benadering door de Revolutie.” “We moeten voorgoed af van het idee dat Cuba het enige land ter wereld is waar mensen kunnen leven zonder te werken,” verklaarde Raúl bij een andere gelegenheid.

De gevolgen voor het dagelijks leven van de Cubanen waren immens. 500000 werknemers worden uit de loonlijsten van de staat geschrapt. Die moeten voortaan hun eigen boontjes doppen in de privésector of zelfstandige ondernemers worden. De werkloosheidvergoeding die de pil moet verzachten is beperkt tot maximum vijf maanden. Honderdduizenden Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen te vallen en in de slechtste van twee werelden terecht te komen: een autoritair communistische regime gecombineerd met het onzekere bestaan van de vrije markt.

Een ander gevolg is de toegenomen ongelijkheid, zichtbaar in het straatbeeld. Rijke Cubanen kunnen zich vrijwel alles veroorloven in de deviezenwinkels, wie het met zijn karige loon in pesos moet stellen heeft nauwelijks genoeg om te overleven. De cijfers bevestigen het beeld. Cuba is nog steeds de meest egalitaire samenleving in Latijns Amerika, maar sinds de jaren negentig neemt de ongelijkheid toe ten voordele van hen die toegang hebben tot buitenlandse valuta. Volgens een interne studie heeft de top tien van de rijksten tot 15 keer méér koopkracht dan de tien onderaan de ladder. Een andere studie schat dat 20% van de hoofdstedelijke bevolking behoeftig is en nog eens 30% “kwetsbaar.”

En Fidel?

Wat vindt Fidel vindt van de richting die de Revolutie is ingeslagen? Af en toe schrijft hij een kritische kolom in het partijblad Granma, maar het is onduidelijk of hij zijn broer en de ploeg hervormers een stok in de wielen kan of wil steken. Op de vraag van een Amerikaanse journalist of het Cubaanse model nog voor export vatbaar antwoordde Fidel: “Het Cubaanse model werkt zelfs niet meer voor Cuba.” Eerder (in 2005) had Fidel al voor blokletters in de internnationale pers gezorgd toen hij zei: “de grootste fout die we begaan hebben was denken dat iemand werkelijk wist wat socialisme is.”

Het Socialisme.2 van Castro nummer twee is in volle beweging. Wat het wordt is koffiedik kijken maar zeker is dat de tijd van de romantische Revolución voorgoed voorbij is.

Johan Depoortere

CUBAN REVELATIONS

Mark Frank

University Press of Florida 2013

 

WITHOUT FIDEL

Ann Louise Bardach

Scribner New York 2009

 

BLOGS OVER CUBA:

The Cuban Triangle

De dissidente Yoani Sánchez: Generation Y

Cubaanse jongeren: La Jóven Cuba

In het Nederlands:

Cuba

september 9, 2014 at 5:55 am Plaats een reactie

CUBA SÍ, CUBA NO

Cuba, het grootste eiland van de Caraïben, is omgeven door mythes en romantiek. Na meer dan een halve eeuw spreekt de Cubaanse revolutie nog steeds tot de verbeelding. De figuren van Fidel Castro en Che Guevara, de strijd van een David tegen de oppermachtige Goliath, de overwinning in de Varkensbaai, de onverzoenlijke vijanden van de revolutie in Miami: het is allemaal stof voor legende. De werkelijkheid op het eiland, het dagelijkse leven van de massa Cubanen is veel minder bekend en de realiteit wordt vaak door de legende vertroebeld. Na ruim vier jaar rondzwerven in het Caraïbisch gebied met onze zeilboot “Eventually” zijn we  – Mien en ik – dit jaar na onder meer Haïti en Jamaica (zie: De trek naar Het Zuiden) ook op Cuba aanbeland. Onze tocht leidde van Santiago in het Oosten tot Los Morros in de Westelijke provincie Pinar del Rio en van daar langs de Noordkust van het eiland tot Havana. We waren in Cuba als toeristen, maar de journalistieke kriebel kon ik toch niet helemaal onderdrukken. Vandaar dit verslag in woord en beeld over Cuba vandaag.

Johan Depoortere

 

_DSC0004

Bienvenidos a Cuba Socialista staat in reuzenletters op een muur te lezen bij het binnenvaren van de machtige baai van Cienfuegos. Maar de letters zijn vervaagd en het woord Cuba is nauwelijks nog te onderscheiden. Zoals de verf van de slogans zo lijkt ook het revolutionaire enthousiasme in het land van Che en Fidel met de tijd te zijn getaand. Guevara-kitsch alom, maar tegelijk ook overal tekenen van het sluipende kapitalisme dat deze Caraïbische revolutionaire voorpost lijkt te veroveren.

_DSC0093

De heilige Che Guevara op ansichtkaarten, petjes, vlaggen en muren

 

_DSC0033

Een kwart eeuw geleden kon Fidel Castro in een vlammende toespraak op het plein vóór de historische Moncadakazerne in Santiago de Cuba de massa’s nog tot staande en loeiende ovaties brengen. Het was 1988 en ik was met een cameraploeg in Cuba voor een Panoramareportage. In de Sovjetunie was het de tijd van Glasnost en Perestroika en de bedoeling was na te gaan hoe bondgenoot Cuba daarop zou reageren. Fidel maakte dat in zijn toespraak in Santiago zonneklaar: van die nieuwigheden lustten de Cubanen geen pap. Integendeel, de schroeven werden aangedraaid, de controle door de Communistische partij en de CDR, buurtcomités voor de Verdediging van de Revolutie, nog aangescherpt. Kortom het Cubaanse antwoord op Perestroika was Castroika, het spiegelbeeld van het Russische origineel.

De Cubanen betaalden een zware prijs voor de volharding in de leer. Voor de bevolking trad na het wegvallen van de royale steun van het Russische broedervolk een periode aan van tekorten en harde tijden in het algemeen. Vandaag denken de Cubanen met afgrijzen terug aan die tijd die toen “speciale periode” werd genoemd, een oorlogssituatie in vredestijd met drastische rantsoenering en rampzalige tekorten. “We maakten hamburgers van pompelmoesschillen, we maakten schoon met citroen-en sinaasappelzuur en we gebruikten het zwarte poeder uit batterijen voor makeup en haarverf,” vertelt een verpleegster aan Marc Frank*, een Amerikaanse journalist die al tientallen jaren in Cuba woont en zelf met een Cubaanse verpleegster is getrouwd. Voor de Cubanen in Miami leek het einde van het Castrotijdperk eindelijk aangebroken en de Amerikaanse regering onder Clinton bereidde actief het post-Castrotijdperk voor. Het Einde van het Einde van de Revolutie blokletterde The New York Times enigszins dubbelzinnig in 2006.Fotostream jun. 2014 - 01

_DSC0072

De affiches zijn verbleekt net als de revolutionaire idealen

 

_DSC0071

Het regime overleefde de zwaarste crisis sinds de machtsovername door Fidel in 1959 dank zij de deus ex machina uit Venezuela: Hugo Chavez, die olie leverde onder de marktprijs en daardoor gedeeltelijk het wegvallen van de sovjethulp compenseerde. Maar de revolutionaire idealen kwamen niet ongeschonden uit de crisis. Eerst werd de dollar als officieel betaalmiddel ingevoerd en het toerisme nam stilaan de plaats in van suiker als bron van deviezen. Met de buitenlandse toeristen kwamen prostitutie, winstbejag en ongelijkheid het eiland binnen. Toen werd de basis gelegd voor de dubbele economie zoals de Cubanen die vandaag kennen. Al gauw werd de dollar vervangen door de CUC, de convertibele peso voor de buitenlanders, maar ook de rijkere Cubaan. Daarnaast blijft de “moneda nacional” de peso voor de rest van de bevolking. Met de CUC – ongeveer ter waarde van 80 eurocent – kun je terecht in de luxueuze supermarkten (de vroegere “dollarwinkels”) waar vrijwel alle producten uit de kapitalistische wereld te koop zijn. Met de moneda nacional (ongeveer 4 eurocent) kun je basisproducten kopen in de treurige staatswinkels en op de alom tegenwoordige agromercado’s: de markten waar boeren nu hun producten rechtstreeks aan de consument kunnen verkopen. Een munt voor het kapitalisme en een munt voor het communisme. Werknemers worden betaald in peso, luxeproducten – vrijwel alles behalve de basisbenodigdheden – zijn alleen te koop met CUCs. “Economische Apartheid,” zoals critici van het regime het noemen of pragmatisme om te overleven.

_DSC0002

De markt in Cienfuegos

_DSC0360

Boerenmarkt in Santiago de Cuba

In tegenstelling tot wat we een kwarteeuw geleden – nog vóór de ineenstorting van de sovjetunie – in Cuba zagen is nu vrijwel alles te koop, al blijven de staatswinkels een troosteloze lege aanblik bieden. De boerenmarkten zijn goed voorzien van alle mogelijke verse groenten, fruit en vlees en Cubanen zijn uiterst bedreven in het bedenken van oplossingen om te vinden wat niet direct voorhanden is. In Santiago zochten we vergeefs naar eieren tot onze taxichauffeur een man met een karton eieren op straat zag lopen. Voor we het goed doorhadden waarom we stopten was onze chauffeur aan het onderhandelen over de prijs en werd de transactie afgesloten: een dozijn eieren voor een paar CUCs._DSC0371

Vandaag zijn de ergste materiële noden gelenigd maar de prijs is toegenomen ongelijkheid in de Cubaanse samenleving. In 88 was het Cubanen verboden de internationale hotels en supermarkten zelfs maar te betreden. Nu spenderen rijke Cubanen er dikke bundels CUCs aan luxeproducten als smartphones, Hollandse kaas, Ierse whisky en zelfs naast de lokale variant – het Amerikaanse embargo ten spijt – ook échte Coca-Cola. Het gevolg is dat iedereen aan CUCs probeert te komen – een vlucht uit de nationale munt. In Santiago de Cuba vonden we Osmar, een 35-jarige leraar lichamelijke opvoeding die de gelukkige eigenaar was van een veertig jaar oude Russische Moskvitsj. Osmar heeft zijn baan als leraar opgegeven en is nu taxichauffeur met officiële licentie. Hij bracht ons dagelijks met zijn gammele, maar betrouwbare Moskvitsj, van de marina naar het centrum van de stad, zo een twintig kilometer verder. We betaalden ongeveer tien CUC voor de rit: Osmar verdiende per dag een veelvoud van zijn vroegere maandloon als leraar.

_DSC0538

De staatswinkels bieden nog altijd dezelfde troosteloze aanblik. Dit is Marea del Portillo op het Cubaanse platteland.

 

_DSC0427

Staatswinkel in Trinidad

_DSC0565

Bevoorrading op het platteland

Cubanen hebben het nu ongetwijfeld veel beter dan 25 jaar geleden en onvergelijkbaar veel beter dan in de zogenaamde “speciale periode,” de crisis na de terugtrekking van de sovjets. Toch blijft het leven hard voor de meeste Cubanen, ondanks de vele voorzieningen, het gratis onderwijs en de voortreffelijke medische infrastructuur. Er is door het Amerikaanse embargo een tekort aan geneesmiddelen,ook al verkoopt Cuba patenten op geneesmiddelen in het buitenland. Sigrid, een Vlaamse solozeilster, moest met ernstige brandwonden in een ziekenhuis in Santiago worden opgenomen waar haar verwondingen bij gebrek aan geneesmiddelen met alcohol werden verzorgd. 

_DSC0630

Taxi!

_DSC0419

Openbaar vervoer (Santiago)

_DSC0475

_DSC0004

De bus: “Guagua” in het Cubaanse slang.

Het openbaar vervoer is nog steeds een ramp al zie je meer en meer Chinese bussen. Zo een overvolle bus waar een rit een paar cent kost is een hele luxe in vergelijking met de veel talrijker “camiones:” omgebouwde vrachtwagens waar passagiers in de laadbak worden gestouwd. Paard en kar zijn buiten Havana een vertrouwd beeld in de stad en op het platteland. Fietstaxis zijn overal populair ook in de hoofdstad en de Amerikaanse vintage cars uit de jaren zestig zijn een speciale attractie voor de toeristen. Ook hier weer een dubbele economie: officieel erkende taxis en particulieren die legaal of – meestal – illegaal een graantje proberen mee te pikken van de toeristische bonanza. Toen de politie ons in een illegale taxi (een rode Buick 1956!) tegenhield betaalde de chauffeur zonder verpinken de boete van 120 CUC (100 Euro) en reed fluitend verder.

_DSC0003

Fietstaxi in Havana

 

_DSC0581

Trinidad

_DSC0055

Havana: armoede en verval springen in het oog

_DSC0573

Ook het kleinste dorp heeft een school.

Licht en schaduw. De revolutionaire overheid zorgt voor de burgers, niemand lijdt honger of is dakloos. Onderwijs is gratis van kleuterklas tot universiteit. Op het eiland Granma bij Santiago zien we overal nieuwe daken op de bescheiden woningen. Daar heeft de overheid kosteloos voor gezorgd na de verwoestende doortocht van de orkaan Sandy in 2012. Een bejaarde alleenstaande man die zijn huis verloor woont sinds die tijd in de polikliniek van het dorp in afwachting van een nieuwe woning. Een zwaar gehandicapte man neemt ons mee in zijn fietstaxi in Cienfuegos. Dank zij de gratis openbare gezondheidszorg heeft hij na een ongelukkige zware val maandenlang kunnen revalideren. Nu kan hij weer, zij het met moeite, lopen maar hij ziet zich verplicht om zich voor een schamel inkomen in de tropische hitte met de fietstaxi af te beulen. 

Santiago Selectie - 2439

Santiago

Cuba heeft een alfabetiseringsgraad van 99,8% en met 78,3 jaar is de gemiddelde levensverwachting hoger dan die van de Verenigde Staten en de kindersterfte lager. Vergelijk dat met Haïti waar een man gemiddeld 59 jaar oud wordt, een vrouw 63 en waar op 1000 geboorten 80 kinderen niet de leeftijd van vijf jaar bereiken – in Cuba sterven 7 kinderen op 1000 vóór die leeftijd. Toch is klagen een nationale sport in Cuba. “Hier is geen vrijheid,” zucht een fietstaxirijder in Cienfuegos, zonder op details in te gaan. Een jongeman in Santiago zou graag emigreren maar kan niet, niet omdat het niet mag blijkt als we doorvragen, maar omdat hij geen visa krijgt van de landen waar hij naartoe wil: Ecuador of de Verenigde Staten. 

_DSC0164

Elisa en (onder) haar familie in Cienfuegos

In Cienfuegos ontmoeten we een bejaarde pianolerares met haar dochter en kleindochters op een zondagmiddagwandeling. Elisa – niet haar echte naam – klaagt dat het “vroeger” allemaal zoveel beter was. Bedoelt ze dan vóór de Revolutie? “Nee zeker niet,” haast ze zich te verduidelijken,“maar vóór de ‘speciale periode,” vóór de dramatische jaren 90 dus, toen de Russen de Cubaanse economie kunstmatig overeind hielden. Zoals veel Cubaanse families weet die van Elisa een zekere levensstandaard aan te houden dank zij hulp van familieleden in het buitenland. Haar zoon is muzikant in een orkest op een Canadese Cruiselijn en stuurt geregeld geld naar het eiland. Anna, de vijftienjarige kleindochter heeft zoals veel van haar leeftijdgenoten de smartphone binnen handbereik. Een luxe die ze zich nauwelijks zou kunnen veroorloven met het salaris van haar moeder die econome is in een staatsbedrijf en maandelijks 17 dollar in het huishoudelijk budget binnenbrengt. 

_DSC0167

Dubbele economie, dubbele moraal. Cubaanse vrouwen maken de buitenlandse man duidelijk dat ze beschikbaar zijn, moeders prijzen half grappend, half ernstig hun dochter aan. Een buitenlandse man of minnaar is een bron van deviezen en die zijn nodig voor luxeproducten als zeep, shampoo, schoenen. Het is allemaal te krijgen, als je maar CUCs hebt, convertibele pesos. En dus is de jacht op de toerist en zijn CUCs open. Sinds de kapitalistische koerswending is samen met de opkomst van privé-restaurants en kamerverhuur het fenomeen van de jinotero en jinotera explosief toegenomen. De jinotero (van het Spaanse woord voor jockey) of zijn vrouwelijke evenknie is de man of vrouw die je op straat aanklampt om zijn of haar diensten aan te bieden. Het gaat niet noodzakelijk – in het geval van de mannen meestal niet – om seks, maar de bedoeling is in de meeste gevallen om je mee te tronen naar een café of restaurant of een kamer in een B&B aan te bevelen. De klant betaalt dan iets meer en de jinotero/jinotera strijkt het verschil op. De al of niet officiële horeca is overigens een reusachtige bron van inkomsten voor individuele Cubanen en voor de staat. In toeristische steden als Santiago, Trinidad, Cienfuegos en Havana is er geen straat zonder tientallen paladares (restaurant in een particulier woonhuis) of arienda divisas (Bed and Breakfast) met een grote keus van luxueus tot zeer eenvoudig – nogmaals soms legaal, soms illegaal.

_DSC0512De Cubanen zijn zonder meer het vriendelijkste volk ter wereld. Tientallen boeken en reisverhalen vertellen sinds Columbus tot nu wat wij zelf ook ervaren hebben: de warmte en de gastvrijheid die je op het eiland aantreft vind je nergens anders. “Het mooiste eiland dat mensenogen ooit aanschouwd hebben,“ schreef Columbus. Met een bevolking die een sfeer van spontane goedmoedigheid uitstraalt wars van elke agressiviteit – ook dat is een reusachtig verschil met Haïti. Je komt in een godvergeten dorp en de mensen bieden je koffie aan of een borrel añejo – Cubaanse rum. Vissers die we onderweg op zee tegenkwamen “verkochten” kreeft en vis voor een Canvaspetje of een oude T-shirt, geld interesseert ze nauwelijks. Dat neemt niet weg dat de jinoteros – vooral in Havana – knap lastig kunnen worden al reageren ze meestal met de glimlach en Caraïbische zorgeloosheid als ze worden afgewezen. Decennia tekorten hebben van de Cubanen meesters in het overleven gemaakt. Wie geen convertibele peso’s kan bemachtigen zoekt bij de toerist op straat wat hij niet in de winkel vindt. Deuren – en harten – gaan open voor een flesje shampoo of parfum, voor ballpoints en afgedragen schoenen.

_DSC0262

Weekend in Cienfuegos

_DSC0268_DSC0287Cuba is in volle transformatie. De generatie die de tijd van vóór de revolutie heeft meegemaakt is aan het verdwijnen. Jongeren hebben de revolutionaire idealen verwisseld voor games, smartphones, alcohol en rock ’n roll. Raúl Castro heeft de deur op een kier gezet voor internet (nu nog strikt gecontroleerd door de staat) en een dosis vrije markt en kapitalisme. Het gevolg is een hybride economie en een samenleving met grote verschillen in welvaart, met nieuwe rijken en relatieve armoede. De essentie van de Revolutie lijkt nog overeind maar de kapitalistische geest is uit de fles en niemand durft te voorspellen wat er zal gebeuren als de gebroeders Castro definitief van het toneel verdwijnen.

Johan Depoortere

* Marc Frank

CUBAN REVELATIONS

Behind the Scenes in Havana

University Press of Florida , 2013

juni 21, 2014 at 3:49 pm 1 reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.337 andere volgers