Posts filed under ‘Duitland’

KINDEREN VAN DE REKENING

Door Gie van den Berghe

 

Foto kazernedossin.eu

De eerste aflevering van Kinderen van de Holocaust bracht sterke getuigenissen (‘In de bek van de wolf’, Canvas, 28.4.2020). De getuigen schetsen een doordringend beeld van het begin van de discriminatie en vervolging van joden in België. Hun aangrijpende getuigenissen maken inleving mogelijk, het onvoorstelbare bijna voorstelbaar.

Anders dan bij de vorige Kinderen van (de collaboratie, het verzet) dekt de titel de lading niet helemaal. De meeste getuigen zijn geen kinderen van de Holocaust maar overlevenden van de jodenvervolging. De programmamakers wilden ‘de laatste kroongetuigen van de Holocaust voorrang verlenen’. Onder de getuigen twee volwassenen die Auschwitz hebben overleefd, de anderen ontkwamen als kind of adolescent aan het allerergste, twee werden na de oorlog geboren.

De eerste aflevering begon met wat een dader tegen Simon Wiesenthal (gevangene in Mauthausen) zei: “Als je het ooit overleeft dan zal niemand je geloven. ‘Maar wij, de kinderen van de Holocaust,”  repliceert de in 1941 geboren Norbert Vos, “hebben het overleefd en wij zijn hier om te vertellen wat jullie gedaan hebben.”

Ook Primo Levi, die Auschwitz overleefde, vervolledigt dit in De verdronkenen en de geredden: “niet één van jullie zal getuigenis kunnen afleggen, maar zelfs als iemand het zou overleven, dan nog zal de wereld hem niet geloven. Misschien zullen er vermoedens, discussies en onderzoek door historici zijn, maar geen zekerheden want we zullen de bewijzen samen met jullie vernietigen. En zelfs als er enkele bewijzen zouden overblijven en sommigen overleven, dan zullen de mensen zeggen dat de gebeurtenissen die jullie beschrijven te monsterlijk zijn om geloofd te worden: ze zullen zeggen dat het overdrijvingen zijn van de geallieerde propaganda en zullen ons geloven, wij die alles zullen ontkennen. Wij, niet jullie, zullen de geschiedenis van de kampen dicteren.” Ontelbare getuigenissen en geschiedkundige studies hebben het tegendeel bewezen.

Onderzoek leert dat getuigenissen vele jaren na datum, ook over traumatische gebeurtenissen, niet waterdicht zijn, dat ook niet kunnen zijn. Herinneringen worden hoe dan ook aangevuld, bijgekleurd en herdacht door wat men nadien heeft meegemaakt, door wat van anderen en uit andere bronnen vernomen werd, door iemands persoonlijke en de maatschappelijke evolutie (Loctus, Schacter, Wagenaar). Let wel, wat deze getuigenissen betreft, is dit slechts een theoretische vaststelling – aan de waarachtigheid van deze getuigen en het ‘waarheidsgehalte’ van hun getuigenis hoeft geen seconde getwijfeld te worden. Niets dan lof overigens voor de wijze waarop de programmamakers de getuigen in beeld hebben gebracht.

Helaas laat de historische omkadering te wensen over, ook al kwam die tot stand met de medewerking van Kazerne Dossin, en sparen Christophe Busch (voormalig directeur van dit museum) en Herman Van Goethem in het persdossier de superlatieven niet.

Van bij de machtsovername door de nazi’s probeerden talloze joden aan hun klauwen te ontkomen. Europa werd overspoeld door vluchtelingen. In juni 1938 beslisten beschaafde naties op een conferentie in het mondaine Evian-les-Bains eensgezind de grenzen af te grendelen voor joden. In Kinderen van de Holocaust zegt een getuige hierover dat de nazi’s zo carte blanche kregen om met de joden te doen wat ze wilden. De programmamakers koppelen hier zonder enige duiding een flard aan uit een toespraak die Adolf Hitler op 30 januari 1939 tot de Rijksdag hield: “Als het internationale Finanzjudentum binnen en buiten Europa er zou in slagen de volkeren nogmaals in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat niet de bolsjewisering van de aarde en daardoor de zege van de joden zijn, maar de vernietiging van het joodse ras in Europa!”

Deze ontstellende intentieverklaring wordt wel vaker gebruikt als bewijs dat Hitler van het begin af aan en zeker begin 1939 (dus voor de Tweede Wereldoorlog begon) de joden wou uitroeien. Daarom wordt de passage die hieraan voorafging doorgaans weggelaten: ‘Europa kan maar tot rust komen als de joodse kwestie uit de weg geruimd is. De wereld heeft genoeg vestigingsruimte, maar er moet definitief gebroken worden met de mening dat het joodse volk door de lieve god zou voorbestemd zijn om in een bepaald percentage te profiteren van het lichaam en de productieve arbeid van andere volkeren. Het jodendom zal zoals andere volkeren moeten wennen aan een solide, constructieve bezigheid of er komt vroeg of laat een crisis van onvoorstelbare grootte’. 

De komplottheorie die Duitsland en Ariërs presenteert als slachtoffers van een almachtige vijand – jodendom, bolsjewisme, plutocratie – komt in tal van toespraken en geschriften van nazi-bonzen voor, te beginnen met Mein Kampf. Hitler wou de joden kwijt, discrimineerde en vervolgde meedogenloos, maar de wereld bleef toekijken. Begin 1939 wou en kon Hitler de joden niet uitroeien, zijn intentieverklaring was een laatste drukkingsmiddel op de wegkijkende wereld.

Hitlers voorlaatste drukkingsmiddel wordt in het programma niet eens vermeld: de nochtans beruchte Kristallnacht van 9-10 november 1938, vijf maand na de Evianconferentie en voorafgaand aan die toespraak van Hitler. Bij deze centraal georganiseerde Reichspogrom werden in Duitsland en (het ondertussen gewillig aangehechte) Oostenrijk ettelijke joodse bezittingen vernield en vele joden gemolesteerd. Minder bekend is dat op staande voet twintig- tot dertigduizend joden in concentratiekampen werden opgesloten (Schutzhaft heette dat: gevangenschap om vijanden van het volk te beschermen tegen de gerechtvaardigde volkswoede!). Enkele honderden joden overleefden de terreur in de kampen niet, maar alle anderen werden binnen het jaar vrijgelaten.

De aankomst van gedeporteerden in Auschwitz

Het drukkingsmiddel had enig effect. Van eind november 1938 tot het begin van de oorlog verleende Groot-Brittannië asiel aan meer dan tienduizend joodse kinderen uit Duitsland, Oostenrijk, Polen, Tsjechoslowakije en de vrije stad Danzig (Refugee Children’s Movement, vaak ‘kindertransport’ geheten). De meeste kinderen zagen hun ouders nooit terug. Joden konden overigens tot augustus 1941 Duitsland en door nazi’s bezette gebieden verlaten, met achterlating van hun hele bezit en op voorwaarde dat ze asiel kregen in een ander land. Niet dus. Een paar rijken en machtigen uitgezonderd.

Dit alles komt in deze aflevering van Kinderen van de Holocaust niet aan bod. Er is alleen even sprake van de ‘Antwerpse Kristallnacht’, de plunderingen en vernielingen die extreemrechtse bendes aanrichtten na de vertoning van de virulent antisemitische propagandafilm De Eeuwige Jood op 14 april 1941.

Na de beelden uit de toespraak van Hitler (30 januari 1939) springt het commentaar zonder overgang naar de jodenuitroeiing. Beweerd wordt dat ‘het onafgebroken moorden [vanaf juni 1941 bij de inval in Rusland, maar ook dit blijft onvermeld] voor mentale problemen bij de daders zorgde en het immense aantal lijken steeds moeilijker weg te werken viel. De nazitop dacht na over hoe ze de joden efficiënter konden uitroeien’. Meteen hierna komt de lijst in beeld die werd opgesteld voor de Wannseeconferentie (20 januari 1942), een optelsom van de uit te roeien Europese joden: meer dan elf miljoen (met inbegrip van joden in landen die de nazi’s nooit zouden veroveren, zoals Groot-Brittannië: 330.000, Rusland: 5 miljoen). Hierop, vervolgt het commentaar, werden in ijltempo ‘uitroeiingscentra gebouwd in bezet Polen, onder meer Birkenau bij Auschwitz’.

Geschiedkundig gezien is dit een rommeltje. Neem de daders. Dat waren niet alleen SS’ers maar ook gewone soldaten en (reserve)politielui. Bitter weinigen onttrokken zich aan hun taak en ze gingen doorgaans systematisch en gedisciplineerd te werk. Wie plezier schepte in het doden, zich door jodenhaat liet meeslepen, ‘nodeloze’ gruwelijkheden beging of plunderde, kon gestraft worden (wat af en toe gebeurde). Heinrich Himmler, hoofd van de SS en de Duitse politie, herinnerde hieraan in een urenlange toespraak die hij op 6 oktober 1943 hield voor SS- en politiegeneraals: ‘Wij hebben het morele recht, we hebben tegenover ons volk de plicht, dit volk, dat ons ombrengen wil, om te brengen. Maar we hebben niet het recht, ons persoonlijk te verrijken met een bontjas of een uurwerk, met een mark of met een sigaret, of wat dan ook. We zullen toch niet, omdat we een bacil uitroeien, erdoor besmet worden en sterven. Ik zal niet dulden dat zich ook maar een kleine rotte plek vormt of zich vastzet. Waar ze zich vormt, zullen we ze samen uitbranden. Maar alles samen kunnen we toch zeggen dat we deze zwaarste opgave in liefde voor ons volk volbracht hebben. En ons innerlijk, onze ziel, ons karakter hebben daarbij geen schade opgelopen’. Zo bleek, ook na de oorlog (Welzer).

Gevormd door en doordrenkt van decennialang antisemitisme, opgezweept door tien jaar nazipropaganda, zagen de meeste daders geen mensen meer in joden maar bacillen die het Arische Volkslichaam bedreigden. De ‘veldtocht tegen het judeo-bolsjewisme’, schreef generaal-veldmaarschalk Walter Von Reichenau op 10 oktober 1941 in een bevelschrift, gaat om meer dan eenvoudige soldatenplicht, het is een ideologisch rechtvaardige oorlog. De soldaat aan het oostfront is ‘meer dan een strijder volgens de krijgskunst, hij is tevens drager van een onverbiddelijk volks idee en wreker van alle beestachtigheden die het Duitse volk en daaraan verwante volkeren werden aangedaan. Daarom moet de soldaat volledig begrip tonen voor de noodwendigheid van de harde maar gerechtvaardigde straf voor het joodse Untermenschentum’. Erich von Manstein, één van de bekwaamste en meest invloedrijke officieren van de Wehrmacht (het reguliere Duitse leger) vulde aan: “Het jodendom heeft de sleutelposities in handen van politieke leiding, bestuur, handel en nijverheid, en vormt de kiem van alle onrust en eventuele opstanden. Het joods-bolsjewistische systeem moet eens voor al worden uitgeroeid. Nooit meer mag het in ons Europees Lebensraum vaste voet krijgen.”

Primo Levi onderstreepte dat de daders geen sadisten waren maar mensen die uit hetzelfde hout gesneden waren als wij. Gewone menselijke wezens, gemiddeld intelligent, gemiddeld boosaardig. Op enkele uitzonderingen na geen monsters, mensen als wij en daarom des te gevaarlijker.

De massale moordpartijen waren voor de meeste daders minder belastend dan het bloed en de stank die ermee gepaard gingen. Bij slachtpartijen in de omgeving van steden was dikwijls sprake van ‘executietoerisme’. Duitsers van allerlei slag kwamen kijken en kiekjes maken. Honderden van die foto’s zijn bewaard gebleven (Hamburger Institut für Sozialforschung, Welzer).

Ook de Wehrmacht deed enthousiast mee met de uitroeiing van de Europese joden Foto: murks-manege.com

Om de vele joden vlugger, massaler en met minder mankracht uit te roeien, werden allerhande methodes uitgeprobeerd. Met explosieven, vergassingswagens, dieselmotoren en uiteindelijk met blauwzuurgas (Zyklon B).

Birkenau (Auschwitz-II) was niet het eerste uitroeiingskamp. Begin december 1941 al werden in Chelmno joden massaal vermoord met uitlaatgassen van stationair draaiende vrachtwagens. Die speciaal hiervoor omgebouwde wagens waren in een vroegere fase rijdend gebruikt; de uitlaatgassen werden in de met mensen volgestouwde laadruimte binnen gevoerd. In maart, mei en juli ’42 begonnen de vergassingen in de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka (met uitlaatgassen geproduceerd door speciale motoren). 

Eén van de getuigen zegt dat de nazi’s iemand als jood beschouwden als hij of zij een joodse moeder had. Dat is de stelregel van het jodendom, maar niet die van de nazi’s. Die trokken genealogisch na hoeveel grootouders iemand had met ‘joods bloed’ in de aders (Neurenbergerwetten, september 1935). Om na te gaan of de grootouders joden waren, gingen de nazi’s er gemakshalve vanuit dat wie het joodse geloof aanhing ‘voljood’ was.

Tabel ter verduidelijking van de Nürenberger Gesetze (“Rassenwetgeving”) Foto publiek domein

Over de onteigening van joodse handelszaken – door de bezetter ‘ontjoodsing van de economie’ genoemd – luidt het in dit programma dat ‘slechts 3% van de winkels echt winstgevend was’. Er niet bij verteld wordt dat dit percentage afkomstig is uit het eindrapport van de Duitse militaire bezetter, een verslag dat werd opgesteld na de terugtrekking uit België. Het gaat dus niet om winstgevende handelszaken maar om zaken waar de Duitsers munt uit konden slaan.

In België viel bij de joden, waaronder veel recente armoedige vluchtelingen, niet veel te rapen. Heel wat minder dan het antisemitische stereotype van de van geld bulkende jood het wil. In België erkende de bezetter goed zevenduizend ondernemingen als joods, waarvan 70% kleine familiale en artisanale ondernemingen die volgens de Duitse bezetter minder dan tienduizend Belgische frank konden opbrengen (en ook verkocht werden). Om en bij de negenhonderd grote ondernemingen gingen geheel of deels over in Duitse handen. De liquidatie van middelgrote en kleine ondernemingen bracht 150 miljoen Belgische frank op en de Duitse deelname aan handelszaken die (nog) niet ontjoodst waren nog eens 1.250 miljoen frank (Steinberg).

Bij leed vereenzelvigt vrijwel iedereen zich met slachtoffers, niet met daders. Dat levert een slachtoffervisie op daders op. Zo valt met geen mogelijkheid te doorgronden wat daders bezielde. Jammer dus dat de indrukwekkende getuigenissen niet aangevuld en bijgesteld werden door indrukwekkende geschiedkundige inzichten.

Summiere bibliografie

Hamburger Institut für Sozialforschung (Hg.) – Verbrechen der Wehrmacht. Dimensionen des Vernichtungskrieges 1941-1944 (Ausstellungskatalog), Hamburg, Hamburger Edition, 2002 (http://www.verbrechen-der-wehrmacht.de/docs/ausstellung/ausstellung.htm)

Levi, Primo – The drowned and the saved, London, Michael Joseph, 1986

Loftus, Elizabeth & Ketcham, Katherine – Witness for the Defense. The accused, the eywitness, and the expert who puts memory on trial, New York, St. Martin’s Press, 1991

Loftus, Elizabeth & Ketcham, Katherine – Graven in het geheugen. De mythe van de verdrongen herinnering, Antwerpen/Amsterdam, Veen, 1995

Schacter, Daniel L. – How the mind forgets and remembers, London, Souvenir Press, 2007

Steinberg, Maxime – La question juive 1940-1942, Bruxelles, Vie Ouvrière, 1983

van den Berghe, Gie – Met de dood voor ogen. Begrip en onbegrip tussen overlevenden van nazi-kampen en buitenstaanders, Antwerpen, Epo, 1987

van den Berghe, Gie – Gott mit uns, Antwerpen, Hadewijch, 1995

Wagenaar, Willem A – Identifying Ivan. A case study in legal psychology, NewYork/London, Harvester – Wheatsheaf, 1988 (Het herkennen van Iwan, Swets & Zeitlinger, 1989)

Welzer, Harald – Daders. Hoe heel normale mensen massamoordenaars worden, Amsterdam, Anthos, 2006

May 8, 2020 at 11:25 am 1 comment

RUHIG ABWARTEN

Bilzen Foto Han Soete

Bilzen: tot voor kort was de naam van het Limburgse stadje voor mij en mijn generatiegenoten onlosmakelijk verbonden met Jazz Bilzen, de voorloper in de jaren zestig van de grote rockfestivals in Torhout en Werchter. Dat veranderde in de nacht van 10 op 11 november toen een toekomstig asielcentrum in brand werd gestoken. Voortaan staat Bilzen voor de eerste terreurdaad van dat soort in ons land, uitgerekend op de verjaardag van het einde van de eerste wereldoorlog en bijna dag op dag 81 jaar na de verschrikkelijke Kristallnacht waarmee in Duitsland de gewelddadige vervolging van de Joodse bevolking werd ingeluid en die zou leiden tot de massamoord op niet alleen Joden maar ook communisten, socialisten, liberalen, homo’s, zigeuners en al wie kritiek had op de nazi’s.

Kristallnacht: brandende synagoge in Baden Baden Foto: Flickr

Te veel samenloop van omstandigheden om toeval te zijn en de brand in Bilzen was dan ook de vernieuwde aanleiding tot het debat over de vraag of we ons tijdsgewricht al dan niet mogen of moeten vergelijken met de jaren dertig. De eminente historicus en kenner van de periode, Herman Van Goethem, meent dat er inderdaad voldoende parallellen zijn met de vooroorlogse jaren om ons zorgen te maken. Andere even eminente historici wijzen op de grote verschillen tussen toen en nu. Bruno De Wever bijvoorbeeld vindt dat de sociale zekerheid en de “stevig verankerde welvaartsstaat” ons kunnen behoeden voor een herhaling van de jaren dertig en de opkomst van fascisme en nazisme. Maar laat nu net die sociale zekerheid, het fundament van de welvaartsstaat onder druk van de neoliberale ideologie en rechtse regeringen steeds meer op de helling komen te staan. De lectuur van Geert Maks “Grote Verwachtingen” kan ons over de toekomst van de Europese eensgezindheid overigens alleen maar somber stemmen.

De politieke pyromanen van de jaren dertig zijn terug van nooit weggeweest schrijft Van Goethem. Hij geeft vier voorbeelden van historische tendensen die al vóór de tweede wereldoorlog aanwezig waren en die nu na decennialang min of meer sluimeren weer aan de oppervlakte komen. De leider die spreekt in naam van de massa, die zich niet langer vertegenwoordigd voelt door de klassieke politieke partijen. Denk aan Orbán, Salvini, Poetin en Trump. Bij ons is er nog niet zo dadelijk een “leider” van die allure in de coulissen waar te nemen, maar de afkeer van de bestaande politieke partijen maakt een breed publiek rijp voor zo een figuur. Voorts is er het sluipend gif van het nationalisme dat een externe vijand nodig heeft. Vandaag zijn dat niet alleen de moslims maar ook opnieuw de Joden. Denk maar aan de antisemitische campagne van de Hongaarse premier Orbán tegen de Joodse financier George Soros.

Tijdens de beruchte Alt-rightbetoging van augustus 2017 in het Amerikaanse Charlottesville scandeerden de extreemrechtse manifestanten: “Jews will not replace us”- President Trump noemde de betogers in Charlottesville “fijne mensen.” De ideologie van “the great replacement” van de Fransman Renaud Camus was de inspiratie voor de terreurdaden van Anders Breivik die in 2011 69 jongeren doodschoot en voor Brenton Tarrant, de blanke supremacist die in het Nieuw-Zeelandse Christchurch 51 mensen vermoordde.  Ook bij ons is de theorie populair in nieuwrechtse kringen met figuren als Van Langenhove als boegbeeld.

Charlottesville Foto|: Wikipedia Commons

Van Goethem wijst ook op de kracht van de nieuwe media. In de vooroorlogse jaren waren dat de radio en het bioscoopjournaal. Nu maken Twitter en Facebook, maar ook duistere internetkanalen het makkelijk om de boodschap van de leider “ongefilterd” op de massa los te laten. Trollenfabrieken in dienst van partijen of regeringen produceren aan de lopende band complottheorieën.  Ook de klassieke mainstreammedia zijn niet onschuldig. De Nederlandse populismespecialist Cas Mudde waarschuwt in De Volkskrant voor de normalisering van radicaalrechts populisme in de media die volgens hem de laatste jaren “steeds verder zijn gaan meebuigen met radicaalrechtse xenofobie.” Van een mediacordon is bij de Vlaamse openbare omroep intussen al lang geen sprake meer. Nadat hij in een ophefmakende documentaire van de VRT-Nieuwsdienst als een gewelddadige neofascist was ontmaskerd kon Van Langenhove doodgemoedereerd aan tafel zitten voor een debat met mainstream politici als Koen Geens en Maggy De Block. Na de brand in Bilzen kregen de politieke pyromanen als Tom Van Grieken en Jean-Marie De Decker uitgebreid de kans om het gebeuren te “duiden.”

Niemand heeft de sfeer en de geestesgesteldheid aan de vooravond van de twee wereldoorlogen beter beschreven dan de Oostenrijkse auteur Stefan Zweig in zijn autobiografie “De wereld van gisteren.” Twee keer danste Europa op een vulkaan en twee keer gingen vooruitgangsgeloof en optimisme de duisterste periode van onze geschiedenis vooraf. In de jaren voorafgaand aan de eerste wereldoorlog had Zweig een indrukwekkend netwerk van vriendschappen opgebouwd in de literaire en kunstwereld over heel Europa: met de Franse pacificist Jules Romains bijvoorbeeld, met Franz Werfel (“Der Weltfreund”) in Duitsland, Camille Lemonnier, Constantin Meunier en vooral Emile Verhaeren in België. Allen geloofden ze heilig in de “broederschap der volkeren,” niemand zag de tekenen des tijds die het grote conflict aankondigden. “We vertrouwden op Jaurès, op de socialistische Internationale” schrijft Zweig, “we geloofden dat de spoorwegarbeiders eerder de rails zouden opblazen dan hun kameraden als slachtvee naar het front laten transporteren…. Ons gemeenschappelijk idealisme, ons door vooruitgang bepaald optimisme maakten dat wij het gemeenschappelijke gevaar niet zagen of onderschatten.”

Zweig moest met vertwijfeling vaststellen hoe het opgezweepte nationalisme en de oorlog de vriendschapsbanden aantastten, hoe de stilte viel in de conversatie, hoe correspondentie onbeantwoord bleef. In de jaren dertig maakte hij, na het uitbundige optimisme van het decennium daarvóór, hetzelfde mee. Zweig woonde in het Oostenrijkse Salzburg, een steenworp van Berchtesgaden net over de grens waar een zekere Adolf Hitler zich zou komen vestigen. Maar ondanks die nabijheid duurde het ook nu weer lang eer Zweig en zijn tijdgenoten de ernst inzagen van wat in Duitsland en Italië aan de gang was. Pas toen hij in Italië een aanval van een goed georganiseerde groep fascistische jongeren op een linkse betoging had meegemaakt maakte hij zich echt zorgen om wat Europa opnieuw te wachten stond. “Dit was voor mij de eerste waarschuwing dat ons Europa onder het schijnbaar rustige oppervlak vol gevaarlijke onderstromingen was.” Dat had net zo goed vandaag geschreven kunnen zijn.

Ook in Duitsland groeide pas laat – té laat – het besef dat de “agitator van de bierhallen” echt gevaarlijk kon worden. De industriëlen zagen met tevredenheid de man die ze “jarenlang in het geheim hadden gesteund aan de macht komen” en “de meest verschillende, meest tegengestelde partijen zagen deze ‘onbekende soldaat’ die elke stand, elke partij, elke richting alles beloofd had wat ze graag hoorden, als hun vriend – zelfs de Duitse joden maakten zich geen grote zorgen.” Nog op 30 januari 1933, nadat Hitler aan de macht was gekomen, schreef de voorzitter van het “Centralverein deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens”,  de vereniging die in de 19e eeuw door Joodse intellectuelen was opgericht tegen het opkomende antisemitisme: “Im übrigen gilt heute ganz besonders die Parole: Ruhig abwarten!”

Johan Depoortere

24 december 2019

Deze tekst verscheen eerder als column in het decembernummer van Aktief, het blad van Het Masereelfonds

December 30, 2019 at 9:42 am 1 comment

VERDEELD DUITSLAND

Topvoetballer Mesut Özil heeft in Duitsland over migratie en integratie een debat uitgelokt dat tot vandaag in de media, op kantoor, in de huiskamer en in de Stammkneipe blijft nazinderen. “Ik ben Duitser als we winnen, maar ik ben een immigrant als we verliezen,” zei Özil een paar weken geleden en wakkerde daarmee de controverse aan die al eerder was ontstaan door een foto waarop de voetballer te zien was in het gezelschap van de Turkse leider Erdogan. De mediastorm die daarop volgde deed veel Duitsers van Turkse of andere buitenlandse origine zich afvragen of ze na twee-drie generaties echt wel zo goed geïntegreerd zijn en als Duitsers aanvaard worden als ze tot nu toe dachten. Özil zelf zei vaarwel tegen de Mannschaft, die het ook al hard te verduren kreeg na de bedroevende prestatie op het wereldkampioenschap. Maar – zo schreef Der Spiegel – 58% van de Duitsers vinden niet dat Özil respectloos of racistisch behandeld werd en slechts 27% betreurt dat hij uit de nationale ploeg is verdwenen.

Özil met Erdogan. De foto deed een verhit debat losbarsten.

Het Özildebat komt bovenop de scherpe Duitse verdeeldheid over de migratieproblematiek. Ook in Duitsland worden de grenzen van het fatsoen voortdurend opgeschoven, ook in Duitsland wordt extreem-rechts en racistisch taalgebruik mainstream. Woorden die ons bekend in de oren klinken of hun Duitse variant worden bij onze Oosterburen steeds vaker in de mond genomen: “asieltoerisme,” “open-grenzenlobby” (“Anti-Abschiebe-Industrie.”), “Gutmenschen.” In talkshows worden moslims steevast geassocieerd met bedreiging of criminaliteit en op een Pegidabetoging in Dresden werden migranten uitgenodigd te “verzuipen” (“Absaufen.”)

Aan de andere kant van het spectrum heb je iemand als kardinaal Reinhard Marx die de christendemocraten Seehofer en Söder de mantel uitveegt wegens hun ruk naar rechts en hun populistisch taalgebruik. De stem van Marx, aartsbisschop van München en voorzitter van de Duitse bisschoppenconferentie, heeft gewicht in een land waar de christendemocratie nog altijd de dienst uitmaakt. Maar juist een partij die het woord “christelijk`’ in haar titel voert heeft volgens Marx bijzondere verplichtingen ten aanzien van de armen en de onderdrukten en dus ook van mensen die op de vlucht zijn voor armoede en vervolging. Dat spoort volgens de bisschop helemaal niet met de richting die CDU maar vooral de Beierse zusterpartij CSU uitgaat. Zo laakte de bisschop minister van binnenlandse zaken Horst Seehofer, die er prat op ging dat hij zijn 69e verjaardag had gevierd door 69 uitwijzingen te ondertekenen. “Hoogst ongepast” vindt de bisschop. En dat de Beierse minister-president Markus Söder het woord “Asieltoerisme” in de mond neemt kan Marx evenmin smaken. “Nationalist zijn en katholiek zijn dat gaat niet samen,” stelde de aartsbisschop zonder omwegen in een interview met het weekblad Die Zeit. Kom daar eens om bij onze zwijgzame bisschoppen die vooral de kool en de geit willen sparen.

Kardinaal Reinhard Marx: “Nationalist zijn en katholiek zijn dat gaat niet samen.”

Kardinaal Marx is niet de enige die door gevoelens van solidariteit en medeleven wordt bewogen. Volgens een enquête in opdracht van het ministerie voor gezinszaken engageren zich nu nog 20% van alle Duitsers met een of andere vorm van hulp aan vluchtelingen: financieel, met materiële hulp of met bijvoorbeeld taalondericht. Sedert 2015 was zowat de helft van de bevolking op een of andere manier bij de hulpverlening betrokken. Maar in een klimaat van angst en haat dreigt deze spontane stroom aan hulpverleners op te drogen. Ook economisch kan het kerende tij in Duitsland zware gevolgen hebben. In Der Spiegel maakt een vrouwelijke bedrijfsleider zich grote zorgen omdat van de twaalf immigranten die ze als werknemer heeft aangenomen de helft met uitwijzing wordt bedreigd. Meer dan 100 ondernemingen ijveren nu met een initiatief voor de legalisatie van hun vluchtelingen-werknemers.

Joe Kaeser, de baas van Siemens, het grootste Duitse industrie-en technologiebedrijf, is bezorgd om de toenemende verruwing van het debat. Toen Alice Weidel, de fractievoorzitster van de extreem-rechtse AfD het in de Bondsdag had over “hoofddoekmeisjes” en “mesmannen” antwoordde Kaeser op twitter: “Liever hoofddoekmeisjes dan Bund deutscher Mädel 1. Met zulke woorden beschadigt mevrouw Weidel het aanzien van ons land in de wereld, daar waar de voornaamste bron van de Duitse welvaart ligt.” Dat een industriemagnaat als Kaeser de parallel trekt tussen de Bondsrepubliek en de Nazitijd is hoogst uitzonderlijk. Maar ook toen, zo betoogde Kaeser in München, hebben teveel mensen te lang gezwegen. Zijn oom is in Dachau vermoord omdat hij weigerde aan te sluiten bij de Hitlerjugend.

Dat extreem-rechts nu in de Bondsdag zit is één ding, erger wellicht is dat partijen die tot het democratische centrum worden gerekend meer en meer in die richting opschuiven. Zoals bij ons figuren als Hendrik Bogaert of Gwendolyn Rutten het taalgebruik en ideeën van extreemrechts salonfähig maken, zo gaan Duitse christendemocraten en liberalen de populistische rand opzoeken. Of zoals een Duitse zakenvrouw van Turkse origine het in Der Spiegel verwoordt: “Met elk succes van de populisten laten de democratische partijen zich aan de neusring door de manege slepen. Dat kost hun alleen maar stemmen want wie volks-nationalistisch ingesteld is kiest voor het origineel en niet voor het afgietsel.”

Markus Söder, minister-president van Beieren (CSU)

De peilingen lijken haar gelijk te geven: de almachtige CSU met Markus Söder aan het hoofd van de regering in Beieren stevent in de Landsdagverkiezingen van 14 oktober aanstaande op een historische nederlaag af. De harde taal van Söder levert niet hem maar de concurrentie op rechts stemmen op. In de peilingen komt de AfD nu op de derde plaats, maar de grote winnaars lijken de Groenen te worden die met de 33-jarige Katharina Schulze een stemmenkanon in huis hebben. Daarom wordt nu al openlijk gespeculeerd over een “Groen-zwarte” coalitie in Beieren en wellicht met dat vooruitzicht matigt Söder in de campagne zijn anti-immigratierethoriek. Maar in de jongste geschiedenis hebben de verkiezingen in de Duitse deelstaten alleen dit gemeen: alle peilingen zaten glad verkeerd.

Johan Depoortere

1De vrouwenorganisatie van de Nazis

August 17, 2018 at 11:22 am 2 comments

PARIJS-BERLIJN

De as Berlijn-Parijs wordt nieuw leven ingeblazen en dat zou goed nieuws moeten zijn voor de toekomst van Europa. Niet over de toekomst maar over het verleden van de twee hoofdsteden die zo bepalend waren voor de geschiedenis van het continent  zijn vrij recent twee boeken verschenen: “Berlijn, Leven in een gespleten stad” van Piet de Moor en “Het andere Parijs” van Luc Sante, een Amerikaan van Belgische origine die naam heeft gemaakt met talrijke werken over populaire cultuur, fotografie, literatuur, muziek en film.

Door Johan Depoortere

HET ANDERE PARIJS, Stad van het volk

Luc Sante

Antwerpen Polis, 2016

349 p.

De gespletenheid van Berlijn, tot een kwarteeuw geleden een gedeelde stad, daar hoeft weinig verklaring bij. Maar ook Parijs is een stad waar twee werelden naast en soms tegen elkaar bestaan. Luc Sante laat zijn boek beginnen met een stuk dialoog uit de film Pépé le Moko van Julien Duvivier (1937) waarin de twee hoofdrolspelers Gaby (Mireille Balin) en Pépé (Jean Gabin) nostalgisch mijmeren over hun geboortestad Parijs. Maar Gaby, de dochter van welgestelde ouders en Pépé blijken het elk over een totaal ander Parijs te hebben. Gaby over de “Quartier de l’ Europe,” het noordwestelijke stuk “van de taart,” waar de gegoede burgerij woont, Pépé over de rest: het proletarische Parijs, maar ook dat van de straatartiesten, de voddenrapers, de gauwdieven, het café-chantant en la bohème, een Parijs dat intussen verdwenen is.

Sante put uitvoerig uit een indrukwekkende reeks boeken, films, muziek en foto’s om zijn verhaal te vertellen en citeert naar hartenlust uit bekende en soms obscure werken zoals dat van Jean-Paul Clébert: Paris Insolite (1952). Clébert, een telg uit een burgerlijk milieu liep op zijn zestiende weg uit een jezuieteninternaat, ging in het verzet en leidde na de oorlog een bestaan als clochard, maar vooral als flaneur, een categorie die bij Sante in het bovenste laatje ligt. Het Parijs dat hij beschrijft is dat van de man (vrouwelijke flaneurs komen in het stuk niet voor) die schijnbaar doelloos door de stad dwaalt en daarbij eindeloos tijd maakt voor onverwachte ontmoetingen, gesprekken en drinkpartijen met al wie hij op zijn weg tegenkomt.

Het Parijs van Clébert

Clébert hoorde overigens thuis in de subcategorie van de flaneur de nuit in de lijn van Restif de la Bretonne, de 18e-eeuwse pionier op het gebied en veel later de fotografen die het wonder van het electrische licht in beeld probeerden te vatten. Al in 1905 maakte Gabriel Loppé (1825-1913) zijn beroemde foto van de bliksemschicht op de Eifeltoren.

Foto Gabriel Loppé – 1905

Brassaï (1899-1984) legt in zijn foto’s de dolle jaren vast van het Volksfront met de bals-musette, travestietenbals, Folies Bergère en opiumtenten. Zijn foto’s van het interieur van de balzalen maar ook van hoeren en arbeiders in de riolen aan het werk, van liefdesparen en criminelen in actie hebben voor decennia daarna het beeld geschapen dat elke toerist van Parijs is gaan dromen. Het is een Parijs dat toen al – aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – gedoemd was te verdwijnen.

Een iconische foto van Brassaï

Dat het Parijs dat we vandaag kennen nog weinig met dat van pakweg begin 19e eeuw te maken heeft hebben we te danken aan de opeenvolgende aanvallen van bouw-en vernielingswoede van de heersende machten. Baron Haussmann (geen echte baron, maar zo liet hij zich zelf graag noemen) was prefect van de Seine tussen 1853 en 1870, het begin van de Frans-Pruissische oorlog.

Rue Rivoli, het straatbeeld dat het patroon werd voor Parijs.

Na de Revoluties van 1848 pakten Napoleon III en Haussmann het drastisch aan: Haussmann liet 20000 huizen slopen, ook dat waar hij zelf geboren was. In de plaats kwamen brede lanen die het mogelijk moesten maken om militaire detachementen snel te verplaatsen waar nodig. Haussmann trok met een lineaal lijnen door hele stadswijken waardoor straten en huizen verdwenen en vervangen werden door majestueuze zij het steriele pleinen zoals de Place de la Révolution waar de drukke en populaire Boulevard du Crime moest verdwijnen en met haar de theaters en cafés waar generaties lang de massa’s drank en vertier vonden. De Ile de la Cité, het oudste hart van Parijs dat dateerde uit de middeleeuwen en daarvoor, werd herschapen in een kale vlakte – vrijwel alleen de Notre Dame bleef gespaard. Wie tranen laat voor het oude Parijs moet ook bedenken dat de leefomstandigheden in de Ile de la Cité erbarmelijk waren, met smalle steegjes die nauwelijks licht doorlieten en waar door vocht en kou chronische ziektes de straatarme inwoners decimeerden.

Het scheelde niet veel of in de twintigste eeuw had Le Corbusier – een bewonderaar van Mussolini – wat van het oude Parijs was overgebleven vervangen door zijn fameuze Cité Radieuse met torengebouwen en brede toegangswegen voor koning automobiel. Dat is dus niet doorgegaan maar in de jaren 70 had president Georges Pompidou wel oor naar de ideeën van Corbusier en andere modernisten. Hij liet de beroemde Hallen van Haussmann afbreken en vervangen door het modernistische en voor velen schreeuwlelijke Centre Beaubourg. Met de Hallen verdween niet alleen de markt uit het centrum van Parijs maar werd een eeuwenoude buurt herschapen tot een pretpark ten behoeve van de toeristen. Het moet op het krediet van zijn opvolger Giscard d’Estaing worden geschreven dat Parijs in de decennia daarna gespaard is gebleven van verdere hoogbouw zoals La Défense aan de rand van de stad.

De enorme kloof tussen arm en rijk aan het einde van de 19e – begin 20e eeuw. (Petit Palais)

Het moge duidelijk zijn, Luc Sante betreurt het verdwijnen van het oude Parijs, maar hij trapt niet in de val van de valse romantiek die in dat soort werken meestal wijdopen staat. Het leven van de petit peuple was geen pretje. Naarmate de stadsplanners het centrum van Parijs “moderniseerden” werden de armen verder naar de rand verdreven. In een film van Georges Lacombe (1902-1990) uit 1928 wordt ons een blik gegund op het leven van de chiffonniers: de voddenrapers en vuilnisophalers. In scènes die sterk doen denken aan wat je vandaag kunt zien in miljoenensteden als Mexico of Manila leven honderden mannen, vrouwen en kinderen op de vuilnisbelten waar ze al het bruikbare sorteren en verzamelen. De film is getiteld La Zone, de naam van het gebied waar de onderlagen van de Parijse bevolking werden samengeveegd aan de rand van de stad. In 1841 liet Louis Philippe een vestingsmuur bouwen op de plek van de huidige Périphérique, waardoor het grondgebied van de stad werd uitgebreid met een aantal landelijke dorpen en een 300 meter brede bufferzone die het centrum buiten het bereik van vijandelijke artillerie moest houden. Het duurde niet lang voor de Zone werd ingenomen door al wie uit het duurdere centrum werd verdreven: voddenrapers, artiesten, criminelen, zigeuners en hoeren. De Parijzenaars bedachten voor hen verschillende koosnaampjes: la Canaille, la crapule, la vermine of nog la rapaille, het woord dat Sarkozy koos om de rebellerende jongeren in de banlieue te “benoemen”. Anderhalve eeuw na de bouw van de muur die al in 1871 werd afgebroken zijn de armen – die intussen kansarmen heten – immers nog verder de stad uitgedreven naar de banlieue, de buitenwijken aan de andere kant van de Périphérique.

Chiffonniers. Uit de film La Zone

Ravachol, een populaire anarchist die stierf onder het mes van de guillotine werd door het volk vereerd

Om de zoveel bladzijden kreeg ik bij de lectuur van dit boek de bijna onbedwingbare neiging om de TGV te nemen en naar Parijs te reizen om de plekken te zien waar Sante over schrijft. Maar ik weet dat ik van een kale reis zou terugkomen: het Parijs van Sante is niet meer. Het lelijke gezicht van de armoede, de stank en de ellende zijn uit beeld verdreven. In de plaats is het geld gekomen. Parijs is gesaneerd en gedesinfecteerd ten behoeve van de miljoenen toeristen die elk jaar de stad bezoeken. Het legendarische café Chez Moineau waar Ed van der Elsken zijn iconische foto’s van de jaren zestig maakte is nu naar verluidt een pianobar. La bohème ça ne veut plus rien dire du tout, zingt Charles Aznavour. De verpretparking loert om de hoek: “Van wat ooit werd geleefd en beleefd resten nog slechts afbeeldingen.”

De sixties van Ed van der Elsken

“Mijn boek is een soort liefdesbrief voor de stad zoals hij was voor hij werd ingenomen door het geld,” zegt Luc Sante in een interview met The Guardian. En ik wil de lezer de rest van het citaat niet onthouden: “Geld kan wat mij betreft niet zoals terrorisme mensen onmiddellijk doden, maar zeker is dat het op een veel diepere en achterbakse manier het weefsel van het dagelijks leven aantast. De terrorist kan over 50, 20 of 10 jaar verslagen worden, maar het is veel moeilijker om het geld te verslaan.”

BERLIJN: leven in een gespleten stad

Piet de Moor

Amsterdam: van Gennep, 2016

373 p.

“Het verleden is in Berlijn altijd meer aanwezig, de toekomst onzekerder dan in een andere stad,” schrijft Piet de Moor die sinds 2010 in de stad woont en er eerder, begin jaren 70, ook al twee jaar verbleef. Over dat verleden schrijft de Moor dus vanuit het gezichtspunt van een Berlijner en dat levert althans voor een niet-specialist als ik een aantal treffende nieuwe inzichten op. Zoals de ware betekenis van Kennedy’s enorme populariteit en zijn gevleugelde uitspraak ich bin ein Berliner, waarover later meer.

De Moor begint zijn geschiedenis van de stad met de boekverbranding op 10 mei 1933. De logistiek voor deze spontane actie van het Duitse volk is in de maanden en weken daarvoor grondig voorbereid. Nationaalsocialistische studenten zijn de aanstokers. Wolfgang Hermann, een bibliothecaris uit Spandau heeft ze geholpen met een lijst van alle auteurs die naar zijn mening verbrennungswürdig zijn. Maar de lijst lekt voortijdig uit en Hermann is daar niet blij mee: hij vreest dat de bibliotheken de gewraakte boeken snel in veiligheid zullen brengen en dat de studenten daardoor achter het net zullen vissen. Zijn vrees in ongegrond: in de ochtend van woensdag 10 mei schuimen de studenten de depots af. Ze stapelen hun buit op in de Oranienburgstrasze. “De boeken zien eruit als gevangenen die naar het schavot worden gebracht” schrijft Philip Metcalfe in “1933”. Vervolgens gaan de boeken van hand tot hand en de laatste student in de rij geeft het boek aan de vlammen prijs met een rituele vuurspreuk: “Hiermee geef ik de geschriften van Sigmund Freud aan de vlammen prijs.”

Hitler is dan amper drie maanden kanselier. De bejaarde en half demente president Hindenburg heeft zijn afkeer van de Oostenrijkse Gefreiter ingeslikt en hem aan het hoofd gesteld van een regering met behalve de Führer zelf slechts twee nazis. De traditionele rechtse partijen dachten de stokebrand op die manier te kunnen neutraliseren. Het pakte anders uit: vijf maanden later was de rechtsstaat afgebouwd, of zoals de Moor het formuleert: “Onder het gejuich van de elites is Duitsland vijf maanden na het aantreden van Hitler in een totalitaire staat getransformeerd.” Niet alleen de rechtse partijen, ook vadertje Stalin had zijn aandeel in de ondergang van het democratische Duitsland: hij kelderde het antifascistische bondgenootschap tussen sociaaldemocraten en communisten. Maar volgens de publicist en historicus Sebastian Haffner lag de ‘”hoofdverantwoordelijkheid voor het debacle van de Weimarrepubliek bij de leiders van de democratische partijen en organisaties die de nazis lieten betijen (…) doordat zij achter de leuzen van de nazis aanliepen en hun ‘evenzeer nationaal-zijn benadrukten.”

Droogwoners

Trockenwohner van Heinrich Zille

Dieper in de geschiedenis: ook Berlijn kende net als Parijs zijn low life : de werklozen, armoezaaiers, analfabeten, dronkenlappen, klaplopers, bedelaars en hoeren die de wereld bevolken van de kunstenaar Heinrich Zille (1858-1929.) Ze wonen in de lugubere woonkazernes die tussen pakweg 1870 en 1914 zijn opgetrokken. “Rechtstaande doodskisten” zijn het in de woorden van de Brits-Amerikaanse auteur Christopher Isherwood in zijn Berlin Stories (1945.) De industriële revolutie lokte een enorme massa boeren en havelozen naar het boomende Berlijn. Er wordt gebouwd dat het een lieve lust is en de lakse bouwreglementen staan de jacht op winst allerminst in de weg. De huizen worden in rijen diep opgetrokken, met nauwelijks ruimte voor binnenplaatsen en groen. De woningen hebben minieme ramen en de vochtigheid blijft jaren in de muren hangen. Het ergst zijn er de droogwoners aan toe. Ze worden beschreven in Ein Mann will nach oben van Hans Fallada: “Droogwoners zijn arme mensen die hun ademtocht verkopen. Omdat uitgeademde lucht rijk is aan koolstofdioxide die de natte kalkmortel waarmee de muren bepleisterd zijn sneller doet drogen, mogen droogwoners gratis wonen in de nieuwe woningen waar dat droogproces nog niet is voltooid. Zodra dat gebeurd is moeten ze opkrassen en plaats maken voor betalende huurders.” Dat soort toestanden leidde regelrecht naar de revoluties aan het einde van de eerste wereldoorlog.

Berlijn 1945

Ondanks de grote verwoestingen bleven in Berlijn veel muren overeind staan.

26 jaar later hebben de Berlijners alweer een verloren oorlog te verwerken. Berlijn ligt in puin – net als de meeste Duitse steden ook al is Berlijn er relatief minder erg aan toe omdat de stad in tegenstelling tot de middeleeuwse Duitse steden al het product was van de negentiende en twintigste eeuw. Het zijn niet de luchtbombardementen die Hitler op de knieën hebben gekregen. De bombardementen dienden om de bevolking te demoraliseren en zo op te zetten tegen het regime, maar ze sorteerden vaak het omgekeerde effect. Een nieuwe generatie Duitse historici gaat het thema van de Moral bombing niet langer uit de weg. In zijn controversiële magnum opus De Brand (2002) beschrijft Jörg Friedrich voor het eerst de vreselijke taferelen die zich in de brandende Duitse steden hebben voorgedaan. 600000 Duitsers, van wie 80000 kinderen verzengden of verstikten op Duitse bodem. Het resultaat was militair gesproken verwaarloosbaar. Ook economisch was de schade beperkt: “Zelfs op het hoogtepunt van de geallieerde luchtaanvallen in 1944 hadden de bombardementen slechts 6,5 procent van het machinepark vernietigd of beschadigd.” De bombardementen hebben het einde de oorlog waarschijnlijk geen dag dichterbij gebracht.

Na de val van de Hitlerbunker breekt voor de Berlijners een tijd aan van plundering en verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger die massaal wraak nemen voor de wandaden en de verwoestingen die de Hitlertroepen in de Sovjetunie hebben aangericht. Ook “de behoefte om het ooit machtige en nu machteloze ‘superras’ te vernederen was erg sterk” schrijft een Australische historicus. “Dat was het (…) wat de frequentie helpt verklaren waarmee Duitse vrouwen in het bijzijn van hun mannen of in het openbaar werden verkracht.” De officieren van het Rode Leger laten hun manschappen meestal begaan. Er zijn uitzonderingen zoals de Sovjetstadscommandant Berzarin die hard optreedt tegen plunderaars en verkrachters. Door het optreden van het Rode Leger verliezen de Duitse communisten veel prestige bij de Berlijnse vrouwen wat de catastrofale nederlaag van de SED bij de lokale verkiezingen van oktober 1946 mee helpt verklaren: “De Duitse communisten betalen de electorale rekening voor de vernederingen die de Berlijnse vrouwen onder de Sovjets hebben ondergaan.”

De Muur en Kennedy

13 augustus 1961: de bouw van de muur.

Net als de boekenverbranding was ook de bouw van de Berlijnse muur een knap staaltje Duitse gründlichkeit. Het leek totaal geïmproviseerd toen vopo’s (Volkspolizei) en militairen op 13 augustus 1961 grote bouwstenen haastig op elkaar stapelden, maar er was aan de gigantische operatie een lange en minutieuze voorbereiding voorafgegaan. Ook de communicatie van de DDR-leiding was uitgekookt. Tussen 1945 en 1961 zijn drieëneenhalf miljoen mensen uit het land gevlucht, een zesde van de bevolking. Dat er iets moest gebeuren wist een kind, maar een muur? “Niemand hat die Absicht eine Mauer zu errichten” zei partijleider Walter Ulbricht op 15 juni 1961, twee maanden vóór de bouw van de muur. De Oost-Duitsers begrepen de boodschap: de ontkenning was een bevestiging die de vluchtelingenstroom alleen maar aanwakkerde. En dat was ook de bedoeling: met de dreigende leegloop van de DDR zette Ulbricht Moskou onder druk om de laatste opening in het Ijzeren Gordijn te dichten.

Als de muur een feit is reageert het Westen opvallend rustig. President Kennedy verneemt het nieuws als hij aan het zeilen is in Hyannis Port en hij vindt het niet nodig zijn vakantie te onderbreken. Meer zelfs: Amerikanen, Britten en Fransen zijn opgelucht dat het “Berlijnse probleem” daarmee opgelost is. Door de bouw van de een muur tonen de Sovjets immers aan dat ze hun aanspraken op de rest van Berlijn voorgoed hebben opgegeven. Dat voor de helft van de stad en 17 miljoen DDR-burgers daarmee de grendels van hun gevangenis definitief dichtschuiven was de westelijke leiders kennelijk geen zorg. Willy Brandt, toen burgemeester van Berlijn, zou het de Amerikanen nooit echt vergeven. Volgens een Russische diplomaat was diens Ostpolitik ook ingegeven door gevoelens van revanche op de Amerikanen. Hoe dan ook hadden “de West-Berlijners geen enkele reden om twee jaar later zo opgetogen te zijn over Kennedy’s bezoek aan Berlijn en over zijn legendarische woorden ‘Ich bin ein Berliner”. Zie ook:

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/06/25/berlijn-sporen-zoeken/

Kennedy: “Ich bin ein Berliner”. Willy Brandt – uiterst rechts op de foto – denkt er het zijne van.

Al meer dan een kwarteeuw is Berlijn niet langer een gedeelde stad, maar in de hoofden van de mensen blijft de deling bestaan. Oost- en West-Berlijn leven voort in gescheiden wijken: 200000 mensen van Turkse afkomst in het ietwat groezelige vanouds proletarische Wedding en in wijken die tot 1989 aan de muur grensden: Kreuzberg en Neukölln waar de Sonnenallee wegens het grote aantal immigranten uit het Nabije Oosten de bijnaam “Arabische Strasze” heeft gekregen. Voeg daaraan toe de 130000 Polen, van wie er 30000 een Duits paspoort bezitten en bijna 20000 Russen.“De Russsiche nouveaux riches verschansen zich in hun vastgoed in de Mommsen- en Pestalozzistrasze. De minder gefortuneerde Russen bunkeren daarentegen in de Plattenbauten van het Oost-Berlijnse Marjan”. Dat al die minderheden min of meer in harmonie samenleven mag een klein wonder heten, maar misschien is juist dat het unieke van Berlijn.

Johan Depoortere

July 14, 2017 at 3:46 pm 3 comments


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,701 other followers