Posts filed under ‘Europa’

VAROUFAKIS EN THUCYDIDES

2015-06-27 17:59:16 Greek Finance Minister Yanis Varoufakis gives a press conference during a Eurogroup meeting at the EU headquarters in Brussels on June 27, 2015. AFP PHOTO/ JOHN THYS

 

door Marc Coucke

 

Dit stuk gaat over twee Grieken (maar niet in gelijke mate) :  Varoufakis die naam gemaakt heeft in de 21ste eeuw en Thucydides, die de Peloponnesische oorlog heeft beschreven in de 5de eeuw voor onze tijdrekening.

Yanis Varoufakis heeft een zeer leesbaar en lijvig boek [1] geschreven over zijn periode als Grieks Minister van Financiën. Het is een belangrijk boek, niet zozeer omwille van het relaas van wat zich heeft afgespeeld in Griekenland in 2015 maar wel omdat het een inkijk geeft over hoe er in de hoogste regionen in Europa en de wereld (IMF) aan politiek wordt gedaan. Het democratisch deficit wordt hier wel heel erg bloot gelegd.

De toon van het boek wordt reeds gezet in de inleiding. In april 2015 heeft Varoufakis in Washington een lange informele ontmoeting met Larry Summers, de Amerikaanse  Minister van Financiën onder Bill Clinton en de voormalige President van Harvard University. Beiden kennen elkaar heel goed en kunnen het goed met elkaar vinden. Summers zegt aan Varoufakis dat hij in zijn openbaar leven één grote les heeft geleerd :  ‘Er zijn 2 soorten politici, de insiders en de outsiders. De outsiders houden zich het recht voor duidelijke taal te spreken en hechten veel belang aan de waarheid. De prijs die zij moeten betalen voor die vrijheid van spreken is dat zij genegeerd worden door de insiders, die de belangrijke beslissingen nemen.  De insiders huldigen één  heilige stelregel : ga nooit in tegen andere insiders en verklap nooit aan outsiders wat insiders zeggen of doen. Wat krijgen zij daarvoor ? Toegang tot inside information en een kans om machtige personen te beïnvloeden.’ Het boek is een aaneenschakeling van politieke ontmoetingen die dit inzicht bevestigen.

Yanis Varoufakis (geboren in 1961) had naam gemaakt als economist voor hij door Alexis Tsipras van Syriza gevraagd werd om in de politiek te gaan. Hij heeft zijn universitaire studies gedaan in Engeland en heeft als professor gedoceerd in Engeland, Australië, Griekenland en Amerika. Zijn vakgebied is game theory [2] en dat laat zich in dit boek voelen. Voor elke politieke ontmoeting heeft hij verschillende scenario’s uitgeschreven en denkt hij enkele stappen vooruit. Hij benadert de politiek als een academicus en hij denkt zijn collega ministers te kunnen overtuigen met rationele argumenten, quod non. Hij komt van een kale reis thuis en wordt dikwijls geconfronteerd met collega’s die naar hem kijken alsof hij niets gezegd heeft, alsof hij geen plan heeft voorgelegd. Zij weigeren met hem in dialoog te gaan. Daarover ondervraagd[3] zegt hij dat hij niet naïef was en heel goed besefte dat men hem niet met open armen zou ontvangen. Hij ging ervan uit dat, indien hij zinnige proposities en een afschrikkingswapen op tafel legde, zij dan wel moesten luisteren.  Hij had een mogelijk atoomwapen in zijn hand. In 2010 had de ECB voor € 33 miljard Griekse staatsleningen overgekocht van privé investeerders. De nieuwe Griekse regering kon in 2015 beslissen deze leningen niet terug te betalen. Dat zou Mario Draghi in een onhoudbare positie gebracht hebben want er was een uitspraak van het Europees Hof (na een klacht van de Duitse Bundesbank bij het Duitse Grondwettelijk Hof) dat de ECB geen enkel verlies mocht lijden op aangekochte staatsleningen.

Voor hij minister werd in januari 2015 was Griekenland reeds twee keer financieel  ‘gered’ geworden. Griekenland had in mei 2010 voor € 110 miljard leningen ontvangen van (verschillende landen in) Europa en het IMF. Dit moest de Griekse staat, die bankroet was en daarom geen beroep meer kon doen op de financiële markten, er bovenop helpen. Als tegenprestatie moest Griekenland aanvaarden dat er drastische hervormingen werden doorgevoerd die ter plaatse gecontroleerd werden door een trojka van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF. Deze bail-out was echter niet opgezet om Griekenland te helpen maar moest dienen om grote Duitse en Franse banken van de ondergang te redden. Die banken hadden Griekse staatsleningen gekocht voor een bedrag van meer dan € 200 miljard. Indien Griekenland dit geld aan de banken niet kon terugbetalen dan zouden ook Portugal, Spanje en Italië in het vizier komen van de financiële markten en de exposure van die banken aan die zuiderse landen was nog veel groter en zij riskeerden daaraan ten onder te gaan.  Sarkozy en Merkel hadden hun banken al eens moeten redden na de financiële crisis van 2008 en konden het zich politiek niet veroorloven hun Parlement nog een tweede keer een reddingsboei te vragen voor hun banken. De tweede redding van de Franse en de Duitse banken is dus verpakt geworden als een redding van Griekenland. Van de € 110 miljard die Griekenland als lening gekregen heeft in mei 2010 van Europa (de Europese belastingbetalers) en het IMF is dus niets Griekenland ten goede gekomen. Dit bedrag werd volledig aangewend om de Griekse staatsleningen vervroegd terug te betalen aan de Franse en Duitse banken. De dubieuze leningen die die banken verschaft hebben aan de Griekse staat werden dus overgenomen door de Europese en internationale  gemeenschap.

Griekenland heeft een tweede lening gekregen van € 130 miljard in 2012. Hier waren heel wat voorwaarden aan verbonden, die werden vastgelegd in een Memorandum of Understanding (MoU). Eerst en vooral een 90 % schuldafschrijving (een haircut) van € 100 miljard op eerdere Griekse staatsleningen die gekocht werden door Griekse pensioenfondsen, Griekse banken en Griekse burgers. Deze Griekse obligatiehouders werden in één klap € 100 miljard armer. De buitenlanders bleven buiten schot. Andere voorwaarden waren het oprichten van The Hellenic Financial Stability Fund, dat toezicht moest houden op de Griekse banken maar volledig gecontroleerd werd door de trojka, de aanstelling door de trojka van een nieuw hoofd van de Griekse belastingdienst, die niet kon ontslagen worden door de Griekse regering en het oprichten van een dienst die Griekse overheidsholdings moest privatiseren. Van de lening van € 130 miljard werd € 50 miljard aangewend om de Griekse banken te onderstutten met nieuw kapitaal (om de haircut te compenseren) en een ander deel diende om een deel van de vroegere leningen van Europa en het IMF terug te betalen.

De Griekse bevolking had in de verkiezingen van januari 2015 aan Syriza een mandaat gegeven om het Griekse reddingsplan te heronderhandelen met Europa en het IMF. Varoufakis was (en blijft) ervan overtuigd dat de aanpak van de trojka Griekenland niet uit het moeras kan trekken maar Griekenland vast ketent in een schuldengevangenis. De MoU is een giftig medicijn dat de toestand van de patiënt enkel slechter maakt. Die aanpak van de trojka is noodzakelijk om te vermijden dat enkele belangrijke Europese leiders politiek gezichtsverlies zouden lijden door toe te geven dat ze het verkeerd voor hadden.

Varoufakis had zijn eigen plan, dat hij getoetst had bij belangrijke economische adviseurs (Jamie Galbraith, Jeff Sachs, Norman Lamont) en dat oorspronkelijk was goedgekeurd door het Griekse war cabinet, maar waar Tsipras uiteindelijk is voor gezwicht. Het plan hield een schuldherschikking in (bestaande leningen vervangen door enerzijds eeuwigdurende leningen die in principe nooit terug betaald worden en waarop enkel eeuwigdurend intrest wordt betaald en anderzijds door leningen waarvan de afbetaling zou gekoppeld worden aan de groei van de Griekse economie), een voorstel om de failliete Griekse banken over te hevelen naar het Europees niveau (want het was Europees geld dat ze overeind hield) en een voorstel om belastingen te innen bij belastingontduikers door gebruik te maken van data mining.

Wanneer Varoufakis zijn plan voorstelde in de Eurogroup vergadering van 11 februari 2015 was het  antwoord van de Duitse minister Schäuble heel kort : ‘Verkiezingen kunnen geen voorwendsel zijn om de economische politiek te veranderen.’ Varoufakis antwoordde :  ‘Democratie is geen luxe die de rijke landen zich kunnen veroorloven maar moet ontzegd worden aan de arme landen.’ Toen Varoufakis vroeg dat zijn voorstel ten minste zou uitgedeeld worden aan zijn collega’s om het te kunnen bestuderen werd dit door Schäuble geweigerd want dan zou hij wettelijk verplicht zijn dit voorstel ten berde te brengen in het Duits Parlement waar het zeker zou worden afgekeurd. Schäuble zei dat Varoufakis zijn voorstel maar aan de trojka moest overmaken. Varoufakis argumenteerde dat de trojka een groep technici zijn die niet verkozen zijn en geen verantwoording moeten afleggen. Hij wilde een discussie op politiek niveau maar die kreeg hij niet.

Op het einde van de Eurogroup vergadering van 27 juni 2015, de laatste die Varoufakis heeft bijgewoond, wilde Voorzitter Jeroen Dijsselbloem een communiqué verspreiden waar Varoufakis niet mee akkoord ging en wilde hij een nieuwe vergadering samenroepen in de namiddag zonder Varoufakis. Varoufakis vroeg aan de secretaris of dat zo maar kon. Het antwoord van de secretaris, na consultatie met de Juridische Dienst van de Europese Commissie,  was dat de Eurogroup geen juridische basis heeft omdat het in geen enkel Europees verdrag voorkomt en dat de Voorzitter daarom kan handelen naar eigen goeddunken.

In het boek komen nog veel voorbeelden voor van machtspelletjes. Dijsselbloem en Schäuble die Varoufakis afdreigen met uitsluiting uit de eurozone (Grexit), Schäuble die Griekenland wil afstraffen om Frankrijk een lesje te leren en discipline op te leggen. Daar tegenover stelt Varoufakis altijd het belang van de soevereiniteit van de staat en de waardigheid van het volk.

Waar blijft Thucydides ? Zijn uitspraak van 26 eeuwen terug vat het boek goed samen :  ‘In de echte wereld doen de sterken wat zij willen en ondergaan de zwakken wat zij moeten.’ Dit is trouwens ook de titel van een ander boek dat Varoufakis recent geschreven heeft : ‘And the weak suffer what they must ?’

[1] ‘Adults in the room’, ISBN 9781847924452, 550 blz.

[2] https://www.yanisvaroufakis.eu/books/game-theory-a-critical-text/

[3] https://www.socialeurope.eu/adults-room-taking-europes-deep-state

augustus 6, 2017 at 8:47 am 1 reactie

PARIJS-BERLIJN

De as Berlijn-Parijs wordt nieuw leven ingeblazen en dat zou goed nieuws moeten zijn voor de toekomst van Europa. Niet over de toekomst maar over het verleden van de twee hoofdsteden die zo bepalend waren voor de geschiedenis van het continent  zijn vrij recent twee boeken verschenen: “Berlijn, Leven in een gespleten stad” van Piet de Moor en “Het andere Parijs” van Luc Sante, een Amerikaan van Belgische origine die naam heeft gemaakt met talrijke werken over populaire cultuur, fotografie, literatuur, muziek en film.

Door Johan Depoortere

HET ANDERE PARIJS, Stad van het volk

Luc Sante

Antwerpen Polis, 2016

349 p.

De gespletenheid van Berlijn, tot een kwarteeuw geleden een gedeelde stad, daar hoeft weinig verklaring bij. Maar ook Parijs is een stad waar twee werelden naast en soms tegen elkaar bestaan. Luc Sante laat zijn boek beginnen met een stuk dialoog uit de film Pépé le Moko van Julien Duvivier (1937) waarin de twee hoofdrolspelers Gaby (Mireille Balin) en Pépé (Jean Gabin) nostalgisch mijmeren over hun geboortestad Parijs. Maar Gaby, de dochter van welgestelde ouders en Pépé blijken het elk over een totaal ander Parijs te hebben. Gaby over de “Quartier de l’ Europe,” het noordwestelijke stuk “van de taart,” waar de gegoede burgerij woont, Pépé over de rest: het proletarische Parijs, maar ook dat van de straatartiesten, de voddenrapers, de gauwdieven, het café-chantant en la bohème, een Parijs dat intussen verdwenen is.

Sante put uitvoerig uit een indrukwekkende reeks boeken, films, muziek en foto’s om zijn verhaal te vertellen en citeert naar hartenlust uit bekende en soms obscure werken zoals dat van Jean-Paul Clébert: Paris Insolite (1952). Clébert, een telg uit een burgerlijk milieu liep op zijn zestiende weg uit een jezuieteninternaat, ging in het verzet en leidde na de oorlog een bestaan als clochard, maar vooral als flaneur, een categorie die bij Sante in het bovenste laatje ligt. Het Parijs dat hij beschrijft is dat van de man (vrouwelijke flaneurs komen in het stuk niet voor) die schijnbaar doelloos door de stad dwaalt en daarbij eindeloos tijd maakt voor onverwachte ontmoetingen, gesprekken en drinkpartijen met al wie hij op zijn weg tegenkomt.

Het Parijs van Clébert

Clébert hoorde overigens thuis in de subcategorie van de flaneur de nuit in de lijn van Restif de la Bretonne, de 18e-eeuwse pionier op het gebied en veel later de fotografen die het wonder van het electrische licht in beeld probeerden te vatten. Al in 1905 maakte Gabriel Loppé (1825-1913) zijn beroemde foto van de bliksemschicht op de Eifeltoren.

Foto Gabriel Loppé – 1905

Brassaï (1899-1984) legt in zijn foto’s de dolle jaren vast van het Volksfront met de bals-musette, travestietenbals, Folies Bergère en opiumtenten. Zijn foto’s van het interieur van de balzalen maar ook van hoeren en arbeiders in de riolen aan het werk, van liefdesparen en criminelen in actie hebben voor decennia daarna het beeld geschapen dat elke toerist van Parijs is gaan dromen. Het is een Parijs dat toen al – aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – gedoemd was te verdwijnen.

Een iconische foto van Brassaï

Dat het Parijs dat we vandaag kennen nog weinig met dat van pakweg begin 19e eeuw te maken heeft hebben we te danken aan de opeenvolgende aanvallen van bouw-en vernielingswoede van de heersende machten. Baron Haussmann (geen echte baron, maar zo liet hij zich zelf graag noemen) was prefect van de Seine tussen 1853 en 1870, het begin van de Frans-Pruissische oorlog.

Rue Rivoli, het straatbeeld dat het patroon werd voor Parijs.

Na de Revoluties van 1848 pakten Napoleon III en Haussmann het drastisch aan: Haussmann liet 20000 huizen slopen, ook dat waar hij zelf geboren was. In de plaats kwamen brede lanen die het mogelijk moesten maken om militaire detachementen snel te verplaatsen waar nodig. Haussmann trok met een lineaal lijnen door hele stadswijken waardoor straten en huizen verdwenen en vervangen werden door majestueuze zij het steriele pleinen zoals de Place de la Révolution waar de drukke en populaire Boulevard du Crime moest verdwijnen en met haar de theaters en cafés waar generaties lang de massa’s drank en vertier vonden. De Ile de la Cité, het oudste hart van Parijs dat dateerde uit de middeleeuwen en daarvoor, werd herschapen in een kale vlakte – vrijwel alleen de Notre Dame bleef gespaard. Wie tranen laat voor het oude Parijs moet ook bedenken dat de leefomstandigheden in de Ile de la Cité erbarmelijk waren, met smalle steegjes die nauwelijks licht doorlieten en waar door vocht en kou chronische ziektes de straatarme inwoners decimeerden.

Het scheelde niet veel of in de twintigste eeuw had Le Corbusier – een bewonderaar van Mussolini – wat van het oude Parijs was overgebleven vervangen door zijn fameuze Cité Radieuse met torengebouwen en brede toegangswegen voor koning automobiel. Dat is dus niet doorgegaan maar in de jaren 70 had president Georges Pompidou wel oor naar de ideeën van Corbusier en andere modernisten. Hij liet de beroemde Hallen van Haussmann afbreken en vervangen door het modernistische en voor velen schreeuwlelijke Centre Beaubourg. Met de Hallen verdween niet alleen de markt uit het centrum van Parijs maar werd een eeuwenoude buurt herschapen tot een pretpark ten behoeve van de toeristen. Het moet op het krediet van zijn opvolger Giscard d’Estaing worden geschreven dat Parijs in de decennia daarna gespaard is gebleven van verdere hoogbouw zoals La Défense aan de rand van de stad.

De enorme kloof tussen arm en rijk aan het einde van de 19e – begin 20e eeuw. (Petit Palais)

Het moge duidelijk zijn, Luc Sante betreurt het verdwijnen van het oude Parijs, maar hij trapt niet in de val van de valse romantiek die in dat soort werken meestal wijdopen staat. Het leven van de petit peuple was geen pretje. Naarmate de stadsplanners het centrum van Parijs “moderniseerden” werden de armen verder naar de rand verdreven. In een film van Georges Lacombe (1902-1990) uit 1928 wordt ons een blik gegund op het leven van de chiffonniers: de voddenrapers en vuilnisophalers. In scènes die sterk doen denken aan wat je vandaag kunt zien in miljoenensteden als Mexico of Manila leven honderden mannen, vrouwen en kinderen op de vuilnisbelten waar ze al het bruikbare sorteren en verzamelen. De film is getiteld La Zone, de naam van het gebied waar de onderlagen van de Parijse bevolking werden samengeveegd aan de rand van de stad. In 1841 liet Louis Philippe een vestingsmuur bouwen op de plek van de huidige Périphérique, waardoor het grondgebied van de stad werd uitgebreid met een aantal landelijke dorpen en een 300 meter brede bufferzone die het centrum buiten het bereik van vijandelijke artillerie moest houden. Het duurde niet lang voor de Zone werd ingenomen door al wie uit het duurdere centrum werd verdreven: voddenrapers, artiesten, criminelen, zigeuners en hoeren. De Parijzenaars bedachten voor hen verschillende koosnaampjes: la Canaille, la crapule, la vermine of nog la rapaille, het woord dat Sarkozy koos om de rebellerende jongeren in de banlieue te “benoemen”. Anderhalve eeuw na de bouw van de muur die al in 1871 werd afgebroken zijn de armen – die intussen kansarmen heten – immers nog verder de stad uitgedreven naar de banlieue, de buitenwijken aan de andere kant van de Périphérique.

Chiffonniers. Uit de film La Zone

Ravachol, een populaire anarchist die stierf onder het mes van de guillotine werd door het volk vereerd

Om de zoveel bladzijden kreeg ik bij de lectuur van dit boek de bijna onbedwingbare neiging om de TGV te nemen en naar Parijs te reizen om de plekken te zien waar Sante over schrijft. Maar ik weet dat ik van een kale reis zou terugkomen: het Parijs van Sante is niet meer. Het lelijke gezicht van de armoede, de stank en de ellende zijn uit beeld verdreven. In de plaats is het geld gekomen. Parijs is gesaneerd en gedesinfecteerd ten behoeve van de miljoenen toeristen die elk jaar de stad bezoeken. Het legendarische café Chez Moineau waar Ed van der Elsken zijn iconische foto’s van de jaren zestig maakte is nu naar verluidt een pianobar. La bohème ça ne veut plus rien dire du tout, zingt Charles Aznavour. De verpretparking loert om de hoek: “Van wat ooit werd geleefd en beleefd resten nog slechts afbeeldingen.”

De sixties van Ed van der Elsken

“Mijn boek is een soort liefdesbrief voor de stad zoals hij was voor hij werd ingenomen door het geld,” zegt Luc Sante in een interview met The Guardian. En ik wil de lezer de rest van het citaat niet onthouden: “Geld kan wat mij betreft niet zoals terrorisme mensen onmiddellijk doden, maar zeker is dat het op een veel diepere en achterbakse manier het weefsel van het dagelijks leven aantast. De terrorist kan over 50, 20 of 10 jaar verslagen worden, maar het is veel moeilijker om het geld te verslaan.”

BERLIJN: leven in een gespleten stad

Piet de Moor

Amsterdam: van Gennep, 2016

373 p.

“Het verleden is in Berlijn altijd meer aanwezig, de toekomst onzekerder dan in een andere stad,” schrijft Piet de Moor die sinds 2010 in de stad woont en er eerder, begin jaren 70, ook al twee jaar verbleef. Over dat verleden schrijft de Moor dus vanuit het gezichtspunt van een Berlijner en dat levert althans voor een niet-specialist als ik een aantal treffende nieuwe inzichten op. Zoals de ware betekenis van Kennedy’s enorme populariteit en zijn gevleugelde uitspraak ich bin ein Berliner, waarover later meer.

De Moor begint zijn geschiedenis van de stad met de boekverbranding op 10 mei 1933. De logistiek voor deze spontane actie van het Duitse volk is in de maanden en weken daarvoor grondig voorbereid. Nationaalsocialistische studenten zijn de aanstokers. Wolfgang Hermann, een bibliothecaris uit Spandau heeft ze geholpen met een lijst van alle auteurs die naar zijn mening verbrennungswürdig zijn. Maar de lijst lekt voortijdig uit en Hermann is daar niet blij mee: hij vreest dat de bibliotheken de gewraakte boeken snel in veiligheid zullen brengen en dat de studenten daardoor achter het net zullen vissen. Zijn vrees in ongegrond: in de ochtend van woensdag 10 mei schuimen de studenten de depots af. Ze stapelen hun buit op in de Oranienburgstrasze. “De boeken zien eruit als gevangenen die naar het schavot worden gebracht” schrijft Philip Metcalfe in “1933”. Vervolgens gaan de boeken van hand tot hand en de laatste student in de rij geeft het boek aan de vlammen prijs met een rituele vuurspreuk: “Hiermee geef ik de geschriften van Sigmund Freud aan de vlammen prijs.”

Hitler is dan amper drie maanden kanselier. De bejaarde en half demente president Hindenburg heeft zijn afkeer van de Oostenrijkse Gefreiter ingeslikt en hem aan het hoofd gesteld van een regering met behalve de Führer zelf slechts twee nazis. De traditionele rechtse partijen dachten de stokebrand op die manier te kunnen neutraliseren. Het pakte anders uit: vijf maanden later was de rechtsstaat afgebouwd, of zoals de Moor het formuleert: “Onder het gejuich van de elites is Duitsland vijf maanden na het aantreden van Hitler in een totalitaire staat getransformeerd.” Niet alleen de rechtse partijen, ook vadertje Stalin had zijn aandeel in de ondergang van het democratische Duitsland: hij kelderde het antifascistische bondgenootschap tussen sociaaldemocraten en communisten. Maar volgens de publicist en historicus Sebastian Haffner lag de ‘”hoofdverantwoordelijkheid voor het debacle van de Weimarrepubliek bij de leiders van de democratische partijen en organisaties die de nazis lieten betijen (…) doordat zij achter de leuzen van de nazis aanliepen en hun ‘evenzeer nationaal-zijn benadrukten.”

Droogwoners

Trockenwohner van Heinrich Zille

Dieper in de geschiedenis: ook Berlijn kende net als Parijs zijn low life : de werklozen, armoezaaiers, analfabeten, dronkenlappen, klaplopers, bedelaars en hoeren die de wereld bevolken van de kunstenaar Heinrich Zille (1858-1929.) Ze wonen in de lugubere woonkazernes die tussen pakweg 1870 en 1914 zijn opgetrokken. “Rechtstaande doodskisten” zijn het in de woorden van de Brits-Amerikaanse auteur Christopher Isherwood in zijn Berlin Stories (1945.) De industriële revolutie lokte een enorme massa boeren en havelozen naar het boomende Berlijn. Er wordt gebouwd dat het een lieve lust is en de lakse bouwreglementen staan de jacht op winst allerminst in de weg. De huizen worden in rijen diep opgetrokken, met nauwelijks ruimte voor binnenplaatsen en groen. De woningen hebben minieme ramen en de vochtigheid blijft jaren in de muren hangen. Het ergst zijn er de droogwoners aan toe. Ze worden beschreven in Ein Mann will nach oben van Hans Fallada: “Droogwoners zijn arme mensen die hun ademtocht verkopen. Omdat uitgeademde lucht rijk is aan koolstofdioxide die de natte kalkmortel waarmee de muren bepleisterd zijn sneller doet drogen, mogen droogwoners gratis wonen in de nieuwe woningen waar dat droogproces nog niet is voltooid. Zodra dat gebeurd is moeten ze opkrassen en plaats maken voor betalende huurders.” Dat soort toestanden leidde regelrecht naar de revoluties aan het einde van de eerste wereldoorlog.

Berlijn 1945

Ondanks de grote verwoestingen bleven in Berlijn veel muren overeind staan.

26 jaar later hebben de Berlijners alweer een verloren oorlog te verwerken. Berlijn ligt in puin – net als de meeste Duitse steden ook al is Berlijn er relatief minder erg aan toe omdat de stad in tegenstelling tot de middeleeuwse Duitse steden al het product was van de negentiende en twintigste eeuw. Het zijn niet de luchtbombardementen die Hitler op de knieën hebben gekregen. De bombardementen dienden om de bevolking te demoraliseren en zo op te zetten tegen het regime, maar ze sorteerden vaak het omgekeerde effect. Een nieuwe generatie Duitse historici gaat het thema van de Moral bombing niet langer uit de weg. In zijn controversiële magnum opus De Brand (2002) beschrijft Jörg Friedrich voor het eerst de vreselijke taferelen die zich in de brandende Duitse steden hebben voorgedaan. 600000 Duitsers, van wie 80000 kinderen verzengden of verstikten op Duitse bodem. Het resultaat was militair gesproken verwaarloosbaar. Ook economisch was de schade beperkt: “Zelfs op het hoogtepunt van de geallieerde luchtaanvallen in 1944 hadden de bombardementen slechts 6,5 procent van het machinepark vernietigd of beschadigd.” De bombardementen hebben het einde de oorlog waarschijnlijk geen dag dichterbij gebracht.

Na de val van de Hitlerbunker breekt voor de Berlijners een tijd aan van plundering en verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger die massaal wraak nemen voor de wandaden en de verwoestingen die de Hitlertroepen in de Sovjetunie hebben aangericht. Ook “de behoefte om het ooit machtige en nu machteloze ‘superras’ te vernederen was erg sterk” schrijft een Australische historicus. “Dat was het (…) wat de frequentie helpt verklaren waarmee Duitse vrouwen in het bijzijn van hun mannen of in het openbaar werden verkracht.” De officieren van het Rode Leger laten hun manschappen meestal begaan. Er zijn uitzonderingen zoals de Sovjetstadscommandant Berzarin die hard optreedt tegen plunderaars en verkrachters. Door het optreden van het Rode Leger verliezen de Duitse communisten veel prestige bij de Berlijnse vrouwen wat de catastrofale nederlaag van de SED bij de lokale verkiezingen van oktober 1946 mee helpt verklaren: “De Duitse communisten betalen de electorale rekening voor de vernederingen die de Berlijnse vrouwen onder de Sovjets hebben ondergaan.”

De Muur en Kennedy

13 augustus 1961: de bouw van de muur.

Net als de boekenverbranding was ook de bouw van de Berlijnse muur een knap staaltje Duitse gründlichkeit. Het leek totaal geïmproviseerd toen vopo’s (Volkspolizei) en militairen op 13 augustus 1961 grote bouwstenen haastig op elkaar stapelden, maar er was aan de gigantische operatie een lange en minutieuze voorbereiding voorafgegaan. Ook de communicatie van de DDR-leiding was uitgekookt. Tussen 1945 en 1961 zijn drieëneenhalf miljoen mensen uit het land gevlucht, een zesde van de bevolking. Dat er iets moest gebeuren wist een kind, maar een muur? “Niemand hat die Absicht eine Mauer zu errichten” zei partijleider Walter Ulbricht op 15 juni 1961, twee maanden vóór de bouw van de muur. De Oost-Duitsers begrepen de boodschap: de ontkenning was een bevestiging die de vluchtelingenstroom alleen maar aanwakkerde. En dat was ook de bedoeling: met de dreigende leegloop van de DDR zette Ulbricht Moskou onder druk om de laatste opening in het Ijzeren Gordijn te dichten.

Als de muur een feit is reageert het Westen opvallend rustig. President Kennedy verneemt het nieuws als hij aan het zeilen is in Hyannis Port en hij vindt het niet nodig zijn vakantie te onderbreken. Meer zelfs: Amerikanen, Britten en Fransen zijn opgelucht dat het “Berlijnse probleem” daarmee opgelost is. Door de bouw van de een muur tonen de Sovjets immers aan dat ze hun aanspraken op de rest van Berlijn voorgoed hebben opgegeven. Dat voor de helft van de stad en 17 miljoen DDR-burgers daarmee de grendels van hun gevangenis definitief dichtschuiven was de westelijke leiders kennelijk geen zorg. Willy Brandt, toen burgemeester van Berlijn, zou het de Amerikanen nooit echt vergeven. Volgens een Russische diplomaat was diens Ostpolitik ook ingegeven door gevoelens van revanche op de Amerikanen. Hoe dan ook hadden “de West-Berlijners geen enkele reden om twee jaar later zo opgetogen te zijn over Kennedy’s bezoek aan Berlijn en over zijn legendarische woorden ‘Ich bin ein Berliner”. Zie ook:

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/06/25/berlijn-sporen-zoeken/

Kennedy: “Ich bin ein Berliner”. Willy Brandt – uiterst rechts op de foto – denkt er het zijne van.

Al meer dan een kwarteeuw is Berlijn niet langer een gedeelde stad, maar in de hoofden van de mensen blijft de deling bestaan. Oost- en West-Berlijn leven voort in gescheiden wijken: 200000 mensen van Turkse afkomst in het ietwat groezelige vanouds proletarische Wedding en in wijken die tot 1989 aan de muur grensden: Kreuzberg en Neukölln waar de Sonnenallee wegens het grote aantal immigranten uit het Nabije Oosten de bijnaam “Arabische Strasze” heeft gekregen. Voeg daaraan toe de 130000 Polen, van wie er 30000 een Duits paspoort bezitten en bijna 20000 Russen.“De Russsiche nouveaux riches verschansen zich in hun vastgoed in de Mommsen- en Pestalozzistrasze. De minder gefortuneerde Russen bunkeren daarentegen in de Plattenbauten van het Oost-Berlijnse Marjan”. Dat al die minderheden min of meer in harmonie samenleven mag een klein wonder heten, maar misschien is juist dat het unieke van Berlijn.

Johan Depoortere

juli 14, 2017 at 3:46 pm 2 reacties

CHOMSKY VALT AAN

 

Noam Chomsky

 

Door Tom Ronse

“Wie regeert de wereld?” is de originele titel van het pas door EPO uitgegeven boek “De Chomsky papers”. Het antwoord op die vraag is minder evident dan pakweg twintig jaar geleden. De VS is nog altijd de dominante supermacht maar die macht is in verval, meent Chomsky. Net daardoor wordt ze volgens hem nog gevaarlijker. De “Doomsday Clock” staat op drie voor twaalf”, waarschuwt hij.

Noam Chomsky is een fenomeen. Hij staat bekend als de vader van de moderne linguistiek en een pionier van de cognitieve wetenschap. Daarnaast  was en is hij een politieke activist en auteur van een hondertal boeken en nog veel meer artikels. Kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek en media is zijn hoofdthema. Hij wordt veel gelezen, wereldwijd. Door de enen wordt hij op de handen gedragen, door anderen verguisd. The Observer noemde hem “the world’s greatest public intellectual”, Der Spiegel “de ayatollah van de anti-Amerikaanse haat”.

De star quality van de auteur is vermoedelijk de reden waarom EPO de titel van het boek veranderde in “De Chomsky papers” (eerder gaf EPO al “De essentiële Chomsky” en drie andere Chomsky-boeken uit). Het  boek is een verzameling van eerder gepubliceerde essays, waarvan het oudste dateert van 1966. Helaas heeft de auteur geen poging ondernomen om lang geleden geschreven essays te actualiseren of om de herhalingen die in hoofdstuk na hoofdstuk opduiken te schrappen.

Het boek verscheen in het Engels in 2016. EPO’s versie bevat een nawoord, geschreven na de verkiezing van Trump. Chomsky verwacht uiteraard dat die het nog veel erger zal maken.  De feiten geven hem gelijk.  Trump lijkt vastbesloten om de opwarming van de planeet te versnellen, de bewapeningsuitgaven drastisch te verhogen, de belastingen van de rijksten te verlagen en te besparen op de rug van de armen, de ouderen en de zieken. Wat dat laatste betreft, krijgt hij nog wat tegenwind maar de noodzaak om nog meer uit te geven om Amerika’s militaire suprematie te handhaven wordt in het Congres niet in vraag gesteld. De bereidheid van de bevolking om de nodige offers daartoe te aanvaarden steunt op een brede aanvaarding van de premisse dat de Amerikaanse militaire macht een noodzakelijke en goedaardige rol speelt in de wereld. De wijsheid van een militaire interventie mag betwijfeld worden maar niet de goede bedoelingen.  Het is die mythe die Chomsky onderuit schopt.

Zo contrasteert hij de bewering dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich tot doel stelt om vrijheid en democratie te verspreiden met vele voorbeelden die net het omgekeerde tonen.  Washington steunt een democratisering als dat de belangen van het Amerikaanse kapitaal dient, zo toont hij aan, maar als dat niet het geval is aarzelt ze niet om verkozen regeringen omver te werpen en dictators te steunen. Verkiezingen worden geprezen maar als een bevolking “verkeerd” kiest, zoals de Palestijnen in Gaza, dan wordt ze daarvoor gestraft.

Terwijl hij de vele Amerikaanse militaire interventies overloopt, fileert Chomsky de hypocrisie van de propaganda die ze begeleidde. Achter de humanitaire slogans schuilt vaak een kille onverschilligheid voor de gruwelijke gevolgen voor de burgerbevolking. Hij hekelt de verloedering van het woord “terrorisme”, dat nu in heel de wereld gebruikt wordt om de acties van vijanden te beschrijven maar niet die van bondgenoten.  Washington gaf het voorbeeld toen het de bomaanval op de kazerne van de Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983 terrorisme noemde maar de slachtpartij die kort daarvoor met steun van Israel plaatsgreep in Sabra en Shatila niet. Nochtans was het doelwit in het eerste geval militair en in het tweede de burgerbevolking. De vervaging van dat onderscheid is gevaarlijk omdat ze aanslagen op burgerbevolking even legitiem maakt als acties tegen militaire tegenstanders.

Over selectieve verontwaardiging  heeft Chomsky een heel hoofdstuk.  De wijze waarop gebeurtenissen worden voorgesteld in de media vormen en misvormen onze kijk op de wereld. Ook onze eigen mainstream media laten zich vaak leiden door de selectieve woede van Washington. Chomsky geeft daar treffende voorbeelden van.

Te simpel

Chomsky wil een globaal portret schilderen maar slaagt daar niet echt in. Door zijn grotendeelse focus op het Midden-Oosten, Europa en Rusland en Oost-Azië, blijft de rest van de wereld buiten zijn gezichtsveld.

Voor hem lijkt er maar één imperialistisch land te bestaan. De VS is de enige boosdoener, de rest zijn handlangers of slachtoffers. De misdaden van anderen blijven buiten zijn gezichtsveld.

Volgens Chomsky wordt het wereldgebeuren gedreven door politici. Hij ziet enkel Washington, in dienst van een superrijke, hebzuchtige elite. De onderliggende omwentelingen in de economie en samenleving blijven buiten zijn gezichtsveld. De schaalvergroting van de economie, de IT-revolutie en vele andere ingrijpende veranderingen spelen geen rol in zijn verhaal.

Ingewikkeld maakt hij het niet. De globalisering reduceert hij tot “de bewuste, zelfgekozen ondermijning van eigen krachten” (van de VS). De eindeloze crisis van het Midden-Oosten is de schuld van het Sykes-Picot akkoord (1916) dat  artificiële grenzen creërde, plus Amerikaans imperialisme, en daarmee is de kous af.  Chomsky’s analyse blijft oppervlakkig.  Hij ontmaskert “the good guys”, ze blijken “the bad guys”. De rollen zijn omgekeerd. De “baddest” van al is de Republikeinse partij, “de gevaarlijkste organisatie uit de wereldgeschiedenis”, want ze “heeft zich tot doel gesteld zo snel mogelijk elke vorm van georganiseerd menselijk leven op aarde te vernietigen.”

Dit boek is een aanklacht, een polemiek. Maar een diepgravende analyse van de oorzaken van de huidige ellende is het niet en evenmin biedt het een perspectief om eruit te geraken. Toch is het het lezen waard. Chomsky wrijft het zand uit onze ogen, dat er door propaganda is ingestrooid.

 

Noam Chomsky, De Chomsky papers, EPO, € 24.95

 

(Dit stuk verscheen woensdag in De Morgen)

 

juli 7, 2017 at 3:31 am Plaats een reactie

MACRON: OPSTAP NAAR DE ANTIPOLITIEK?

Emmanuel Macron

Het eclatante succes van Emmanuel Macron en zijn beweging La République en Marche heeft andermaal een aantal politieke zekerheden van de tafel geveegd. De traditionele partijen betalen de prijs voor een crisis waarvoor ze zelf grotendeels verantwoordelijk zijn. Macron begint met een schone lei: “noch links noch rechts,” een boodschap die ook bij traditioneel links lijkt aan te slaan. Is Macron immers niet het laatste bolwerk tegen het oprukkende rechts populisme in Europa en is hij er niet als enige in geslaagd te verhinderen dat Marine Le Pen haar intrek zou nemen in het Elysée? De zucht van verlichting van John Crombez tot la Doornaert klonk oorverdovend.

Protest tegen de “Loi Travail” van Macron, toen nog minister in de regering Hollande.

Is er inderdaad zoveel reden voor het gejuich dat in de mainstream media weerklinkt? Integendeel, zo moet je concluderen als je het – weliswaar vage – verkiezingsprogramma en de eerste initiatieven van Macron van dichterbij bekijkt. Zelfs de New York Times is het opgevallen dat zijn plannen om de uitzonderingstoestand permanent te maken “weinig zullen uithalen in de strijd tegen het terrorisme” maar integendeel de “rechten van de burgers schenden.” Het gaat om maatregelen als huiszoekingen zonder gerechtelijk bevel, huisarrest of het opleggen van een enkelband en het opeisen van computerwachtwoorden. Vakbondsmilitanten en activisten in burgerbewegingen vrezen dat die maatregelen ook tegen hen zullen worden gebruikt zoals nu al in een aantal gevallen lijkt te zijn gebeurd. Macron wil overigens de macht van de vakbonden breken door afspraken op bedrijfsniveau voorrang te verlenen op sectoriële akkoorden.

Maar er is meer. De Belgische politicologe aan de universiteit van Westminster Chantal Mouffe noemt het fenomeen Macron het ultieme stadium van de postpolitiek, de wegbereider als het ware van de anti-politiek. “Hoe paradoxaal,” zo schrijft Mouffe in een opiniestuk in Le Monde “dat als remedie tegen de diepe crisis van de westerse democratieën net die politiek wordt voorgesteld die de oorzaak is van die crisis,” namelijk de strategie van de “Derde Weg” zoals die in Groot-Brittannië in de praktijk werd gebracht onder Tony Blair. Volgens Blair behoorden we allen tot de middenklasse. Er was niet langer een economische politiek van links of van rechts, alleen een goede of een slechte economische politiek. Een ideologie die teruggaat op het TINA – There is no Alternative – van Margret Thatcher. De overtuiging namelijk dat er geen alternatief bestaat voor de neoliberale globalisering, die ook hier nog enthousiast wordt uitgedragen door kopstukken als Bart De Wever en Gwendolyn Rutten en die al dan niet stilzwijgend ook wordt omarmd door de meeste Europese sociaaldemocratische partijen, inclusief de Belgische PS en SPa.

Chantal Mouffe

Politiek is het georganiseerde meningsverschil. Als er geen alternatief bestaat voor de heersende consensus is de politiek dood. De pletwals van La République en Marche, gecombineerd met de extreem lage opkomst in de parlementsverkiezingen, lijkt inderdaad de doodsklokken te luiden voor de democratische politiek zoals we die tot nu toe kennen. Het eerste slachtoffer is de sociaaldemocratie die overal in Europa klappen krijgt die wel eens fataal zouden kunnen zijn. Maar de gevolgen beperken zich niet tot het wegkwijnen van de sociaaldemocratie. Het is de democratie zelf die op het spel staat. De post-politieke consensus zo schrijft Mouffe laat “geen ruimte voor het alterneren van centrum-rechts en centrum-links aan de macht” en zet op die manier de volkssoevereiniteit, de basis van de democratie, buiten spel.

Jean-Luc Melenchon

Macron gaat nog een stap verder en maakt zelfs dat alterneren van centrum-links en centrum-rechts onmogelijk door het links-rechts onderscheid helemaal uit te vagen. De “straat” blijft dan de enige optie voor grote lagen van de bevolking om voor hun belangen op te komen. Een ander gevolg is dat diezelfde bevolkingsgroepen meer dan ooit gehoor geven aan de sirenenzang van extreem rechts. Daar lijkt Macron zich voorlasnog weinig zorgen over te maken, een blindheid die Mouffe “hallucinant” vindt omdat de “recyclage van de Derde Weg het Front National niet zal indijken zoals hij schijnt te hopen maar integendeel zou kunnen versterken en zelfs mogelijk tot de overwinning leiden in 2022.” Of de beweging van Jean Luc Mélenchon, La France Insoumise, dat door een “burgerrevolutie” zal kunnen vermijden zoals Mouffe hoopt valt nog af te wachten.

Johan Depoortere

juni 16, 2017 at 9:49 am 4 reacties

NUIT DEBOUT: OPSTAND VAN DE JEUGD ZONDER TOEKOMST.

Na onder andere de Indignados in Spanje en Occupy Wall Street in de VS komen nu ook in Frankrijk jongeren en ouderen in verzet tegen de neoliberale platwals. Is de Nuit Debout-beweging een blijver of is het de zoveelste tot mislukken gedoemde poging om de onmacht van links te doorbreken?

Continue Reading mei 12, 2016 at 1:03 pm 5 reacties

Waarom aanslagen geen aanval op “onze waarden” zijn

 

kobani Jan 2015

Willem Schinkel schrijft in de Nederlandse journalistieke site decorrespondent.nl:

Nog geen week voordat premier Mark Rutte verklaarde dat we ‘in oorlog’ zijn met IS, gaven verschillende Kamerfracties blijk van sympathie voor het PvdA-voorstel Defensie te ‘depolitiseren.’ Daarmee bedoelden ze het vastleggen van de begroting van Defensie voor meerdere jaren zonder tussentijdse herziening omdat – bijvoorbeeld na verkiezingen – politieke voorkeuren anders liggen. In de context van aanslagen in Europa vormen een oorlogsverklaring en de depolitisering van de oorlogsmachinerie een gevaarlijke combinatie.

De depolitisering van oorlogsvoering blijkt uit het vooralsnog beperkte vocabulaire om met aanslagen in West-Europa om te gaan door regeringsleiders. De constante erin is het depolitiseren. Oorlog wordt zo voorgesteld als iets onvermijdelijks, iets waar politieke afwegingen niet voor nodig zijn.

En dat is een slechte zaak. Want van regeringsleiders mogen, nee moeten, we meer verwachten dan de vreemde combinatie van emotie (die blijkt uit de stoere oorlogstaal) en technocratie (die blijkt uit de oplossing: bommen gooien in plaats van politieke reflectie op de contraproductieve werking daarvan).

Want hoe reageert de politiek tot nu toe? Vijf elementen keren terug.

 

  1. De aanslagen heten een ‘aanval op onze waarden’

Dat is het frame dat gehanteerd wordt door regeringsleiders als Mark Rutte, David Cameron en François Hollande. Maar voor wie met enige afstand naar de geopolitieke ontwikkelingen kijkt, is een duidelijk verband zichtbaar tussen de aanslagen in West-Europa en de aanvallen door West-Europese legers in Irak en Syrië. De terroristen zeggen letterlijk: val ons aan en je krijgt aanslagen.

Het is duidelijk dat het in het belang van de regeringsleiders is om die keten van causaliteit af te kappen voorbij noties als ‘gefrustreerde jongeren,’ want het zijn hun beslissingen geweest die terroristen nu als reden aanvoeren voor hun daden,

Terwijl, dit was geen aanval op onze waarden, dit was een aanval op onze mensen. Net zoals nu al geruime tijd aanvallen op mensen uitgevoerd worden in Irak en Syrië. De dag dat dit geweld zich in Nederland voordoet, is dan ook de dag om Mark Rutte persoonlijk verantwoordelijk te houden. Ervoor kiezen te bombarderen, wetende dat precies dat aanleiding geeft tot aanslagen en dan, als men inderdaad terugslaat, de waardigheid van slachtoffers ondermijnen door te zeggen dat het niet mensen maar waarden waren die aangevallen werden, hoe bedenk je het? Erger nog: de achtergrond van het ontstaan van IS is de door het Westen gecreëerde chaos in Irak.

Maar dat was geen chaos die we niet zagen aankomen. Miljoenen mensen hebben die chaos voorspeld en hebben gedemonstreerd tegen de oorlog in Irak. Naar hen is niet geluisterd. Ook nu vriend en vijand toegeeft dat George W. Bush en Tony Blair fout zaten, blijven westerse landen kiezen voor bombarderen. En om de irrationaliteit daarvan compleet te maken, krijgen we als alternatieve probleemdiagnose voorgeschoteld: ze hebben een probleem met onze waarden. Ook binnen de staat is dat een leugen: weinig generaals en veiligheidsexperts zullen een ‘aanval op onze waarden’ serieus als oorzaak hanteren als ze inschatten hoe de geweldsdynamiek zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.

 

  1. Onze ‘vrijheid’ is leeg

 

Om welke waarden gaat het volgens onze regeringsleiders dan? Om met Mark Rutte te spreken: het ging om ‘onze manier van leven’ en die bestaat uit het op een terras zitten, naar een restaurant gaan, een concert bezoeken en naar een voetbalwedstrijd gaan. Bekijk hier de persconferentie waarin Rutte die uitspraken deed. Bedoelde Rutte nu te zeggen dat het ging om een aanval op onze horeca en entertainmentindustrie? Vast niet, maar dat hij het niet anders deed, illustreert de ontstellende leegte die ‘onze waarden’ markeert.

Het punt is dat onze regeringsleiders niet in staat zijn om de zogenaamde fundamentele waarden die ‘ons’ kenmerken op een andere manier te verwoorden dan onze vrijheid tot horecabezoek en niet in staat zijn de daar achterliggende waarden uit te drukken. Rutte was al niet verder gekomen dan de definitie van vrijheid als de vrijheid om in je eigen huis op je eigen bank te zitten – hij probeerde die vrijheid fundamenteler te verwoorden, maar er stond een olifant in de weg. Lees hier meer over Ruttes vrijheidsconcept.

Inmiddels is er tenminste een uitgaanselement aan toegevoegd, maar is het werkelijk niet mogelijk te beschrijven wat fundamenteel is voorbij de trivialiteit van de consumptie? Niet alleen wordt gedaan alsof mensen in het Midden-Oosten niet naar restaurants, concerten en voetbalwedstrijden gaan – het gaat daarbij immers om ‘onze manier van leven’ – die ‘manier van leven’ wordt ook nog eens als volstrekt leeg gepresenteerd.

Dat is natuurlijk de kern van de huidige neoliberale vrijheid: leegte. Geen enkele substantiële kijk op het leven mag aangehangen worden; de vrijheid is een vrijheid in vorm, niet in inhoud. De neoliberale burger wordt door die leegte gekenmerkt en alleen consumptie – die altijd vliedend is en direct vervangen moet worden door iets nieuws – mag hem of haar tijdelijk vullen.

Hetzelfde zagen we bij de aanslag op Charlie Hebdo. De ‘vrijheid van meningsuiting’ werd naar vorm gewaardeerd, maar moest een lege huls blijven. Meningen mochten nooit tot overtuigingen stollen, dat zou te veel substantie, te veel inhoud zijn voor de lege vorm die het vrijheidsconcept kenmerkt. Gevaarlijke mensen hebben overtuigingen; de rest heeft meningen. En alleen gevaarlijke mensen denken dat woorden daden zijn, bijvoorbeeld dat ze geweld kunnen uitoefenen en kunnen beledigen.  In dit artikel leg ik het verschil tussen meningen en overtuigingen verder uit.

Neoliberale taal is onschuldig, want leeg. De neoliberale vrijheid van meningsuiting is de vrijheid tot volstrekt consequentieloze uitingen. Je moet wel onredelijk zijn, primitief religieus bijvoorbeeld, om te denken dat taal niet onschuldig is. Zo leeg en consequentieloos als de vrijheid van meningsuiting die begin 2015 werd gevierd, zo leeg en consequentieloos zijn de ‘waarden’ die ‘onze manier van leven’ kenmerken eind 2015. Wie zo redeneert, is nog niet begonnen te begrijpen waarmee hij eigenlijk vecht.

 

  1. De daders heten ‘lafaards,’ ‘gekken’ en ‘barbaren’

 

De duistere ondertoon van de geopolitieke wereldgeschiedenis is hoorbaar wanneer neoliberalen als Rutte, Hollande en Cameron ineens gewichtig doen over ‘beschaving’ en over ‘barbaren.’ Willen ze de klok 2.000 jaar terugzetten door zo’n klassiek Grieks vocabulaire te hanteren?

Vast niet, want dan wisten ze dat zulk pathos gevaarlijk was omdat het tot hybris, overmoed, leidt. En lafaards, werkelijk? Is het laffer jezelf op te blazen dan op afstand vliegtuigen of drones te sturen om bommen te werpen op mensen die je nooit in de ogen hoeft te kijken? Of zijn het dan ‘gekken,’ die Frankrijk duidelijk maken dat ze precies die bombardementen betaald komen zetten?

En als het ‘gekken’ zijn, moeten we dan niet maar meteen toegeven dat preventie in welke zin ook onmogelijk is omdat gekte fundamenteel onvoorspelbaar is? Is het misschien omgekeerd? Zijn de terroristen hier rationeler dan hun verklaarders van staatswege? Zijn ze, ook al zijn het veelal jongens uit verwaarloosde buurten in het hart van Europa, misschien moediger met hun ‘weapons of the weak’ omdat ze niet de technologie hebben om zich lafheid te veroorloven?

Uiteindelijk, denk ik, brengen oordelen als ‘lafaards,’ ‘gekken’ en ‘barbaren’ ons geen stap verder. Alle pathos over lafaards en barbaren, over beschaving en over waarden zorgt er vooral voor dat de politieke dimensie systematisch ondergesneeuwd raakt. Het feit dat aanslagen voortkomen uit politieke keuzes om bommen te gooien; keuzes die met belangen in het Midden-Oosten te maken hebben.

 

  1. We denken dat oorlog ‘daar’ gebeurt

 

Een van de terugkerende elementen in reacties op aanslagen lijkt een oprecht ongeloof te zijn over het feit dat hier, bij ‘ons,’ geweld plaatsvindt. Het lijkt het bevattingsvermogen te boven te gaan dat oorlogsgeweld twee kanten op gaat. Oorlogsgeweld, lijkt de aanname, gebeurt ‘daar.’ In de chaos bij ‘dat soort mensen,’ bij die lui die hun democratische zaakjes niet op orde hebben. Wie zo denkt, heeft zich een neo-imperialistische denkstijl eigen gemaakt.

Gedurende enkele decennia die we ‘Koude Oorlog’ noemen, was het inderdaad zo dat het gebruik van wapens elders niet tot het gebruik van wapens thuis leidde. Die tijd is voorbij, en daarmee is een historisch veel gangbaarder conditie hersteld.

Laten we vooral niet vergeten dat het niet meer dan logisch is dat mensen die gebombardeerd worden, geneigd zijn geweld te gebruiken tegen de landen die hen bombarderen. De waan van immuniteit die spreekt uit de verbazing over geweld op eigen bodem komt voort uit een misplaatste ‘sense of entitlement.’

Alsof ons privilege, dat bestaat uit de minieme kans op oorlogsgeweld, een natuurlijke en terechte toestand is. Dat is het pas als we werkelijk kunnen rouwen om de dood die elders geleden wordt en daar werkelijk politieke consequenties uit kunnen trekken door ook anderen de relatieve veiligheid te gunnen die momenteel ons privilege is.

 

  1. ‘Terrorisme’ en ‘militair ingrijpen’ worden te makkelijk gescheiden

 

Augustinus vroeg zich al af wat het verschil is tussen Alexander de Grote en een piraat. En ook nu is de vraag of de terrorist zich niet verhoudt tot de terreur die op Irak en Syrië is losgelaten. Want dat is wat bombarderen uit de lucht is: een terreurwapen. Ondanks alle welbekende filmpjes over ‘precisie-aanvallen’ is bombarderen het militaire equivalent van het opereren op een lichaam met een hakbijl. Geen oorlog is duurzaam gestopt (ook die met Japan in de Tweede Wereldoorlog niet) en geen democratie is gevestigd door middel van bombardementen.

Dat voor bombarderen gekozen wordt, heeft alles te maken met de reden die ook steekt achter de inzet van gewapende drones: geen ‘boots on the ground’ betekent geen ‘body bags’ die terug naar huis komen. En dat betekent minder zichtbaarheid en dus urgentie voor een democratie om de inzet van grootschalig geweld te controleren.

Wat weten we eigenlijk van de inmiddels maandenlange inzet van bommenwerpers in Irak en Syrië door westerse mogendheden? Dagelijks worden daarmee mensen gedood. Wat een onvoorstelbare onvoorstelbaarheid is het dan dat het ons, met alle beperkte maar niettemin gruwelijke middelen, betaald wordt gezet?

LEES HET VERVOLG HIER:

https://decorrespondent.nl/3651/Waarom-aanslagen-geen-aanval-op-onze-waarden-zijn-en-politici-ons-dat-wel-willen-doen-geloven/292936944465-d90da540

 

maart 26, 2016 at 3:35 am 6 reacties

JIHAD KAN VELE KANTEN OP

 

Kolonisatievloot van Columbus

Kolonisatievloot van Columbus

door Jef Coeck

 

Nauwelijks een decennium geleden was er misschien een handvol niet-moslim Belgen die ooit het woord ‘jihad’ gehoord of gelezen hadden. En als dat toch het geval was, wisten ze niet of nauwelijks wat het betekende. Vandaag is het begrip Jihad niet weg te branden uit conversaties, geschriften, krantenkoppen, scheldpartijen, toespraken, woorden en daden. Maar de juiste betekenis ervan kennen we feitelijk nog altijd niet. Daarvoor zullen we dus een beroep moeten doen op de moslimspecialist van het Salon, c.q. de delver naar het vergeten verleden. Lucas Catherine, zelf atheïst, schreef er een boek over en nam een Belgisch-Palestijnse moslim-onderzoeker in de arm, Kareem El Hidjaazi, om de zaken van binnenuit te belichten.

Toch is Jihad zo oud als de straat en wereldwijd verspreid. Als we er tot voor kort niets van wisten, was dat onze eigen schuld. Willem Elsschot wist het al wel in zijn boek ‘Lijmen’ (1923) : ‘Van alle islamitische begrippen is “jihad” het meest geciteerde en meest bestudeerde, een zeer complex begrip dat een onuitputtelijk thema was voor talrijke studies.’ Elsschot was natuurlijk in meerdere opzichten een uitzonderlijk persoon.

Jihad is geen eenduidig begrip. Er bestaan veel vormen van. De strijd tegen het kwaad (de duivel) in jezelf. Dit wordt de Grote Jihad genoemd en door traditionele moslims omschreven als de belangrijkste vorm. Dan is er het streven naar het spirituele welzijn van de moslimgemeenschap, de strijd tegen corruptie en decadentie. Dit is Educatieve Jihad. Het verspreiden van de islam via woord en geschrift: de Predikende Jihad. De verspreiding kon, zoals in het begin van de islamgeschiedenis, ook met het zwaard: de Gewapende Jihad. De jongste tijd kennen we helaas ook de Terreurjihad, door kleine fanatieke groepen.

In dit boek gaat het maar over twee vormen, de Terreurjihad en de Gewapende Jihad. De laatstgenoemde is zwaar verankerd in de geschiedenis, met name de koloniale geschiedenis. Laten we beginnen bij de Europese kolonisatie. Want, zegt de schrijver zeer nadrukkelijk: ‘Je kan Jihad en Kolonialisme niet zonder elkaar begrijpen.’

Napoleon in Egypte

Napoleon in Egypte

De christelijke Gewapende Jihad – als we het begrip even mogen transplanteren – begon met Columbus in de Caraïben (1492). Deze ‘beschavingskolonisatie’ vond snel navolging door Europese grootmachten – en zelfs door het kleine België. De eerste stap in de directe confrontatie van het Europese kolonialisme met de Arabische wereld, was de verovering van Egypte door Napoleon (1798).Daarop volgde de eerste islamitische Gewapende Jihad sinds lang. Doelwitten van de Fransen waren vooral de soukhs en de islamitische universiteit Al Azhar. In 1801 werd het Franse leger definitief verslagen in Alexandrië. Chalas, jihad. Althans hier. De legers van Napoleon hadden natuurlijk een en ander meegenomen. Dat leidde in Europa tot Egyptomanie en mummiegekte. Over een retaliatie van de islamitische Jihad werd niet gepiekerd. Zo zelfverzekerd waren de Europeanen over hun eigen gelijk en dito overmacht. Daar kwamen de complotten bij.

Sykes en Picot

Sykes en Picot

1916. De Eerste Wereldoorlog was nog lang niet afgelopen, maar de Engelse en Franse ministers van Buitenlandse Zaken, de heren Sykes en Picot, hadden hun kolonisatieplannen klaar. Ze verdeelden in een geheim akkoord het Ottomaanse/Turkse rijk onder hun tweeën. Dat was zowat het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika, plus de Balkan. De grootste hapklare brok was Syrië, Irak, Libanon, Palesstina en Jordanië, samen Sham genoemd. Dit moest onafwendbaar leiden tot nieuwe vormen van Jihad.

JD 4 Herzl op israelisch briefje van 100 pond

Intussen was het Zionisme, de beweging die met alle – ook gewapende – middelen streefde naar een exclusief joodse staat in het Midden-Oosten, almaar sterker geworden. In 1917, nog steeds in volle oorlog (maar door de Revolutie verlost van de Russische bondgenoot) kwam de nieuwe minister van BZ, Lord Balfour, nog wat olie op het vuur gooien. In zijn zogenaamde Balfour Declaration beloofde hij plechtig dat de Britten achter de idee van een joodse staat in Palestina stonden. Zo veroorzaakte hij de grootste gewapende Jihad ooit, de strijd tussen Israël en de Palestijnen, die later uiteen zou vallen in diverse vormen van Terreurjihad (Al Qaida, Shabaab, Al Nusra, Boko Haram, ISIS, Hamas, Hezbollah). In 1948 barstte de bom voorgoed, met de oprichting van de staat Israël op het grondgebied van de Palestijnen.

Multatulimuseum Amsterdam

Multatulimuseum Amsterdam

Intussen waren al in andere werelddelen moslims aan hun Gewapende c.q. Terreur-jihad begonnen. In Java en Sumatra bv. Lees Multatuli er op na. Nederland stuurde een militaire expeditie naar zijn kolonie in ‘den Oost’ onder het motto ‘Voorwaarts, mareechaussees, snijdt ze de koppen af.’ Kennelijk hebben de terreurjihadisten daar het vak geleerd.

Een andere Jihad speelde zich af van Zanzibar tot Kisangani. Vooral Tabora (Tanzania) valt te onthouden. Maar ook in Oost-Congo begon alreeds het leed. De kolonisatie, in dit geval de Belgische, kwam goed op gang. De moslimstaten in West-Afrika kregen er ook van langs. De prachtige woestijnstad Timboektoe werd verwoest, door terruerjihadisten. Want die gebruiken alle vormen van terreur, moord, verkrachting, beeldenstorm, foltering. En inderdaad, nergens in de Koran is er een aansporing daartoe te vinden – tenzij door verwrongen geesten die hun eigen religieuze ‘newspeak’ hanteren en lezen wat ze willen lezen.

Timboektoe

Djenné

Even een zijsprong naar de Islamic Supreme Council of America. Deze autoriteit zegt over de Gewapende Jihad, dat die met zowat alle middelen gevoerd kan worden: wettelijk, diplomatiek, economisch, politiek, militair. In dat laatste geval moeten wel de ‘Rules of Engagement’ in acht worden genomen. Onschuldige vrouwen, kinderen en invaliden moeten met rust worden gelaten. En elke vredelievende toenadering van de tegenpartij moet aanvaard worden. Niet iedereen kan dus zomaar zijn eigen Jihad gaan voeren. De Raad zegt zelf dat het concept ‘Jihad’ door heel wat politieke en religieuze groepen voor eigen baat is aangewend. Dat is een misbruik en dus in tegenspraak met de Islam. Aldus de Council.

Frantz Fanon

Frantz Fanon

Weer over naar het kolonialisme. Het zal niet verbazen dat kolonisering leidt tot radicalisering en tot racisme. Het is een helaas voor de hand liggende gang van zaken. Frantz Fanon (1925-1961), psychiater en activist, filosoof van de Derde Wereld, zei het aldus: ‘Kolonialisme is de buitenkant van het systeem, racisme de binnenkant.’ Het valt op dat Fanon van diverse zijden – moslim en niet-moslim – weer geciteerd wordt, nadat hij sinds zijn vroegtijdige dood vergeten leek.

————–
Kareem El Hidjaazi begint zijn gedeelte met een schuldbekentenis. En geen kleine.
‘Wij moslims zijn het gewoon om de schuld steeds bij het Westen en bij de joden te leggen en daardoor zijn we blind geworden voor onze eigen gebreken, die trouwens enorm zijn. De yankees en de zionisten hebben natuurlijk een criminele verantwoordelijkheid voor wat er in het Midden-Oosten gebeurt, maar het is eerst en vooral de fout van de moslims zelf. Als je ziet hoe ze naar het Westen opkijken, hoe ze tevreden zijn met hun onwetendheid, hoe sommigen onder hen de Jodenstaat steunen in hun strijd tegen hun Palestijnse broeders. Tja, hoe wil je dan dat we ooit uit onze vernederende situatie geraken?‘

De verwijten van deze moslim aan de moslimgemeenschap (de Oemma) worden steeds scherper. Citaat: ‘Over de hele wereld werden moslims besmet met de Westerse beschaving, sommigen zijn er zelfs op perverse wijze verslaafd aan geraakt door enkel de verdervende aspecten ervan over te nemen. Stiptheid, verantwoordelijkheid, organisatie, eerlijkheid in handel, discipline zijn waarden die in Europa zeer aanwezig zijn, maar toch weigeren de Arabieren om die in hun samenleving toe te passen, hoewel dit ook islamitische waarden zijn.’

De achterliggende mentaliteit is, volgens Kareem El Hadjaazi: iedereen is corrupt, laten we dus maar deelnemen aan ‘het systeem’. Enkel via corruptie heeft men kans op slagen, hoe meer hoe beter. Vele moslimlanden zijn zo doordrongen van corruptie dat het onmogelijk is geworden om als eerlijke burger carrière te maken.

De decadentie en de versnippering van de moslimgemeenschap zijn hoofdzakelijk het gevolg van de onverschilligheid van moslims tegenover hun godsdienst, zowel wat de beoefening, het bestuderen als het begrijpen ervan betreft. De Oemma kent vandaag een totaal gebrek aan cultuur. Dat ligt aan het westerse project van acculturatie, dat de moslims ervan overtuigd heeft dat ze zelf geen echte cultuur hebben.

Spaanse Conquista

Spaanse Conquista

Dit is wel een radicale visie, maar nieuw is ze niet. Denk aan de conquista van Latijns-Amerika in de 16de eeuw. Ook toen en daar werd de plaatselijke cultuur door de Spaanse veroveraars geminacht, zelfs in die mate dat de dragers ervan gewoon werden uitgeroeid. Ondanks de volgehouden inspanningen van de moedige bisschop Bartolomé de las Casas, maar de heers- en hebzucht van de Spaanse vorsten haalden het. Op andere gekoloniseerde plaatsen in de wereld gebeurden soortgelijke misdaden. Herlees Multatuli, om hem nog maaar eens te noemen.

Het verdere betoog van Kareem tegen de acculturatie vertoont trekken van Machiavelli. Ook hij gaf in ‘Il Principe’ de toenmalige Italiaanse heersers ervan langs. Op een cynische wijze, die vaak niet cynisch bedoeld was. Een beschrijving van de toenmalige realiteit kon ook gelezen worden als ‘slechte raad die niet na te volgen is’. Maar je moet wel de dubbele bodems vatten. ‘Het doel heiligt de middelen’, de bekendste one-liner van Machiavelli, kan op meerdere wijzen gelezen worden. Verkeerd doel, slechte middelen, dubieuze heiliging. Er is een derde mogelijkheid: het doel heiligt niemandal, minst van al terreur. Dat is wat Maciavelli bedoelde. Maar hoewel Kareem zich uitspreekt tegen terreur, gaat en staat voor hem de ‘ware islam’ boven alles. Er zitten wat witte vlekken in zijn betoog.

Machiavelli

Machiavelli

In hun strijd voor zelfbeschikkingsrecht, zegt hij nog, vechten moslims tot op vandaag op drie fronten. Er zijn de terroristen, een kleine minderheid die wel de grootste aandacht krijgt. Van de tweede groep hoor je iets minder. Het zijn groeperingen die via een uitsluitend politieke weg aan de macht proberen te komen. Ze doen daarbij heel wat ‘religieuze concessies’: deelnemen aan democratie en vrije verkiezingen.(De Moslimbroeders). (Noot jc: De Moslimbroeders waren bij tijd en wijle meer gewelddadig dan hier wordt gesuggereerd.) Drie. De moslims die wereldwijd de ‘islamitische kennis’ (welke?) onderrichten en van generatie op generatie doorgeven. Ze worden door de media genegeerd, maar vormen in werkelijkheid de grootste bedreiging voor de neokoloniale grootmachten. Dat is een cultureel gegeven.

Het is wat ik zelf zou willen noemen: de Sluipende Jihad. Ongewapend, met would-be goede bedoelingen, elitair, vaak esoterisch, geheimzinnig, in elk geval ortodox islamitisch, wellicht fundamentalistisch (steunend op contradictorische teksten) en, naar ik vrees, niet overtuigend voor de vele andere vormen/sekten/afscheuringen van Mohammeds Islam.

Het laatste woord krijgt Lucas Catherine. Het valt op dat bij de zogenaamde Syriëstrijders weinig of geen Berbers zijn, en evenmin Turken, Hoewel die twee volken de Islam aanhangen. Bij hen overheerst nationalisme als oplossing voor frustraties. Voorlopig lijkt dat te lukken. De Belgische Turken stemmen massaal voor Erdogan en zijn partij. Bij de Berbers gebeurt iets dergelijks, ook zij plooien zich terug op hun nationalisme in plaats van op de islam.

En bij wijze van slot nog een goede raad van Catherine: ‘Europa moet zich dringend mentaal dekoloniseren. Want zoals uit dit boek blijkt: de kolonisatie was niet louter economisch en politiek maar ook cultureel en maatschappelijk , en op alle vier deze vlakken heeft ze diepe wonden geslagen waarvan sommige nu nog voort etteren. Het huidige racisme is onlosmakelijk verbonden met de kolonisatie en neemt toe zolang de multinationale kolonisatie voortwoekert. Wat wij nu radicalisering noemen, is eigenlijk een ziektebeeld van de trauma’s die de kolonisatie en haar bijwerking het racisme, nog altijd veroorzaken.’
————

JD cover*Lucas Catherine & Kareem El Hidjaazi, Jihad en kolonialisme, EPO, Berchem, 2015
Sommige onderdelen van Chaterine’s boek zijn doorheen de tijd al verschenen op het Salon van Sisyphus. Met dit boek, plus de toevoeging van het gedeelte ‘Kareem’, vallen de puzzelstukjes in elkaar.

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2014/10/01/vecht-isisdaish-tegen-sykes-picot/

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2015/11/19/het-is-oorlog/

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2015/07/18/tabora-stad-met-de-drie-namen/
—————
PS ‘Hidjaz’ is een gebied in het westen van Saoudi-Arabië, rond de belangrijke stad Djeddah. Niet ver uit de buurt liggen ook de heilige steden Mekka en Medina.


En dit is dan een stukje van het échte Timboektoe

februari 15, 2016 at 11:26 am 5 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.319 andere volgers