Posts filed under ‘Geschiedenis’

DE TOEKOMST VAN ONS VERLEDEN

Door Gie van den Berghe

In Sapiens (2012) zette de spraakmakende Israëlische historicus Yuval Noah Harari uiteen hoe de onbetekenende apen die we zijn absolute heersers van de planeet aarde geworden zijn. In Homo Deus  (2015, HIER besproken) schatte hij de toekomstige evolutie van onze intelligentie en bewustzijn in. In 21 lessen voor de 21ste eeuw  belicht Harari hedendaagse evoluties die op vrij korte termijn mensheid en aarde bedreigen, en hoe daar mogelijk aan verholpen kan worden. 

Yuval Noah Harari

Yuval Noah Harari

We zitten in een hachelijke situatie, zoveel is duidelijk. De opwarming van de aarde veroorzaakt de ene na de andere milieuramp. Religieuze, ideologische, democratische en mensenrechtenverhalen hebben aan geloofwaardigheid ingeboet. Door de migratie richting rijke Westen en het mede daardoor opflakkerend ultranationalisme neemt de politieke onenigheid toe. Nog bedreigender vindt Harari de gecombineerde revolutie van informatie- en biotechnologie. Biologen ontcijferen onze hersenen, big-data-algoritmen doorgronden onze emoties, verlangens en gevoelens beter dan we zelf kunnen. Computers en robotten zullen almaar meer functies en beroepen van ons overnemen. Er dreigt een nieuwe klasse van ‘overbodigen’ te ontstaan. Als ‘het verouderingsproces vertraagd kan worden en ouders hun kinderen kunnen ‘upgraden’ zullen de superrijken ook nog eens creatiever, talentvoller en intelligenter worden dan de achterbuurtbewoners. De mensheid dreigt zich op te splitsen in ‘een kleine klasse van supermensen en een massale onderklasse van totaal overbodige homo sapiens’.

Harari loopt wat kunstmatige intelligentie betreft hopelijk iets te hard van stapel. Het is lang niet zeker dat machines de mens in ijltempo zullen voorbijsteken qua intelligentie, handelen en gezond verstand. Artificiële intelligentiesystemen kunnen, anders dan mensen, geen betekenis geven aan de input die ze verwerken en de output die ze voortbrengen. Ze begrijpen de situaties niet die ze meemaken. De door Harari bejubelde herkenning van gezichten en emoties bijvoorbeeld, loopt al spaak wanneer details als belichting of achtergrondkleur gewijzigd worden, iets wat mensen niet van de wijs brengt. Volg nooit blindelings je gps of je spraakprogramma! De gevolgen zijn doorgaans onschuldig maar kunnen rampzalig uitdraaien, bijvoorbeeld wanneer het automatisch landingsprogramma van een passagiersvliegtuig in de war geraakt door een zwerm spreeuwen en de piloten onvoldoende zijn opgeleid om het hoofd te bieden aan dergelijke noodsituaties. Bedenk ook dat artificiële intelligentiesystemen gehackt kunnen worden.

Harari denkt dat de mensheid alle onheil kan overleven als we onze angsten – voor anderen, voor opgeklopt terrorisme – onder controle krijgen; als we ons bewuster worden van onze privileges, religieuze en politieke vooroordelen en ons ook rekenschap geven van onze ‘ongewilde medeplichtigheid aan systematische onderdrukking’ en daar iets aan doen. Alleen dan kunnen we de handen wereldwijd in elkaar slaan, rest ons een toekomst. 

Koffiedik

21 lessen voor de 21steeeuw is zoals Harari’s vorige boeken een pageturner. De man is een hoogst origineel, messcherp denker en een begenadigd verteller. Zijn analyses van historische evoluties zijn zoals steeds verhelderend, maar waar de historicus – specialist verleden – zich aan toekomstvoorspellingen waagt, blijft het vaak bij intelligent koffiedik kijken, gissen en af en toe missen. 

Bij gebrek aan (toekomstige) bronnen en feiten denkt en voorspelt ook Harari voornamelijk vanuit de eigen mens- en wereldvisie. Centraal daarin staat dat mensen dieren zijn die in verzonnen verhalen geloven, ernaar denken en handelen. Religie, ideologie, humanisme, mensenrechten – noem maar op. Hoe simpeler het verhaal, hoe makkelijker het aanslaat. Beloftevolle verhalen heffen de existentiële eenzaamheid op, bedden je in iets in dat je overstijgt en met anderen verbindt, geven zin aan het bestaan. Wie gehoorzaamt aan paus, partijvoorzitter of Führer, wacht een betere toekomst, een hemel op aarde of in het hiernamaals. Religie (afgeleid van het Latijn voor ‘verbinden’) is van oudsher het eenvoudigste en meest hoopgevende verhaal, ware het niet dat de gelovigen veelal te vuur en te zwaard anderen willen bekeren. 

Het liberale verhaal, de verheerlijking van de menselijke vrijheid, kon niet aan de absolute verwachtingen voldoen. Weliswaar hebben nooit eerder zoveel mensen zoveel vrede en voorspoed gekend, sterven er ‘minder mensen door infectieziekten dan van ouderdom, maakt honger minder slachtoffers dan obesitas en sterven er minder mensen door geweld dan door ongelukken’, maar onze planeet wordt nog steeds voor een flink deel overheerst door tirannen en zelfs in de meest liberale landen ‘hebben veel burgers te kampen met armoede, geweld en onderdrukking’. 

Veel mensen zijn, mede door de recente financiële crisis, teleurgesteld in het liberale verhaal. ‘Muren en firewalls raken weer volop in de mode’ en ‘er komt almaar meer verzet tegen immigratie en handelsovereenkomsten’. Niet bereid de privileges op te geven die we aan toevalligheden danken als geboorteland, sociale klasse of geslacht, trekken we ons als individu en natie meer en meer op onszelf terug. De wereld, het verhaal waarin we geloofden, klopt niet meer en er dient zich niet meteen een ander verhaal, een andere wereld aan.

Eigen haard

Goedaardig nationalisme, dat mensen verenigt, ontaardt steeds vaker in ultranationalisme, dat mensen verdeelt. Vanuit vermeende superioriteit van eigen natie en volk worden buitenstaanders ongenadig afgewezen. Onverdraagzaamheid, onenigheid en gewelddadige conflicten in plaats van de broodnodige mondiale samenwerking. 

Ook Israël heeft boter op het hoofd. Israëli’s krijgen al in de kleuterschool te horen dat het jodendom ‘de superster van de menselijke geschiedenis is’ (jodendom verwijst naar de joodse godsdienst; jood is een Jood die het joodse geloof aanhangt). Nogal wat seculiere Joden denken dat ze de ‘centrale helden van de geschiedenis zijn en dat het Joodse volk de ultieme bron van menselijke moraal, spiritualiteit en geleerdheid is’. Maar het jodendom en de Joden hebben een vrij bescheiden rol gespeeld in de wereldgeschiedenis. Bij vergelijking met universele religies als het christendom, de islam en het boeddhisme is het jodendom ‘altijd een tribaal geloof geweest’, bekommerd ‘om het lot van één klein volk en één klein landje’, met ‘weinig belangstelling voor het lot van alle andere volkeren en landen’. 

Volk

Het is best merkwaardig dat de anders zo sceptische Harari vasthoudt aan het bestaan van een Joods volk, los van religie en Joodse natie, Israël. Het blijft raden welk criterium hij hiervoor hanteert. Kan men van een volk spreken zonder een beroep te doen op natie of gemeenschappelijke genetische kenmerken? Een biologisch criterium voldoet niet, Joden hebben zoals andere volkeren, naties en ‘rassen’ geen gemeenschappelijk DNA. Ook een culturele omschrijving bevredigt niet want Joden hebben zich over de hele wereld verspreid en met vele culturen geassimileerd.

Het Joodse volk en de Joodse natie zijn ook relatief moderne verhalen of uitvindsels. ‘Nieuwe historici’ in Israël maken almaar duidelijker dat de Joden niet het volk zijn waarvoor ze zich uitgeven. Geen uit het beloofde land verdreven volk dat na tweeduizend jaar ronddolen (de diaspora) zijn land heeft heroverd. Dat is een door zionistische historici stukje bij beetje geconstrueerde stichtingsmythe (zie onder meer Schlomo Sand –Comment le peuple juif fut inventé,Paris, Fayard 2008). 

Harari beperkt zijn commentaar tot ultraorthodoxe joden. Over de Palestijnen schrijft hij dat ze constant in de gaten gehouden worden door ‘Israëlische microfoons, camera’s, drones of spyware’ en dat ons dat mogelijk ook te wachten staat. Over de verdrijving van de Palestijnen in 1948 en hun voortdurende onderdrukking rept hij met geen woord. Over de door Israël bezette gebieden schrijft hij alleen dat ze het land vooral opgezadeld hebben met een zware economische last en ‘fnuikende politieke risico’s’. Ook Gaza, het grootste concentratiekamp ter wereld, blijft onvermeld. Maar Harari heeft het wel even over (Palestijnse) ‘terreurcampagnes’. Uit een noot achterin blijkt dat hij hiermee op de Intifadas doelt. Maar dat waren volksopstanden, geen terreur. Verzet tegen een bezetter wordt alleen terreur genoemd door wie zich met die bezetter identificeert.

Raza al-Najjar, de medische helpster die midden 2018 door een Israëlische scherpschutter werd doodgeschoten.

Goed en kwaad

Volgens Harari is ultranationalisme geen onoverkomelijk probleem omdat nationalisme ‘pas de laatste paar duizend jaar is ontstaan – gisterochtend, in evolutionaire termen’. Het zit niet in de menselijke genen en er kan dus aan verholpen worden. Hoe dat moet gebeuren, maakt hij niet duidelijk.

De biologische gegevenheid van veel menselijke en sociale kenmerken loopt als een rode draad door het werk van deze historicus. Ook gevoelens zijn volgens Harari aangeboren en dus niet veranderbaar. Morele gevoelens als verontwaardiging, schuldgevoel en vergevingsgezindheid ‘komen voort uit neurale mechanismen die zijn geëvolueerd om samenwerking in groepen mogelijk te maken’. Dat er toch mensen bestaan ‘die moorden, verkrachten en stelen’, wijt Harari aan het oppervlakkig beeld dat ze hebben van de ellende die ze veroorzaken. Volgens hem stelen mensen ook zelden ‘als ze niet eerst een heleboel hebzucht en afgunst’ hebben opgebouwd ‘in hun hoofd’. Straatarme en schatrijke mensen denken hier vast anders over.

Volg je Harari dan bestaat er slechts één moraal. Dat is een veel voorkomende denkfout. Het Nederlands bijvoorbeeld kent geen meervoudsvorm van ‘moraal’ (al hebben we het wel over ‘onze moraal’ en ‘een dubbele moraal’). Dat terwijl morele systemen vanzelfsprekend cultuur-, klasse-, gender- en tijdgebonden zijn; dus meervoudig en onderhevig aan evolutie (denk aan de houding tegenover kinderen, vrouwen, zwarten, ras…). Maar aangezien elke moraal een instrument is ter bevordering van de sociale omgang, verschillen morele systemen niet alleen, ze hebben ook bepaalde gelijkenissen, zeg maar basisvoorwaarden om samenleven in groep mogelijk te maken. Ook ‘moralen’ zijn menselijke verhalen.

Wie stelt dat moraal (grotendeels) aangeboren is, ziet voorbij aan het feit dat ethisch bewustzijn en handelen voortvloeien uit, gebaseerd zijn op psychische vermogens als emotie en empathie. Die maken morele attituden en handelingen mogelijk, zonder ze daarom te garanderen of concreet in te vullen. Die invulling gebeurt in en door de omgeving waarin iemand terechtkomt en opgroeit. Iedereen groeit op in een beperkte sociale omgeving (kerngezin, buurt, school, streek…) en leert daarin hoe zich gedragen. ‘Goed’ gedrag – aan de sociale omgeving aangepast gedrag – en zelfbeheersing komt kinderen niet zomaar aangewaaid. Denk ook aan de zogenaamde wolfskinderen, verloren gezette en in het wild opgegroeide kinderen die een totaal andere, aan hun omgeving aangepaste moraal ontwikkelden (bijvoorbeeld Victor de l’Aveyron en Dr. Jean Itard, in 1970 door François Truffaut verfilmd als L’enfant sauvage).

Truffauts ‘enfant sauvage’

Paaseieren

‘Mensen’, schrijft Harari, ‘leren van kindsaf aan te geloven in het verhaal. Ze horen het van hun ouders, hun leraren, hun buren en hun cultuur in het algemeen, lang voor ze de intellectuele en emotionele onafhankelijkheid ontwikkelen die ervoor nodig is om vraagtekens bij zulke verhalen te kunnen zetten en ze te verifiëren’. ‘De meeste mensen’, vervolgt hij, ‘die op zoek gaan naar hun eigen identiteit zijn net kinderen die paaseieren gaan zoeken. Ze vinden alleen wat hun ouders voor ze hebben verstopt’. Alle verhalen, vervolgt Harari, zijn menselijke verzinsels en mensen geloven erin omdat hun identiteit errond werd opgebouwd. Waarom zou dit niet van toepassing zijn op morele systemen, attituden en handelingen?

Harari’s stelling dat de ‘menselijke moraal in de loop van miljoenen jaren is ontstaan en aangepast aan de omgang met de sociale en ethische dilemma’s die zich voordeden in het leven van kleine groepen ‘jagers-verzamelaars’, verklaart volgens hem ook dat we de relaties tussen miljoenen mensen niet meer kunnen overzien, waardoor ons ‘morele zintuig’ op hol slaat. Maar om dit te verklaren heb je geen biologisch gegeven, statische moraal nodig. Het spreekt voor zich dat mensen makkelijker verbanden in hun beperkte sociale omgeving kunnen overzien dan die op wereldniveau. Dat is nooit anders geweest. Maar door ontdekkingen en globalisering zijn mensen zich wel bewuster geworden van het onvermogen alles te overzien.

21 lessen voor de 21ste eeuw bevat veel behartenswaardige inzichten, maar het boek sprak me minder aan dan Harari’s vorig werk. Het lijkt haastiger, minder zorgvuldig geschreven en de auteur komt ook enkele in zijn voorwoord gedane beloftes niet na. Onbeantwoord bijvoorbeeld blijft hoe terrorisme en ultranationalisme aangepakt kunnen worden, hoe de liberale democratie verbeterd kan worden. Maar zoals uit het bovenstaande blijkt, biedt ook dit werk van Harari meer dan voldoende stof tot nadenken en discussie.

Yuval Noah Harari – 21 lessen voor de 21ste eeuw, Thomas Rap, 2018 – in een knappe vertaling van Inge Pieters

Dit artikel verschijnt ook in het aprilnummer van De Geus

January 9, 2019 at 5:42 pm Leave a comment

BRUSSEL 1967

door Lucas Catherine

U kent het spreekwoord ‘als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel’. In 1967 was dit zeker niet zo: hier regende het al lang voor het een jaar later in mei in Parijs begon te druppelen. Daarom dat ik al die expo’s hier over Parijs-Mei 68 zo beu ben. 1967 was in Brussel een wonderjaar, zou Hendrik Conscience geschreven hebben, maar wat hier in 1967 gebeurde had natuurlijk te maken met het onweer in Leuven in mei 1966.

We leefden in een CVP-staat waar de Kerk meer macht had dan goed voor ons was. De bisschoppen zouden het in Leuven laten merken met hun fameus ‘mandement’ tegen Leuven Vlaams, daarbij gesteund door de CVP onder leiding van Paul Van den Boeynants. Zelf heb ik die verstikkende CVP-staat voor het eerst ondervonden toen ik na mijn Brusselse collegejaren besloot om in Leuven linguistiek te gaan studeren. De sfeer op die univ was bekrompen, drukkend zelfs en dat voor iemand als ik die toch uit een katholiek college kwam. Niet alleen viel die linguistiek tegen: één uur en dat was het, en voor de rest werd je opgeleid om kinderen de verbuiging van der, die, das aan te leren en ze erop attent te maken dat Shakespeare niet vervelend was. Maar wat erger was: we moesten twee uur kerkgeschiedenis volgen en dan nog eens metafysica, een soort gecamoufleerde godsdienstles waarin ‘bewezen’ werd dat god bestond, dat Sartre een onbenul was en de nazi Heidegger de grootst levende filosoof. En sex bestond nog niet. Ludo Martens werd van de universiteit gestuurd, niet omwille van zijn politieke ideeën maar omwille van het sex-nummer van het studentenblad Ons Leven, waar hij verantwoordelijk voor was. Het academiejaar was dan ook nog maar halfweg of ik schreef me in aan een Brusselse filmschool. Het linkse Brussel van 1967 dat niet te lijden had onder de verstikkende CVP-staat, ook al werd die toen geleid door de Brusselaar Paul Van den Boeynants.

Het Brussels filmmuseum, onderleiding van oud-verzetsman Jacques Ledoux, organiseerde in Knokke in 1967 een Experimenteel Filmfestival. Daar waren niet alleen experimentele films te zien, maar je kon er ook homo-erotische films bekijken van een Griek wiens naam ik ben vergeten en dat in het Casino van Knokke. En, er was ook spektakel: een Japanse jonge dame begon zich op de galatrappen uit te kleden en kroop poedelnaakt in een grote zwarte zak om niet meer te verroeren. Ze heette Yoko Ono – toen nog nooit van gehoord. (1) Hugo Claus liet er zijn versie van Marieke van Nijmegen opvoeren. “Masscheroen en God,” of beter “de Drievuldigheid,” werd gespeeld door drie naakte mannen, waaronder de directeur van mijn school, Rudi Van Vlaenderen. Naar aanleiding van mei 68 in Parijs werd het later ook nog eens opgevoerd in de Brusselse Bozar.

Masscheroen (Rudi Van Vlaenderen is de man in het midden)

Als Claus blote mannen toont, ik een blote vrouw dacht de toen nog onbekende Jef Geeraerts en in dat zelfde Bozar werd in datzelfde jaar 1967 zijn “Zeven Doeken van de Schepping” opgevoerd in een regie van een leraar van ons, Dré Poppe – later stichter van NTG-Gent- en de blote vrouw werd gespeeld door zijn dochter Martine Poppe en dat was een schoon kind. Ik kon het weten want ze vrijde toen met mijn boezemvriend. Wij daar naartoe, maar buiten het beeld van Martine herinner ik mij niets meer van dat stuk, behalve een onnozele haikoe die erin werd gedebiteerd: ‘De zon komt op, De Zon gaat onder, Langzaam telt de Chinese boer zijn kloten’. Geeraerts was toen al overroepen.

Maar de censuur sloeg ook in Brussel toe, en wel bij de interessantste, meertalige boekhandel rechtover Bozar, Librarie Corman. Mathieu Corman(2) was een communist met anarchistische neigingen die nog in de Spaanse burgeroorlog bij de Durutticolonne had gevochten en wars was van elke censuur.

Mathieu Corman in Asturië

Het is in zijn boekhandel dat in 1969 van dezelfde Geeraerts, “Gangreen I” kortstondig werd aangeslagen. Maar je vond er naast artistieke, literaire of libertijnse boeken – ik kocht er mijn eerste nummers van Hara Kiri – heel veel politiek. Zo alles wat Francois Maspéro in Parijs publiceerde. Als ik door mijn bibliotheek ga vind ik er nog van terug: ‘La Guerre de Guérilla’ van Che Guevara, ‘Guerre du Peuple, armée du peuple’ van Vo Nguyen Giap, de Vietnamese generaal die de Fransen versloeg in Dien Bien Phu, alles uit 1967.

In januari van datzelfde linkse wonderjaar 1967 wou Rudi Barnet – nu als 80-jarige actief in de BDS-beweging tegen Israël – het stuk van Aimé Césaire opvoeren over de moord op Lumumba, “Une saison au Congo.” Geen enkel theater durfde het aan, ook al kreeg hij de steun van Hugo Claus en vele anderen, waaronder mijn directeur Rudi Van Vlaenderen. Het werd een opvoering in een klein cultureel centrum in Anderlecht, met alle politie-intimidatie die er bij hoorde. De rol van generaal Janssen was voor Rudi Van Vlaenderen.

Une Saison au Congo

Tot slot was er de impact van de Chinese Culturele Revolutie, zonder dat de studenten De Gedachten van Mao Tsetoeng hadden gelezen vielen ze voor de man en wel hierom. Toen de studenten daar in Peking zich roerden tegen de bureaucratie van het regime door dit op grote muurkranten (Dazibao) te verkondigen kregen ze onverwachte steun van de Grote Roerganger die hen met een eigen dazibao aanmoedigde om in heel China het stof van de oude cultuur te doen wegwaaien. Dat was wat anders dan Leuven of België. Groeperingen die zich naar Mao’s voorbeeld marxistisch – leninistisch gingen noemen sproten dan ook op in Brussel: Mao Spontex, UUU-Université-Usine-Unité, UCMLB, dat later opging in Amada, nu PvdA en zelfs de officiële KP kende een splitsing. Brussel en later heel België zou nooit meer de ‘rust’ kennen die de CVP-staat zo wenste. De meeste partijen werden gesplitst en ook de staat. Alle rust was weg want zoals Bertold Brecht over de revolutionair al dichtte: ‘waar hij gaat zitten, gaat ook de onrust zitten.’ Ik was toen twintig en ben nog altijd tamelijk ‘onrustig’.

(1) De toenmalige BRT heeft het optreden van Yoko Ono gefilmd, net als de opvoering van Masscheroen. Beide opnames werden door de BOB (Bijzondere Opsporingsbrigade) in beslag genomen en deze historische documenten van onschatbare waarde zijn daarna verdwenen in de krochten van het justitiepaleis.

(2) Over de ongemeen boeiende figuur van Mathieu Corman presenteerde journaliste-filmmaakster Greet Brauwers haar documentaire vorige zomer op Theater aan Zee in Oostende. Zie: https://www.hln.be/regio/oostende/-hij-was-zoveel-meer-dan-boekhandelaar~ab93e5fe/

Zie ook: http://florsnieuweblog.blogspot.com/2014/12/van-durruti-naar-corman.html

 

 

 

 

October 6, 2018 at 10:54 am 4 comments

NIETS DAN DE WAARHEID

Caravaggio, Het offer van Isaak (1603)

Door Gie van den Berghe 

www.serendib.be

Onwaarheden, roddel, nepnieuws – ze zijn van alle tijden. Maar nu worden ze nog sneller verbreid door de a-sociale media, door de vervlakking en commercialisering van ‘het’ nieuws, door de zogenaamde democratisering van kennis. Pastoor, dokter en professor hebben de waarheid niet langer in pacht.

Geen waarheden zonder onwaarheden. De één zijn waarheid is niet zelden de ander zijn onwaarheid. Van kleuren en geuren tot ideologische, religieuze en politieke visies. Maar om waar te zijn, moet iets vatbaar zijn voor weerlegging. Onbetwistbare waarheden zijn valse waarheden. God bijvoorbeeld. Een waarheid die geen tegenspraak duldt, is weinig meer dan een vooroordeel.

Evidente waarheden als de Holocaust mogen dus betwist worden. Wie dat verbiedt, speelt in de kaart van ontkenners en twijfelaars want censuur lijkt aan te geven dat iets het daglicht niet veelt. Bij analyse en weerlegging van negationistische argumenten blijkt trouwens dat sommige aspecten van het stereotiepe Holocaustverhaal voor betwisting vatbaar zijn.

Neem de benaming Holocaust, Grieks voor ‘wat volledig verbrand moet worden’. In het Bijbelboek Genesis stelt God Abraham op de proef. Hij moet zijn geliefde zoon Isaak ten offer brengen. Abraham bereidt zich voor, bewijst godvrezend te zijn en mag daarom een ram in plaats van zijn zoon offeren. God belooft hem rijkelijk te zullen zegenen met een talrijk nageslacht dat al zijn vijanden zal verslaan.

Eind jaren 1970 voerden religieusmystieke joden de Bijbelse slachtofferterm Holocaust in als benaming voor de jodenuitroeiing door de nazi’s. De Binding van Isaak werd een metafoor voor de miljoenen joden die werden geofferd voor de wederopstanding van het joodse volk en Israël. Het offer, dat door sommige exegeten vergeleken wordt met de offerdood van Jezus, is niet tevergeefs geweest. Het onzegbare leed is verwerkt. Israël is het zoenoffer voor de jodenuitroeiing in Europa.

Seculiere joden zagen dit Holocaustbegrip niet zitten. Maxime Steinberg, een Belgisch jood en historicus wiens moeder in Auschwitz werd vermoord, noemde het in 1985 “een belediging van de miljoenen slachtoffers van de genocide, een besmeuring van de herinnering aan mijn moeder”. Zij was immers geen “instemmend slachtoffer van een nieuw liturgisch ritueel waarin de SS de plaats zou ingenomen hebben van de offerpriesters. Ze hebben haar ook niet vermoord om een of ander lot van het joodse volk te rechtvaardigen”. De in deze context “schaamteloze term ‘holocaust'”, vervolgde Maxime, “heeft niets met geschiedenis te maken maar alles met de mythes veroorzaakt door de catastrofe”.

Mede door de Amerikaanse televisieserie Holocaust uit 1978 – een serie die ondanks of dankzij haar soapgehalte nog aan populariteit wint – en de eind vorige eeuw uit de grond rijzende Holocaustmusea, wordt het Holocaust-slachtofferbegrip ondertussen wereldwijd gebruikt, ook door historici.

Alleen maar een kwestie van woorden? We weten toch met zijn allen waarover het gaat?! Gespecialiseerde historici wel, maar het grote publiek kent vooral het stereotiepe Holocaustverhaal. En dat is, zoals veel ingeburgerde verhalen, sterk vereenvoudigd, deels onjuist en onwaar.

Niemand kan alles kennen. Veel van wat we denken te kennen is een oppervlakkige, vereenvoudigde en al te samenhangende versie van de werkelijkheid. U en ik kunnen niet anders dan de beperkte informatie waarover we beschikken beschouwen als alles wat er over een bepaald iets te kennen valt. Met de beschikbare informatie bouwen we een verhaal en als dat goed is, geloven we het, wordt het waarheid.

Kennis is een eiland in een oceaan van onwetendheid.

Vast staat dat meer dan vijf miljoen joden werden vermoord. Maar hoe is het zo ver kunnen komen?Hoe werden mensen als u en ik volkenmoordenaars? Waarom keken we met zijn allen weg? Hoe uniek is de jodenuitroeiing?

Holocaust verwijst naar slachtoffers, niet naar daders. Deze laatsten hadden het over Endlösung der Judenfrage. Eindoplossing – er was dus voordien al sprake van een jodenprobleem. En inderdaad, de diaspora, de verspreiding van joden over de hele wereld, werd in veel landen en kringen als probleem ervaren. De discriminatie, vervolging en verdrijving van deze migranten werd eeuwenlang godsdienstig en antisemitisch gerechtvaardigd.

Gustave Doré  “Le Juif errant” Gekleurde houtsnede in Le Journal pour Rire, Paris, 1852

De eeuwige jood – titel van een antisemitische nazi-propagandafilm uit 1940 – was geen bedenksel van nazi’s maar van katholieken. Het verhaal van de wandelende of dolende jood dateert uit de middeleeuwen. Jezus, zo luidde het, vroeg op weg naar Golgota, gebukt onder het kruis, aan een jood om even op zijn dorpel te mogen rusten. De jood weigerde of bespotte Jezus, waarop die zei: “ik zal rusten, maar gij zult ronddolen over de aarde zonder te kunnen rusten, tot de dag van het laatste oordeel”. Moraal van het verhaal: wie Christus, de christelijke leer verwerpt, moet op geen verlossing rekenen.

Toen het naziregime begin 1933 de macht kreeg, vaardigde het meteen anti-joodse maatregelen uit. Joden moesten door pesterijen, boycots, discriminatie en beroepsverbodenhet land uit gedwongen worden. Maar de rest van de wereld had geen boodschap aan nog meer joden. De VS had al in 1924 beslist dat dergelijke ‘inferieure rassen’ niet langer welkom waren.

Duitsland zat met zijn joden opgescheept. Toch dacht de eerste acht jaar van het nazibewind niemand aan uitroeiing. Die begon pas in de tweede helft van 1941, samen met de inval in de Sovjet-Unie. Eén en ander ging dus heel wat geleidelijker in zijn werk dan het stereotiepe Holocaustverhaal wil.

Niet dat het nazibewind terugschrok voor gewelddaden en massamoord. Lang voor iemand aan jodenuitroeiing dacht, werden talloze mensen van eigen bloed gesteriliseerd en geëuthanaseerd – Ariërs met een mentale of fysieke handicap. Tot het einde van de oorlog werden in totaal 360.000 mensen gesteriliseerd.

Kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog begon de zogenaamde euthanasie-actie, de moord op minstens 70.000 mensen met een handicap.De actie lekte uit, een bisschop hield een opgemerkte preek en de operatie werd officieel stopgezet maar ging achter de schermen door.

Tegen de uitroeiing van de joden kwam ook van katholieke zijde nooit protest. Integendeel, na de oorlog hielp het Vaticaan verscheidene topnazi’s ontkomen naar Zuid-Amerika.

Ook wat sterilisatie en uitroeiing van zogenaamd minderwaardige mensen betreft, heeft het naziregime weinig uitgevonden. De gedachte dat fysieke, mentale en morele kenmerken erfelijk zijn en het dus verstandig is de gezondste, sterkste en meest begaafde mensen aan elkaar te koppelen, is van alle tijden. Plato, Aristoteles, Thomas Morus en tal van verlichtingsfilosofen en wetenschappers hebben daarvoor gepleit.

In 1883 bedacht Francis Galton, een vindingrijk wetenschapper en neef van Charles Darwin, de term eugenics : goede genese, goede geboorte. Darwin viel hem bij : de evolutie van de mens is door toedoen van mens en beschaving vrijwel tot stilstand gekomen. De mens, schreef hij in 1871 in De afstamming van de mens, kan maar vooruitgaan als hij onderworpen blijft aan harde strijd. Alleen dan komen de besten boven drijven. De voortplanting van gewenste individuen zou bevorderd moeten worden en die van ongewensten belemmerd, ware het niet dat zulks in beschaafde naties uit den boze is.

In de VS werd vanaf 1920 al op relatief grote schaal gesteriliseerd. Ook in het democratische Weimar-Duitsland gingen toen stemmen op om zogenaamd levensonwaardig leven te beëindigen. Karl Binding en Alfred Hoche, een jurist en een psychiater, pleitten in Die Freigabe der Vernichtungvoor gedeeltelijke opheffing van het verbod te doden. Twee jaar na de nederlaag in de Grote Oorlog vergeleken ze een slagveld bezaaid met lichamen met een instelling waar idioten met de grootste zorg werden omringd. Tegenbeelden van mensen, zonder wil tot leven of sterven. Levens van negatieve waarde rekken is meedogenloos; ze geen zachte dood gunnen is wreed en een zware belasting voor verwanten en maatschappij. Dergelijke levens doden is geen misdaad of immorele handeling, maar nuttig en geoorloofd.

Nog in 1920, stuurde een directeur van een Saksische verpleeginstelling voor zwakzinnige kinderen een vragenlijst naar de ouders. Zou u instemmen met een pijnloze levensbekorting als vast staat dat uw kind ongeneeslijk idioot is? Of alleen als u niet meer voor uw kind kunt zorgen, na uw dood bijvoorbeeld? Of alleen als uw kind fysiek of psychisch zwaar afziet? En tot slot: wat vindt uw vrouw hiervan? 73 % van de 162 ouders antwoordde ‘ja’ op alles, 27% ‘neen’ op sommige vragen. Nogal wat ouders voegden eraan toe dat ze liever van niks geweten hadden: ‘niet vragen, doen!’.

Het is, voor wie er even bij stil staat, best merkwaardig dat het nazibewind eigen volk steriliseerde en ombracht voordat het joden massaal begon uit te roeien. Blijkbaar zagen ze in joden, anders dan in gehandicapten, toch nog de mens, zij het van een concurrerend ras.

Enkele stappen uit de escalatie tot genocide.

Tien dagen na de aanhechting van Oostenrijk (maart 1938), toen de pers bol stond van nazi-gruweldaden – terwijl de nazi’s door veel Oostenrijkers enthousiast werden verwelkomd – grendelde de beschaafde wereld zijn grenzen verder af.

In juli 1938 overlegden vertegenwoordigers van een dertigtal landen in het mondaine Evian-les-Bains. Alleen de Dominicaanse republiek wou joden opnemen. Australië verklaarde tegen antisemitisme en racisme te zijn en wou die problemen onder geen beding importeren.

Op 5 oktober 1938 ging het nazibewind in op het verzoek van de Zwitserse regering om een rode J te plaatsen op paspoorten van Duitse joden.

Ook Polen weigerde joden op te nemen. Daarom deporteerde Duitsland eind oktober 1938 15.000 Poolse joden naar een niemandsland aan de grens met Polen. Onder hen ook de familie van Herschel Grynszpan. Die pleegde op 7 november een aanslag op een ambtenaar van de Duitse ambassade in Parijs. Duitsland reageerde met een pogrom, de Reichskristallnacht. Talloze synagogen en joodse zaken gingen in vlammen op. Twintigduizend joden werden in concentratiekampen opgesloten, kampen waar tot dan voornamelijk politieke gevangenen zaten. Enkele honderden joden overleefden dit niet, maar de anderen werden na enkele maanden vrijgelaten.

De wereld bleef wegkijken. Eigen volk eerst.

Het slachtofferperspectief berooft ons van inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de Endlösung der Judenfrage.

Hitler hield van honden en kinderen. Hoe waar ook, de bewering druist in tegen onze waarheid. Wij mensen denken makkelijk in absolute goed-kwaad tegenstellingen, in slachtoffer-dader termen. Genocidaire daders worden gedemoniseerd, onherkenbaar gemaakt als mens. We ontmenselijken ze zoals zij met gehandicapten en uiteindelijk ook met joden deden. Wie dehumaniseert verheft zich boven de ander, wordt dader in potentie.

Daderbronnen zoals Hitlers Mein Kampf, de memoires van Auschwitzcommandant Rudolf Höss of die van Adolf Eichmann; de fotoalbums die SS’ers maakten van de ontruiming van het Warschau getto of van de aankomst van een jodenkonvooi in Auschwitz – dit soort daderbronnen maakt duidelijk dat veel daders dachten het goede of toch het noodzakelijke te doen. Ze doodden voor een goed doel: het Volkslichaam zuiveren van biologisch ballast en het jodenprobleem definitief oplossen. Kwaad om bestwil.

Ella Lingens-Reiner, een Oostenrijks arts die wegens hulp aan joden in Auschwitz belandde, zei daar tegen Fritz Klein, de SS-arts met wie ze moest samenwerken, dat ze zich schaamde tot de Duitsers gerekend te worden. Klein, volgens Lingens-Reiner een beschaafd man, begreep dat niet. Hoe kun je, vroeg ze hem toen, meewerken aan de uitroeiing van joden, heb je als arts dan geen respect voor menselijk leven? Natuurlijk wel, antwoordde Klein, “uit respect voor menselijk leven moet ik de rotte appendix uit het zieke lichaam verwijderen en joden zijn de rotte appendix in het Europees lichaam”. Een daderperspectief.

Fritz Klein was een meedogenloze antisemiet. De man ook die kort na de oorlog in Bergen-Belsen gefotografeerd werd in een ‘ravijn’ van lijken, een massagraf dat de Britse bevrijders moesten graven om de in het kamp heersende tyfus te bestrijden.

Bergen-Belsen 24 april 1945

 

Epiloog

In 1931, zeven jaar voor het nazi-bewind de rode J invoerde, introduceerde België in Rwanda etnische identiteitskaarten met daarop het grotendeels fictieve onderscheid Hutu – Tutsi – Twa. Omdat niet iedereen op het oog herkenbaar was, werd bepaald dat wie tien of meer koeien bezat, Tutsi was. Zo gebeurde het dat de ene broer Tutsi en de andere Hutu werd. Tijdens de Rwandese genocide in 1994 werden de racistische identiteitskaarten een dodelijk hulpmiddel bij identificaties aan wegversperringen.

Ook bij deze genocide keek de hele wereld weg, België op kop.

De analogieën met hedendaagse toestanden en houdingen kunnen u niet ontgaan zijn.

Lezing gehouden op 9 juni 2018 in het Liberaal Archief te Gent, in het kader van een lezingencyclus over waarheid en onwaarheden, voor een honderdtal vrijmetselaars (zelf behoort Gie tot geen enkel genootschap, laat staan een geheim).

July 14, 2018 at 4:33 am 2 comments

DE KRIMINELE KEIZER

Door Lucas Catherine

‘s Zondags kan je best door Brussel flaneren via zijn markten: de Voddenmarkt, de Zuidmarkt, de markt van het Slachthuis van Anderlecht, noem maar op. De Antiekmarkt op de Zavel doe ik omdat daar meneer Van Ghendt staat die handelt in voor mij meestal onbetaalbare Kongoboeken. Nu stond er achter zijn kraam een soort folkloregroep te dansen. Eerst dacht ik: Basken, maar de groep moest Brusselaars uit de zestiende eeuw verbeelden. Ah ja, natuurlijk Den Ommegang gaat uit en er loopt het Keizer Karel festival dat zal uitmonden in een Bruegel-jaar. Breughel zeggen de folkloristen.

Nu heb ik iets tegen Keizer Karel, de man die in 1522 de inquisitie bij ons invoerde via zijn Leuvense biechtvader Adriaan Boeyens die hij later als beloning massaal sponserde om Paus te worden als Adrianus V. Dezelfde Adriaan die hoofdinquisiteur in Spanje werd en in 1520 beval de eerste boeken in Leuven te verbranden en drie jaar later de eerste contestanten, zeg maar protestanten, op de Brusselse Grote Markt op de brandstapel deed belanden. Keizer Karel die oorlog voerde tegen Frankrijk en verder tot in Tunis en Algiers, de man die Rome plat brandde, er paters en nonnen tot orgieën verplichtte en er twaalf duizend mensen liet doden. Een man, waar katholieken en folkloristen toch veel goeds over kunnen vertellen en die gepropageerd wordt via bier en vertelselkes zoals De Pot van Olen of de Pissende Boer van Berchem. Michel de Ghelderode was zo’n antimodern katholiek schrijver die deze verhalen zogezegd verzamelde maar ze vaak zelf verzon.

Foto: Toeristische Dienst Brussel

 En hoe viert de toeristische dienst van Brussel hem: met een Ommegang die niets te maken heeft met de originele in de zestiende eeuw, want daar liepen toen bvb kamelen in, maar de huidige toeristische versie werd in 1830 gecreëerd door de folklorist Albert Marinus en toenmalig burgemeester Adolphe Max. Verder ‘niet te missen’ een Buffet Historique, Kruisboogschieten of doet u liever mee aan een atelier over bierologie (jawel de kunst van het bierbrouwen)?

Als het aan mij lag dan kreeg u eerder een atelier aangeboden over hoe de dichters van toen de Keizer zagen:

Des Conings hert gantsch rotsig,

end’ hard als marbelsteen,

bloetdorstig, loos en vals,

is seer verkeert en trotsig,

hij trachtet maer elck een,

te brengen om den hals.

Of dit :

Men brand, men blaeckt, men schend, men moort:

t Arme volc laes! Rechte voort

lyd nu groot gewelt, en wort seer gequelt.

Noyt dack van regen so druypen men sag,

Gelyck men ’t volck weenen siet al den dag.

Of nog dit prozastuk, het verslag van een ooggetuige van zo’n verbranding op de Brusselse Grote Markt in 1545

Het is niet te geloven welke afschrikwekkende vlammen dat produceerde, want het materiaal was uiterst brandbaar. Bij mijn weten heb ik werkelijk nooit van mijn leven zoiets afschuwwekkends gezien. De brand was zo fel, het geweld van de vlammen zo hevig, dat

het leek alsof zij zelfs de wolken raakten en deze door hun gloed compleet in brand staken en in vlammen deden opgaan. Een onmetelijke vonkenregen steeg onder luid geknetter ten hemel en bad de eeuwige godheid als met een sprekende stem om wraak voor zo’n misdrijf. Uiteindelijk was het zo’n grote vlammenzee dat de lichamen in een handomdraai in as waren verkeerd en in rook opgegaan.’

De eerste terechtstelling in 1523 van Hendrik Vos en Jan Van Esschen lokte bij de Brusselse intelligentia die naar de verbranding keek verontwaardiging op. De tapijtwevers Tsas, De Pannemaeker en hofschilder Barend van Orley protesteerden luidop. Van toen af werden Wederdopers, Lutheranen en Calvinisten Protestanten genoemd.

En die protesten hielden niet op. Bruegel is er een mooi voorbeeld van. Alleen zal je er in het Bruegeljaar niet veel van merken. Ook hier wordt het folklore en wordt de ‘Boeren Breughel’ opgevoerd. Terzijde: de spelling Breughel komt van de folkloristen. De man zelf tekende zolang hij in Antwerpen woonde met Brueghel en later in Brussel met Bruegel. Spreek uit Brugel en niet Breugel. Soit. Het worden dus kinderspelen en spreuken en geen contestatie. Nochtans was Bruegel een contestant. In al zijn Bijbelse schilderijen is het decor het Pajottenland rond Brussel en zijn de Romeinse slechteriken vervangen door Spaanse tertio’sIn het schilderij De Preek van Johannes de Doper is het decor het bos van Heeghde (nu Louizalaan), de hoofdfiguur is niet Johannes maar Nicolaas Van der Elst, een bekend hagepreker en rechts op een boomtak heeft Bruegel zich zelf geschilderd samen met zijn vrouw Marijke en zijn schoonmoeder Maaike.

Pieter Bruegel de Oude: De Preek van Johannes de Doper

 

2018 is in Brussel ook het jaar dat men de contestatie van Mei ’68 herdenkt. Daarom deze verre voorloper van “Sous les pavées il y a la plage”:

Want g’lyck de paerden syn geschapen om te ryden,

De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,

De Visch tot swemmen, end’ tot jock en ploeg den Os;

Soo mede wy oock om te wesen vry en los.

Bruegel produceerde in Antwerpen vooral prenten. Zijn schilderijen maakte hij in Brussel.

July 6, 2018 at 5:42 pm 1 comment

Het Brussel van Elsschot

 

Wie Elsschot zegt denkt Antwerpen. De film Lijmen Het Been van Robbe De Hert met onder andere Mike Verdrengh en Koen de Bouw heeft de koekenstad als decor. Dat klopt niet met het boek van Elsschot en ook niet met de realiteit waarop het gebaseerd is: het tragikomische verhaal van Boorman, mevrouw Lauwereyssen en Frans Laarmans speelt zich af in Brussel, en wel in het historische hart van de hoofdstad waar reclameman Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, zijn bureau en zijn stamcafé had, wellicht het “café van Dikke Jeanne.” Elsschot en Brussel, het is een band die onbekend en onderbelicht is en daar wil een andere Brusselaar iets aan doen: Lucas Catherine met name die in Elsschots oude buurt woont en die eerder naam maakte als eminente kenner van het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijns conflict. Het verband tussen die twee – Elsschot en de Arabische wereld – legt hij hieronder zelf uit.

Johan Depoortere

Tachtig jaar geleden verscheen Lijmen/Het Been als één boek.

Misschien denkt u nu, hoe komt het dat Lucas Catherine die toch vooral over Kongo, de Arabische wereld en Islam schrijft, het over Willem Elsschot heeft? Wel dat is een heel verhaal:

In 1979, toen nog geen journalist het woord jihad had gebruikt kocht ik het zeer academische boek: The doctrine of Jihad in Modern History. In de eerste paragraaf viel al de eerste voetnoot, en wel bij de zin: of all Islamic institutions, jihad is certainly the one that offers the most admirable ressources for studies on the inexhaustible and complex theme of the relationship between Islam and Western colonialism.1

De auteur had hier duidelijk de marmer- en piano-tekst van Boorman en Laarmans uit Lijmen/Het Been toegepast. Dit is de oorspronkelijke Elsschottekst: De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigeux et inépuisable thème de la décoration.

En van het een komt het ander en heb ik Lijmen/Het Been herlezen en wat bleek voor mij als Brusselaar: Je kon dat boek gebruiken als een soort historische gids om mijn wijk, de Vismet en dat is dus de oude Brusselse haven te leren kennen tijdens de Belle Epoque en het Interbellum.

untitled--2

Het echtpaar Elsschot op wandel in Laken, bij het Chinees Paviljoen (foto Letterenhuis)

Willem Elsschot heeft tussen 1911 en 1914in Brussel op nogal wat adressen gewoond: Waterloose steenweg 41 (St-Gillis); Waverse steenweg 929 (Oudergem) en in Laken, Bockstaellaan 237, 3deetage boven Café Le Cygne (patronne: Dikke Jeanne), nu bakkerij. Hij vlucht naar Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog, maar zal Brussel iedere donderdag bezoeken, onder andere om zijn kleinzoon Tsjip in Ukkel te zien (E. Cavellstraat 106), stad waar hij ook naar toevlucht tijdens WO II.

Je mag niet vergeten dat ook zijn La Revue Continentale Illustrée = Algemeen Wereldtijdschrift voor Handel, Financiën, hier in Brussel op meerdere adressen gevestigd was, oa Quai des Charbonnages 74, Koolmijnenkaai, Molenbeek en in oktober 1913 : Brandhoutkaai 51 (Vismet, nu Citadinnes). Wat ook nogal eens vergeten wordt is dat hij een reclamebureau bezat: La Propagande Commerciale met een kantoor in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort .

Alfons De Ridder heeft zijn pseudoniem, Willem Elsschot in Brussel gelanceerd, maar het verwijst eigenlijk naar een dorp in Limburg van waaruit zijn moeder afkomstig was. Ook zijn eerste roman Villa des Roses heeft hij van hieruit uitgegeven. Het contract met de uitgever schreef hij neer op briefpapier van La Revue Continentale/ Het Algemeen Wereldtijdschrift.

Cover Revue Continentale Illustrée (bibliotheek Ugent)

Elsschot zei zelf: Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op één of andere manier van af moest komen. De gebeurtenissen in de boeken hebben zich ook in de werkelijkheid voorgedaanIk heb feitelijk niets anders dan een dagboek bijgehouden.

Brussel, en dan vooral het Brussel van net voor de Grote Oorlog is dan ook erg goed te herkennen in Lijmen/Het Been.Gezien al die adressen heeft Elsschot nogal wat rond gehangen in onze stad en zich verplaatsen was toen nog geen probleem. Brussel had net de paardentrams vervangen door elektrische trams en het centrum was prima verbonden met voorsteden als Ukkel, Sint-Gillis, Oudergem, Elsene of Laken. Zo zong Jef Casteleyn op de wijze van de Marseilleise

Pour admirer notre Belgique

Comme la richesse elle l’a changée

On voyait des trams éléctriques

Remplis de Belges et Etrangers

En de auto’s verschenen in het stadsbeeld. Het eerste Brusselse autosalon werd al in 1899 georganiseerd in de Pôle Nord (tussen de Kathelijnekerk en het de Brouckère plein) en vanaf 1902 gebeurde dit jaarlijks in het Jubelpark.De auto zou de trein gaan beconcurreren, of zoals Korthals het tegen Boorman uitlegt: Vroeger werden onze lieve doden gewoon per spoor verzonden, net als haring. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief tot eindelijk onze veertien (zijn gemotoriseerde lijkwagen) aan die gruwel een einde heeft gemaakt. 

Leopold II voorziet in zijn testament al de aanleg van de eerste autoweg Brussel-Oostende.

De Vismet met de Brandhoutkaai (collectie Plaizier)

De Vismet vandaag

Tussen smederij Lauwereyssen, Vlaamse steenweg 62, en het redactieadres van La Revue Continentale Illustrée lag de vroegere haven. Ze werd stelselmatig gedempt. Het dok dat voor het nummer 51 van de Brandhoutkaai lag was het laatste en verdween één jaar voor Elsschot er kwam werken. De Vismarkt werd er opgericht, tussen de Kathelijnekerk en de Populierstraat, maar het noordelijk deel van wat we nu nog de Vismet noemen werd chic. De cavitjes en kabberdoesjen die typisch waren voor de havenwijk ruimden plaats voor meer burgerlijke gebouwen. En ook de industrie rond de haven trok weg: de duurte van de grond, waardoor de meeste fabrieken de wijk moeten nemen uit het centrum, zoals Boorman de toestand samenvatte aan mevrouw Lauwereyssen..

De Varkensmarkt, aan het einde van de Vismet, werd verbreed, net als het kanaal. En parallel met de Vismet werd de Dansaertstraat aangelegd als veel bredere concurrent voor de smalle Vlaamse steenweg. Wat nog eens de grondprijs de hoogte in joeg en van de Vlaamse Steenweg een ingesloten populaire wijk maakte tussen riante nieuwbouw. Het wordt haast een Vergeten Straat, denk aan haar beschrijving in het Algemeen Wereldtijdschrift: Kent gij de rue de Flandre? Bezoekt haar en lezer, ook al had gij haar bestaan niet vermoed, en gij zijt ons dankbaar, niet? Want geen gids ter wereld, ook niet het reisbureau Orient, dat anders van aardige hoekjes afweet, had u er nooit heengebracht…Lezer gij hebt nu een hoekje van Brussel bezocht, waarvan gij het bestaan niet had vermoed.

Vlaamse Steenweg (collectie Plaizier) “En zo was ik met mijn rouwende drijver op een onzalige voormiddag toevallig in een zijstraat van de Chaussée d’Anvers terecht gekomen, niet ver van de Rue de Flandre waar Lauwereyssen en dikke Jeanne zaken deden. De groentemarkt was in volle gang. Er stonden talloze handkarretjes, ieder met een schreeuwend wijf, en op het trottoir verdrongen zich de koopsters alsof er voor allen niet genoeg zou zijn.” (Het Been – OP DE MARKT)

Café op de Vlaamse Steenweg: de inspiratie voor “het café van Dikke Jeanne?”

Langs de grote centrale lanen die onder Leopold II waren aangelegd over de gedempte Zenne, vestigden zich de eerste grote luxe restaurants. De vreemdeling die door ’t centrum van Brussel slentert en die, verdoofd door de drukte en de herrie, ergens bij de Beurs op een bank gaat uitrusten… verbeeldt zich nu eenmaal dat het centrum van die weelderige stad alleen uit hotels, koffiehuizen, patisserieën en parfumwinkels bestaat.De meer populaire restaurants vond je in de Beenhouwersstraat en langs de Vismarkt. Elsschot zal trouwens Louis-Paul Boon voor het eerst ontmoeten in Les Armes de Bruxelles, in die Beenhouwersstraat.

Het is de tijd dat de Belgische keuken haar eigen stijl ontwikkelt, onder meer dankzij Gaston Clément (1879-1973) die als kok voor Leopold II en Albert I werkte. Hij is niet alleen de founding father van de Belgische keuken, maar promoot ook een nieuwigheid in onze voeding, de conserven. Van hem zijn de legendarische woorden: ‘de beste asperges zijn de asperges uit blik’. En die conserven nemen in het Museum voor Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen (de centrale gang in het kantoor van het Wereldtijdschrift) het meeste plaats in. Mevrouw Boorman komt er zich regelmatig bevoorraden en veertien jaar later vraagt Boorman zich in Het Been af of zij niet is gestorven aan al die conserven.

In Boormans Museum prijkt naast een standbeeld van Leopold II, een negerafgod, een werpspeer en een baal rubber. De exploitatie van Congo had na de Belgische overname in 1910 een geweldige toename gekend. Alle produkten uit de kolonie werden in Antwerpen gecommercialiseerd, behalve twee luxe items: de banaan en de cacao. Dat de banaan bij het gewone volk een luxeproduct was, blijkt in Het Been, wanneer tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften een van de bieders, ostentatief vier bananen zit te eten. Alleen mensen met geld konden ze zich veroorloven en het mevrouwtje doet dan ook het hoogste bod: “Zo liet ook mijn buurvrouw de vellen van haar vierde banaan afhangen, zonder de laatste hap te doen…tot mijn buurvrouwtje dat de hele morgen gegeten en gezwegen had, haar onttakelde banaan in de hoogte stak om de aandacht van de notaris te trekken en rustig driehonderdvijftig bood. 

Bananen kwamen toen exclusief uit Congo – het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat de Amerikanen hun Latijns-Amerikaanse bananen bij ons zullen introduceren – en in de havenwijk waren er dan ook verschillende bananenrijperijen. Zo waren de huidige binnenparking van restaurant La Belle Maraichère en het kunstencentrum Argos oorspronkelijk bananenrijperijen.

Inladen van Bananen in Kongo (foto Otraco)

En dan is er de cacao die de reeds bestaande chocolademakerijen niet alleen een boom bezorgde, maar de Congolese cacao zorgde van toen af voor de speciale diepe smaak van de Belgische chocolade. De cacao was van ons, en dus niet duur, dus mocht er extra veel in de cacaoboter. En toen kwam een Griekse Ottomaan uit Gent op het lumineuze idee om, zoals men frieten op straat aan het gewone volk verkocht, zijn pralines op de centrale lanen aan de paraderende bourgeoisie te verkopen. Leonidas Georges Kestekides had met zijn chocolade een prijs gewonnen op de koloniale tentoonstelling van 1910 en verhuisde in 1924 (het jaar dat Lijmen verscheen) zijn fabriek van Gent naar de Devaustraat (naast de Kiekenmarkt) en opende enkele winkels langsheen de centrale lanen2. Ze bestaan nog.

Ook de al bestaande kleine warenhuisketen Delhaize werd groot dankzij haar koloniale produkten. In 1906 werden ze hofleverancier voor cacao en koffie uit Kongo en waren mede-financiers van het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1910. Ze hadden ondermeer een winkel op de hoek van de Vlaamse steenweg en het Kathelijneplein. Ze versierden hun winkels met een Belgische Leeuw (vandaar Delhaize Le Lion), de slogan: gebruikt de producten uit onze kolonie en met een borstbeeld van Leopold II. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat Boorman zijn Museum op dezelfde manier inrichtte.

Vitrine Delhaize –1920 (colectie Delhaize)

Niet alleen de fabrieken trekken weg uit deze nieuwe, chique wijk, ook La Revue Continentale verlaat de Brandhoutkaai en trekt over het kanaal naar de Steenkoolmijnkaai 74.

Maar niet alleen La Revue Continentale Illustrée diende Elsschot als inspiratiebron, ook zijn reclamebureau La Propagande Commerciale (met een adres in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort). Met dit bureau geeft hij onder andere de officiële catalogi uit van de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Antwerpen en Luik (1930). Na ruzie met zijn vennoten (1931) geeft hij in eigen naam de catalogus uit van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1935. De rue de la Reinette loopt parallel met de Naamse Poort en daar was al tijdens de Kongo Vrijstaat van Leopold II een koloniale wijk ontstaan. Centrum was het Café de l’Horloge waar nu een metro-ingang is. Dat was een heel chic café waar het koloniaal kapitaal vergaderde. Je betaalde er niet met geld maar met jettons. Die moest je in tamelijk grote hoeveelheid ineens aankopen, zo beperkte men de clièntèle tot alleen maar de kapitaalkrachtigen.

Dit Art Nouveau Café werd tijdens de aanleg van de kleine ring als voorbereiding voor Expo 58, afgebroken en opgekocht door de grote baas van de Hiltonketen. Het werd steen voor steen genummerd en terug opgebouwd in Cairo in de Nile Hilton waar het bekend staat als Taverne du Champ de Mars, naar het Brusselse plein waar het stond. Minder begoede kolonialen spraken af in meer populaire cafés bij het begin van de Waversesteenweg. Het meest bekende was Le Lion Belge en dat moet Elsschot zeker bezocht hebben. Waarschijnlijk diende het als voorbeeld voor Brasserie du Lion Royal waar Boorman Laarmans zijn contract laat ondertekenen.

De koloniale wijk aan het begin van de Naamse Poort, gezien vanaf de Pippelingstraat (archief Stad Brussel)

Maar hiermee zijn we al ver van smederij Lauwereyssen, rue de Flandre 62 en het café van Dikke Jeanne.In deze oude havenwijk nemen de sociale conflicten toe. De kloof tussen rijk en arm wordt er erg groot, getuige het verhaal van de mosselvrouw die op afbetaling een pelsmantel had gekocht bij Weinstein, een van juifs de la rue Sainte Cathérine en die na vier jaar niet meer kon afbetalen. In Brussel stonden de joden bekend om hun handel in textiel en ook in pels. Mijn tante Julia heeft jaren bij de jood in de pels gewerkt tot ze er stoflong van kreeg. De bekendste winkel waren de Grands Magasins Hirsch in de Nieuwstraat (waar nu de C&A is). Hirsch is de Brusselse folklore ingegaan omdat zijn kleren tweedehands werden verkocht uitgespreid op de grond van de Voddenmet die daarom ook ondermeer als bijnaam kreeg Hirsch par Terre. Dat er in de Kathelijnewijk nogal wat joodse mensen woonden kan je nog merken aan de koperen herinneringsstenen naast klerenwinkel Au Coin de Rue ter gedachtenis van het echtpaar De Leeuw-Levie, in Auschwitz vermoord door de nazi’s in 1943.

Het is ook de tijd dat de socialisten sterk worden. Na de invoering van het meervoudig algemeen stemrecht hadden de liberalen hun absolute meerderheid in de Brusselse gemeenteraad verloren. Liberaal burgemeester Charles Buls neemt dan ook ontslag omdat hij, zoals hij in zijn dagboek schrijft: je ne veux être ni le prisonnier des cléricaux, ni l’allié des socialistenEn de vakbonden worden sterk – Horta had al in 1899 het Volkshuis gebouwd – en mevrouw Lauwereyssen klaagt dan ook: als bij afspraak wordt het gereedschap neergegooid en gaan de heren vloekend aan het staken. En wat je dan ook praat, het baat niet. Zij eisen verkorting van werktijd en verhoging van loon… Zij hebben twee bondsleden op mij afgezonden, mensen van hun metaalbewerkersbond of hoe het dan ook moet heten. Drie weken lang heb ik nog weerstand geboden, maar toen moest ik wel toegeven…

Was dit ook de visie van Willem Elsschot? Ik betwijfel het want in Kaas dat tussen Lijmen en Het Been in verscheen (in 1933) schrijf hij haast een lofzang op de toenmalige Sovietunie (van Stalin!): Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Men zegt zelfs dat zij in Rusland de heren geworden zijn. Als het waar is dan hebben zij dat verdiend dunkt mij. Zij schijnen het trouwens met hun bloed gekocht te hebben.

Volkshuis van Victor Horta, nu afgebroken (collectie Plaizier)

Toen Elsschot, op aandringen van Nederlandse vrienden Het Been als een vervolg schreef op Lijmen moest hij zijn personages van tien jaar eerder laten evolueren. Dikke Jeanne uit het café in de Vlaamse steenweg vermagerde wegens suikerziekte en veranderde van haarkleur. Laarmans was weer een gewone bediende geworden, maar wat met Boorman?

Elsschot’s voormalige zakenpartner, René Leclercq, met wie hij zeven jaar eerder had gebroken, had psychische problemen gekregen en had zich laten behandelen in de kleine privé-kliniek Sans-Souci van dokter Titeca. De naam Titeca is trouwens in het Brussels nog een synoniem voor ‘zothuis’. Maar Boorman wordt elders opgesloten. Hij wordt door de politie aangehouden wegens ordeverstoring tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften van mevrouw Lauwereyssen en de Brusselse politie voert gekken niet af naar een privé-kliniek, maar wel naar de psychiatrische afdeling van Brugmann, het OCMW-ziekenhuis van de stad. Daarvoor inspireert Elsschot zich op de lotgevallen van een goede kennis, Leo Frenssen, een ambulante kruidenier waar hij vaak mee discussieerde. Frenssen had in Antwerpen een partij gesticht voor Een Redelijke en Demokratische Communistische Maatschappij en gaf zo een krantje uit: De Voorlichter. Ze behaalden in 1938 zes zetels in de gemeenteraad en een jaar later wordt hij zelfs volksvertegenwoordiger. Tijdens een van zijn betogingen in Brussel werd Leo Frenssen door de politie opgepakt en naar de psychiatrische afdeling van het Brugmann-ziekenhuis gebracht. Hij vertelde zijn wedervaren in De Voorlichter en Willem Elsschot was er zo over verontwaardigd dat hij het verhaal gebruikt in de gasthuisscène van Het Been. Veel details kloppen: de zingende zot in bad, de geschifte die telkens opnieuw zijn bed dwangmatig opmaakt en de testen die Frenssen moest doen: onder meer snel na mekaar herhaalde malen Trente troisième régiment d’artillerie te zeggen. Bij Elsschot wordt dit Derde rijdende artillerie brigade.

Brugmann Ziekenhuis (collectie auteur)

Dezelfde Elsschot schreef ook een gedicht over communist Van der Lubbe – dat trouwens eindigt met mocht je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn. Maar daarnaast schrijft hij ook, in 1947, een gedicht tegen de terechtstelling van nazi-collaborateur Borms. Zoals ze in Brussel zeggen: daane Elsschot, heum es nie veu ien gat te vange.

De auteur bij de gedenkplaat gemaakt door de de Brusselse kunstenaar Benoît van Innis op de plek aan de Vlaamse Steenweg waar zich wellicht de smederij van mevrouw Lauwereyssen bevond.

Lucas Catherine, Zaterdagplein –neuvest de Vismet en ’t Begaanhof,2018

1Willem Elsschot, Lijmen. In: Verzameld werk, Amsterdam 1963.

2Patisserie Centrale Leonidas. De term pralines Leonidas duikt pas in 1937 op.

June 6, 2018 at 3:29 pm 7 comments

ANTISEMIET MAAR NIET VIRULENT

Door Johan Depoortere

Op indrukwekkende wijze werd in “De kinderen van de collaboratie” duidelijk gemaakt hoe jarenlang – tot voor kort nog – het collaboratieverleden van Vlaanderen toegedekt werd onder een dikke laag ontkenning, vergoelijking en wrok. Het levende voorbeeld daarvan kwam een week eerder aan het woord: Jan Tollenaere, de zoon van Reimond Tollenaere, de nazipropagandist uit Roeselare die met zijn retoriek duizenden jongerenen voor het Oostfront ronselde. Zoon Tollenaere noemde zichzelf “een antisemiet, maar niet virulent hoor!” “Niet virulent,” wat moeten we daaronder begrijpen? Misschien dat hij tegenstander is van gaskamers – maar niet fanatiek hoor! Misschien vindt hij alleen dat Joden beter zelf de beslissing nemen om op te rotten? Voor de rest is het natuurlijk helemaal geen problemen om Joden “parasieten” en “nare mensen” te noemen. Het taalgebruik van Tollenaere is een regelrecht copypaste uit “Der Stürmer,” met stip de hatelijkste propagandatool van de nazis.

In dezelfde aflevering van de “Kinderen van de collaboratie” was te zien hoe Bart De Wever, de sterke man van de NVA, ondubbelzinnig afstand nam van het naziverleden van de Vlaamse beweging en van zijn eigen familie. Dat was, erkennen vriend en vijand, een moedige daad ook al kwam die rijkelijk laat – meer dan 70 jaar na het einde van de oorlog. En dan is het nog zeer de vraag hoezeer deze breuk met het verleden in de rest van de partij is verteerd. Jan Tollenaere was tot een week geleden lokaal bestuurslid van de NVA in Turnhout. Pas na diens optreden in de ophefmakende televisiereeks kwam het tussen hem en de partijleiding tot “een goed gesprek” en pas dan bleek een bestuursmandaat in die partij niet te verzoenen met antisemitisme en nazisympathieën. Dat ruim twee maanden geleden dezelfde Tollenaere al in De Standaard eraan twijfelde of “Hitler een crimineel was” en openlijk zijn afkeer voor Joden en “negers” had geëtaleerd was tot dan blijkbaar geen probleem.

Het blijkt dus dat de “wrokcultuur” zoals de hardnekkige traditie in de Canvasuitzending werd genoemd een taaier leven leidt dan vaak wordt aangenomen. Het blijkt ook dat die traditie zich niet beperkt tot de harde kern van diehards in Vlaams Belang en andere extremistische splintergroepen. Het is nog altijd mainstream om de collaboratie weliswaar een “vergissing” te noemen maar eraan toe te voegen dat de Vlaamse nazis “hun redenen hadden” om zich te encanailleren met een misdadig regime. Als ook nu nog gemeentebesturen er geen graten in zien om straten te noemen naar een veroordeeld oorlogsmisdadiger als Cyriel Verschaeve, of als prominente partijleden aanwezig zijn op verjaardagsfeestjes van nazisympathisanten is er wel degelijk een probleem, ook in “fatsoenlijke” politieke formaties.

Nazipropagandist Cyriel Verschaeve.

In een uitzending van De Afspraak reageerde de Antwerpse schepen Claude Marinower sereen en waardig op de misselijk makende uitspraken van Tollenaere. De vader van Marinower was één van de vele slachtoffers van het door Tollenaere nog altijd aanbeden naziregime. Marinower is intussen schepen in een gemeentebestuur onder leiding van de NVA, een partij waarvan het DNA blijvend besmet is. Burgemeester De Wever mag dan al duidelijk afstand hebben genomen van het oorlogsverleden van zijn partij en familie, hij vond het in 2007 nog nodig om te protesteren toen zijn voorganger Patrick Janssens excuses aanbood voor de medewerking van de Antwerpse politie aan de uitroeiing van de Joden. “Misplaatst en gratuit” noemde De Wever die excuses toen – tot woede van de Joodse gemeenschap. De Wever werpt zich nu op als de grote vriend van de Antwerpse Joden en van Israël. Het kan verkeren.

 

December 21, 2017 at 9:23 am 1 comment

PALESTINA BESTAAT, MAAR NIET ALS STAAT

Statue of Godfrey of Bouillon on Place Royale or Koningsplein (Royal Square) in Brussels, Belgium

door Jef Coeck

 

 

Kan u zich herinneren wanneer u voor het laatst het woord ‘Palestijn’ zag of hoorde in de mainstream media? Dus niet in specifieke publicaties over het onderwerp.Toevallig is het deze dagen wel het geval, omdat de Palestijnse rivalen Hamas en Fatah aan een toenadering bezig zijn. Maar afgezien daarvan kan het lang geleden zijn, want het lijkt erop alsof Palestina niet bestaat. Voor een deel is dat ook waar. Toch zijn er Palestijnen, ze worden gepest, gevangen gezet of gedood door hun kolonisatoren, de staat Israël. Wanneer de repressie massaal gebeurt, zoals enkele keren in Gaza, herinneren we ons plots dat er vroeger zoiets bestond als ‘het heilig land’. Vooral de hoofdstad Jeruzalem had (heeft) een bewogen geschiedenis.

Onze specialist, Lucas Catherine, heeft de bewogen Palestijnse geschiedenis opgeschreven met alle soms verbijsterende details. Palestina, dat nu Israël heet, is een kunstmatige constructie van de wereldpolitiek. De oorspronkelijke bewoners zijn grotendeels verdreven of gekneveld. Aan de basis van dit kolonialisme ligt het Zionisme, een theorie die ontworpen werd door Theodor Herzl (1860-1904). Dat volgde dan weer op de pogroms (jodenvervolging) met name in Rusland maar ook elders. Herzl vond dus dat dit racistisch gedoe pas kon ophouden als de joden over een eigen staat zouden beschikken.

Zijn idee vond aanvankelijk weinig bijval.Voor Herzl maakte het niet uit waar de joodse staat zou komen, voor zijn part in een grote lap onbewoonde Afrikaanse brousse. Daar kwam verandering in toen de rabbi’s er zich mee bemoeiden. Voor hen kon maar 1 land in aanmerking komen: het land waar de tempel had gestaan. Was dat land bewoond? Jazeker, maar dat werd ontkend, alsof Palestijnen geen mensen zijn. De mooie droom van een pluralistische staat met gelijke rechten voor iedereen, zonder geweld verworven en zonder een spat expansiedrang, kon Herzl wel vergeten. Het moest een exclusief joods-religieuze staat worden. Hij draaide bij.

Zover gekomen, begon de lobbying van alle kanten. Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de Ottomanen (wij noemen ze Turken) de baas in zowat het hele Midden- en Nabije Oosten. Nog voor de oorlog was afgelopen, hadden Frankrijk en Engeland al in het geheim de Turkse erfenis  onder elkaar verdeeld.  Dat was het verdrag Sykes/Picot. (1916)

België speelde daarin een niet onbelangrijke rol. Niet enkel waren ‘wij’ de erfgenamen van Godfried van Bouillon, die in 1099 de eerste christelijke koning van Jeruzalem werd. Niets om fier over te zijn, maar in zogenaamd diplomatieke kringen een argument om Palestina, die mierenhoop, aan België te geven. De Belgen vormden in Caïro – het hart van de Arabische wereld –  de belangrijkste groep na de Britten. Baron Empain had vlakbij Caïro een nieuwe stad gescticht, Heliopolis, zonnestad. Zijn eigen villa was zo gebouwd dat ze meedraaide met de zon. Ook trams en treinen kwamen uit België. De drang naar Palestina paste perfect in het Sykes-Picot akkoord, dat een apart, neutraal, internationaal regime voor Jeruzalem voorzag. Een soortement Brussel van het Midden-Oosten.

Intussen bleek de Zionistische strijd nog niet gewonnen. Er waren belangrijke tegenstanders, zoals de joodse geleerde en alom gewaardeerde Albert Einstein (1879-1955/ ontdekker van de reletiviteitstheorieën). Hij zei: ‘Ik zou liever hebben dat wij een redelijk akkoord met de Arabieren sluiten, waarin wij stellen dat wij vreedzaam naast elkaar leven, dan dat wij een Joodse Staat zouden stichten… De idee van een Joodse Staat met grenzen, een leger en een overheid, hoe beperkt ook, zal het judaïsme schaden… Wij zijn niet langer de joden uit de tijd van de Makkabeeën. Een terugkeer naar een volk in de politieke betekenis van dit woord, zou ons de spirituele erfenis die we van onze profeten hebben ontvangen, ontnemen.’

Ongeveer alle plannen werden doorkruist. België kreeg Palestina niet. Sykes-Picot werd de bodem ingeslagen door Sykes’ landgenoot, lord Balfour (1848-1930). Deze Britse minister van Buitenlandse zaken, ex-premier, gaf op eigen houtje een ver reikende verklaring uit, nota bene op een moment dat de wereldoorlog nog niet eens afgelopen was en Balfour zelf door niemand gemandateerd. De verklaring luidt dat Groot-Brittanië de kolonisatie van Palestina door Europese joden met alle middelen zou steunen. Het document was gericht aan Lord Walter Rothschild, zelf geen zionist maar een vriend van Chaim Weizmann, voorzitter van de Zionistische Federatie en wat later de eerste president van Israël. Voorts wordt de indruk gewekt dat er in Palestina weinig of geen bewoners waren. Dat is een leugen. Voor de Eerste Wereldoorlog telde Palestina 754.275 inwoners, van wie slechts 7 procent joods was.

Lucas Catherine beschrijft in detail de leugens, de gewapende milities, het geweld, de massamoorden en dito deportaties. In de meer dan dertig boeken die hij totnutoe schreef, ontpopt Catherine zich als een begenadigd verteller, de meester van de anecdote. Hier zien we hem op een heel andere wijze aan het werk. Niet dat hij de anecdote heeft afgezworen, maar zijn stijl is hier veel soberder, afgestemd op feiten – zonder dat hij zijn sympathie voor de Palesstijnen verloochent. Toch is het boek evenwichtig. Het laat ook ruimte voor de arme en vervolgde joden die zich soms al na korte tijd bedrogen voelden door de loze beloften van het Zionisme.

De geschiedenis van Palestina in de vorm van Israël is nog kort, sedert 1948. Toch zijn er al drie Arabisch-joodse oorlogen geweest, waaruit Israël steeds sterker  en groter tevoorschijn kwam. Van kritiek, door de VN, door organisaties voor mensenrechten, door afzonderlijke staten, trekt het zich niets aan. Het is hun land, door god gegeven (Gott mit uns!, riepen de kruisvaarders al in hun taal: Deus vult). Intussen gaat de decimering van de Palestijnse bevolking onverminderd door. Israël heeft geen grondwet, dat zou maar een hinder zijn! En de gewone wetten zijn gesneden op maat van de Apartheid. Israëli’s hebben alle rechten, Palestijnen hoofdzakelijk het recht om onderdrukt te worden.

Komt er ooit een einde aan deze surrealistische trein van de apocalyps? Velen twijfelen er aan. Een ding staat vast: het geweld dat we de jongste twintig jaar kennen vanuit het Midden en nu ook al Verre Oosten, houdt op een bijna mystieke wijze verband met het tragische lot van de Palestijnen. Ook als er een redelijke verdeling van Israël/Palestina zou gebeuren, kunnen de wreedheden uit het verleden nooit worden uitgegomd. Inclusief, inderdaad, de Shoah.

*Lucas Catherine, Palestina, Geschiedenis van een kolonisatie, Berchem, EPO, 2017

October 19, 2017 at 3:56 pm Leave a comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,558 other followers