Posts filed under ‘kolonialisme’

De Kongolese Olifant, een verhaal met prentjes maar niet van Côte d’Or

De eerste olifant die ik zag was niet in de Zoo van Antwerpen, maar in Tervuren. Eigenlijk waren het er twee: de bijna echte, want opgezette die binnen stond en buiten, de grote stenen met drie Kongolezen erop. Daarna verzamelde ik allerlei prentjes, chromo’s van chocolade Jacques, van Artis, van Côte d’Or. Toen was de olifant in. En al een tijdje. Die stenen olifant was een overblijfsel van de de koloniale tentoonstelling in Antwerpen (1930). Toen heeft dezelfde beeldhouwer trouwens een hele brug naar het Kiel met olifanten gedecoreerd.

Van waar die Belgische liefde voor de Olifant? Of beter, wat had Leopold II, de man die ons Kongo en zijn olifanten ‘schonk’, met dat beest?

Vanaf 1877 organiseerde Leopold II vijf expedities naar wat later Kongo werd, en dit vanuit Zanzibar. Vergeet even Stanley, want hij was er niet bij betrokken. De leiders waren allen Belgische militairen in dienst van Leopolds Association Internationale Africaine.

Normaal liet je, zoals Stanley deed, zo’n expeditie praktisch organiseren door Zanzibari handelaars, die daar al decennia ervaring mee hadden. Maar dat kostte geld. Vooral dragers waren duur. Jawel, vergeet de koloniale mythe dat die dragers slaven waren. Slaven waren koopwaar, net als ivoor, maar geen dragers. Heel het traject tussen Zanzibar en het Tanganikameer werd beheerst door de WaNyamwezi – nu nog altijd de grootste volksgroep in Tanzania. Die mannen hadden een soort closed-shopsysteem ontwikkeld: alleen zij mochten drager spelen, en ze moesten betaald worden, met balen textiel of met geld. Alle mannen deden eraan mee, zelfs de zonen van de chefs. Niemand van de jonge Nyamwezi mannen mocht trouwen voor hij als drager de oceaan had gezien.

.

Wanyamwezi maken hun lading klaar

Zo’n karavaan was een prachtig zicht: voorop de kirongozi, de gids met een hoed van apevel waarop allerhande veren, de staart van een leeuw rond het middel en over de schouders een groot, rood stuk stof wapperend in de bries  – rood was de kleur van de Zanzibari sultan onder wiens soevereiniteit de karavanen marcheerden. Dan kwam het orkest met kleine trommels  en korte trompetten uit antiloophoorn. Zij kondigden bij het naderen van een dorp de komst van de karavaan aan. Achter hen volgde de lange lijn pazazi, de dragers. Het waren fiere jongens en ze liepen er in allesbehalve werkkledij bij. Op hun hoofd droegen ze een hoed van zebramanen en pluimen van struisvogels en kranen. Aan hun armen rinkelden ivoren armbanden en rond hun hals zaten kralen en koperen bangles. Ze droegen ook handwapens. Meestal zongen ze geïmproviseerde liedjes over wat er op de tocht zoal was gebeurd. Verder droegen ze voetbelletjes. Aan de punten van de olifiantstanden hingen koebellen. Dan volgden de vrouwen en kinderen en de manga, de ziener-medicijnman, het lijf behangen met amuletten. Zijn mening over het meest gunstige vertrekuur en de minst gevaarlijke weg werd dagelijks gevraagd. Als laatste kwam de kafila bashi met de askari-soldaten. Hij was de leider van de karavaan en de soldaten keken er op toe of geen drager achterop raakte of er met zijn lading van door ging.

(Deze beschrijving is van Jerome Becker, die Karema bestuurde, de eerste Belgische kolonie in Afrika, aan de oever van het Tanganika-meer)

Veel volk, dus en dat moest allemaal betaald worden. Te duur vond Leopold. Toen zijn eerste expeditie in 1877 vanuit Zanzibar vertrok probeerde men veel van dat volk te vervangen door ossenkarren. Dat lukte niet, volkomen onaangepast aan het terrein.

In 1865 had Leopold door India getourd en had daar gedresseerde olifanten bewonderd. Dat moest ook in Afrika kunnen. Hij contacteerde zijn Britse partner MacKinnon en die bezorgde hem vier afgerichte olifanten. Ze arriveerden met een Indische dhow, de Chinsura voor de kust van Oost-Afrika en werden daar opgewacht door zijn tweede expeditie, geleid door Popelin. De olifanten waren vergezeld van hun  vaste begeleiders,  hun kornaks. De dhows probeerden aan te meren in de baai van Msasani (nu Dar es Salaam), maar dit lukte niet want de mangroves en andere planten groeiden tot in zee. De dhows kwamen langs, zo dicht als de peilingen het toelieten en dan hesen de kornaks de olifanten eerst aan dek met een takel die ze aan de fokkemast hadden geïnstalleerd; daarna werden ze over de reling richting strand gedraaid.

Ze hadden de olifanten in een soort harnas verpakt van dekens en koorden die onder hun buiken doorliepen. De kornaks hingen er ook aan. De dieren passeerden hoog boven de reling en werden dan dankzij de fokkemast op een tiental meter van de romp in zee gedropt. Op het moment dat ze de zeespiegel raakten, hakten de kornaks die zich aan de olifantsflanken vastklampten, de koorden door, zodat het harnas zonk. De dieren reageerden niet: wekenlang hadden ze in het ruim opgesloten gezeten en wisten niet wat hen overkwam. Ze bleven ter plaatse drijven. De kornaks gebruikten hun prikspieren om ze aan te porren, niks hielp. Maar toen ze het groen op de oever in de snuit kregen, staken ze hun slurf op en zwommen luid trompettend met ruim kielzog naar de wal. Ze draafden op het verse groen af en de bevolking stond er perplex op toe te kijken, slaakte kreten van bewondering. Nijlpaarden hadden ze al in zee zien baden, maar olifanten? Waar hadden die Belgen het!

Het waren twee mannetjes: Sundergrund en Naderbux en twee vrouwtjes: Sosankali en Pulmalla. Ze waren begeleid door dertien kornaks. Die kornaks waren belangrijke gasten. Ook dat was in India een soort closed-shop-systeem. Een beroep van vader op zoon waarmee veel geld was te verdienen. Ze waren dan ook gekleed als rajahs: hun kledij was van zuivere zijde in flamboyante kleuren, en ze droegen allerlei juwelen.

De bedoeling was om de kornaks en de olifanten in te zetten bij het domestikeren van Kongolese olifanten. En toen zag men het nog groot. De kolonalie propaganda heeft het over een project om in één jacht dertig of meer lokale olifanten gevangen te nemen en af te richten. Het zou anders uitdraaien.

Vanuit Dar es Salaam vertrok de karavaan onder leiding van Popelin met de olifanten, de kornaks, acht askari-soldaten en eenenzeventig dragers richting Karema, aan het Tanganikameer. Die dragers kwamen van pas, want halfweg in Tabora bleef er nog één olifant over. Het was het wijfje Pumalla waarmee Popelin triomfantelijk de stad introk. De olifanten verdroegen het klimaat niet.  De dragers hadden het moeten overnemen, maar ze stonden sterk want ze hadden al het vlees van de dode olifanten opgegeten.

Pumalla, haalde wel Tabora. Maar van kweken kwam niets in huis. Ook zij stierf. De karavaanroute vanuit Zanzibar naar Kongo bleek te duur, daarom werd daarna vooral de route langs de Kongorivier gevolgd die Stanley had geëxploreerd, maar ook anderen, zoals de gebroeders Van de Velde uit Gent, naar wie de eerste hoofdstad van de Kongo Vrijstaat, Vivi werd genoemd. Vivi is geen bantoe woord maar verwijst naar de V’s in hun naam, die indruk maakten op de lokale bevolking.Leopold zou het africhten van olifanten niet opgeven. Hij wou in de geschiedenisboeken komen als de eerste man na Hannibal die Afrikaanse olifanten dresseerde en gebruikte om zijn doel te bereiken.

In 1900 gaf hij commandant Laplume opdracht olifanten te vangen en hun africhting aan te vatten. De olifantenfarm lag in het verre noordoosten, in Gangala na Bodio.  Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ze hadden niet de eeuwenlange ervaring van de Indische kornaks, en Afrikaanse olifanten waren blijkbaar moeilijker te vangen. Ze probeerden het vooral door kuddes op de vlucht te jagen en dan een achtergebleven jong te strikken. Vijf jaar later hadden ze er 55 bijeen. Dat was ongeveer iets meer dan men twintig jaar eerder had gedacht te vangen bij één jacht.

 .

In de jaren 1942-1944 bedroeg het aantal olifanten onder staatscontrole 70. in 1944 werden 25 jonge olifanten gevangen, in 1945 waren er dat 40 en begin 1946 ongeveer 29. Echt vooruitgang zat er dus niet in. Maar de olifant had ondertussen in België een grote status gekregen als symbool voor Kongo. Je vond olifanten zowat overal afgebeeld, en niet alleen op chromo’s bij de chocolade. Ik had het al over de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Het grootste olifantenbeeld dat er stond is bewaard. Het staat nu voor het Africamuseum in Tervuren. In Geraardsbergen is het monument voor de Kongoveteranen (1948) een olifant.

Geraardsbergen

 

En die cultus van de olifant begon vroeg, en natuurlijk eerst bij de artiesten. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1897 was in Tervuren een hele zaal gewijd aan chryselephantine sculpturen. Chryselephantine gaat terug op de Grieken die sculpturen maakten bestaande uit goud (chrys) en ivoor. Nu moest dit de kolonisatie artistiek verdedigen dankzij het ivoor van de Kongolese olifant. Het bekendste werk is misschien wel dit van Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie. Het werd door Leopold II geschonken aan Van Eetvelde, de eerste goeverneur van de Kongo Vrijstaat.

Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie.

En de olifant? Hij staat nog altijd in Tervuren, in Geraardsbergen, op de reclames van Côte d’Or, en life in de Zoo van Antwerpen.

Lucas Catherine

Historicus met een olifantengeheugen

July 26, 2019 at 3:54 pm 3 comments

MUSHAIDI NGELENGWA, ALIAS MSIRI, DE MAN DIE VAN GEEN BELGEN WOU WETEN

door Lucas Catherine

Op 30 juni vierden de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een tweede verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri onthoofd.

In wat nu Katanga is regeerde Mushaidi over de kopermijnen. Hij zal in 1891 worden vermoord door koloniale held Omer Bodson. De koperwinning en -handel is zeer oud in centraal Afrika. We kennen al kopergeld dat 8 eeuwen oud is.

Kopergeld

 

Hoe zag dat geld eruit? De munten die dagelijks werden gebruikt waren heel klein (1cm x 1cm), en in H-vorm. De oudste dateren uit de 13de eeuw. Dan was er het grof geld, voor belangrijke zaken, zoals het uitbetalen van bloedgeld na een moord of als bruidschat. De Koningen van die koper-koninkrijken, zoals Mushaidi, stockeerden grote staven in dubbele T-vorm. Die dateren uit de 19de eeuw en Livingstone heeft er nog mee rond gezeuld. Er liggen er nu in het Livingstone Museum (Schotland). En meezeulen is het juiste woord want ze wegen 30kg en meer. In het Africamuseum van Tervuren hebben ze er ook een.

Er was ook koperhandel met de West-Afrikaanse kust. Dit weten wij dankzij Pieter Van den Broecke die tussen 1608 en 1612 dertig maanden aan de Kongomonding handel dreef. Hij schrijft over de koning van de baKongo: ‘Hij heeft een goed inkomen en bezit huizen vol ivoor en rood koper.’ ‘De vrouwen dragen er koperen en zilveren armringen.’ In 1846 zal de Zanzibar-Swahili Said bin Habib dwars door Afrika trekken, van Zanzibar naar het gebied ten zuiden van de Kongomonding (nu Noord- Angola) – Stanley was toen een kleuter van vijf jaar! –. Hij ziet de talrijke kopermijnen in het gebied ten zuidwesten van het Tanganika-meer en vertelt dat het vandaar naar het noorden wordt uitgevoerd via de Lufira en zo naar het Kongobekken.

Uit: La Force Publique de sa naissance à 1914, Brussel, 1952

België penetreert het gebied dat nu Katanga heet via drie militaire expedities. De derde (in 1891), onder leiding van de Brit William Grant Stairs en kapitein Bodson heeft succes. Ze zullen zelfs de vorst van het gebied Mushaidi Ngelengwa (verbasterd door de Belgen tot Msiri) vermoorden. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij afgeschilderd als een brute, gewelddadige despoot. Maar we hebben een Afrikaanse visie op hem. Zijn zoon Mukanda Bantu beschreef het leven van zijn vader in zijn memoires. Mushaidi was oorspronkelijk afkomstig uit het gebied ten oosten van het Tanganika-meer (Nu West-Tanzania). Hij was er samen met de Swahili van de kust actief in de handel in ivoor en koper, en secundair ook in slaven. Hij beslist om zich bij de kopermijnen te vestigen. Mukanda Bantu vertelt het zo:

“Bij de Luapula-rivier ontmoette Mushaidi een vorst genoemd Kazembe Kinyanta. Die zei hem: ‘Welkom hier, maar leer mij enkele van uw remedies tegen ziekten.’ Mushaidi  gaf hem remedies tegen ondermeer de pokken. Inenting was in Mushaidi’s streek van origine al bekend: je deed enkele sneetjes in de huid op het voorhoofd, waar de neus begint en smeert ze in met een mengsel van olie en etter uit een pestbuil van een zieke. Ze noemden het kutema lulindi (beschermende insnijding). Mushaidi  kende Kazembe Kinyanta want die handelde met de Zanzibari’s in ruil voor geweren, munitie en balen stof.”

“Daarna trok Mushaidi naar vorst Katanga. Die ontving hem met open armen en gaf hem twee mukuba wa matwi, lange koperen staven van 90cm lang en 6cm breed met aan de uiteinden twee dwarsstaven van ieder 20cm. Daarop installeerde Mushaidi zich bij Katanga.” Na de dood van Katanga volgde hij hem op.

“Later trok Mushaidi ook naar vorst Pande. Die was oud en voelde zijn einde naderen  en schonk hem de omande-schelp en bij het volk van de Pande, de baSanga staat die gelijk met de kroon van Europese vorsten.”

Mushaidi bouwt zijn rijk op door één voor één de kleinere bestaande gemeenschappen op te slorpen. Hij zal daarop zijn rijk organiseren. De vorsten van de opgeslorpte gebieden of hun opvolgers blijven op post, maar nu als een soort gouverneurs van Mushaidi. Zijn hoofdstad Bunkeya maakt indruk op de eerste missionarissen die arriveren en zij noemen het “Neger Londen.” Rond de stad en overal in zijn gebied worden plantages van maniok, zoete patatten en yam aangeplant. Die worden op overheidsbevel geïrrigeerd tussen januari en maart. Verder vaardigt Mushaidi wetten uit en stelt een rechtsprocedure op. Daarbij worden nutteloze en bijgelovige gewoonten afgeschaft. De doodstraf werd beperkt en kon vervangen worden door schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer. Hij organiseerde de ivoorhandel, de zoutwinning en de mijnbouw. Op de kopermijnen werd toegezien door een vrouw, de Inafumu (Moeder van de Vorst). Zowel op ivoor, koper als zout hief hij hoge belastingen, in ruil kenden zijn onderdanen geen wetteloosheid of willekeur meer.

Het portret dat zijn zoon van hem ophangt , klopt dus helemaal niet met de koloniale geschiedschrijving. De Memoires van Mukanda Bantu werden dan ook gemarginaliseerd en zelden gebruikt. Te dissonant van de koloniale versie. Ook hoe Mushaidi aan zijn einde kwam laat ik zijn zoon vertellen:

Als de derde Belgische expeditie vraagt om zich onder de hoede en de autoriteit van Leopold II te stellen, antwoordt hij: ”Ik heb geen bescherming nodig. Ik ben de grootste koning van Afrika. Men zegt dat ik een despoot ben, maar ik regeer volgens de gewoonten van mijn volk.”

Na wat gepalaver doet hij soi-disant een toegeving: “OK, ik wil uw vlag aanvaarden, maar wat jullie bij hebben is veel te klein. Kom eens terug met een groter exemplaar”.

Het antwoord is duidelijk: “Als je onze vlag niet wil accepteren, dan zullen we je met geweld verplichten om het te doen.”.

Enkele dagen later arriveert de tweede in commando van de expeditie, Omer Bodson, aan het hof van Mushaidi.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri en Bodson

De blanke man Bodson kwam bij Mushaidi en zei: ‘Mushaidi, kom en sluit een vriendschapsverdrag met uw vriend hier.’ Mushaidi antwoordde: ‘Wacht ik roep mijn zonen om mij bij te staan. Ik ben een groot vorst en we zullen dat morgen regelen.’ Daarop antwoordde de blanke: ‘Neen, dat moet nu gebeuren!’  Mushaidi sprak: ‘Ik merk aan uw toon dat gij alles behalve als vriend komt, gij wilt mij doden.’  Toen ontstond er ruzie en de blanke trok zijn pistool en schoot op Mushaidi. Die probeerde nog zijn huis te bereiken maar viel dood neer. Daarop schoot een zoon van Mushaidi, Masuka de blanke dood en de soldaten die bij de blanke waren schoten daarop ook Masuka dood. Toen zond Stairs, leider van de Belgische expeditie soldaten met de opdracht om de blanke en Msiri bij hem te brengen. Ze droegen de blanke in een hangmat maar Mushaidi werd over de grond gesleept. Toen hakten ze zijn hoofd af en staken het op een stok van de pallissade van het fort van de blanken.

Graf Mushaidi in Bunkeya.

Van toen af was het koper Belgisch.

 

Lucas Catherine

(dit is een fragment uit mijn aangevulde en sterk uitgebreide Wandelen naar Kongo dat in september verschijnt)

July 10, 2019 at 10:18 am Leave a comment

TUSSEN HAMER EN AAMBEELD

Betoging in Jabaliya tegen prijsstijgingen

Door Tom Ronse

In dit salon nemen we geen blad voor de mond als het over de misdaden van de Israelische staat gaat. We kunnen dus ook niet zwijgen over de misdaden van Hamas. Het Palestijnse volk zit tussen hamer en aambeeld.

Israel bezet land van de Palestijnen en heeft van de Gaza-strook een groot Palestijns ghetto gemaakt. De bezetter is uit Gaza vertrokken maar Gaza kreeg een andere in de plaats. Hamas, een politieke partij die een administratie werd, een leger, een geheime dienst en een wanstaltig groot politieapparaat dat de orde handhaaft in Gaza.

Hoe ziet die orde eruit?

Ik sprak onlangs met een VN-ambtenaar die Gaza verschillende keren bezocht. Ze beschreef mensonterende levensomstandigheden. Hoge werkloosheid, vooral bij de jongeren (70%). Electriciteit die om de haverklap uitvalt. Vervuiling en honger. Geen wonder dat een recente beslissing van Hamas om de taksen te verhogen op bonen, brood, tabak en andere consumptiewaren niet welkom was. Het protest begon op 14 maart in Jabaliya en spreidde zich uit naar verschillende steden (‘kampen’ worden ze nog steeds genoemd) tot in Rafah in het zuiden. Via Facebook en andere sociale media werd de oproep gedeeld met slogans als “De mars van de hongerigen”, “Weg met de prijsverhogingen” en “Wij willen leven”. Palestijnse gele hesjes, zeg maar. Al waren ze niet eens zo radicaal als hun franse collega’s die het ontslag van Macron eisten. “Wij wilden Hamas niet omverwerpen”, zei Amin Abed die het protest in Jabaliya hielp organiseren, aan een reporter van de New York Times, “we vroegen enkel aan dezen die ons regeren om de last van het dagelijks leven te verlichten”.

Maar dat is een radikale eis in Gaza.

Hamas-politie

De reactie van Hamas doet Macrons repressie van de gele hesjes op een picknick lijken. Honderden politieagenten ranselden en schoten de betogingen uiteen. In de dagen daarna kregen zo’n duizend mensen die gemanifesteerd hadden de politie op hun dak. Velen werden aangehouden en gefolterd. Sommige werden met zware verwondingen naar het ziekenhuis gebracht. Soms deelden hun familieleden in de klappen. Onder de arrestanten waren er volgens Human Rights Watch minstens 17 journalisten. Foto’s van de gewonden circuleerden in Gaza en verwekten zoveel verontwaardiging dat Hamas-baas Yehya Sinwar zich verplicht voelde om zijn excuses aan te bieden.

Het is waar dat de ellendige situatie in Gaza niet alleen de schuld van Hamas is. De hoofdschuldigen zijn Israel en Egypte die al sinds 2007 een ekonomische blokkade tegen Gaza handhaven. Maar niemand van Hamas lijdt daar honger door. De Hamas-kaders leiden een leven van privilege terwijl de gewone Palestijnen het steeds slechter hebben.

De brutale repressie van eigen volk is overigens niets nieuw. Ook in 2017 trad Hamas medogenloos op tegen Palestijnen die betoogden voor goedkopere electriciteit. Human Rights Watch publiceerde afgelopen october een rapport waaruit blijkt dat het arresteren en folteren van critici en tegenstanders van Hamas geen uitzondering maar routine is in de mini-staat Gaza. Vaak gaat het over korte aanhoudingen tijdens de welke de arrestanten onderworpen worden aan een barrage van fysiek en psychisch geweld met de kennelijke bedoeling om hen de schrik op het lijf te jagen.

Dat werkt, tot het niet meer werkt omdat mensen niets meer te verliezen hebben. Dan moet de aandacht dringend worden afgeleid. Dus legde Hamas de afgelopen dagen bussen in om jongeren naar de afsluiting van Gaza te voeren om te protesteren tegen Israel. En daar bediende het Israelische leger Hamas op zijn wenken door alweer enkele Palestijnen neer te knallen.

Zo blijven de machthebbers aan de macht, aan beide kanten van de afsluiting. En zo blijven de gewone Palestijnen gekneld tussen hamer en aambeeld.

Zie ook:

https://www.hrw.org/news/2019/03/20/another-brutal-crackdown-hamas-gaza

March 31, 2019 at 6:03 am Leave a comment

Honderd jaar geleden: komt na Oorlog Vrede?

 

Door Lucas Catherine

We hebben recent het einde van 100 jaar Grooten Oorlog gevierd, maar kwam er toen Vrede? Officieel werd die in 1919 in Versailles ondertekend. Vroeger, als er een honderdjarige in de straat gevierd werd moest elke buur een mooie tekst met felicitaties aan zijn deur hangen met daar rond bloemensluiers en die tekst moest kort of lang, het jaar honderd bevatten in Romeinse cijfers. Als je een woord met C had mocht er geen i, v, x, d of L meer inkomen. Ik heb er mij als kind aan dood gezwoegd.

Daarom deze tekst, maar dan zonder bloemen of getalcijfers, over dat Verdrag van Versailles.

In Europa had België de oorlog niet gewonnen. Tot nader orde vieren wij op 11 november niet de overgave van Duitsland, maar een wapenstilstand nadat Duitsland beloofd had de oorlogsschade te vergoeden.

Artikel 235 van het Verdrag heeft het over 20.000.000.000 (twintig milliard goudmark), daarvan trok mijn overgrootmoeder Lise Dubois 110 frank omdat de Duitsers haar stootkar met trekhond hadden aangeslagen, zodat ze niet langer melk en eieren in Brussel kon gaan verkopen op de markt van Sint-Kathelijne. Verplicht vervroegd pensioen.

 

 

Tot daar dit luik van het Verdrag.

Een ander luik gaat over de opdeling van de kolonies en ander Duits territorium. Dit viel dus niet onder dat artikel 235. De overwinnaars beslisten op basis van de oorlogsprestaties van hun definitieve legers, niet op basis van geleden schade. België had gewonnen en wel in Duits Oostafrika dankzij haar koloniaal leger, La Force Publique. Daarbij had het een groot deel van het huidige Tanzania veroverd. Een eerste Belgische eis was dan ook dat het heel dat stuk zou mogen inlijven. Dat vonden de andere bondgenoten teveel voor zo’n klein land en dus werd het gereduceerd tot Rwanda en Burundi en wat men even een “witte kolonie” in Europa zelf zou noemen, de Landkreise Eupen und Malmedy. Hierover gaat Artikel 27 en 34

Article 27.

Les frontières d’Allemagne seront déterminées comme il suit : Du point commun aux trois frontières belge, néerlandaise et allemande et vers le sud : 
La limite nord-est de l’ancien territoire de Moresnet neutre, puis la limite est du cercle d’Eupen, puis la frontière entre la Belgique et le cercle de Montjoie (Landkreis Monschau, nvda), puis la limite nord-est et est du cercle de Malmédy jusqu’à son point de rencontre avec la frontière du Luxembourg ; 

Article 34.

L’Allemagne renonce, en outre, en faveur de la Belgique, à tous droits et titres sur les territoires comprenant l’ensemble des cercles (Kreise) de Eupen et Malmédy.

Eupen en Malmedy krijgen een militaire gouverneur, Herman Baltia(1863-1938) afin d’organiser ces cercles (Kreise) comme un « gouverneur de colonie, mais une colonie en contact direct avec la métropole[1] Herman Baltia maakte voor zijn aanstelling als Koninklijk Hoogcommissaris deel uit van het Institut Cartographique van het leger, een instelling die Leopold II gebruikte om Belgische militairen te détacheren naar zijn koloniaal leger, La Force Publique. Hij maakte er deel uit van de commissie die de zuidelijke grens van de Kongo Vrijstaat definitief moest vastleggen in overleg met de Britten die stukken van Katanga claimden. 

De opzet was om de bewoners van de Oostkantons op te voeden tot « un peuple discipliné, travailleur et heureux d’être entré dans le giron de la Patrie belge » Net zoals in de kolonie moest de eigen geschiedenis worden uitgewist. Een van de eerste beleidsdaden van Koninklijk Hoogcommissaris Baltia was dan ook om een Commission des monuments et sites op te richten die zoveel mogelijk alle naar de Duitse geschiedenis van de streek verwijzende monumenten moest verwijderen of ‘historisch neutraal’ maken. Zo zal hij het monument dat de Pruisische oorlogen van 1864, 1866 en 1870/71 herdenkt laten ontmantelen door de Club Wallon die ook het monument voor de Duitse soldaat in Malmedy onthoofdde. Baltia zelf noemt dit ‘une révision consciente de l’histoire’ De historicus Andreas Fickers omschrijft  het eerder als een ‘amnésie ordonnée lors de cette phase coloniale. 

Tussen 1920, jaar waarin België de kantons officieel in bezit neemt en 1925 wanneer de Belgische wet er volledig is ingevoerd, zullen Eupen en Malmedy een ‘witte kolonie’ kolonie van het moederland België zijn.

 En nu? Nu loopt er een experiment in burgerdemocratie.

 


[1]: Els HERREBOUT, Generalgouverneur Herman Baltia. Memoiren 1920-1925, Bruxelles, Archives Générales du Royaume, 2011, p. 19.”

March 6, 2019 at 5:57 pm 1 comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,584 other followers