Posts filed under ‘Kunst’

IN BROOKLYN STAAT EEN SPOOKHUIS

ex9a3250-edit

Door Tom Ronse

Foto’s: Will Star, Shooting Stars Pro

Oktober is de griezelmaand in Amerika. Ter gelegenheid van Halloween  worden huizen, winkels en voortuintjes versierd met nepgraven, spinnewebben uit een spuitbus en monsters allerlei. Plastieken geraamten rammelen in de bomen. Heksen, zombies, vampieren en “killer clowns” dwalen door de straten. Dit jaar was oktober extra griezelig vanwege de verkiezingen. De Mexicaanse kunstenaar Pedro Reyes greep de gelegenheid te baat om in Brooklyn een spookhuis  te ontwerpen waarin de monsters geen fantasie zijn.

Spookhuizen maken deel uit van de Halloween-traditie.  “Ze zijn nooit aanzien als een vorm van kunst maar ze zijn echte folk art”, zegt de 44-jarige Reyes. De monsters die er huizen zijn volgens hem een middel om over onze echte angsten te spreken. Zombies bijvoorbeeld, drukken onze angst voor de armen uit. Frankenstein-monsters doen hem denken aan genetische manipulatie, vampieren aan Wall Street. “Politici gebruiken angst om macht te veroveren”, zegt Reyes. “Het is dus een perfect moment voor een spookhuis dat experimenteert met het meest angstaanjagende dat je vandaag kunt vinden: de politiek.”

Pedro Reyes in het atrium van de Brookyn Army Terminal

Pedro Reyes in het atrium van de Brookyn Army Terminal

Toch zijn de monsters in zijn spookhuis niet zozeer politici dan wel de grote bedrijven die uit winstbejag de wereld naar een afgrond duwen. En die zo machtig zijn dat ze grotendeels ontsnappen aan democratische controle. Vandaar de titel van Reyes’ project: “Doomocracy”.

“Hieronymus Bosch meets Fox News”, zo vat Nato Thompson Doomocracy samen. Thompson, de artistieke leider van Creative Time, de vzw die Doomocracy organiseert, schreef samen met Paul Hufker het script dat de bijna 50 acteurs in het spookhuis uitvoeren. “We houden de maatschappij een lachspiegel voor”, zegt hij.

Het spookhuis (spookdoolhof zou een betere omschrijving zijn) bestaat uit 14 vertrekken waarin acteurs ruim 50 keren per avond een korte sketch opvoeren waarin het publiek betrokken wordt. De voorstelling begint na zonsondergang in de Brooklyn Army Terminal aan de dokken, een perfect spookachtig décor. De verlaten, gigantische gebouwen –de grootste ter wereld, toen ze in 1919 gebouwd werden- doen denken aan films als Metropolis en Brazil . Ze dienden als militair depot. Tijdens de tweede wereldoorlog werkten hier meer dan 55.000 mensen. In het enorme atrium van het grootste gebouw staat een door Reyes gemaakt houten beeld. Het is een afbeelding van het Vrijheidsstandbeeld op een tank,  gebouwd in de stijl van het Paard van Troje. Het symboliseert de Amerikaanse buitenlandse politiek, zegt Reyes. Onder het mom van de vrijheid wordt oorlog gevoerd.

ex9a2541-3

Hier begint het. Samen met mijn partner en tien andere lotgenoten word ik naar een busje geleid. We rijden over het terrein maar plots wordt het busje tegen gehouden door militaire politiemannen. Ze rukken de deuren open, schijnen hun zaklampen in ons gezicht, bevelen ons bars om uit te stappen en drijven ons in een donker gebouw. “Op een rij!” “Handen tegen de muur!”, blaffen ze ons toe. Je weet dat het theater is maar toch gaat je hart wat sneller kloppen.

ex9a2749

Gelukkig duurt het niet lang. De militairen sturen ons naar een stembureau waar een vriendelijk oud dametje –chihuahua op de schoot- ons registreert. We mogen stemmen terwijl we zien hoe in de aanpalende kamer stembriefjes worden versnipperd.

ex9a2688

Dan belanden we in een huiskamer waar we in comfortabele zetels luisteren naar twee huisvrouwen die ons pastelkleurige pistolen proberen te verkopen – “je weet toch nooit, met al die vreemdelingen die in de buurt komen wonen”. Natuurlijk gebeurt er een ongelukje.  Voor we ons daar druk over kunnen maken worden we naar het volgende vertrek geloodst, de wachtkamer van een dokter, met op de muren reclame voor valium, rilatine en andere wonderpillen. Een aan pijnstillers verslaafde vrouw probeert ons te overhalen om van de dokter een voorschrift voor haar te bekomen. Terwijl ze wanhopig pleit, wrijft ze haar vingers zenuwachtig en krijgt ze waarachtig echte tranen in de ogen. Straf staaltje method acting.

Dan belanden we in een rouwkamer waar een begrafenisondernemer op een orgeltje speelt en ons zijn populairste nieuwe modellen van doodskisten toont, gemaakt in het lievelingseten van de overledenen. Kinderen worden het liefst begraven in hun favoriete snoep, legt hij uit. “Every kid wants a candy coffin”, zingt hij zacht, terwijl we naar de volgende statie verhuizen.

ex9a2895-4

We zijn nu op de raad van beheer van een multinational en moeten kiezen tussen een plan dat de tewerkstelling beveiligt en een dat de aandeelhouders  bevoordeelt. Wie het eerste kiest moet langs een trap vier verdiepingen naar boven, krijgt een dienblad met versnaperingen in de handen, wordt behandeld als een latino die nauwelijks Engels kent. Wie zoals ik voor de aandeelhouders koos, mag met de lift naar een cocktail-party in de penthouse van een koppel hip-geklede kunstverzamelaars. De diep-gedecolleteerde gastvrouw geeft me een air kiss  en toont me een schilderij van Christopher Wool dat ze pas gekocht heeft. “FART” , staat er op, in dikke zwarte letters. “I think it’s about racism”, fluistert de dame in mijn oor. Ze wijst naar een model van een ruimteschip dat haar man zich laat bouwen. “Boys and their toys”, zegt ze met een fletse glimlach.

ex9a2963-2-1

Via een zilveren tunnel komen we in het klaslokaal van de toekomst. Een computer-avatar geeft ons geschiedenisles  (“slavernij was niet zo slecht”) en we krijgen kogelvrije schilden om op onze lessenaars te zetten voor als er weer eens een schietpartij uitbreekt. Dan bezoeken we een winkel van de firma “Breathe” die “artisanale Himalaya-lucht” verkoopt in een fel vervuilde wereld. “Alleen God ademt zo’n zuivere lucht in”, zegt de verkoopster.

ex9a3028

Vervolgens worden we getracteerd op een zang en dans-nummertje door anti-abortus-cheerleaders en een virtuele uitstap in de natuur (de echte natuurgebieden zijn geprivatiseerd).  Plots worden de parkwachters die ons rondleiden aangevallen door bizarre figuren- radicale verdedigers van dierenrechten, vermoed ik (zie foto boven dit stuk).

Dan is er nog een zaal  waar we aan de ene kant een echtpaar zien in een huiskamer ergens in het Midden Oosten en aan de andere kant een militaire technicus die van achter zijn computer ergens in Texas raketten afvuurt. Je voelt hoe dat moet aflopen.

doom-8

doom-8b

De laatste kamer is een grimmige commentaar op de verkiezingen: de helft van ons krijgt een Trump-masker op, de anderen een Clinton-masker en dan mogen we voetballen met een wereldbol als bal. Zo te zien zal de wereld deze verkiezingen niet overleven: Na een krachtig schot van een Trump-speler geeft de opblaasbal de geest.

Dan staan we weer op straat. Niet elke kamer was even geslaagd maar de totaalervaring was overweldigend.  Een passende viering van de honderdste verjaardag van de Dada-kunstbeweging.  “Het lijkt grappig”, zegt Thompson, “maar eigenlijk is het om te huilen.”  Helaas zullen niet veel Trump-supporters het spookhuis bezoeken. Voor de Clinton-supporters die dat wel doen is het een waarschuwing: als u denkt dat alles beter en rustig wordt na de verkiezingen, vergist u zich.

(Een licht verschillende versie van dit stuk verscheen donderdag in De Morgen)

november 6, 2016 at 3:33 am 2 reacties

DE FERRY-RAMP

ferry-tale

Jacqueline Goossens

Heel de wereld kent 9/11. Maar weinig mensen zijn op de hoogte van die andere ramp die New York trof, toen een Staten Island ferry met man en muis verging, meegesleurd door een reuze-octopus.

Een van de redenen waarom die tragedie zo weinig bekend is, is dat ze plaatsgreep op 22 november 1963, de dag dat president Kennedy vermoord werd, wat al de rest van het nieuws van die dag overschaduwde.

Een andere reden is dat het nooit gebeurd is.

Maar dat was geen bezwaar voor Joe Reginella, de kunstenaar die de ramp bedacht en er een heus monument voor maakte dat hij installeerde niet ver van de ferry-terminal in Manhattan. Hij deelde ook vlugschriften uit waarin toeristen werden aangemaand het Staten Island Ferry Disaster Memorial Museum te bezoeken. Wie dat deed kwam van een kale reis terug. Het museum is even fictief als de ramp.  Het adres waar het zich zou bevinden, was dat van het Snug Harbor Cultural Center, een complex van culturele instituties waaronder musea, doch geen Ferry Disaster Museum.  Maar zo kregen enkele toeristen die zich anders niet buiten Manhattan wagen toch een stukje van Staten Island te zien.

Reginalla wijdde ook een website aan de ramp, met authentiek ogende persartikelen en video’s en een online shop waar men “Octopus Memorial T-shirts” kan kopen. Alleen de T-shirts zijn niet fictief.

Op de website lezen we dit:

It was close to 4am on the quiet morning of November 22, 1963 when the Steam Ferry Cornelius G. Kolff vanished without a trace. On its way with nearly 400 hundred people, mostly on their way to work, the disappearance of the Cornelius G. Kolff remains both one of New York’s most horrific maritime tragedies and perhaps its most intriguing mystery. Eye witness accounts describe “large tentacles” which “pulled” the ferry beneath the surface only a short distance from its destination at Whitehall Terminal in Lower Manhattan. Nobody on board survived and only small pieces of wreckage have been found…strangely with large “suction cup-shaped” marks on them. The only logical conclusion scientists and officials could point to was that the boat had been attacked by a massive octopus, roughly half the size of the ship. Adding to the tragedy, is that this disaster went almost completely unnoticed by the public as later that day another, more “newsworthy” tragedy would befall the nation when beloved President John Fitzgerald Kennedy was assassinated.  The Staten Island Ferry Disaster Museum hopes to correct this oversight by preserving the memory of those lost in this tragedy and educating the public about the truth behind the only known giant octopus-ferry attack in the tri-state area.

Joe Reginella naast zijn "monument"

Joe Reginella naast zijn “monument”

http://gothamist.com/2016/09/25/artist_tricks_tourists_with_elabora.php

oktober 2, 2016 at 4:59 am Plaats een reactie

WIT-ZWART FOTOGRAFIE IN KONGO

K 1 AquaBuls_NEW

door Lucas Catherine
 

Een mens houdt nogal wat brol bij en het mooie is, dat als je het lang genoeg bijhoudt het antiek wordt, of toch minstens vintage.
Zo heb ik enkele fotocamera’s teruggevonden tijdens een reshuffle van dingen die nu te oud zijn om nog weg te gooien. Met eentje, een echte Kodak heb ik zelf mijn eerste foto’s gemaakt. Het is zo een zwarte doos met als objectief een stukje  geslepen glas dat toen voor een lens doorging. Het filmrolletje was nog gedeeltelijk in papier.
En toeval bestaat niet, maar ik was net het reisboek van onze Brusselse burgemeester Charles Buls (1881-1899) in Congo aan het lezen, uit de tijd dat Congo nog Kongo was. ‘Croquis Congolais’ (1899). Zoals alle flaminganten toen schreef hij het liefst in het Frans. Hij had zo’n Kodak mee. Dat concludeer ik tenminste uit dit fragment: “Iets verder duiken twee Zwarte Eva’s op. Ze zijn nog onberoerd door de beschaving en reageren niet wanneer ik mijn Kodak op hen richt…”

 

K 2 Kodak1898

 

Dat kon dus dankzij Kodak. De fotografie had net een grote sprong gemaakt. In 1888 bracht George Eastman de eerste camera met rolfilm voor het grote publiek op de markt met de slogan: “You press the button, we do the rest!”. Of in de versie van De Nieuwe Snaar, honderd jaar later:

“Ja zo’n prachtstuk voor m’n lens

is mijn allergrootste wens

‘k hoef alleen maar goed te mikken

in de hoop dat het zou klikken.”

De camera kreeg de naam KODAK. Je kon hier honderd snapshots mee maken, dan was de filmrol op. Je stuurde dan je camera met film naar Eastman-Kodak en je kreeg je foto’s afgedrukt terug en een nieuwe camera met een nieuwe film. In 1891 volgde dan de eerste echte  losse rolfilm.

Charles Buls had dus zo’n Kodak van het allerlaatste model mee. Tien jaar eerder was dit nog niet mogelijk. Toen werkte men nog op glasplaten. Ze hadden een lange belichtingstijd nodig. De camera moest onbeweeglijk op een statief staan en ze moesten dadelijk ontwikkeld en gefixeerd worden.

 

K 3 Stanleyglas_NEW

 

De glasplaat is gebroken en in het glas is het onderschrift gegrift, zoals toen gebruikelijk was.

 

Dit kon men nog niet reproduceren in boeken. Stanley zal dan ook zijn boeken illustreren met gravures naar zijn foto’s. Het had zo zijn voordeel voor deze sensatiejournalist, ingehuurd door Leopold II om bij een groot publiek zijn kolonisatie te promoten. Hij kon daarmee zijn verhaal nog sensationeler maken, zoals met deze gravure over hoe hij omging met zijn eigen mensen.

 K 4 StanleySchiet_NEW

Ook Jerôme Becker die Karema, de eerste Belgische kolonie in Afrika had bestuurd kende dit technisch probleem toen hij in 1887 zijn boek uitgaf: La Vie en Afrique. Becker had nochtans een fotocamera en 200 glasplaten mee genomen, net als de producten voor ontwikkeling en fixering. Zijn boek is echter niet met foto’s geïllustreerd maar met tekeningen naar zijn foto’s.
In 1897 bij de Koloniale tentoonstelling in Tervuren kon dit al wel. In het begeleidend boek “L’Etat Indépendant du Congo à l’Exposition de Bruxelles” staan al enkele foto’s, maar sterk geposeerde en vooral tekeningen naar foto’s. De foto’s die Stanley twintig jaar voor Buls in Kongo maakte, trekken dan ook op niets. Dit is een van de betere:

 

K 5 Stanleyrivier_NEW

 

Een alternatief middel voor de eerste toeristen was dan ook de waterverftekening. Buls zal de twee technieken toepassen. Zijn aquarel van de stroom spreekt dan ook meer aan: zie de illustratie bovenaan dit stuk.

 

Die foto’s waren in zwart-wit, maar inhoudelijk eerder wit over zwart. Ze vertellen veel over hoe de witten over de zwarten dachten. Erg stereotiep. Neem deze – onscherp want niet op glasplaat maar met een rolfilm Kodak genomen – foto van Charles Buls: Les Eves Noires:

 


K 6 Eva's 001

De foto is dan wel flou, het stereotype is  haarscherp. Om nogmaals De Nieuwe Snaar te citeren:

“Want de angst voor het cliché

levert nooit een goed idee

Dat is het drama

In de fotografie.”

 

En het veranderde niet met de komst van de kleurfilm. Integendeel, de stereotypen werden nog groter. Ik ben het dan ook grondig oneens met Simon & Garfunkel toen die zongen: “Mama don’t take my Kodachrome away. Makes you think all the world’s a sunny day, oh yeah!”
Stereotypen in kleur zijn nog gevaarlijker dan die in zwart-wit. Doe ze weg, zoals De Nieuwe Snaar zingt:

“Als ik in mijn donkere kamer
Al die foto’s overzie
Zoek ik dikwijls naar een hamer…”

En, sorry aan De Nieuwe Snaar voor deze niet zo ortodoxe interpretatie van hun liedje.

mei 22, 2016 at 4:41 pm 2 reacties

TUYMANS TOONT ZIJN MISPRIJZEN

Tuymans voor "Corso III"

Tuymans voor “Corso III”

Tom Ronse

In zijn nieuwe expo die vorige week opende in de David Zwirner galerij in New York toont Luc Tuymans zich aan zijn introverte kant. De titel van de show ontleent hij aan Jean-Luc Godards film “Le Mépris”. Dat is wat ik tegenwoordig vaak voel”, zegt de schilder.

Tuymans’ werk verliest veel in reproductie. Je moet er lijfelijk voor staan en het de tijd geven om in te dringen.  De negen schilderijen komen goed tot hun recht in de ruime,  in zacht wit licht badende zalen van de museale galerij. Je herkent ze meteen als Tuymansen. Het gedempte palet, de horizontale borstelstreken, de wazige contouren, de thema’s van isolatie, verval en herinnering. Maar in deze werken hangt ook een sfeer van nostalgische tederheid.

Tuymans Le Mepris low res

Er is een schilderij dat zoals de hele show “Le Mépris”heet. Het toont een detail van het interieur van de villa in Capri waar Godards film werd opgenomen.  Een donkere, dode open haard met daarachter een venster. Door dat venster heb je normaal een spectaculair uitzicht maar Tuymans is anti-spectaculair. Dus verbergt hij het zeezicht achter verblindend wit zonlicht.  Het beeld is niet gebaseerd op de film. Tuymans heeft het van het internet geplukt. Het is een stille getuige van iets dat zich hier heeft afgespeeld. Een momentopname en tegelijk tijdloos.

 

Installatiebeeld Corso I (foto Tom Ronse)

Installatie van “Corso I”

Tuymans voelt affiniteit met Godard. “Le Mépris” vindt hij een meesterwerk. Maar de originele inspiratie voor deze expo kwam niet van die film maar van Tuymans’ eigen jeugdherinneringen.  In Zundert, de stad waar zijn moeder vandaan komt (tevens de geboorteplaats van Van Gogh) wordt jaarlijks een corso gehouden, een stoet van praalwagens versierd met bloemen. Als kind was Lucje een participant die dahlia’s op de wagens hielp prikken en er onder liep, met andere kinderen die de wagens voortduwden. “Als galeislaven”, zegt Tuymans. Maar in de vijf werken die de corso van Zundert als thema hebben, zijn geen kinderen te zien, noch andere mensen. We zien de praalwagens na de stoet, na het feest, als iedereen naar huis is gegaan en de bloemen stil verwelken tot compost. Vergankelijkheid en de melancholie die ermee gepaard gaat, loeren om de hoek.

Corso II

Corso II

Maar er is meer. De praalwagens, verlaten door mensen, bevrijd van de feestcontext, gaan hun eigen leven leiden. Ze worden vreemde voertuigen die lijken te zweven in een grijze mist. Tuymans wijst op “Corso III” waarin een vorm op een praalwagen doet denken aan een radarschijf of een gigantische luidspreker. “Het lijkt een soort propagandamachine uit de Sovjet Unie”, zegt Tuymans, “en tegelijk heeft het iets ludiek. Dat interesseert me, iets wat “off” is, wat aan de oorspronkelijke bedoeling van de makers ontsnapt”. Hoe past de titel “Le Mépris” op deze werken, vraag ik hem. “Het gaat over het feestelijke dat omslaat in iets totaal anders”, antwoordt hij enigmatisch. “Dat is een zeer persoonlijk gevoel. Misprijzen is dat ook, als je het verinnerlijkt”.

De beelden zijn gebaseerd op archief-foto’s en kiekjes die zijn vader nam in 1958 (Tuymans’ geboortejaar) maar zijn daar tegelijk ver van verwijderd. “Ik schilderde ze vanuit een verwrongen nostalgie maar met een nasmaak van het gebeuren”, legt Tuymans uit.  De praalwagens zijn gestileerd tot bijna abstracte vormen. “Als je er dichtbij gaat staan spatten de vormen uit elkaar”, zegt Tuymans, “het is een soort conceptueel impressionisme.”

Zoals uit eerder werk al bleek, vertoeft Tuymans graag in het het grensgebied tussen figuratie en abstractie. Of, zoals hij het uitdrukt, “de combinatie van signaal en niet-signaal” fascineert hem.  Dat is nog duidelijker in de triptiek “Murky Water”, drie grote, bijna abstracte doeken gebaseerd op polaroids die Tuymans op een zonnige dag nam van water in een gracht in het Nederlandse Ridderkerk. Ze doen denken aan accidentele foto’s, genomen door iemand die eigenlijk zijn vrouw op dat pittoreske bruggetje wou trekken maar in plaats daarvan, omdat zijn camera te vroeg afging, troebel water, een stuk kade, de schaduw van een geparkeerde wagen of een straatlamp fotografeerde. Tuymans maakt het banale pregnanter dan het spectaculaire. De stilte is tastbaar.

Murky Water I

Murky Water I

De werken hebben iets droevigs. Tuymans wijst op een blikje dat op het water drijft in “Murky Water I”. “Dat fantablikje bracht me op het idee om “Le Mépris” de noemer van deze show te maken”, zegt hij. Een fantablikje komt in de film niet voor, wel Tuymans’ thema van verval, vergankelijkheid en melancholie.

Zoals gewoonlijk gaat het werk over de constructie van herinnering maar Tuymans is vooral bekend door werk dat de herinnering aan historische evenementen bekijkt. Deze expo is introverter. “Dat klopt”, zegt Tuymans. “Ik wissel thematische tentoonstellingen waarin ik extrapoleer af met andere waarin ik introverteer. Dat is een tandem die al 30 jaar werkt”.

Evolueert zijn stijl? “Mijn startpunt was het idee dat ik geen stijl wou ontwikkelen”, zegt Tuymans, “maar als ik zoals op de retrospectieve in Doha vorig jaar naar mijn vroeger werk kijk, zie ik natuurlijk wel een evolutie. Maar ze is niet doelbewust. Het is een taal die me ook ontsnapt. Dat houdt het spannend. Tot vandaag is elk schilderij een wonder dat het lukt. Dat is niet vanzelfsprekend. Het schilderen is een intens, nerveus proces. En als het dan lukt, dat is bijzonder aangenaam.”

Nogal wat mensen vinden hem een moeilijke kunstenaar. Stoort hem dat? “Helemaal niet”, zegt Tuymans. “Mijn kunst is introvert. Tot mijn zestiende was ik een quasi-autist. Ik wantrouw mezelf, er is een grote afstand tussen mezelf en het beeld dat ik schilder. Dat maakt het moeilijker voor de toeschouwer. Maar dat was van meet af aan mijn optie. Als je een goed kunstwerk ziet, heb je een probleem. Je begrijpt het niet meteen. Je hebt tijd nodig. Het kostte me 20 jaar om Warhol te appreciëren. De directeur van het museum van Honolulu vond mijn werken afschuwelijke rotzooi tot hij ze in zijn dromen begon te zien. Nu is hij een van mijn grootste fans”.

Murky Water II

Murky Water II

Een kortere versie van dit artikel verscheen eerder in De Morgen.

Tuymans Lumumba

Tuymans Lumumba

“Le Mepris” is te zien tot 25 juni. Meer info op davidzwirner.com

 

In het Antwerpse MAS kan men intussen to 18 september de expo “Glasses” zien, Tuymans eerste thematische retrospectieve. Het gaat om portretten van mensen met brillen. Meer info op mas.be

mei 17, 2016 at 2:15 am Plaats een reactie

PURPLE TEARS

purple rain NewYorker

prince 1

young prince

minneapolis

prince2

purple rain

april 22, 2016 at 4:03 am Plaats een reactie

Nieuw New Yorks museum focust op onafgewerkte kunst

Anton Raphael Mengs.Portrait of Mariana de Silva y Sarmiento, duquesa de Huescar (1775)

Anton Raphael Mengs.Portrait of Mariana de Silva y Sarmiento, duquesa de Huescar (1775)

door Tom Ronse

Het was dé culturele gebeurtenis van het jaar in New York: vorige vrijdag opende een nieuw museum zijn deuren. De kunsttempel is een filiaal van the Metropolitan, Amerika’s grootste museum.  Maar in tegenstelling tot het moederbedrijf  zal de “Met Breuer” zich toespitsen op moderne en hedendaagse kunst. Toch wil het uit de enorme collectie van the Met putten om de link te leggen tussen oud en nieuw. De openingstentoonstelling is een staalkaart: “Unfinished: Thoughts Left Visible” omvat 197 onafgewerkte kunstwerken, van de Renaissance tot vandaag.

Vorig jaar verhuisde het Whitney museum naar een nieuw gebouw, ontworpen door Renzo Piano, aan de voet van het populaire High Line park. The Metropolitan nam van de gelegenheid gebruik om het oude gebouw van de Whitney voor acht jaar in pacht te nemen. Dat iconische, nogal bruut ogende gebouw, ontworpen door Bauhaus-architect Marcel Breuer naar wie het nieuwe museum genoemd is, ligt op wandelafstand van het grote Met-museum op Fifth Avenue. Een ticket geeft toegang tot beide musea en tot “’the Cloisters’, het Met-museum van middeleeuwse kunst.

De Met Breuer_(foto:Ed Lederman)

De Met Breuer_(foto:Ed Lederman)

Heeft dit nieuwe museum wel zin, vragen sommige critici zich af. Met het MoMA, de Whitney, the New Museum of Contemporary Art, PS1, de Guggenheim en grote galerijen die vaak museale expo’s organiseren, heeft New York al een enorm aanbod van moderne en hedendaagse kunst.  Maar naar het schijnt kan een serieus museum vandaag niet overleven zonder hedendaagse kunst. De belangstelling van verzamelaars en het grote publiek voor kunst van vandaag is nooit zo groot geweest. Er is een intense concurrentie tussen de musea om dat publiek te lokken. Tot voor kort deed de Met daar niet aan mee, ondanks haar doelstelling om kunst van alle tijden te tonen. Met de Met Breuer wil het megamuseum haar muf imago van opslagplaats van oude kunst afschudden. Maar wat kan het toevoegen aan een aanbod dat al zo groot is? Zegt Sheena Wagstaff, de directeur van de Met Breuer: “Voor het eerst zul je in staat zijn om 5000 jaren menselijke creativiteit te penetreren vanuit het portaal van vandaag.”  De collectie van de Met bestaat uit ruim 2 miljoen kunstwerken, waaronder 12000 moderne en hedendaagse. Daaruit zal het nieuwe museum putten om op een unieke wijze kunst van vroeger en nu met elkaar in verband te brengen.

Jan van Eyck. Sint Barbara (1437)

Jan van Eyck. Sint Barbara (1437)

Dat opzet is alvast grotendeels geslaagd in de inaugurale expo.  De tentoonstelling is spectaculair en dat kon moeilijk anders met zoveel meesterwerken van bijna alle supersterren van de westerse schilderkunst, van Van Eyck en Michelangelo tot Richter en Tuymans.  Het enige wat die werken gemeen hebben is dat ze onafgewerkt bleven. Het idee kwam naar verluidt van de schilder Cy Twombly die het kort voor zijn dood in 2011 aan de Met voorstelde. Zijn laatste werken maken deel uit van de show. De chronologisch georganiseerde expo omvat ruwweg twee categorieen: kunst die accidenteel onafgewerkt bleef en werken die intentioneel niet werden afgemaakt. Maar de grens tussen beiden is niet altijd duidelijk. Het oudste werk in de tentoonstelling, Jan Van Eycks portret van Sint Barbara (uit het Antwerpse museum van Schone Kunsten) is daar een voorbeeld van. Was Van Eyck van plan om het paneel volledig te schilderen maar had hij het te druk met andere opdrachten? Of besloot hij te stoppen omdat het werk perfect was zoals het was, met alleen enkele suggesties van kleur? We zullen het nooit weten. “Achter elk werk zit een verhaal”, zegt Wagstaff. Maar, zoals de muurteksten toegeven, vaak kennen we het verhaal niet. Dat levert mysteries op zoals Anton Mengs portret van een hertogin (zie de afbeelding bovenaan dit stuk),waarop alles mooi afgewerkt is behalve het gezicht en een schoothondje, waarvan we enkel de kontoeren zien. Het surrealistisch ogende doek is 240 jaar oud maar zou vandaag geschilderd kunnen zijn. Maar waarom het er zo uitziet, weten we niet.

Vincent van Gogh.  Straat in Auvers-sur-Oise(1890)

Vincent van Gogh. Straat in Auvers-sur-Oise(1890)

Soms is het duidelijk.  Dood is vaak de reden. Zo zien we de werken die op de ezels stonden van Bassano, El Greco, Van Gogh en Lucian Freud toen hun kaars werd uitgeblazen.

El Greco's laatste: Visioen van Sint Jan (ca. 1609–14)

El Greco’s laatste: Visioen van Sint Jan (ca. 1609–14)

Soms is een breuk met de opdrachtgevers de reden. Rubens’ onafgewerkte weergave van een slagveld, een trekpleister uit het Rubenshuis, is daarvan een voorbeeld. Er staat een soldaat op met drie armen. Dat kon Rubens niet schelen. Hij stopte toen de betaling uitbleef. Net daardoor oogt het werk modern.

Peter Paul Rubens.  Henri IV in de slag van Ivry (ca. 1630 )

Peter Paul Rubens. Henri IV in de slag van Ivry (ca. 1630 )

Een boeiend aspect van “Unfinished” is ook dat je door werken in hun onaffe staat te zien de methoden en technieken van de schilders ontdekt.

Adolph von Menzel: altaar in een barokke kerk (ca. 1880–1890)

Adolph von Menzel: altaar in een barokke kerk (ca. 1880–1890)

Al in de Renaissance  gebruikte men de term “Non finito” voor werken die de kunstenaar als af beschouwde ook al leken ze onaf. Leonardo Da Vinci was een habituele beoefenaar van het genre. Maar bij de oudere werken domineren de ‘accidenteel’ onafgewerkten. Naarmate we dichter bij vandaag komen, nemen de intentioneel onafgewerkten de overhand.  Zoals de catalogus opmerkt, de westerse schilderkunst evolueerde meer en meer van “high polish” naar “unfinishedness”.

Da Vinci: Hoofd van een vrouw (ca.1500–1505)

Da Vinci: Hoofd van een vrouw (ca.1500–1505)

Andy Warhols “Do It Yourself (Violin)” uit 1962 is een mooi voorbeeld van die trend. Het is gebaseerd op een “painting by numbers”, toen populair bij amateuristen. Warhol heeft, zoals Van Eyck, slechts enkele kleuren ingevuld; de rest is een vraag naar de toeschouwer.

Warhol_Do It Yourself (Violin)

Andy Warhol: Do It Yourself (Violin) (1962)

Die open-eindigheid en vraag naar participatie typeert veel kunst vandaag. En het is ook wat the Met lijkt na te streven met dit nieuwe museum: om niet meer aanzien te worden als een plaats waar kunst belandt om te sterven maar als een verhaal dat voortleeft, ‘unfinished’.

 

De tentoonstelling loopt tot 4 september. Meer info: metmuseum.org

Rembrandt Joodse bruid  (1635)

Rembrandt Joodse bruid (1635)

 

april 1, 2016 at 3:53 am Plaats een reactie

VAN DYCK HERLEEFT IN NEW YORK

Van Dyck studie Edinburgh prinsesjes

The Frick Collection ontleedt de portretkunst van de Vlaamse meester

Door Tom Ronse

Antoon Van Dyck: was hij een groot portretschilder of de grootste portretschilder aller tijden? Misschien wel het laatste, meent Stijn Alsteens. Nochtans werd er nog nooit een overzichtstentoonstelling georganiseerd over zijn portretkunst tot “Van Dyck: The Anatomy of Portraiture” deze week opende in de New Yorkse Frick Collection. De expo omvat 101 werken en werd samengesteld door Alsteens en zijn collega Adam Eaker.

“Het idee om de portretten die Van Dyck maakte in verschillende media – tekeningen, etsen, gravures en schilderijen – samen te brengen, rijpte zo’n vijf jaar geleden”, vertelt Alsteens. Hij werkte toen –en nu nog steeds- in het Metropolitan Museum. Hij werd geboren in 1976 en groeide op in Overijse. Na zijn studies in Leuven en Amsterdam werd hij tentoonstellingsmaker in de Frits Lugt Collectie in Parijs. Vanaf 2006 had hij die functie in het Metropolitan, New York’s grootste museum, waar hij onder meer tentoonstellingen over Pieter Coecke van Aelst en Joachim Wtewael organiseerde. Vanuit zijn specialiteit  -werken op papier uit de 17de en 18de eeuw- was Alsteens vertrouwd met de schetsen en etsen van Van Dyck. De meeste van die werken zijn voorstudies voor schilderijen of gravures. Dat bracht Alsteens op het idee om die voorstudies samen te brengen met de eindproducten, om zo het ontstaansproces van Van Dycks beroemde portretten te belichten.

Adam_Eaker–Stijn_Alsteens-foto Michael Bodycomb

Adam Eaker en Stijn Alsteens

De tentoonstelling is in the Frick Collection, niet een van de grootste maar wel een van de mooiste musea van New York. Het gebouw is een paleis dat de industrieel Henry Clay Frick zich in 1913 liet zetten aan de rand van Central Park. Frick was een fan van Van Dyck. Hij kocht acht grote doeken van de Vlaamse barokmeester die nu een centrale plaats innemen in de expo. “Frick stipuleerde in zijn testament dat de werken niet ontleend mochten worden”, zegt Alsteens, “vandaar dat deze tentoonstelling enkel hier kon plaatsgrijpen.” “De vroegste werken die we van Van Dyck kennen zijn portretten en zijn eerste model was hijzelf”, zegt Alsteens, wijzend naar een schilderijtje waarop een puber ons over de rand der eeuwen aanstaart. Van Dyck penseelde dit ergens tussen 1613 en 1615. Hij was toen 14 of 15 jaar oud. De stijl is al even zwierig en trefzeker als in zijn later werk. “Hij was een wonderkind”, zegt Alsteens.

Dyck,Anthonis van (1599-1641)

In de voorstudies die Van Dyck voor zijn grote werken maakte zie je hem denken, legt Alsteens uit. Je ziet hem composities veranderen, accenten verleggen, zoeken hoe hij het werk meer kan doen vertellen. Het valt op dat hij zijn aandacht vooral gaat naar de houding en kledij van zijn modellen, terwijl het hoofd vaak niet of nauwelijks is uitgewerkt. “Dat was niet omdat hij het hoofd onbelangrijk vond”, zegt Alsteens, “Hij stond er op om het naar levend model te schilderen. Om zo tot in de psyche van zijn model door te dringen.” Sommige tekeningen en etsen zijn ontwerpen voor gravures die door anderen werden uitgevoerd en die ook te zien zijn. Gravures waren een belangrijke bron van inkomsten voor kunstenaars en een manier om hun werk bekend te maken. Er werden tot 10.000 exemplaren van gedrukt. Na zijn dood werden 100 Van Dycks portret-gravures bijeengebracht in een boek dat ook tentoon gesteld is. Er is een muur met valse Van Dycks: tekeningen die aan hem werden toegeschreven maar die gemaakt werden door anderen zoals Jacob Jordaens of nobele onbekenden. Alsteens legt uit waaraan je kunt zien dat het geen echte Van Dycks zijn.

KoninginHenrietta Maria met aapje en dwerg, 1633

Koningin Henrietta Maria met aapje en dwerg, 1633

De grote schilderijen trekken natuurlijk de meeste aandacht. De modellen variëren, van koningen, kerkvorsten, edelmannen en –vrouwen, tot zijn echtgenote, zijn maitresse, zijn vrienden en hijzelf. Behalve de werken uit de Frick Collection zijn er nog verschillende andere uit Amerikaanse musea die nooit de terugreis naar Europa hebben gemaakt. Een van de mooiste werken is het in 1623 geschilderde portret van kardinaal Bentivoglio uit het Palazio Pitti in Firenze. Het is pas gerestaureerd en dat merk je. De kleuren vibreren. “Let er op hoe Van Dyck een verhaal in zijn portret legde”, zegt Alsteens, “de kardinaal heeft net een brief gelezen en staart peinzend naar buiten…”

Van Dyck kardinaal

Het portret als een vraag naar interpretatie. Dat is een van de redenen waarom zijn portretkunst een keerpunt betekende in de geschiedenis van de schilderkunst volgens Alsteens. Van Dyck was gebonden aan de conventies van de portretkunst maar oversteeg die ook. Een portret moest natuurlijk in de eerste plaats in de smaak van de opdrachtgever vallen. Met Van Dyck wist je als opdrachtgever dat het mooi zou worden, technisch gedurft en virtuoos en dat je aan je beste kant zou getoond worden. En elegant, dat was zijn handelsmerk. Een van de manieren om dat te benadrukken was de handen iets te lang en langoureus hangend schilderen. Maar Van Dyck zocht een gelaagdheid die de conventionele portretten niet hadden. Alsteens wijst op de psychologische diepgang in het portret van zijn vriend Frans Snyders. “Die benadering heeft een enorme invloed gehad op schilders van latere generaties”.

“Van Dyck: The Anatomy of Portraiture” in the Frick Collection, 1 East 70th Street, New York, tot 5 juni.

S

Wat een jurk!

maart 15, 2016 at 5:01 am Plaats een reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.319 andere volgers