Posts filed under ‘Kunst’

WIT-ZWART FOTOGRAFIE IN KONGO

K 1 AquaBuls_NEW

door Lucas Catherine
 

Een mens houdt nogal wat brol bij en het mooie is, dat als je het lang genoeg bijhoudt het antiek wordt, of toch minstens vintage.
Zo heb ik enkele fotocamera’s teruggevonden tijdens een reshuffle van dingen die nu te oud zijn om nog weg te gooien. Met eentje, een echte Kodak heb ik zelf mijn eerste foto’s gemaakt. Het is zo een zwarte doos met als objectief een stukje  geslepen glas dat toen voor een lens doorging. Het filmrolletje was nog gedeeltelijk in papier.
En toeval bestaat niet, maar ik was net het reisboek van onze Brusselse burgemeester Charles Buls (1881-1899) in Congo aan het lezen, uit de tijd dat Congo nog Kongo was. ‘Croquis Congolais’ (1899). Zoals alle flaminganten toen schreef hij het liefst in het Frans. Hij had zo’n Kodak mee. Dat concludeer ik tenminste uit dit fragment: “Iets verder duiken twee Zwarte Eva’s op. Ze zijn nog onberoerd door de beschaving en reageren niet wanneer ik mijn Kodak op hen richt…”

 

K 2 Kodak1898

 

Dat kon dus dankzij Kodak. De fotografie had net een grote sprong gemaakt. In 1888 bracht George Eastman de eerste camera met rolfilm voor het grote publiek op de markt met de slogan: “You press the button, we do the rest!”. Of in de versie van De Nieuwe Snaar, honderd jaar later:

“Ja zo’n prachtstuk voor m’n lens

is mijn allergrootste wens

‘k hoef alleen maar goed te mikken

in de hoop dat het zou klikken.”

De camera kreeg de naam KODAK. Je kon hier honderd snapshots mee maken, dan was de filmrol op. Je stuurde dan je camera met film naar Eastman-Kodak en je kreeg je foto’s afgedrukt terug en een nieuwe camera met een nieuwe film. In 1891 volgde dan de eerste echte  losse rolfilm.

Charles Buls had dus zo’n Kodak van het allerlaatste model mee. Tien jaar eerder was dit nog niet mogelijk. Toen werkte men nog op glasplaten. Ze hadden een lange belichtingstijd nodig. De camera moest onbeweeglijk op een statief staan en ze moesten dadelijk ontwikkeld en gefixeerd worden.

 

K 3 Stanleyglas_NEW

 

De glasplaat is gebroken en in het glas is het onderschrift gegrift, zoals toen gebruikelijk was.

 

Dit kon men nog niet reproduceren in boeken. Stanley zal dan ook zijn boeken illustreren met gravures naar zijn foto’s. Het had zo zijn voordeel voor deze sensatiejournalist, ingehuurd door Leopold II om bij een groot publiek zijn kolonisatie te promoten. Hij kon daarmee zijn verhaal nog sensationeler maken, zoals met deze gravure over hoe hij omging met zijn eigen mensen.

 K 4 StanleySchiet_NEW

Ook Jerôme Becker die Karema, de eerste Belgische kolonie in Afrika had bestuurd kende dit technisch probleem toen hij in 1887 zijn boek uitgaf: La Vie en Afrique. Becker had nochtans een fotocamera en 200 glasplaten mee genomen, net als de producten voor ontwikkeling en fixering. Zijn boek is echter niet met foto’s geïllustreerd maar met tekeningen naar zijn foto’s.
In 1897 bij de Koloniale tentoonstelling in Tervuren kon dit al wel. In het begeleidend boek “L’Etat Indépendant du Congo à l’Exposition de Bruxelles” staan al enkele foto’s, maar sterk geposeerde en vooral tekeningen naar foto’s. De foto’s die Stanley twintig jaar voor Buls in Kongo maakte, trekken dan ook op niets. Dit is een van de betere:

 

K 5 Stanleyrivier_NEW

 

Een alternatief middel voor de eerste toeristen was dan ook de waterverftekening. Buls zal de twee technieken toepassen. Zijn aquarel van de stroom spreekt dan ook meer aan: zie de illustratie bovenaan dit stuk.

 

Die foto’s waren in zwart-wit, maar inhoudelijk eerder wit over zwart. Ze vertellen veel over hoe de witten over de zwarten dachten. Erg stereotiep. Neem deze – onscherp want niet op glasplaat maar met een rolfilm Kodak genomen – foto van Charles Buls: Les Eves Noires:

 


K 6 Eva's 001

De foto is dan wel flou, het stereotype is  haarscherp. Om nogmaals De Nieuwe Snaar te citeren:

“Want de angst voor het cliché

levert nooit een goed idee

Dat is het drama

In de fotografie.”

 

En het veranderde niet met de komst van de kleurfilm. Integendeel, de stereotypen werden nog groter. Ik ben het dan ook grondig oneens met Simon & Garfunkel toen die zongen: “Mama don’t take my Kodachrome away. Makes you think all the world’s a sunny day, oh yeah!”
Stereotypen in kleur zijn nog gevaarlijker dan die in zwart-wit. Doe ze weg, zoals De Nieuwe Snaar zingt:

“Als ik in mijn donkere kamer
Al die foto’s overzie
Zoek ik dikwijls naar een hamer…”

En, sorry aan De Nieuwe Snaar voor deze niet zo ortodoxe interpretatie van hun liedje.

May 22, 2016 at 4:41 pm 2 comments

TUYMANS TOONT ZIJN MISPRIJZEN

Tuymans voor "Corso III"

Tuymans voor “Corso III”

Tom Ronse

In zijn nieuwe expo die vorige week opende in de David Zwirner galerij in New York toont Luc Tuymans zich aan zijn introverte kant. De titel van de show ontleent hij aan Jean-Luc Godards film “Le Mépris”. Dat is wat ik tegenwoordig vaak voel”, zegt de schilder.

Tuymans’ werk verliest veel in reproductie. Je moet er lijfelijk voor staan en het de tijd geven om in te dringen.  De negen schilderijen komen goed tot hun recht in de ruime,  in zacht wit licht badende zalen van de museale galerij. Je herkent ze meteen als Tuymansen. Het gedempte palet, de horizontale borstelstreken, de wazige contouren, de thema’s van isolatie, verval en herinnering. Maar in deze werken hangt ook een sfeer van nostalgische tederheid.

Tuymans Le Mepris low res

Er is een schilderij dat zoals de hele show “Le Mépris”heet. Het toont een detail van het interieur van de villa in Capri waar Godards film werd opgenomen.  Een donkere, dode open haard met daarachter een venster. Door dat venster heb je normaal een spectaculair uitzicht maar Tuymans is anti-spectaculair. Dus verbergt hij het zeezicht achter verblindend wit zonlicht.  Het beeld is niet gebaseerd op de film. Tuymans heeft het van het internet geplukt. Het is een stille getuige van iets dat zich hier heeft afgespeeld. Een momentopname en tegelijk tijdloos.

 

Installatiebeeld Corso I (foto Tom Ronse)

Installatie van “Corso I”

Tuymans voelt affiniteit met Godard. “Le Mépris” vindt hij een meesterwerk. Maar de originele inspiratie voor deze expo kwam niet van die film maar van Tuymans’ eigen jeugdherinneringen.  In Zundert, de stad waar zijn moeder vandaan komt (tevens de geboorteplaats van Van Gogh) wordt jaarlijks een corso gehouden, een stoet van praalwagens versierd met bloemen. Als kind was Lucje een participant die dahlia’s op de wagens hielp prikken en er onder liep, met andere kinderen die de wagens voortduwden. “Als galeislaven”, zegt Tuymans. Maar in de vijf werken die de corso van Zundert als thema hebben, zijn geen kinderen te zien, noch andere mensen. We zien de praalwagens na de stoet, na het feest, als iedereen naar huis is gegaan en de bloemen stil verwelken tot compost. Vergankelijkheid en de melancholie die ermee gepaard gaat, loeren om de hoek.

Corso II

Corso II

Maar er is meer. De praalwagens, verlaten door mensen, bevrijd van de feestcontext, gaan hun eigen leven leiden. Ze worden vreemde voertuigen die lijken te zweven in een grijze mist. Tuymans wijst op “Corso III” waarin een vorm op een praalwagen doet denken aan een radarschijf of een gigantische luidspreker. “Het lijkt een soort propagandamachine uit de Sovjet Unie”, zegt Tuymans, “en tegelijk heeft het iets ludiek. Dat interesseert me, iets wat “off” is, wat aan de oorspronkelijke bedoeling van de makers ontsnapt”. Hoe past de titel “Le Mépris” op deze werken, vraag ik hem. “Het gaat over het feestelijke dat omslaat in iets totaal anders”, antwoordt hij enigmatisch. “Dat is een zeer persoonlijk gevoel. Misprijzen is dat ook, als je het verinnerlijkt”.

De beelden zijn gebaseerd op archief-foto’s en kiekjes die zijn vader nam in 1958 (Tuymans’ geboortejaar) maar zijn daar tegelijk ver van verwijderd. “Ik schilderde ze vanuit een verwrongen nostalgie maar met een nasmaak van het gebeuren”, legt Tuymans uit.  De praalwagens zijn gestileerd tot bijna abstracte vormen. “Als je er dichtbij gaat staan spatten de vormen uit elkaar”, zegt Tuymans, “het is een soort conceptueel impressionisme.”

Zoals uit eerder werk al bleek, vertoeft Tuymans graag in het het grensgebied tussen figuratie en abstractie. Of, zoals hij het uitdrukt, “de combinatie van signaal en niet-signaal” fascineert hem.  Dat is nog duidelijker in de triptiek “Murky Water”, drie grote, bijna abstracte doeken gebaseerd op polaroids die Tuymans op een zonnige dag nam van water in een gracht in het Nederlandse Ridderkerk. Ze doen denken aan accidentele foto’s, genomen door iemand die eigenlijk zijn vrouw op dat pittoreske bruggetje wou trekken maar in plaats daarvan, omdat zijn camera te vroeg afging, troebel water, een stuk kade, de schaduw van een geparkeerde wagen of een straatlamp fotografeerde. Tuymans maakt het banale pregnanter dan het spectaculaire. De stilte is tastbaar.

Murky Water I

Murky Water I

De werken hebben iets droevigs. Tuymans wijst op een blikje dat op het water drijft in “Murky Water I”. “Dat fantablikje bracht me op het idee om “Le Mépris” de noemer van deze show te maken”, zegt hij. Een fantablikje komt in de film niet voor, wel Tuymans’ thema van verval, vergankelijkheid en melancholie.

Zoals gewoonlijk gaat het werk over de constructie van herinnering maar Tuymans is vooral bekend door werk dat de herinnering aan historische evenementen bekijkt. Deze expo is introverter. “Dat klopt”, zegt Tuymans. “Ik wissel thematische tentoonstellingen waarin ik extrapoleer af met andere waarin ik introverteer. Dat is een tandem die al 30 jaar werkt”.

Evolueert zijn stijl? “Mijn startpunt was het idee dat ik geen stijl wou ontwikkelen”, zegt Tuymans, “maar als ik zoals op de retrospectieve in Doha vorig jaar naar mijn vroeger werk kijk, zie ik natuurlijk wel een evolutie. Maar ze is niet doelbewust. Het is een taal die me ook ontsnapt. Dat houdt het spannend. Tot vandaag is elk schilderij een wonder dat het lukt. Dat is niet vanzelfsprekend. Het schilderen is een intens, nerveus proces. En als het dan lukt, dat is bijzonder aangenaam.”

Nogal wat mensen vinden hem een moeilijke kunstenaar. Stoort hem dat? “Helemaal niet”, zegt Tuymans. “Mijn kunst is introvert. Tot mijn zestiende was ik een quasi-autist. Ik wantrouw mezelf, er is een grote afstand tussen mezelf en het beeld dat ik schilder. Dat maakt het moeilijker voor de toeschouwer. Maar dat was van meet af aan mijn optie. Als je een goed kunstwerk ziet, heb je een probleem. Je begrijpt het niet meteen. Je hebt tijd nodig. Het kostte me 20 jaar om Warhol te appreciëren. De directeur van het museum van Honolulu vond mijn werken afschuwelijke rotzooi tot hij ze in zijn dromen begon te zien. Nu is hij een van mijn grootste fans”.

Murky Water II

Murky Water II

Een kortere versie van dit artikel verscheen eerder in De Morgen.

Tuymans Lumumba

Tuymans Lumumba

“Le Mepris” is te zien tot 25 juni. Meer info op davidzwirner.com

 

In het Antwerpse MAS kan men intussen to 18 september de expo “Glasses” zien, Tuymans eerste thematische retrospectieve. Het gaat om portretten van mensen met brillen. Meer info op mas.be

May 17, 2016 at 2:15 am Leave a comment

PURPLE TEARS

purple rain NewYorker

prince 1

young prince

minneapolis

prince2

purple rain

April 22, 2016 at 4:03 am Leave a comment

Nieuw New Yorks museum focust op onafgewerkte kunst

Anton Raphael Mengs.Portrait of Mariana de Silva y Sarmiento, duquesa de Huescar (1775)

Anton Raphael Mengs.Portrait of Mariana de Silva y Sarmiento, duquesa de Huescar (1775)

door Tom Ronse

Het was dé culturele gebeurtenis van het jaar in New York: vorige vrijdag opende een nieuw museum zijn deuren. De kunsttempel is een filiaal van the Metropolitan, Amerika’s grootste museum.  Maar in tegenstelling tot het moederbedrijf  zal de “Met Breuer” zich toespitsen op moderne en hedendaagse kunst. Toch wil het uit de enorme collectie van the Met putten om de link te leggen tussen oud en nieuw. De openingstentoonstelling is een staalkaart: “Unfinished: Thoughts Left Visible” omvat 197 onafgewerkte kunstwerken, van de Renaissance tot vandaag.

Vorig jaar verhuisde het Whitney museum naar een nieuw gebouw, ontworpen door Renzo Piano, aan de voet van het populaire High Line park. The Metropolitan nam van de gelegenheid gebruik om het oude gebouw van de Whitney voor acht jaar in pacht te nemen. Dat iconische, nogal bruut ogende gebouw, ontworpen door Bauhaus-architect Marcel Breuer naar wie het nieuwe museum genoemd is, ligt op wandelafstand van het grote Met-museum op Fifth Avenue. Een ticket geeft toegang tot beide musea en tot “’the Cloisters’, het Met-museum van middeleeuwse kunst.

De Met Breuer_(foto:Ed Lederman)

De Met Breuer_(foto:Ed Lederman)

Heeft dit nieuwe museum wel zin, vragen sommige critici zich af. Met het MoMA, de Whitney, the New Museum of Contemporary Art, PS1, de Guggenheim en grote galerijen die vaak museale expo’s organiseren, heeft New York al een enorm aanbod van moderne en hedendaagse kunst.  Maar naar het schijnt kan een serieus museum vandaag niet overleven zonder hedendaagse kunst. De belangstelling van verzamelaars en het grote publiek voor kunst van vandaag is nooit zo groot geweest. Er is een intense concurrentie tussen de musea om dat publiek te lokken. Tot voor kort deed de Met daar niet aan mee, ondanks haar doelstelling om kunst van alle tijden te tonen. Met de Met Breuer wil het megamuseum haar muf imago van opslagplaats van oude kunst afschudden. Maar wat kan het toevoegen aan een aanbod dat al zo groot is? Zegt Sheena Wagstaff, de directeur van de Met Breuer: “Voor het eerst zul je in staat zijn om 5000 jaren menselijke creativiteit te penetreren vanuit het portaal van vandaag.”  De collectie van de Met bestaat uit ruim 2 miljoen kunstwerken, waaronder 12000 moderne en hedendaagse. Daaruit zal het nieuwe museum putten om op een unieke wijze kunst van vroeger en nu met elkaar in verband te brengen.

Jan van Eyck. Sint Barbara (1437)

Jan van Eyck. Sint Barbara (1437)

Dat opzet is alvast grotendeels geslaagd in de inaugurale expo.  De tentoonstelling is spectaculair en dat kon moeilijk anders met zoveel meesterwerken van bijna alle supersterren van de westerse schilderkunst, van Van Eyck en Michelangelo tot Richter en Tuymans.  Het enige wat die werken gemeen hebben is dat ze onafgewerkt bleven. Het idee kwam naar verluidt van de schilder Cy Twombly die het kort voor zijn dood in 2011 aan de Met voorstelde. Zijn laatste werken maken deel uit van de show. De chronologisch georganiseerde expo omvat ruwweg twee categorieen: kunst die accidenteel onafgewerkt bleef en werken die intentioneel niet werden afgemaakt. Maar de grens tussen beiden is niet altijd duidelijk. Het oudste werk in de tentoonstelling, Jan Van Eycks portret van Sint Barbara (uit het Antwerpse museum van Schone Kunsten) is daar een voorbeeld van. Was Van Eyck van plan om het paneel volledig te schilderen maar had hij het te druk met andere opdrachten? Of besloot hij te stoppen omdat het werk perfect was zoals het was, met alleen enkele suggesties van kleur? We zullen het nooit weten. “Achter elk werk zit een verhaal”, zegt Wagstaff. Maar, zoals de muurteksten toegeven, vaak kennen we het verhaal niet. Dat levert mysteries op zoals Anton Mengs portret van een hertogin (zie de afbeelding bovenaan dit stuk),waarop alles mooi afgewerkt is behalve het gezicht en een schoothondje, waarvan we enkel de kontoeren zien. Het surrealistisch ogende doek is 240 jaar oud maar zou vandaag geschilderd kunnen zijn. Maar waarom het er zo uitziet, weten we niet.

Vincent van Gogh.  Straat in Auvers-sur-Oise(1890)

Vincent van Gogh. Straat in Auvers-sur-Oise(1890)

Soms is het duidelijk.  Dood is vaak de reden. Zo zien we de werken die op de ezels stonden van Bassano, El Greco, Van Gogh en Lucian Freud toen hun kaars werd uitgeblazen.

El Greco's laatste: Visioen van Sint Jan (ca. 1609–14)

El Greco’s laatste: Visioen van Sint Jan (ca. 1609–14)

Soms is een breuk met de opdrachtgevers de reden. Rubens’ onafgewerkte weergave van een slagveld, een trekpleister uit het Rubenshuis, is daarvan een voorbeeld. Er staat een soldaat op met drie armen. Dat kon Rubens niet schelen. Hij stopte toen de betaling uitbleef. Net daardoor oogt het werk modern.

Peter Paul Rubens.  Henri IV in de slag van Ivry (ca. 1630 )

Peter Paul Rubens. Henri IV in de slag van Ivry (ca. 1630 )

Een boeiend aspect van “Unfinished” is ook dat je door werken in hun onaffe staat te zien de methoden en technieken van de schilders ontdekt.

Adolph von Menzel: altaar in een barokke kerk (ca. 1880–1890)

Adolph von Menzel: altaar in een barokke kerk (ca. 1880–1890)

Al in de Renaissance  gebruikte men de term “Non finito” voor werken die de kunstenaar als af beschouwde ook al leken ze onaf. Leonardo Da Vinci was een habituele beoefenaar van het genre. Maar bij de oudere werken domineren de ‘accidenteel’ onafgewerkten. Naarmate we dichter bij vandaag komen, nemen de intentioneel onafgewerkten de overhand.  Zoals de catalogus opmerkt, de westerse schilderkunst evolueerde meer en meer van “high polish” naar “unfinishedness”.

Da Vinci: Hoofd van een vrouw (ca.1500–1505)

Da Vinci: Hoofd van een vrouw (ca.1500–1505)

Andy Warhols “Do It Yourself (Violin)” uit 1962 is een mooi voorbeeld van die trend. Het is gebaseerd op een “painting by numbers”, toen populair bij amateuristen. Warhol heeft, zoals Van Eyck, slechts enkele kleuren ingevuld; de rest is een vraag naar de toeschouwer.

Warhol_Do It Yourself (Violin)

Andy Warhol: Do It Yourself (Violin) (1962)

Die open-eindigheid en vraag naar participatie typeert veel kunst vandaag. En het is ook wat the Met lijkt na te streven met dit nieuwe museum: om niet meer aanzien te worden als een plaats waar kunst belandt om te sterven maar als een verhaal dat voortleeft, ‘unfinished’.

 

De tentoonstelling loopt tot 4 september. Meer info: metmuseum.org

Rembrandt Joodse bruid  (1635)

Rembrandt Joodse bruid (1635)

 

April 1, 2016 at 3:53 am 1 comment

VAN DYCK HERLEEFT IN NEW YORK

Van Dyck studie Edinburgh prinsesjes

The Frick Collection ontleedt de portretkunst van de Vlaamse meester

Door Tom Ronse

Antoon Van Dyck: was hij een groot portretschilder of de grootste portretschilder aller tijden? Misschien wel het laatste, meent Stijn Alsteens. Nochtans werd er nog nooit een overzichtstentoonstelling georganiseerd over zijn portretkunst tot “Van Dyck: The Anatomy of Portraiture” deze week opende in de New Yorkse Frick Collection. De expo omvat 101 werken en werd samengesteld door Alsteens en zijn collega Adam Eaker.

“Het idee om de portretten die Van Dyck maakte in verschillende media – tekeningen, etsen, gravures en schilderijen – samen te brengen, rijpte zo’n vijf jaar geleden”, vertelt Alsteens. Hij werkte toen –en nu nog steeds- in het Metropolitan Museum. Hij werd geboren in 1976 en groeide op in Overijse. Na zijn studies in Leuven en Amsterdam werd hij tentoonstellingsmaker in de Frits Lugt Collectie in Parijs. Vanaf 2006 had hij die functie in het Metropolitan, New York’s grootste museum, waar hij onder meer tentoonstellingen over Pieter Coecke van Aelst en Joachim Wtewael organiseerde. Vanuit zijn specialiteit  -werken op papier uit de 17de en 18de eeuw- was Alsteens vertrouwd met de schetsen en etsen van Van Dyck. De meeste van die werken zijn voorstudies voor schilderijen of gravures. Dat bracht Alsteens op het idee om die voorstudies samen te brengen met de eindproducten, om zo het ontstaansproces van Van Dycks beroemde portretten te belichten.

Adam_Eaker–Stijn_Alsteens-foto Michael Bodycomb

Adam Eaker en Stijn Alsteens

De tentoonstelling is in the Frick Collection, niet een van de grootste maar wel een van de mooiste musea van New York. Het gebouw is een paleis dat de industrieel Henry Clay Frick zich in 1913 liet zetten aan de rand van Central Park. Frick was een fan van Van Dyck. Hij kocht acht grote doeken van de Vlaamse barokmeester die nu een centrale plaats innemen in de expo. “Frick stipuleerde in zijn testament dat de werken niet ontleend mochten worden”, zegt Alsteens, “vandaar dat deze tentoonstelling enkel hier kon plaatsgrijpen.” “De vroegste werken die we van Van Dyck kennen zijn portretten en zijn eerste model was hijzelf”, zegt Alsteens, wijzend naar een schilderijtje waarop een puber ons over de rand der eeuwen aanstaart. Van Dyck penseelde dit ergens tussen 1613 en 1615. Hij was toen 14 of 15 jaar oud. De stijl is al even zwierig en trefzeker als in zijn later werk. “Hij was een wonderkind”, zegt Alsteens.

Dyck,Anthonis van (1599-1641)

In de voorstudies die Van Dyck voor zijn grote werken maakte zie je hem denken, legt Alsteens uit. Je ziet hem composities veranderen, accenten verleggen, zoeken hoe hij het werk meer kan doen vertellen. Het valt op dat hij zijn aandacht vooral gaat naar de houding en kledij van zijn modellen, terwijl het hoofd vaak niet of nauwelijks is uitgewerkt. “Dat was niet omdat hij het hoofd onbelangrijk vond”, zegt Alsteens, “Hij stond er op om het naar levend model te schilderen. Om zo tot in de psyche van zijn model door te dringen.” Sommige tekeningen en etsen zijn ontwerpen voor gravures die door anderen werden uitgevoerd en die ook te zien zijn. Gravures waren een belangrijke bron van inkomsten voor kunstenaars en een manier om hun werk bekend te maken. Er werden tot 10.000 exemplaren van gedrukt. Na zijn dood werden 100 Van Dycks portret-gravures bijeengebracht in een boek dat ook tentoon gesteld is. Er is een muur met valse Van Dycks: tekeningen die aan hem werden toegeschreven maar die gemaakt werden door anderen zoals Jacob Jordaens of nobele onbekenden. Alsteens legt uit waaraan je kunt zien dat het geen echte Van Dycks zijn.

KoninginHenrietta Maria met aapje en dwerg, 1633

Koningin Henrietta Maria met aapje en dwerg, 1633

De grote schilderijen trekken natuurlijk de meeste aandacht. De modellen variëren, van koningen, kerkvorsten, edelmannen en –vrouwen, tot zijn echtgenote, zijn maitresse, zijn vrienden en hijzelf. Behalve de werken uit de Frick Collection zijn er nog verschillende andere uit Amerikaanse musea die nooit de terugreis naar Europa hebben gemaakt. Een van de mooiste werken is het in 1623 geschilderde portret van kardinaal Bentivoglio uit het Palazio Pitti in Firenze. Het is pas gerestaureerd en dat merk je. De kleuren vibreren. “Let er op hoe Van Dyck een verhaal in zijn portret legde”, zegt Alsteens, “de kardinaal heeft net een brief gelezen en staart peinzend naar buiten…”

Van Dyck kardinaal

Het portret als een vraag naar interpretatie. Dat is een van de redenen waarom zijn portretkunst een keerpunt betekende in de geschiedenis van de schilderkunst volgens Alsteens. Van Dyck was gebonden aan de conventies van de portretkunst maar oversteeg die ook. Een portret moest natuurlijk in de eerste plaats in de smaak van de opdrachtgever vallen. Met Van Dyck wist je als opdrachtgever dat het mooi zou worden, technisch gedurft en virtuoos en dat je aan je beste kant zou getoond worden. En elegant, dat was zijn handelsmerk. Een van de manieren om dat te benadrukken was de handen iets te lang en langoureus hangend schilderen. Maar Van Dyck zocht een gelaagdheid die de conventionele portretten niet hadden. Alsteens wijst op de psychologische diepgang in het portret van zijn vriend Frans Snyders. “Die benadering heeft een enorme invloed gehad op schilders van latere generaties”.

“Van Dyck: The Anatomy of Portraiture” in the Frick Collection, 1 East 70th Street, New York, tot 5 juni.

S

Wat een jurk!

March 15, 2016 at 5:01 am Leave a comment

EEN REVOLUTIE IN GELUID

 

Piet Goddaer at Google.

Piet Goddaer, alias Ozark Henry, stond vrijdag op een podium in New York. Niet om te zingen maar om zijn visie op de toekomst van de muziekbeleving uiteen te zetten in Google’s hoofdkwartier.

Tekst: Tom Ronse; foto’s: Bart Michiels

Het Google-imperium aan de westkant van Manhattan groeit zienderogen. Weldra zal het vier straatblokken in beslag nemen, van 8th Avenue tot aan de Hudson. Het hoofdgebouw is een Art Deco-mastodont tussen de achtste en negende Avenue, het vierde grootste gebouw van Manhattan. Daar werken heeft, behalve een mooi salaris, allerlei voordelen. De personeelsleden kunnen er eten in gratis restaurants, sporten en spelen (er is een zaal waar de ‘kunstwerken’ die Google-medewerkers met lego-blokjes in elkaar hebben geknutseld zijn tentoongesteld) en verschillende keren per week een “Google-talk” bijwonen. Dit programma is vergelijkbaar met de populaire TED Talks en biedt een platform aan markante persoonlijkheden en pioniers in technologie, kunst en nieuwe media. Beroemdheden zoals Lady Gaga en Salman Rushdie waren er gastsprekers. Afgelopen vrijdag was het de beurt aan Piet Goddaer en zijn technische medewerker Ronald Prent. Goddaer trok Google’s aandacht met zijn innoverend gebruik van ‘immersive sound’- technologie op zijn laatste album ‘Paramount’.

Prent (links) en Goddaer (rechts).

Prent (links) en Goddaer (rechts).

De ‘talk’ begint met een voorproefje. De zaal is in duisternis gehuld. Uit de discreet opgestelde negen luidsprekers waait een rijk gamma van klanken over het publiek. Het nummer is “We can be heroes”, Ozark Henry’s eigenzinnige en beklijvende versie van de gelijknamige David Bowie-hit. Als het applaus is uitgestorven leggen Goddaer en Prent uit hoe ze met Auro-3D technologie (een uitvinding van de Belg Wilfried Van Baelen) een geluidsruimte creëerden die de luisteraar onderdompelt in klanken die uit alle richtingen komen en die zo een luisterervaring biedt waar een gewone stereo-weergave niet aan kan tippen. Volgens Goddaer is deze nieuwe technologie een even belangrijke sprong voorwaarts als de overgang van mono naar stereo en zal ze in de toekomst de norm worden.

Piet Goddaer at Google
Het verschil ligt zowel aan de opname als de weergave. Voor de opname van ‘Paramount’, een album waarop hij zich liet begeleiden door het Nationaal Orkest van België, plaatste Goddaer de 90 muzikanten van het orkest in een cirkel rond het denkbeeldig publiek, waardoor iedereen de beste plaats in de zaal krijgt, een plaats die je in realiteit nooit kunt bezetten. De microfoons werden zowel tussen als voor en boven de muzikanten opgesteld. Zo krijg je verschillende lagen van klanken, gaande van de intimiteit van een kamerorkestje tot een zondvloed van geluid die de producer kan mixen, legt Prent uit. Wanneer je zo’n opname afspeelt met een 9.1 installatie (met acht luidsprekers in de hoeken van de kamer en één luidspreker vooraan in het midden), krijg je een luisterervaring met de emotionele impact van een live uitvoering.
Het MP3-formaat is een mooi ding, zegt Goddaer, je kunt het overal meenemen en beluisteren. Maar voor de artiest is het frustrerend omdat er zoveel verloren gaat en de luisteraar niet eens beseft wat hij mist. “Size matters”, aldus Goddaer. Hij illustreert het met een voorbeeld uit de schilderkunst. Op een scherm verschijnt een afbeelding van Picasso’s Guernica, een doek van 3,5 op 7,7 meter. “Je kunt dit schilderij ook op klein formaat zien”, zegt hij en de afbeelding krimpt tot de omvang van een keukenhanddoek. “Dat is MP3”, legt Goddaer uit. “Op een goede installatie kun je die luid afspelen en dan krijg je dit.” We zien de Guernica weer groot maar nu zo wazig dat alle details verdwenen zijn. “Het is de kwaliteit aan de bron die telt”, zegt Goddaer, “een rot ei wordt niet beter als je het op een gouden schaal presenteert”.

Piet Goddaer at Google
We krijgen nog meer uitreksels uit Paramount te horen. Goddaer nodigt het publiek uit om rond te wandelen. De klank varieert naar gelang van waar je staat maar wordt niet slechter of beter. “Net zoals je een kunstwerk vanuit verschillende kanten bekijkt”, zegt Goddaer. Je beweegt in een driedimensionele geluidsruimte.
Goddaer wil de creatieve mogelijkheden van het medium verder onderzoeken, onder meer door een reizende geluidsinstallatie te maken voor de VN. Hij is een “Goodwill Ambassadeur” tegen mensenhandel en wil op basis van gesprekken met slachtoffers een geluidservaring creëren die mensen emotioneel raakt en doet nadenken. Hij zoekt nog sponsors om het project te helpen financieren.
Na de talk worden Goddaer en Prent overstelpt met vragen van het Google-publiek. Sommige vragen zijn erg technisch. Goddaer benadrukt de voordelen van de Auro 3D-luisterervaring tegenover andere die gebaseerd zijn op koptelefoons die je isoleren van de ruimte waarin je bent en systemen die stoelen op complexe software. “Het mooie aan dit systeem is dat het verenigbaar is met alle bestaande systemen. En zoals je ziet heb je er geen enorme luidsprekers voor nodig”.
Later, als we lunchen in een van de Google-restaurants (zelfbediening zonder kassa) vragen we Goddaer of zijn volgende album ook in Auro 3D- zal opgenomen worden. “Misschien”, zegt hij, “als ik het kan financieren”. Wat maakt de opname zoveel duurder? Goddaer: “Je hebt drie weken nodig voor wat je anders in twee dagen opneemt. Maar naarmate de expertise toeneemt zal de snelheid toenemen en zullen de kosten dalen.” Het probleem is volgens hem dat de muziekindustrie er nog voor terugschrikt om in de nieuwe technologie te investeren. Toch verwacht hij een doorbraak omdat het kwaliteitsverschil zo groot is. Maar staat de consument er wel open voor? Ik wijs hem er op dat vele consumenten er geen graten in zien om films te bekijken op hun iPhone, ondanks het enorme kwaliteitsverschil met films op een groot scherm. “Maar de filmconsument heeft de keuze”, zegt Goddaer, “de muziekconsument heeft die keuze niet, hoewel de technologie om hem die te geven bestaat.”

Piet Goddaer’s ‘Talk@Google’ zal vanaf begin maart te zien zijn op https://www.youtube.com/user/AtGoogleTalks

Ozark Henry’s webstek:

http://ozarkhenry.com/

March 1, 2016 at 2:53 am Leave a comment

OVER RIOOLREPTIELEN, TRUMP EN ANDERE GELDZAKKEN

otterness 3

Jacqueline Goossens

Op  9 februari,  de dag dat Donald Trump de Republikeinse voorverkiezingen won in New Hampshire, werd in New York de jaarlijkse ‘Alligators in the Sewers Day” gevierd.  De ludieke, onofficiële feestdag werd in 2000 gelanceerd door stads-historicus Michael Miscione.  Het was in datzelfde gezegende jaar dat Trump voor het eerst flirtte met het idee om presidentskandidaat te worden.  Volgens Fortune magazine was hij van plan om in de steden waar hij kiesmeetings zou houden, tevens voordrachten te geven waar hij zich dik voor zou laten betalen. “Het is goed mogelijk dat ik  de eerste presidentiële kandidaat zal zijn die geld verdient aan zijn campagne”, zei hij indertijd.

Maar terug naar de rioolreptielen.  Op 9 februari 1935 waren twee jongens in East Harlem sneeuw aan het ruimen toen plots een verkleumde alligator zijn kop uit een mangat stak. Het arme beest werd met een stuk wasdraad onder grote belangstelling naar boven getrokken. Het dier verzette zich en werd prompt de schedel ingeslagen. De volgende dag beschreef The New York Times het incident. De alligator woog 56 kg, rapporteerde de krant.  Niemand heeft ooit kunnen achterhalen waar het dier vandaan kwam.  In 1937 waren er nog twee andere officiële rapporten over alligators in New York -een werd in de East River gezien en een ander in een metrostation in Brooklyn- maar nooit werd er nog een aangetroffen in of bij de stadsriolen.  De legende is blijven leven dankzij grapjassen zoals Teddy May, het hoofd van de dienst rioleringen in de jaren dertig. Hij werd in 1959 geinterviewd door Robert Daley, de auteur  van “World Beneath the City”. May zei dat hij met eigen ogen een kolonie riool-alligators had gezien en danig was geschrokken. Hij zou gif hebben laten leggen en mannen met geweren op ondergrondse jacht hebben gestuurd. Vier jaar na dat interview verscheen de roman  “V” van Thomas Pynchon.  In dat verhaal brengen New Yorkse vakantiegangers baby- alligators mee uit Florida. Al vrij snel zijn ze de beestjes beu en ze spoelen ze dan maar door het toilet. De dieren komen terecht in de rioleringen waar ze opgroeien tot grote, blinde, albino-alligators die leven van ratten en rioolwater. In 1980 kwam de film Alligator uit die er nog een schepje bovenop deed.

In 2000 kwam er zelfs een standbeeld voor de riool-alligator. Het staat onder een trap in het subway-station aan de 14de straat en de Achtste Avenue. Het werd ontworpen door kunstenaar Tom Otterness. Het maakt deel uit van een installatie getiteld “Life Underground”. Otterness had 200.000 dollar gekregen van de stad voor de opdracht. Zijn plan was om ongeveer 25 beeldjes te maken. Het werden er 100.

Tom Otterness underground

Zijn vrouw smeekte hem om er mee op te houden.  “Je bent er de erfenis van onze dochter aan het doorjagen”, zou ze gezegd hebben. Ironisch genoeg hebben veel van Otterness zijn beeldjes geldzakjes met dollartekens als hoofden.  Otterness verwijst daarmee naar de 19de eeuwse cartoonist Thomas Nast die corrupte New Yorkse politici aldus uitbeelde.  De alligator van Otterness komt ook uit een mangat gekropen. In zijn muil heeft hij een mannetje met een geldzak-hoofd geklemd. Een ander  geldzak-mannetje staat er op te kijken.

otterness underground

Al die karakters dragen een deftig kostuum, zelfs de alligator. Wat me terugbrengt bij de immer in een duur maatpak gestoken Donald Trump. Volgens The New York Times besteedde hij in 2015 een luttele 12,4 miljoen dollar aan zijn campagne, veel minder dan zijn Republikeinse rivalen. Meer dan de helft daarvan kwam van schenkingen van zijn supporters en van de verkoop van “Make America Great Again”-petjes, T-shirts an andere Trump-marchandise. Aan zijn kosten verdient Trump ook een mooie cent: zijn campagne betaalde 2,7 miljoen dollar voor geleverde diensten aan bedrijven die zijn eigendom zijn.  Zo betaalt de Trump-campagne Trump voor het gebruik van zijn vliegtuigen en helicopters.

Hij verdient ook aardig wat aan zijn boeken die vlot verkopen dank zij zijn kiescampagne en de media-aandacht die ermee gepaard gaat.  Van zijn nieuwste,“Crippled America”, zijn er al 179.000 stuks verkocht, goed voor een omzet van 4 miljoen dollar.  Ook de verkoop van zijn bekendste boek “The Art of the Deal’ (1987) steeg pijlsnel sedert zijn auteur zijn gooi naar het Witte Huis begon.

De comedy website Funny or Die lanceerde op 10 februari, de dag na de voorverkiezingen in New Hampshire, een hilarische film die ook “The Art of the Deal” heet. Johnny Depp speelt de hoofdrol als Donald Trump die zijn leven vertelt aan een kind. Het is een zogezegde nooit eerder getoonde televisie-documentaire uit de jaren tachtig, waarvan Trump de schrijver-producer-regisseur-ster is.

Johnny Depp als Donald Trump en Michaela Watkins als zijn (ex)vrouw Ivana

Johnny Depp als Donald Trump en Michaela Watkins als zijn (ex)vrouw Ivana

In januari 2017, twee weken voor “Alligators in the Sewers Day’ zal de nieuwe Amerikaanse president  worden ingezworen. Hopelijk heet die niet Donald Trump. Zelfs in het volgens hem onwaarschijnlijke geval dat hij niet verkozen zou worden, zal the Donald een adres hebben op Pennsylvania Avenue, waar het Witte Huis staat.  Van het oude postkantoor op die avenue wil hij een hotel maken dat net voor de inauguratie zou opengaan.

February 13, 2016 at 5:45 am 2 comments

Older Posts Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,591 other followers