Posts filed under ‘links’

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

mei 24, 2017 at 3:48 pm 7 reacties

RADICALISATIE VAN EEN BOURGEOIS: MAURICE CALMEYN IN CONGO

Calm 1

 

door Lucas Catherine

 

Een man staat in de brousse van Noord Congo. Het geweer in de hand. Zijn fox-terrier naast hem. Hij speurt naar een verre olifant. Zijn hondje kijkt hem aan. De man bekijkt de fox-terrier, die heeft: “de oortjes gespitst, de oogjes vol passie, rillingen over zijn lijfje en zijn neusje in de wind. Soms heft hij zijn kop op alsof hij mij vraagt: ‘jij die groter bent dan ik en boven het gras kan kijken, zie jij daar geen wild?’”.

Calmeyn beschrijft zijn hondje in 1908, aan de boorden van de Uele-rivier. De vergelijking met Kuifje dringt zich op, maar Bobbie zal pas twintig jaar later een stripfiguur worden. De scène komt uit  zijn boek: Au Congo.  Calmeyn, een vergeten figuur en een weggemoffeld boek. Dat hij ‘vergeten’ werd ligt misschien aan de titel van het boek dat hij in 1912 publiceerde: Au Congo belge: chasses à l’éléphant, les indigènes, l’administration. Een boek over de jacht op olifanten, maar veel meer.
Maurice Calmeyn, half Brusselaar en daar rijke bourgeois en half De Pannenaar en daar groot-grondbezitter is van opleiding landbouwingenieur en wil als toerist op olifantenjacht in Congo. In de beschrijving die hij geeft van zijn reis van acht maanden (1908) speelt de jacht de hoofdrol – een olifant schiet je het best boven het oor in de schedel, altijd prijs! , en van op 10 meter, anders ben je geen jager maar een dierenbeul- . Maar in het boek duiken vooral kritische noten over de kolonisatie op. Geen hond die er naar luisterde, behalve zijn fox-terrier.

 

Calm 2

 Ook de grote critici van de Congo Vrijstaat: Vangroenweghe met zijn Rood Rubber (1985) of Delathuy’s De Congostaat van Leopold II (1989) verwijzen niet naar Calmeyn. Nochtans vond de Bibliothèque nationale de France het de moeite waard om door Hachette het boek in facsimilé te laten heruitgeven.

Calmeyns oordeel over Leopold II is verpletterend: “Het is spijtig dat de soeverein van Congo een deel van de Belgische en buitenlandse pers heeft omgekocht, maar het is nog erger dat hij bepaalde politici heeft gedegradeerd tot zijn slippendragers en dat die nu geen enkele waardigheid of onafhankelijkheid meer tonen in het parlement. Nu ik dit schrijf weet ik dat men mij een gebrek aan loyauteit aan de koning zal verwijten. Het kan me niets schelen.” “Ministers en politici leggen het landsbelang naast zich neer en verworden tot lakeien van de Kroon. Veel van hen worden voor hun slaafse dienstbaarheid beloond met adellijke titels of postjes in de haute-finance, iets wat ze anders nooit hadden kunnen bekomen.”

Als landbouwingenieur is hij deskundig genoeg om een vernietigend oordeel uit te spreken over de rubberpolitiek: “In Bima heb ik in aanwezigheid van een landbouwinspecteur een plantage bezocht die zes jaar daarvoor was aangelegd, met duizenden aangeplante rubberlianen. Met moeite heb ik er één gevonden die nog niet was afgestorven.”

“Hele bevolkingen worden het woud in gestuurd om rubber te oogsten en kwasi permanent in het woud te kamperen, zonder nog voor zichzelf iets te kweken en dit zonder echte schuilplaats, ze zijn ondervoed.” “De lokale bevolking is niet meer in staat om rubber aan te voeren, alle lianen in de streek zijn weg, kapot geoogst en dus zal men daar tegen de bevolking een politionele actie organiseren.” “Zo een ‘politionele actie’ leidde vaak tot grote opstanden. Het is zo dat de Bangala’s de concessies van de Anversoise in de jaren 1899, 1900, 1901 in vuur en vlam hebben gezet.” “Met stelligheid kan ik beweren dat de bevolking nu veel meer afziet dan in de tijd van de Arabieren… Je mag niet vergeten dat deze ‘Arabische veroveraars’ overal plantages van allerlei voedselculturen hadden aangelegd en dat de lokale bevolking hier alle baat bij vond. Nu zijn die plantages verdwenen en is er niets in de plaats gekomen… Het is spijtig dat er nooit een onpartijdige geschiedenis is geschreven van de aanwezigheid van de Zanzibari Arabieren en van alles wat ze daar hebben gecreëerd.”

 

Calm 3

Calmeyn schrijvend in zijn tent

 

“Wij zullen nog lang en veel werk hebben om de wonden te helen die Leopold II en zijn zakenpartners hebben geslagen.”

“Miljoenen zwarten worden door het koloniaal bestuur geminacht en draaien iedere dag op voor de fouten en de onbekwaamheid van de ambtenaren, tot natuurlijk het moment komt dat ze onvermijdelijk in opstand zullen komen.”

“Na mijn twee reizen ben ik tot de conclusie gekomen dat de Vrijstaat alleen maar aan zijn onmiddellijk eigenbelang heeft gedacht en nooit aan de toekomst van Congo.” “Hier werd systematisch geplunderd door zowel de Vrijstaat als door commerciële bedrijven.”

 

Calm 4

 Maar we hebben daar toch ‘de beschaving’ gebracht, vooral dankzij de missionarissen, of niet?
“De kwestie is niet of onze morele principes superieur zijn aan die van de inboorlingen, maar wel of ze op een betere manier gaan leven als ze onze principes aannemen. Wel, ik kan u verzekeren dat geen enkel contact met missionarissen, katholiek of protestant, ze moreel beter heeft gemaakt.”

“Deze missionarissen vormen een staat binnen de staat, erger nog een staat boven de staat.”

“Ze verspillen hun tijd met de zwarten de catechismus bij te brengen en om hun mooie eigen gezangen te vervangen met van die verschrikkelijke kerkelijke hymnen. Ze zitten nog altijd in de tijd van de Reformatie en steken al hun tijd in aanvallen tegen Protestantse missionarissen of ongelovige Europeanen.”
“De staat zou eigen scholen moeten oprichten waarin de Congolezen een vak leren want zowel de staat als de firma’s hebben nood aan lokale bedienden die kunnen lezen, schrijven en rekenen, vakmensen als metsers, timmerlui, smeden of mecaniciens. Als je het resultaat van de missiescholen bekijkt dan is op dit vlak het resultaat nul.”

“Het ergste is dat de staat met geweld nog altijd kinderen naar de missiescholen brengt en de religieuzen het recht geeft om die tot hun twintig, vijfentwintig uit te buiten. En als ze vluchten stuurt men het leger op hen af.”

Calm 5

Al deze citaten dateren uit 1912 jaar waarin zijn boek verscheen. Zijn kritiek op de kolonisatiepolitiek voert hem ook naar steeds radicalere kritiek op het kapitalistische systeem in België. Hij eindigt zijn carrière als communist.
Hij sticht twee coöperatieven in De Panne en een lekenschool voor vissers- en arbeiderskinderen. Het grootste gedeelte van zijn grond aan de Westkust (118ha) schonk hij aan de gemeenschap en het Museum voor Schone Kunsten kreeg zijn collectie fauvistische schilderijen.
Net voor zijn dood wordt hij de voornaamste financier van de film Misère au Borinage (van Joris Ivens en Henri Storck). Hij zal de film nooit zien, hij sterft de dag van de première.

Wie zijn grafmonument op het kerkhof van De Panne bezoekt, – het torent hoog uit boven al de katholieke kruisen-, merkt direct dat hij Vrijmetselaar en communist was.

Een zuil met daarop de buste van een vrouw, Marianne symbool van la Liberté. Boven haar hoofd de maçonnieke driehoek, op haar borst de Soviet ster, aan haar voeten de slogan Egalité en links en rechts van haar twee grote hamer- en sikkelversieringen.

 

 Calm 6

Is hij vergeten omdat hij zo negatief deed over het ‘genie’ Leopold II of omwille van zijn communisme? Want het spook van het communisme heeft ook in Congo rond gewaard. Met de onafhankelijkheid van Congo grensde het zelfs aan blanke paranoia: Lumumba, communist! Mulele, communist! U moet er maar het propagandaboekje van het ministerie over nalezen: La Pénétration communiste au Congo door Pierre Houart (1960), prof aan de Université catholique de Louvain. Katholieken en communisten, het ging toen nog minder te samen dan in de tijd van Maurice Calmeyn.

 

Meer over Maurice Calmeyn in : Lucas Catherine, Kongo een voorgeschiedenis, dat in het najaar bij uitgeverij EPO verschijnt.

september 5, 2016 at 4:13 am 1 reactie

PRO-BREXIT, PRO-TRUMP EN TOCH LINKS? HET KAN!

brexit-7

Door Tom Ronse

Een spook waart door Europa en het is duidelijk niet datgene waar Marx en Engels het over hadden in hun Communistisch Manifest. Het is een zwart spook dat nationalisme predikt en xenofobie. Het wil grenzen sluiten en muren bouwen, immigranten “repatriëren”. Je zou verwachten dat het ter linkerzijde unaniem zou verafschuwd worden maar dat blijkt niet zo. Er zijn ook linksen die het spook toejuichen.

In Engeland werd de zege van Brexit niet alleen door de aanhangers van Nigel Farage en Boris Johnson gevierd maar ook door linkse vakbondsleiders zoals Mick Cash, linkse celebrities zoals Julian Assange en Tariq Ali en opiniemakers als John Pilger die Brexit  prees als “een daad van rauwe democratie”.

Naar verluidt stemde de meerderheid van de Engelse “arbeidersklasse” (hoe men die definieert is natuurlijk de vraag) voor Brexit. Volgens The Times stemde 86% van de kiesdistricten met een hoge  industriële tewerkstelling er voor. Vooral in regio’s met hoge werkloosheid had de “Leave”-campagne veel sukses. Wat die kiezers in de eerste plaats motiveerde, zo blijkt uit polls, was angst voor de toekomst: angst om door automatisering uitgestoten te worden, angst om lonen en uitkeringen te verliezen door buitenlandse concurrentie en de toevloed van miljoenen vluchtelingen,  angst door de toename van spectaculair geweld, enz.

imiagrunts

Dat zijn inderdaad goede redenen om bang te zijn maar of het VK al dan niet in de EU blijft, zal weinig aan die trends veranderen. Dit was geen referendum over automatisering of globalisering, die zullen hoe dan ook voortgaan. Over immigratie ging het evenmin. Geen haar op Boris Johnsons wilde scalp die eraan denkt om de kraan dicht te draaien of om de Polen en Pakistanen die het zwaarste werk voor de laagste lonen verrichten het land uit te zetten. Minst van al ging het over democratie. De EU mag dan een bureaucratisch monster zijn maar het VK is geen democratisch alternatief. We hebben het hier tenslotte over een land waarvan het staatshoofd (de koningin) benoemd is door God, waar een van beide kamers van het parlement (the House of Lords) bestaat uit niet verkozen edelen en bischoppen en het kiessysteem zo ondemocratisch is dat de laatste verkiezingen (2015) voor een partij (de UKIP) die 3,9 miljoen stemmen haalde één zetel opleverde terwijl een andere (de SNP) die 1,5 miljoen stemmen won 56 zetels kreeg.

Nee, niet over democratie of immigratie of globalisering ging het referendum, wel over wie de chaos het best in de hand kan houden.  Die dreigende chaos is de achtergrond van Brexit.  Als het referendum in zonniger tijden had plaats gehad dan zou men aan de uitslag niet zo zwaar getild hebben. Maar dan was de uitslag wellicht ook anders geweest. Nu werd de uitslag bepaald door een groeiend gevoel van onrust en ontevredenheid.  Een nieuwe globale recessie zou het wellicht aanwakkeren en niet alleen in Engeland.

Een golf van nostalgie

Volgens de eerder vermelde poll vinden de meeste Leave-stemmers dat het leven in Groot-Brittannië 30 jaar geleden beter was en dat de kinderen die nu opgroeien een slechter leven zullen hebben dan hun ouders. In steeds meer landen vinden steeds meer mensen blijkens opiniepeilingen dat het vroeger beter was, ongeacht het politiek regime dat toen aan de macht was. Zelfs Oostblok-regimes en brutale dictators zoals Saddam Hoessein en Khadafi wekken nostalgie op.  Pessimisme is troef. Bij gebrek aan toekomstperspectief keren de blikken zich naar het verleden. Een golf van nostalgie rolt over de wereld en maakt van de groeiende ontevredenheid vruchtbare grond voor het discours van Trump, Le Pen, Wilders en Farage.

Brexit-propaganda

Brexit-propaganda

De meeste kiesdistricten die traditioneel Labour stemden hebben voor Brexit gekozen, hoewel de partij oficieel in het Remain-kamp zat.  Dat is minder verbazingwekkend dan het misschien lijkt. Met Tony Blair aan het roer sprong Labour op de neo-liberale trein maar de vakbondsbasis van de partij bleef intussen de ontevredenheid  masseren met het verhaal waarin buitenlandse concurrentie de boosdoener is en protectionisme de oplossing.

Vandaar is de stap naar een nationalistisch wereldbeeld waarin immigranten vijanden zijn niet zo groot. Dat heeft ook Donald Trump begrepen. In zijn laatste speechen was oppositie tegen vrijhandelsverdragen zijn hoofdthema.  Dat was ook het hoofdthema van Bernie Sanders.  Volgens een Bloomberg-poll is 22 % van de supporters van Sanders van plan om voor Trump te stemmen. Trumps strategie lijkt er nu op gericht om dat percentage op te drijven. Hij hekelt de globalisering “die de elite zeer rijk heeft gemaakt  en miljoenen arbeiders in de kou liet staan”. “Hij valt Hillary Clinton aan langs links”, observeerde The New York Times.  Ook andere kranten vonden het een slimme zet, de enige manier waarop hij kan winnen.

Het ‘grootste kwaad’

In de satirische Daily Show was er onlangs een segment waarin Sanders-supporters die nu Trump steunen voor schut werden gezet als een stel idioten. Het is waar dat er op allerlei vlakken een hemelsbreed verschil is tussen Sanders en Trump. Maar de Daily Show negeerde dat er ook belangrijke raakpunten zijn tussen beiden. Genoeg volgens sommige linksen om Trumps foute standpunten door de vingers te zien.

trump 0

Een van hen is Boris Kagarlitsky. Deze publicist schreef onlangs een opiniestuk  getiteld “Who’s afraid of Donald Trump?”   dat nogal wat discussie opwekte in uiterst linkse kringen. Kagarlitsky werd bekend als een van de enige dissidenten in de USSR die het regime vanuit een marxistische invalshoek bekritiseerden. Ook in dit essay hanteert hij een soort marxisme. Tijdens de voorverkiezingen steunde hij Sanders maar nu valt hij uit tegen de tendens van links om de rangen te sluiten achter Hillary Clinton, “the lesser of two evils”. Sanders zelf heeft gezegd dat hij alles wil doen om te voorkomen dat Trump wint. Maar voor Kagarlitsky is niet Trump maar Hillary “the greater of two evils”. Zij vertegenwoordigt de neo-liberale status quo, de dominantie van het financieel kapitaal dat de wereld in 2008 in recessie dompelde en een agressieve politiek tegen de werkende bevolking voorbereidt. Trump daarentegen vertegenwoordigt de bouwsector en het industriële kapitaal die  achteruit boerden omdat hun belangen ondergeschikt werden gemaakt aan de speculatieve geldhonger van het financiële kapitaal. Net als Sanders zou Trump het financiële kapitaal dwarsbomen door de vele miljarden te blokkeren die de banken en hun omgekochte politici toelaten om te parasiteren op de  rug van de “echte” economie. Kagarlitsky ziet een globale revolte van het industriële kapitaal en juicht de trend toe. “Verandering is op komst”, voorspelt hij, “het huidige neoliberale model van kapitalisme is uitgeput. Als links er niet voor wil of kan vechten zullen het rechtse populisten zijn zoals Trump en Le Pen die het de fatale slag toebrengen”.

Trump is een kapitalist, erkent Kagarlitsky. Maar “de nederlaag van het financiële kapitaal, ongeacht wie het tot stand brengt, zou een nieuw tijdperk openen in de ontwikkeling van de westerse maatschappij, ze zou onvermijdelijk de arbeidersklasse versterken en haar organisaties nieuw leven inblazen.” Zelfs Trumps belofte om een muur te bouwen tussen de VS en Mexico vindt gratie in zijn ogen. Op zich is het “redelijk absurd”, geeft hij toe,  maar hij ziet het ook als een “keynesiaans project” dat “honderden duizenden banen zou creëren” aan beide kanten van de grens.

Wat nog maar eens toont  dat je met “marxisme” alle kanten uit kunt.  Maar het idee dat Trump een vijand is van het financieële kapitaal is ook “redelijk absurd”. Zelfs voor een marxist. De epische strijd tussen het financiële en het industriële kapitaal bestaat alleen in Kagarlitsky’s verbeelding. In werkelijkheid zijn ze innig verwoven en trekken ze aan hetzelfde touw.  Ook Hillary en Donald.

friends

Maar Kagarlitsky  heeft geen ongelijk als hij wijst op de nauwe banden tussen de Clintons en Wall Street. Hillary weigert steevast om de inhoud van de dure speechen die ze voor Wall Street kaders gaf vrij te geven. Wat daar gezegd werd is blijkbaar niet geschikt voor mijn of jouw oren. Clinton vertegenwoordigt inderdaad de status quo.  Haar campagne is niet gebaseerd op voorstellen om de problemen anders aan te pakken maar op de belofte om de huidige rotzooi kundig te beheren. Haar voornaamste argument is dat Trump het nog veel erger zou maken.

Er is het verlangen naar verandering maar er ontbreekt een toekomstperspecief.  Kagarlitsky heeft misschien gelijk: als de verandering niet van links komt, zal ze van rechts komen.  Bij gebrek aan toekomstperspectief, wint het verledenperspectief. Maar in tegenstelling tot Kagarlitsky worden we daar niet vrolijk van.

poster

Een Trump-citaat

Een Trump-citaat

juli 5, 2016 at 5:13 am Plaats een reactie

ABOU JAHJAH, KOP VAN JUT

       Wat zat er achter de rel bij De Bezige Bij?

Door Hugo Durieux

Nu het relletje rond De Bezige Bij en Dyab Abou Jahjah met een sisser is afgelopen, is het goed eens terug te kijken naar wat er mogelijk echt aan de hand was. In Belgische media (De Standaard, De ideale wereld) werd het voorgesteld alsof enkele Nederlandse auteurs problemen hadden met het imago van Abou Jahjah als woordvoerder van een nieuwe generatie islamitische jongeren. David Van Reybrouck en Tom Lanoye wezen dan weer op de achterstand van Vlaanderen ten opzichte van Nederland wanneer het gaat om de maatschappelijke integratie van moslims, en op het feit dat er dus ook vandaag een verschil in toonaard kan zijn in het streven naar emancipatie.

 

Abou Jahjah

Abou Jahjah

Toch is dit cultuurverschil niet waar het initieel om ging. De heisa werd uitgelokt door enkele schrijvers en columnisten die moeite hebben met Abou Jahjah’s kritiek op het Israëlische beleid tegenover de Palestijnen. Het relletje haalde de Belgische media toen De Groene Amsterdammer begin april drie volle pagina’s wijdde aan de verontwaardiging van enkele auteurs van De Bezige Bij (Theodor Holman, Leon de Winter, Jessica Durlacher en Marcel Möring) over een boekcontract voor Abou Jahjah. Het gaat om de uitgave van ‘Pleidooi voor radicalisering’, een pamflet van 96 pagina’s dat in september zou verschijnen in de Horzelreeks. Met die verontwaardiging waren zij overigens behoorlijk laat: het contract werd al in februari gesloten. En gek genoeg, de auteur zat al bij De Bezige Bij. Op de website van de uitgeverij wordt zijn ‘Dagboek Beiroet-Brussel’ voor € 20,95 aangeboden als print on demand.

 

Meteen werd de argumentatie bovengehaald waarin kritiek op Israël en antizionisme gelijkgesteld worden aan antisemitisme en oproepen tot jodenhaat. Die retorische truc is natuurlijk niet nieuw, maar misschien is het goed om er nog eens naar te kijken tegen de achtergrond van de beweging Boycott, Divestment and Sanctions (BDS) die over de hele wereld groeiende steun verwerft en tot enige onrust leidt in Israël en blijkbaar ook binnen de Amsterdamse grachtengordel.

 

Antizionisme = antisemitisme?

Leon De Winter

Leon De Winter

Jessica Durlacher

Jessica Durlacher

Leon de Winter (meneer Durlacher) en Jessica Durlacher (mevrouw De Winter) staan te pas en te onpas op de barricaden om bij elke kritiek op Israël ‘antisemitisme!’ te roepen. In Vrij Nederland van 5 april 2003 geven zij een dubbelinterview. Daarin schrijft interviewer, VN-redacteur Max van Weezel: “Voor de Palestijnen is de situatie niet leuk, beseft het echtpaar. Maar er worden zoveel volkeren onderdrukt – van de Hutu’s in Rwanda tot de Tsjetsjenen in Rusland. Maar daar hoor je de media niet over. Die hebben het liever over de wandaden van de Israëliërs omdat dat joden zijn.”

Redactrice Margreet Fogteloo, die de zaak onder de aandacht brengt in De Groene Amsterdammer, citeert dan weer Theodor Holman: “Zijn ze gek geworden? Geert Lubberhuizen, oprichter van De Bezige Bij, zat in het verzet, samen met leden van de Paroolgroep. Ze hielpen Joodse kinderen de oorlog door.” Dan denk ik: ja, nou en? Waarom zou je niet in het verzet tegen de nazi’s kunnen zitten en ‘Joodse kinderen de oorlog door helpen’, en nu tegen de Israëlische politiek zijn en de Palestijnen steunen in hun verzet tegen de bezetting? Jessica Durlacher wordt in hetzelfde stuk geciteerd: “Iemand die het woord zionisten gebruikt voor joden en zichzelf een fanatiek antizionist noemt, tja, hoe noem je zo iemand?” Tja, hoe noem je iemand die kritiek op de Israëlische politiek gelijkstelt met antisemitisme en jodenhaat?  Daarmee worden overigens meteen ook joodse antizionistische organisaties als Een ander Joods geluid in Nederland of Een andere Joodse stem in België weggezet als verraders of in het beste geval misleide en onnadenkende naïevelingen.

Maar noch in de geschiedenis, noch vandaag is er een één-op-één relatie tussen joden en Israël. Zelfs in de periode van de affaire-Dreyfus en de pogroms in Rusland aan het eind van de negentiende eeuw was slechts een zeer kleine minderheid van de Europese joden geïnteresseerd in het nationale project van de grondlegger van het zionisme, Theodor Herzl. Sterker nog, vóór de tweede wereldoorlog gingen antisemitisme en zionisme heel goed samen: de oprichting van een Joodse staat zou de mogelijkheid bieden om de joden uit Europa weg te krijgen. Vandaag zijn de hevigste zionisten dan weer vaak evangelische christenen. Bekijk de recente EO-reportage over Kris Carlier die met steun van Christenen voor Israël in Oekraïne onvermoeibaar joodse gezinnen opzoekt om hen te overtuigen zich in het Beloofde Land  te vestigen. Christenen voor Israël is al twintig jaar bezig met dat project ‘Breng de Joden thuis’. De christelijke steun aan het zionisme heeft trouwens wat dubbelzinnigs, lijkt mij. Volgens hun geheel eigen evangelische lezing van de bijbel is de terugkeer van de joden naar het Beloofde Land immers een voorwaarde voor de vestiging van het Koninkrijk Gods. Maar helaas, daar schieten die joden dan weinig mee op; terwijl zij nog aan het wachten zijn op de komst van de Messias, zullen zij niet gered worden op de dag van het Laatste Oordeel, tenzij zij zich inmiddels bekeerd hebben tot Jezus. Niks uitverkoren volk dus uiteindelijk.

Het is niet aan mij om Abou Jahjah te verdedigen, daar gaat dit stuk niet over. Ik kan alleen zeggen dat in wat ik van hem lees – zijn wekelijkse column in een Vlaamse krant – ik niet kan zien dat hij ooit joden heeft aangevallen omdat zij jood zijn. Integendeel, steeds valt mij op hoe zorgvuldig hij het onderscheid tussen joden en zionisten in stand houdt. En als hij al eens beweerd heeft dat Israël moet verdwijnen, lijkt mij dat nog altijd een stuk minder heftig dan de politiek van de voldongen feiten waarmee Israël bezig is geheel Palestina in te palmen (onder meer door de verwoesting van scholen, speelplaatsen, havens, die met Europees belastinggeld zijn gebouwd).

 

‘Minder grijpbaar’

Magreet Fogteloo schrijft over De Bezige Bij: “uitgerekend deze uitgeverij, geworteld in het verzet tegen de nazi’s, gaat in zee met iemand die openlijk antizionistisch is en – minder grijpbaar – antisemitisch.” Wat moet je begrijpen onder antisemitisme dat ‘minder grijpbaar’ is? Het is er wel, maar je merkt het niet? Betekent dit dat in haar ogen Abou Jahjah’s antisemitisme verborgen zit in zijn antizionisme? Dan neemt zij gewoon het standpunt van Holman & co over. Misschien speelt hier sympathie of solidariteit met naaste collega’s. Theodor Holman had tot voor kort in De Groene een wekelijkse column onder de naam Opheffer; Marcel Möring schrijft er min of meer regelmatig over zijn omgang met technologie (vaak komisch en herkenbaar). Maar misschien is er ook meer aan de hand.

Volgens Fogteloo is vooral onder linkse intellectuelen “‘de joodse zaak’ niet meer populair, het mededogen voor gediscrimineerde minderheden heeft zich verlegd naar moslims. De nieuwe solidariteit is terug te voeren op het voortdurende conflict in Israël en het brute geweld tegen de Palestijnen. De wet van het getal doet de rest: er zijn miljoenen moslimmigranten in Europa die luid van zich laten horen, terwijl de joodse gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog is geminimaliseerd en verregaand geassimileerd.” Probeert de redactie dan tegendraads te zijn, door als ‘genuanceerd weekblad’, zoals hoofdredactrice Xandra Schutte haar blad noemt, ruimte te bieden aan zionistische argumenten? Of geloven zij nog steeds in de idee van een links zionisme?

jaffa2032520x20449

Boycot, Desinvesteren en Sancties

Misschien wel. Zo maakte De Groene Amsterdammer op 25 juni 2015 vier volledige pagina’s vrij voor twee bijdragen tegen de beweging Boycot, Desinvesteren en Sancties (BDS). Oud-redactrice Anet Bleich mocht een gastcolumn schrijven, waaruit de redactie in dikke letters het citaat naar voren haalde “Van links Nederland mag ik toch wel verwachten dat het Israël niet als een hete aardappel laat vallen?”. Toegegeven, het stuk zelf is genuanceerder in zijn argumentatie, maar ook hier weer die gelijkstelling van Israël (in dit geval beperkt tot Tel Aviv) en joden (in Mokum).

Ook mag Natascha van Weezel over drie pagina’s beargumenteren dat de eisen van de voorstanders van een economische en culturele boycot van Israël niet helemaal koosjer zijn. (Wie? Jawel, Natascha is de dochter van Max van Weezel en Anet Bleich, die hierboven al ter sprake kwamen, en die in de jaren 1970 en ’80 bekend waren als redacteuren van de twee belangrijkste linkse weekbladen in Nederland, respectievelijk Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer. Vooral Anet Bleich had er toen al een handje van weg om elke kritiek op het zionisme of Israël af te doen als smerig antisemitisme – ik herinner mij haar razende tirade in het blad tegen het boek van Lucas Catherine De zonen van Godfried van Bouillon – de zionistische lobby in België  uit 1980).

Maar goed, Natascha van Weezel. Het argument dat een boycot op het gebied van economie, wetenschap, cultuur en sport wel degelijk heeft bijgedragen tot het einde van het apartheidsregime in Zuid-Afrika gaat volgens haar niet op, want “het is op zijn minst prematuur” om Israël een apartheidsstaat te noemen. Immers, de Arabische inwoners van Israëlische steden hebben “in theorie nog steeds gelijke rechten” en de bezetting van de Westelijke Jordaanoever wordt door Israël beschouwd als tijdelijk, en gedicteerd door de omstandigheden. Eerder dan van apartheid, is er in Israël en Palestina “veeleer sprake van een onopgeloste strijd om grondgebied”. Ook het argument dat BDS tenminste vreedzaam protest is, is relatief volgens Van Weezel: “Alleen bestaat er een dunne lijn tussen vreedzaam handelen en de stap naar het gebruik van verbaal of fysiek geweld. Doordat de bds-beweging constant hamert op de ‘schandalige misdaden’ die Israël begaat en inwoners van het land af en toe voor nazi’s uitmaakt, lopen sommige acties uit de hand.” Volgt het voorbeeld van Kopenhagen, waar vier bussen in brand gestoken werden en met anti-Israëlische leuzen beklad, nadat het gemeentelijk vervoersbedrijf besloten had BDS-reclame van de bussen te verwijderen. Dit soort geweld, ze zullen er in Gaza eens hartelijk om lachen, denk ik.

Tenslotte, “het belangrijkste bezwaar tegen Boycot, Desinvesteren en Sancties”, schrijft Natascha van Weezel, “is het gevaar dat je er precies de verkeerde mensen mee treft. Met een economische boycot raak je bedrijven en grote concerns, die voor een deel werkzaam zijn in bezet gebied. Maar met de academische en culturele boycot raak je individuen.” Zij heeft het dan onder andere over kunstenaars en schrijvers als Amos Oz en David Grossman, die minstens evenzeer in de maag zitten met de bezetting als BDS. Verder vermeldt zij een aantal culturele initiatieven, waarin Palestijnse en Israëlische kunstenaars al dan niet tot een geslaagde samenwerking konden komen.

Tegen die voorbeelden staan er echter ook andere. Zo citeert Salon.com op 11 april 2016 een brief van 22 Israëlische antropologen aan de American Anthropological Association (AAA): “We agree that we have reached a crisis point, where under certain international conditions, another mass expulsion of Palestinians could occur—or worse… We believe it is possible to take a positive stand against this reality. The Palestinian call for BDS is at its core an anti-colonial, non-violent form of international protest against an enormously violent occupation.” De brief is een bijdrage aan de stemming die van 15 april tot 31 mei binnen de AAA loopt over een resolutie  tot academische boycot van Israël. In december 2014 werd met meer dan 630 stemmen tegen 52 besloten de resolutie voor te leggen aan de gehele organisatie.  De AAA bundelt tientallen academische beroeps- en studentenorganisaties en zou meteen de grootste academische vereniging zijn die dit standpunt inneemt.

En wat artiesten betreft, in februari 2015 bijvoorbeeld tekenden nog meer dan duizend Britse kunstenaars (waaronder mensen als Brian Eno, Julie Christie, Richard Barrett, John Berger, Adrian Sherwood) deze Artists’ Pledge: “We support the Palestinian struggle for freedom, justice and equality. In response to the call from Palestinian artists and cultural workers for a cultural boycott of Israel, we pledge to accept neither professional invitations to Israel, nor funding, from any institutions linked to its government until it complies with international law and universal principles of human rights.” In België timmert BACBI (Belgian Campaign For An Academic And Cultural Boycott Of Israel) al een tijdje aan de weg.

 

Doet het toch pijn?

Is het overdreven te stellen dat Boycot, Desinvesteren en Sancties  wereldwijd aan belang wint? Vermoedelijk niet. Zo werd op 10 mei van dit jaar bekend dat Omar Barghouti, een van de oprichters van de Palestijnse BDS-beweging, geen reisdocumenten meer krijgt van Israël en dat zijn permanente verblijfsvergunning mogelijk zal worden ingetrokken. Die beslissing werd overigens al min of meer aangekondigd op de conferentie Stop BDS, einde maart in Jeruzalem. Hoewel de meer dan duizend aanwezigen (president Rivlin, parlementsleden en andere politici, inlichtingendiensten, journalisten, zakenlui, …) voortdurend hoorden verklaren dat Boycott, Divestment and Sanctions weinig voorstelt, gaven de verslagen in Israëlische media (972mag.com, mondoweiss.net, Jerusalem Post) toch een ander beeld. Zo waarschuwde de hoofdredacteur van de organiserende krant dat Israël niet over vijf of tien jaar terecht mag komen in de situatie van Zuid-Afrika tijdens de boycot. Minister van Inlichtingen, Atoomenergie en Vervoer Yisrael Katz opperde het idee om militanten van de BDS-beweging gericht uit te schakelen. (Het is dezelfde Katz, die na de aanslagen van 22 maart in Brussel, verklaarde dat de Belgen zich teveel bezig houden met chocolade eten en van het leven genieten, en beter een voorbeeld zouden nemen aan Israël.) Ook aan het woord kwamen verder onder meer ex-minister van Justitie Tzipi Livni, de voorzitter van het World Jewish Congress Ron Lauder, comedian Roseanne Barr en president Rivlin zelf. Kortom, misschien kwamen al die mensen die getuigden hoe onbelangrijk de boycot is, wel bewijzen hoe zeer men er mee inzit.

De tekenen dat de wereldwijde beweging  Boycot, Desinvesteren en Sancties wel degelijk pijn doet in Israël zijn er al langer, zo laten Natascha van Weezel en Anet Bleich zien in De Groene Amsterdammer. Maar dit voorjaar kwam een aantal zaken ineens samen: de stemming binnen de American Anthropological Association, de Stop BDS conferentie in Jeruzalem, de onrust bij een aantal Nederlandse zionisten met toegang tot de media. Abou Jahjah was misschien gewoon een gedroomde zondebok.

 

Hugo Durieux is jurist en filosoof.  Hij schrijft: “Ik heb ruim tien jaar gewerkt als journalist, overwegend in Nederland. Nadien was ik lange tijd universitair en hogeschooldocent, en vervolgens jurist en (project)manager in de non-profitsector. Tegenwoordig woon ik in de Belgische Ardennen.” Zijn website: http://durieux.eu

 

Enkele jaren geleden hebben we in dit salon een fel debat gevoerd over de zin of onzin van de Boycott Israel –beweging.  Lees het hier: https://salonvansisyphus.wordpress.com/2010/02/07/boycott-nee-dank-u/

 

 

mei 20, 2016 at 5:02 am Plaats een reactie

NUIT DEBOUT: OPSTAND VAN DE JEUGD ZONDER TOEKOMST.

Na onder andere de Indignados in Spanje en Occupy Wall Street in de VS komen nu ook in Frankrijk jongeren en ouderen in verzet tegen de neoliberale platwals. Is de Nuit Debout-beweging een blijver of is het de zoveelste tot mislukken gedoemde poging om de onmacht van links te doorbreken?

Continue Reading mei 12, 2016 at 1:03 pm 5 reacties

BYE BYE BERNIE

image

Door Tom Ronse

Een fors ingekorte versie van dit stuk verscheen gisteren in De Morgen.

Na New Hampshire leek er heel even een kansje te bestaan dat Bernie Sanders de nominatie zou winnen. En dan misschien wel het Witte Huis, als zijn tegenstander Trump zou zijn. Sanders versus Trump. Twee NewYorkse vechtjassen in de ring, het zou een leuk spektakel geworden zijn. Maar niet dus. Het was al van bij het begin onwaarschijnlijk dat een bejaarde senator van een dunbevolkte staatje, een jood uit Brooklyn die zich socialist noemt en die niet eens tot de partij behoorde, de presidentskandidaat van de Democraten zou worden. Toch is het merkwaardig dat het tij in Clintons voordeel keerde doordat de grote meerderheid van de zwarte kiezers in het zuiden zich achter haar schaarde. Komt het door Bills “southern charm”? Of door de goede relaties die de Clintons onderhouden met zwarte politici? Ik kan alleszins in Bill’s beleid als president geen reden vinden voor de populariteit van de Clintons in zwart Amerika. Integendeel.

“Clinton –more than any other president- created the current racial undercaste”, schrijft professor Michelle Alexander in haar goed gedocumenteerd boek “The New Jim Crow –Mass Incarceration in the Age of Colorblindness” (2010). Onder geen enkele andere president steeg het aantal zwarten in gevangenschap zo snel als onder Clinton. Hij zorgde voor de expansie en militarisering van de politie. Hij schafte het recht op bijstand af voor alleenstaande moeders. Enzovoort. De lijst van de onder Clinton genomen maatregelen waarvan vooral zwarte Amerikanen het slachtoffer waren is lang.

Dit alles in het kader van “de oorlog tegen drugs” en de noodzaak om te bezuinigen. Maar in praktijk werd die oorlog vooral tegen zwarten gevoerd en werd er in feite niets bezuinigd. Wat veranderde was waar het geld voor gebruikt werd. “De dramatische verschuiving naar bestraffing resulteerde in een massieve herbestemming van de publieke uitgaven”, schrijft Alexander. “Tegen 1996 was het budget voor het gevangeniswezen al twee keer zo groot als dat voor sociale bijstand en voedselbonnen. De fondsen voor social woningbouw werden overgeheveld naar de bouw van gevangenissen. Onder Clinton werd het budget voor sociale woningen met 17 miljard dollar verminderd (een daling van 61%) en het budget voor gevangenissen met 19 miljard dollar verhoogd (een stijging van 171%), waardoor “de constructie van gevangenissen daadwerkelijk het voornaamste overheidsprogramma werd om de stedelijke armen te huisvesten.” (p.57)

De massale opsluiting van jonge zwarten, het politiegeweld, de diepe armoede: het zijn problemen die vandaag heel erg leven in de zwarte gemeenschap en waarvoor Clinton in niet geringe mate verantwoordelijk is. Bernie Sanders hamerde op die thema’s, uit overtuiging en in een vergeefse poging om de zwarte kiezers achter zich te krijgen. Hillary Clinton’s reactie was om Sanders’ thema’s te co-opteren. Om nog luider dan hij te roepen dat de massale opsluiting en repressie van jonge zwarten een schande was. Zonder zelfkritiek weliswaar. Met video-clips van vroeger, uit interviews waarin Hillary de maatregelen prees die ze nu verguist, had Sanders haar in zijn kiesreclame van hypocrisie kunnen beschuldigen.Maar hij deed dat niet. Zoals hij evenmin Clinton’s pijnpunten exploiteerde, de emails en Benghazi, waarover we in de eindstrijd van Republikeinse kant nog meer zullen moeten horen dan ons lief is.

Waarom deed hij dat niet? Omdat hij zijn belofte om een positieve campagne te voeren wou nakomen? Of omdat hij ook wel weet dat hij uiteindelijk moet verliezen en er dus belang bij heeft om zijn relatie met de winnares niet te verknoeien? Ik had het hem graag gevraagd maar natuurlijk heeft Bernie dezer dagen geen tijd voor mij. In 1993 was dat anders. Bernie was toen pas herkozen als congreslid. Hij kon toen nog wel enkele uren vrijmaken voor een gesprek met een jonge Belgische journalist. Mijn interview verscheen in De Morgen en De Groene Amsterdammer. De reden dat er belangstelling voor was, was dat Sanders het enige congreslid was die niet tot een van beide partijen behoorde en die zich bovendien ‘socialist’ durfde noemen in een land waar die term een scheldwoord was geworden.

Misschien maakte hij tijd voor mij omdat hij een boon heeft voor Europeanen. Dat is wat de Republikeinen hem naar het hoofd slingeren; dat hij te veel van Europa houdt, dat hij Amerika meer zoals Europa wil maken. Sanders spreekt dat niet tegen. “ Socialisme betekent voor mij wat jullie in Europa hebben”, zei hij me, “gezondheidszorg als een recht, goedkoop hoger onderwijs, een degelijk sociaal vangnet …” Misschien idealiseerde hij Europa wel een beetje. Maar wat hij toen zei na te streven is hetzelfde als wat hij nu in zijn campagne voorstelt. In tegenstelling tot zovele andere politici, de Clintons niet het minst, kan hem niet vaak verweten worden dat hij zijn huik naar de wind hangt. Dat is een van de redenen van zijn populariteit.

Er zijn vele Democraten in het Congres die min of meer hetzelfde verdedigen als jij”, zei ik hem, “Waarom word je geen Democraat zoals hen?”

Sanders grinnikte. “Ik ben de enige linkse afgevaardigde in het Congres die kan zeggen wat hij denkt. Ik heb geen last van fractiediscipline. Wat kunnen ze doen, me uit de partij gooien?”

Nee dat konden ze niet. Maar wat de Democraten wel hadden gekund was Sanders invloedrijke posities in Congrescomités ontzeggen. Hem isoleren. Dat hebben ze ook niet gedaan. In praktijk werkte Sanders vlot samen met Democraten. In de senaat is hij vice-voorzitter van het invloedrijke Budget-comité.

“Er zijn twee soorten Democraten waarmee ik samenwerk in het Congres”, zei hij me. “Enerzijds de liberals die progressief zijn in kwesties zoals het milieu, abortus, de rechten van vrouwen en homo’s maar die in hun economische standpunten vaak behoudend zijn: ze zijn voor vrijhandelsverdragen en tegen de verhoging van het minimumloon. Aan de andere kant heb je Congresleden die arbeidersdistricten vertegenwoordigen en die als conservatief worden beschouwd omdat ze tegen abortus en homorechten zijn en niet bepaald op de bres staan voor het milieu. Maar ze zijn wel tegen de vrijhandelsverdragen en voor tewerkstellingsprogramma’s. Ik werk met beide groepen samen op verschillende terreinen.”

Sanders was en is wellicht het meest linkse Congreslid, behalve op één punt: gun control. Inzake nationale wetgeving om het wapenbezit in te perken koos hij vaak de kant van de conservatieven, zoals Hillary Clinton niet nalaat om te benadrukken. Ik vroeg hem op hij op dat vlak zijn linkse principes niet wat opzij schoof om in een rurale staat als Vermont, waar veel gejaagd wordt, verkozen te worden.

“Gun control is een stokpaardje van de liberals maar het helpt geen zier om het geweld en de misdaad in dit land in te perken”, antwoordde hij heftig. “Gun control is voor liberals wat de doodstraf is voor conservatieven: een symbool, een schijnoplossing.”

Ik ben er niet tegen, verzekerde hij me. “Maar ik vind dat de federale regering er zich niet mee moet bemoeien. Laat de staten er zelf over beslissen.”

“Het is toch absurd om te beweren dat het geen federaal probleem is als het zo simpel is om wapens van de ene staat naar de andere te brengen”, wierp ik tegen.

“Wapens krijgen veel aandacht maar daar gaat het in feite niet over”, antwoordde Sanders. Wat je zou moeten vragen is dit: waarom schieten zoveel mensen in dit land op elkaar? Als je die vraag niet aanpakt, die te maken heeft met armoede, werkloosheid, gebrek aan degelijk onderwijs, wanhoop, dan kan je zoveel controle op wapens instellen als je wilt maar dat zal het geweld niet stoppen.”

Ik merkte op dat je dat ook zou kunnen zeggen over zijn eigen compromissen met de Democraten in het Congres : dat ze de diepere oorzaken van de problemen niet wegnemen.

“Met dat soort dilemma’s worstel ik voortdurend”, zuchtte Sanders. “Moeten we iets steunen dat niets doet aan de oorzaken van het probleem maar dat tenminste iets doet? Is het soms beter om nee te zeggen, om het systeem in duigen te laten vallen, in plaats van een verziekte situatie proberen op te lappen?”

Een bel rinkelde, gevolgd door een stem uit een luidspreker die de Congresleden verwittigde dat ze nog een kwartier hadden om te stemmen. Waarover er gestemd moest worden heb ik vergeten. We namen de lift naar de kelderverdieping van het gebouw waar Congresleden hun kantoren hebben, en belandden in een brede onderaardse gang die naar het Kapitool (het Congresgebouw) leidde. Andere gangen kwamen er in uit. Het was de eerste keer dat ik in dat netwerk van tunnels was dat onder de straten van Washington diverse overheidsgebouwen met elkaar verbindt. Het was er drukker dan bovengronds.

“Geen van beide partijen dient het algemeen belang”, zei Sanders onderweg, “ze worden beiden gedomineerd door machtige financiele belangen. De Democratische partij heeft nu [in 1993 –TR] alle hefbomen van de macht in handen. Het witte Huis, beide kamers van het Congres. Maar wezenlijk verandert er niets. Voor mij staat het vast dat de Democratische partij niet in staat is om de fundamentele problemen op te lossen.”

Dat zou hij natuurlijk vandaag niet meer zeggen. In 2015 gaf hij zijn onafhankelijk statuut op om zich aan te sluiten bij de Democratische partij en meteen ook haar leiderschap op te eisen. De partij vond dat best. Hij leek hoe dan ook geen kans te maken en Hillary moest toch wat tegenwind krijgen in de voorverkiezingen. Dat die tegenwind haar bijna omver zou blazen had niemand verwacht. Dat ze bleef rechtstaan en zich vandaag zeker kan voelen dat ze de nominatie op zak heeft, dankt ze in grote mate aan de ruggesteun van de Democratische “machine”. De “superdelegates” (de Democratische verkozenen en leiders) staan haast als één man achter haar. Wat impliceert dat een meerderheid van de stemmen voor Sanders niet zou volstaan om te winnen. Het zou een supermeerderheid moeten zijn. Dat is, zeker na de resultaten van dinsdag, geen realistisch persperctief. Dus Bye bye Bernie.

Er wordt hem de verdienste toegeschreven dat hij, ondanks zijn onvermijdelijk verlies, de Democratische partij en haar op voorhand gezalfde kandidaat heeft gedwongen om naar links op te schuiven. Dat valt af te wachten. De Clintons zijn gladde alen. Bill’s strategie om van de Republikeinen te winnen bestond er in om een groot deel van hun programma over te nemen. Het zou niet verbazingwekkend zijn als Hillary dat ook zou doen, zeker als de Republikeinen hun meerderheid in het Congres zouden behouden. Maar ook de grote meerderheid van de Democratische Congresleden is gekant tegen de essentie van Sanders’ programma. Hogere belastingen voor betere sociale voorzieningen, het is niet voor morgen.

maart 19, 2016 at 4:14 am 3 reacties

HEERLIJK HELDER, OOK OVER DISCRIMINATIE

De Wever in flou artistique

De Wever in flou artistique

 

door Walter Zinzen

Drie maanden lang hebben we kunnen genieten van de inspanningen op Radio 1 om onbegrijpelijk ambtenarees te vervangen door helder taalgebruik. Tegelijkertijd hebben we zelden zoveel duistere (onheldere?) mededelingen gehoord als uitgerekend nu. Terwijl de uitspraken van kamerlid-burgemeester-partijvoorzitter Bart De Wever (N-VA) in Terzake ongemeen helder en niet voor dubbele interpretatie vatbaar waren, was in de stortvloed aan reacties de helderheid vaak erg ver te zoeken. Een toemaatje op de campagne voor heldere taal lijkt aangewezen.

Laten we beginnen met een typisch Belgische miskleun: het Gelijkekansencentrum. Dat heet officieel ‘interfederaal’ te zijn. Nu wist mijn grootje al dat interfederaal betekent: tussen federaties. Als de federale republiek Duitsland samen met het federale koninkrijk België een instelling zou oprichten en beheren, dan zou die inderdaad terecht interfederaal genoemd kunnen worden. Maar het Gelijkekansencentrum wordt bestuurd door een allegaartje van de federale Kamer, de gewesten en de gemeenschappen. De term interfederaal slaat dus als een tang op een varken.

Racist als geuzentitel

Gelukkig zijn de standpunten van het centrum een stuk minder misleidend dan zijn naam zou doen vermoeden. Directeur Jozef De Witte kon geen gebrek aan helderheid worden verweten toen hij de uitspraken van De Wever ‘niet racistisch’ noemde. Maar uitgerekend over het begrip racisme werd door anderen heel wat mist gespuid. Vooreerst door De Wever zelf die racisme ‘relatief’ noemde. Filip Dewinter vond ‘racist’ dan weer een geuzentitel en is er trots op dat hij er één is, om dat later weer te ontkennen. En ook rector Rik Torfs van de KU Leuven liet zich niet onbetuigd. In De Morgen schreef de rector dat er ‘onzekerheid en onduidelijkheid groeit over de exacte contouren van het begrip racisme’. Hij voegde eraan toe: ‘Zeker, het openlijke racisme van de usual suspects is helder. Maar de grensgebieden worden nadrukkelijk vager.’ Verwijzend naar Didier Reynders, die zijn gezicht had zwart geverfd, zei de rector dat je onbewust racist kunt zijn, tegen wil en dank. ‘Dat maakt het moeilijk om zelf te weten of je een racist bent of niet.’
Ze zullen het bij het Gelijkekansencentrum met genoegen hebben gelezen. Met zulke overwegingen kun je niemand meer vervolgen voor racisme. Ach ja, ik heb mijn woning niet willen verhuren aan een Berber, maar ik wist niet dat ik daarom een racist ben.

Censuur

Dit soort flou artistique maakt niet alleen helder spreken, maar vooral ook helder denken moeilijk, zo niet onmogelijk. Wellicht was dat ook Torfs’ bedoeling: zeker niet politiek correct te zijn. Het hoge woord is eruit: politiek-correct-mag-niet.
Volgens Lorin Parys (N-VA) is politieke correctheid zelfs een ‘inefficiënt systeem dat in theorie een gelijkere samenleving nastreeft, maar in de praktijk vervalt in een systeem van censuur’. Het stuitende aan dit soort taalgebruik is dat in feite precies het omgekeerde wordt bedoeld van wat er staat en dus ook het volstrekte tegendeel is van heldere communicatie. Want wat voor de drommel is er mis met correctheid, politieke of andere? Krijgen schoolkinderen op hun examens goede punten voor niet correcte en dus foute antwoorden? Hebben we zelf niet in onze jeugd geleerd dat we zonder fouten, dus correct, moeten spreken en denken? Waarom zouden we dat dan nu niet meer mogen doen?
Al in de oudheid maakten filosofen het onderscheid tussen syllogismen (correcte redeneringen) en sofismen (foute want drogredeneringen). Wat willen Lorin Parys en al die andere koene bestrijders van politieke correctheid nu eigenlijk? Dat we het sofisme tot syllogisme uitroepen? Dat we waarheid vervangen door leugen? Hoe kan Parys nu beweren dat een correct systeem leidt tot censuur? Uiteraard bedoelt hij iets helemaal anders: dat het om een systeem gaat dat niet correct, dus fout is. Willen hij en zijn geestesgenoten dat dan ook zo formuleren, in naam van de helderheid, niet alleen van communiceren, maar vooral ook van denken en dus handelen?

Geert Wilders in flou artistique

Geert Wilders in flou artistique

 

april 8, 2015 at 12:10 pm 3 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.319 andere volgers