Posts filed under ‘links’

GENT 1969

Door Tom Ronse

Ik kon niet aan de verleiding weerstaan. Na de bijdragen over Brussel 1967 en Antwerpen 1968, hier een persoonlijke terugblik op Gent 1969.

Tweede van rechts op de foto: de schrijver van dit stuk, na ontvangst van een rake klap op het achterhoofd

In vergelijking met mei 68 was de Gentse maart 69 natuurlijk klein bier. Een studentenstaking die zich snel uibreidde maar lang niet algemeen was. Betogingen, confrontaties met de politie, de bezetting van een faculteitsgebouw, dagelijkse volksvergaderingen, veel discussies en werkgroepen, een massa-arrestatie, dat was het zo ongeveer… en dan begon de blok en was het voorbij. Wat niet belet dat er heethoofden rondliepen die verkondigden dat de revolte een “generale repetitie” voor de revolutie was.

Ik was een eerstejaarsstudent, een dorpsjongen die met hoog gespannen verwachtingen naar de ‘grote’ stad Gent was gekomen. Ik hunkerde naar vrijheid, liefde, sex, drugs, naar vrienden om samen te vechten tegen onrecht, naar kennis en kunst. De eerste maanden vielen nogal tegen. Gent bleek niet de bruisende stad die ik gedroomd had. Gent was een vuile stad. Zelfs de mooiste gebouwen oogden zwart. Zwarter nog was het stinkende water. Dood water. De stad zelf leek me dood in de weekends, als de meeste studenten naar huis waren. Dat kwam natuurlijk omdat ik de stad niet kende en enkel met soortgenoten omging. Ik was teleurgesteld. De cursussen waren saai, de meisjes onbereikbaar en dat strijden tegen onrecht nam ook geen vaart. Maar dat veranderde op 13 maart.

Censuur!

Ik had toen een job in het studentenrestaurant ‘de Brug’. Toen ik die namiddag van mijn werk kwam, zag ik commotie aan de ingang van het rectoraat, dat vlakbij de Brug is gelegen. Er stonden politiewagens en daarrond had zich een menigte verzameld. Ter plaatse vernam ik dat studenten het rectoraat hadden bezet uit protest tegen de beslissing van rector Bouckaert om een voordracht over “zin of onzin van de pornografie” te verbieden 1. De rector had geweigerd om hen te ontvangen en had de politie gebeld. Die had een deel van de bezetters buiten gebezemd maar een ander deel had zich verschanst in het kantoor van de rector die zich doodsbang onder zijn bureau had verborgen. Intussen groeide de menigte voor het rectoraat. Een trotskist liep voor de eerste rij met een megafoon. Hij riep ons in schoon westvlaams op om niemand te laten wegvoeren. Als de politie met arrestanten buiten kwam moesten we massaal naar voor stormen om de weg naar de dievenwagen te versperren. Dus dat is wat ik deed. Maar niemand volgde. Ik werd neergeknuppeld en bij de andere arrestanten gegooid. De massa week braaf uiteen om plaats te maken voor de politie.

Tot mijn verwondering waren we slechts met drie. We werden opgesloten in de stadsgevangenis, het “Rolleke”. Elk in een afzonderlijke cel. Daar ontdekte ik voor het eerst dat ik aan claustrofobie lijd. De cel had geen venster, je kon niet zien of het dag of nacht was. Het licht was altijd aan. Ik kon niemand horen en niemand hoorde mij. Ik kreeg een deken maar geen matras. De grauwe muren waren bekrast door mijn voorgangers; er waren donkere vegen waarvan mijn angstig brein vermoedde dat ze met stront waren gemaakt. Echt middeleeuws. Mijn mede-arrestanten Jan en Jantje bleven nog een hele tijd gevangen maar ik werd na 24 uren vrijgelaten – men kon me enkel “weerspannigheid” ten laste leggen. Meteen werd ik meegetroond naar de intussen bezette Blandijnberg. Toen ik de massa in het tot de nok gevulde mega-auditorium E moest toespreken schoten de tranen me in de ogen. Dat het verzet zo’n omvang zou nemen had ik in mijn cel niet durven dromen.

studentenbetoging op het Sint Pietersplein

Het kwam niet uit de lucht gevallen. De studentenopstanden in Leuven, Frankrijk, Amerika en elders waren inspirerend. ‘Begeerte had ons aangeraakt’. Anders dan in Leuven had de beweging in Gent van in het begin niets met vlaams nationalisme te maken. Ze begon als protest tegen censuur, betutteling, beknotting van de meningsuiting maar werd snel ruimer. Kritiek op de ondemocratische universitaire structuur werd kritiek op de rol van de universiteit in de maatschappij, wat leidde tot het in vraag stellen van het doel van de maatschappij, van het kapitalisme. Natuurlijk ging lang niet iedereen zo ver mee maar de beweging kon blijven rekenen op brede steun onder de studenten. De enige oppositie kwam van KVHVer Vic Van Branteghem, een eenzame man met stalen zenuwen. In de bezette Blandijnberg keurden volksvergaderingen radikale eisen goed terwijl in de kleinere lokalen allerlei werkgroepen uit diverse faculteiten thema’s zoals ‘universiteit en industrie’ uitdiepten en de inhoud en vorm van hun opleiding bekritiseerden.

Jachtscènes

De beweging had geen officiele leiders maar toch was het meestal hetzelfde duo dat de volksvergaderingen op sleeptouw nam: de trotskist Eric Corijn en de maoist Ludo Martens, de laatste een grote fan van de massamoordenaar Stalin. Dat die twee strekkingen zo’n dominante invloed hadden zegt wel iets over de sfeer van toen. Maar ze konden elkaar niet luchten. Ze waren concurrenten voor dezelfde markt. Corijn was een vlotte redenaar maar Martens had meer charisma. Hij kon een auditorium in vuur en vlam zetten.

Martens in auditorium E

Aanvankelijk was dat niet moeilijk. De beweging werd gestuwd door verontwaardiging over repressie. Verontwaardiging over het verbod van de rector, over de arrestatie van studenten, over de repressie van betogingen, over de aanhouding en uitsluiting van de als leider gebrandmerkte student Renaat Willockx… De halsstarrigheid van de rector en raad van beheer en het harde optreden van de politie en rijkswacht hadden het omgekeerde effect; ze wakkerden het enthousiame aan. We konden de Blandijnberg overdag niet verlaten om te betogen of ze stonden klaar, matrak in de hand. Om hen te omzeilen vertrokken we in kleine groepjes die samenkwamen in de Veldstraat waar we betoogden en pamfletten uitdeelden. De politie kwam erachter en probeerde ons weg te knuppelen wat tot chaos leidde in de drukste straat van Gent. De studenten vluchtten in de winkels. De jachtscènes in de Grand Bazar zouden niet misstaan in een komische film.De mond-aan-mond-navertelling die ook voor de ‘sociale media’ al bestond, maakte ze nog kleuriger.

Confrontatie aan de ingang van de Blandijnberg

Maar als er niets gebeurde, verslapte de participatie. Ik herinner me een volksvergadering waar het revolutionaire vuur op een laag pitje brandde. Het was al laat, mensen begonnen naar huis te gaan. Dan lanceerde Martens (of was het Corijn?) een rekwisitoor tegen de media die onze strijd verzwegen of vervormden. Vooral de Standaard-kranten kregen er van langs. In de Savaanstraat, op een boogscheut van de Blandijnberg, was er een drukkerij van De Gentenaar. ‘Laat ons massaal naar daar gaan om die krant aan de kaak te stellen!’ En hup, er was weer een betoging vertrokken. Dit keer zingend: “De gazetten zijn de marionetten van het grootkapitaal…”

De arbeiders van de nachtshift die vers gedrukte kranten in vrachtwagens aan het laden waren, keken vreemd op toen we daar opdaagden. Ze accepteerden beleefd onze pamfletjes maar om te praten hadden ze geen tijd. Ze gingen voort met hun werk en wij keerden terug. En dat was dat.

“Een dolk in de rug”

Toen ik in die periode met mijn vuile was naar het ouderlijke huis ging, vond ik mijn moeder in alle staten. Ik was bang dat ze een hartaanval zou krijgen. De rector was haar oom, haar geliefde nonkel Jan, bij wie ze vaak op vacantie was geweest, in zijn kasteeltje in Vinderhoute. De man was diep geschokt en had zijn beklag gedaan. De studenten hadden hem in zijn kantoor naar het leven gestaan, zo beweerde hij, en ze hadden hem zaken doorgestoken die ze alleen van zijn familieleden konden weten. Dat zijn eigen familieleden tot die bende behoorde, hij kon het niet geloven. Ik had hem “een dolk in de rug gestoken” zo had hij tegen mijn oma gezegd. Mama schold en jammerde alsof er in haar rug ook een dolk zat, ook al geloofde ze me wel dat ik niets over nonkel Jan zijn privé-leven wist en er dus ook niets over had kunnen vertellen.

Het zou nog erger worden. In de nacht van 20 maart werden niet alleen ik maar ook mijn broer en mijn zus gearresteerd. Samen met pakweg 700 anderen.

Rijkswachters aanvalsklaar op de Kouter

De autoriteiten hadden besloten dat het genoeg was geweest. In het holst van de nacht werd de Blandijnberg door de rijkswacht ontruimd. Alle bezetters werden opgesloten in de rijkswachtkazerne. We werden niet geisoleerd, wat die tweede arrestatie veel gezelliger maakte dan de eerste. Er werd gelachen en gezongen. Toen ik in de ochtend vrijkwam begaf ik me naar de Brug, waar studenten samenkwamen om hun strategie te bespreken. Daar zag ik voor het eerst Paul Goossens, voor wiens vrijlating ik als scholier betoogd had zonder goed te weten wie die Goossens eigenlijk was. Later, toen hij mijn chef was bij De Morgen, leerde ik hem beter kennen. Goossens vond dat we grote ruchtbaarheid moesten geven aan de de gebeurtenis van de vorige nacht. De witte muur tussen het rectoraat en de straat stak zijn ogen uit. Een ideale canvas, vond hij. Hij stelde voor om op die muur “Vannacht: 725 aanhoudingen!” te spuiten2. Iedereen vond dat goed maar niemand wou het doen. Dus deed ik het. Wat niet verstandig was want een derde arrestatie zou me wellicht slecht bekomen zijn. Ik beefde zo erg dat de letters raar kronkelden maar allee, het stond er op. Ik was zo bang dat ik daarna meteen terug naar de Brug rende en me daar in een kast verborg.

De rest was anticlimactisch. Er waren nog enkele massale protesten, zoals op 28 maart toen ik en zestien andere rebellen voor een soort universitaire rechtbank moesten verschijnen. Maar dan maakte examenkoorts zich van de studenten meester.

“ ’t is maar een begin”…

“ ‘t Is maar een begin, wij gaan voort met de strijd”, was wellicht de meest gescandeerde slogan tijdens de maartse rellen. De strijd werd inderdaad voortgezet -de Gentse universiteit bleef het toneel van relatief veel radikaal studentenaktivisme in het daarop volgende decennium – maar werd nooit meer zo massaal.

Vormelijk is er sindsdien veel veranderd. Het stugge conservatisme van de academische en politieke overheden heeft plaats gemaakt voor een intelligenter beheer dat masseert en inkapselt in plaats van te antagoniseren. Inhoudelijk is er minder veranderd. De universiteit plooit zich meer dan ooit naar de noden van het industriekapitaal en de studentenmassa lijkt zich daar minder om te bekreunen dan vroeger.

Op een website van de universiteit (vakgroep geschiedenis) schrijft historica Fien Danniau: Na het orgelpunt van maart 1969 verschuift de belangstelling van het studentenengagement geleidelijk. Het discours rond maatschappij en kapitalisme maakt plaats voor meer specifieke maatschappelijke vraagstukken als de wapenwedloop, atoomenergie, milieuvervuiling, racisme, abortus en de emancipatie van arbeiders, vrouwen en holebi’s.”

Maar vandaag lijkt er ook rond die thema’s weinig te gebeuren aan de Gentse universiteit. En met alle respect voor de passie van mensen die over deze en andere deelaspecten actie voeren, is het niet meer dan tijd om de grondslag van de maatschappij in vraag te stellen? Ondanks onze naiviteit stonden we daaromtrent in 1969 toch een stapje verder.

1 In feite had de rector enkel verboden om illustratiemateriaal te tonen .

2Het precieze cijfer herinner ik me niet. Misschien waren het er minder, misschien meer.

 

October 28, 2018 at 3:27 am Leave a comment

ANTWERPEN 1968

Het vorige artikel in dit salon, de mijmeringen van Lucas Catherine over Brussel 1967, inspireerde Hugo Durieux om terug te blikken naar Antwerpen anno 1968. Durieux studeerde van 1969 tot 1976 Rechten en Wijsbegeerte in Antwerpen en Gent. Hij werkte op verschillende plekken in Europa als journalist, in het hoger onderwijs en in de ambtenarij. Nu beheert hij o.m. de websites https://rivieren-en-meren.online/ en http://www.durieux.eu/. Eerdere bijdragen van zijn hand in het salon kan men HIER en HIER vinden.

Eigenlijk was ik net te jong voor mei’68. In dat bewuste voorjaar zat ik te zuchten in de tweede Latijn-Grieks (de poesis). ‘Leuven Vlaams’ uit 1966, waaruit uiteindelijk voor een belangrijk deel de Belgische politieke mei ’68-beweging zou voortkomen, is helemaal aan mij voorbijgegaan. Wel was ik in die legendarische lente al volop in de ban van een ander fenomeen dat later, in de jaren zeventig, deel zou gaan uitmaken van de ‘erfenis’ van mei ’68: de hippies en de (VS-Amerikaanse) underground. Misschien ben ik wel veel meer een soixante-huitard geworden en gebleven, dan velen die in die periode aan de beweging deelnamen – en ik verloochen er vrijwel niets van.

Om de tien jaar komen in de maand mei dezelfde vragen naar boven in de media: wat heeft het betekend, waar is het goed voor geweest, wat heeft het achtergelaten, zijn wij nu toe aan de definitieve restauratie, of zijn er aspecten van mei ’68 van waarde gebleven? (In 1978 al publiceerde uitgeverij Manteau Mei ’68 – De grote kater, met bijdragen van o.m. Martin van Amerongen, Jos De Man en Piet Piryns.)

De grote verworvenheid van mei ’68 was voor mij dat, vanaf het eerste jaar aan de universiteit, ik een denk- en leefwereld kon vormen waarin de persoonlijke en culturele vrijheid van de hippies zich mengde (maar vaak ook botste en schuurde) met een ontwikkelend klassenbewustzijn. Het eind van de jaren zestig en vrijwel heel het volgende decennium vormden een periode van heftige sociale en politieke strijd, waarbij al heel snel het adagium evident leek, dat wie geen stelling innam, ook een stelling innam. Je kon toch niet onbewogen blijven bij de oorlogen in Vietnam en Cambodja, de culturele revolutie in China, de Praagse lente, de bevrijdingsoorlogen in Angola, Mozambique en Zuid-Afrika, de Portugese Anjerrevolutie, de staatsgreep tegen Allende en de daaropvolgende dictatuur in Chili, de fascistische dictaturen in Argentinië, Brazilië, Uruguay, Paraguay, El Salvador en Nicaragua, Black Panther, de boycot van Cuba, de steeds heftiger onderdrukking van de Palestijnen en het geweld dat dit veroorzaakte in het gehele Midden Oosten, het kolonelsregime in Griekenland, de burgeroorlog in Noord-Ierland, de neutronenbom, maar ook de teloorgang van de staalnijverheid in West-Europa, de linkse en rechtse stadsguerrilla in de Duitse Bondsrepubliek, Frankrijk, Italië, Spanje, zelfs België, de beroepsverboden in Duitsland en België, de loden jaren in Italië en Frankrijk, de dokstaking van 1973 in Antwerpen, de pogingen tot arbeiderszelfbeheer in bedrijven als Salik, LIP of de Boelwerf Temse, et j’en passe. Dat was niet allemaal ver van mijn bed: wie zich in Antwerpen of aan de universiteit solidair betoonde met de verschillende emancipatiebewegingen of zich inzette tegen diverse dictaturen, kreeg al snel te maken met de knokploegen van de Vlaamse Militanten Orde, Were di of de Vlaams-nationalistische studentenorganisatie KVHV.

Het theoretische kader om zowel die mondiale crisis als de ontvoogdingsstrijden te plaatsen en te begrijpen, werd aangeboden door mensen die zich volop aan het verdiepen waren in allerlei varianten van marxisme en anarchisme. Het vrolijke anarchisme van provo in Amsterdam kon wel een tijd aanstekelijk werken, maar het was geen doeltreffende benadering voor de scherpe maatschappelijke conflicten beneden de Moerdijk en de harde repressieve manier waarop de overheden in België daarop reageerden. Ontwikkelend klassenbewustzijn had in de eerste plaats te maken met veel lezen (in de eerste plaats de marxistische klassiekers, maar ook de klassieke anarchisten), maar ook met onregelmatig werk tussendoor als arbeider (in mijn geval in de haven, eerst als leerling-plaatslager in de scheepsherstelling, later ‘met de pas’ als dokwerker). Klassenengagement als student vond een uitdrukking bij de oprichting van de Antwerpse wetswinkel in 1972, en in het verslaggeverswerk voor Bevrijdingspersagentschap (BPA). In navolging van het Franse Agence de Presse Libération (waaruit de krant Libération is voortgekomen) waren in Brussel en Leuven ‘persagentschappen’ ontstaan, die wekelijks gestencilde bulletins uitgaven waarin overwegend studenten nieuws verzamelden uit sectoren waaraan de gevestigde agentschappen en redacties geen aandacht besteedden: sociale strijd, prille milieuorganisaties, studentenbeweging, de minder officiële vrouwenbeweging, gewetensbezwaarden en dienstweigeraars …
De ruimte voor culturele en persoonlijke vrijheid die in die tijd ontstond, leek wel onbegrensd. Wij waren achttien, twintig of daaromtrent, het gezag van ouders werd toch al op alle vlakken bestreden, het was de hoogste tijd voor een meeslepende ontdekkingstocht in de verslavende wereld van de seks. De ‘tweede feministische golf’, die wat noordelijk België betreft hoofdzakelijk uit Nederland afkomstig was, was ook voor mannen een bevrijding: je leerde inzien hoe je was opgevoed in een strak rollenpatroon, maar je ontdekte ook dat seks met zelfbewuste vrouwen veel spannender was en veel verder kon gaan dan wat je je ooit had voorgesteld. De feministische ontdekkingstocht naar het lichamelijke is ook de mannen ten goede gekomen. Maar er was natuurlijk, uiteraard, vanzelfsprekend veel meer dan dat. De zoektocht naar herbronning, naar een alternatief voor de beklemmende katholieke of traditioneel socialistische moraal van de ouders, leidde tot een nieuw milieubewustzijn en openheid voor Aziatische (pseudo-)wijsheid: massage, alternatieve geneeswijzen, makrobiotiek.

Eind jaren zestig en begin jaren zeventig waren in Antwerpen sowieso een spannende tijd op cultureel gebied . De Wide White Space Gallery was nog actief; het ICC op de Meir beleefde zijn glorietijd met Flor Bex en bracht ons Beuys, Joseph Kosuth, James Lee Byars met zijn geverfde maaltijd op de Veemarkt, het prille werk van Anne-Mie Van Kerckhoven, Danny Devos, Ria Pacquée en vele anderen, maar ook talloze experimentele films en festivalletjes rond klankpoëzie; cafés rond het Conscienceplein en de Wolstraat en min of meer besloten clubs als Vécu en Gard Sivik waren ontmoetingsplaatsen voor beeldend kunstenaars, jazzmuzikanten en wilde schrijvers als Szukalski, Wout Vercammen, Marcel Van Maele, Gust Gils, Nic van Bruggen, en Laurent Veydt (die onder zijn echte naam Georges Adé onze leraar Frans bleek te zijn).

In de ‘strijdcultuur’ wilden gezelschappen als Werktheater, Het Trojaanse Paard of de Internationale Nieuwe Scène met militant toneel de persoonlijke en klassenemancipatie van ‘gewone mensen’ stimuleren door toegankelijk theater te maken op toegankelijke plekken. Aan de pas gestarte Universitaire Instelling Antwerpen, met een campus midden in de weilanden in Wilrijk, ontstond het Centrum voor Experimenteel Teater. Wij leerden er Brecht lezen, maar maakten ook kennis met het werk van Bread and Puppet en het Living Theatre; het CET produceerde enkele keren in de ruimten van Fort VI voorstellingen van het nomadische muziektheater van Welfare State. Maar evengoed gingen wij naar Parijs voor het Théâtre du Soleil van Ariane Mnouchkine, of naar Amsterdam, om te kijken naar wat Mickery op de Rozengracht liet zien – om nog maar te zwijgen van uitstappen naar Brussel, voor het Franstalige aanbod in Théâtre 140 of de Hallen van Schaarbeek.

En dan heb ik het nog niet eens over de legendarische Studio Century in Borgerhout, die elke maand een tiental films programmeerde die later klassiekers zouden blijken, van de films uit de Andy Warhol Factory tot het vroege werk van Werner Herzog of Wim Wenders, van het werk van Marguerite Duras of Marco Ferreri tot de eerste kennismaking met de Japanse cinema. Op muzikaal gebied was het Free Music Festival (aanvankelijk in de King Kong, de zaal die later in brand werd gestoken door het neo-fascistische Front de la jeunesse) was elk jaar een bron van opperste verbazing en opwinding: zo zijn mensen ook met geluid bezig! En het genot van die ontdekkingstocht speelde natuurlijk ook een rol bij de kennisname met de elektronische en elektroakoestische muziek: van de geregistreerde studiowerken van Nono, Stockhausen of Lucien Goethals, tot het versterkte gepriegel met schelpen of kammetjes of kraakdozen van John Cage of Michel Waisvisz.

Waarom deze uitgebreide impressie? Omdat de mentaliteit en de maatschappelijke structuren, die zich ontwikkelden tot wat nu ‘mei ‘68’ heet, het perspectief hebben geopend op een vrijwel onbeperkte mogelijkheid tot zelfbevraging en zelfontwikkeling. Door de enorme hoeveelheid informatie en mogelijkheden die ons vanaf 1968 werden aangeboden, en door de vrijheid die wij namen om daar al dan niet op in te gaan, ontstonden bij mij – en bij vele anderen – m ns- en wereldbeelden die persoonlijke vrijheid en ontwikkeling voorop stellen, maar zonder afbreuk te doen aan het verlangen naar vrijheid en ontwikkeling van anderen. (Hier moet zeker nog Jef Sprankenis vermeld worden, de legendarische uitbater van boekhandel De groene waterman. Bij hem vond je tijdschriften, boeken, platen, hoofdzakelijk verzameld en geïmporteerd vanuit Duitsland en Amsterdam, die je kennis lieten maken met politieke inzichten en culturele opvattingen, waarvan je het bestaan zelfs niet had kunnen vermoeden.) Je kan jezelf maar waardevol emanciperen, als dat gebeurt in een context die je omgeving (je leefomgeving, de producenten van wat je gebruikt, het milieu en de dieren, eigenlijk de hele wereld) respecteert. Geen nieuw inzicht, ongetwijfeld, maar wat nu ‘mei ‘68’ heet staat voor een boost aan collectief verlangen naar persoonlijke en globale autonomie en emancipatie, en dat leeft, denk ik, nog steeds.

Tien jaar later, in 1978, hadden de auteurs van De grote kater misschien wel enigszins gelijk: de maatschappelijke structuren leken niet veranderd, de restauratie was in volle gang, en niet weinigen – ook in België – waren het slachtoffer geworden van de repressie die volgde op de pogingen tot maatschappelijke verandering. Maar ik denk dat het toen nog te vroeg was om een begrip als ‘mei ‘68’ zijn historische plaats te geven.
In 1980 ben ik uit België weggegaan, en heb ik op verschillende plekken in Europa geprobeerd mijn mens- en wereldbeeld van een creatieve mix van maatschappelijk bewustzijn en streven naar persoonlijke vrijheid door te geven. Mijn uitgangspunt was altijd: het belangrijkste is dat je een interessante vraag stelt, zodat als daar een antwoord op komt, je weer een goede vraag kan stellen. Vaak zegden studenten me: “Mijnheer, ik ben niet geïnteresseerd in die vraag, ik wil het antwoord.” Maar even goed waren er ook steeds die op het eind van het academiejaar kwamen bedanken, omdat zij bij mij geleerd hadden alles in vraag te stellen wat zij lazen, zagen, hoorden.

En nu, vijftig jaar later, lijkt het weer of het allemaal voor niets is geweest: het nationalisme en de oude politiek zijn terug (in België), de hele wereld wordt gedicteerd door de wetten van markteconomie en mediatisering, en als ik wel eens passeer door wat er allemaal op televisie aangeboden wordt, is er blijkbaar een enorm publiek gecreëerd dat zonder morren enorme hoeveelheden professioneel geproduceerde rotzooi slikt. Je wordt er niet vrolijker van. Maar betekent dat de zinloosheid van de beweging die nu naar mei ’68 genoemd wordt? De politieke en culturele rijkdom die ik in het kielzog van wat enkele jaren eerder begonnen was heb kunnen genieten, nemen zij mij niet meer af. En ik ben niet de enige die op microniveau de idealen van een actieve mengeling van politiek bewustzijn en culturele en persoonlijke vrijheid probeert verder te ontwikkelen en uit te dragen. Als de structuren niet ingrijpend veranderd zijn, dan zijn er toch overal mensen, die in de geest van mei ’68 leven en werken: in het onderwijs, de journalistiek, de wetenschap, de groene en rode actiegroepen en basisgroepen, zelfs het bedrijfsleven. En hoewel ik in Antwerpen en Brussel veel jonge mensen om mij heen zie, die op het eerste gezicht alleen bezig zijn met vegeteren of met agressief gedrag, zie ik er ook veel die zich inzetten, ook op het platteland, voor andere mensen, voor de wereld, voor dieren, voor het milieu, … en die zich op een creatieve manier uiten – ook als ik daar niet veel van begrijp. Uiteindelijk zijn, tegen de dictatuur van de markt en de commerciële media in, talloze mensen bezig met pogingen om hun eigen maatschappelijk bewustzijn te koppelen aan culturele verrijking en persoonlijke ontwikkeling. En laat dat nou net de geest zijn van mei ’68, zoals ik hem gekend heb.

October 18, 2018 at 4:34 am 4 comments

NOT OUR AMERICA!

Honderdduizenden Amerikanen hebben dit weekend betoogd tegen het wreedaardige immigratiebeleid van de Trump-regering. Onder meer in New York. Jacqueline Goossens was erbij. In de foto-reportage hieronder besteedt ze vooral aandacht aan de zelfgemaakte borden van de demonstranten die de heftigheid van de emoties illustreren. Mocht u zich afvragen waar “ICE” op slaat: dat is de immigratiepolitie (“Immigration and Customs Enforcement”).






July 2, 2018 at 5:54 am 1 comment

OPEN GRENZEN!

Tom Ronse

Niemand, ook niet ter linkerzijde, pleit voor open grenzen, lees ik herhaaldelijk in reacties op Bart De Wevers beruchte opiniestuk over migratie. “Misschien dat u hier of daar nog een overjaarse anarchist kan opduikelen maar dat is het dan ook”, aldus Louis Tobback in De Morgen. Noem me een overjaarse anarchist zo u wil maar hier volgt een dissonante noot in dat eenstemmig koor. Een pleidooi voor, onder meer,  open grenzen.

De Wever verwijt links hypocrisie maar hij is zelf hypocriet. Hij beroept zich op de ‘gouden regel’  -behandel je naaste zoals je zelf zou willen behandeld worden- maar voegt er snel aan toe: “Maar hoe nabij moet die naaste zijn?” Hij beweert “oprecht moreel mededogen” te voelen maar … ‘grenzen bakenen onze impliciete solidariteit af’. Mededogen dat stopt aan de grens is een pleidooi om mensen die vluchten voor oorlog en honger te laten verdrinken in de zee en op te sluiten in kampen en gevangenissen zoals nu al volop gebeurt. Het is helemaal geen mededogen. Barts vriendin heet Tina, kort voor “There is no alternative”.  Het verhaal: de harde Francken-politiek is de enige mogelijke, anders ontstaat er een aanzuigeffect dat ons zal overrompelen, dat chaos en sociale afbraak zal veroorzaken. Intussen helpt zijn partij de sociale afbraak organizeren. Uit mededogen met onze eigen landgenoten  ongetwijfeld.

Links replikeert dat er een gulden tussenweg is tussen het cynisch standpunt van De Wever en het utopisch lijkende idee van ‘open grenzen’. Volgens links is er wel degelijk financiële ruimte om een meer sociaal beleid te voeren, om vluchtelingen een menswaardige opvang te geven. Het aanzuigeffect kunnen we bestrijden door  de economische  ontwikkeling te bevorderen in de landen waar de migranten uit wegvluchten, door informatiecampagnes om hen te overtuigen dat hen hier ook alleen maar ellende wacht en door een buitenlands beleid te voeren dat oorlog ontmoedigt in plaats van zoveel mogelijk wapens te proberen verkopen en bommenwerpers naar het Midden Oosten te sturen.

Maar links maakt het er zich al te gemakkelijk van af. Laat ons iets verder kijken dan onze neus lang is naar de trends die de evolutie van de wereld bepalen en dus ook de kontekst van het debat over migratie.

 

Perfect storm

Ten eerste: automatisering. Die dient om arbeidstijd uit te sparen. Het kan dan ook niet anders dan dat veel arbeidspotentieel overbodig wordt. De informatica-omwenteling  integreert en stoot uit. Alles wordt deel van de globale markt, wat we consumeren is het product van een global assembly line. Tegelijk is er een uitstotingsproces: de global assembly line wordt steeds automatischer, steeds efficienter. Miljoenen worden ‘nutteloos’ en hebben niet langer een pre-kapitalistische economie om op terug te vallen. Dit is nu al de realiteit in vele landen in de periferie waar de effectieve werkloosheid meer dan 50 % bedraagt. Wat niet wil zeggen dat die al werklozen niet werken. Als je tien uur per dag aan een kruispunt snoep en sigaretten staat te verkopen heb je ook een zware werkdag.

Ten tweede: een nieuwe, diepe recessie is hoogstens enkele jaren ver. De schuldenberg zal blijven groeien. In het Engels zeggen we: they kicked the can down the road. Ze schopten het blik wat verder de straat op en deden alsof het weg was. De schulden groeien omdat er, globaal genomen, niet genoeg winst wordt gemaakt. Winstpotentieel bepaalt in onze maatschappij wat geproduceerd wordt. De schuldengroei is nodig om de boel draaiend te houden, om de winstmarge te onderstutten. Daarom hebben de financiële autoriteiten op de great recession van 2008 –die zelf door schuldenlast in gang werd getrapt-  gereageerd door vele biljoenen dollars, euros, yens, RMBs, etc. in de banken en grote bedrijven te pompen en door de rentevoet tot bijna nul te duwen. Dat laatste was een cruciale factor in de huidige heropleving (de zwakste weliswaar sinds de tweede wereldoorlog)  want de lage rentekost maakt krediet bijna gratis. Niet voor iedereen natuurlijk.  Maar rijken konden makkelijk rijker worden door spotgoedkoop geleend geld in de beurs te investeren. De regel – lage rente voor de rijken maar hoge rente voor de armen- is logisch, aangezien lenen aan armen een groter risico inhoudt. Dat geldt zowel voor individuen als voor landen. Het is dus ook logisch dat de kloof tussen rijk en arm steeds groter wordt. En dat landen een harde concurrentiestrijd moeten voeren om kapitaal aan te trekken, door hun sociale lasten te verminderen en fiscale premies te geven.

Maar onvermijdelijk komt ook de lage rente van de rijken onder druk te staan.  De spanning tussen de groeiende schuldverplichtingen en de dalende winstverwachting maakt dan een nieuwe inzinking onvermijdelijk.  Omdat de schuldenlast van bedrijven en regeringen nu veel groter is dan in 2008 zal de recessie wellicht dieper zijn.  Hoe ver de kettingreactie van failissementen zal gaan valt moeilijk te voorspellen. Maar zeker is dat, op alle markten, de zwakste concurrenten de hardste klappen zullen krijgen.

Ten derde: klimaatrampen zullen toenemen. Er iets wezenlijks aan doen kost te veel, dat wil zeggen, het is niet winstgevend. Aangezien de economie op winst en concurrentie gebaseerd is, kunnen we niets meer verwachten dan holle verdragen, en windmolens, zonnepanelen en electrische auto’s als pleisters op een etterend been. We weten heel goed dat een drastische globale verandering in productie en consumptie nodig is om te voorkomen dat de levens van miljoenen door klimaatverstoring zullen ontwricht worden maar we kunnen enkel handenwringend toekijken terwijl het drama zich ontvouwt.

Ten vierde: oorlogen zullen niet verdwijnen, integendeel. De ontwrichting, veroorzaakt door economische krisis en klimaatrampen,  schept opportuniteiten voor kleine en grote imperialisten, voor kriminelen, voor war lords en grootmachten. Droogte en overstromingen doen conflicten ontstaan over schaarse middelen.  Massale werkloosheid zorgt voor een overvloedig aanbod van kanonnenvlees.

 

Neem die vier factoren samen en je hebt het recept voor een perfect storm. Een storm die ook in de rijkere landen tot sociale afbraak zal leiden (om de winstmarge te onderstutten, om kapitaalvlucht tegen te gaan) en in de armere landen miljoenen zal doen vluchten. De gelijktijdigheid van de stijgende verarming en de komst van steeds meer migranten zal door rechts worden aangegrepen om het eerste voor te stellen als het gevolg van het tweede. Door het tweede te bestrijden zal men niet alleen de indruk wekken dat men iets doet aan het eerste maar ook kiezers  paaien die voor hun ontevredenheid een zondebok zoeken. Links, zo mogen we hopen, zal dat cynische spel niet meespelen. Maar het zal ook duidelijk worden dat links inderdaad geen alternatief heeft. Linkse regeringen zullen net als rechtse de sociale uitgaven verlagen en hardere maatregelen nemen om migranten buiten houden. Misschien minder extreem, meer druppels plengend op de gloeiende plaat, maar het verschil zal vooral rethorisch zijn. Kijk naar de linkse Syriza-regering in Griekenland, die doet in wezen niets anders dan de rechtse regering die haar voorafging: de bevelen van de kapitaalbezitters uitvoeren.

In Bart De Wevers opiniestuk krijg je de indruk dat die storm nu al woedt. In de filmversie stel ik me Bart voor, rechtstaande in reddingsboot “De Natiestaat”, met zijn roeispaan kloppend op de vingers van de drenkelingen die zich aan de bootrand vastklampen.  Links probeert hem in te tomen, bewerend dat er nog wel degelijk plaats is in de boot. Maar er zijn zoveel drenkelingen… de triage wordt steeds moeilijker. Geen van beiden vraagt zich af wat de storm veroorzaakt.

We zijn eraan gewend dat de economie, net als het klimaat, wordt voorgesteld als een kracht die ons van buitenaf overkomt. Die we wel kunnen proberen manipuleren maar waar we uiteindelijk aan onderworpen zijn. Dat bakent de politieke ruimte af, dat zet de parameters neer van het debat tussen links en rechts. We kunnen slechts doen wat de economie mogelijk maakt om te doen.  Als het slecht gaat, met de economie of het klimaat, kunnen we niets anders dan schuilen, wachten tot het overwaait en een traan plengen voor diegenen die geen schuilplaats vinden. We vergeten dat de economie door mensen wordt gemaakt en door mensen kan worden veranderd. Dat mensen kunnen beslissen om de economie te onderwerpen aan hun noden, in plaats van hun noden te onderwerpen aan de archaische spelregels van de economie. De sociaal-democratische opiumpijp fluistert dat we allebei tegelijk kunnen doen.

 

De fundamentele Tina

Dat is de kern van de zaak: de perceptie dat de huidige manier om aan de menselijke noden tegemoet te komen, de enige mogelijke is. Dat productie en consumptie wel moeten steunen op kopen en verkopen van arbeidstijd en van al de rest. Dat het hoofddoel van de maatschappij niets anders kan zijn dan kapitaal doen groeien, ongeacht de gevolgen voor het welzijn van de mensheid.  Want dat gedrag is ingebakken in de menselijke natuur, zoals  Adam Smith beweerde. Ook al is de door de markt georganiseerde economie nog maar enkele honderden jaren oud en ontstond ze slechts op één subcontinent, toch lijkt ze voor de eewigheid bestemd. Volgens Francis Fukoyama hebben we “het einde van de geschiedenis” bereikt.  Vanaf nu zijn enkel variaties op het vaste thema mogelijk.  Buiten dit kader is er niets, behalve  onefficiente  staatskapitalistische dictatuur. Dat is de ‘Tina’ waar rechts en links voor buigen. De gevolgen moeten we aanvaarden als  “het nieuwe normaal”, ook als een groot deel van de wereld erdoor dreigt te vergaan.

Een onbevooroordeelde buitenaardse bezoeker die onze wereld zou verkennen, zou ons gek verklaren. Hij zou het absurd vinden dat bij ons 81,2 procent van het globale inkomen naar de rijkste 20 procent van de bevolking gaat terwijl de armste 40 procent het met 3,8 procent moet stellen. En dat de rijkste één procent, wiens inkomen even groot is als dat van de armste 53 procent (3,5 miljard mensen), zij die meer bezitten dan wat ze in duizenden jaren zouden kunnen uitgeven, koortsachtig blijven streven naar meer bezit. En dat wij geloven dat die pathologische bezitsdrang noodzakelijk is om de maatschappij in stand te houden.

Hij zou niet begrijpen dat we onze ecologie kapot maken, dat we weten dat we het doen maar niet kunnen stoppen.

Hij zou onbeschrijfelijk veel pijn in onze wereld aantreffen en wat zijn hart zou breken is dat zoveel van die pijn vermijdbaar is.  Dat miljoenen omkomen door geneesbare ziekten, dat miljoenen van honger vergaan terwijl we gigantische hoeveelheden voedsel weggooien, dat miljarden in slums wonen terwijl wij, in plaats van hen huisvesting te geven, steeds meer wapens maken en hele steden verwoesten, dat bij ons de enen zich moeten kapot werken en de anderen gedwongen worden tot niets doen, dat onze economie met overproductie kampt terwijl de ongelenigde noden zo groot zijn…

En de enige uitleg die we hem zouden geven is alweer Tina, there is no alternative, iets anders kunnen we ons niet voorstellen.

 

Imagine

Een wereld zonder geld, zonder oorlogen, zonder criminaliteit, zonder honger, zonder grenzen, een wereld voor iedereen, dat tart de collectieve verbeelding. Alleen Tobbacks overjaarse anarchist gelooft dat het kan. En John Lennon, wiens anthem “Imagine” nog vaak gespeeld wordt. Maar misschien luistert men niet goed naar de tekst:

Imagine there’s no countries
It isn’t hard to do
Nothing to kill or die for
And no religion, too
Imagine all the people
Living life in peace…

Imagine no possessions
I wonder if you can
No need for greed or hunger
A brotherhood of man
Imagine all the people
Sharing all the world…

Is het echt onvoorstelbaar dat we samen, op lokaal en globaal vlak, zouden overleggen wat we maken en er voor zorgen dat niemand op aarde nog honger lijdt of verstoken blijft van ziektezorg, huisvesting en andere nodige voorzieningen, dat het natuurlijk milieu hersteld wordt, en dat we er een prioriteit van maken om produceren zo aangenaam mogelijk te maken?  Dat we dit kunnen zonder geld, zonder grenzen, zonder logge bureaucratie omdat mensen, bevrijd van de dwangbuis van geld verdienen en winst maken, een ongelooflijke creativiteit aan de dag zullen leggen? Dat vele miljoenen die nu hun bestaan als zinloos ervaren er heel veel zin in zullen krijgen?

Daar valt nog veel meer over te zeggen maar misschien heb je al hoofdschuddend geconcludeerd dat mijn visie radicaal, extremistisch  en utopisch is. Radicaal is ze zeker. Het woord komt, zoals Bart DW kan bevestigen, van het latijnse “radix”, wortel. Daar is het inderdaad waar het probleem zit, het volstaat niet om te proberen de rotte vruchten weg te snoeien. Extremistisch? Kijk om u heen: de extremisten zijn al aan de macht.  Utopisch? Is het niet eerder utopisch om te verwachten dat de huidige  maatschappijvorm zich eindeloos kan in stand houden, dat het zijn toenemende contradicties kan bllijven overleven?

Je mag me een dromer noemen, zong John Lennon.

 

But I’m not the only one
I hope someday you’ll join us
And the world will live as one

February 15, 2018 at 10:22 pm 6 comments

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

May 24, 2017 at 3:48 pm 7 comments

RADICALISATIE VAN EEN BOURGEOIS: MAURICE CALMEYN IN CONGO

Calm 1

 

door Lucas Catherine

 

Een man staat in de brousse van Noord Congo. Het geweer in de hand. Zijn fox-terrier naast hem. Hij speurt naar een verre olifant. Zijn hondje kijkt hem aan. De man bekijkt de fox-terrier, die heeft: “de oortjes gespitst, de oogjes vol passie, rillingen over zijn lijfje en zijn neusje in de wind. Soms heft hij zijn kop op alsof hij mij vraagt: ‘jij die groter bent dan ik en boven het gras kan kijken, zie jij daar geen wild?’”.

Calmeyn beschrijft zijn hondje in 1908, aan de boorden van de Uele-rivier. De vergelijking met Kuifje dringt zich op, maar Bobbie zal pas twintig jaar later een stripfiguur worden. De scène komt uit  zijn boek: Au Congo.  Calmeyn, een vergeten figuur en een weggemoffeld boek. Dat hij ‘vergeten’ werd ligt misschien aan de titel van het boek dat hij in 1912 publiceerde: Au Congo belge: chasses à l’éléphant, les indigènes, l’administration. Een boek over de jacht op olifanten, maar veel meer.
Maurice Calmeyn, half Brusselaar en daar rijke bourgeois en half De Pannenaar en daar groot-grondbezitter is van opleiding landbouwingenieur en wil als toerist op olifantenjacht in Congo. In de beschrijving die hij geeft van zijn reis van acht maanden (1908) speelt de jacht de hoofdrol – een olifant schiet je het best boven het oor in de schedel, altijd prijs! , en van op 10 meter, anders ben je geen jager maar een dierenbeul- . Maar in het boek duiken vooral kritische noten over de kolonisatie op. Geen hond die er naar luisterde, behalve zijn fox-terrier.

 

Calm 2

 Ook de grote critici van de Congo Vrijstaat: Vangroenweghe met zijn Rood Rubber (1985) of Delathuy’s De Congostaat van Leopold II (1989) verwijzen niet naar Calmeyn. Nochtans vond de Bibliothèque nationale de France het de moeite waard om door Hachette het boek in facsimilé te laten heruitgeven.

Calmeyns oordeel over Leopold II is verpletterend: “Het is spijtig dat de soeverein van Congo een deel van de Belgische en buitenlandse pers heeft omgekocht, maar het is nog erger dat hij bepaalde politici heeft gedegradeerd tot zijn slippendragers en dat die nu geen enkele waardigheid of onafhankelijkheid meer tonen in het parlement. Nu ik dit schrijf weet ik dat men mij een gebrek aan loyauteit aan de koning zal verwijten. Het kan me niets schelen.” “Ministers en politici leggen het landsbelang naast zich neer en verworden tot lakeien van de Kroon. Veel van hen worden voor hun slaafse dienstbaarheid beloond met adellijke titels of postjes in de haute-finance, iets wat ze anders nooit hadden kunnen bekomen.”

Als landbouwingenieur is hij deskundig genoeg om een vernietigend oordeel uit te spreken over de rubberpolitiek: “In Bima heb ik in aanwezigheid van een landbouwinspecteur een plantage bezocht die zes jaar daarvoor was aangelegd, met duizenden aangeplante rubberlianen. Met moeite heb ik er één gevonden die nog niet was afgestorven.”

“Hele bevolkingen worden het woud in gestuurd om rubber te oogsten en kwasi permanent in het woud te kamperen, zonder nog voor zichzelf iets te kweken en dit zonder echte schuilplaats, ze zijn ondervoed.” “De lokale bevolking is niet meer in staat om rubber aan te voeren, alle lianen in de streek zijn weg, kapot geoogst en dus zal men daar tegen de bevolking een politionele actie organiseren.” “Zo een ‘politionele actie’ leidde vaak tot grote opstanden. Het is zo dat de Bangala’s de concessies van de Anversoise in de jaren 1899, 1900, 1901 in vuur en vlam hebben gezet.” “Met stelligheid kan ik beweren dat de bevolking nu veel meer afziet dan in de tijd van de Arabieren… Je mag niet vergeten dat deze ‘Arabische veroveraars’ overal plantages van allerlei voedselculturen hadden aangelegd en dat de lokale bevolking hier alle baat bij vond. Nu zijn die plantages verdwenen en is er niets in de plaats gekomen… Het is spijtig dat er nooit een onpartijdige geschiedenis is geschreven van de aanwezigheid van de Zanzibari Arabieren en van alles wat ze daar hebben gecreëerd.”

 

Calm 3

Calmeyn schrijvend in zijn tent

 

“Wij zullen nog lang en veel werk hebben om de wonden te helen die Leopold II en zijn zakenpartners hebben geslagen.”

“Miljoenen zwarten worden door het koloniaal bestuur geminacht en draaien iedere dag op voor de fouten en de onbekwaamheid van de ambtenaren, tot natuurlijk het moment komt dat ze onvermijdelijk in opstand zullen komen.”

“Na mijn twee reizen ben ik tot de conclusie gekomen dat de Vrijstaat alleen maar aan zijn onmiddellijk eigenbelang heeft gedacht en nooit aan de toekomst van Congo.” “Hier werd systematisch geplunderd door zowel de Vrijstaat als door commerciële bedrijven.”

 

Calm 4

 Maar we hebben daar toch ‘de beschaving’ gebracht, vooral dankzij de missionarissen, of niet?
“De kwestie is niet of onze morele principes superieur zijn aan die van de inboorlingen, maar wel of ze op een betere manier gaan leven als ze onze principes aannemen. Wel, ik kan u verzekeren dat geen enkel contact met missionarissen, katholiek of protestant, ze moreel beter heeft gemaakt.”

“Deze missionarissen vormen een staat binnen de staat, erger nog een staat boven de staat.”

“Ze verspillen hun tijd met de zwarten de catechismus bij te brengen en om hun mooie eigen gezangen te vervangen met van die verschrikkelijke kerkelijke hymnen. Ze zitten nog altijd in de tijd van de Reformatie en steken al hun tijd in aanvallen tegen Protestantse missionarissen of ongelovige Europeanen.”
“De staat zou eigen scholen moeten oprichten waarin de Congolezen een vak leren want zowel de staat als de firma’s hebben nood aan lokale bedienden die kunnen lezen, schrijven en rekenen, vakmensen als metsers, timmerlui, smeden of mecaniciens. Als je het resultaat van de missiescholen bekijkt dan is op dit vlak het resultaat nul.”

“Het ergste is dat de staat met geweld nog altijd kinderen naar de missiescholen brengt en de religieuzen het recht geeft om die tot hun twintig, vijfentwintig uit te buiten. En als ze vluchten stuurt men het leger op hen af.”

Calm 5

Al deze citaten dateren uit 1912 jaar waarin zijn boek verscheen. Zijn kritiek op de kolonisatiepolitiek voert hem ook naar steeds radicalere kritiek op het kapitalistische systeem in België. Hij eindigt zijn carrière als communist.
Hij sticht twee coöperatieven in De Panne en een lekenschool voor vissers- en arbeiderskinderen. Het grootste gedeelte van zijn grond aan de Westkust (118ha) schonk hij aan de gemeenschap en het Museum voor Schone Kunsten kreeg zijn collectie fauvistische schilderijen.
Net voor zijn dood wordt hij de voornaamste financier van de film Misère au Borinage (van Joris Ivens en Henri Storck). Hij zal de film nooit zien, hij sterft de dag van de première.

Wie zijn grafmonument op het kerkhof van De Panne bezoekt, – het torent hoog uit boven al de katholieke kruisen-, merkt direct dat hij Vrijmetselaar en communist was.

Een zuil met daarop de buste van een vrouw, Marianne symbool van la Liberté. Boven haar hoofd de maçonnieke driehoek, op haar borst de Soviet ster, aan haar voeten de slogan Egalité en links en rechts van haar twee grote hamer- en sikkelversieringen.

 

 Calm 6

Is hij vergeten omdat hij zo negatief deed over het ‘genie’ Leopold II of omwille van zijn communisme? Want het spook van het communisme heeft ook in Congo rond gewaard. Met de onafhankelijkheid van Congo grensde het zelfs aan blanke paranoia: Lumumba, communist! Mulele, communist! U moet er maar het propagandaboekje van het ministerie over nalezen: La Pénétration communiste au Congo door Pierre Houart (1960), prof aan de Université catholique de Louvain. Katholieken en communisten, het ging toen nog minder te samen dan in de tijd van Maurice Calmeyn.

 

Meer over Maurice Calmeyn in : Lucas Catherine, Kongo een voorgeschiedenis, dat in het najaar bij uitgeverij EPO verschijnt.

September 5, 2016 at 4:13 am 1 comment

PRO-BREXIT, PRO-TRUMP EN TOCH LINKS? HET KAN!

brexit-7

Door Tom Ronse

Een spook waart door Europa en het is duidelijk niet datgene waar Marx en Engels het over hadden in hun Communistisch Manifest. Het is een zwart spook dat nationalisme predikt en xenofobie. Het wil grenzen sluiten en muren bouwen, immigranten “repatriëren”. Je zou verwachten dat het ter linkerzijde unaniem zou verafschuwd worden maar dat blijkt niet zo. Er zijn ook linksen die het spook toejuichen.

In Engeland werd de zege van Brexit niet alleen door de aanhangers van Nigel Farage en Boris Johnson gevierd maar ook door linkse vakbondsleiders zoals Mick Cash, linkse celebrities zoals Julian Assange en Tariq Ali en opiniemakers als John Pilger die Brexit  prees als “een daad van rauwe democratie”.

Naar verluidt stemde de meerderheid van de Engelse “arbeidersklasse” (hoe men die definieert is natuurlijk de vraag) voor Brexit. Volgens The Times stemde 86% van de kiesdistricten met een hoge  industriële tewerkstelling er voor. Vooral in regio’s met hoge werkloosheid had de “Leave”-campagne veel sukses. Wat die kiezers in de eerste plaats motiveerde, zo blijkt uit polls, was angst voor de toekomst: angst om door automatisering uitgestoten te worden, angst om lonen en uitkeringen te verliezen door buitenlandse concurrentie en de toevloed van miljoenen vluchtelingen,  angst door de toename van spectaculair geweld, enz.

imiagrunts

Dat zijn inderdaad goede redenen om bang te zijn maar of het VK al dan niet in de EU blijft, zal weinig aan die trends veranderen. Dit was geen referendum over automatisering of globalisering, die zullen hoe dan ook voortgaan. Over immigratie ging het evenmin. Geen haar op Boris Johnsons wilde scalp die eraan denkt om de kraan dicht te draaien of om de Polen en Pakistanen die het zwaarste werk voor de laagste lonen verrichten het land uit te zetten. Minst van al ging het over democratie. De EU mag dan een bureaucratisch monster zijn maar het VK is geen democratisch alternatief. We hebben het hier tenslotte over een land waarvan het staatshoofd (de koningin) benoemd is door God, waar een van beide kamers van het parlement (the House of Lords) bestaat uit niet verkozen edelen en bischoppen en het kiessysteem zo ondemocratisch is dat de laatste verkiezingen (2015) voor een partij (de UKIP) die 3,9 miljoen stemmen haalde één zetel opleverde terwijl een andere (de SNP) die 1,5 miljoen stemmen won 56 zetels kreeg.

Nee, niet over democratie of immigratie of globalisering ging het referendum, wel over wie de chaos het best in de hand kan houden.  Die dreigende chaos is de achtergrond van Brexit.  Als het referendum in zonniger tijden had plaats gehad dan zou men aan de uitslag niet zo zwaar getild hebben. Maar dan was de uitslag wellicht ook anders geweest. Nu werd de uitslag bepaald door een groeiend gevoel van onrust en ontevredenheid.  Een nieuwe globale recessie zou het wellicht aanwakkeren en niet alleen in Engeland.

Een golf van nostalgie

Volgens de eerder vermelde poll vinden de meeste Leave-stemmers dat het leven in Groot-Brittannië 30 jaar geleden beter was en dat de kinderen die nu opgroeien een slechter leven zullen hebben dan hun ouders. In steeds meer landen vinden steeds meer mensen blijkens opiniepeilingen dat het vroeger beter was, ongeacht het politiek regime dat toen aan de macht was. Zelfs Oostblok-regimes en brutale dictators zoals Saddam Hoessein en Khadafi wekken nostalgie op.  Pessimisme is troef. Bij gebrek aan toekomstperspectief keren de blikken zich naar het verleden. Een golf van nostalgie rolt over de wereld en maakt van de groeiende ontevredenheid vruchtbare grond voor het discours van Trump, Le Pen, Wilders en Farage.

Brexit-propaganda

Brexit-propaganda

De meeste kiesdistricten die traditioneel Labour stemden hebben voor Brexit gekozen, hoewel de partij oficieel in het Remain-kamp zat.  Dat is minder verbazingwekkend dan het misschien lijkt. Met Tony Blair aan het roer sprong Labour op de neo-liberale trein maar de vakbondsbasis van de partij bleef intussen de ontevredenheid  masseren met het verhaal waarin buitenlandse concurrentie de boosdoener is en protectionisme de oplossing.

Vandaar is de stap naar een nationalistisch wereldbeeld waarin immigranten vijanden zijn niet zo groot. Dat heeft ook Donald Trump begrepen. In zijn laatste speechen was oppositie tegen vrijhandelsverdragen zijn hoofdthema.  Dat was ook het hoofdthema van Bernie Sanders.  Volgens een Bloomberg-poll is 22 % van de supporters van Sanders van plan om voor Trump te stemmen. Trumps strategie lijkt er nu op gericht om dat percentage op te drijven. Hij hekelt de globalisering “die de elite zeer rijk heeft gemaakt  en miljoenen arbeiders in de kou liet staan”. “Hij valt Hillary Clinton aan langs links”, observeerde The New York Times.  Ook andere kranten vonden het een slimme zet, de enige manier waarop hij kan winnen.

Het ‘grootste kwaad’

In de satirische Daily Show was er onlangs een segment waarin Sanders-supporters die nu Trump steunen voor schut werden gezet als een stel idioten. Het is waar dat er op allerlei vlakken een hemelsbreed verschil is tussen Sanders en Trump. Maar de Daily Show negeerde dat er ook belangrijke raakpunten zijn tussen beiden. Genoeg volgens sommige linksen om Trumps foute standpunten door de vingers te zien.

trump 0

Een van hen is Boris Kagarlitsky. Deze publicist schreef onlangs een opiniestuk  getiteld “Who’s afraid of Donald Trump?”   dat nogal wat discussie opwekte in uiterst linkse kringen. Kagarlitsky werd bekend als een van de enige dissidenten in de USSR die het regime vanuit een marxistische invalshoek bekritiseerden. Ook in dit essay hanteert hij een soort marxisme. Tijdens de voorverkiezingen steunde hij Sanders maar nu valt hij uit tegen de tendens van links om de rangen te sluiten achter Hillary Clinton, “the lesser of two evils”. Sanders zelf heeft gezegd dat hij alles wil doen om te voorkomen dat Trump wint. Maar voor Kagarlitsky is niet Trump maar Hillary “the greater of two evils”. Zij vertegenwoordigt de neo-liberale status quo, de dominantie van het financieel kapitaal dat de wereld in 2008 in recessie dompelde en een agressieve politiek tegen de werkende bevolking voorbereidt. Trump daarentegen vertegenwoordigt de bouwsector en het industriële kapitaal die  achteruit boerden omdat hun belangen ondergeschikt werden gemaakt aan de speculatieve geldhonger van het financiële kapitaal. Net als Sanders zou Trump het financiële kapitaal dwarsbomen door de vele miljarden te blokkeren die de banken en hun omgekochte politici toelaten om te parasiteren op de  rug van de “echte” economie. Kagarlitsky ziet een globale revolte van het industriële kapitaal en juicht de trend toe. “Verandering is op komst”, voorspelt hij, “het huidige neoliberale model van kapitalisme is uitgeput. Als links er niet voor wil of kan vechten zullen het rechtse populisten zijn zoals Trump en Le Pen die het de fatale slag toebrengen”.

Trump is een kapitalist, erkent Kagarlitsky. Maar “de nederlaag van het financiële kapitaal, ongeacht wie het tot stand brengt, zou een nieuw tijdperk openen in de ontwikkeling van de westerse maatschappij, ze zou onvermijdelijk de arbeidersklasse versterken en haar organisaties nieuw leven inblazen.” Zelfs Trumps belofte om een muur te bouwen tussen de VS en Mexico vindt gratie in zijn ogen. Op zich is het “redelijk absurd”, geeft hij toe,  maar hij ziet het ook als een “keynesiaans project” dat “honderden duizenden banen zou creëren” aan beide kanten van de grens.

Wat nog maar eens toont  dat je met “marxisme” alle kanten uit kunt.  Maar het idee dat Trump een vijand is van het financieële kapitaal is ook “redelijk absurd”. Zelfs voor een marxist. De epische strijd tussen het financiële en het industriële kapitaal bestaat alleen in Kagarlitsky’s verbeelding. In werkelijkheid zijn ze innig verwoven en trekken ze aan hetzelfde touw.  Ook Hillary en Donald.

friends

Maar Kagarlitsky  heeft geen ongelijk als hij wijst op de nauwe banden tussen de Clintons en Wall Street. Hillary weigert steevast om de inhoud van de dure speechen die ze voor Wall Street kaders gaf vrij te geven. Wat daar gezegd werd is blijkbaar niet geschikt voor mijn of jouw oren. Clinton vertegenwoordigt inderdaad de status quo.  Haar campagne is niet gebaseerd op voorstellen om de problemen anders aan te pakken maar op de belofte om de huidige rotzooi kundig te beheren. Haar voornaamste argument is dat Trump het nog veel erger zou maken.

Er is het verlangen naar verandering maar er ontbreekt een toekomstperspecief.  Kagarlitsky heeft misschien gelijk: als de verandering niet van links komt, zal ze van rechts komen.  Bij gebrek aan toekomstperspectief, wint het verledenperspectief. Maar in tegenstelling tot Kagarlitsky worden we daar niet vrolijk van.

poster

Een Trump-citaat

Een Trump-citaat

July 5, 2016 at 5:13 am Leave a comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,591 other followers