Posts filed under ‘links’

ABOU JAHJAH, KOP VAN JUT

       Wat zat er achter de rel bij De Bezige Bij?

Door Hugo Durieux

Nu het relletje rond De Bezige Bij en Dyab Abou Jahjah met een sisser is afgelopen, is het goed eens terug te kijken naar wat er mogelijk echt aan de hand was. In Belgische media (De Standaard, De ideale wereld) werd het voorgesteld alsof enkele Nederlandse auteurs problemen hadden met het imago van Abou Jahjah als woordvoerder van een nieuwe generatie islamitische jongeren. David Van Reybrouck en Tom Lanoye wezen dan weer op de achterstand van Vlaanderen ten opzichte van Nederland wanneer het gaat om de maatschappelijke integratie van moslims, en op het feit dat er dus ook vandaag een verschil in toonaard kan zijn in het streven naar emancipatie.

 

Abou Jahjah

Abou Jahjah

Toch is dit cultuurverschil niet waar het initieel om ging. De heisa werd uitgelokt door enkele schrijvers en columnisten die moeite hebben met Abou Jahjah’s kritiek op het Israëlische beleid tegenover de Palestijnen. Het relletje haalde de Belgische media toen De Groene Amsterdammer begin april drie volle pagina’s wijdde aan de verontwaardiging van enkele auteurs van De Bezige Bij (Theodor Holman, Leon de Winter, Jessica Durlacher en Marcel Möring) over een boekcontract voor Abou Jahjah. Het gaat om de uitgave van ‘Pleidooi voor radicalisering’, een pamflet van 96 pagina’s dat in september zou verschijnen in de Horzelreeks. Met die verontwaardiging waren zij overigens behoorlijk laat: het contract werd al in februari gesloten. En gek genoeg, de auteur zat al bij De Bezige Bij. Op de website van de uitgeverij wordt zijn ‘Dagboek Beiroet-Brussel’ voor € 20,95 aangeboden als print on demand.

 

Meteen werd de argumentatie bovengehaald waarin kritiek op Israël en antizionisme gelijkgesteld worden aan antisemitisme en oproepen tot jodenhaat. Die retorische truc is natuurlijk niet nieuw, maar misschien is het goed om er nog eens naar te kijken tegen de achtergrond van de beweging Boycott, Divestment and Sanctions (BDS) die over de hele wereld groeiende steun verwerft en tot enige onrust leidt in Israël en blijkbaar ook binnen de Amsterdamse grachtengordel.

 

Antizionisme = antisemitisme?

Leon De Winter

Leon De Winter

Jessica Durlacher

Jessica Durlacher

Leon de Winter (meneer Durlacher) en Jessica Durlacher (mevrouw De Winter) staan te pas en te onpas op de barricaden om bij elke kritiek op Israël ‘antisemitisme!’ te roepen. In Vrij Nederland van 5 april 2003 geven zij een dubbelinterview. Daarin schrijft interviewer, VN-redacteur Max van Weezel: “Voor de Palestijnen is de situatie niet leuk, beseft het echtpaar. Maar er worden zoveel volkeren onderdrukt – van de Hutu’s in Rwanda tot de Tsjetsjenen in Rusland. Maar daar hoor je de media niet over. Die hebben het liever over de wandaden van de Israëliërs omdat dat joden zijn.”

Redactrice Margreet Fogteloo, die de zaak onder de aandacht brengt in De Groene Amsterdammer, citeert dan weer Theodor Holman: “Zijn ze gek geworden? Geert Lubberhuizen, oprichter van De Bezige Bij, zat in het verzet, samen met leden van de Paroolgroep. Ze hielpen Joodse kinderen de oorlog door.” Dan denk ik: ja, nou en? Waarom zou je niet in het verzet tegen de nazi’s kunnen zitten en ‘Joodse kinderen de oorlog door helpen’, en nu tegen de Israëlische politiek zijn en de Palestijnen steunen in hun verzet tegen de bezetting? Jessica Durlacher wordt in hetzelfde stuk geciteerd: “Iemand die het woord zionisten gebruikt voor joden en zichzelf een fanatiek antizionist noemt, tja, hoe noem je zo iemand?” Tja, hoe noem je iemand die kritiek op de Israëlische politiek gelijkstelt met antisemitisme en jodenhaat?  Daarmee worden overigens meteen ook joodse antizionistische organisaties als Een ander Joods geluid in Nederland of Een andere Joodse stem in België weggezet als verraders of in het beste geval misleide en onnadenkende naïevelingen.

Maar noch in de geschiedenis, noch vandaag is er een één-op-één relatie tussen joden en Israël. Zelfs in de periode van de affaire-Dreyfus en de pogroms in Rusland aan het eind van de negentiende eeuw was slechts een zeer kleine minderheid van de Europese joden geïnteresseerd in het nationale project van de grondlegger van het zionisme, Theodor Herzl. Sterker nog, vóór de tweede wereldoorlog gingen antisemitisme en zionisme heel goed samen: de oprichting van een Joodse staat zou de mogelijkheid bieden om de joden uit Europa weg te krijgen. Vandaag zijn de hevigste zionisten dan weer vaak evangelische christenen. Bekijk de recente EO-reportage over Kris Carlier die met steun van Christenen voor Israël in Oekraïne onvermoeibaar joodse gezinnen opzoekt om hen te overtuigen zich in het Beloofde Land  te vestigen. Christenen voor Israël is al twintig jaar bezig met dat project ‘Breng de Joden thuis’. De christelijke steun aan het zionisme heeft trouwens wat dubbelzinnigs, lijkt mij. Volgens hun geheel eigen evangelische lezing van de bijbel is de terugkeer van de joden naar het Beloofde Land immers een voorwaarde voor de vestiging van het Koninkrijk Gods. Maar helaas, daar schieten die joden dan weinig mee op; terwijl zij nog aan het wachten zijn op de komst van de Messias, zullen zij niet gered worden op de dag van het Laatste Oordeel, tenzij zij zich inmiddels bekeerd hebben tot Jezus. Niks uitverkoren volk dus uiteindelijk.

Het is niet aan mij om Abou Jahjah te verdedigen, daar gaat dit stuk niet over. Ik kan alleen zeggen dat in wat ik van hem lees – zijn wekelijkse column in een Vlaamse krant – ik niet kan zien dat hij ooit joden heeft aangevallen omdat zij jood zijn. Integendeel, steeds valt mij op hoe zorgvuldig hij het onderscheid tussen joden en zionisten in stand houdt. En als hij al eens beweerd heeft dat Israël moet verdwijnen, lijkt mij dat nog altijd een stuk minder heftig dan de politiek van de voldongen feiten waarmee Israël bezig is geheel Palestina in te palmen (onder meer door de verwoesting van scholen, speelplaatsen, havens, die met Europees belastinggeld zijn gebouwd).

 

‘Minder grijpbaar’

Magreet Fogteloo schrijft over De Bezige Bij: “uitgerekend deze uitgeverij, geworteld in het verzet tegen de nazi’s, gaat in zee met iemand die openlijk antizionistisch is en – minder grijpbaar – antisemitisch.” Wat moet je begrijpen onder antisemitisme dat ‘minder grijpbaar’ is? Het is er wel, maar je merkt het niet? Betekent dit dat in haar ogen Abou Jahjah’s antisemitisme verborgen zit in zijn antizionisme? Dan neemt zij gewoon het standpunt van Holman & co over. Misschien speelt hier sympathie of solidariteit met naaste collega’s. Theodor Holman had tot voor kort in De Groene een wekelijkse column onder de naam Opheffer; Marcel Möring schrijft er min of meer regelmatig over zijn omgang met technologie (vaak komisch en herkenbaar). Maar misschien is er ook meer aan de hand.

Volgens Fogteloo is vooral onder linkse intellectuelen “‘de joodse zaak’ niet meer populair, het mededogen voor gediscrimineerde minderheden heeft zich verlegd naar moslims. De nieuwe solidariteit is terug te voeren op het voortdurende conflict in Israël en het brute geweld tegen de Palestijnen. De wet van het getal doet de rest: er zijn miljoenen moslimmigranten in Europa die luid van zich laten horen, terwijl de joodse gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog is geminimaliseerd en verregaand geassimileerd.” Probeert de redactie dan tegendraads te zijn, door als ‘genuanceerd weekblad’, zoals hoofdredactrice Xandra Schutte haar blad noemt, ruimte te bieden aan zionistische argumenten? Of geloven zij nog steeds in de idee van een links zionisme?

jaffa2032520x20449

Boycot, Desinvesteren en Sancties

Misschien wel. Zo maakte De Groene Amsterdammer op 25 juni 2015 vier volledige pagina’s vrij voor twee bijdragen tegen de beweging Boycot, Desinvesteren en Sancties (BDS). Oud-redactrice Anet Bleich mocht een gastcolumn schrijven, waaruit de redactie in dikke letters het citaat naar voren haalde “Van links Nederland mag ik toch wel verwachten dat het Israël niet als een hete aardappel laat vallen?”. Toegegeven, het stuk zelf is genuanceerder in zijn argumentatie, maar ook hier weer die gelijkstelling van Israël (in dit geval beperkt tot Tel Aviv) en joden (in Mokum).

Ook mag Natascha van Weezel over drie pagina’s beargumenteren dat de eisen van de voorstanders van een economische en culturele boycot van Israël niet helemaal koosjer zijn. (Wie? Jawel, Natascha is de dochter van Max van Weezel en Anet Bleich, die hierboven al ter sprake kwamen, en die in de jaren 1970 en ’80 bekend waren als redacteuren van de twee belangrijkste linkse weekbladen in Nederland, respectievelijk Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer. Vooral Anet Bleich had er toen al een handje van weg om elke kritiek op het zionisme of Israël af te doen als smerig antisemitisme – ik herinner mij haar razende tirade in het blad tegen het boek van Lucas Catherine De zonen van Godfried van Bouillon – de zionistische lobby in België  uit 1980).

Maar goed, Natascha van Weezel. Het argument dat een boycot op het gebied van economie, wetenschap, cultuur en sport wel degelijk heeft bijgedragen tot het einde van het apartheidsregime in Zuid-Afrika gaat volgens haar niet op, want “het is op zijn minst prematuur” om Israël een apartheidsstaat te noemen. Immers, de Arabische inwoners van Israëlische steden hebben “in theorie nog steeds gelijke rechten” en de bezetting van de Westelijke Jordaanoever wordt door Israël beschouwd als tijdelijk, en gedicteerd door de omstandigheden. Eerder dan van apartheid, is er in Israël en Palestina “veeleer sprake van een onopgeloste strijd om grondgebied”. Ook het argument dat BDS tenminste vreedzaam protest is, is relatief volgens Van Weezel: “Alleen bestaat er een dunne lijn tussen vreedzaam handelen en de stap naar het gebruik van verbaal of fysiek geweld. Doordat de bds-beweging constant hamert op de ‘schandalige misdaden’ die Israël begaat en inwoners van het land af en toe voor nazi’s uitmaakt, lopen sommige acties uit de hand.” Volgt het voorbeeld van Kopenhagen, waar vier bussen in brand gestoken werden en met anti-Israëlische leuzen beklad, nadat het gemeentelijk vervoersbedrijf besloten had BDS-reclame van de bussen te verwijderen. Dit soort geweld, ze zullen er in Gaza eens hartelijk om lachen, denk ik.

Tenslotte, “het belangrijkste bezwaar tegen Boycot, Desinvesteren en Sancties”, schrijft Natascha van Weezel, “is het gevaar dat je er precies de verkeerde mensen mee treft. Met een economische boycot raak je bedrijven en grote concerns, die voor een deel werkzaam zijn in bezet gebied. Maar met de academische en culturele boycot raak je individuen.” Zij heeft het dan onder andere over kunstenaars en schrijvers als Amos Oz en David Grossman, die minstens evenzeer in de maag zitten met de bezetting als BDS. Verder vermeldt zij een aantal culturele initiatieven, waarin Palestijnse en Israëlische kunstenaars al dan niet tot een geslaagde samenwerking konden komen.

Tegen die voorbeelden staan er echter ook andere. Zo citeert Salon.com op 11 april 2016 een brief van 22 Israëlische antropologen aan de American Anthropological Association (AAA): “We agree that we have reached a crisis point, where under certain international conditions, another mass expulsion of Palestinians could occur—or worse… We believe it is possible to take a positive stand against this reality. The Palestinian call for BDS is at its core an anti-colonial, non-violent form of international protest against an enormously violent occupation.” De brief is een bijdrage aan de stemming die van 15 april tot 31 mei binnen de AAA loopt over een resolutie  tot academische boycot van Israël. In december 2014 werd met meer dan 630 stemmen tegen 52 besloten de resolutie voor te leggen aan de gehele organisatie.  De AAA bundelt tientallen academische beroeps- en studentenorganisaties en zou meteen de grootste academische vereniging zijn die dit standpunt inneemt.

En wat artiesten betreft, in februari 2015 bijvoorbeeld tekenden nog meer dan duizend Britse kunstenaars (waaronder mensen als Brian Eno, Julie Christie, Richard Barrett, John Berger, Adrian Sherwood) deze Artists’ Pledge: “We support the Palestinian struggle for freedom, justice and equality. In response to the call from Palestinian artists and cultural workers for a cultural boycott of Israel, we pledge to accept neither professional invitations to Israel, nor funding, from any institutions linked to its government until it complies with international law and universal principles of human rights.” In België timmert BACBI (Belgian Campaign For An Academic And Cultural Boycott Of Israel) al een tijdje aan de weg.

 

Doet het toch pijn?

Is het overdreven te stellen dat Boycot, Desinvesteren en Sancties  wereldwijd aan belang wint? Vermoedelijk niet. Zo werd op 10 mei van dit jaar bekend dat Omar Barghouti, een van de oprichters van de Palestijnse BDS-beweging, geen reisdocumenten meer krijgt van Israël en dat zijn permanente verblijfsvergunning mogelijk zal worden ingetrokken. Die beslissing werd overigens al min of meer aangekondigd op de conferentie Stop BDS, einde maart in Jeruzalem. Hoewel de meer dan duizend aanwezigen (president Rivlin, parlementsleden en andere politici, inlichtingendiensten, journalisten, zakenlui, …) voortdurend hoorden verklaren dat Boycott, Divestment and Sanctions weinig voorstelt, gaven de verslagen in Israëlische media (972mag.com, mondoweiss.net, Jerusalem Post) toch een ander beeld. Zo waarschuwde de hoofdredacteur van de organiserende krant dat Israël niet over vijf of tien jaar terecht mag komen in de situatie van Zuid-Afrika tijdens de boycot. Minister van Inlichtingen, Atoomenergie en Vervoer Yisrael Katz opperde het idee om militanten van de BDS-beweging gericht uit te schakelen. (Het is dezelfde Katz, die na de aanslagen van 22 maart in Brussel, verklaarde dat de Belgen zich teveel bezig houden met chocolade eten en van het leven genieten, en beter een voorbeeld zouden nemen aan Israël.) Ook aan het woord kwamen verder onder meer ex-minister van Justitie Tzipi Livni, de voorzitter van het World Jewish Congress Ron Lauder, comedian Roseanne Barr en president Rivlin zelf. Kortom, misschien kwamen al die mensen die getuigden hoe onbelangrijk de boycot is, wel bewijzen hoe zeer men er mee inzit.

De tekenen dat de wereldwijde beweging  Boycot, Desinvesteren en Sancties wel degelijk pijn doet in Israël zijn er al langer, zo laten Natascha van Weezel en Anet Bleich zien in De Groene Amsterdammer. Maar dit voorjaar kwam een aantal zaken ineens samen: de stemming binnen de American Anthropological Association, de Stop BDS conferentie in Jeruzalem, de onrust bij een aantal Nederlandse zionisten met toegang tot de media. Abou Jahjah was misschien gewoon een gedroomde zondebok.

 

Hugo Durieux is jurist en filosoof.  Hij schrijft: “Ik heb ruim tien jaar gewerkt als journalist, overwegend in Nederland. Nadien was ik lange tijd universitair en hogeschooldocent, en vervolgens jurist en (project)manager in de non-profitsector. Tegenwoordig woon ik in de Belgische Ardennen.” Zijn website: http://durieux.eu

 

Enkele jaren geleden hebben we in dit salon een fel debat gevoerd over de zin of onzin van de Boycott Israel –beweging.  Lees het hier: https://salonvansisyphus.wordpress.com/2010/02/07/boycott-nee-dank-u/

 

 

May 20, 2016 at 5:02 am Leave a comment

NUIT DEBOUT: OPSTAND VAN DE JEUGD ZONDER TOEKOMST.

Na onder andere de Indignados in Spanje en Occupy Wall Street in de VS komen nu ook in Frankrijk jongeren en ouderen in verzet tegen de neoliberale platwals. Is de Nuit Debout-beweging een blijver of is het de zoveelste tot mislukken gedoemde poging om de onmacht van links te doorbreken?

Continue Reading May 12, 2016 at 1:03 pm 5 comments

BYE BYE BERNIE

image

Door Tom Ronse

Een fors ingekorte versie van dit stuk verscheen gisteren in De Morgen.

Na New Hampshire leek er heel even een kansje te bestaan dat Bernie Sanders de nominatie zou winnen. En dan misschien wel het Witte Huis, als zijn tegenstander Trump zou zijn. Sanders versus Trump. Twee NewYorkse vechtjassen in de ring, het zou een leuk spektakel geworden zijn. Maar niet dus. Het was al van bij het begin onwaarschijnlijk dat een bejaarde senator van een dunbevolkte staatje, een jood uit Brooklyn die zich socialist noemt en die niet eens tot de partij behoorde, de presidentskandidaat van de Democraten zou worden. Toch is het merkwaardig dat het tij in Clintons voordeel keerde doordat de grote meerderheid van de zwarte kiezers in het zuiden zich achter haar schaarde. Komt het door Bills “southern charm”? Of door de goede relaties die de Clintons onderhouden met zwarte politici? Ik kan alleszins in Bill’s beleid als president geen reden vinden voor de populariteit van de Clintons in zwart Amerika. Integendeel.

“Clinton –more than any other president- created the current racial undercaste”, schrijft professor Michelle Alexander in haar goed gedocumenteerd boek “The New Jim Crow –Mass Incarceration in the Age of Colorblindness” (2010). Onder geen enkele andere president steeg het aantal zwarten in gevangenschap zo snel als onder Clinton. Hij zorgde voor de expansie en militarisering van de politie. Hij schafte het recht op bijstand af voor alleenstaande moeders. Enzovoort. De lijst van de onder Clinton genomen maatregelen waarvan vooral zwarte Amerikanen het slachtoffer waren is lang.

Dit alles in het kader van “de oorlog tegen drugs” en de noodzaak om te bezuinigen. Maar in praktijk werd die oorlog vooral tegen zwarten gevoerd en werd er in feite niets bezuinigd. Wat veranderde was waar het geld voor gebruikt werd. “De dramatische verschuiving naar bestraffing resulteerde in een massieve herbestemming van de publieke uitgaven”, schrijft Alexander. “Tegen 1996 was het budget voor het gevangeniswezen al twee keer zo groot als dat voor sociale bijstand en voedselbonnen. De fondsen voor social woningbouw werden overgeheveld naar de bouw van gevangenissen. Onder Clinton werd het budget voor sociale woningen met 17 miljard dollar verminderd (een daling van 61%) en het budget voor gevangenissen met 19 miljard dollar verhoogd (een stijging van 171%), waardoor “de constructie van gevangenissen daadwerkelijk het voornaamste overheidsprogramma werd om de stedelijke armen te huisvesten.” (p.57)

De massale opsluiting van jonge zwarten, het politiegeweld, de diepe armoede: het zijn problemen die vandaag heel erg leven in de zwarte gemeenschap en waarvoor Clinton in niet geringe mate verantwoordelijk is. Bernie Sanders hamerde op die thema’s, uit overtuiging en in een vergeefse poging om de zwarte kiezers achter zich te krijgen. Hillary Clinton’s reactie was om Sanders’ thema’s te co-opteren. Om nog luider dan hij te roepen dat de massale opsluiting en repressie van jonge zwarten een schande was. Zonder zelfkritiek weliswaar. Met video-clips van vroeger, uit interviews waarin Hillary de maatregelen prees die ze nu verguist, had Sanders haar in zijn kiesreclame van hypocrisie kunnen beschuldigen.Maar hij deed dat niet. Zoals hij evenmin Clinton’s pijnpunten exploiteerde, de emails en Benghazi, waarover we in de eindstrijd van Republikeinse kant nog meer zullen moeten horen dan ons lief is.

Waarom deed hij dat niet? Omdat hij zijn belofte om een positieve campagne te voeren wou nakomen? Of omdat hij ook wel weet dat hij uiteindelijk moet verliezen en er dus belang bij heeft om zijn relatie met de winnares niet te verknoeien? Ik had het hem graag gevraagd maar natuurlijk heeft Bernie dezer dagen geen tijd voor mij. In 1993 was dat anders. Bernie was toen pas herkozen als congreslid. Hij kon toen nog wel enkele uren vrijmaken voor een gesprek met een jonge Belgische journalist. Mijn interview verscheen in De Morgen en De Groene Amsterdammer. De reden dat er belangstelling voor was, was dat Sanders het enige congreslid was die niet tot een van beide partijen behoorde en die zich bovendien ‘socialist’ durfde noemen in een land waar die term een scheldwoord was geworden.

Misschien maakte hij tijd voor mij omdat hij een boon heeft voor Europeanen. Dat is wat de Republikeinen hem naar het hoofd slingeren; dat hij te veel van Europa houdt, dat hij Amerika meer zoals Europa wil maken. Sanders spreekt dat niet tegen. “ Socialisme betekent voor mij wat jullie in Europa hebben”, zei hij me, “gezondheidszorg als een recht, goedkoop hoger onderwijs, een degelijk sociaal vangnet …” Misschien idealiseerde hij Europa wel een beetje. Maar wat hij toen zei na te streven is hetzelfde als wat hij nu in zijn campagne voorstelt. In tegenstelling tot zovele andere politici, de Clintons niet het minst, kan hem niet vaak verweten worden dat hij zijn huik naar de wind hangt. Dat is een van de redenen van zijn populariteit.

Er zijn vele Democraten in het Congres die min of meer hetzelfde verdedigen als jij”, zei ik hem, “Waarom word je geen Democraat zoals hen?”

Sanders grinnikte. “Ik ben de enige linkse afgevaardigde in het Congres die kan zeggen wat hij denkt. Ik heb geen last van fractiediscipline. Wat kunnen ze doen, me uit de partij gooien?”

Nee dat konden ze niet. Maar wat de Democraten wel hadden gekund was Sanders invloedrijke posities in Congrescomités ontzeggen. Hem isoleren. Dat hebben ze ook niet gedaan. In praktijk werkte Sanders vlot samen met Democraten. In de senaat is hij vice-voorzitter van het invloedrijke Budget-comité.

“Er zijn twee soorten Democraten waarmee ik samenwerk in het Congres”, zei hij me. “Enerzijds de liberals die progressief zijn in kwesties zoals het milieu, abortus, de rechten van vrouwen en homo’s maar die in hun economische standpunten vaak behoudend zijn: ze zijn voor vrijhandelsverdragen en tegen de verhoging van het minimumloon. Aan de andere kant heb je Congresleden die arbeidersdistricten vertegenwoordigen en die als conservatief worden beschouwd omdat ze tegen abortus en homorechten zijn en niet bepaald op de bres staan voor het milieu. Maar ze zijn wel tegen de vrijhandelsverdragen en voor tewerkstellingsprogramma’s. Ik werk met beide groepen samen op verschillende terreinen.”

Sanders was en is wellicht het meest linkse Congreslid, behalve op één punt: gun control. Inzake nationale wetgeving om het wapenbezit in te perken koos hij vaak de kant van de conservatieven, zoals Hillary Clinton niet nalaat om te benadrukken. Ik vroeg hem op hij op dat vlak zijn linkse principes niet wat opzij schoof om in een rurale staat als Vermont, waar veel gejaagd wordt, verkozen te worden.

“Gun control is een stokpaardje van de liberals maar het helpt geen zier om het geweld en de misdaad in dit land in te perken”, antwoordde hij heftig. “Gun control is voor liberals wat de doodstraf is voor conservatieven: een symbool, een schijnoplossing.”

Ik ben er niet tegen, verzekerde hij me. “Maar ik vind dat de federale regering er zich niet mee moet bemoeien. Laat de staten er zelf over beslissen.”

“Het is toch absurd om te beweren dat het geen federaal probleem is als het zo simpel is om wapens van de ene staat naar de andere te brengen”, wierp ik tegen.

“Wapens krijgen veel aandacht maar daar gaat het in feite niet over”, antwoordde Sanders. Wat je zou moeten vragen is dit: waarom schieten zoveel mensen in dit land op elkaar? Als je die vraag niet aanpakt, die te maken heeft met armoede, werkloosheid, gebrek aan degelijk onderwijs, wanhoop, dan kan je zoveel controle op wapens instellen als je wilt maar dat zal het geweld niet stoppen.”

Ik merkte op dat je dat ook zou kunnen zeggen over zijn eigen compromissen met de Democraten in het Congres : dat ze de diepere oorzaken van de problemen niet wegnemen.

“Met dat soort dilemma’s worstel ik voortdurend”, zuchtte Sanders. “Moeten we iets steunen dat niets doet aan de oorzaken van het probleem maar dat tenminste iets doet? Is het soms beter om nee te zeggen, om het systeem in duigen te laten vallen, in plaats van een verziekte situatie proberen op te lappen?”

Een bel rinkelde, gevolgd door een stem uit een luidspreker die de Congresleden verwittigde dat ze nog een kwartier hadden om te stemmen. Waarover er gestemd moest worden heb ik vergeten. We namen de lift naar de kelderverdieping van het gebouw waar Congresleden hun kantoren hebben, en belandden in een brede onderaardse gang die naar het Kapitool (het Congresgebouw) leidde. Andere gangen kwamen er in uit. Het was de eerste keer dat ik in dat netwerk van tunnels was dat onder de straten van Washington diverse overheidsgebouwen met elkaar verbindt. Het was er drukker dan bovengronds.

“Geen van beide partijen dient het algemeen belang”, zei Sanders onderweg, “ze worden beiden gedomineerd door machtige financiele belangen. De Democratische partij heeft nu [in 1993 –TR] alle hefbomen van de macht in handen. Het witte Huis, beide kamers van het Congres. Maar wezenlijk verandert er niets. Voor mij staat het vast dat de Democratische partij niet in staat is om de fundamentele problemen op te lossen.”

Dat zou hij natuurlijk vandaag niet meer zeggen. In 2015 gaf hij zijn onafhankelijk statuut op om zich aan te sluiten bij de Democratische partij en meteen ook haar leiderschap op te eisen. De partij vond dat best. Hij leek hoe dan ook geen kans te maken en Hillary moest toch wat tegenwind krijgen in de voorverkiezingen. Dat die tegenwind haar bijna omver zou blazen had niemand verwacht. Dat ze bleef rechtstaan en zich vandaag zeker kan voelen dat ze de nominatie op zak heeft, dankt ze in grote mate aan de ruggesteun van de Democratische “machine”. De “superdelegates” (de Democratische verkozenen en leiders) staan haast als één man achter haar. Wat impliceert dat een meerderheid van de stemmen voor Sanders niet zou volstaan om te winnen. Het zou een supermeerderheid moeten zijn. Dat is, zeker na de resultaten van dinsdag, geen realistisch persperctief. Dus Bye bye Bernie.

Er wordt hem de verdienste toegeschreven dat hij, ondanks zijn onvermijdelijk verlies, de Democratische partij en haar op voorhand gezalfde kandidaat heeft gedwongen om naar links op te schuiven. Dat valt af te wachten. De Clintons zijn gladde alen. Bill’s strategie om van de Republikeinen te winnen bestond er in om een groot deel van hun programma over te nemen. Het zou niet verbazingwekkend zijn als Hillary dat ook zou doen, zeker als de Republikeinen hun meerderheid in het Congres zouden behouden. Maar ook de grote meerderheid van de Democratische Congresleden is gekant tegen de essentie van Sanders’ programma. Hogere belastingen voor betere sociale voorzieningen, het is niet voor morgen.

March 19, 2016 at 4:14 am 3 comments

HEERLIJK HELDER, OOK OVER DISCRIMINATIE

De Wever in flou artistique

De Wever in flou artistique

 

door Walter Zinzen

Drie maanden lang hebben we kunnen genieten van de inspanningen op Radio 1 om onbegrijpelijk ambtenarees te vervangen door helder taalgebruik. Tegelijkertijd hebben we zelden zoveel duistere (onheldere?) mededelingen gehoord als uitgerekend nu. Terwijl de uitspraken van kamerlid-burgemeester-partijvoorzitter Bart De Wever (N-VA) in Terzake ongemeen helder en niet voor dubbele interpretatie vatbaar waren, was in de stortvloed aan reacties de helderheid vaak erg ver te zoeken. Een toemaatje op de campagne voor heldere taal lijkt aangewezen.

Laten we beginnen met een typisch Belgische miskleun: het Gelijkekansencentrum. Dat heet officieel ‘interfederaal’ te zijn. Nu wist mijn grootje al dat interfederaal betekent: tussen federaties. Als de federale republiek Duitsland samen met het federale koninkrijk België een instelling zou oprichten en beheren, dan zou die inderdaad terecht interfederaal genoemd kunnen worden. Maar het Gelijkekansencentrum wordt bestuurd door een allegaartje van de federale Kamer, de gewesten en de gemeenschappen. De term interfederaal slaat dus als een tang op een varken.

Racist als geuzentitel

Gelukkig zijn de standpunten van het centrum een stuk minder misleidend dan zijn naam zou doen vermoeden. Directeur Jozef De Witte kon geen gebrek aan helderheid worden verweten toen hij de uitspraken van De Wever ‘niet racistisch’ noemde. Maar uitgerekend over het begrip racisme werd door anderen heel wat mist gespuid. Vooreerst door De Wever zelf die racisme ‘relatief’ noemde. Filip Dewinter vond ‘racist’ dan weer een geuzentitel en is er trots op dat hij er één is, om dat later weer te ontkennen. En ook rector Rik Torfs van de KU Leuven liet zich niet onbetuigd. In De Morgen schreef de rector dat er ‘onzekerheid en onduidelijkheid groeit over de exacte contouren van het begrip racisme’. Hij voegde eraan toe: ‘Zeker, het openlijke racisme van de usual suspects is helder. Maar de grensgebieden worden nadrukkelijk vager.’ Verwijzend naar Didier Reynders, die zijn gezicht had zwart geverfd, zei de rector dat je onbewust racist kunt zijn, tegen wil en dank. ‘Dat maakt het moeilijk om zelf te weten of je een racist bent of niet.’
Ze zullen het bij het Gelijkekansencentrum met genoegen hebben gelezen. Met zulke overwegingen kun je niemand meer vervolgen voor racisme. Ach ja, ik heb mijn woning niet willen verhuren aan een Berber, maar ik wist niet dat ik daarom een racist ben.

Censuur

Dit soort flou artistique maakt niet alleen helder spreken, maar vooral ook helder denken moeilijk, zo niet onmogelijk. Wellicht was dat ook Torfs’ bedoeling: zeker niet politiek correct te zijn. Het hoge woord is eruit: politiek-correct-mag-niet.
Volgens Lorin Parys (N-VA) is politieke correctheid zelfs een ‘inefficiënt systeem dat in theorie een gelijkere samenleving nastreeft, maar in de praktijk vervalt in een systeem van censuur’. Het stuitende aan dit soort taalgebruik is dat in feite precies het omgekeerde wordt bedoeld van wat er staat en dus ook het volstrekte tegendeel is van heldere communicatie. Want wat voor de drommel is er mis met correctheid, politieke of andere? Krijgen schoolkinderen op hun examens goede punten voor niet correcte en dus foute antwoorden? Hebben we zelf niet in onze jeugd geleerd dat we zonder fouten, dus correct, moeten spreken en denken? Waarom zouden we dat dan nu niet meer mogen doen?
Al in de oudheid maakten filosofen het onderscheid tussen syllogismen (correcte redeneringen) en sofismen (foute want drogredeneringen). Wat willen Lorin Parys en al die andere koene bestrijders van politieke correctheid nu eigenlijk? Dat we het sofisme tot syllogisme uitroepen? Dat we waarheid vervangen door leugen? Hoe kan Parys nu beweren dat een correct systeem leidt tot censuur? Uiteraard bedoelt hij iets helemaal anders: dat het om een systeem gaat dat niet correct, dus fout is. Willen hij en zijn geestesgenoten dat dan ook zo formuleren, in naam van de helderheid, niet alleen van communiceren, maar vooral ook van denken en dus handelen?

Geert Wilders in flou artistique

Geert Wilders in flou artistique

 

April 8, 2015 at 12:10 pm 3 comments

DE TIJD VAN TOEN…

Israeli Army announce constriction of separation barriers

door Lucas Catherine

6/9/69 is een speciale datum voor mij. Er zijn mensen die hun verjaardag belangrijk vinden, ik deze datum. Ik zat toen tegen een muurtje gehurkt met kramp in de darmen. Hij heeft van bij zijn geboorte altijd ‘gevoelige darmen’ gehad, placht mijn moeder te zeggen. Dat muurtje stond op de bezette Golan hoogte. Hoe ik daar kwam is een te lang verhaal. Alleen dit. Wij waren daar op fed 1 bolexh16de nacht aan het wachten om door Israël bezet gebied in te trekken. Ik met een camera Paillard Bolex 16mm, bouwjaar 1956 om te filmen. Zij om een basis van het Israëlisch leger aan te vallen.

In het totaal ging het om 80 fedayin. Het aanvalsplan was de dag voordien opgesteld: twee groepen die iets meer noordelijk en zuidelijk gelegerd waren zouden als afleidingsmanoeuvre eerst aanvallen. Bij de zuidelijke groep was ook mijn kompaan Paul, met zijn Paillard. De aanvalslijn liep over twintig kilometer. De Israëli’s zouden eerst in Tel al Ahmar en Bir Ajam worden beschoten, kwestie om ze daar bezig te houden en te verhinderen dat ze zich rond hun hoofdkwartier in Kunaitra konden concentreren. Iets later zouden wij, het gros van de strijders dan effectief aanvallen. Alle fedayin leefden op de toppen van hun zenuwen en ik was niet meer de enige die regelmatig achter een muurtje zijn broek liet zakken. In plaats van nachtkijkers hadden de Israëli’s beter strontdetectoren ontworpen. Dat had ze beter geholpen.

We hebben het overleefd, zelfs onze kamera. Net als 78 andere fedayin. Twee zijn gesneuveld. Hun foto hing de dag later in alle Palestijnse vluchtelingenkampen, want het ging om een belangrijke militaire operatie. Ze stond uitvoerig beschreven in alle Arabische kranten. Ik heb nog de voorpagina van de krant Al Destour.

fed 2 Destour_NEW

Destour wil zeggen Grondwet. En zo’n titels die naar democratie en Franse Revolutie verwezen waren toen nog in de mode in de Arabische wereld. De operatie werd opgedragen aan Ho Chi Minh, de toen pas overleden Vietnamese leider. We hebben trouwens ginder op de Golan een foto van hem achtergelaten, samen met een rode vlag. Die fedayin, vertaal maar als commando’s hadden het voor die man, net als voor zijn generaal Vo Nguyen Giap, de man die in Dien Bien Phu de Franse kolonisator versloeg. Zijn boekje, La Guerre du Peuple, armée du Peuple had ik in het Frans gelezen bij deze commando’s stond het in Arabisch vertaald in hun bibliotheek, net als La Guerra de Guerrilla van Che Guevara en de Volksoorlog van Mao. Raar volk die fedayin van toen. Een van hen die toen meevocht vertaalde in zijn vrije tijd Der Schloss van Franz Kafka. Bizarre Arabische bibliotheek trouwens, met geen enkel boekje waar Allah in de titel stond.

fed 3Fedayin_NEW
Zo’n militaire operaties konden toen nog. Kalashnikovs, goryunov’s en katioeshka-raketten die nog niet gedetecteerd en beschoten werden door electronische drone’s. De Israëli’s moesten zich toen beperken tot vuurpijlen die aan kleine parachutes boven ons hoofd dwarrelden en schoten met vuurkogels om het dorre gras van de Golan in brand te schieten en ons zo te detecteren. En voor ze het wisten moesten ze enkele katioeshka’s incasseren. Vijf en veertig jaar geleden.
Die fedayin en hun organisaties zijn opgedoekt. Na Oslo, en vervangen door de Palestijnse autoriteit. Die heeft nu een ander soort leger, ‘veiligheidstroepen’ opgeleid, gecontroleerd en gefinancierd door de VS. Troepen die samenwerken met het Israëlische leger en de Israëlische geheime dienst Shin Beth. Wat de Palestijnse academicus en voormalig lid van het Israëlisch Parlement, Azmi Bishara de uitspraak ontlokte: ‘Vroeger zouden we dat collaborateurs hebben genoemd, nu moeten wij ze onze vertegenwoordigers noemen’. En de lectuur van die nieuwe leiding bestaat eerder uit handboeken voor ‘succesvolle CEO’s’. Nuyen Giap lezen ze niet meer, zelfs Kafka niet.

En wat is er gebeurd met de generatie waarvan de vader fedayin was. In de pseudo-Palestijnse hoofdstad Ramallah leven ze in een grote economische luchtbel, welvaart opgeblazen met donorgeld. Anderen zijn geëmigreerd naar de Eeuw van de Profeet. Soms zijn ze letterlijk naar een van de meest achterlijke gebieden van het Midden-Oosten getrokken. Ik spreek van ondervinding.

Een Palestijn die ik nog als baby heb gekend, viertalig met twee universitaire diploma’s vindt nu zijn heil, en de oplossing van het probleem in de hadith (gezegden en tradities) van de profeet. Ik citeer uit zijn laatste mail:
“Dit is allemaal al voorspeld door de Profeet Mohammed (sallallahu a’leyhi wa salâm), dertien eeuwen voor de opdeling van de Arabische wereld door de Europeanen: “De vijandelijke naties van verre gebieden zullen naar u komen en zich bij u nederzetten als waren zij uitgenodigd op een diner waar ze zich te goed kunnen doen” (Abu Daud, Sunan n°4297, als authentiek bevonden door Ibn Asakir en Sheikh al Albany). En deze voorspelling is dus uitgekomen. De grote koloniale machten hebben zich zelf uitgenodigd bij de moslims en plunderen nu hun rijkdom, waaronder aardolie. De profeet (aleyhi al-salâm) voorspelde ook dat de moslims zich zonder verzet zouden laten verslinden.”

fed 4Mohammed_NEW

Wie dacht dat een zekere Lenin de definitie van ‘Imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme’ heeft uitgevonden, zit dus fout. Mijn verstand gaat hierbij op nul. Er past hierna enkele een lege blanco.

Niets is nog het zelfde. Het wapentuig is efficiënter en dodelijker geworden. Het zinloos geweld van een koloniaal bezettingsleger zien we nu op tv zonder dat er ook maar door een land wordt ingegrepen. En de woorden Revolutie en Democratie zijn vervangen door Allah en Jihad. Giap en Guevarra zijn vervangen door Abu Dawud en andere sunna-geleerden uit de negende eeuw.
Alleen ik heb nog altijd ‘gevoelige darmen’.

September 6, 2014 at 10:57 am 2 comments

MANDELA EN HET ANC

M1 MandelaBoxer

 

Nelson Mandela’s eeuwige strijd

Staatshoofden die Nelson Mandela nu op handen dragen, zouden hem in een vroegere periode voor een terrorist hebben gehouden. Maar in hoeverre was de ANC-leider voor een gewelddadige strijd gewonnen?

 

door Rudi Boon

27-06-2008

‘NO NO NO, some of them were my ideas.’ Nelson Mandela houdt een foto op van hem als bokser. Shorts, de vuisten omhoog, de linkervoet naar voren, de blik afwachtend. Zijn idee, deze foto. Het is november 2003, bij hoge uitzondering heeft Mandela ingestemd met deelname aan een documentaire, die over een oude en dierbare vriend van hem zal gaan. Eli Weinberg, ‘hoffotograaf van het ANC’, legde in de jaren vijftig en zestig de leefomstandigheden van de zwarte bevolking vast, maar portretteerde ook de ANC-leiders van toen, die spoedig naar Robbeneiland of in ballingschap zouden verdwijnen. Ik reik Mandela een van zijn bekendste portretten aan.
‘Wist u dat tijdens uw gevangenschap in de hele wereld deze foto van u werd gebruikt, op posters, spandoeken, T-shirts?’
‘Is that so? No no no, ik wist dat niet. We kregen beetje bij beetje informatie over wat er gebeurde, maar hier wist ik niets van.’
Gespeelde verbazing, en dan opeens, alsof hem iets invalt: ‘Maar nu u mij vertelt dat deze foto genomen is door Eli Weinberg verbaast het mij eigenlijk niets dat de hele wereld ermee rondliep.’
Het is een typische Mandela-scène, alles zit erin. Charmant de draak stekend met zijn eigen mythe, altijd lichtelijk mystificerend over de vraag in hoeverre hij achter de tralies nog aan de touwtjes trok, en en passant een hoffelijk gebaar naar een oude strijdmakker van een halve eeuw geleden. De Mandela van de foto zal nog een paar jaar op vrije voeten zijn, jaren die hij gebruikt om een ondergronds leger op te zetten. Een stap die hij later in zijn autobiografie Long Walk to Freedom zal omschrijven als ‘a fateful step, een stap waarvan we de gevolgen niet wisten en niet konden weten’. Het grootste deel van zijn achterban was daar nog lang niet aan toe en verkeerde, zij het met steeds meer gewelddadige uitingen van ongeduld, in de overgang van geweldloos en geduldig protest naar meer militante vormen als stakingen, burgerlijke ongehoorzaamheid en massademonstraties.

2Mandela New Yorker

27 jaar later zijn de rollen omgedraaid. Mandela oogt bij zijn vrijlating als de reïncarnatie van Gandhi en Martin Luther King tegelijk, maar zijn volk lijkt precies het tegengestelde traject te hebben afgelegd. In veel zwarte woonoorden is de stemming dan al enkele jaren uitgesproken revolutionair. Als hij in 1992 Katlehong bezoekt, waar de confrontatie tussen ANC- en Inkatha-aanhangers hoog is opgelopen, vindt hij een briefje op zijn spreekgestoelte met de smeekbede: ‘Please Mr Mandela, praat ons niet van vrede. No peace. We hebben er genoeg van. Geef ons wapens, geen vrede.’
In geen van de geweldopties die Mandela en de zijnen begin jaren zestig de revue lieten passeren, was rekening gehouden met de situatie die zij na hun vrijlating zouden aantreffen. Laat staan dat Mandela kon voorzien hoe de geweldspiraal zich op dramatische wijze zou vermengen met wat hem in zijn persoonlijk leven het meest dierbaar was.

Een gangbare wijsheid is dat de staatshoofden en regeringsleiders die Mandela nu op handen dragen, hem in een vroegere periode zonder twijfel voor een terrorist zouden hebben gehouden. Maar in 1963 leek de internationale gemeenschap andere prioriteiten te hebben. Overal in de niet-westerse wereld waren dekolonisatieprocessen aan de gang en onafhankelijkheidsbewegingen actief; revolutionair geweld was in de context van die tijd min of meer een politiek gegeven. Zorgwekkender dan die paar bommen van het ANC vond men de nauwe samenwerking met de Zuid-Afrikaanse communistische partij, en wat dat zou betekenen in het krachtenveld van de Koude Oorlog. De westerse landen wilden echter ook niet op het verkeerde paard wedden, tenslotte had de man die zojuist wegens revolutie en gewapende strijd tot levenslang was veroordeeld in zijn slotpleidooi zijn bewondering uitgesproken voor de westerse parlementaire democratie. Ze konden het ANC niet goed plaatsen en ambivalentie zou hun houding tegenover het ANC tot diep in de jaren tachtig blijven bepalen.

3Mandela New Yorker

Minstens zo uitzonderlijk in dit revolutionaire tijdperk was dat Mandela’s keuze voor de gewapende strijd vooral betwijfeld werd binnen het ANC zelf. De geest van Mahatma Gandhi, die rond de eeuwwisseling in Zuid-Afrika verbleef, was nog sterk aanwezig in de belangrijkste partnerorganisatie van het ANC, het Indian National Congress. Naast principiële werden ook praktische bezwaren aangevoerd, profetischer dan Mandela kon vermoeden: de gewapende strijd zou ten koste kunnen gaan van het politieke organisatiewerk. Voor ANC-president Albert Luthuli, een indrukwekkende Zulu-chief en diepgelovig christen, was geweldloosheid een onwrikbaar principe, geen tactiek die je aanpast naar gelang de omstandigheden. ‘Voor mij gold precies het omgekeerde’, aldus Mandela in zijn autobiografie. ‘Geweldloosheid was een tactiek die je loslaat, zodra ze niet meer werkt.’
Tegen alle weerstanden in wist vergadertijger Mandela in juli 1961 een besluit te forceren om een ondergronds leger op te richten dat Umkhonto we Sizwe (‘Speer van de natie’) zou heten, kortweg MK. ‘Omdat het ANC toch al afkerig was van het omarmen van geweld’, zo zou hij er later over schrijven, ‘lag het voor de hand te beginnen met een vorm die het minst personen zou treffen: sabotage.’ Uitgerekend in het jaar dat Luthuli zich met grote tegenzin daarbij neerlegde, werd hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend. Bij de uitreiking in Oslo beleed Luthuli als gewoonlijk de geweldloosheid die sinds 1912 de politiek van het ANC was geweest; 16 december 1961, de dag na zijn terugkeer in Zuid-Afrika gingen de eerste bommen af. Er volgden meer aanslagen; de allereerste MK-saboteur die werd opgepakt, was een geadopteerde kleinzoon van Mahatma Gandhi.


Op een heuvel even buiten Addis Abeba hield Mandela voor het eerst in zijn leven een automatisch geweer in handen. Hij leerde mortieren afschieten, bommen maken, sjouwde met zware bepakking door onherbergzaam gebied. Het hele continent had hij bereisd voor steun en adviezen voor zijn leger in oprichting, zijn dagboek stond vol ideeën en toezeggingen van financiële en militaire aard. Er was ook nog een cadeautje voor hemzelf: een pistool met tweehonderd kogels.
Sinds het besluit om een leger te formeren, leidde Mandela een ondergronds bestaan. Overdag had hij in allerlei schuilplaatsen talloze oorlogen en revoluties bestudeerd (en ’s nachts rondgereisd en vergaderd), het meest nog in ‘safe house’ Lilliesleaf Farm in Rivonia. Hij zoog alles in zich op, van Clausewitz tot generaal De Wet, van Menachem Begin tot Che Guevara, maakte eindeloos aantekeningen, alleen al over Mao zo’n 65 pagina’s, die grotendeels in handen zouden vallen van de openbare aanklager. De Algerijnse revolutie tegen het bewind van een blanke (Franse) minderheid leek nog het meest op de Zuid-Afrikaanse situatie, maar confronteerde hem ook met een half miljoen doden. Algerijnse guerrilla-eenheden konden opereren vanuit bases in bevriende landen als Marokko en Tunesië, maar dat zou zijn eigen leger voorlopig niet gegeven zijn, omringd als Zuid-Afrika was door koloniën en protectoraten.

4Guardian front cover of Nelson Mandela's death 5th December 2013

Na terugkeer van zijn Afrikaanse reis zou hij nog twee weken op vrije voeten blijven, te kort om zijn ervaringen te bundelen en een duidelijke militaire strategie achter te laten. Want dat is wat ontbreekt in de vele biografische geschriften: wat was nu eigenlijk Mandela’s conclusie? Welk type gewapende strijd, welke revolutionaire theorie was van toepassing op Zuid-Afrika? We weten in ieder geval wat Mandela níet wilde. Dat was het plan voor een guerrilla-oorlog, Operation Mayibuye genaamd, dat nota bene zijn eigen Hoge Commando van Umkhonto open en bloot op tafel had liggen toen de veiligheidspolitie de boerderij in Rivonia binnenviel. Dit plan, opgesteld zonder Mandela die toen al was gearresteerd maar waarvoor hij als hoofdverdachte wel zou worden aangeklaagd, zou in zijn autobiografie leiden tot een van de zeldzame momenten dat hij zich distantieerde van zijn oude kameraden. ‘Totaal onrealistisch in doelstelling en uitwerking. Ik geloofde niet dat guerrilla-oorlogvoering een levensvatbare optie was in dat stadium.’
De verdediging bij monde van Bram Fischer gooide het erop dat het maar een plan was en geen officieel ANC-besluit, maar zelfs daarover was onder de beklaagden geen overeenstemming. Uiteindelijk accepteerde de rechter het verweer, wat waarschijnlijk de doorslag gaf om niet de doodstraf op te leggen, zoals alom werd verwacht. Bijna was Mandela opgehangen voor een plan waar hij niet in geloofde.
Maar wat geloofde Mandela dan wél? Hoe had zijn denken zich ontwikkeld? Naar aanleiding van Guevara’s Guerrilla Warfare noteerde hij: ‘Sabotagedaden moeten onderscheiden worden van terrorisme, een middel dat dikwijls onschuldige slachtoffers maakt en een groot aantal levens vernietigt die waardevol zijn voor de revolutie.’ In zijn slotpleidooi I Am Prepared to Die zette hij tegenover de rechter uiteen dat zijn saboteurs ‘strenge instructies kregen dat zij onder geen beding mensen mochten verwonden of doden bij de planning of uitvoering van operaties’.
Maar in zijn autobiografie liet hij opnieuw onduidelijkheid bestaan over de vraag wat nu zijn werkelijke opvattingen waren: ‘Als sabotage niet de resultaten opleverden die wij wilden, waren we bereid naar het volgende stadium over te gaan: guerrilla-oorlog en terrorisme.’

Maart 1986. In Uitenhage bij Port Elisabeth heeft de politie het vuur geopend op een begrafenisstoet. Twintig doden. Ik maak voor de krant een reconstructie en bekijk vanuit de verte de ligging van de township waar het gebeurde. Er stijgt een rookkolom omhoog. Pas ’s avonds zie ik op de televisie dat ik naar een levende verbranding heb staan kijken. Mandela en de zijnen kijken sinds enkele jaren ook televisie. Ze waren van Robbeneiland overgeplaatst naar de Pollsmoorgevangenis op het vasteland, lazen kranten als de oppositionele Weekly Mail en ontvingen steeds meer bezoek. Mannen op gevorderde leeftijd, die twintig jaar lang verstoken waren gebleven van directe beelden van de veranderingen in hun land. Wat zeiden ze tegen elkaar als ze in hun gemeenschappelijke cel, Room 99, daarmee werden geconfronteerd?
Vier jaar later, op de dag van Mandela’s vrijlating, krijg ik daar een eerste aanwijzing voor. In een stadion in Soweto wacht een uitzinnige menigte op zijn komst. De ene spreker na de andere zingt de lof over de gewapende strijd, het massaal gescandeerde ‘Viva the spirit of no compromise, VIVA!’ verdringt iedere gedachte aan onderhandelingen. Dan krijgt Andrew Mlangeni het woord, medegevangene van Mandela vanaf het eerste uur en celgenoot in Pollsmoor, die een paar maanden eerder is vrijgelaten. Mlangeni stikt bijna van woede. ‘Wat wij in onze lange verloren jaren allemaal te horen hebben gekregen! Het is onuitsprekelijk!’ Het stadion verstomt. ‘Jullie vermoorden je eigen broeders en zusters! Jullie verkrachten! Jullie zijn zakkenrollers! Het is walgelijk! Dis-gus-ting! Ga naar school!’

5Mandela New Yorker

Veel zwarte woonoorden waren ‘onregeerbaar’ geworden. Ondanks een spectaculaire groei van het defensie- en veiligheidsbudget, ondanks noodtoestanden en een fijnmazig netwerk van collaborateurs en informanten, lukte het Pretoria niet de geest weer in de fles te krijgen. Jongeren van na Soweto 1976 hadden Umkhonto nieuwe impulsen gegeven. Er waren vanaf begin jaren tachtig bovengrondse massaorganisaties ontstaan waartegen de regering evenmin kon optreden; de hele wereld keek inmiddels mee.
Aanvankelijk leek het ANC zich niet te herstellen van de klap die was uitgedeeld in Pretoria en de jaren erna; wat sabotagedaden betreft was de teller jarenlang op nul blijven staan. Nu zag Umkhonto eindelijk een nieuwe taak voor zichzelf. Het ANC legde in 1984 de beleidswijziging officieel vast: van ondergrondse guerrillastrijd naar ‘volksoorlog’; Oliver Tambo riep 1986 uit tot ‘jaar van het volksleger’. De officiële doelstelling werd nu om ‘het leger van stenengooiers’ om te zetten in ‘een leger met geweren, benzinebommen en handgranaten’. De ‘collaborateurs en verklikkers’ die veel townships tot een obsessie waren geworden en door jeugdbendes en ‘volksrechtbanken’ werden omgebracht, waren nu ‘erkende’ doelwitten van het ANC. ‘Richting geven aan het spontane geweld’, heette het nu. De halskettingmoorden (brandende autobanden) werden afgekeurd, als middel: liquidatie moest netter kunnen.

Op Robbeneiland hadden Mandela en de zijnen tijdens het werk in de steengroeve jarenlang kunnen filosoferen over de juiste revolutie, of die nu op het platteland moest beginnen of in de steden en wat de rol van het guerrillaleger daarbij was. Veel van de voorwaarden waaraan ten tijde van Operation Mayibuye niet kon worden voldaan – militaire bases in bevriende buurlanden, politieke organisatie in het binnenland – waren inmiddels gerealiseerd, ook in de ogen van Mandela. De vraag die Mandela echter steeds meer was gaan bezighouden was wat er met een ‘guerrilla-oorlog’ respectievelijk ‘volksoorlog’ precies kon worden bereikt.
In zijn (ongepubliceerde) gevangenismemoires die hij midden jaren zeventig bijhoudt, staat hij stil bij zijn bezoek aan het hoofdkwartier van het Algerijnse Armée de Liberation Nationale, vlak over de grens in Marokko. Daar had de Algerijnse kolonel en latere president Boumedienne hem precies uitgelegd dat het doel van een bevrijdingsbeweging eigenlijk nooit is om regimes omver te werpen, maar om ze aan de onderhandelingstafel te dwingen. Dat was op 19 maart 1962 geweest, exact de dag waarop met Frankrijk een wapenstilstand werd bereikt; een beslissende ervaring voor Mandela. Veertien jaar later concludeert hij op Robbeneiland dat het geen zin heeft te proberen het apartheidsregime militair omver te werpen.

6Mandela New Yorker

En nu, midden jaren tachtig, was het eindspel begonnen, en iedereen wist het. Nelson Mandela had op magistrale wijze zijn beperkingen als gevangene omgezet in een unieke onderhandelingspositie. Vanuit Lusaka startte Thabo Mbeki een diplomatiek offensief, gelijktijdig werd het geweld opgevoerd. Van de principiële terughoudendheid in het gebruik ervan, die altijd in meer of mindere mate aan Umkhonto ten grondslag had gelegen, zou in deze laatste fase nauwelijks sprake meer zijn, hooguit van interpretatieverschillen. Zo legde Mandela aan het Britse Hogerhuislid Lord Nicholas Bethel, die hem in 1985 bezocht, geduldig uit dat de gewapende strijd van het ANC gericht bleef op militaire doelen, niet op mensen. In dezelfde periode zette Thabo Mbeki in Lusaka uiteen waarom het zo belangrijk was dat het ANC boerengezinnen met vrouwen en kinderen in de grensgebieden opblies: ‘Deze boeren hebben een militaire taak.’
Mandela’s gevangenschap zou nu van groot strategisch voordeel worden voor het ANC. Hier gingen de onderhandelingen immers altijd door, wat er ook gebeurde in het land. Die relatieve onverstoorbaarheid kende echter een kwetsbare kant. In april 1986 – Nelsons rechtstreekse contacten met leden van de regering waren nog geen half jaar oud – deed Winnie Mandela een uitspraak die de hele wereld over zou gaan: ‘Samen, hand in hand, met onze luciferdozen en onze halskettingen, zullen wij dit land bevrijden.’ Bij deze zegening der wapenen zou het niet blijven. Al snel werd duidelijk dat Winnie in Soweto haar eigen variant van de volksoorlog ter hand had genomen: straatterreur door haar FC Mandela United, verdwijningen, mishandeling en ten slotte lynchpartijen. Tot ontzetting van het ANC-hoofdkwartier in Lusaka veroorzaakte Winnie symboolverwarring: de halsband was voor de townships, Winnie was bestemd voor overseas. Gevreesd werd voor reputatieschade: zou men Mandela nog zien als de leider die als enige in staat was de radicaliserende achterban te disciplineren en excessen tegen te gaan, als hem dat bij zijn eigen vrouw al niet lukte?
Algemeen werd aangenomen dat Nelson Mandela de necklace afkeurde. Maar naarmate de keerzijde van de volksoorlog zich meer rechtstreeks in zijn persoonlijk leven mengde, werd zijn positie complexer, zo blijkt uit een document waarvan ik het bestaan tot voor kort niet kende. Het bevat de notulen van een vergadering in de Pollsmoorgevangenis op 19 mei 1986, gemaakt door Mandela’s advocaat Ismael Ayob, met daarin de volgende zinsnede: ‘NM keurt WM’s necklace speech goed. Hij zegt dat het een goede zaak was omdat er geen enkele zwarte persoon is geweest die WM daarop heeft aangevallen.’

7The Star

Valt hieruit een mening van Nelson Mandela af te leiden over de volksoorlog en het geweld waarmee deze oorlog gepaard ging? Heeft hij zich niet te ver willen verwijderen van de kaders van het ANC waar in brede kring de necklace als ANC-tactiek werd gezien? Of betreden we hier een domein van zijn leven waar we naar andere verklaringen moeten zoeken om hem te begrijpen? Nelson verafgoodde Winnie, zijn hele gevangenisbestaan scharnierde om haar en haar schaarse bezoeken, zijn hooggestemde brieven aan haar waren over de hele wereld vertaald. Maar net als zijn volk had ook Winnie een traject afgelegd tegenovergesteld aan dat van hemzelf. Zij die tegenover de hele wereld het in de cel verblijvende symbool van verzoening en verdraagzaamheid vertegenwoordigde, was in werkelijkheid een verbitterde vrouw geworden, die zich had voorgenomen het gehate regime met gelijke munt terug te betalen.
Nelson werd verteerd door schuldgevoelens. Tot de dag van vandaag staat in zijn jaarlijks tweemaal herdrukte autobiografie te lezen dat wat hem betreft de onschuld van Winnie boven iedere twijfel verheven is. Verdict or no verdict.
Maar misschien had Winnie hem toch iets aangereikt waarmee hij de onmogelijke missie die hem na zijn vrijlating wachtte, kon volbrengen. Hij was als onbetwiste leider van de onderhandelingen geaccepteerd door de gematigde krachten van alle partijen. Nu moest hij het vertrouwen winnen van hen die al sinds jaar en dag alleen nog maar geloofden in geweld. Ondertussen was Winnie van haar ethische voetstuk gevallen en op het schild gehesen van de mensen aan de zelfkant, voor wie het dagelijks leven niet bepaald inspireerde tot verheven idealen. In zekere zin leefde nu ook Nelson, net als iedereen, in meerdere werkelijkheden die elkaar leken uit te sluiten. Nog meer dan voorheen was zijn identiteit komen samen te vallen met de identiteit van zijn land.
Misschien was het dat wat hem in staat stelde die tegenstrijdige werkelijkheden als één vanzelfsprekende realiteit te presenteren. Hoe vanzelfsprekend, zag ik in 1992 in Alexandra, een van de ellendigste woonoorden van Johannesburg. Bij een confrontatie tussen Inkatha- en ANC-aanhangers waren doden en gewonden gevallen. Mandela kwam, met Cyril Ramaphosa, rechtstreeks van Codesa, de conventie voor een democratisch Zuid-Afrika, waar de onderhandelingen stroef verliepen. Hij luisterde naar de bewoners, klom op een keukentrapje en won de harten van zijn gehoor moeiteloos met een felle aanval op de politie, de veiligheidsdiensten en president De Klerk, die volgens hem allemaal vuil spel speelden. Een stem uit het publiek vroeg wat dit betekende voor de onderhandelingen.
‘Niets’, zei Mandela. Zijn gezicht een granieten masker, de mondhoeken omlaag, bars. Tegenspraak ondenkbaar. ‘Niets. De onderhandelingen gaan door. Wat er ook gebeurt in dit land.

 

8Mandela New Yorker


Dit stuk is verschenen in het boek Voor Nelson Mandela: Verhalen en voetnoten bij zijn negentigste verjaardag (uitgeverij Mets & Schilt)

overgenomen uit De Groene Amsterdammer

Beeld bovenaan:
Foto Eli Weinberg / Mayibuye Archives / NIZA

USA Today

December 7, 2013 at 12:59 pm 3 comments

BEKENTENISSEN VAN EEN MAOÏST

Rode Boekje 1

door Lucas Catherine

In november verschijnt er een nieuwe, herziene uitgave van het Rode Boekje. Het stond al in de krant, alhoewel het eigenlijk de bedoeling is dat het boekje pas terug in de winkels ligt in december, voor de 120ste verjaardag van Mao.

Ik heb iets met het Rode Boekje, of beter met Rode Boekjes. Meervoud zal u zeggen? Er is toch maar een echte, authentieke versie, namelijk dat samengesteld in 1966 door grote leider, maar niet zo groot als Mao of Zhou En Lai,  Lin Biao? Ik had het niet voor Lin Biao en gelukkig maar.

Toen ik in China was, op het einde van de Culturele Revolutie stapte ik zekere dag uit de trein, ik weet niet meer in welk station want het was gewoon om op het perron een krant te kopen. De uitgave van die dag van de Renmin Ribao, de Volkskrant voor de niet Maoisten onder u, zou een collectors item worden, zei mijn Chinese reisleider. En inderdaad, er stond toen die dag zwart op wit in die partijkrant dat de al een paar maand anoniem geciteerde slechterik aan de top, Lin Biao heette.

(Tussen haakjes zal u zich misschien afvragen: hoe komt die Arabierenfreak in China terecht? Wel mei 1966, u weet wel de Grote Revolte in Leuven had mij van de universiteit, niet de fabriek in gejaagd zoals toen onder de eerste Belgische Maoisten de gewoonte was, maar naar de filmschool. Tijd zat dus en China was in de actualiteit. Bij gebrek aan een lief zat ik iedere ochtend alleen te ontbijten en toen dacht ik, waarom leer ik niet wat Chinees. En zoals ik eerder zes jaar lang iedere dag tien nieuwe Latijnse woordjes had geleerd, memoriseerde ik iedere ochtend tien Chinese karakters. Met als gevolg dat ik na een jaar zo’n 500 karakters kende – de woordenschat van een ongeschoolde arbeider en arbeider was toen al de norm onder Maoisten -. Tijd dus voor mij om naar China te trekken. Als door de Belgisch-Chinese Vereniging erkend Maoist kon ik een delegatie van Waalse staalarbeiders vervoegen. Die mochten naar China op de kosten van Mao. Toerisme naar dat land zou pas jaren later mogelijk worden. En nu sluiten we de haakjes.)

Ik ga u niet mijn reis naar China vertellen, we zouden het over de Rode Boekjes hebben.

Natuurlijk had ik in Brussel al een exemplaar van de Citaten van Voorzitter Mao, maar gezien mijn artistieke studierichting en mijn karakter was ik er achter gekomen dat er nog een ander Rode Boekje bestond, ook van Mao maar dan met zijn gedichten. Mao Zhuxi Shici. En ik was aan het vertalen geslagen, kwestie van een iets ruimere woordenschat te ontwikkelen dan
die van een ongeschoold arbeider. Het gedicht dat het meest indruk op mij maakte was Sneeuw/ Xue uit 1936, dus lang voor hij aan de macht was. Inhoudelijk was het typisch Mao. Het landschap ligt er bevroren en doods bij (lees maar China), de oude keizers – en hij somt er een rits op – betekenen niet veel, alleen in het heden vind je nog gecultiveerde mannen (Hij en zijn kameraden dus). Maar vooral het gedicht was in zijn eigen kalligrafie en die maakte indruk.

Daarom dat ik nu weet dat Chinese kalligrafie zo iets is als Les Ballets C de la B. Ritme en tijd, maar dan vastgelegd op papier. En dat komt zo. Je houdt je penseel verticaal op het papier en naargelang je het dichter bij het papier brengt krijg je een dikkere lijn, veel inkt kan dan worden opgeslorpt en als je dan sneller gaat verdunt die lijn en zo krijg je dus een idee van de snelheid waarmee de kalligraaf over het papier is gegaan. Bij het gedicht Sneeuw heeft Mao die techniek zo toegepast dat je de indruk krijgt door een wolk sneeuwvlokken te kijken. Zie maar hieronder. Rechts de gedrukte versie van het gedicht, links de gekalligrafieerde.
RodeBoekje2_NEW
Dus eens in China, in Shanghai stapte ik nieuwsgierig een boekhandel binnen. Een grote boekhandel en volgens Vrij Nederland en andere Linkse Boekjes was het boekenarmoe troef in China en zou ik daar alleen maar de Vier Chinese Opera’s vinden waarmee de Chinezen toen om de oren werden geslagen, zoals wij nu met interviews van NV-A’ers in onze kwaliteitspers. Die opera’s interesseerden mij niet, die kon ik in Brussel ook kopen. Maar gelukkig lag er meer. Ik kon niet alle titels ontcijferen, je moet mijn Chinees nu ook niet overschatten, maar in mijn valies belandde toen wel wat andere boeken, onder meer een uitgave van Tang-gedichten (7de-10de eeuw), een exemplaar van De Droom in de Rode Kamer een klassieke maar ook erotische roman uit de 18de eeuw, en een klein mapje met veertien zwart-wit etsen, waaronder een van Gent, door een zekere Maisuijuile, Masereel dus in Chinese transcriptie.


En natuurlijk lagen daar ook Rode Boekjes in alle soorten. Wetende dat ik een invité was verwachtte ik mij eraan dat ik samen met mijn reisgenoten zou opgetrommeld worden voor een of andere betoging of défilé en ook met het Rode Boekje zou moeten zwaaien. Nu is individualisme mij niet vreemd en ik zocht dus wat anders. Het u bekende Boekje is samengesteld door Lin Biao, toen opperbevelhebber van het leger en moest dus in het borstzakje van zo’n legeruniform passen. Maar er waren ook kleinere formaten. Het kleinste dat ik vond was op ‘boerenformaat’ en droeg de titel Shouyi xin shenliao fa, Nieuwe Veterinaire Naaldbehandelmethode, jawel, een handboekje voor acupunctuur bij varkens. En als u mij niet gelooft, kijk maar hieronder:

 RodeBoekjeVarken_NEW

 

En ik zo blij als een kind. Ik heb mijn Rode Boekje nooit moeten gebruiken. Ik heb ook nooit zoals miljoenen Chinezen miljard maal hebben gescandeerd, geroepen Mao Zhuxi wansui, wan wan sui! Voorzitter Mao, lang mag hij leven! Daarom, nu dat hij dood is, en ter gelegenheid van zijn 120ste verjaardag, ga ik het toch een keer doen: Mao Zhuxi wansui, wan wan sui!

Daar gaat mijn reputatie, als ik die al had.

Rode Boekje

October 14, 2013 at 10:13 am 3 comments

Older Posts Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,581 other followers