Posts filed under ‘Media’

MEDIA EN POLITIEK

Door Johan Depoortere

Doen de media aan politiek? Dat zal wel zijn: daar waar de politiek tekort schiet vervullen de media hun essentiële taak en dat is de klok te luiden over toestanden die de samenleving aanbelangen. Is dat politiek? Wel zeker als je ervan uitgaat dat politiek zowat alles is wat samenleven ten goede of ten kwade beïnvloedt. Is het niet opvallend dat het de media zijn die in deze verkiezingstijden een aantal grote thema’s op het bord van de politici hebben gelegd en daarmee een noodzakelijk debat op gang hebben gebracht? Denk aan de commotie rond het extreemrechtse Schild en Vrienden, de neonazis op de Vlaams-Belanglijsten, en meest recent het schandaal van de sociale huisvesting in Gent. Allemaal thema’s die van het hoogste belang zijn in onze samenleving maar die onder de korenmaat waren gebleven had het van de campagnevoerende politici afgehangen. Ook het falende energiebeleid is grotendeels dank zij de media – en ongetwijfeld tot ongenoegen van de beleidsmakers – onder de aandacht van het grote publiek gekomen.

Rik Van Cauwelaert opperde in zijn commentaar op de campagnegebeurtenissen van de dag dat de media de laatste tijd de geliefkoosde boksbal lijken te zijn van de politici die de burger smeken om zijn stem. Het is duidelijk waarom: hoe comfortabel zou het niet zijn als die vervelende journalisten- pottenkijkers de andere kant opkeken of er het zwijgen toe deden. NVA-voorzitter Bart De Wever gaf tijdens het openingscollege met de voorzitters in Gent zijn extreemrechtse collega Van Grieken gelijk toen die het de krant Het Laatste Nieuws kwalijk nam dat ze de neonazis op de VB-lijst met naam en foto had aangewezen. Let wel: foto’s van kandidaten die met alle mogelijke middelen campagne voeren zouden dus met de grootste discretie tegemoet moeten worden getreden. Het is veelbetekenend dat zowel Van Grieken als De Wever het in Keulen hoorden donderen toen ze via de media moesten vernemen dat Hitleraanbidders en antisemieten op hun kieslijsten prijken. Zonder Pano, Het Laatste Nieuws of Apache waren neonazis en aanhangers van Schild en Vrienden ongetwijfeld als normale mainstream kandidaten van NVA en Vlaams Belang aan de kiezer gepresenteerd.

Dat diezelfde Bart De Wever op gespannen voet leeft met publicates als De Standaard en met de openbare omroep is genoegzaam bekend. The press is the enemy zei Richard Nixon al en voor Trump zijn de media vijanden van het volk. De Wever lijkt er ongeveer ook zo over te denken. Hij deinst er niet voor terug om één bepaalde journalist, namelijk Bart Brinckman, openlijk tot vijand te verklaren en diens werkgever onder druk te zetten om hem te broodroven. Het zal de burgemeester van Antwerpen ook niet welgevallig zijn dat zowel De Standaard als de VRT zijn leugens en verdraaiingen over het zogenaamde Australische “immigratiemodel” hebben doorprikt en hebben aangetoond hoe dat “model” in werkelijkheid een afschrikwekkend voorbeeld is van onmenselijkheid en totale minachting voor de anders zo geprezen “waarden van de Verlichting.” Als de media de geliefkoosde boksbal van de politiek zijn is er maar één conclusie: dat ze deze keer althans doen wat van hen wordt verwacht.

October 3, 2018 at 9:27 pm 1 comment

JEF COECK 1942-2018

Het is mijn droeve plicht het overlijden te melden van vriend en collega Jef Coeck. Jef was een journalist in hart en nieren, een schrijver en taalvirtuoos. Zijn bijdragen aan het Salon van Sisyphus, de internetpublicatie die hij mee hielp oprichten, getuigen van zijn scherpe observatie en trefzekere verwoording.

Jef Coeck hoorde tot een generatie journalisten die de deuren en ramen opengooiden in de toenmalige verzuilde en gezagsgetrouwe Vlaamse media-omgeving: Frans (Sus) Verleyen, Johan Anthierens, Johan Struye, Walter De Bock, Paul Goossens, Piet Piryns, Herman De Coninck en vele anderen waren bij verschillende media voor kortere of langere tijd zijn collega’s. Zijn journalistieke zwerftocht voerde hem via de radio naar Knack, De Morgen en laatst De Tijd waar hij literaire recensies schreef. Hij was freelancer voor onder andere Vrij Nederland, Vara, Humo en IPS.

Hij begon zijn journalistieke carrière bij de radioredactie van de openbare omroep, toen nog BRT. Daar leerde ik Jef kennen als de Midden-Oostenspecialist en hij was mijn mentor bij mijn allereerste reportages in het gebied. Hij liet me gul gebruik maken van zijn vele contacten in Libanon waar hij een tijdlang correspondent was geweest. Daar had hij kennis gemaakt met het drama van de Palestijnen die in 1948 gevlucht waren voor de Zionistische terreur en in Libanon in miserabele omstandigheden in vluchtelingenkampen leefden. Die aandacht voor de andere kant van de Israëlisch-Palestijnse kwestie was nieuw in die jaren en ze werd hem bij de politieke zetbazen van de omroep niet in dank afgenomen. Het resulteerde in de innige vijandschap van onder meer toenmalig Antwerps socialistisch kopstuk Wim Geldolf.

Jef was er de man niet naar om onder politieke druk te beknibbelen op zijn oprechte overtuiging en zijn professionele journalistieke normen en hij ruilde in 1973 de vrij comfortabele positie van omroepjournalist voor het onzekere bestaan van de freelancer. Zijn tocht langs de in die tijd relatief nieuwe media (De Morgen, Knack) verliep niet altijd rimpelloos noch zonder conflicten. Maar voor Jef stonden journalistieke eerlijkheid en het zoeken naar waarheid boven carrièrezucht of zelfs bestaanszekerheid. Zijn belangstelling was ruim: van het Midden-Oosten tot Cuba, literatuur en muziek, maar ook de binnenlandse politiek en journalistiek bleef hij – ook na zijn pensioen – kritisch volgen. Hij zag met lede ogen hoe het Vlaams nationalisme van de bont gekleurde Volksunie vervelde tot de neoliberale en sociaal hardvochtige machtspartij van de Vlaamse nieuwe rijken. Zijn biografie van de veelzijdige en ruimdenkende nationalist Maurits Coppieters bleef helaas onafgewerkt maar krijgt hopelijk nog voltooiing op basis van het vele materiaal dat Jef klaar had voor de laatste hoofdstukken.

Het was geen geheim dat het de laatste jaren met de gezondheid van Jef de verkeerde kant op ging. Toch kwam zijn overlijden nog vroeger dan verwacht en gehoopt. Maar Jef had er vrede mee dat zijn einde was gekomen en hij verkoos een waardig en sereen afscheid boven een pijnlijk gerekte doodstrijd. We verliezen in Jef een gewaardeerde medewerker en criticus van het Salon, de blog waarin hij zijn journalistieke gedrevenheid kwijt kon en waarvoor hij andere getalenteerde medewerkers kon aantrekken. Ik zal bovendien zijn warme vriendschap missen, zijn soms wrange humor, zijn gevatte opmerkingen en zijn bon-mots. Hij laat zijn vrouw Miche, twee volwasssen dochters en een kleinzoon na. Het Salon deelt in hun rouw.

Johan Depoortere

9 april 2018

April 11, 2018 at 3:38 pm 4 comments

BLOVELS

Dit is de dertiende aflevering in de serie “Heeft het papieren boek nog een toekomst? De vorige vind je HIER.

Tom Ronse

Een specifiek product van de digitale literatuur is de blovel.  Het woord is een samentrekking van “blog” en “novel” , een roman dus die in afleveringen in een blog verschijnt. Op zich is dat alweer niets nieuw. Het “feuilleton” bestaat al bijna zo lang als er kranten bestaan.  Beroemde auteurs zoals Dickens, Flaubert  en Couperus publiceerden hun romans in afleveringen. Ook toen al was er een interactief aspect. De schrijvers waren niet ongevoelig voor de reacties van lezers. Toen Conan Doyle Sherlock Holmes liet vermoorden kwam er zoveel protest dat de auteur zijn held in de volgende aflevering van het tijdschrift ‘Strand’ weer tot leven wekte.

Maar door het internet is dat interactieve wel veel belangrijker geworden. “De grote bijdrage die de blovel aan de literatuur heeft geleverd is dat zijn essentiële kenmerk het dialogisme is tussen lezer en auteur”, schrijft Annabell Manjarrés Freyle.

Fiction Express verkoopt interactieve jeugdliteratuur aan scholen. De firma produceert per schooljaar 18 romans (verdeeld over drie leeftijdsgroepen). Elke vrijdag is er een nieuw hoofdstuk dat eindigt op een “cliffhanger” gevolgd door een reeks mogelijke plotwendingen. De episode wordt in de klas besproken (de leraar ontvangt ter begeleiding een lespakket) waarna de leerlingen tot dinsdag de tijd hebben om te stemmen over de plot-opties. Tegen vrijdag heeft de firma al een nieuw hoofdstuk klaar, gebaseerd op de keuze van de meerderheid.

Er is een subcultuur die vindt dat alleen verhalen die rechtstreeks interactief tot stand komen de naam blovel’ waard zijn.  Dat betekent dat verschillende auteurs elk om beurt een hoofdstuk produceren.

Een voorbeeld van zo’n interactieve blovel die vrij veel weerklank kreeg is Le roman d’Arnaud. Men kan het e-book HIER lezen of downloaden.  Drie Franse auteurs schreven gedurende 40 dagen en 40 nachten aan deze thriller die elke dag op een Facebook-pagina werd aangevuld.  Er werd niet gestemd maar de commentaren van lezers hadden wel degelijk een invloed op de plot. Om lezers te werven maakten de auteurs reclame op de sociale media (o.m een trailer op Youtube )

Om samen te schrijven moet er natuurlijk een en ander afgesproken worden. Regels zijn nodig maar sommige blovelsites gaan daar wel heel ver in.  Niet alleen zijn er regels wat de lengte betreft  (meestal kort: tussen 500 en 1000 woorden of tussen 250 en 500 woorden) en aangaande de regelmaat (het moet vaak erg snel gaan) maar het blijkt bovendien een dogma dat de verhalen in de ik-persoon moeten geschreven worden, dat ze het schema begin-krisis-ontknoping moeten volgen, dat elk hoofdstuk op een klifhanger moet eindigen. Ook blovelsites voor blovels met maar één auteur hanteren allerlei regels. Wat me paradoxaal lijkt.  Ik had verwacht dat de digitale auteurs de vrijheid die het internet geeft om te experimenteren, om regels te breken, gretig zouden omarmen. Maar nee, ze leggen zichzelf een keurslijf op.

Misschien had ik bovenstaande zinnen in de verleden tijd moeten schrijven want het blovelgenre lijkt nu al over zijn hoogtepunt heen.  Het  ontstond in de jaren 90 en bloeide in het eerste decennium van deze eeuw, vooral in de Engelse en Spaanse talen.

Een voorbeeld van de vele bovelsites die toen bestonden is Blognovelas.es. Deze site functioneerde als een digitale bibliotheek voor blovels (blognovelas) in het Spaans. Daarnaast kon je er diverse lopende blognovelas lezen en van commentaar voorzien.  De verhalen waren gerangschikt per genre (drama, komedie, romantiek, avontuur, science fiction, fantasy, thrillers…). Er was een top tien van meest bekeken blognovelas  en er werden prijzen uitgereikt per seizoen (dus vier maal per jaar) en per genre op basis van de stemmen van lezers. De populairste blovel van het jaar werd uitgeroepen tot „Blognovela de Oro” (Gouden Blovel). Daarnaast werden er prijzen uitgedeeld voor de de beste auteur van het jaar, het beste personage van het jaar, het beste blogdesign van het jaar… Ook was er een forum, een chatbox, een evenementenkalender en meer. Er schiet niets van over. Blognovelas.es is verdwenen net als andere populaire blovelsites zoals Blovelspot.com en EatYourSerial.  De Blooker-prijs, voor het beste „blook“ (boek gebaseerd op een blovel) bestaat niet meer. De blovel lijkt, zoals zovele andere internet-fenomenen, een voorbijgaande mode.

En toch, de blovel is niet dood.

WORDT VERVOLGD

December 18, 2017 at 4:45 am 2 comments

ZIN IN EEN SPELLETJE?

             Screen shot uit het computerspel Bioshock

Dit is de twaalfde aflevering in de serie “Heeft het papieren boek nog een toekomst? Vandaag gaat het over literatuur en computer games.

 

Tom Ronse

 

Nog verder dan de digitale auteurs die we in de vorige aflevering  bespraken gaan de experimenten van diegenen die proberen om literatuur te combineren met computer games en apps. De Britse professor Astrid Ensslin schreef er een boek over Literary Gaming (MIT Press 2014) waarin ze een overzicht geeft van wat er op dat vlak gebeurt, onderverdeeld in verschillende categorieen, gaande van literair werk met een lichte game-input tot spelletjes met een beetje literaire opsmuk. Hypertekst (tekst in gelinkte fragmenten) staat wat meer aan de literaire kant en interactieve fictie (tekst die aftakt aan de hand van je keuzes) staat in het midden.

Computer gaming is een gloednieuwe kunstvorm volgens Ensslin. In universiteiten wordt ze bestudeerd door “ludologen” (afgeleid van het latijnse woord voor spel, ludus). Over het kunstgehalte kan gediskussieerd worden maar het staat buiten kijf dat de computer game-industrie op korte tijd een gigantische presence heeft veroverd in de cultuursector. Haar omzet is groter dan die van Hollywood en de hele muziekindustrie . Deze laatsten krijgen in de media nochtans veel meer aandacht. Een reden daarvoor is wellicht dat de grote media eerder conservatief geneigd zijn. Een andere, belangrijker misschien, is dat de game-industrie tot nu toe weinig geproduceerd heeft met een sterk artistiek impact.  De games verbeteren snel maar wat verbetert zijn de audiovisuele effecten, de realistische weergave (binnenkort in 3D), de gebruiksmogelijkheden. Maar de ‘verhalen’ blijven clichématig, de betekenis irrelevant.  Toch in de commerciële game-productie. Daarbuiten zijn er heel wat kleinere producenten die met beperkte middelen en een minimum aan personeel wel vernieuwend werk maken. Clint Hocking, een designer bij de game-firma Ubisoft, verwees naar hen op een Game Developers Conference: “Why can’t we make a game that fucking means something? A game that matters? … “I think it sucks ass that two guys tinkering away in their spare time have done as much or more to advance the industry than the other hundred thousand of us working fifty-hour weeks.” (www.esquire.com)

De academici die “new media art” bestuderen, besteden wel veel aandacht aan computer games. Het kenmerk van de nieuwe media dat ze het meest benadrukken is hun interactiviteit en games zijn per definitie interactief.  Ze lijken de mogelijkheid te bieden om een nieuwe kunstvorm uit te vinden met een structuur die participatief is in plaats van dictatoriaal en die zo de relatie tussen kunstenaar en publiek herdefinieert.  In tegenstelling tot de passieve lezer of kijker van boeken en films is de speler een actieve mede-auteur.

Maar klopt dit wel?

Onverzoenbaar?

De lezers van een literair boek zijn niet zomaar een passieve consumenten. Ze interpreteren het verhaal, maken associaties, gebruiken hun verbeelding. De gamers beinvloeden het verhaal wel door hun acties maar zijn gebonden aan allerlei spelregels. Men kan stellen dat zij meer gemanipuleerd worden dan de lezers van een boek.

De fundamentele vraag is of computer games en literatuur überhaupt wel verzoenbaar zijn.  Kunst vraagt een andere soort concentratie dan gaming – lezen en spelen activeren elk een verschillend deel van de hersens. Dus hoe intenser je speelt, hoe minder aandacht je hebt voor de artistieke kwaliteiten die het spel mogelijks heeft.

Dat is de muur waartegen velen die proberen literatuur en games samen te brengen, te pletter lopen. Een voorbeeld is  The Princess Murderer, een game die veel tekst gebruikt. Die bezit ongetwijfeld literaire kwaliteiten maar het doel van een game is punten scoren en hoe meer je je daarop toelegt, hoe haastiger je leest.

Maar er zijn ook game-designers die deze muur weten te omzeilen. Dat doen ze onder meer door het spel te vertragen, tijdslimieten te elimineren, zodat de gamer meer aandacht kan besteden aan de artistieke aspecten. Games zijn een reflectie van onze competitieve maatschappij. Het komt er op aan om te winnen, een hogere score te behalen, een hoger niveau te bereiken. Handigheid en reactiesnelheid worden beloond, alles wat daar afbreuk aan doet wordt bestraft. In literaire games is dat zelden het geval. De gamer is nog wel een actieve participant – hij moet raadsels oplossen, verbanden leggen en keuzes maken die een gevolg hebben voor het verder verloop van het verhaal- maar winnen is van ondergeschikt belang of komt er helemaal niet meer bij kijken. Wat alle artistieke games gemeen hebben is dat ze vertrekken van een onconventioneel scenario dat op een onconventionele manier wordt ontwikkeld.

     Screen shot uit “Dear Esther”

Sommige zijn ook een commercieel sukses. Van Dear Esther  (2012),een creatie van de Britse studio The Chinese room , werden een miljoen exemplaren verkocht. In dit spel wandel je rond op een verlaten eiland en hoor je onderweg diverse verhaalflarden waaruit op de duur een poëtische samenhang blijkt. De spel-elementen zijn minimaal, de tekst domineert. Het valt nog nauwelijks een game te noemen maar toch is het ook iets anders dan een boek.

Aan de andere kant van Ennslins spectrum vind je kaskrakers zoals Bioshock die veel dichter bij de klassieke game-vorm blijven maar er toch een literaire waarde aan toevoegen. Bioshock won veel prijzen en kreeg vooral lof voor zijn origineel scenario en onderdompelende decors. Volgens Wikepedia wordt het beschouwd als “one of the greatest video games of all time and a demonstration of video game as an art form.”  Na Bioshock kwam Bioshock 2 en vorig jaar Bioshock Infinite. De drie series zijn HIER te vinden. Ze werden bedacht door Ken Levine en ontwikkeld door de studios 2K Boston en 2K Australia.

BioShock is zoals de meeste games een first-person shooter, wat wil zeggen dat er veel schieten en ander geweld aan te pas komt en dat de speler de actie ervaart door de ogen van de protagonist. Vele van de meer artistieke game-designers kiezen daarentegen voor een third-person standpunt juist omdat ze willen vermijden dat de speler, door zich te identificeren met zijn avatar, zich volledig door het spel-aspect laat opslorpen. Bioshock verschilt van de klassieke games door de complexiteit van het verhaal en doordat tekst een belangrijke rol speelt. Het spel begint als je met je vliegtuig in zee stort en in een distopische onderwaterstad terecht komt waar je vijanden en vrienden ontmoet en een manier zoekt om te ontsnappen. Af en toe vind je taperecorders met daarop flarden van monologen. Die zijn puzzelstukjes die je moet samenleggen om het geheel te begrijpen.

                Uit Bioshock Infinite

Literair, min of meer

De meeste literaire games vallen ergens tussen in deze twee extremen. Niels t’Hooft is een Nederlandse auteur en spel-ontwikkelaar  die de ontluikende kunstvorm op de voet volgt. Het stuk dat je nu leest is schatplichtig aan de artikels die hij daarover op zijn site.  Voor wie na dit stuk meer wil vernemen over literaire games is zijn site een goed vertrekpunt. Zelf experimenteert hij ook met nieuwe digitale presentatievormen van zijn literair werk.

Een van zijn favoriete computer games is Kentucky Route Zero, een Amerikaanse reeks avonturenspellen die begon in 2012 en nog steeds loopt. Het gaat over een postbode die door een surrealistische versie van Kentucky dwaalt. Hier is een trailer. “De game is verschrikkelijk mooi gemaakt, barst van de intertekstualiteit, en speelt bovendien met het medium”, oordeelt T’Hooft.

     Uit Kentucky Route Zero

Kentucky Route Zero wordt gemaakt door Cardboard Computer,  een trio vanmediakunstenaars uit Chicago.  T’Hooft: “Ze citeren gretig uit andere media en spelen daar vervolgens mee: beeldende kunst, cinema, muziek, architectuur en literatuur. Zo laten ze zien dat het gamemedium (en software in het algemeen, want games zijn een vorm van software) uitermate goed in staat is om andere media in zich op te nemen. Gewapend met een kleurenscherm, stereospeakers, internetverbinding en dynamisch geheugen kan software vrijwel alle andere kunstvormen absorberen en adapteren. Beeld of tekst, interactief of niet, als je er als toeschouwer toe bereid bent, is diepe onderdompeling mogelijk.”

Een andere favoriet van t’Hooft is The Stanley Parable (2013) gemaakt door de Brit Davey Wreden. In deze game ben je een bediende die in een leeg kantoorgebouw  op zoek gaat naar je verdwenen collega’s.  Naar gelang de aftakking die je neemt in het laberinth van gangen, neemt het verhaal een andere wending. Alles wat je doet wordt becommentarieerd door een droogkomische, licht ontvlambare verteller. Hier is de trailer.

The Stanley Parable is een “mod” ( van“modification“) een variatie van een reeds bestaande game, in dit geval  Half-Life 2.  Er bestaat een hele subcultuur van game mods. Sommigen maken kleine veranderingen, anderen, zoals Wreden, gooien het hele spel om. Sommige zijn zo populair dat de term “vanilla” wordt gebruikt als men het over het originele, niet-gemodifieerde spel heeft, zoals in “Vanilla Battlefield 1942”.  Men kan parallellen zien tussen deze subcultuur en het fenomeen van “fan-fiction” dat we in een vorige aflevering van deze serie bespraken (variaties op bestaande boeken, tv-shows en films) en de hele remix-trend in populaire muziek en videos.  Eclectische collage is een dominante  strategie in de kunst van vandaag.

           Uit The Stanley Parade

 

Andere literaire games die t’Hooft aanstipt zijn onder meer  Device6, Gone Home en Blackbar .

Device6 , een Zweeds product, is een Alice in Wonderland -achtige zoektocht op een eiland waarin je puzzels moet oplossen om naar het volgende hoofdstuk te gaan. (Bekijk hier de trailer)

Blackbar is eenvoudiger, maar volgens T’Hooft beter geslaagd, omdat de verschillende elementen beter samenhangen en alle ruimte is gegeven aan de verbeeldingskracht van tekst. Het is een verhaal over censuur, bureaucratie en vriendschap, verteld aan de hand van documenten waarin gevoelige woorden zijn weggestreept.Door te deduceren wat er onder die zwarte balkjes stond dring je dieper door in het verhaal.

In Gone Home kom je na een wereldreis terug in je ouderlijk huis maar je familie is nergens te bespeuren. Wat er aan de hand is, ontdek je als je de villa kamer voor kamer doorzoekt. Het verhaal wordt verteld in visuele details die je overal tegenkomt, maar ook in de documenten die verspreid liggen: artikels, brieven, notities, de dagboekfragmenten van je jongere zus. Op non-lineaire wijze ontrafel je de plot.

Minder tekstueel gericht is de Vlaming Michael Samyn die samen met zijn Amerikaanse vrouw Auriea Harvey de computer games  The Graveyard, The Path, The Endless Forest en Luxuria Superbia ontwierp. Hun studio Tale of Tales  is gebaseerd in Gent. Momenteel werken ze aan een project dat Cathedral-in-the-Clouds heet.  Ze staan bekend voor hun distinctieve visuele stijl en hun originele benadering van het game-concept.

Harvey en Samyn

In de games van Tale of Tales hoef je niet snel en handig te zijn. Je kunt niet winnen of verliezen.Tekst wordt er zelden in gebruikt. Het zijn eerder atmosferische gedichten of kortverhalen, waarin je wordt ondergedompeld wordt door de pseudo 3D-omgeving en je actieve participatie. Die participatie is soms heel beperkt. In The Graveyard (2008) is je taak een oude dame over een pad door een kerkhof leiden tot ze kan gaan zitten op een bank voor een kapel. Daar luistert ze samen met jou naar “Komen te gaan”, een melancholisch lied van Gerry De Mol  (gezongen in het Nederlands met Engelse ondertiteling). Daarna leidt je de dame het kerkhof uit. Je kunt The Graveyard gratis downloaden op de site van Tale of Tales. Of je kunt 5 dollar betalen voor een versie met iets meer variatie.

 

The Graveyard kreef lof maar ook kritiek van game-puristen  die het pretentieuze artsy fartsy vonden, de naam ‘game’ onwaardig. Hadden Harvey en Samyn er niet even goed een kortfilm van kunnen maken? Samyns antwoord op die vraag is dat een computer game kwaliteiten bezit  –interactie, onderdompeling, simulatie – die niet reproduceerbaar zijn in andere media en die maken dat de spelers de inhoud anders beleven dan als ze een film bekijken of een tekst lezen.

 Apps voor smartphones

Steeds meer games worden geformateerd als apps voor smartphones. De meeste zijn idiote spelletjes maar er zijn ook apps met literaire kwaliteiten. Een recent voorbeeld is Bury me, my love , waarin je een Syriër bent die via smartphones in contact blijft met zijn vrouw die gekozen heeft om naar Europa te vluchten. Je moet haar helpen in het onderhandelen met smokkelaars, het kiezen van een zwemvest enz. De dialogen zijn goed geschreven. De game is gebaseerd op een reportage in Le Monde en de makers hebben  zelf vluchtelingen geinterviewd. Je kunt het spel in ‘realtime’ spelen, zodat je berichten van je Syrische echtgenote krijgt  tussen die van je echte kennissen. De app kost 2,99 dollar. Bekijk HIER de trailer.

Uit Bury me, my love

De Franse studio The Pixel Hunt specialiseert zich in games met een actuele relevantie, games die je doen nadenken en andermans leed invoelen.  Een andere game die op de actualiteit inpikt is  Pry van Danny Cannizzaro en Samantha Gorman, of Tender Claws, twee kunstenaars uit Los Angeles. Het is een verhaal over een getraumatiseerde Irak-veteraan, verteld in hoofdstukken waarin games, film en tekst op steeds andere manieren worden gecombineerd (bekijk HIER de trailer).  Niels t’Hooft schrijft over deze app: “Het is een interessante verkenning van tekstinteracties, die mijn geduld wel erg op de proef stelt. Om te lezen is een rustige modus nodig, een heel precieze stemming. Mijn aandacht moet langere tijd worden vastgehouden, maar met montages vol tekst-en beeldflarden wordt die juist onderbroken. Het geeft me de neiging snel naar de volgende module te willen scrollen; tekst als wegwerpartikel in dienst van het experiment.”

Hij houdt meer van de app-roman  Arcadia van Iain Pears, uitgebracht door de Engelse studio Touchpress. Een game kun je die eigenlijk niet noemen. De roman bestaat uit lineaire teksten maar als lezer kun je kiezen in welke volgorde je de  parallelle verhaallijnen wilt lezen.  Je kunt de app gratis downloaden.

De app Bitterveld van de Nederlandse Liesbeth Eugelink  gebruikt een interactieve kaart van Berlijn als interface. De lezer kan kiezen uit verschillende (metro)routes. Afhankelijk van de keuze die je maakt, wordt de tekst in een andere context geplaatst, waardoor het verhaal telkens een andere betekenis krijgt.In feite is het een non-lineair reisverhaal dat parallellen trekt tussen de tweede wereldoorlog en vandaag.

 

Grunberg

Niemand minder dan de gevierde auteur Arnon Grunberg zei te willen onderzoeken of de toekomst van de literatuur in games ligt. Daartoe ontwierp hij, in samenwerking met studenten van de universiteit van Amsterdam, een urban game, een computerspel dat plaatsvindt in de echte wereld. Being Grunberg, zoals het spel heette, werd in februari 2015 gespeeld in het centrum van Amsterdam door tientallen vrijwilligers gewapend met een smartphone met daarop een app die hen instructies gaf. Niels t’Hooft was een van de deelnemers.  Hij schrijft:

“Een interessante ervaring was het zeker. Afhankelijk van waar ik me bevond kreeg ik verhalende fragmenten te horen via mijn koptelefoon, en ik sprak en onderhandelde met medespelers en acteurs. Zelf nam ik ook een rol aan: als mensensmokkelaar moest ik nep-paspoorten verkopen. Andere spelers waren huisvader, illegaal of marechaussee, ieder met hun eigen speldoel. Daardoor liepen de ervaringen nogal uiteen, al moest iedereen dezelfde informatie verzamelen over een fictieve gijzeling. Omdat ik bij toeval al gauw een voorsprong had in het laatste, kon ik een lucratief informatiehandeltje beginnen; spelen om nieuwe dingen te ontdekken en om het perspectief van een ander aan te nemen (voorname redenen waarom ik doorgaans games speel) maakten snel plaats voor spelen om keihard te winnen.”

Grunberg zelf was volgens t’Hooft vooral geïntrigeerd door het ongemak dat ontstond toen spelers zichzelf voor een raam tentoon moesten stellen en in het openbaar met elkaar moesten knuffelen. “Het ongemakkelijke gevoel dat je kunt ervaren als je een roman leest valt hierbij in het niet”, zei hij na afloop.

Een literaire hoogvlieger was het niet volgens t’Hooft. Toch gelooft hij vast in de toekomstmogelijkheden van de literaire game. Niet dat die in de plaats van de traditionele roman in (gedrukte of digitale) boekvorm komt maar wel daarnaast een bloeiende hybride kunstvorm wordt, omdat het als geen ander medium andere kunsten (film, literatuur, theater, rollenspel,dans, muziek..) in zich kan opnemen.

Money

De grote game-producenten concurreren in snelheid, 3D-effecten, sound and fury en werken met budgetten waar de game-ontwikkelaars met artistieke ambities alleen maar van kunnen dromen. De visuele impact van literaire games kan dan ook soms mager afsteken tegenover het overdonderend geweld van de blockbuster games. Anderzijds kunnen ook game-ontwikkelaars met schaarse middelen via het internet een relatief groot en wereldwijd publiek bereiken.  Sommige financieren hun projecten via Kickstarter en andere vormen van crowd-funding. Subsidies kunnen ook helpen. In 2016 subsidieerde het Nederlands Letterenfonds twee literaire games. Na een open oproep kreeg het fonds bijna 50 projectvoorstellen. De twee winnaars waren Puzzling Poetry’ en ‘Winter’.

‘Puzzling Poetry’ van de Nederlandse Studio Louter en dichter Lucas Hirsch is een game waarin de speler gedeconstrueerde gedichten van Hirsch en andere dichters recreëert. De uitdaging is om naast de betekenis van de woorden goed te kijken naar de ritmiek en de grafische verhoudingen. ‘Het spelen met woorden leidt onverwacht tot een nieuwe, geconcentreerde manier van lezen,’ vond de selectiecommissie. Je kunt de app HIER downloaden.

‘Winter’ van de Leuvense studio Happy Volcano  is een mobile game, waarin de speler stap voor stap navigeert door een wereld van tegels. Per stap ontvouwt zich een verhaal (in de vorm van een innerlijke dialoog)  waarvan de speler het verloop  mee bepaalt. De tekst is geschreven door de Vlaamse auteur Joost Vandecasteele. De speler krijgt met verschillende doodsmomenten te maken, gepresenteerd als op te lossen puzzels. De doodsmomenten variëren van lieflijk en vredevol tot over the top gewelddadig. Die beschrijving komt van de site van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, dat mee subsidieerde, want zelf heb ik niet gevonden waar ‘Winter’ gedownload kan worden. Het project is inmiddels van naam veranderd en heet nu “The almost gone” waarvan de release-datum is opgeschoven naar 2018. Je kunt hier alvast een trailer bekijken.

Voor zover ik kon nagaan waren deze subsidies eenmalig en valt er op dat vlak in de toekomst niet veel te verwachten. Maar de opmars van de literaire games zal er niet door tegengehouden worden. De impuls zal blijven komen van individuen en kleine collectieven, eerder dan van de grote game-firmas die vastzitten in het patroon van productie en mass-marketing. In het verleden was het probleem dat zo’n kleinschalig werk moeilijk een publiek vond. Dankzij het web kunnen creatieve pioniers vandaag de aandacht vangen van geinteresseerden over heel de wereld. Ik vind het hoopgevend dat zovelen dat met zoveel enthousiasme doen, ook al worden ze er niet rijk door.

 

WORDT VERVOLGD

 

December 13, 2017 at 5:28 am 1 comment

Twee menu’s voor wie de kolonisatie van Kongo nog niet heeft verteerd

Kongoboot Albertville

 

door Lucas Catherine

Menu1

Onderzoeksjournalistiek baseert zich nu op documenten die en stoemelings maar zijn te vinden. Moeilijk werk, vraag het maar aan de mensen van Apache. Vroeger was het anders. Dan kon je aan de hand van op het eerste zicht onbelangrijke documenten waren veel te weten komen.

Hierbij het voorbeeld van twee menu’s uit Antwerpen. Ze dateren uit 1898. Een belangrijk jaar in de geschiedenis van Kongo: Toen werd niet alleen de eerst trein daar officieel in gebruik genomen, maar arriveerden er ook de eerste toeristen en journalisten met hun net klantvriendelijk gemaakte Kodak. Om het bij Antwerpen te houden: La Metropole (met Vaes), Le Matin (met Henrion), De Nieuwe Gazet (met Moortgat) en het Handelsblad (met De Mey).
Hier dus mijn eerste spijskaart, zoals men dat toen in Antwerpen noemde, maar in druk heette het wel menu. Bourgeois oblige. In dit geval de Kamer van Koophandel. Het diner was ter ere van Leopold II die toen La Métropole bezocht en de illustraties vertellen veel. Je leest ze net als de gerechten van boven naar onder.
Heel bovenaan links, de vlag van de Kongo Vrijstaat en rechts de Kongostroom met op de oever twee olifanten. Dat laatste is een kleine leugen. De olifanten waren aan de Kongostroom zelf al uitgestorven, men moest ze in het hoge noordoosten gaan jagen. Maar, zoals de Leeuw stond voor België, zo stond de Olifant symbool voor Kongo.

In het midden, links een bundel voorwerpen die de eerste toeristen ginder graag kochten: schilden, speren, werpmessen en maskers. Rechts daarvan op de achtergrond de eerste trein in Kongo, Matadi-Kinshasa die toen net officieel was ingehuldigd.

Daaronder de rivierboot Brabant die het jaar daarvoor (1897) in Antwerpen door Cockerill Yards was gebouwd. Die scheepswerf lag toen midden in de stad. Ze bouwden ongeveer alle boten die op de Kongo vaarden. De Brabant was een raderboot en mat 45 meter op 9 meter met een stoommachine die 125 pk kon ontwikkelen. Daarmee konden 150 ton vracht vervoerd worden en er waren cabines voor 32 passagiers. Op zijn proefvaart op de Schelde ontwikkelde hij een snelheid van 7,5 knopen (14 km/u)

Links onderaan een gravure van Nieuw-Antwerpen, een handelspost die Camille Coquillhat had gesticht. Coquillhat kreeg daarom in Antwerpen een straat (in 1891) en een standbeeld in het Albertpark (1895).

In het centrum onderaan: het wapen van de Kongo Vrijstaat met als devies Travail et Progres, bekroond met de gevleugelde helm van Mercurius, de god van handel en reizen. En ook de patroon van de Antwerpse Kamer van Koophandel.

Rechts onderaan dan de Albertville, de toenmalige Kongoboot Antwerpen-Matadi (bouwjaar 1896).De gangen op het menu zijn minder interessant, net zoals die trouwens op het tweede menu.

 

Hier iets minder illustraties: rechts onder nog maar eens de Albertville en links dé uitvoerproducten uit Kongo: ivoor (slagtanden) en balen rubber. Die producten konden Antwerpen bereiken, niet alleen dankzij de Kongoboot, maar ook dankzij de spoorweg Matadi-Kinshasa. Het symbool van de spoorweg zie je dan ook uiterst links: een gevleugeld wiel. Het was jaren lang ook het symbool van de NMBS. Mijn vader, cheminot net als mijn grootvader, droeg het op de kraag van zijn vest. Het was in koper- uit de Kongo.

 

Dit tweede banket had een maand na het bezoek van Leopold II plaats en werd door de Kamer van Koophandel georganiseerd voor hun leden die door Leopold waren benoemd in de Leopoldsorde – een al langer bestaande orde – maar vooral in de Kroonorde. Die had de Heerser van de Kongostaat een jaar eerder opgericht om iedereen te huldigen die ‘verdienste had voor de Beschaving van Afrika’. En de Kroon verwijst hier dan ook naar het Kroondomein, dat deel van de Vrijstaat waar enkel Leopold economisch actief was. Met de namen van de genodigden kan je de geschiedenis van de kolonisatie schrijven. Ze staan in alfabetische volgorde, maar de eerste in de rij, Bunge was toen misschien de belangrijkste en dankzij Kongo ook de rijkste. Antwerpenaren kennen misschien het Instituut Bunge, nu onderdeel van de UIA en de domeinen Oude Gracht en De Uitlegger (in Kapellen en Brasschaat), vroeger privé-domeinen van de familie Bunge. Ze kwamen oorspronkelijk uit Zweden, maar hun rijkdom kwam uit Kongo. Eduard Bunge commercialiseerde al het ivoor dat uit Kongo arriveerde. Tussen 1888 en 1893 ging dit om 509.573 ton –vraag me niet hoeveel olifanten dat maakt – Het leverde Bunge meer dan één miljoen Euro op. Verder was Bunge geïmpliceerd in de twee grote rubbermaatschappijen ABIR en Anversoise, beiden berucht om hun politiek van afgehakte handen. Leopold II noemde Eduard Bunge dan ook ‘mon grand ami anversois’ en Leopold hield van Antwerpen: “Anvers peut être, et mon désir est qu’Anvers soit la plus grande ville commerciale du continent”. Een citaat uit zijn speech in Antwerpen tijdens het vorige diner.
De tweede in de lijst is een mindere figuur Edgard Castelein, stichter van de krant La Métropole die de politiek van Leopold II verdedigde. Een van zijn journalisten reisde in 1898 naar Kongo om er de inhuldiging van de trein Matadi-Kinshasa te verslaan. De trein die de echte economische ontsluiting van Kongo mogelijk maakte.

Emile Ceulemans, een commerçant die het later bracht tot Consul Generaal van de Kongo Vrijstaat in Lissabon.

Charles Corty, voorzitter van de Kamer van Koophandel. De ondervoorzitter was Louis Criquillon.

Maar laten we het bij de grote kleppers houden.
Alexis De Browne de Tiège: medestichter van de beruchte rubbercompagnie Abir en voorzitter van de Anversoise. Die maatschappijen maakten ongelooflijk veel winst. In sommige jaren vijfmaal het eigen kapitaal. Waar Abir actief was slonk de bevolking met de helft, en dat kwam niet alleen door afgehakte handen. De Browne de Tiège was ook een stroman van Leopold II en hielp hem in 1895 om de Belgische staat geld af te troggelen via een zogezegde lening. Hij zat ook in Bell Company, de Antwerpse maatschappij die de eerste telefoonlijnen in Kongo aanlegde. Zijn kapitaal is opgegaan in de Dexia bank.

Emile en Ernest Grisart zetelden ook in Bell en waren aandeelhouders in de rubbermaatschappijen.
Alexis Mol was alweer een goede vriend van Leopold II met belangen in Abir en Bell en verder in de koffie- en cacao-import uit Kongo.

 

Naast Leopold II was vooral Albert Thys actief in de plundering van Kongo. Hij was stichter of aandeelhouder van 33 koloniale maatschappijen. Hij was de man die in 1898 de eerste trein Matadi-Kinshasa deed rijden. De bankier Alfred Osterrieth was een van de genodigden bij de inauguratie van de spoorweg. Osterrieth was de leidende figuur in Les Produits du Congo, een van de maatschappijen van Thys. Verder zat hij in Abir en importeerde Kongolese cacao. Zijn kapitaal is ook opgegaan in de Dexia Bank.
Ook Eduard de Roubaix zat in die Produits du Congo van Thys.

Dan is er Arthur Van den Nest, voorzitter van rubbermaatschappij ABIR. Hij zetelde daarnaast in Bell Telephone en tijdens het diner waarop deze tweede menu slaat, opperde hij het idee om met de Kamer van Koophandel een monument te bouwen ter ere van de Kongolese handel. Hij werd hierbij gesteund door burgemeester Jan van Ryswyck. Het werd, met enige jaren vertraging de Kongozuil in het Stadspark.

 

Jan Van Rijswijck was een fervent verdediger van de koloniale politiek van Leopold II. Hij organiseerde in 1894 de Antwerpse Expo waarin meer dan 100 Kongolezen werden ‘tentoongesteld’ in het zogenaamde Vivi aan de Schelde. Maar hij sympatiseerde ook met de kolonisatiepoging van Leopold in China. In 1900 riep hij zelfs op om een expeditiekorps naar China te sturen om de anti-koloniale Boxersopstand (Yihetuan-beweging) neer te slaan.

En, ik zou het haast vergeten op die menu’s staat dus ook wat er te eten viel:

 

Schotse oesters

Ossenstaartsoep

Ganzenlever in een korstje

Forel uit Dieppe

Royale Rundsfilet

Kapoen zoals in Le Valois van Le Mans (toen een erg bekend restaurant).

Champions en croute

Hazerug Grand Veneur

Patrijs in wijnbladeren

Abrikozencompote

Kreeft Belle-Vue

En tot slot: sla’s, gebak, ijs en fruit.

En daarbij champagne en aangepaste dure wijn.

Een dagtaak, zo’n maaltijd en tijd genoeg om over zakendoen in Kongo te praten.

 

En hoe ben ik aan deze menu’s gekomen? Wel in de jaren zeventig maakte een farmaceutische firma reproducties van deze menu’s. Ze waren onder de indruk van de zware maaltijd die werd aangeboden en op de achterzijde maakten ze reclame voor een poeder tegen een zware maag. En dat stuurden ze als publiciteit naar alle huisdokters.

 

Lucas Catherine

Liefhebber van Matadi en ander koloniaal gebak.

 

June 5, 2017 at 12:32 pm Leave a comment

ELISABETH, voor MELOMANEN, ROYALISTEN, WISPELWEYERS

door Jef Coeck

De Koningin-Elisabethwedstrijd (KEW), zowat het beroemdste muziekconcours ter wereld, krijgt zijn beslag deze week in de Bozar van Brussel. Uit de voorselectie en halve finale bleven 12 kandidaten over, geen Belgen.  Dat komt, zegt cellist en celloleraar  Stijn Kuppens, ‘omdat een uiterst doorgedreven coaching in een stimulerende omgeving ontbreekt in België’. Waarom die dingen er dan wel zijn voor andere instrumenten als piano en viool, vernemen we niet.

Er zijn meerdere verklaringen. Het is de eerste keer dat de cello aan bod komt, na viool, piano, en de menselijke stem. Cello is een moeilijk te bespelen instrument. Er is weinig voor gecomponeerd. Hij moet bijna altijd omgeven zijn door andere instrumenten en dan gaat een deel van de wonderbare klank (‘de mooiste van het orkest’) verloren. Natuurlijk kan het ook solissimo worden bespeeld. Dat doet onder meer de Nederlandse geniale uitvoerder Pieter Wispelwey – hij zit terecht in de jury die op het einde van deze week de rangschikking zal bekend maken. Toch is dit instrument niet algemeen populair, een soort weeskind onder de strijkers.

We waren ongeveer een jaar of 10, mijn neef Jan en ik. We hadden het verplichte eerste jaar solfège achter de rug in de plaatselijke academie, en dan moest (mocht) je een instrument kiezen om het te leren bespelen. Voor mij was het makkelijk, ik was dol op piano. Jan twijfelde wat langer en korte tijd later vernam ik dat hij gekozen hand voor de ‘violoncelle’. Ik kende het woord niet eens maar kon vermoeden dat het iets met de viool vandoen had. Strikt genomen zou je het een basviool kunnen noemen: grote klankkast, geluid van vier donkere snaren, bespeeld met een aangepaste (zware) strijkstok.

Neef Jan schopte het ver in de muziek (in tegenstelling tot mezelf). Hij kreeg een plaatsje in het Vlaamse opera-orkest van Antwerpen. Bovendien begaf hij zich aan composities, waarvan sommige zelfs op CD kwamen. Zo zijn ‘Clarifonia’, dat werd uitgevoerd door het klarinet-ensemble van wijlen Walter Boeykens met Robert Groslot als gastdirigent.

Dat komt bij mij allemaal terug boven, nu ik elke avond voor de TV zal hangen om geen noot te missen. Want gelukkig doet de VRT andermaal een culturele reuzestap door de finale en proclamatie integraal uit te zenden. Dat is een van onze betere tradities geworden. De presentatie van het geheel is voor de tiende keer in handen van Katelijne Boon, een dame met standing en kennis van zaken. Ook zij is weg van de cello/sello.

Boon: ‘Alleen al fysiek doet de klank van een cello iets ongelooflijks. Zowel met de speler als met de luisteraar. Je voelt die vibraties in je lichaam. Eigenlijk zijn dat twee persoonlijkheden die je aan het werk ziet: de cellist én zijn cello. Dat heb ik nooit eerder met een ander instrument meegemaakt.’

Daar kan ik het eens mee zijn. Als je Wispelwey de cello-suites van Bach hoort uitvoeren, zet dan de CD niet al te luid of je kunt een hartaanval oplopen. Je mag in een huis van beton zitten met geluiddempende tapijten, nog zul je de trillingen in heel je lichaam voelen. Hoe dat bij een vrouw als Katelijne Boon overkomt kan ik als man niet weten, alleen gissen. Ze heeft het, zegt ze zelf, met geen enkel ander instrument.

Boon: ‘De kritiek op cello is dat het repertoire beperkt is, maar dat vind ik niet helemaal juist. In de finale zullen we maar drie concerto’s horen: zes keer Sjostakovitsj, twee keer Schuman en vier keer Dvorak. Maar ik begrijp dat die mensen voor zulke meesterwerken kiezen. Voor veel kandidaten is het de eerste keer dat ze die stukken kunnen uitvoeren met orkest, samen met het verplichte werk uit de 21ste eeuw, vind ik die balans zeer goed.’

Kruisvaarders

Wie er op let komt toch geregeld de cello tegen. In de Franse Ardèche deden we lang geleden het stadje Banne aan. Het torent in de heuvels rondom Les Vans en bezit een indrukwekkend kruisvaarderskasteel. De stallingen ervan zijn al meer dan duizend jaar intact gebleven en nu omgevormd tot een concertzaal. We baanden ons een weg tussen de petanquespelende autochtonen. En vernamen dat er die avond een concert was van piano en cello, met, als ik het goed heb Bach, Mozart, Schuman etc.

Wij namen plaats in dit historisch pand, benieuwd naar wat ons te wachten stond. Er waren van die ongemakkelijke stoelen gezet, maar dat kon niet deren. Het concert was schitterend. Ik ontdekte eindelijk de violoncelle en die sneed me ongeveer de adem af. Tussen de honderd of zo toehoorders kon je een speld horen vallen. Na een half uurtje kwam er de krop in de keel en bij sommige mede-melomanen zelfs de tranen in de ogen. Het was verstijvend aandoenlijk. De diepe bassen werden begeleid door een zacht pianissimo van dit schone instrument. Af en toe was er toch een bij-geluid: een zwaluwpaar vloog soms in en uit, door de ramen zonder glas. Zij twitterden de sfeer niet kapot, integendeel, ze leken zelf te komen luisteren en genieten. Het concert duurde goed een uur en toen had kennelijk niemand zin om weg te gaan.
Maar de pastis-receptie riep ons tot de orde.

Ik geloof nu Kuppens, die zegt: ‘Hoe meer je geeft aan de cello, hoe meer je terugkrijgt.’

En laten we zeggen dat de kruisvaarten, hoe bloedig ook, in de loop van de geschiedenis ook een goede kant hebben gekregen.

www.destandaard.be
www.demorgen.be

May 29, 2017 at 2:50 pm 1 comment

MET EEN MUILKORF EN AAN DE LEIBAND

In De Standaard reageert Walter Zinzen op de dubieuze beslissing van de VRT, Knack en Sudpresse om in het kielzog van Filip Dewinter Syrië te bezoeken en dictator Assad te interviewen. Het interview zelf en de manier waarop het tot stand kwam voldoet niet aan de toetssteen van onafhankelijke journalistiek vindt Zinzen. In het journaal van 8 februari deed de VRT-nieuwsdienst er nog een schep bovenop met een reportage waarin Dewinter de hoofdrol speelde en nauwelijks gehinderd door tegenspraak of kritiek zijn “visie” ten beste kon geven.

Wat volgt is het opiniestuk van Zinzen uit De Standaard van 9 februari.

Johan Depoortere

300

WALTER ZINZEN

Moet een journalist eropuit zijn gepatenteerde moordenaars en criminelen te interviewen? Ja, dat moet, zullen heel wat journalisten antwoorden. Rudi Vranckx liet zich dinsdag in Terzake ontvallen dat hij graag Osama bin Laden had geïnterviewd. Zelf heb ik jarenlang jacht gemaakt op een ‘exclusief’ interview met Mobutu, dictator en massamoordenaar in het toenmalige Zaïre. Nobody is perfect. Want ik had het mis. Criminele politieke leiders interviewen is zinloos. Hun antwoorden zijn perfect voorspelbaar: ze ontkennen hun misdaden glashard, zeggen dat het hun tegenstanders zijn die zich aan misdaden schuldig maken en dat ze de steun van de bevolking hebben, ook al is overduidelijk dat zulks niet het geval is. Dat was met het interview dat drie Belgische journalisten ‘mochten’ hebben met de Syrische president Bashar al-Assad niet anders (DS 8 februari) . De nieuwswaarde was nul.

Oud en recent nieuws

Ja, zowel VRT-interviewer Jens Franssen als Rudi Vranckx had ontdekt dat Assad een ‘kille en wreedaardige’ man was. Alsof we dat al niet lang hemelsbreed wisten. Jens Franssen klopte zich evenwel op de borst: zijn manier van ondervragen had Assad uitspraken ontlokt die hij nog nooit eerder had gedaan. Zou het werkelijk? Hoe narcistisch kun je zijn? Dictators ondervragen kan maar op twee manieren: ofwel stel je brave vragen en dan lukt het, ofwel vraag je door en wordt het interview afgeblazen nog voor het goed en wel begonnen is. Franssen en zijn twee collega’s kozen voor de zachte aanpak. Ze waren beter thuisgebleven.

Hoofdredacteur tv-nieuws Inge Vrancken beweerde, volkomen terecht, dat het de plicht is van de publieke omroep om de ‘twee kanten’ te laten zien. Maar het interview met Assad toonde helemaal geen andere kant. Het woord ‘foltering’, bijvoorbeeld, viel niet één keer. Echter: ere wie ere toekomt. De ‘omkadering’ van het interview was perfect, alvast in Terzake en De Afspraak, veel minder op de radio. De misdaden van Assad werden er breed uitgemeten door goed geïnformeerde studiogasten. Maar was er echt een nep-interview met Assad nodig om die informatie door te geven? Was het rapport van Amnesty International over de gruwel in de Saydnaya-gevangenis niet meer dan voldoende als aanleiding? (DS 7 februari)

471143620

Jens Franssen (VRT) in gesprek met Basjar Al Assad

Dewinter is, pro memorie, de belichaming van een voor racisme veroordeelde partij. Hij laat geen enkele gelegenheid voorbijgaan om te bewijzen dat die veroordeling gerechtvaardigd was. Nog veel erger in dit geval is dat hij in Syrië een misdadige rol speelt: platte broodjes bakken met een terrorist. Op de puinhopen van Aleppo bestaat hij het te beweren dat Assad een baken is in de strijd voor democratie en stabiliteit in het Midden-Oosten. Dat het Assad zelf is die de stad heeft vernield, zul je uit de mond van Dewinter niet vernemen.

Foute bemiddelaar

287876101

Vlaams-Belangkopstuk Dewinter in Aleppo

Als ik me niet vergis bestaan er in ons land instituties, die de sociale media afspeuren op zoek naar mededelingen die haat verspreiden en geweld verheerlijken. Er staat, voor zover ik weet, nergens geschreven dat die boodschappen uitsluitend van islamisten afkomstig moeten zijn. Het is zonder meer duidelijk: Dewinter is een geradicaliseerde Syriëganger die een terroristische organisatie, in casu het Assad-regime, ondersteunt en er ongegeneerd propaganda voor voert, tot en met journalisten verleiden om er de hoofdverantwoordelijke van te interviewen. Het zou de VRT, Knack en Sudpresse gesierd hebben als ze dit manoeuvre hadden afgewezen. Dat ze dit niet gedaan hebben, mag en moet ze kwalijk worden genomen.

Opdracht voor De Roover

Tegen Dewinter zelf dient onverwijld een gerechtelijk onderzoek te worden opgestart. Vervolgens moet de Kamer zijn politieke onschendbaarheid opheffen. Het zou mooi zijn als Peter De Roover (N-VA), die vrije meningsuiting van terrorisme-sympathisanten toch al wil beperken, daartoe het initiatief zou nemen.

 

 

February 9, 2017 at 5:48 pm 4 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,571 other followers