Posts filed under ‘Midden Oosten’

JAMBON EN DE ZESTIG IMAMS

 

door Lucas Catherine

10 juli bij de Brusselse Beurs, een plek waar het stadsbestuur normaal een betogingsverbod handhaaft. Maar nu wordt er betoogd, door zestig imams onder leiding van minister Jan Jambon. Er staan zeker dubbel zoveel flikken opgesteld en een honderdtal nieuwsgierigen. Ik haast mij naar Le Suisse voor een sandwich en nog voor die op is zijn de imams verdwenen.

 

Zijn ze verdwenen zoals indertijd de dansende moslims van Jambon? Ik zoek duiding.

Het tv-nieuws laat twee imams aan het woord –duidelijk geen Belgen- en interviewt ook een rabbijn, Avi Tawil. Wat die man daar doet wordt niet gezegd. Ook in de krant word ik niet veel wijzer, behalve dan dat de Vlaamse Leeuw soms naar links en soms naar rechts klauwt. We zijn 11 juli.
Ik bekijk de foto’s van het evenement op internet en wie staat daar naast Jan Jambon? Marek Halter, volgens het onderschrift de organisator van het evenement. De man heeft trouwens ook gespeecht.

 

 

Dat heb ik verdorie gemist, want die kerel ken ik van vroeger. Pseudo-linkse intellectueel, propagandist voor Israël, indertijd bewonderaar van Golda Meir en Ariel Sharon. Steunde Nicolas Sarkozy met een verkiezingsspotje en is vooral bekend als leugenaar. Zo zegt hij geboren te zijn in het ghetto van Warschau en er via de riolering uit te zijn ontsnapt. Iets wat de historicus Michel Borwitz in het joodse blad, Unser Wort al in 1980 als compleet verzonnen af deed. Wie had het weer over de ‘uitbuiting van de holocaust’ en lanceerde de vroegere Israëlische minister van BuZa, Abba Eban niet de witz: “There’s no business like ‘Shoah’ business.” ?
Halter organiseerde de mars samen met Hassen Chalgoumi, ‘voorzitter van de Conférence des Imams de France’ een schimmige organisatie die niet erkend is door de wel representatieve Conseil Français du Culte Musulman. Maar dat melden de media niet. Die laatste organisatie weigerde trouwens voor de mars op te roepen en blijkbaar heeft Chalgoumi ook bij de Belgische moslims geen goeie naam, want waar een maand geleden nog gesproken werd dat er enkele duizenden moslim sympathisanten zouden opdagen aan de Beurs, stonden daar zo’n 120 mensen, waaronder veel toeristen. Chalgoumi is zowat de ‘imam de service’ van Israël, vooral sinds hij samen met Alain Finkelkraut en op kosten van de Israëlische ambassade in 2012 de zionistische staat bezocht.

De mars kadert dus blijkbaar in de Israëlische propaganda. Zo stelt hun propagandahandboek, Fighting the Media War for Israel:  ‘Verwijs er steeds naar dat zowel Israël als het Westen bedreigd worden door het terrorisme.’

En zo komen we terecht bij Rabijn Avi Tawil die o.a. op het VRT-nieuws werd geïnterviewd. De man is ‘executive director’ van het European Jewish Community Center.

 

Deze lobbygroep organiseerde samen met de European Coalition for Israel een meeting onder de titel What EU can Learn from Israel (8 dec.2016). Een van de iniatiefnemers was Bas Belder van de Staatkundig Gereformeerde Partij – Zijn partij ijvert voor een ‘godsregering op basis van de Bijbel’-, lid van de Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers (AECH),  vice-voorzitter van de Commissie voor de Betrekkingen EU-Israël, columnist bij Israël Aktueel. Ook de NV-A is lid van die AECH. Zou Bas Belder een goed woordje hebben gedaan bij Jan Jambon om dit evenement mee te sponseren? Of werd het ingefluisterd door onze lokale Marek Halter, Zevi (Michael) Freilich?

juli 17, 2017 at 9:54 am Plaats een reactie

CHOMSKY VALT AAN

 

Noam Chomsky

 

Door Tom Ronse

“Wie regeert de wereld?” is de originele titel van het pas door EPO uitgegeven boek “De Chomsky papers”. Het antwoord op die vraag is minder evident dan pakweg twintig jaar geleden. De VS is nog altijd de dominante supermacht maar die macht is in verval, meent Chomsky. Net daardoor wordt ze volgens hem nog gevaarlijker. De “Doomsday Clock” staat op drie voor twaalf”, waarschuwt hij.

Noam Chomsky is een fenomeen. Hij staat bekend als de vader van de moderne linguistiek en een pionier van de cognitieve wetenschap. Daarnaast  was en is hij een politieke activist en auteur van een hondertal boeken en nog veel meer artikels. Kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek en media is zijn hoofdthema. Hij wordt veel gelezen, wereldwijd. Door de enen wordt hij op de handen gedragen, door anderen verguisd. The Observer noemde hem “the world’s greatest public intellectual”, Der Spiegel “de ayatollah van de anti-Amerikaanse haat”.

De star quality van de auteur is vermoedelijk de reden waarom EPO de titel van het boek veranderde in “De Chomsky papers” (eerder gaf EPO al “De essentiële Chomsky” en drie andere Chomsky-boeken uit). Het  boek is een verzameling van eerder gepubliceerde essays, waarvan het oudste dateert van 1966. Helaas heeft de auteur geen poging ondernomen om lang geleden geschreven essays te actualiseren of om de herhalingen die in hoofdstuk na hoofdstuk opduiken te schrappen.

Het boek verscheen in het Engels in 2016. EPO’s versie bevat een nawoord, geschreven na de verkiezing van Trump. Chomsky verwacht uiteraard dat die het nog veel erger zal maken.  De feiten geven hem gelijk.  Trump lijkt vastbesloten om de opwarming van de planeet te versnellen, de bewapeningsuitgaven drastisch te verhogen, de belastingen van de rijksten te verlagen en te besparen op de rug van de armen, de ouderen en de zieken. Wat dat laatste betreft, krijgt hij nog wat tegenwind maar de noodzaak om nog meer uit te geven om Amerika’s militaire suprematie te handhaven wordt in het Congres niet in vraag gesteld. De bereidheid van de bevolking om de nodige offers daartoe te aanvaarden steunt op een brede aanvaarding van de premisse dat de Amerikaanse militaire macht een noodzakelijke en goedaardige rol speelt in de wereld. De wijsheid van een militaire interventie mag betwijfeld worden maar niet de goede bedoelingen.  Het is die mythe die Chomsky onderuit schopt.

Zo contrasteert hij de bewering dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich tot doel stelt om vrijheid en democratie te verspreiden met vele voorbeelden die net het omgekeerde tonen.  Washington steunt een democratisering als dat de belangen van het Amerikaanse kapitaal dient, zo toont hij aan, maar als dat niet het geval is aarzelt ze niet om verkozen regeringen omver te werpen en dictators te steunen. Verkiezingen worden geprezen maar als een bevolking “verkeerd” kiest, zoals de Palestijnen in Gaza, dan wordt ze daarvoor gestraft.

Terwijl hij de vele Amerikaanse militaire interventies overloopt, fileert Chomsky de hypocrisie van de propaganda die ze begeleidde. Achter de humanitaire slogans schuilt vaak een kille onverschilligheid voor de gruwelijke gevolgen voor de burgerbevolking. Hij hekelt de verloedering van het woord “terrorisme”, dat nu in heel de wereld gebruikt wordt om de acties van vijanden te beschrijven maar niet die van bondgenoten.  Washington gaf het voorbeeld toen het de bomaanval op de kazerne van de Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983 terrorisme noemde maar de slachtpartij die kort daarvoor met steun van Israel plaatsgreep in Sabra en Shatila niet. Nochtans was het doelwit in het eerste geval militair en in het tweede de burgerbevolking. De vervaging van dat onderscheid is gevaarlijk omdat ze aanslagen op burgerbevolking even legitiem maakt als acties tegen militaire tegenstanders.

Over selectieve verontwaardiging  heeft Chomsky een heel hoofdstuk.  De wijze waarop gebeurtenissen worden voorgesteld in de media vormen en misvormen onze kijk op de wereld. Ook onze eigen mainstream media laten zich vaak leiden door de selectieve woede van Washington. Chomsky geeft daar treffende voorbeelden van.

Te simpel

Chomsky wil een globaal portret schilderen maar slaagt daar niet echt in. Door zijn grotendeelse focus op het Midden-Oosten, Europa en Rusland en Oost-Azië, blijft de rest van de wereld buiten zijn gezichtsveld.

Voor hem lijkt er maar één imperialistisch land te bestaan. De VS is de enige boosdoener, de rest zijn handlangers of slachtoffers. De misdaden van anderen blijven buiten zijn gezichtsveld.

Volgens Chomsky wordt het wereldgebeuren gedreven door politici. Hij ziet enkel Washington, in dienst van een superrijke, hebzuchtige elite. De onderliggende omwentelingen in de economie en samenleving blijven buiten zijn gezichtsveld. De schaalvergroting van de economie, de IT-revolutie en vele andere ingrijpende veranderingen spelen geen rol in zijn verhaal.

Ingewikkeld maakt hij het niet. De globalisering reduceert hij tot “de bewuste, zelfgekozen ondermijning van eigen krachten” (van de VS). De eindeloze crisis van het Midden-Oosten is de schuld van het Sykes-Picot akkoord (1916) dat  artificiële grenzen creërde, plus Amerikaans imperialisme, en daarmee is de kous af.  Chomsky’s analyse blijft oppervlakkig.  Hij ontmaskert “the good guys”, ze blijken “the bad guys”. De rollen zijn omgekeerd. De “baddest” van al is de Republikeinse partij, “de gevaarlijkste organisatie uit de wereldgeschiedenis”, want ze “heeft zich tot doel gesteld zo snel mogelijk elke vorm van georganiseerd menselijk leven op aarde te vernietigen.”

Dit boek is een aanklacht, een polemiek. Maar een diepgravende analyse van de oorzaken van de huidige ellende is het niet en evenmin biedt het een perspectief om eruit te geraken. Toch is het het lezen waard. Chomsky wrijft het zand uit onze ogen, dat er door propaganda is ingestrooid.

 

Noam Chomsky, De Chomsky papers, EPO, € 24.95

 

(Dit stuk verscheen woensdag in De Morgen)

 

juli 7, 2017 at 3:31 am Plaats een reactie

THEATER

Erdogan op de bres tegen het fascisme

Ook “anti-fascisme” kan koren zijn op de nationalistische molen. In naam van de vrijheid worden vrijheden vertrappeld.  De Holland-Turkije politieke voetbalmatch is daar een voorbeeld van. Een spektakel dat ons aanzet om onze ploeg toe te juichen en de tegenpartij uit te fluiten en dat ons aan beide kanten doet negeren dat spreken belet wordt en dat “onze” oproerpolitie uitrukt om demonstranten aan te vallen. In de onafhankelijke Nederlandse journalistieke website De Correspondent.nl fileert Jesse Frederik het theater.

(tr)

Zo maakte Nederland van een Facebookevenement met 48 geïnteresseerden een #turkijerel

door Jesse FREDERIK

Tot een week geleden telde het Facebookevenement 47 aanmeldingen en 48 geïnteresseerden.  Mevlüt Çavusoglu, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, zou naar partycentrum De Heerlijkheid in Rotterdam komen om ja-stemmers te werven voor het referendum over de Turkse grondwet. Een rampzalige wet, constateren mensenrechtenorganisaties, die de scheiding der machten zou verzwakken en de macht van de president vergroten.

De Nederlandse politiek zag dat niet zitten. ‘We geloven dat de Nederlandse publieke ruimte niet de plek is voor andermans politieke campagnes,’ zei Lodewijk Asscher.

Twee koene helden van het vrije westen

 

Vrijheid, maar nu even niet

 

Vreemd, want de Nederlandse publieke ruimte wordt met enige regelmaat gebruikt door buitenlandse politici om campagne te voeren.Vorig jaar kwam de Britse politicus Nigel Farage nog hiernaartoe om  een ‘nee’ te bepleiten in het Oekraïnereferendum. Goed voor Brexit-stemmers, zei hij.

En twee jaar geleden kwam niemand minder dan Çavusoglu nog naar Rotterdam om campagne te voeren voor de Turkse parlementsverkiezingen. Toen kraaide er geen haan naar.

Andersom is dat overigens ook zo: vorige maand vond er een verkiezingsdebat van Nederlandse Kamerleden plaats op de ambassade in Londen.

We vinden het dan ook ongehoord als onze politici niet de buitenlandse publieke ruimte mogen gebruiken. Zeven jaar geleden weigerde de Britse regering Geert Wilders de toegang tot het Verenigd Koninkrijk. Hij zou naar Londen afreizen om zijn anti-islamfilm Fitna te vertonen. ‘Churchill, de kampioen van het vrije woord, draait zich om in zijn graf,’ oordeelde VVD-Kamerlid Hans van Baalen destijds.

 

Dit is precies wat Erdogan wil

 

Toch: een Turkse minister die zijn recht op vereniging en meningsuiting zou uitoefenen, dat zag de Nederlandse politiek niet zitten. De lijsttrekkers van alle grote partijen vonden het prima om de Turkse minister tegen te houden.

De discussie bij Pauw en Jinek over het bezoek van de Turkse minister. Bij Pauw & Jinek zat Jeanine Hennis-Plasschaert (minister van Defensie, VVD) openlijk te speculeren of ‘brandveiligheid’ niet ingezet kon worden om de bijeenkomst niet door te laten gaan.

Een westerse regering die zich in rare juridische bochten wringt om een Turkse hoogwaardigheidsbekleder zijn rechten te ontzeggen? De Turkse president Recep Tayyip Erdogan ziet niets liever. Onmiddellijk stuurde hij aan op escalatie en begon met sancties te dreigen. De Nederlandse regering trok daarop de landingsrechten voor het vliegtuig van minister Çavusoglu in.

Meer drama, moet Erdogan gedacht hebben: laat ik een minister die toevallig in de buurt is Nederland in rijden om zich als martelaar van het vrije woord op te werpen. De Nederlandse regering gaf hem wat hij wilde: die minister werd gisternacht het land uit geëscorteerd. ‘Democracy, fundamental rights, human rights and freedoms,’ twitterde de Turkse minister van Familiezaken daarop. ‘All forgotten in Rotterdam tonight. Merely tyranny and oppression.’

Een tamelijk potsierlijke uitspraak voor een minister wier regering de afgelopen maanden 125.000 overheidsdienaren heeft ontslagen, 40.000 Turken en 140 journalisten gearresteerd (waaronder Ahmet Şik die ook voor De Correspondent schreef). Toch, we hadden het Erdogan niet veel makkelijker kunnen maken. Honderden woedende Turkse-Nederlanders die de straat opgaan – een nationalistisch vreugdevuur moet aangegaan zijn in Ankara.

‘Schoonmaak’ in Rotterdam

En toen de Britten een jaar of zeven geleden Wilders de toegang weigerden, ging het precies zo. Met vijftig journalisten vloog Wilders naar Londen, waarna hij – goh – het land niet in kwam en met de verzamelde media weer terug kon vliegen. Dank je wel dwaze Britten, moet Wilders gedacht hebben, weer een paar achtuurjournaals erbij.

Dat is nu niet anders. Een paar dagen voor de verkiezingen zal dit onderwerp de talkshows, de kranten en journaals domineren. Onderwerpen die nauwelijks besproken werden deze verkiezingen, zoals schuldproblemen en klimaatverandering, zullen weer onbesproken blijven.

Was getekend…

 

Het had makkelijk anders gekund.

 

‘Meneer Rutte, er schijnt een Turkse minister naar Nederland te komen om campagne te voeren, dat kan toch niet?!’

‘Ik vind dat ongebruikelijk en onverstandig. Maar in Nederland heeft iedereen het recht om in achterafzaaltjes in Rotterdamse partycentra abjecte dingen te roepen. We geloven namelijk in de vrijheden van meningsuiting en vereniging, juist voor die mensen met wie wij het fundamenteel oneens zijn. Wij geven die vrijheden niet zomaar op – niet uit angst voor Wilders, niet om goedkoop stemmen te scoren. En ik hoop dat onze Turkse medelanders – als ze straks moeten stemmen – hun vrijheden ook niet zomaar opgeven.’

Was getekend, Mark Rutte, liberaal.

 

 

 

https://decorrespondent.nl/6378/zo-maakte-nederland-van-een-facebookevenement-met-48-geinteresseerden-een-turkijerel/947575767138-83d2a963

maart 14, 2017 at 5:40 am 1 reactie

MET EEN MUILKORF EN AAN DE LEIBAND

In De Standaard reageert Walter Zinzen op de dubieuze beslissing van de VRT, Knack en Sudpresse om in het kielzog van Filip Dewinter Syrië te bezoeken en dictator Assad te interviewen. Het interview zelf en de manier waarop het tot stand kwam voldoet niet aan de toetssteen van onafhankelijke journalistiek vindt Zinzen. In het journaal van 8 februari deed de VRT-nieuwsdienst er nog een schep bovenop met een reportage waarin Dewinter de hoofdrol speelde en nauwelijks gehinderd door tegenspraak of kritiek zijn “visie” ten beste kon geven.

Wat volgt is het opiniestuk van Zinzen uit De Standaard van 9 februari.

Johan Depoortere

300

WALTER ZINZEN

Moet een journalist eropuit zijn gepatenteerde moordenaars en criminelen te interviewen? Ja, dat moet, zullen heel wat journalisten antwoorden. Rudi Vranckx liet zich dinsdag in Terzake ontvallen dat hij graag Osama bin Laden had geïnterviewd. Zelf heb ik jarenlang jacht gemaakt op een ‘exclusief’ interview met Mobutu, dictator en massamoordenaar in het toenmalige Zaïre. Nobody is perfect. Want ik had het mis. Criminele politieke leiders interviewen is zinloos. Hun antwoorden zijn perfect voorspelbaar: ze ontkennen hun misdaden glashard, zeggen dat het hun tegenstanders zijn die zich aan misdaden schuldig maken en dat ze de steun van de bevolking hebben, ook al is overduidelijk dat zulks niet het geval is. Dat was met het interview dat drie Belgische journalisten ‘mochten’ hebben met de Syrische president Bashar al-Assad niet anders (DS 8 februari) . De nieuwswaarde was nul.

Oud en recent nieuws

Ja, zowel VRT-interviewer Jens Franssen als Rudi Vranckx had ontdekt dat Assad een ‘kille en wreedaardige’ man was. Alsof we dat al niet lang hemelsbreed wisten. Jens Franssen klopte zich evenwel op de borst: zijn manier van ondervragen had Assad uitspraken ontlokt die hij nog nooit eerder had gedaan. Zou het werkelijk? Hoe narcistisch kun je zijn? Dictators ondervragen kan maar op twee manieren: ofwel stel je brave vragen en dan lukt het, ofwel vraag je door en wordt het interview afgeblazen nog voor het goed en wel begonnen is. Franssen en zijn twee collega’s kozen voor de zachte aanpak. Ze waren beter thuisgebleven.

Hoofdredacteur tv-nieuws Inge Vrancken beweerde, volkomen terecht, dat het de plicht is van de publieke omroep om de ‘twee kanten’ te laten zien. Maar het interview met Assad toonde helemaal geen andere kant. Het woord ‘foltering’, bijvoorbeeld, viel niet één keer. Echter: ere wie ere toekomt. De ‘omkadering’ van het interview was perfect, alvast in Terzake en De Afspraak, veel minder op de radio. De misdaden van Assad werden er breed uitgemeten door goed geïnformeerde studiogasten. Maar was er echt een nep-interview met Assad nodig om die informatie door te geven? Was het rapport van Amnesty International over de gruwel in de Saydnaya-gevangenis niet meer dan voldoende als aanleiding? (DS 7 februari)

471143620

Jens Franssen (VRT) in gesprek met Basjar Al Assad

Dewinter is, pro memorie, de belichaming van een voor racisme veroordeelde partij. Hij laat geen enkele gelegenheid voorbijgaan om te bewijzen dat die veroordeling gerechtvaardigd was. Nog veel erger in dit geval is dat hij in Syrië een misdadige rol speelt: platte broodjes bakken met een terrorist. Op de puinhopen van Aleppo bestaat hij het te beweren dat Assad een baken is in de strijd voor democratie en stabiliteit in het Midden-Oosten. Dat het Assad zelf is die de stad heeft vernield, zul je uit de mond van Dewinter niet vernemen.

Foute bemiddelaar

287876101

Vlaams-Belangkopstuk Dewinter in Aleppo

Als ik me niet vergis bestaan er in ons land instituties, die de sociale media afspeuren op zoek naar mededelingen die haat verspreiden en geweld verheerlijken. Er staat, voor zover ik weet, nergens geschreven dat die boodschappen uitsluitend van islamisten afkomstig moeten zijn. Het is zonder meer duidelijk: Dewinter is een geradicaliseerde Syriëganger die een terroristische organisatie, in casu het Assad-regime, ondersteunt en er ongegeneerd propaganda voor voert, tot en met journalisten verleiden om er de hoofdverantwoordelijke van te interviewen. Het zou de VRT, Knack en Sudpresse gesierd hebben als ze dit manoeuvre hadden afgewezen. Dat ze dit niet gedaan hebben, mag en moet ze kwalijk worden genomen.

Opdracht voor De Roover

Tegen Dewinter zelf dient onverwijld een gerechtelijk onderzoek te worden opgestart. Vervolgens moet de Kamer zijn politieke onschendbaarheid opheffen. Het zou mooi zijn als Peter De Roover (N-VA), die vrije meningsuiting van terrorisme-sympathisanten toch al wil beperken, daartoe het initiatief zou nemen.

 

 

februari 9, 2017 at 5:48 pm 4 reacties

TRUMPS AMBASSADE

 

Zal Trump de VS ambassade in Israël onverwijld naar Jeruzalem verhuizen?

Door Lukas Catherine

trumpnetanyahu

Donald Trump met de Israëlische premier Netanyahu

Na zijn eedaflegging vrijdag zal President Donald Trump een weekendje vrij nemen en drie dagen later beginnen met wat hij allemaal beloofd heeft om op dag één van zijn presidentschap te doen. En dat is veel, u heeft over de meeste beloftes gelezen. Eentje is in onze media niet aan bod gekomen. De Israëlische pers heeft er wel ruim aandacht aan besteed. Hij wil de VS ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem verhuizen. Onverwijld zoals zijn woordvoerster Kellyanne Conway het aan de Israël-lobby in de VS beloofde.

Dat zou wel belangrijke politieke en diplomatieke implicaties hebben, ook voor een eventuele oplossing van het conflict. Tot op vandaag is tel Aviv de officiële hoofdstad van Israël en alle Westerse landen hebben daar hun ambassade, ook de VS. Israël wou dit veranderen na de verovering van Oost-Jeruzalem in 1967. In 1988 selecteerde de zionistische staat een stuk land waarop de Amerikanen hun ambassade zouden kunnen bouwen. Het waren de terreinen van de voormalige Allenby kazerne van de Britten. Generaal Allenby was de man die op het einde van de Eerste Wereldoorlog Jeruzalem voor de Britten op de Ottomanen veroverde.

allenbyvroeger

Allenby Kazerne vroeger

Tijdens de laatste dagen van zijn bewind (op 18 januari 1989) sloot president Ronald Reagan een huurcontract af voor 99 jaar tegen een symbolische 1 $ met Moshe Gatt van de Israël Land Authority. Dat organisme beheert alle in 1948 gestolen Palestijnse grond in Israël. Het betrof een groot deel van de grond waarop de voormalige Allenby kazerne stond.

Maar er gebeurde niets.

In 1995 vaardigde president Clinton The Jerusalem Embassy Act uit. En er gebeurde niets.

Daar is een goede reden toe.

De Britten waren zachtere kolonisatoren dan de Israëli’s. Zij stalen geen grond maar huurden dit van Palestijnen. Het ging om 109.774m². Zo had de Allenby kazerne op 15 mei 1948 toen het zionistische leger West-Jeruzalem en de Palestijnse wijk Talbia veroverde 67 eigenaars. Talbia werd omgedoopt tot Talpiot en de grond van de 67 eigenaars gestolen. Volgens internationaal recht zijn zij nog altijd eigenaars en een van die eigenaars is zelfs God. Want in 1724 had Sheikh Muhamed bin al sheikh Muhamad al Khalili zijn eigendom tot waqf laten verklaren. Waqf valt te vergelijken met onze kerkfabriek. De schenker en zijn erfgenamen blijven formeel eigenaar maar alle opbrengsten gaan naar God en zijn goede doelen. In zijn geval naar de zawiya (gebedshuis) van de Qadiri soefi’s verbonden aan de al Aqsa moskee.

Toen de VS de verhuisplannen voor zijn ambassade openbaar maakte schoten de erfgenamen van de rechtmatige eigenaars van de grond in aktie. Dat waren er ondertussen 137.1 Was het de moeite om daar rekening mee te houden? Het respect voor het internationaal recht van zowel Israël als de VS kennende natuurlijk niet.

Maar… Toen bleken zo’n 90 van die erfgenamen in de VS te wonen als Amerikaans staatsburger. En er was een precedent. Op 12 maart 1996 was de Helms-Burton Act van kracht geworden en die veroordeelde ‘the wrongful confiscation or taking of property belonging to US. Nationals and the subsequent exploitation of this property at the expense of the rightful owners.’ Alleen ging die act over geconfisceerd land van Amerikaanse burgers in Cuba. Maar toch…

allenbyvroeger

Op dit braakland stond de Allenbykazerne.

Op 28 oktober 1999 lieten de Palestijnse erfgenamen van het terrein Secretary of State Madeleine Albright weten dat ze op hun rechten als eigenaars stonden.

Een mogelijk proces van Amerikaanse staatsburgers tegen hun eigen administratie behoorde nu ook tot de mogelijkheden, naast problemen met het internationaal recht.

En vanaf de regeerperiode van Bill Clinton zocht men naar excuses om naar een andere locatie te zoeken. Een van de officiële redenen was dat er teveel hoogbouw rond het terrein stond en dat het daarom ongeschikt was.

Als je het lijstje overloopt van Amerikaanse presidenten die het voor Trump hebben geprobeerd: Reagan – Bush sr. – Clinton – Bush jr. en Obama dan rijst toch de twijfel of Donald Trump dit onverwijld zal verwezenlijken.

Lucas Catherine

1 Een uitgebreid overzicht over hoe de erfgenamen hun eigendom konden bewijzen is te vinden in: “Walid Khalidi, The Ownership of the U.S. Embassy site in Jerusalem,” pp. 80-101 van The Journal of Palestine studies Volume XXIX, number 4 (uitgegeven door the University of California Press, Berkeley, US

januari 21, 2017 at 5:46 pm Plaats een reactie

ISRAELS TRUMPMOMENT

img_0477

Jonathan Cook

Op 3 januari werd de Israelische soldaat Elor Azaria door een militaire rechtbank schuldig bevonden aan doodslag. Azaria, een verpleger in het leger schoot in maart vorig jaar in Hebron een Palestijn door het hoofd, die gewond en weerloos op de grond lag. Het proces en de veroordeling veroorzaakten een schokgolf in de Israelische samenleving. Sympathisanten van de veroordeelde soldaat dreigden met geweld en richtten hun woede niet alleen tegen de legerleiding maar tegen de hele gevestigde orde en de “elite” in het algemeen. Het klinkt, na de Brexit en de verkiezing van Trump vertrouwd in de oren. Een “Trumpmoment” noemt de Britse journalist Jonathan Cook het dan ook.
Cook is een kritische waarnemer van Israel, de enige buitenlandse correspondent in Palestijns-Israelisch gebied.

De volgende bijdrage verscheen eerder in The National (Abu Dhabi) en in het Amerikaanse Counterpunch.
Johan Depoortere

ISRAELS TRUMPMOMENT

Door Jonathan Cook
Het Verenigd Koninkrijk heeft zijn Brexit. De Verenigde Staten hebben president Trump. En Israel heeft nu Elor Azaria. Nee het klinkt niet hetzelfde, maar ook hier zou het wel eens om een keerpunt kunnen gaan met verstrekkende gevolgen.

Israeli soldier Elor Azaria, who was caught on video shooting a wounded Palestinian assailant in the head as he lay on the ground, sits during a hearing at a military appeals court in Tel Aviv during which he was charged with manslaughter on April 18, 2016. Prosecutors presented the indictment to a military court over the March 24 killing, which occurred minutes after the Palestinian had stabbed another soldier and lay prone on the ground wounded by gunfire, according to Israeli authorities. He was also charged with conduct unbecoming of his rank and position in the army. / AFP / JACK GUEZ (Photo credit should read JACK GUEZ/AFP/Getty Images)

Elor Azaria is de Israelische soldaat die op 24 maart vorig jaar in Hebron een gewonde Palestijn die weerloos op de grond lag met een kogel in het hoofd doodschoot. Het incident werd gefilmd en vorige week werd Azaria door een militaire rechtbank schuldig bevonden aan doodslag. Dat vonnis gaf aanleiding tot twee verschillende foute interpretaties.

Volgens de enen is Azaria de rotte appel, een soldaat die zijn moreel kompas verloor onder de druk van zijn stresserende opdracht in Hebron. De andere verklaring, die populair is bij liberale Israelis, luidt dat het vonnis net bewijst dat Israel een stevige rechtsstaat is. Zelfs een soldaat die over de schreef gaat wordt door het “meest morele leger” ter wereld tot de orde geroepen.

In werkelijkheid kunnen we van de publieke reactie op het vonnis meer leren dan van de rechterlijke beslissing zelf.

Er waren verschillende dichte rijen soldaten nodig om te voorkomen dat de rechters door de massa buiten werden gelyncht. Topgeneraals van het leger kregen lijfwachten. Het geroep om annulering van het vonnis klinkt oorverdovend en het wordt aangevoerd door premier Netanyahu.

Azaria is geen “rotte appel.” Hij is de lieveling van het publiek. Dat zijn daad niets uitzonderlijks heeft blijkt uit de reactie van zijn collega’s die compleet onverschillig toekeken toen hij de trekker overhaalde. Uit opiniepeilingen blijkt dat Azaria enorme populariteit geniet – 84% – onder de 18- tot 24jarigen, de leeftijd van de dienstplicht in Israel.

Het proces zelf was intussen geen bewijs van israelisch ontzag voor de wet – het is twaalf jaar geleden dat de laatste soldaat, een bedoein, veroordeeld werd voor doodslag. Het toonde alleen aan dat de druk op Israel toeneemt. Camera’s en smartphones maken het moeilijker om de misdaden van soldaten toe te dekken. Voor de veroordeling van Azaria was het gefilmd bewijsmateriaal doorslaggevend en Israel hoopt met het proces een onderzoek door het Internationaal Strafhof te voorkomen.

Ook de verdediging van Azaria sloeg de plank mis zoals de Israelische columnist Nahum Barnea opmerkte. Gesteund door een golf van publieke verontwaardiging beschuldigden ze Azaria’s oversten van leugens en intimidatie. De aanklagers hadden de klacht al teruggeschroefd van moord tot doodslag. Het hof zou er wellicht mee hebben volstaan een berouwvolle Azaria te veroordelen voor het onterecht gebruik van een vuurwapen. Maar gezien de taktiek van de verdediging hadden de rechters de keuze tussen partij kiezen voor de soldaat of voor het leger.

Net als de Brexit en Trump legde de zaak Azaria niet alleen een diepe sociale kloof bloot, maar was het ook een overgangsmoment. Zij die een deugdelijk systeem zien dat een rotte appel straft zijn ver in de minderheid ten opzichte van hen die een verrot systeem zien dat een held slachtoffert.

Opiniepeilingen laten zien dat het vertrouwen van het Israelische publiek in de meeste instellingen keldert: gaande van justitie tot de media die, hoe onzinnig ook, door “extreem links” heten te worden gedomineerd. Alleen het leger staat nog torenhoog in aanzien.

Dat komt ten dele omdat Israelische ouders er hun zonen en dochters aan moeten toevertrouwen. Het leger in twijfel trekken zou neerkomen op twijfelen aan de stichtingslogica van Israel als versterkte vesting: namelijk dat alleen het leger tussen hen en de “barbaren” staat die de poorten van de vesting bestormen.

img_0476

Naftali Bennett, leider van de kolonistenpartij en minister van onderwijs.

Maar er is meer: in tegenstelling tot die verachte instellingen heeft het leger zich sneller aangepast en geconformeerd aan de ruimere veranderingen in de Israelische samenleving.
Het gaat al langer niet meer om de kolonisten – de bewoners van de illegale nederzettingen – maar om “kolonisme.” Er zijn veel meer kolonisten dan de 600000 die in de nederzettingen wonen. Naftali Bennett, de leider van Joods Tehuis , de partij van de kolonisten, en minister van onderwijs, woont in Ranana, een stad in Israel en niet in een nederzetting.

Kolonisme is een ideologie, een die gelooft dat de Joden een “uitverkoren volk” zijn met Bijbelse rechten die de rechten van Palestijnen en niet-Joden overtroeven. Uit opiniepeilingen blijkt dat 70% van de Israelische Joden denken dat ze door God verkozen zijn.

De kolonisten hebben het leger overgenomen – zowel demografisch als ideologisch. Zij domineren nu het officierenkorps en bepalen de politiek op het terrein.

Het getuigenis van Azaria toont hoe diep hun invloed verankerd is. Zijn eenheid brengt met de commandanten vaak vrije tijd door in het huis van Baruch Marzel, een leider van Kach, een groep die in de jaren 90 buiten de wet werd gesteld wegens zijn genocidaal anti-Arabisch programma. Azaria beschreef Marzel en de kolonisten in Hebron als “familie” van de soldaten.

Bezettingslegers zijn van nature meedogenloos repressief. Decennia lang heeft de legerleiding haar soldaat de vrije hand gegeven tegen de Palestijnen. Maar met de toename van het aantal kolonisten is ook het beeld van het leger zelf veranderd.

Van een leger van burgers die de nederzettingen beschermen is het verveld tot een militie van de kolonisten. Het middenkader dicteert nu de moraal van het leger, niet langer het hoogste echelon zoals defensieminister Moshe Yaalon vorig jaar moest vaststellen toen hij zich tegen het rijzende tij probeerde te verzetten en de bons kreeg.

Het leger voelt zich niet langer in het minst geremd door de zorg om zijn “moreel” imago, noch door de bedreiging van internationaal strafrechterlijk onderzoek. Het trekt zich nauwelijks iets aan van wat de wereld denkt, net zo min als de huidige generatie politici die zich pal achter Azaria opstellen.

Het proces van de soldaat was verre van een triomf voor de rechtsstaat maar integendeeld de doodsreutel van een stervende orde. Over enkele dagen wordt de strafmaat bepaald en die zal naar alle waarschijnlijkheid, om het publiek te sussen, licht uitvallen. Als het vonnis teniet wordt gedaan door gratieverlening zal de overwinning van de kolonisten totaal zijn.

januari 16, 2017 at 9:41 pm 1 reactie

REVOLUTIE IN ROJAVA? EEN DEBAT

4-rojava

Een echt debat is het nog niet maar hier volgen alvast twee uiteenlopende meningen over wat er in Rojava, of Koerdisch Syrie, aan de gang is. Reacties zijn welkom.

 

titel-1

Door Hugo Durieux

 

Op 27 november vierde de PKK (Partiya Karkerên Kurdistan) haar 38ste verjaardag. Nou ja, vieren? De Koerdische Arbeiderspartij is op dit ogenblik op veel fronten in oorlog. In Syrië en Irak zijn haar troepen (met onder andere het vrouwenleger YJA-Star) verwikkeld in de onoverzichtelijke strijd die er woedt om grondgebied en invloed; in Turkije moet men zich meer dan ooit verdedigen in de oorlog die het regime-Erdogan voert tegen de partij en de Koerden in het algemeen.

Westerse media noemen de PKK nog steeds een terroristische en/of marxistisch-leninistische organisatie (in ieder geval iets wat ze als verwerpelijk beschouwen), maar in de gebieden waar de Koerdische Arbeiderspartij behoorlijk invloed heeft,  bouwt zij al geruime tijd aan een maatschappij die gebaseerd is op ideeën van ‘democratisch confederalisme’ of ‘libertair municipalisme’. Ik was verbaasd toen ik die termen terugvond in reportages over Koerdistan in Le monde diplomatique en ROAR magazine. Wie zou ooit de communistische terreurorganisatie van de besnorde duivel Öcalan in verband brengen met de inzichten van uitgerekend Murray Bookchin – een van de belangrijke theoretici van gedecentraliseerd zelfbeheer en sociale ecologie?

Het is blijkbaar in zijn Turkse gevangenis (waar hij levenslang uitzit) dat Abdullah Öcalan het werk van de oude anarchist Murray Bookchin leerde kennen – uitgerekend in een periode dat deze, op het einde van zijn leven (hij stierf in 2006), begon de hoop op te geven ooit nog zijn idee van sociale ecologie verwezenlijkt te zien. Maar Öcalan, die de onbetwiste leider was/is van de PKK, zag wel wat in een maatschappijvisie die het idee van de natiestaat opgaf, en in ruil zou gaan voor een basisdemocratische, pluriforme en ecologische confederatie van alle volkeren van het Midden Oosten. Na de Koerdische Arbeiderspartij stapten sinds 2005 ook de Syrische PYD (de Koerdische Democratische Unie Partij) en de Iranese  PJAK (Partij voor vrij leven in Koerdistan) in dit internationalistische project.

Tegenover het marxistische concept van klasse, is voor Bookchin hiërarchie het centrale begrip om maatschappijstructuren te doorgronden. ‘Klasse’ is voor hem te economistisch; het begrip verwijst te veel naar het bezit van eigendom en de controle over en de exploitatie van arbeid. Hiërarchie is dan een veel subtieler begrip, beter geschikt om machtsverhoudingen in de samenleving te begrijpen, omdat het ook rekening houdt met biologische factoren als leeftijd, geslacht en verwantschap, of sociale gegevens als etnische achtergrond, nationale afkomst en bureaucratische controle. Hiërarchische verhoudingen zijn de machtsverhoudingen die hij wil uitschakelen.

Het maatschappijmodel dat Bookchin voor ogen staat is dan eerder libertair, niet in de individualistisch-egoïstische zin die men in de Verenigde Staten aan het begrip geeft, maar eerder refererend aan de negentiende-eeuwse Europese anarchisten,  die streefden naar een nieuwe manier om democratisch zowel de productiemiddelen als het gemeengoed (de commons) te beheren. Hij noemt zijn model municipalistisch, omdat burgers zelf, via een systeem van assemblees, de controle uitoefenen over het beheer van publieke zaken. En het is confederalistisch, omdat het solidariteit, samenwerking en wederzijdse hulp nastreeft tussen gemeenschappen. Bookchin’s maatschappijmodel wijkt niet fundamenteel af van de ideeën die Bakunin en andere negentiende-eeuwse anarchisten daarover onderhielden (zie bijvoorbeeld ‘2. Classic anarchism’ in   Subsidiarity, anarchism, and the governance of complexity). In die zin is het dus een heel ander confederalisme dan wat de N-VA voorstaat; dat van Bookchin is gericht op het delen van kennis, kunde en mogelijkheden, eerder dan op egoïsme en het afschermen van de eigen rijkdom.

Bookchin sluit het gebruik van geweld niet uit. Om de sociaalecologische samenleving te kunnen verdedigen zal men desnoods een beroep moeten kunnen doen op volksmilities; voorbeelden vindt hij bij de Machnovsjtsjina oftewel het Zwarte Leger in Oekraïne (1918-1921) of de Catalaanse arbeiders- en boerenmilities uit de burgeroorlog (1937). Ook de Mexicaanse Zapatistas vormen een bron van inspiratie.

Aan het eind van zijn leven was Murray Bookchin te ziek om de evolutie van de PKK actief te volgen, maar zijn weduwe, Janet Biehl, trok wel naar Koerdistan om ter plekke de werking van de gemeentelijke assemblees en hun confederale samenwerking te bestuderen. Zij publiceerde er herhaaldelijk over in boeken en op haar website. Ook het artikel The new PKK: unleashing a social revolution in Kurdistan beschrijft meer in detail de sociale ecologie van Bookchin en de manier waarop zij gestalte krijgt in Koerdistan. Kantons als Djezireh, Kobane of Afrin hebben een federale administratieve structuur opgebouwd, waarbij afgevaardigden van de lokale volksassemblees beslissen over zaken als defensie, gezondheidszorg, onderwijs of sociaal beleid. De volksassemblees zelf regelen autonoom hun landbouw- en energiebeleid vanuit een coöperatief en ecologisch standpunt. Binnen die raden en assemblees wordt ook de niet-Koerdische bevolking betrokken (jezidi’s, alevieten, Armeniërs, Turkmenen, enzovoort). Toch kan ook Janet Biehl niet verhullen dat zich problemen voordoen, zoals klimaatverandering, waarvoor op dit ogenblik basisdemocratisch confederalisme geen antwoord kan bieden. Daarvoor kan men volgens haar op dit ogenblik niet buiten de natiestaten.

kaart-irak-syrie

Carte actuelle de la Syrie et de l’Irak. En jaune dans le nord de la Syrie sont les zones contrôlées par les Kurdes de Syrie, en vert dans le nord de l’Irak sont les zones contrôlées par les Kurdes irakiens (source : Wikimedia Commons).Pour les flamands, la même chose.

Een ding is echter meteen duidelijk: het problematische om binnen een natiestaat als Turkije,  met de formele structuren van representatieve democratie, vormen van directe democratie uit te bouwen. Terwijl Koerdische politieke partijen via het parlement streefden naar meer autonomie voor hun regio’s, werden daar aan de basis alvast structuren van basisdemocratie opgezet. Zo was het althans tot voor kort. Sinds de ‘mislukte coup’ van juli 2016  en de daarop volgende gelukte staatsgreep van Erdogan, is van de Koerdische aanwezigheid in het parlement weinig meer over, en is de oorlog tegen de Koerden weer in alle hevigheid losgebarsten. Ook in Syrië kan de dreiging weer groter worden, als het regime van president Assad er in slaagt weer meer controle over het grondgebied te heroveren. Het blijft overigens de vraag of de Turkse en Syrische regimes ooit  autonome multiculturele niet-hiërarchisch georganiseerde basisdemocratische regio’s zouden aanvaarden op wat zij beschouwen als hun grondgebied.

 

 

Niet echt

Of niet?

titel-2

Door Tom Ronse

 
In de chaos van de oorlog zijn de Koerden er met Amerikaanse hulp in geslaagd om in west-Syrië een eigen proto-staat te organiseren. Eerder al was Amerikaanse steun essentieel in de totstandkoming van een de facto Koerdische staat in noord-Irak. Er is geen politieke eenheid tussen die twee onafhankelijke gebieden. Ze hebben elk hun eigen leiders, ministeries en legers. In het Koerdische gebied in west-Syrië, Rojava genaamd, is de centrale macht in handen van de PYD, de Syrische zijtak van de PKK, de ‘Koerdische Arbeiderspartij’ die haar basis heeft in Turkije.

De grote leider van de PKK, Abdullah Öcalan, zit al jaren in een Turkse gevangenis. Daar las hij boeken van de Amerikaanse anarchist Bookchin. Die inspireerden hem in die mate dat hij prompt een ideologische omslag beval. Zijn volgelingen transformeerden van de ene dag op de andere van leninisten in anarchisten. De ironie van deze massale bekering steekt de ogen uit. Bookchins doel was, zoals Hugo schrijft, “het uitschakelen van hiërarchische verhoudingen”. Maar de invoering van zijn “municipalisme” in Rojava was een op en top hiërarchische operatie. Het gebeurde, omdat Öcalan het wilde. In Rojava kom je zijn portret even vaak tegen als dat van Kim Jong Un in Noord-Korea. Er is geen twijfel wie de baas is. En je zegt maar beter geen kwaad woord over hem, wil je niet in een kerker belanden.

Maar waarom wilde hij het? Wat zag Öcalan in Bookchin?

Daarover kunnen we enkel speculeren. Ik speculeer dit:

1. Om een onafhankelijke staat in stand te houden en uit te breiden terwijl de oorlog in Syrië zijn beloop heeft, heeft de partij een ideologie nodig die de bevolking motiveert om de oorlogsellende te verdragen en de militaire operaties enthousiast en actief te ondersteunen. Als basisdemocratie dat doel ondersteunt, waarom het niet gebruiken? Öcalan is in die zin vergelijkbaar met Mao die met zijn “culturele revolutie” ook basisdemocratie gebruikte voor zijn machtsdoeleinden. In beide gevallen bleek die basisdemocratie best verzoenbaar met een extreme personencultus die toont dat, alle volksvergadereringen ten spijt, de onderliggende maatschappelijke structuur wel degelijk hierarchisch is.

2. De YPG , het leger van de PYD, is een integraal onderdeel van de Amerikaanse militaire strategie in Syrië. Zelfs als Poetin er in slaagt om Assad opnieuw in het zadel te helpen is het hoogst onwaarschijnlijk dat Washington zijn trouwste bondgenoten in Irak en Syrie, de Koerden, in de steek zou laten. Maar het helpt natuurlijk als de Koerden zelf meewerken door zich te ontdoen van ideologische bagage die wantrouwen wekt in Washington. Dus goodbye “kommunisme” en “marxisme-leninisme”, hello “municipalisme”. Dat klinkt veel minder bedreigend.

3. In navolging van Bookchin, zegt Öcalan dat hij “het idee van een natiestaat” heeft opgegeven. In praktijk wordt er wel degelijk een staatsstructuur gebouwd in Rojava maar toch is die uitspraak belangrijk. Ze impliceert dat de PKK de territoriale eenheid van Turkije niet langer in vraag stelt. Het is een verzoenend gebaar naar Ankara. Je kunt het de man niet kwalijk nemen dat hij hoopt om ooit nog vrij te worden gelaten. Natuurlijk is dat niet van aard om Erdogan mild te stemmen. Voor hem zijn de Koerden en vooral de PKK te nuttig als binnenlandse vijand om een akkoord te zoeken.

Soldaten van Rojava

Soldaten van Rojava

In zijn stuk vermeldt Hugo de oorlog nauwelijks. Nochtans zou dat het vertrekpunt van de analyse moeten zijn. Rojava is een landje in oorlog, dat gebied tracht te veroveren. Het is daarvoor afhankelijk van de grotere landen die in de Midden-Oosten oorlogen betrokken zijn, in casu de VS. Zijn strategie moet dus noodzakelijkerwijs in harmonie zijn met die van Washington. In Rojava staat alles in functie van de noden van de oorloginspanning. De ideologie die gehanteerd wordt moet in die context bekeken worden en niet als het product van een openbaring van sint- Öcalan in zijn cel.

Bookchin stierf voor hij het allemaal kon meemaken. Wat zou hij ervan gevonden hebben? Een van zijn uitspraken is mij bijgebleven: “On nationalist soil, no revolution can sprout”. En dat is precies het probleem in Rojava.

En hier.

december 10, 2016 at 6:24 am 2 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.329 andere volgers