Posts filed under ‘Midden Oosten’

ISRAEL NEEMT DE TELEFOON NIET OP

Zijn de Verenigde Staten te goeder trouw als bemiddelaar in het conflict tussen Israël en de Palestijnen? Er is reden om daaraan te twijfelen vindt de Britse freelance correspondent in Israël, Jonathan Cook.  Na vier jaar toegevingen aan de onbuigzame Netanyahu heeft de regering Obama dringend behoefte aan een initiatief om  haar geloofwaardigheid ter zake te herstellen. Maar wil Israël ook vrede? Cook gelooft van niet: de Joodse staat blijft al decennia lang doof voor elk vredesgesprek. Wat volgt is de samenvatting van een artikel dat eerder werd gepubliceerd in The National (Abu Dhabi) en op de blog Counterpunch.

Johan Depoortere

Begin deze maand was de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken in Israël met de bedoeling het “vredesproces”  nieuw leven in te blazen. Kerry haalde een oud plan uit de kast, het zogenaamde “Arabisch Vredesinitiatief” uit 2002. Daarin belooft de Arabische wereld vrede met Israël als het zich terugtrekt binnen de grenzen van vóór 1967 – op 22% van historisch Palestina.

Kerry Netanyahu

John Kerry – Benjamin Netanyahu

Op het nieuwe Arabische bod antwoordde Israël met een oorverdovend stilzwijgen. Alleen Tzipi Levni, voormalig minster van Buitenlandse Zaken en de enige Amerikaanse bondgenoot in de regering Netanyahu had er een goed woord voor over. Premier Netanyahu hield de lippen op elkaar en liet zijn medewerkers verklaren dat het plan niets anders is dan een truc om Israël te verleiden tot “schadelijke vredesgesprekken.”

De reactie van Netanyahu verraadt het leugenachtige van één van de hardnekkigste mythes die het Palestijns-Israëlisch conflict omgeven:  namelijk dat Israël niets liever wil dan vrede en erkenning door de Arabische staten. Nog vóór Israël in 1967 de westelijke Jordaanoever en Jeruzalem bezette vond deze fictie ingang in de westerse wereld. Ze berustte op twee historische uitspraken.

Vooreerst waren er de onsterfelijke woorden van de toenmalige minister van Defensie Moshe Dayan die kort na de Zesdaagse Oorlog in 1967 liet weten dat de Israëli’s wachtten “op een telefoon van de Arabieren” – onder verstaan: om over vrede te praten.

Moshe Dayan

Moshe Dayan: “We wachten op een telefoon….”

En dan was er die andere beroemde quote van Abba Eban, minister van Buitenlandse Zaken in de jaren zeventig, dat de “Arabieren nooit de kans missen om een kans te missen.”

De historische werkelijkheid is totaal anders. Na hun vernedering in de Zesdaagse Oorlog erkenden de Arabische staten, zij het meestal stilzwijgend, het bestaan van Israël. Schlomo Ben-Ami, Israëlisch minister van Buitenlandse Zaken ten tijde van de Camp-Davidakkoorden merkte op dat de Arabieren belden, maar dat aan de Israëlische kant “de lijn bezet was of dat niemand de telefoon opnam.”

De onthulling vorige maand in Wikileaks van de Amerikaanse diplomatieke correspondentie uit die periode bevestigt dat beeld. Eind 1973, na de Yom Kippur oorlog, boden de Arabieren al aan om Israël te erkennen binnen de grenzen van vóór 1967.  Ze kregen nul op rekest.

Een diplomatiek telegram uit 1975  maakt duidelijk dat de Amerikaanse diplomaten tot de conclusie zijn gekomen dat de Israëlische leiders blijk geven van een “buitengewoon gebrek aan begrip” van de Arabische bedoelingen en dat ze zich liever klaar maken voor een “vijfde, zesde of zevende Israëlisch-Arabische oorlog.” Volgens de Amerikaanse diplomaten lijden de Israëlis in hun vastbesloten wil tot zelfdestructie aan een “Samson- of Masadacomplex.

Deze context maakt duidelijk dat Israëls hardnekkige weigering om op elk vredesaanbod in te gaan niet alleen het gevolg is van de havikenmentaliteit van de regering Netanyahu, maar integendeel naadloos past in een patroon dat al tientallen jaren het gedrag van de Joodse staat kenmerkt. Het is wat de Palestijnse premier Salam Fayyad onlangs het Israëlische “bezettingsgen” noemde.

Toen de Saudi’s in 2002 voor het eerst hun vredesinitiatief voorstelden was de tweede Intifadah in volle gang. De toenmalige chef staf Moshe Yaalon, de huidige minister van Defensie,  liet toen weten dat niet “onderhandelingen Israëls prioriteit waren,” maar een militaire campagne om “de nederlaag diep in het Palestijnse bewustzijn te branden.”

In tegenstelling tot toen lijkt het huidige Arabische plan wél op de onverdeelde steun van de Amerikaanse regering te kunnen rekenen. Een ander verschil is dat dit keer het plan niet de terugkeer tot de grenzen van 67 eist, maar slechts kleinere “correcties”  en “uitwisselingen” (van grondgebied). Maar Netanyahu is zelfs niet bereid om de goede bedoelingen van de Arabieren te testen. Hij vreest naar verluidt dat de “kleine correcties” niet zullen volstaan om alle Israëlische nederzettingen in bezet gebied te behouden.

Kerry van zijn kant heeft gewaarschuwd dat het voorstel gebonden is aan een deadline van twee jaar. Dan begint president Obama aan de laatste twee jaar van zijn ambtstermijn – de zogenaamde “lame duck” periode, waarin een president niet meer in staat wordt geacht grootse plannen te verwezenlijken.

Het zal de nachtrust van premier Netanyahu wellicht nauwelijks verstoren. Hij is tenslotte de leider van een regering die onlangs haar beklag maakte over een beslissing van Google om de naam “Palestina” als zoekterm te erkennen. De zoveelste ronde in het mislukte vredesproces zal veel meer schade berokkenen aan de reputatie van Washington en de Palestijnen dan aan een Joodse staat die nooit de bedoeling had “de telefoon op te nemen.”

Jonathan-Cook-photo1-199x300

Jonathan Cook

Lees hier het volledige artikel in Counterpunch

mei 21, 2013 at 2:03 pm 1 reactie

ISRAEL 65: EVENVEEL JAREN TERREUR EN KOLONISATIE

israel 0 palestijnen_vlaggen

door Lucas Catherine

De kolonisatie van Palestina door Europese joden kwam echt op gang nadat de Engelsen Palestina na de Eerste Wereldoorlog als kolonie kregen. Zij zorgden voor politieke en militaire steun. En de ambities van die Europese, joodse kolonisten werden alsmaar groter: van een ‘spiritueel tehuis’, waar Einstein zich nog kon in vinden tot een kolonistenstaat, waar Einstein zich niet meer kon in vinden: Het idee van een Joodse staat met grenzen, een leger en een overheid, hoe beperkt ook, zal het judaïsme schaden… – Albert Einstein in Out of my latter years (1950).

Onmiddellijk na het einde van de Tweede Wereldoorlog stuurden de zionisten aan op het vertrek van de Britten. Zij voelden zich sterk genoeg om Palestina van hen over te nemen. Bruggen en spoorwegen werden opgeblazen, Britse officieren gegijzeld en geëxecuteerd. De grootste aanslag was een gezamenlijk actie van de Hagannah, het officiële zionistische leger en Irgun, een fascistische militie onder leiding van de latere premier Menahem Begin, die op 22 juli 1946 het King David Hotel in Jeruzalem opbliezen. Het hotel deed dienst als Brits hoofdkwartier. Er vielen 91 slachtoffers.

Het goed uitgeruste Israelische leger met tanks, 1948

Het goed uitgeruste Israelische leger met tanks, 1948

 


Tot dan toe hadden de Britten zich afgevraagd wat ze op het einde van hun mandaat op 1 augustus 1948 met Palestina zouden doen: een binationale staat achterlaten, of Palestina opdelen in een Joodse en een Arabische staat. Tijdens de Palestijnse Revolutie (1936-39) had Lord Peel, de Britse gezant, het idee geopperd om Palestina op te delen en in 1937 werd een eerste Brits verdeelplan opgesteld. In 1938 en 1946 volgden er nieuwe verdeelplannen. Maar in februari 1947 maakte Groot-Brittannië bekend dat het voor het einde van haar mandaat Palestina wilde verlaten. Daarop gingen in 1947 ook de Verenigde Naties zich met de kwestie bemoeien.


Met de Palestijnse belangen werd in de plannen van de VN weinig of geen rekening gehouden. In 1947 bezaten de Joden amper 7% van de grond en vormden ze een derde van de bevolking (608.000 op een totaal van 1.835.000). Toch wees het VN-verdeelplan hen 56% van het grondgebied toe. Volgens het plan zouden in de Joodse staat 498.000 Joden en 407.000 Arabieren leven. Dit laatste cijfer was fout, want men ‘vergat’ er de 105.000 Arabische bedoeïenen bij te tellen. In feite zou de ‘Joodse’ staat dus vanaf de start een Arabische meerderheid gehad hebben. De Arabische deelstaat zou 10.000 Joodse inwoners tellen en 725.000 Arabieren. Het plan voorzag ook een internationale zone, het corpus separatum Jeruzalem, waarin 100.000 Joden naast een kleine meerderheid van 105.000 Arabieren zouden wonen. De drie gebieden zouden verenigd blijven in een economische en monetaire unie, een soort federale staat dus.

De Palestijnen vonden dit verdeelplan onrechtvaardig en konden het niet aanvaarden.

Ook in de VNzelf was er niet veel enthousiasme voor het plan, en de Belgische vertegenwoordigers waren tegen. De kabinetchef van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde in november: ‘Wij zullen ons bij de stemming in de commissie onthouden. Het verdeelplan vertoont teveel ernstige fouten en leemten: de twee geplande staten zijn erg verbrokkeld en om een continu territorium te krijgen moet men overal corridors voorzien. Men wou etnisch homogene blokken bekomen, maar dit is niet gelukt. Daarom denken wij dat er weinig kans op slagen is, ook al wordt dit bijgestuurd door een economische unie. En wij zijn er van overtuigd dat dit verdeelplan niet het hoofddoel zal bereiken, namelijk vrede in de regio.’


Op 26 november 1947 stemde de Algemene Vergadering van de VN over het Verdeelplan. Belgisch vertegenwoordiger Van Langenhove uitte niets dan twijfels over het plan: ‘De Palestijnse kwestie grijpt ons, Belgen, ten zeerste aan. Wij hebben moeite om de bedoelingen van de zionisten te begrijpen. Onze Joodse landgenoten hebben hun nationaal tehuis bij ons in België. Niemand van ons heeft ze ooit zo behandeld dat zij een ander tehuis zouden gaan zoeken in Palestina. Tijdens de oorlog hebben zij met ons mee gestreden en veel Belgen hebben hun leven gewaagd voor hun Joodse landgenoten, zodat onze nationale eenheid er versterkt uitkwam… Wij zijn helemaal niet zeker dat het verdeelplan rechtvaardig is, wij twijfelen eraan of het uitvoerbaar is, en wij vrezen dat het vreselijke gevolgen zal hebben… Maar wat is het alternatief? Het alternatief is: geen oplossing, dat wil zeggen nog meer gevechten en nog meer chaos.’


Er wordt nogal eens beweerd dat VN-resolutie nr.181, waarin het verdeelplan beschreven staat, een beslissing van de internationale gemeenschap was, en daardoor de legitimatie van de uitroeping van de staat Israël. Dat klopt niet. Met deze resolutie gaf de Algemene Vergadering een aanbeveling aan de mandaatmacht Groot-Brittannië en aan alle lidstaten om dit verdeelplan te laten toepassen door de toekomstige regering van Palestina. Verder was deze aanbeveling niet onvoorwaardelijk geldig. De twee deelstaten waren verplicht om Jeruzalem een internationaal statuut te geven en om een economische unie te vormen.

Vanuit zionistische hoek wordt altijd beweerd dat de Joden het verdeelplan wel hebben aanvaard. En pro forma deden zij dat ook. Maar tegelijkertijd ageerden ze voor een Joodse staat in heel Palestina. Met het gevolg dat al in maart 1948 het probleem Palestina weer naar de Algemene Vergadering werd verwezen.

Israelische soldaten voor een verwoest Arabisch dorp, 1948

Israelische soldaten voor een verwoest Arabisch dorp, 1948

 


Het officiële zionistische leger, de Haganah begon aan een militaire tereurcampagne waarbij ze grote delen veroverde van het gebied dat volgens het  Verdeelplan Arabisch moest blijven: Haifa en omgeving, veroverd  op 21 april. Jaffa en omgeving veroverd op 27 april, Centraal Galilea op 28 april, Tiberias, Safad en Oost-Galilea op 3 mei, Beisan en de vlakte eronder op 11 mei, Akka en West-Galilea op 14 mei, West-Jeruzalem op 14 mei. En daarna riepen de zionisten op 15 mei eenzijdig de staat Israël uit. Ben Goerion werd de eerste premier en in de onafhankelijkheidsverklaring weigerde hij grenzen (ook niet die van het VN-plan te erkennen), onder het motto ‘de toekomst kan ons nog verder brengen”.


Het is pas na 15 mei dat de ‘Arabische legers’ Palestina binnen vallen. En die Arabische legers moet je met een korrel zout nemen. Libanon en Syrië, net onafhankelijk van Frankrijk hadden nog niet echt een leger en dat van Egypte en Jordanië stond onder Brits commando. In het totaal ging het om 20.000 man, terwijl aan zionistische kant het om 120.000 man ging. Zes tegen een dus, in het voordeel van de Zionisten. Je zal deze cijfers nooit vermeld zien in de Israëlische propaganda.

Palestijnen vluchten uit Arabisch Jaffa, 1948

Palestijnen vluchten uit Arabisch Jaffa, 1948

 


Daarop stuurde de VN een bemiddelaar om de situatie recht te trekken, namelijk niet alleen de zionisten terug te drijven naar de ‘grenzen’ van het verdeelplan, maar ook om het verdeelplan aan te passen. Het werd Graaf Bernadotte.

Bernadotte was een lid van de Zweeds koninklijke familie en voorzitter van het Internationaal Rode Kruis. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog had hij duizenden joden en verzetsstrijders uit Nazi-Duitsland kunnen redden.

Hij werd bijgestaan door generaal Lundström, commandant van de UNO-troepen en persoonlijk vertegenwoordiger van Bernadotte.


Bernadotte herzag het verdeelplan, waarbij Akka, Haifa en Lydda tot de Arabische staat zouden behoren, net als het grootste deel van Galilea en de Negeb. En Jeruzalem, ook west-Jeruzalem zou uit de joodse staat worden gelicht. Daarnaast beval hij de oprichting aan van een speciaal UNO-organisme voor de Palestijnse vluchtelingen die door het Israëlisch leger waren verdreven. Alleen dit laatste zal postuum worden uitgevoerd. Het organisme bestaat nog onder de naam UNRWA (United Nations Relief Works Agency). Een van de zionistische militaire commandanten, de latere generaal en minister Ygal Allon schrijft dan ook (in zijn geschiedenis van het Israëlisch leger, Shield of David): “Israël was geschokt en dacht er niet aan dit soort voorstel maar in overweging te nemen… maar gelukkig, voordat hier sprake kon van zijn werd Bernadotte vermoord.”

Militaairen betogen tegen Bernadotte, kort voor hij werd vermoord

Militairen betogen tegen Bernadotte, kort voor hij werd vermoord

 


Bernadotte werd inderdaad op 17 september 1948 door zionistische extremisten vermoord. Dat gebeurde in de wijk Qatamun. Het UNO-konvooi bestond uit meerdere autos. De auto voor die van Bernadotte werd bestuurd door de Belgische majoor Massart, lid van de VN-troepen. Hij was later een van de belangrijkste getuigen, naast generaal
Lundström, die verklaarde: “Ik ben ervan overtuigd dat dit een weloverwogen en zorgvuldig geplande moord was. De plek waar ze de auto’s van het konvooi tot stilstand lieten komen was welbedacht. En de moordenaars wisten niet alleen in welke auto graaf Bernadotte zat, maar ook op welke zetel in de auto hij zat.” De twee politieke verantwoordelijken voor die moord waren Yitzhak Shamir (later premier) en Natan Yalin Mor (nu lid van Vrede Nu). De drie moordenaars verklaarden lid te zijn van Khazit HaMoledit, Het Vaderlandfront, een tot dan toe onbekende organisatie, die later ook nooit meer van zich liet spreken. Maar bizar is wel dat Michael Bar Zohar, de officiële biograaf van de toenmalige zionistische leider en eerste premier, Ben Goerion, schrijft:

“In Ben Goerions dagboek vond ik op datum van 19 september de namen van de drie moordenaars. Een van hen werd later een intieme vriend van Ben Goerion.” (p.180-181).

De staat Israël en zijn grenzen werden dus niet opgericht door de UNO, maar door terreur en geweld, als onderdeel van een expansionistische kolonisatie-ideologie.


De Belgische politici stonden dan ook zeer weigerachtig om deze expansionistische staat te erkennen.
Paul-Henri Spaak, toen Eerste Minister en Minister van Buza, en socialist verklaarde dan ook op 3 juni in de Senaat: “…la création d’un Etat juif, avec une immigration non limitée de Juifs, présente pour le monde arabe un très sérieux problème  et même un danger…de s’ étendre au détriment des autres Etats arabes. » Geef toe, dat onze politici wel doorhadden wat er gebeurde, alleen wilden zij niet ingrijpen. De de jure erkenning van Israël zal trouwens op zich laten wachten tot 16 januari 1950! Pas dan komt er een officiële vertegenwoordiging in Tel Aviv, en dan nog zal onze minister van Buza, ditmaal een katholiek, Van Zeeland de Israëli’s erop wijzen dat “ cet acte du gouvernement belge ne signifiait pas que la Belgique reconnait les limites territoriales d’Israël.” Maar dat zijn onze ministers ondertussen al lang ‘vergeten’. Nu erkennen zij zelfs de facto de bezetting van heel Palestina.

 


Lucas Catherine
is historicus van Vergeten Zaken.

mei 14, 2013 at 9:29 am 1 reactie

TWINTIG VRANKE VROUWEN IN AL ANDALUS

Alhambra Granada

Alhambra Granada

door Jef Coeck

Onze medewerker Lucas Catherine is u bekend als begenadigd verteller van brokken vergeten geschiedenis. Dat mag België zijn, of Congo, of Afrika maar liefst van al schrijft hij over Arabische en/of moslimlanden. Dat is zijn fort en zijn core. Hij heeft er veel gereisd en gewoond. Het aantal boeken dat hij erover publiceerde loopt in de tientallen. Toch zullen we er nooit zoveel over weten als hij, daarom blijft hij boeien. ‘Een Arabische zomer’ gaat over twintig uizonderlijke vrouwen in Andalusia, Zuid-Europa dus. Maar meteen gaat het over een tijdspanne van bijna 1000 jaar in de Europese en dus wereldgeschiedenis.
Andalus 2 Califat-de-Cordoue
Zevenhonderd jaar lang, van 711 tot 1492 was er een Arabisch politiek gezag aanwezig in Spanje, meer bepaald in Andalusia dat een ruimer gebied besloeg dan wat wij er nu onder verstaan. De laatste moslims werden pas na 900 jaar, in 1614, verdreven. In onze historische clichétrommel is Andaloesië dus het land van de convivencia, het vredelievend samenleven van de drie grote religies: joden, christenen en moslims. Eigenlljk was het veel ingewikkelder: een alliantie tussen de volksgroepen Berbers, Arabieren en Goten, plus een feitelijke toestand van vredelievend-tot-hatelijk onderling negeren van de Grote Drie, de monotheïstische geloven.

Dat werkte wel, onder moslimbestuur, tot ongeveer het einde van de 11de eeuw. In 1086 viel de grootste Arabische stad Toledo in christenhanden. Toen begon een burgeroorlog, die uiteindelijk gewonnen werd door de troepen van de zeer katholieke Vorsten Albrecht en Isabella. In 1614 worden de laatste Morisco’s – afstammelingen van Noord-Afrikaanse bewoners – op schepen richting Marokko gezet. Tenminste, de Morisco’s die alle slachtingen en etnische zuiveringen overleefd hadden.  Zover een korte historische situering.

Albrecht en Isabella

Albrecht en Isabella

CORDOBA

Al Andalus heeft dus eeuwenlang een periode van vrede en welvaart onder islamitisch bestuur gekend. Het gaat met name om de steden Cordoba, Sevilla, Granada, Toledo en ook Valencia, ver buiten het Andaloesië van vandaag.

Droegen de vrouwen in toenmalig Andalusia een boerka? Liepen ze gesluierd? Foto’s hebben we natuurlijk niet, zelfs geen betrouwbare tekeningen. Maar we weten wel wat sommige van die vrouwen te vertellen hadden of wat ze gedaan hebben – en dat is vaak niet gering. De auteur laat twintig ‘vranke vrouwen’ uit voormalig moslim-Europa aan het woord. We kunnen ze niet allemaal opsommen. Toch een paar: prinses Wallada vond in de 11de eeuw de literaire Salon uit, Saida al Horra organiseerde in de 16de eeuw een oorlogsvloot tegen Spanje.

Veel dichteressen waren er bij die vrouwen, de literatuur stond hoog in aanzien. Cordoba, een stad van variërend 300.000 tot 1 miljoen inwoners (tien maal groter dan het toenmalige Parijs) telde 70 bibliotheken, waarvan de grootste een half miljoen boeken bezat. De grootste christelijke bibliotheek was toen die van Sankt Gallen, 60.000 boeken.
Andalus 4 Cordoba

Cordoba heeft de oudste universiteit van Europa. De auteur wordt lyrisch van deze stad:
‘De meest schizofrene ervaring kan je in de grote moskee opdoen. Vooral als je die voor tien uur ’s ochtends bezoekt. Je arriveert op een voorplein met massa’s sinaasappelbomen en in het midden een ablutiefontein. Vervolgens stap je de moskee binnen. Het is alsof je een woud van palmbomen betreedt. Stenen palmbomen. Meer dan driehonderd zuilen schoren een enorme hal. Vanuit het kapittel van elke kolom vertrekken dubbele bogen , uitgevoerd in afwisselend rode en witte steen. Elke zuil met zijn vier gestreepte halfbogen evoceert een palmboom, het lievelingssymbool van de eerste Omayyadenkalief. Midden in dit stenen woud heeft men na de conquista tientallen zuilen gerooid en er een kathedraal tussen gebouwd. Als je binnen in de kathedraal staat oogt die enorm, met reusachtige beuken, maar van buiten bekeken verdrinkt ze in de moskee. Het effect is hallucinant.’

Andalus 5 Mezquita_(panorama)
De beroemdste Andaloesische dichteres is Wallada. In haar paleis in Cordoba organiseerde ze literaire Salons. Daar werden niet enkel gedichten voorgedragen, er traden ook danseressen en zangeressen op en er werd nogal wat gedronken. De jonge Wallada zat die salons ongesluierd voor en op de mouwen van haar kleed had ze verzen geborduurd. Op de linker stond:
Bij God, Ik streef naar eer en glorie,
en ga heel trots mijn eigen weg.
En op de rechtermouw:
Mijn vrijer bied ik mijn wangen,
en mijn lippen geef ik wie ze wil.

Haar bekendste minnaar was Ibn Zaydun. Het paar werd het symbool van de romantische liefde. Die affaire begon dan wel mooi maar verzuurde door overspel. Zaydun legde het aan met de zwarte kamermeid, waarna Wallada haar woede van zich afschreef:
Je bent een man met zes namen
Die je heel je leven zullen achtervolgen:
Homo, pederast en klootzak,
Hoorndrager, dief en makro.

And that was the end of the affair. Zaydun probeerde nog zijn retour te maken, onder meer in versvorm, maar het lukte hem niet. Wallada leefde de rest van haar leven – ze werd 90 – samen met een Cordobese minister.

POGROMS IN VALENCIA

In Sevillla werd de wasvrouw Itimad door een toevallige ontmoeting verheven tot koningin. Haar vorst en lover Mutamid werd poëtisch door haar geïnspireerd, een soort poëzie dat expliciet en weinig suggestief is:

Ik ben jaloers op het liefdesbriefje
Dat ik je stuurde
Want dat heeft je gezichtje gezien.
Wat wou ik dat ik net als hij,
Je kon zien, maar dan van kop tot teen.

Andalus 6

Omdat Valencia nu een afzonderlijke regio is, naast de autonome regio Andaloesië, wordt al eens vergeten dat deze streek ook tot Al Andalus behoorde. Het was zelfs het gebied met de langstdurende officiële moslimaanwezigheid. Valencia is de stad van El Cid (Arabisch: Sidi), die we kennen uit de latere literatuur. Corneille schreef het toneelstuk, Massenet de opera, Charlton Heston speelde de filmrol.

Valencia is in 1275 het toneel van de eerste pogroms tegen de moslims. De situatie verslechtert nog met de val van het laatste moslim gezag in Granada (1492) en het aan de macht komen van de katholieke koningen Albrecht en Isabella (1598-1621). ‘De Arabieren worden verplicht om discriminerende blauwe kledij te dragen. De christenen zagen het blauw als de kleur van de vijand omdat de laatste grote Andaloesische dynastie, de Almohaden, Berbers uit het zuiden van Marokko waren die, net als de Toearegs, blauwe kledij droegen. Arabieren moeten voortaan ook een speciale moslimtaks betalen, de besant-belasting, die per huisgezin wordt geheven. Verder is er nog een speciale taks op moslimslagerijen en op baden en bakovens.’

GRANADA

We zijn nu wel even afgedreven van de poëtisch of anderszins vranke vrouwen. Daar waren trouwens geen christelijke dames bij, wel een joodse, de uit Granada stammende Qasmuna (12de eeuw). Ze wordt in de poëzie opgeleid door haar vader en grootvader. Deze laatste had in versvorm zijn educatieve principes verwoord:
Sla je vrouw iedere dag, mijn zoon,
zodat ze niet de baas over je speelt en haar kop opsteekt.
Wees, mijn zoon, niet de vrouw van je vrouw,
En laat haar niet toe de man te zijn van haar man.

Andalus 8 mujeres_al_andalus_g1

Granada is de stad waar het Arabisch karakter het duidelijkst bewaard is. Bij de verbouwing van Granada zaten de nieuwe katholieke heersers met een probleem: ze hadden geen eigen kunst die de moeite waard was. Een van hun oplossingen was om Morisco’s – de verplicht bekeerde moslims – gebouwen te laten optrekken in Moorse stijl, de zogenaamde mudejar-stijl. Overal in Granada kun je die zien.

Een tweede oplossing was om een beroep te doen op Italiaanse renaissance-artiesten – Spanje heerste toen ook over het grootste deel van Italië – en op hun Flamenco-onderdanen uit de Nederlanden. Generaties van schilders, retabelmakers en glazeniers uit onze streken zijn rijk geworden door leveringen aan de Spaanse kroon. Namen die zijn terug te vinden in Granada: Dirk Bouts, Hans Memling, Rogier van der Weyden, Johan Van Camp, Theodoor van Holland, Ambrosius Van Wyck, Frans Heylen.

Andalus 7 Alhambra_-_Granada_1

De meest mythische plek van Granada is natuurlijk het Alhambra. Zo mythisch dat zelfs Lucas Catherine zich er niet aan waagt ze te beschrijven. Dat laat hij over aan een hedendaagse Arabische dichteres, Maram al Masri:

Hoe kan een gedicht
je stenen vatten in woorden
je kleuren beschrijven met letters
en je stilte meten met punten en komma’s?
….
Hoeveel bloed is opgedroogd op je grond?
Hoeveel tranen zijn er uit opgeschoten als bloemen?
Hoeveel sinaasbomen prezen je schoonheid?
Hoeveel moewashasa’s zongen je glorie?
Hoeveel wingerds,
Hoeveel blaren,
Hoeveel kussen?

Het Alhambra slaapt nooit
haar ogen staren wijd open
naar de wind en de maan.
Zij praat met de hemel, speelt met de sterren,
vraagt de Slaap die haar verlaat;
Keer terug…

In 1769 werd de laatste clandestiene moskee opgedoekt in Cartagena.
Overigens zijn er ook vandaag nog wel vranke vrouwen in Andaloesië. En elders.
Andalus 9 burka

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2009/07/11/morisco-flamenco/

Lucas Catherine, Een Arabische zomer, Twintig vrouwen in Al Andalus, EPO, Berchem, 2013

maart 13, 2013 at 11:26 am Een reactie plaatsen

DE HOLOCAUST ALS SCHOOLMUSEUM

Museum en Dossinkazerne Mechelen

Museum en Dossinkazerne Mechelen

door Gie van den Berghe

Na meer dan tien jaar plannen, lobbyen en schipperen door politici, Joodse belangengroepen, historici en intellectuelen is het Vlaams Holocaustmuseum eindelijk uit al die as verrezen. Het met Vlaams geld bekostigde initiatief werd boven de doopvont gehouden als Kazerne Dossin. Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten. Die hele mond vol weerspiegelt de omslachtige ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het project. Daarom eerst een schets van de voorgeschiedenis, ook al omdat die ondertussen herschreven, verdraaid en verschoond wordt.

Decennia lang zwegen Europese politici en – niet-Joodse – historici in alle talen over wat Joden, Roma en Sinti (zogenaamde zigeuners) onder het bewind van de nazi’s was overkomen. Europese staten huldigden, herdachten en erkenden alleen krijgsgevangenen, verzetslui en politieke gevangenen.

De herdenking van al die vervolging en uitroeiing werd volledig overgelaten aan privé-initiatief. In Frankrijk bijvoorbeeld aan het Centre de Documentation Juive Contemporaine (CDJC), opgericht door Isaac Sneersohn die al in 1943 bewijzen begon te verzameleneen centrum dat in 1956 werd aangevuld met een Mémorial du Martyr Juif inconnu. Met de almaar toenemende aandacht voor wat ondertussen ‘Holocaust’ was gaan heten, werden in de voorbije tien tot vijftien jaar veel van die Joodse privé-initiatieven genationaliseerd. In Frankrijk bijvoorbeeld werd het CDJC in 2005 omgevormd tot het Franse Mémorial de la Shoah.

(…/…)

Wat in het museum zijdelings over eugenetica wordt getoond – zonder dat het woord wordt gebruikt – is compleet uit zijn verband gerukt en getuigt van groot onbegrip.

Goelag

Ook de Goelag, het concentrationaire universum van de Sovjet-Unie, komt niet aan bod. Toch ging het Sovjet-communisme zoals het nationaalsocialisme terug op een onwrikbare vooruitgangsideologie die koste wat het kost, en wel zo snel mogelijk haar utopie wou realiseren. Alles wat en al wie dat verhinderde werd uit de weg geruimd, gedeporteerd naar barre oorden of meteen afgemaakt.

Het concept totalitarisme mag dan in onbruik geraakt zijn, naast de vele verschillen waren er ook nogal wat overeenkomsten. Beide ideologieën koesterden de overtuiging dat bepaalde mensengroepen – rassen en klassen – geëlimineerd moesten worden om de ware mens en mensheid te realiseren. De nieuwbakken Sovjetmachthebbers duidden direct na de Russische revolutie handlangers van het tsaristisch regime, tegenstanders van het regime, schatrijken, clerus en hun gezinnen aan als ‘gewezen mensen’.

In de ogen van overtuigde bolsjewisten en nationaalsocialisten rechtvaardigde hun ‘betere-mens-en-wereld’ utopie methodisch geweld en terreur, van deportatie tot georganiseerde hongersnood, massa-executie en genocide. Radicaal goed ontaardt vrij makkelijk in radicaal kwaad. Tussen hel en hemel zit weinig vagevuur.

Denk ook aan het communistisch China, Volksrepubliek China, onder Mao Zedung (Mao Tse-Tung), met de Culturele Revolutie en de Grote Chinese Hongersnood (1958-1962) die de doelgericht dood inhielden van miljoenen Chinezen (zie hierover Johnson).

Dit alles en nog veel meer ging in dit museum verloren door de beperking tot de Belgian case en historici die zich niet hebben toegelegd op de lange voorgeschiedenis van de Endlösung en andere genociden.

Kwaad om beter van te worden

Is de Jodenmoord, of om het even welke genocide, eigenlijk wel een geschikt middel om jongeren verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidzin bij te brengen? Heeft de niet aflatende aandacht voor de Holocaust de wereld aantoonbaar verbeterd? Gaat het er in Israël, hét slachtofferland, zoveel beter aan toe? Joden zijn inderdaad geen apart volk, maar mensen zoals alle anderen, ook Palestijnen. Kazerne Dossin zwijgt als vermoord over de prijs die Palestijnen hebben betaald en nog steeds betalen voor Israël, een land dat uit de as van de Holocaust zou verrezen zijn. Eén uitzondering: wie vanuit Israël met Brussels Airlines naar België vliegt en Kazerne Dossinbezoekt, krijgt 10% prijsvermindering op zijn vlucht (zoals ook al wie uit een Europese luchthaven vertrekt).

Het kwade voorhouden om het goede te doen – het is een christelijk thema. Kruisiging en vagevuur om verlossing en hemel te verdienen. Maar werkt het ook? We springen er alvast niet consequent mee om: geen verkrachtingsmusea om mannen vrouwvriendelijker te maken; geen misbruikte-kinderen-musea om kindermisbruikers op betere ideeën te brengen; geen porno op school om goed te leren vrijen; geen musea voor lelijke kunsten om de schone beter te waarderen.

Kwaad tonen om het goede te doen? Dan maar veel geweld in films en op televisie? Hoe meer geweld en seks, hoe meer verdraagzaamheid en celibaat?

Holocaustmusea zijn een schot in het duister. Er bestaat bij mijn weten geen vergelijkend onderzoek naar het educatieve effect van verschillend ingevulde Holocaustmusea. Net zo min als onderzoek waarin wordt nagegaan of de schoolgaande jeugd en de burgers van een stad of land mét Holocaustmuseum, toleranter, democratischer en menslievender geworden zijn dan die in steden en landen zonder.

Kazerne Dossin brengt een niet al te accurate en belerende geschiedenisles. Stof genoeg om een paar Holocaustontkenners op slechte gedachten te brengen. Hopelijk slikken niet al te veel jongeren de sociaalpsychologische pseudoverklaring en zetten velen zich af tegen de elitaire les die hen hier wordt gespeld.

Vraag is ook waarom de invulling van dit museum werd overgelaten aan vertegenwoordigers van slachtoffers, politici en een historicus. Want zelfs al had men een beroep gedaan op gespecialiseerde historici, dan nog is het de vraag of de toekomst van jongeren niet te belangrijk is om over te laten aan mensen die vooral in verleden gespecialiseerd zijn. (GvdB)

——–

Dit is enkel het begin en het slot van een lang en indringend artikel over het nieuwe ‘Holocaustmuseum’ van Mechelen.
Het hele stuk lezen, wat zeer aan te raden is, kan hier: www.serendib.be/artikels/kwaadwaarjebetervanwordt

Mechelen Holocaustmuseum

maart 1, 2013 at 10:45 am 4 reacties

SYRIË, HUGO CLAUS EN EEN ONTHOOFDING

Ma ari Syrie

door Lucas Catherine

Ik lees onze kwaliteitskranten nogal oppervlakkig. Ik noteer welke NV-A-er die dag wordt geïnterviewd en dan blader ik kregelig verder. Ik had het berichtje dan ook eerst niet gezien. “Ze hebben je vriend in Syrië onthoofd, zei mijn vrouw, heb je d’er weer over gekeken?”. U moet nu niet direct ongerust worden. Die vriend van mij is al 955 jaar dood. Het was dus maar zijn standbeeld. Maar toch. Het gaat om de dichter-filosoof Abu Ala al Ma’ari. En het standbeeld staat in de stad Idlib, in het noordwesten van Syrië, kort bij zijn geboorteplaats Ma’arat al Numan.

 

 

De daders zijn het Jabhat al Nusra li Ahl al Sham, het Steunfront voor het Syrische volk. Het is de meest recente ‘verzets’beweging, hun eerste actie dateert van januari 2012. Het zijn geen Syriërs, vandaar de naam Steunfront, maar ze rekruteren volgens een van hun emirs in Saudi-Arabië, Irak, Pakistan, Libanon, Turkmenistan, Frankrijk en zelfs in Groot-Brittannië. (The Telegraph, 2 december 2012). Hun financiers zitten in de Golfstaten en Qatar.

Het Jabhat pleegde bomaanslagen en zelfmoordoperaties in Aleppo en Damaskus. Zij executeerden 13 geboeide mannen in Deir al Zor. Dit werd eerst toegeschreven aan troepen van president Assad, maar daarna werd het door hen officieel opgeëist (Reuters 5 juni 2012). Ze hebben ook een tv-presentator van de staatstelevisie publiekelijk onthoofd. Het Jabhat al Nusra staat dan ook op de lijst van terroristische organisaties van de VS. Dat wil natuurlijk nog niets zeggen, maar toch.

Het zijn jihadistische-salafisten. Sorry voor de term. Nu zijn er ook niet gewelddadige salafisten, die kan je eventueel vergelijken met onze getuigen van Jehova, die willen leven zoals in de tijd van de profeet Mohamed. En dat willen deze terroristen ook. Hun strijders krijgen dan ook eerst een religieuze opleiding, pas daarna een militaire. Als dat laatste al nodig is, gezien hun achtergrond. Als salafisten zijn ze tegen roken. Tabak bestond nog niet in Arabië ten tijde van de profeet. Of zoals een van hun emirs het uitlegde: “Als ze rokers zijn en ze sneuvelen in Syrië, hoe kunnen we dan weten dat ze sneuvelden op het pad van God, misschien waren ze gewoon op zoek naar een nieuw pakje sigaretten? “ Als ze aan de macht komen, zal dan op de pakjes sigaretten staan: “Roken kan u het Paradijs kosten”?  Dan toch iets positiefs, een Rookvrij Paradijs.

 

Hun postuum slachtoffer, Al Ma’ari was een fanatiek vegetariër, zelfs veganist. Zo schakelde hij over op een streng vegetarisch dieet van olijfolie, vijgen en linzen. En die ingrediënten kende men al ten tijde van de Profeet, dus daar zal het Jabhat wel geen probleem mee gehad hebben. Wel met zijn antireligieuze gedichten[1]

 

De godshuizen worden geleid door mannen

die aan de hand van verzen terreur zaaien,

net zoals andere mannen in kroegen plezier brengen.

 

Ontwaak, ontwaak gij verdwaalden.

Uw religies zijn de waanbeelden van uw voorouders.

Zij verkondigen dat de Tijd zal eindigen,

dat de dagen geteld zijn.

Zij liegen. Zij kennen de Tijd niet.

Luister niet naar deze kampioenen van de leugen.

De mensen willen dat een imam hen voorgaat

en met zijn woord de volgzame menigte leidt.

Illusie en bedrog. Alleen de Rede kan ons leiden.

Ons verstand is onze gids bij dag en bij nacht.

 

Mozes predikte en stierf.

Met Jezus gebeurde net hetzelfde.

En ook met Muhammad, ondanks zijn vijf gebeden daags.

Gisteren en vandaag zijn eender,

nog altijd sterven de mensen.

Geloof, bijgeloof, ongeloof:

Koran, Thora, Evangelie,

elk op zijn manier.

Iedere generatie heeft haar eigen leugens

en iedereen wil erin geloven!

Zal er ooit een generatie opstaan,

die alleen maar naar waarheid zal zoeken?

 

De moslims zitten fout.

De christenen zijn van de ware weg geweken,

de joden dwalen eeuwig door,

de magiërs zien het verkeerd.

De wereld kent slechts twee soorten mensen:

Zij die een geloof hebben en geen verstand

en zij die verstand hebben en geen geloof.

 

Al-Ma’ari schreef deze goddeloze verzen rond het jaar 1040. Dat kon toen binnen de islam. Vijftig jaar later zou men in Europa ‘onze’ eerste Heilige Oorlog prediken, de kruistochten. Nu verwoesten zogezegde ‘echte moslims’ bibliotheken in Timboektoe en onthoofden wie niet met hen is, zelfs een standbeeld.

Voorlopig is het graf van Al Ma’ari nog onaangeroerd.

 

En nog dit: Abu Ala al Ma’ari figureert ook als een belangrijke personage in het enige surrealistische toneelstuk dat Hugo Claus ooit heeft geschreven, Jessica (première in 1977 in KVS), trouwens een van de weinige surrealistische toneelstukken in het Nederlands.
Het handschrift is dat van Hugo Claus zelf: -

Ma ari Claus

——-
[1] Hij schreef ook feministische gedichten, u kan ze lezen in mijn boek En de Mens schiep god, EPO 2012.


 

februari 16, 2013 at 11:25 am 5 reacties

KUIFJE IN KOERDISTAN (3)

In de derde en laatste aflevering van zijn reisverslag over de Koerdische autonome zone in noord-Irak,neemt MARIJN SILLIS ons mee naar een kamp voor vluchtelingen uit Syrie.

1 kamp 2 cropped klein

3.

VAN DE REGEN IN DE DROP

“Er is geen Syrisch leger, er is alleen het leger van Assad. En dat bestaat onder meer uit  Koerdische jongens zoals wij die van de straat geplukt worden om dienst te doen als kanonnenvlees.”  Aan het woord is Ahmed, 27 jaar oud. De plaats: een verweerde moskee waarin zo’n zeshonderd van zijn lotgenoten zijn samengetroept. De meesten staren doelloos voor zich uit. Buiten het gebedshuis: honderden troosteloze tenten. In dit vluchtelingenkamp in de Koerdische Autonome Regio leveren duizenden Koerdische Syriërs een dagelijks gevecht tegen hitte, verveling en wanhoop.

 

Wanneer de huwelijkseuforie (zie vorige aflevering) voorbij is, durf ik Salar die ik nu al élke dag gezien heb, vragen om me naar Domiz te voeren. Het dorp ligt op een kwartier van Dohuk en herbergt een Syrisch vluchtelingenkamp. Vader Saleh probeert me tactvol op andere ideeën te brengen, m’n trouwe gids niet. Hij brengt ons naar het plaatselijke departement voor immigratie, om toestemming te vragen. ‘Geen probleem,’ klinkt het, in dit land het antwoord op zowat elke vraag.

Hoe verder we wegrijden van Dohuk, hoe desolater het landschap wordt. Salar lijkt het kamp niet meteen te vinden, tot in een verlaten dorpje out of the blue de drukte toeneemt: hoewel we de verharde wegen verlaten hebben, zijn en er plots massa’s autootjes en voetgangers. In de verte doemen in het woestijnachtige decor beige-bruine tenten op . Ik verwacht prikkeldraad en poorten. In de plaats daarvan zie ik een nutteloze, openstaande slagboom en een agent die ons een beetje verward maar vriendelijk toelacht.

kamp 1

Terwijl de nerveuze Saleh naar een barakje holt om nog maar eens verantwoording af te leggen, bots ik op een meterslange muur van mannen en kinderen. Hun potten blinken, hun ogen zijn uitgeblust. Links en rechts hoor ik een ‘hello, my friend’, in de verte klinkt gebrom. Op een met brood volgestouwde pick-up maakt een man zich boos op enkele omstaanders. Hij wil kalmte, zij eten.

Ik word overvallen door een hitte die ik niet verwacht had: ik vertoef al verschillende dagen in 35 graden, en toch voel ik de temperatuur hier toenemen – door het blakerende zand, door de dampende mensenmassa. Saleh, die ons opnieuw vervoegd heeft, wiebelt nerveus heen en weer. Dat ik snel een fotootje mag nemen, uiteraard, maar dat we dan toch wel weer weg zijn? Ik ben blij als een stem me onverwacht een tentje binnenroept – al is dat gevoel even snel weer verdwenen. Ik krijg een bekertje water van Mohamed en Ahmed, twee broers die elk met hun vier kinderen in het kamp verblijven.

De tent van Mohamed en Ahmed

De tent van Mohamed en Ahmed

Mohamed: «We komen uit Damascus en zijn hier nu twintig dagen. Het was een tocht van twintig uur, in een klein autootje. Normaal doe je die afstand in tien uur, maar we moesten de gevechten ontwijken — wat zouden wij, gewone burgers, tegen pantservoertuigen en vliegtuigen kunnen? Onze ouders hebben we moeten achterlaten: de reis is te ver en te zwaar voor oude mensen.

We hebben in dit kamp één matras en vier dekens gekregen. En hier zitten we dan, in de hitte. Het enige wat we kunnen doen: liggen en staren. En compleet radeloos toekijken hoe onze kinderen in deze tent aan deze temperaturen levend gekookt worden. Alsof die ellende niet volstaat, heeft mijn dochtertje ook nog kanker in haar hoofd.”

Het is de reden waarom ze me binnengeroepen hebben – of ik hen niet kan helpen. Ik vraag hoelang ze er nog moeten zitten. Ze weten het niet. Ze willen er zelfs niet over nadenken.

Ahmed: «Ik weet niet wat ik van onze toekomst moet verwachten: ik wil gewoon naar huis, maar momenteel is onze situatie hopeloos. We kunnen alleen afwachten: misschien zitten we hier nog één jaar, misschien vijf, misschien tien.»

Saleh maakt me duidelijk dat we moeten vertrekken, en voor het eerst tijdens deze reis spreek ik hem tegen. Het kost me moeite want de man heeft een peperkoeken hart. Hij probeert Salar en mij nog vijf minuten te volgen en geeft dan verstek: hij schuifelt weg, roept een taxi op. Zijn eigen vier jaar-lange passage in zo’n vluchtelingenkamp is ruim twee decennia geleden maar de wonden zijn duidelijk nog niet genezen. Hij wil niet toegeven dat het ‘m mentaal te zwaar wordt, maar zijn lichaamstaal verraadt het.

kamp gezin klein

Lunchen in Syrië

 In één deel van het kamp blijken vooral gezinnen te verblijven, in het andere is er plaats voor alleenstaande mannen: in totaal ruim 13.000 mensen op een oppervlakte van 27.000 vierkante meter. In alle tenten slapen Koerden. ‘Niet-Koerdische Syriërs vluchten naar de andere buurlanden’, zegt Muhamad Abdulla Hamo, lid van de dienst immigratie en hoofdverantwoordelijke van het vluchtelingenkamp. Hij ontkent dat Arabische Syrische vluchtelingen niet welkom zijn in het kamp. Wat hij wel wil toegeven: dat het aantal vluchtelingen blijft stijgen.

Muhamad: «Er is een groot verloop in het kamp, maar sinds de opening in april hebben we al 23.000 mensen geregistreerd – allemaal Koerden, ja. We hebben twee miljoen dollar gespendeerd aan de uitbouw van het kamp, tegen het einde van het jaar willen we er nog eens drie en een half miljoen aan spenderen. We werken samen met de VN-Vluchtelingenorganisatie (UNHCR, red.) en we volgen de situatie dag per dag op. In totaal zijn er zes kampen in deze regio, dat van Domiz is veruit het grootste. We schrijven momenteel aan een plan voor de toekomst. Door de grote toename van vluchtelingen kan de situatie snel heel problematisch worden. Het kamp gaat erop achteruit, we kunnen de groei niet bijhouden. We weten ook niet hoe de situatie in Syrië zal evolueren. Dat er niet snel beterschap komt, is duidelijk: het aantal doden door de oorlog neemt toe, de economische situatie wordt alleen maar dramatischer.»

Kinderen kunnen zich overal amuseren

Kinderen kunnen zich overal amuseren

Dat de hulpverleners moeite hebben om de nood te stelpen, wordt me snel duidelijk. Verschillende mensen klampen me aan: dat ze geen elektriciteit hebben, dat ze al tien dagen niet meer gedoucht hebben, dat het eten slecht is en het water op geraakt. Nog een vraag die steeds terugkeert: waarom doet het westen verdomme niets? Ze zijn blij dat de Koerdische Autonome Regio een helpende hand uitsteekt  maar die reikt niet ver genoeg.

In de jammerende mensenmassa ontmoet ik Adel en Diyer, twee jonge twintigers die me in degelijk Engels wat uitleg geven. Ze hebben geluk: in de stad hebben ze werk gevonden — Adel in een pizzeria, Diyer in de bouw.

Adel «Zo hebben we een tijdverdrijf, en een beetje geld. Anderen hier hebben niets.»

Ze vertellen beiden ongeveer hetzelfde verhaal. Ze zijn in de Koerdische Autonome Regio geraakt dankzij de Peshmerga (eigenlijk het huidige Koerdische leger, red.), die hen zonder enige voorwaarde de grens over liet.

 Diyer: «Assad is een dictator zoals Saddam. De enige oplossing is dat hij verdwijnt. Er is geen democratie, alles van waarde – van voedsel tot olie – gaat naar Assad en zijn clan. Ondertussen terroriseert hij de burgerbevolking. Volwassenen en kinderen: iedereen wordt afgemaakt. Onze situatie is niet anders dan die van de Iraakse Koerden onder Saddam.»

Diyer, die in Damascus politieke wetenschappen studeerde maar wegvluchtte omdat hij in het leger moest, heeft een scherp oog voor de brede context.

Diyer: «We zijn een speelbal van de Verenigde Naties: het gaat veel verder dan Syrië en Assad, wij zijn ook afhankelijk van de Amerikanen, de Chinezen, de Turken en de Russen. De VS moet een leger sturen, zo simpel is het. Maar er gebeurt niets. En ondertussen doet Assad rustig voort. De situatie in dit vluchtelingenkamp is even tragisch als in Syrië. Maar hier ben ik tenminste veilig. In Syrië sneuvel ik sowieso: ofwel word ik afgemaakt, ofwel moet ik in het leger, waar ik evenzeer sterf. Een oplossing? De eerste stap is de dood van Assad. De dag dat hij sterft, eet ik mijn lunch in Syrië.»

Kanonnenvlees

Het schokt me dat er maar één barakje met medische zorg is, met maar één dokter. Alaa Hussein Shukur van Artsen Zonder Grenzen mag geen interviews geven zonder toestemming van hogerop maar geeft aan dat alles nog onder controle is.

 Alaa Hussein Shukur: «We hebben normale infecties en ziektes, er zijn klachten over traditionele blessures en schorpioenenbeten. Het enige probleem is de aanvoer van medicatie. Maar voorlopig hebben we geen last van typische kampplagen als diarree. We hebben het voordeel dat dit kamp voornamelijk bevolkt wordt door jonge, viriele mannen.»

Ik slenter voorts tussen de onoverzichtelijke rijen tenten. Jonge ventjes proberen links en rechts sigaretten aan de man te brengen, hier en daar staat een kraampje met frisdrank of koekjes. Ik passeer stinkende lemen kotjes die dienstdoen als toilet. Een omstaander verbiedt me – wellicht voor m’n eigen goed – om er een kijkje te nemen. Hij wijst me wel de weg naar de douche: achter vier gordijntjes drupt een verroest waterkraantje. Een beetje verderop kijk ik uit pure nieuwsgierigheid in een kleine put: een vrouw brengt me met gebarentaal excuses over – dat ze toch ergens haar gevoeg moet doen. Een paar kinderen vragen me om een foto te nemen, ik wil net als Saleh vluchten – meer nog dan de verzengende hitte heeft het verschrikkelijke decor me uitgeput.

Bij de moskee

Bij de moskee

Op weg naar de uitgang schiet het me te binnen dat één van de vluchtelingen me gezegd had dat we toch eens naar de moskee moeten gaan kijken. Daar worden Salar en ik meteen omringd door een massa jongemannen. De geur van zweet is overweldigend. Wanneer ik het trapje opwandel en in de moskee kom, bots ik op zo’n zeshonderd mannen die op de grond liggen niets te doen.  Hun doffe blikken spreken boekdelen. Tastbaarder zal het woord miserie niet meer worden. Als ze me zien, maken ze met wijs- en middenvinger het V-teken. ‘Wij zijn de soldaten van het leger van Assad,’ zegt Ahmed die dankzij zijn talenkennis de woordvoerder is. Hij was een student Engels in Damascus.  Van de Syrische Koerden wordt gezegd dat zij vooral om economische redenen vluchten – in het westen van het land wordt minder slag geleverd en Assad zou stilzwijgend een Koerdische autonomie toestaan – maar volgens Ahmed is dat niet waar.

Ahmed: «Al de mannen die je hier ziet moesten Assad dienen. Het Syrisch leger bestaat niet, het is het leger van Assad: in Syrië kunnen alle jongemannen zomaar van de straat geplukt worden. En wij zijn Koerden, een zogezegd minderwaardig volk, daarom worden wij nog sneller uitgekozen. Net als de christenen. Wij wíllen helemaal niet vechten, wij wíllen niemand doden. We worden gebruikt als kanonnenvlees. De mannen van Assad staan achteraan, wij worden de vuurlijn in gestuurd. Als we niet sneuvelen in gevechten met medeburgers, riskeren we in de rug te worden geschoten door de Assad-clan. Jongemannen die weigeren in het leger te gaan, worden voor de ogen van hun familie doodgeschoten,waarna andere familieleden vaak ook vermoord worden.»

Wanneer ik denk dat ik alles gehoord heb, slaagt Ahmed er toch nog in mijn mond wat wijder te doen openvallen: hij deelt doodleuk mee dat hij morgen naar Syrië terugkeert.

Ahmed: «Omdat de situatie hier even rampzalig is. Kijk rond je: we hebben geen water, geen eten, niets. Het is hier verschrikkelijk.»

In Syrië toch ook, zeg ik.

Ahmed:  «Jawel, maar ik sterf liever in mijn eigen land dan hier.»

***

Wanneer ik ’s avonds weer in het huisje van de Binavi’s aankom, is er van Saleh geen spoor. De kinderen des huizes vragen me om hen naar Duhok Park te vergezellen. Het schijnt de place to be te zijn voor de plaatselijke jeugd, een plaats die het midden houdt tussen een pretparkje en een groot uitgevallen speeltuin. M’n nieuwe Facebookvrienden kopen blikjes Cola en pakjes chips, ze kruipen in de typische pretpark-schommelboot en een verroest reuzenrad. Ze giechelen en gibberen – dat het lang geleden is dat ze zich zo geamuseerd hebben.

Salar en kleinere Binavi's in het pretpark

Salar en kleinere Binavi’s in het pretpark

december 1, 2012 at 9:24 am 1 reactie

KUIFJE IN KOERDISTAN (2)

Door Marijn Sillis

2.
“LEVEN EN LATEN LEVEN IS HIER HET DEVIES”

Terwijl Gerda de rol van plaatselijke knuffelbeer vervult, kan ik het steeds beter vinden met Salar en zijn neef en vriend Omar, beiden dertigers. Salar is na zijn passage in Duitsland – hij ziet dat verhaal liever niet gepubliceerd – werkloos, Omar is politieagent. Wie werk heeft in Koerdistan, klinkt het, is een rijk man. In de privé-sector verdien je zo’n vijfhonderd dollar per maand, als je voor de staat werkt minstens duizend. En élke Koerd ontvangt er per maand een dosis levensmiddelen gratis bovenop, van rijst en olie tot water. Een mooi huis kost tachtigduizend euro, sigaretten staan op amper tachtig cent per pakje, aan het tankstation betaal je veertig tot vijftig cent voor een liter benzine. En belastingen, die bestaan hier nog niet.

Omar:  “Met mijn 1.300 dollar per maand – exclusief bonussen voor feestdagen – verdien ik veel. Te veel zelfs; de helft zou al volstaan. Maar goed, we zijn een rijk land, we mogen ervan profiteren. Of dat kan blijven duren? Waarom niet?»

Ik kom het allemaal te weten bij nacht, in de bergen. Niet voor het laatst tijdens mijn verblijf word ik er uitgenodigd om bier te drinken. Dan rijden we naar ‘een satanisch dorp’ – Salar en Omar noemen de bewoners duivelaanbidders, in werkelijkheid zijn het jezidi-gelovigen –  om Tuborg of Efes in te slaan.

Salar koopt bier

Salar koopt bier

Ver weg van vaders en nonkels slurpen we alcohol met uitzicht op de prachtig verlichte stad. Pas als Omar in het donker wijst, merk ik het op: rondom ons zitten tientallen twintigers en dertigers in de buurt van hun auto’s flesjes bier te hijsen.

Salar: «Het is een publiek geheim dat hier in de bergen bier wordt gedronken. Iedereen weet het maar niemand praat erover. Het is vooral de jongere generatie natuurlijk: de ouderen zweren alcohol nog steeds af.”

En terwijl links en rechts anonieme flesjes bier klingelen, geven de twee ook toe dat ze veel whisky drinken. En dat ze niet bidden, en amper naar de moskee gaan. Maar dat ze zich wel moslim voelen.

Omar: «Zijn wij slechtere moslims omdat we bier drinken? Neen, toch? Wij hangen dezelfde waarden aan als onze ouders. We verhandelen ook geen bier, we drinken het alleen op (glimlacht).”

Verboden voor moslims

In het dorp waar Salar en Omar bier insloegen, heb ik al jezidi’s gezien — aanhangers van een typisch Koerdische religie die elementen uit verschillende overtuigingen combineert. Er zijn ook christenen in de Koerdische Autonome Regio. Ik ben nieuwsgierig naar dat religieuze lappendeken, en Salar introduceert me bij de katholieke Toma Hormiz Yago en diens familie. Zijn beste vrienden zijn (soenitische) moslims, en hij heeft geen probleem om met hen samen te leven. Maar: in zijn dorp mogen alleen christenen hun domicilie hebben.

Saleh en Toma

Saleh en Toma

Toma: «Er zijn dorpen voor moslims, dorpen voor christenen, en dorpen voor jezidi’s: zo heeft de overheid het geregeld. In de stad kan het, alle gelovigen die door elkaar wonen – maar de stad is dan ook groter dan de dorpjes.»

In Lalish, het bedevaartsoord voor de jezidi’s, vertelt Said, zowat de plaatselijke pastoor, me hetzelfde. Bebaarde mannen borstelen een ganse dag hun tempels schoon, lopen op blote voeten door de straten en mogen onder geen beding op dorpels stappen: tijdens de rit naar Lalish heeft Salar al de nodige mopjes gemaakt over de gelovigen en zelf beseffen ze ook dat ze de risee van Koerdistan zijn.

 Said:  «We merken dat anderen met ons spotten, maar dat trekken we ons niet aan. Temeer omdat ze ons niet lastig vallen. Leven en laten leven: dat is hier, in het westen van Koerdistan, het devies.»

Maar wijst die religieuze apartheid niet op onverdraagzaamheid?

 Toma: « Dat de religieuzen in aparte gemeenschapjes ondergebracht zijn, is het werk van de huidige president, Massoud Barzani. Hij nodigde niet-moslims die door Saddam vervolgd werden uit om naar Koerdistan te komen. Hij gaf hen grond, een plek waar ze veilig konden leven. Voor ons is het de normaalste zaak van de wereld. En eerlijk gezegd, ik heb er ook mijn voordeel mee gedaan. Ik had al grond in Koerdistan, maar kon in dit dorp gratis eigendom verwerven. Ik heb mijn grond verkocht en heb nu drie huizen en evenveel auto’s. Mij hoor je niet klagen dat we in aparte christendorpjes wonen: ik ben er rijk van geworden.»

Het trouwfeest

Het feest begint

Het feest begint

Voor Gerda breekt halverwege de trip het hoogtepunt aan: het huwelijk van Herish. Saleh heeft me met een big smile zijn Peshmerga-kostuumpje aangetrokken. Ik draag een groen-beige pofbroek, een vestje in dezelfde kleur en een wit hemd. Mijn blaas wordt tegen mijn ruggengraat gedrukt middels een meterslange, strak rond mijn middel geknoopte sjaal.

In haar ouderlijk huis krijgt Beri, de bruid, geluksbrengers op haar jurk gespeld door haar nabije familie.

Jamil en Beri

Jamil en Beri

Bruidegom Herish en zijn kozijn Omar

Bruidegom Herish (rechts) en zijn kozijn Omar

Een paar uur later wordt het jonge paar naar het ouderlijk huis van Herish gebracht. In het kleine tuintje is zo’n tweehonderd man samengepropt. Herish is nu officieel de echtgenoot van zijn nichtje. Ik probeer me daar geen vragen bij te stellen, al lijkt zijn wederhelft wel opvallend goed op zijn moeder. Tactvolle navraag leert me dat zowat alle koppeltjes op het feest neven en nichten zijn.

Jonge meisjes wapperen met sjaaltjes, en speciaal aangevoerde boxen voorzien de hele voorstad van traditionele muziek. Ondertussen word ik druk gefotografeerd terwijl ik mijn pinken in die van anderen haak – God weet wie die mensen zijn maar dat ze me een amusant figuur vinden, staat vast. In een cirkel sta ik samen met zowat de helft van de gasten op z’n Koerdisch te dansen: bij de eenvoudigste dansen kan ik net volgen, op andere momenten struikel ik over m’n slungelige benen. Terwijl het huwelijkspaar in een versierde zithoek toekijkt en de vrouwelijke gasten een dotje henna aan hun pink wrijven, zweet ik als een jonge kaas in een Finse sauna. Als om middernacht de muziek plots uitgaat en de massa verbrokkelt, kan ik een vreugdedansje niet onderdrukken. Niet dat het niet plezierig was, maar ik kreeg dat verdomde Peshmerga-pak niet uit en ik moest de ganse avond pipi doen.

trouw 2 cropped klein

WORDT VERVOLGD

november 30, 2012 at 6:58 am Een reactie plaatsen

KUIFJE IN KOERDISTAN (1)

Wat volgt is een reportage die de jonge Vlaamse journalist Marijn Sillis maakte over zijn bezoek aan de Koerdische autonome regio in noord-Irak.  In de eerste aflevering maakt hij kennis met de familie Binavi. In de tweede danst hij op een trouwfeest en in de derde bezoekt hij een haveloos kamp van Syrische vluchtelingen. Intussen leert hij een en ander bij over het complexe land dat Koerdistan heet.

1.

 “WE ZIJN DIE BERGEN HEEL ERG DANKBAAR”

Salman die ons uitnodige op een spontane BBQ. Kleinzoon op de schoot.

Het heeft iets pijnlijk ironisch. Net nu de littekens in Noord-Irak aan het vervalen waren, worden de oude wonden weer opengereten. Bijna een kwarteeuw geleden vermoordde het gifgas van Saddam Hoessein duizenden Iraakse Koerden, ruim vijf jaar geleden ontstond een volksfeest toen de dictator aan de galg eindigde. En nu zien de Iraakse Koerden hoe hun broeders uit buurland Syrië met gelijkaardige ellende te kampen krijgen en massaal naar hun land vluchten.

 

Eén van die duizenden Iraakse families die vijfentwintig jaar geleden het slachtoffer werd van Saddams terreur, is die van Saleh en Zerah Binavi. Vier jaar brachten ze door in een Turks vluchtelingenkamp.  In hun strijd om te overleven kregen ze de hulp van Gerda Juchtmans, een 59-jarige dame uit Beerzel (een deelgemeente van Putte) die hen in 1988 per toeval ontmoette.

 Gerda: “Ik was op reis in Turkije. Over de Koerden had ik amper gehoord, laat staan dat ik echt wist wat er aan de hand was in de vluchtelingenkampen. In Mardin zag ik een gezinnetje in typisch Koerdische klederdracht.  Dat wist ik toen niet, ik dacht enkel: Dáár moet ik een foto van nemen. Omstaanders vertelden me dat het gezin in een vluchtelingenkamp in Kiziltepe verbleef. Ik mocht een foto nemen, als ik zo vriendelijk zou zijn om Saleh en Zerah — zo heette het koppel – een afdruk te sturen. Dat deed ik en enkele weken later kreeg ik een brief terug. Saleh beschreef de rampzalige situatie in het vluchtelingenkamp en vroeg of ik hem en zijn familie er niet kon weghalen. Dat kon ik niet maar ik organiseerde een Koerdische avond voor vrienden en familie en zamelde hulp in bij kennissen en winkels. Zelfs het schooltje van mijn zoon kreeg ik warm voor de Koerdische vluchtelingen — ze verkochten er wafels en zamelden speelgoed in.»

Zo kon Gerda heel wat hulppakketten opsturen. Ze ging zelf ook terug, in een autootje volgepropt met eten en speelgoed en andere hulp die ze in het kamp aan Saleh gaf.

Gerda: «Hij deelde alles meteen uit aan zijn broers en zussen, aan zijn beste vrienden – aan héél zijn dorpje eigenlijk. Vier jaar hebben Saleh en zijn familie in dat vluchtelingenkamp vertoefd. Daarna was de situatie in Irak wat beter en zijn ze teruggekeerd. Maar ik bleef pakketten bezorgen en contact houden. Al die jaren hoopte ik de familie terug te zien. Aanvankelijk was de situatie er te gevaarlijk; zomaar even naar Irak vliegen was onmogelijk. Maar toen ik dit jaar vernam dat Herish, de oudste zoon, in het huwelijksbootje zou stappen, heb ik beslist: ik ga terug.»

 Terug naar haar Koerdische familie maar voor het eerst naar de Koerdische Autonome Regio in Irak. Ik reis mee met Gerda naar Malta – een voorstadje van Dohuk, de laatste grote stad voor de Iraaks-Turks-Syrische grens – en mag tien dagen in haar spoor volgen. Ter plaatse nestel ik me onder de vleugels van Salar, één van de vele neven van Saleh en Zerah, en zowat de enige Binavi die een andere taal dan Koerdisch spreekt. Hij wordt m’n gids, en zal me aan het eind van ons verblijf ook naar een Syrisch vluchtelingenkamp brengen, een uitloper van de Syrische hel in noord-Irak.

Guerrilla tegen Saddam

Gerda, met achter haar Salar, en andere Binavi’s.

Op de dag van onze aankomst lijkt het alsof de Koerdische president himself in het pietluttige huisje van de Binavi’s vertoeft: de gasten lopen af en aan, allemaal willen ze Gerda welkom heten. De volgende dag worden we door Salman, een vriend van de familie, uitgenodigd voor een spontaan georganiseerd feest in Binavi. Het kleine dorpje in de bergen aan de Turkse grens is de geboortegrond van Salmans en Salehs familie en die moet geëerd worden – het is geen toeval dat de familie dezelfde naam heeft als het dorpje.

Samen met Jamil, een broer van Saleh, stap ik in de oude Mercedes van Salar, en met z’n drieën rijden we door het Koerdische landschap. Mijn gids bezingt de schoonheid van de bergen, zijn nonkel richt zich tot mij: ‘Wij zijn die bergen heel erg dankbaar.’  Het was in die bergen  dat de de Peshmerga, de Koerdische vrijheidsstrijders,  al sinds  begin vorige eeuw de  Iraakse soldaten bevochten met guerrillatechnieken.

Jamil: «In de jaren zeventig en tachtig was ik ook bij de Peshmerga. Jarenlang heb ik met mijn kameraden door de bergen getrokken. Ik ben er opgegroeid, ik ken ze als mijn broekzak. Vanuit de bergen konden we onze vijand bekampen en er tegelijkertijd voor vluchten.”

« Jarenlang was het een oorlog tussen soldaten en vrijheidsstrijders, maar eind de jaren ’80 richtte Saddam zijn pijlen op álle Koerden. Onze families waren thuisgebleven: we moesten naar hen toe. We vroegen toestemming aan onze generaals en mochten naar huis. Zo zijn we uit elkaar gebrokkeld en elk met onze vrouw en kinderen richting Turkije gevlucht.»

Jamil in zijn bergen

Het tij keerde voor de Iraakse Koerden dank zij de twee Golf-oorlogen. Na de eerste was Saddams regime al zo verzwakt dat in 1992 de Koerdische Autonome Regio werd uitgeroepen. Na de tweede werd die autonomie versterkt en sinds 2005 erkend door de Iraakse grondwet. Het land is sindsdien officieel autonoom, met een eigen parlement en president. Toch blijft de regio een deel van Irak  en moet op sommige vlakken nog verantwoording afleggen aan Bagdad.  Het is een complex verhaal met veel maren.

Jamil:  «Jarenlang hebben we gestreden voor autonomie, nu hebben we die bereikt. Wat wij het belangrijkst vinden: rustig kunnen leven. Dat kan nu. We hebben onze vrijheid, er is democratie. Een beetje te veel zelfs: er zijn heel wat Koerdische politieke partijen, elk met hun eigen visie op de te volgen weg. Ondertussen wordt er nog constant, élke dag, onderhandeld met Bagdad. Natuurlijk zouden we de volledige onafhankelijkheid willen, maar dan hebben we de steun nodig van de VS en andere landen. Het zou wellicht gepaard gaan met nieuw geweld en ik weet niet of de Koerden daar nog zin in hebben.”

Niet alleen de Koerden zelf, ook de VS en grote buren Turkije en Iran zitten er niet op te wachten. Bagdad is per definitie tegen Koerdische onafhankelijkheid. Ondanks de omliggende brandhaarden is de regio relatief rustig en dat willen de grote spelers zo houden.  Jamil, die als gewezen Peshmerga-strijder nog steeds militair is, is de VS dankbaar. Maar hij beseft ook dat de Amerikanen hun eigen belangen nastreven.

Jamil: «Wij hebben de Amerikanen geholpen in de strijd tegen Saddam. En zij ons ook, dat staat vast. De dag dat Saddam gevonden werd, heeft élke Koerd een groot feest gebouwd – ik ook. Maar ze hebben ons wel veel afgenomen. Olie, weet je wel, we zijn hier in het Midden-Oosten. Sinds het verdwijnen van Saddam hebben de Amerikanen hier een stevige voet tussen de deur.”

Salar, die met zijn slome Mercedes moeite heeft om de bergruggen te bedwingen, wijst ons op een soort van pilaar in het landschap.

Salar: «Daar hebben we een nieuwe oliebron gevonden. Dank zij de olie zijn we een rijk land. Per dag gaan er van hieruit één miljoen vaten naar Turkije alleen al. Nu is het hier nog vuil en oud. Maar we hebben nog maar net onze vrijheid veroverd: geef ons nog tien, twintig jaar, en we maken van Koerdistan een prachtig land.”

Er zijn veel oliebronnen in de Koerdische Autonome Regio.  Het is de Koerdische regering die de oliecontracten afsluit, hoewel dat formeel de taak van de Iraakse regering is.  Dat de autonomie van de regio heel ver gaat blijkt ook uit het feit dat je nergens Iraakse troepen ziet.  Er is geen één Iraakse soldaat in de hele regio maar des te meer Koerdische. Ik zie zo vaak en zo veel Koerdische soldaten – om de zoveel tientallen kilometer is er wel een checkpoint – dat ik aan mijn metgezellen vraag of het hier wel veilig is. Ik heb gehoord dat er in Kirkuk regelmatig bomaanslagen worden gepleegd en dat in Mosul christenen worden vermoord. Mijn gids en zijn oom halen de schouders op.  Kirkurk en Mosul zijn volgens hen speciale gevallen.

Jamil: «Kirkuk ligt op de grens met Irak en er wonen zowel Koerden als Arabieren. Er zijn veel oliebronnen — je kan het sommetje maken. Mosul is weer een andere zaak. Daar leven tienduizenden ex-officiers van Saddam die nu allemaal werkloos zijn. Ze zaaien terreur maar volgens mij niet specifiek tegen christenen. Hun drijfveer is jaloezie en hun doelwit vooral mensen die het beter hebben dan zij. Maar die twee steden liggen ver van hier.”

Die middag eet ik in de Iraakse bergen op een geïmproviseerde barbecue met mensen die zich duidelijk geen zorgen maken.

Marijn Sillis

(VERVOLGT)

november 28, 2012 at 8:13 am 3 reacties

GAZA: KUN JE ALS JOURNALIST NEUTRAAL ZIJN?

Sherine Tadros

door Anja Meulenbelt

 

Overgenomen van Clara Legêne: In de Huffington Post stond gisteren een artikel van Midden-Oosten-correspondent van Al-Jazeera Sherine Tadros, dat ik heb vertaald, omdat ik het belangrijk vind om door te geven. Omdat de rol en positie van de media bij de verslaglegging van de huidige aanval op Gaza opmerkelijk anders is dan voorheen.

De verslaglegging van deze Gaza-oorlog

Het is ongelooflijk om te zien hoe deze oorlog van binnen uit wordt gecovered door honderden buitenlandse en lokale journalisten – dat is nou iets wat gedaan had moeten worden tijdens de vorige oorlog.

In 2008 sloten Israël en Egypte hun grenzen en veroordeelden de journalisten tot de periferie van de oorlog in de Gazastrook. Ikzelf en Ayman Mohyeldin (nu buitenlandcorrespondent van NBC) werden in Gaza toegelaten om voor de buitenwereld te beschrijven wat er gaande was. Maar wij konden niet over elke aanslag en elke tragedie berichten, we konden niet overal tegelijk zijn en we waren geen 24 uur per dag wakker. Nu ligt Gaza onder een microscoop, of het nou is via sociale media, gedrukte media, radio, tv – van negeren van wat er daarbinnen aan het woeden is, is nu geen sprake.

Ik heb mijn eigen theorie over waarom Israël deze keer besloot de journalisten niet buiten te sluiten, maar dat is iets voor een ander artikel.

Het is niet zo moeilijk om het verhaal van Gaza te coveren; het gebeurt allemaal waar je bij staat. Het grootste probleem voor journalisten is eigenlijk dat het zo duidelijk een conflict is dat niet in balans is – er is geen enkel vergelijk mogelijk tussen Israël en Gaza, tussen Palestijnse strijders en het Israëlische leger, en tussen raketten en aanvallen met bommen.

Maar dat is dus precies dat waar journalisten mee worstelen. Wij zijn opgeleid om neutraal te zijn, onpartijdig, gebalanceerd. Maar dit is geen uitgebalanceerd conflict en in hun poging zaken gelijkwaardig aan elkaar te maken vertellen sommige verslaggevers ten slotte het verkeerde verhaal, benadrukken ze dingen die ze onder gewone omstandigheden niet zouden benadrukken, alles om maar evenwichtig over te komen.

Afgelopen week hoorde ik op tv een correspondente die ik erg respecteer en bewonder, op een vraag uit de studio reageren met de woorden: “zoals de Palestijnen het noemen: de Israëlische bezetting van Gaza.” Ze stond op dat moment in Gaza City, terwijl Israëlische grondtroepen de Gazastrook van alle kanten omsingelden. Oorlogsschepen lagen voor de kust en drones en F16’s patrouilleerden in het luchtruim van Gaza. Als er ooit een moment is waarvan je met zekerheid kunt zeggen dat Gaza bezet is, dan was het dat moment. Maar toch maakte haar eeuwige drang om evenwichtig te zijn het voor haar – terwijl ze stond te praten over aanslagen en de mensen die daarbij omkwamen – onmogelijk om gewoon de koude en harde waarheid te vertellen.

Er is een algemeen probleem met de media als het over het Arabisch-Israëlische probleem gaat. De noodzaak om gebeurtenissen te ‘desinfecteren’ om zo niet al te controversieel te zijn en de verkeerde mensen kwaad te maken; het nalaten om het conflict te humaniseren uit angst dat je dan overkomt als iemand die symphatiseert met Palestijnen, of erger: iemand die zich kan verplaatsen in Palestijnen – wat voor je carrière regelrechte zelfmoord kan betekenen. Maar niet moedig zijn en niet vertellen hoe het werkelijk is, daarmee bewijs je de waarheid en de journalistiek uiteindelijk een slechte dienst.

Er zijn een paar eenvoudige feiten in dit verhaal waarover iedereen met me van mening mag verschillen, maar die te vaak ontbreken in de verslaggeving:
Hamas is niet Gaza. In Gaza leven meer dan 1,5 miljoen Palestijnen. Er zijn moeders en vaders en broers en baby’s. Je hebt er mensen die niet in politiek geinteresseerd zijn. Gaza is een samenleving, geen eiland vol terroristen. De woorden Gaza en Hamas zijn onderling niet uitwisselbaar. Op dezelfde manier is Hamas wel de leidende autoriteit in Gaza, maar er is niet zoiets als een Hamas-school, of een Hamas-politiebureau, of een Hamas-ministerie. Dat zijn benamingen die gebruikt worden door Israël om de aanvallen op deze locaties te rechtvaardigen. Vele mensen die er werken, ik denk zelfs de meesten, zijn geen leden van Hamas. En dan is er ook nog een verschil tussen een lid van Hamas en een Palestijnse strijder. Alweer een onderscheid waar vaak overheen wordt gekeken.

Maar waar journalisten nu het meest mee lijken te worstelen, is wat je moet verstaan onder een legitiem doelwit. Een huis met daarin tien leden van één familie, onder wie kinderen, vrouwen en bejaarden, wordt geraakt door een projectiel. Ze komen allemaal om. Eerst heerst alom grote woede. Maar dan bericht het Israëlische leger dat het doelwit “een Hamas official” was. En plotseling verandert de berichtgeving. De zin dat het ging om een “Hamas official” staat nu in elk artikel, zonder dat er vragen over zijn gesteld of er een context wordt gegeven. Nu is het ineens in orde, omdat het verhaal eerst onevenwichtig leek te zijn, en te riskant om er verslag over te doen, omdat het te erg klonk om waar te zijn (zelfs hoewel bekend is dat Israël in 2008 het huis van de familie Shamimi bombardeerde en daarbij meer dan 25 leden van die familie doodde).

Is er dan iemand die stopt en vraagt: zelfs als er zich een Hamas official in dat huis bevond, is het dan gerechtvaardigd om tien onschuldige burgers te doden om één official weg te nemen, die kennelijk door Israël was gelokaliseerd? Is dat nou niet precies waar het Goldstone-rapport de nadruk op legde? Israël heeft een keuze bij het besluit of deze aanval het doel heiligt – als het doel is het doelwit uit te schakelen, kunnen ze het dan niet op een ander moment doen, als hij niet bij zijn volledige familie is? Als het andersom was, en Palestijnse strijders een huis van een Israëlische legercommandant onder vuur namen en daarbij hemzelf, zijn moeder, zijn vrouw en vier kinderen doodde, zouden de media dan zo blind de rechtvaardiging van de aanslag accepteren, omdat hijzelf nu eenmaal een legitiem doelwit was?

De sleutel tot dit alles is het weglaten van de context. Het vuur van de Hamas-raketten is geen antwoord op de laatste Israëlische aanval; het is een reactie op zes jaar van bezetting, bombardementen, moordaanslagen, opgesloten zijn. De Israëlische projectielen zijn geen reactie op het raketvuur op Ashkelon; het zijn de vele jaren van raketvuur op Zuid-Israël. De trigger die deze oorlog veroorzaakte was een moord, maar de oorlog zat er al minstens twee en een half jaar aan te komen.

Uiteindelijk is de grote vraag wanneer dit allemaal zal stoppen. Het antwoord is simpel: er zal een staakt-het-vuren komen — net als altijd in alle Israëlische oorlogen — als Israël vindt dat de klus geklaard is en het gevoel heeft dat Gaza genoeg gestraft is. En deze keer bedoel ik met Gaza: Gaza.

 

Rudi Vranckx

Artikel Sherine Tadros
Vertaling Clara Legêne

http://www.anjameulenbelt.nl/weblog/

november 22, 2012 at 3:58 pm 2 reacties

HET ANTI-AMERIKAANSE VUUR

Rip van Winkle ontwaakt

door Aart Brouwer


De schrijver Washington Irving verwierf wereldfaam met zijn personage Rip van Winkle, een man die twintig jaar slaapt en bij het ontwaken de wereld om hem heen niet meer herkent. Zo moet het Amerikaanse beleidsmakers vergaan die zich de tijd herinneren dat hun land de kampioen van het Arabische nationalisme en voorvechter van de godsdienstvrijheid voor moslims was.

Na de Tweede Wereldoorlog zagen de volken van veel moslimlanden in Washington een natuurlijke bondgenoot tegen hun oude koloniale overheersers: de Britten, de Fransen en niet te vergeten de Nederlanders. Het volkrijkste moslimland van de wereld was ook toen al Indonesië en de Amerikanen dwongen ons (Nederland/red.) er zo snel mogelijk te vertrekken. In het olierijke Midden-Oosten namen de Amerikanen de positie van de Britten en Fransen over en gebruikten die om jonge Arabische staten te steunen, met name tegen Rusland, dat ondanks een nieuw regime nog de koloniale ambities en slechte manieren van weleer bleek te hebben. De Russen hadden het nakijken en Josef Stalin wist niets beters te bedenken dan de stichting van Israël te steunen om de Amerikanen de voet dwars te zetten, een van de betere grappen van de wereldgeschiedenis.

De grootste fout die de Amerikanen hebben gemaakt was ongetwijfeld het steunen van nationalistische leiders en regimes die hun houdbaarheidsdatum overschreden. Gehate figuren als Saddam en Moebarak konden jarenlang in het zadel blijven zitten dankzij ruimhartige hulp van Washington. Ziedaar het antwoord op de vraag ‘Waarom haten ze ons?’ die Amerikanen zich stelden na de aanslagen van 11 september 2001. Sindsdien heeft Washington zijn leven in sommige opzichten gebeterd, vooral door de ‘Arabische lente’ te bevorderen. Ogenschijnlijk heeft dat echter weinig uitgehaald, getuige de hevige anti-Amerikaanse protesten die we nu zien in de Arabische wereld, Afghanistan, Pakistan, de Filippijnen en diverse andere landen. Uitgerekend in Libië, dat zich met heimelijke maar essentiële Amerikaanse steun van Moammar Kadhafi  kon ontdoen, werden de Amerikaanse ambassadeur en vier van zijn medewerkers vermoord.

Het is duidelijk dat de antimoslimfilm Innocence of Muslims, naar het schijnt gemaakt door een Koptische christen met een crimineel verleden in Californië, slechts een aanleiding is voor radicale groeperingen om het anti-Amerikaanse vuur aan te blazen. Het maakt niet uit dat de Amerikaanse regering zich van de maker distantieert en Google (tevergeefs) verzoekt het filmpje van YouTube te verwijderen, net zo min als het wat uitmaakt dat de Koptische bisschop van Los Angeles het filmpje publiekelijk verfoeit. De grote vraag is waarom dat vuur zo gemakkelijk kan worden aangewakkerd.

Een mogelijk antwoord luidt dat de onder meer dankzij Amerikaanse hulp geïnstalleerde, democratische regeringen te zwak zijn om tegenwicht te bieden aan de agitatie van radicale moslims. En waar de regeringen nalaten zich er krachtig tegen uit te spreken, daar verzet ook de bevolking zich niet tegen de haatcampagne. Islamistische groeperingen weten dat de relatie met de Verenigde Staten de zwakke plek is van die nieuwe regeringen: ze willen niet worden gezien als de zoveelste zetbaas van Washington. In Libië riep de nieuwe regering pas op tot rust en inkeer na de aanslag op de Amerikaanse ambassadeur. Vervolgens kwamen de eerste betuigingen van rouw en medeleven vanuit de bevolking op gang. In Egypte ondernam de regering niets om de aanvallen op Amerikaanse gebouwen tegen te houden totdat president Barack Obama belde met zijn Egyptische ambtgenoot Mohammed Morsi. Obama herinnerde hem eraan dat hij Morsi’s benoeming had gesteund tegen de wil van het Egyptische leger. Veel heeft het niet geholpen. Een snelle oplossing voor het probleem is er ook niet. De bittere waarheid is dat het anti-Amerikaanse vuur, gevoed door frustratie, onwetendheid en slechte ervaringen uit het verleden, nog jaren zal voortrazen.

http://www.guardian.co.uk/commentisfree/2012/sep/18/violent-protests-blowback-us-intervention?CMP=EMCNEWEML1355

http://www.groene.nl/commentaar/2012-09-18/het-anti-amerikaanse-vuur

september 19, 2012 at 3:12 pm 6 reacties

Oudere berichten Nieuwere berichten


Kalender

april 2014
M D W D V Z Z
« mrt    
 123456
78910111213
14151617181920
21222324252627
282930  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 541 andere volgers