Posts filed under ‘Moraal’

ALS DE DOOD VOOR STERVEN

Tomas Ronse:  Rusthuis serie (2007)  Rene

door Gie van den Berghe

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Barbara Ehrenreich (°1941) werd bij het grote publiek bekend met De achterkant van de Amerikaanse droom (2005, oorspronkelijk Nickel and Dimed, 2001). Daarin deed ze verslag van drie maand undercoverwerk als serveerster, verpleegster en vakkenvulster, kwestie van de wereld van de slecht betaalden te doorgronden. Blijkt dat mensen die Amerikanen bedienen in supermarkten, drankgelegenheden, restaurants en ziekenhuizen – vaak zwarten – met geen mogelijkheid kunnen deelnemen aan het consumptiefestijn en vaak een precair leven leiden.

Barbara Ehrenreich

 

Werk genoeg, maar doorgaans zo slecht betaald dat je er niet behoorlijk kan van leven. Gevestigde kranten als The New York Times en The Washington Post besteden weinig aandacht aan de verholen armoede, haaks als die staat op de ronkende reclames voor allerhande luxeproducten. Daarom richtte Ehrenreich in 2012 het Economic Hardship Reporting Project op (http://economichardship.org), bedoeld voor undercover journalistiek die maatschappelijke ongelijkheid en onrechtvaardigheid blootlegt.

In haar recentste boek, Natural causes: An epidemic of wellness, the certainty of dying, and killing ourselves to live longer, pakt Ehrenreich – die ooit promoveerde in de immunologie – de gezondheidsgekte en geneeskunde aan.

De confronterende Nederlandse titel, Oud genoeg om dood te gaan, sprak me direct aan. Het 74 jaar oude lichaam dat ik ben is versleten, zit vol mankementen en pijn. Geneeskundigen zitten met de handen in het haar en loodsen me van de ene onwaarschijnlijke tot zotte diagnose (‘het zit allemaal in uw hoofd’) naar het andere lapmiddel. Dus ja, oud genoeg om dood te gaan. Gedaan met geloop, wachtzalen, pillen, placebo’s en panacees. Aanvaarden dat leven opgeleefd wordt, geen beroep meer doen op een geneeskunde die niet genezen kan, wat niet te genezen valt. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het voelt aan als een op de lange baan geschoven zelfdoding. Dat vergt moed. Je bent ook niet alleen op de wereld. Je geeft om anderen, anderen geven om jou. Zolang er gegeven kan worden. En er is nog zoveel te beleven en te doen. Zoals dit boek lezen en aan jullie kenbaar maken.

 

Stervelingen

We komen blètend ter wereld en verlaten hem zelden met een glimlach op de lippen. Alleen hardleerse gelovigen zijn ervan overtuigd dat er na de dood leven is, een hiernamaals waar alles gelukzalig is. Ze sterven om herboren te worden. Maar niet iedereen kan of wil troost putten uit de gedachte dat er na een leven van ontzegging, ontbering, gehoorzaamheid en boete (het smalle pad uit de Jezus’ Bergrede) een hemel opengaat.

In de voorbije decennia is de ouderdomsgrens in het noordelijk halfrond flink opgeschoven. Gerontologen hebben het over jonge ouden – fysiek en mentaal gezond – en oude ouden. Maar de helft van alle 85-jarigen is of wordt dement. En dat in een overbevolkte en mede daardoor almaar onleefbaarder wereld. Toch wordt er ijverig gezocht naar levensverlenging en worden bedenkelijke levens ‘gered’. Begin dit jaar mocht in Japan een in leven gehouden prematuurtje van 268 gram na een half jaar het ziekenhuis verlaten.

Als leven heilig is, een godsgeschenk, dan zijn sterven en dood taboe. Geen abortus, geen euthanasie, geen (hulp bij) zelfdoding. Palliatief lijden en afzien, hoe voltooid en verdoofd het overleven ook is. Voortijdig sterven mag enkel en alleen voor het Vaderland.

 

De ziekte-industrie

De gezondheidszorg, schrijft Ehrenreich, is veranderd van een vorm van huisnijverheid in een industrie die een gezond en lang leven belooft. Ouder worden en doodgaan worden niet langer gezien of ervaren als doodnormale fases in een levenscyclus, maar als een soort ziektes, behandelbaar en wel. Je mag niet zomaar dood gaan. Alles wordt in het werk gesteld om je te ‘redden’. Ook wie duidelijk heeft gemaakt dat hij of zij in bepaalde omstandigheden op een natuurlijke, niet-gemedicaliseerde manier wil sterven, komt vaak nog ‘aan slangen en snoeren op de afdeling intensive care’ terecht. Sommige Amerikaanse artsen die weten dat die intensieve zorg ‘eerder tot gebreken dan tot een verbeterde gezondheid leidt’, hebben een tatoeage laten zetten die duidelijk maakt dat ze onder geen beding gereanimeerd willen worden. Het stervensproces, schrijft Ehrenreich, werd gemedicaliseerd en verlengd zonder dat er veel veranderde aan het ouderdomsproces. En dat blijft voor velen lang, onaangenaam, lastig, smerig en eenzaam.

 

Op sterven na

Als immunologe weet Ehrenreich dat het lichaam geen geoliede machine is ‘maar een plaats waar op celniveau een onophoudelijke strijd woedt die, tenminste in alle ons bekende gevallen, eindigt in de dood’. Kanker bijvoorbeeld – die ze zelf overwonnen heeft – is ‘een opstand van een groepje cellen tegen het organisme’. Je mag nog zo goed letten op je levensstijl, calorieën tellen, eindeloos fitnessen, niet roken, geen alcohol drinken, geen vlees eten – op den duur kunnen immuuncellen die het lichaam beschermen er zich tegen keren. Bij de voortdurende vernieuwing van immuuncellen treden met het verstrijken der jaren meer en meer foutjes op. Ehrenreich verwijst hiervoor naar de volgens haar alom geaccepteerde theorie van Claudio Franceschi, maar bij nazicht van enkele van diens publicaties blijkt een en ander toch iets ingewikkelder in elkaar te zitten.

Toen Ehrenreich met het klimmen der jaren ‘geleidelijk aan tot de conclusie kwam dat [ze] oud genoeg was om dood te gaan, besloot ze dat ze tevens oud genoeg was om geen pijn, ‘ongemak of verveling meer te doorstaan ten gunste van een langere levensduur’. Daarom doet ze sinds enkele jaren niet meer mee aan verplichte of ‘raadzame’ medische onderzoeken. Er rest haar steeds minder tijd en dus ‘is elke maand en dag [haar] te kostbaar om in wachtkamers zonder ramen of onder het kille oog van een apparaat door te brengen. Oud genoeg zijn om dood te gaan is een prestatie, geen nederlaag, en de vrijheid die dat geeft is het waard om te vieren’. Leven, schrijft ze, is tenslotte maar ‘een onderbreking van de eeuwigheid waarin je niet bestaan hebt’, een korte gelegenheid ‘om de levende, altijd verrassende wereld om ons heen te observeren en ermee verbonden te zijn’.

 

 

Bevolkingsonderzoek

Ehrenreich heeft geen boodschap aan al die op preventie gerichte bevolkingsonderzoeken. Artsen, ziekenhuizen en farmaceutische bedrijven verdienen geld aan volkomen gezonde mensen door ze aan testen en onderzoeken te onderwerpen die statistisch gezien veel te weinig opleveren. Mensen, vervolgt Ehrenreich, worden opgeroepen, bang gemaakt en ondergaan screenings die niet altijd ongevaarlijk zijn, foutpositieve en foutnegatieve resultaten kunnen opleveren. Een mammografie is behalve ongemakkelijk tot pijnlijk, ook ‘de enige omgevingsfactor waarvan met zekerheid geweten is dat die borstkanker kan veroorzaken’. Doorverwijzingen voor een mammografie zijn ook op weinig meer gebaseerd dan het Fingerspitzengefühl van artsen. Grootschalige, internationale controlestudies tonen volgens Ehrenreich (die naar tal van bronnen verwijst) geen betekenisvolle verlaging van borstkankermortaliteit die te danken zou zijn aan regelmatig borstonderzoek. Hetzelfde geldt voor de screening op prostaatkanker.

 

Tekening: Frank Soete

 

Het Amerikaanse College van Artsen meldde in 2014 dat de meeste gynaecologische controles geen enkele meerwaarde hebben voor gezonde volwassen vrouwen en ‘het ongemak, de angst, de pijn en extra kosten’ absoluut niet waard zijn. Vijftigplussers ontkomen ook niet aan de druk om zich aan darmonderzoek te onderwerpen terwijl ook daar foute uitslagen geregistreerd worden die overbehandeld ofwel niet behandeld worden. Veel mensen worden ‘behandeld voor een tumor die waarschijnlijk nooit voor problemen zal zorgen’. Een recent artikel in De Groene Amsterdammer leert dat veel van dit alles ook geldt voor onze contreien (Malou van Hintum, Tot de operatie was ik kerngezond, 24.4.2019 –https://www.groene.nl/artikel/tot-de-operatie-was-ik-kerngezond ).

 

Overdiagnostiek neemt, dixit Ehrenreich, epidemische vormen aan. Botverzwakking of osteopenie bijvoorbeeld, is geen ziekte, maar vrij normaal bij vrouwen van boven de vijfendertig. Het hoort bij ouder worden. Maar wat blijkt: in de VS worden ‘de meeste botscans zwaar gepromoot en zelfs gesubsidieerd door de fabrikant van het medicijn. Sterker nog, het begunstigde medicijn bleek in de periode van [Ehrenreichs] diagnose juist de problemen te veroorzaken die het moest voorkomen – botontkalking en breuken’.

Moeilijk te beoordelen voor de medische leken die de meesten onder ons zijn. Zeker, de ziekte-industrie moet kritischer benaderd worden, maar wel oppassen dat je niet in het spoor raakt van anti-vaxxers.

 

Rituelen

Veel medische handelingen en behandelingen zijn een soort bezweringsrituelen, vergelijkbaar met genezingsrituelen bij zogenaamd primitieve volkeren. Ze gebeuren op speciale plekken, worden uitgevoerd door gekostumeerde en vaak gemaskerde mensen, die magische en gevaarlijke middelen toedienen en instrumenten hanteren die buiten het bereik vallen van gewone mensen.

Rituelen spelen een niet onbelangrijke rol in de medische zorg. Patiënten zijn ervan gediend en hebben er ook baat bij. Ehrenreich vermeldt een onderzoek waaruit blijkt dat de klachten van mensen met het prikkelbaredarmsyndroom die een pil kregen waarvan expliciet werd gezegd dat ze géén werkzame stof bevatte, evenveel baat hadden bij die placebo als de controlegroep die een door de overheid goedgekeurd medicijn had gekregen.

 

Toen Ehrenreich in wetenschappelijke publicaties ontdekte dat de ‘vijfenzeventig jaar oude remedie tegen verhoogde oogdruk die al aan tientallen miljoenen mensen was voorgeschreven’ niet werkzaam was, ja dat zes studies uitwezen ‘dat de behandelde patiënten uiteindelijk slechter af waren dan de onbehandelde groep’, besefte ze ‘dat het medische besluitvormingsproces niet op harde feiten of een formele analyse berust, maar op drijfzand’. Dat moge dan een onterechte veralgemening zijn, geruststellend is dit allerminst. Bij nazicht van enkele van Ehrenreichs bronnen bleek ook dat artsen die dergelijke zaken door zorgvuldig onderzoek aantoonden, grote moeite hadden om hun bevindingen gepubliceerd te krijgen.

 

Selfies

Het ‘zelf’, een strikt persoonlijke identiteit, is een relatief recente uitvinding, zeg maar de opvolger van de in ongebruik geraakte ‘ziel’ of ‘geest’. Door dat ‘zelf’ kunnen mensen zich maar moeilijk een wereld voorstellen waar ze geen deel meer aan hebben, een bestaan zonder hen. Maar, voegt Ehrenreich hieraan toe, vrijwel iedereen kan zich een wereld zonder andere mensen, zelfs zonder dierbaren voorstellen. Iedereen heeft een sterk bewustzijn van een eigen toekomst. Ons ego zit ons tal te zeer dwars om te aanvaarden dat ons bestaan langzaam maar zeker ophoudt. Als remedie bedachten en bedenken mensen goden en hemels. Maar nu god plaats gemaakt heeft voor het ‘zelf’ wordt de uiteindelijke teloorgang nog onaanvaardbaarder.

Oplossing? Hef het ‘zelf’ op en de angst voor de dood verdwijnt. Dat althans concludeert men volgens Ehrenreich uit klinische proeven waarbij kankerpatiënten met sterke doodangst een flinke dosis psilocybin (het actieve bestanddeel in zogenaamde magische paddenstoelen) krijgen toegediend hun ‘existentiële smart’ af te zwakken. De patiënt tript enkele uren onder het toeziend oog van een arts. Eens de drug uitgewerkt brengt de patiënt gedetailleerd verslag uit en wordt een en ander verder opgevolgd. Resultaat: de patiënten waren hun sterke doodsangst gedurende een zestal maand kwijt. De drug heft, zo heet het, de identificatie met het lichaam op waardoor ‘de geest’ (het brein?) zich in een ego-vrije toestand bevindt.

Het idee om aan stervenden een psychedelische drug te geven, werd het eerst geopperd door Aldous Huxley in The Doors of Perception (1954) en Huxley maakte er uiteindelijk ook zelf gebruik van. In de jaren zestig werd LSD gebruikt om doodsangst te bezweren en alcoholisten te behandelen, maar die experimenten waren slecht opgezet en onvoldoende gecontroleerd.

In haar enthousiasme vergeet Ehrenreich te vermelden dat het met die paddo’s toch niet allemaal koek en ei is. Bij de experimenten ermee waren er ook kwalijke effecten. Onder invloed van de drug krijgen de patiënten niet alleen mystieke maar ook angstaanjagende hallucinaties. Confrontaties met afzichtelijke monsters, het gevoel te stikken en te sterven. Geen nood, de patiënten werden voordien getraind om dit aan te kunnen. Gewoon omhelzen! Omdat ze de dood in ogen hebben gezien maar niet gestorven zijn, raken ze ervan overtuigd dat ze de dood van hun lichaam op de een of andere manier zullen overleven. Dat althans is de redenering. Laten we hopen dat deze patiënten nog een lang leven beschoren is maar dan zullen ze, gezien het feit dat de therapie maar relatief korte tijd helpt, nog duizend doden sterven.

Ehrenreich besteedt heel wat aandacht aan de fitnessideologie en de gezondheidsrage. Vooral vrouwen (moeten) alle moeite van de wereld doen om te beantwoorden aan het vrouwonvriendelijk beeld waaraan de meesten onder ons verknocht zijn. Wie niet meedoet, wordt en is gezien. Dat armoede, beroep en ras (het gaat over de VS) een grote rol spelen in iemands gezondheid, daar wordt zelden rekening mee gehouden. De doctrine van de individuele verantwoordelijkheid betekent dat wie minder gezond is, dat aan zichzelf te wijten heeft.

Toen Ehrenreich eind vorig jaar de prestigieuze Erasmusprijs kreeg, schreef De Volkskrant dat ze ‘de gave heeft om dingen die niemand graag ziet als eerste op te merken’. Het was een bekroning van haar ‘ondogmatische manier van kritisch denken’. Ehrenreichs ironisch-kritische kijk op het tijdsegment waarin we leven maakt ook de eigenheid, het tijd- en mode gebonden karakter ervan duidelijk.

Het boek is goed gedocumenteerd maar bij controle van enkele bronnen, blijkt dat Ehrenreich niet altijd even correct interpreteert en rapporteert. Ze veronderstelt ook heel wat en vindt zonder enig argument dat alternatieve geneeswijzen ‘ten onrechte als pseudowetenschappelijk worden afgedaan’.

Ehrenreich besluit haar relaas met het laatste gedicht dat Bertolt Brecht in 1956 op zijn sterfbed zou geschreven hebben:

Bertold Brecht

Toen ik in mijn ziekenkamer in de Charité   

Tegen de ochtend wakker werd

En een merel hoorde zingen, begreep ik

Het beter. Ik was al een tijd

Niet bang meer voor de dood. Want er kan

Niets meer met me aan de hand zijn

Als ik zelf niets ben. Nu

Kon ik ook genieten

Van het gezang van iedere merel na mij

 

 

Brecht herstelde, werd uit de Charité ontslagen, genoot nog van de zomer en gaf de briljante geest in eigen huis.

 

Barbara Ehrenreich: Oud genoeg om dood te gaan  Over de vragen die iedereen zich ooit moet stellen. Atlas Contact; 224 pagina’s; € 19,99.

 

Zie ook: https://www.nytimes.com/2015/11/03/science/book-review-ending-medical-reversal-laments-flip-flopping.html

en: https://www.springer.com/us/book/9783319932231

 

May 17, 2019 at 3:24 am 1 comment

ZIONISME EN ANTI-SEMITISME GAAN HAND IN HAND

 

Door Tom Ronse

 

Je kunt heel wat in beweging zetten door wat hakenkruisen te schilderen op joodse graven. De verleiding is misschien wel groot voor sommige jongelui die zich vervelen en zich buitengesloten voelen om op zo’n simpele manier de regisseur te worden van een heus mediaspektakel. Misschien voelen ze trots als editorialen over heel de wereld hun afschuw over hen uitspuwen, als leiders van alle partijen, vakbonden en godsdiensten oproepen om in de hoofdstad te betogen tegen hun nachtelijk avontuur. Ze hebben, als het ware, ‘een steen in de rivier verlegd’. Dat de rivier daar niet beter van werd is bijzaak voor hen. En voor de politieke leiders die vooraan lopen in de betoging, is het een letterlijk goedkope manier om hun goede inborst te tonen.

Waarmee ik anti-semitisme niet wil bagateliseren. Het neemt wel degelijk toe, net als anti-islam-sentiment en in sommige landen zelfs anti-christianisme. Wat al die onverdraagzaamheid gemeen heeft, is dat telkens een minderheid wordt uitgekozen als zondebok.

De stijging van het anti-semitisme heeft twee bronnen. De eerste is het groeiend sukses van populistisch rechts in wiens zog fascistisch rechts, met zijn diep ingewortelde anti-semitische traditie, ook aan zichtbaarheid won. De tweede is de mishandeling van Palestijnen door de Israelische staat. Er is wel degelijk een onderscheid. In het eerste geval identificeren de anti-semieten zich met de praktijken van de nazi’s, in het tweede met de slachtoffers van praktijken die, zonder zo extreem te zijn, wel soms op die van de nazi’s gelijken. Beiden vellen hetzelfde vonnis: alle joden zijn schuldig en moeten gehaat en bestreden worden.

Aan de andere kant van de muur wordt een ander vonnis geveld: iedereen die tegen de politiek van de Israelische staat en haar zionistische ideologie gekant is, is een anti-semiet. Net zoals de Nazi’s destijds affirmeerden dat al wie tegen de nazi-staat en haar ideologie is, anti-Duits is.

Netanyanu en de pro-Palestijnse anti-semieten zeggen dus in feite hetzelfde: er is geen onderscheid tussen de staat Israel en de joden. Val je Israel aan, dan val je de joden aan, net zoals Hitler.

Zo helpt Netanyanu joden in heel de wereld meer kwestbaar maken. Want als een actie tegen Israel een actie tegen alle joden is, dan is een aanval op om het even welke jood ook een aanval op Israel. De gemakkelijkste manier dus om Israel te bestrijden. En als joden ergens worden aangevallen enkel omdat ze joden zijn, dan bewijst dat ook Netanyanu’s gelijk: Israels tegenstanders zijn anti-semieten.

Zionisme en anti-semitisme zijn niet elkaars tegenpolen. Hun relatie is eerder symbiotisch: ze geven elkaar argumenten, ze voeden elkaars propaganda.

Ze steunen beiden op uitsluiting.

Democratie biedt geen uitweg uit deze vicieuze cirkel: Israels verkiezingen gaan over hoe hard de kolonisatie moet worden doorgevoerd, niet over de vraag of ze wel een goede zaak is. De keuze is tussen hard en harder. En voor Netanyanu en zijn partners mag het best wat harder, zoals het artikel hieronder uitlegt. De vaak geroemde Israelische democratie is het schaamlapje van de Israelische kolonisatie.

Macron en andere Westerse politici vinden het politiek opportuun om anti-zionisme te criminaliseren. Ze willen in de eerste plaats economisch protest tegen de apartheidspolitiek van Israel strafbaar maken. Zelf ben ik geen voorstander van economische boycott, om het even tegen welk regime. Het is een bot wapen dat gericht is tegen de machthebbers maar ook vele gewone mensen (Palestijnen inbegrepen) treft. Het getuigt echter van grenzeloze hypocrisie om deze vorm van protest in naam van de vrijheid en het anti-racisme te verbieden.

De logica van Macron en consoorten is even krom als simplistisch: wie tegen etnische zuivering is, wie zich verzet tegen kolonialisme, is een racist. Zoals Marx al opmerkte, de ideologie van de bourgeois zet de wereld op zijn kop.

 

March 1, 2019 at 7:53 pm 3 comments

DE TOEKOMST VAN ONS VERLEDEN

Door Gie van den Berghe

In Sapiens (2012) zette de spraakmakende Israëlische historicus Yuval Noah Harari uiteen hoe de onbetekenende apen die we zijn absolute heersers van de planeet aarde geworden zijn. In Homo Deus  (2015, HIER besproken) schatte hij de toekomstige evolutie van onze intelligentie en bewustzijn in. In 21 lessen voor de 21ste eeuw  belicht Harari hedendaagse evoluties die op vrij korte termijn mensheid en aarde bedreigen, en hoe daar mogelijk aan verholpen kan worden. 

Yuval Noah Harari

Yuval Noah Harari

We zitten in een hachelijke situatie, zoveel is duidelijk. De opwarming van de aarde veroorzaakt de ene na de andere milieuramp. Religieuze, ideologische, democratische en mensenrechtenverhalen hebben aan geloofwaardigheid ingeboet. Door de migratie richting rijke Westen en het mede daardoor opflakkerend ultranationalisme neemt de politieke onenigheid toe. Nog bedreigender vindt Harari de gecombineerde revolutie van informatie- en biotechnologie. Biologen ontcijferen onze hersenen, big-data-algoritmen doorgronden onze emoties, verlangens en gevoelens beter dan we zelf kunnen. Computers en robotten zullen almaar meer functies en beroepen van ons overnemen. Er dreigt een nieuwe klasse van ‘overbodigen’ te ontstaan. Als ‘het verouderingsproces vertraagd kan worden en ouders hun kinderen kunnen ‘upgraden’ zullen de superrijken ook nog eens creatiever, talentvoller en intelligenter worden dan de achterbuurtbewoners. De mensheid dreigt zich op te splitsen in ‘een kleine klasse van supermensen en een massale onderklasse van totaal overbodige homo sapiens’.

Harari loopt wat kunstmatige intelligentie betreft hopelijk iets te hard van stapel. Het is lang niet zeker dat machines de mens in ijltempo zullen voorbijsteken qua intelligentie, handelen en gezond verstand. Artificiële intelligentiesystemen kunnen, anders dan mensen, geen betekenis geven aan de input die ze verwerken en de output die ze voortbrengen. Ze begrijpen de situaties niet die ze meemaken. De door Harari bejubelde herkenning van gezichten en emoties bijvoorbeeld, loopt al spaak wanneer details als belichting of achtergrondkleur gewijzigd worden, iets wat mensen niet van de wijs brengt. Volg nooit blindelings je gps of je spraakprogramma! De gevolgen zijn doorgaans onschuldig maar kunnen rampzalig uitdraaien, bijvoorbeeld wanneer het automatisch landingsprogramma van een passagiersvliegtuig in de war geraakt door een zwerm spreeuwen en de piloten onvoldoende zijn opgeleid om het hoofd te bieden aan dergelijke noodsituaties. Bedenk ook dat artificiële intelligentiesystemen gehackt kunnen worden.

Harari denkt dat de mensheid alle onheil kan overleven als we onze angsten – voor anderen, voor opgeklopt terrorisme – onder controle krijgen; als we ons bewuster worden van onze privileges, religieuze en politieke vooroordelen en ons ook rekenschap geven van onze ‘ongewilde medeplichtigheid aan systematische onderdrukking’ en daar iets aan doen. Alleen dan kunnen we de handen wereldwijd in elkaar slaan, rest ons een toekomst. 

Koffiedik

21 lessen voor de 21steeeuw is zoals Harari’s vorige boeken een pageturner. De man is een hoogst origineel, messcherp denker en een begenadigd verteller. Zijn analyses van historische evoluties zijn zoals steeds verhelderend, maar waar de historicus – specialist verleden – zich aan toekomstvoorspellingen waagt, blijft het vaak bij intelligent koffiedik kijken, gissen en af en toe missen. 

Bij gebrek aan (toekomstige) bronnen en feiten denkt en voorspelt ook Harari voornamelijk vanuit de eigen mens- en wereldvisie. Centraal daarin staat dat mensen dieren zijn die in verzonnen verhalen geloven, ernaar denken en handelen. Religie, ideologie, humanisme, mensenrechten – noem maar op. Hoe simpeler het verhaal, hoe makkelijker het aanslaat. Beloftevolle verhalen heffen de existentiële eenzaamheid op, bedden je in iets in dat je overstijgt en met anderen verbindt, geven zin aan het bestaan. Wie gehoorzaamt aan paus, partijvoorzitter of Führer, wacht een betere toekomst, een hemel op aarde of in het hiernamaals. Religie (afgeleid van het Latijn voor ‘verbinden’) is van oudsher het eenvoudigste en meest hoopgevende verhaal, ware het niet dat de gelovigen veelal te vuur en te zwaard anderen willen bekeren. 

Het liberale verhaal, de verheerlijking van de menselijke vrijheid, kon niet aan de absolute verwachtingen voldoen. Weliswaar hebben nooit eerder zoveel mensen zoveel vrede en voorspoed gekend, sterven er ‘minder mensen door infectieziekten dan van ouderdom, maakt honger minder slachtoffers dan obesitas en sterven er minder mensen door geweld dan door ongelukken’, maar onze planeet wordt nog steeds voor een flink deel overheerst door tirannen en zelfs in de meest liberale landen ‘hebben veel burgers te kampen met armoede, geweld en onderdrukking’. 

Veel mensen zijn, mede door de recente financiële crisis, teleurgesteld in het liberale verhaal. ‘Muren en firewalls raken weer volop in de mode’ en ‘er komt almaar meer verzet tegen immigratie en handelsovereenkomsten’. Niet bereid de privileges op te geven die we aan toevalligheden danken als geboorteland, sociale klasse of geslacht, trekken we ons als individu en natie meer en meer op onszelf terug. De wereld, het verhaal waarin we geloofden, klopt niet meer en er dient zich niet meteen een ander verhaal, een andere wereld aan.

Eigen haard

Goedaardig nationalisme, dat mensen verenigt, ontaardt steeds vaker in ultranationalisme, dat mensen verdeelt. Vanuit vermeende superioriteit van eigen natie en volk worden buitenstaanders ongenadig afgewezen. Onverdraagzaamheid, onenigheid en gewelddadige conflicten in plaats van de broodnodige mondiale samenwerking. 

Ook Israël heeft boter op het hoofd. Israëli’s krijgen al in de kleuterschool te horen dat het jodendom ‘de superster van de menselijke geschiedenis is’ (jodendom verwijst naar de joodse godsdienst; jood is een Jood die het joodse geloof aanhangt). Nogal wat seculiere Joden denken dat ze de ‘centrale helden van de geschiedenis zijn en dat het Joodse volk de ultieme bron van menselijke moraal, spiritualiteit en geleerdheid is’. Maar het jodendom en de Joden hebben een vrij bescheiden rol gespeeld in de wereldgeschiedenis. Bij vergelijking met universele religies als het christendom, de islam en het boeddhisme is het jodendom ‘altijd een tribaal geloof geweest’, bekommerd ‘om het lot van één klein volk en één klein landje’, met ‘weinig belangstelling voor het lot van alle andere volkeren en landen’. 

Volk

Het is best merkwaardig dat de anders zo sceptische Harari vasthoudt aan het bestaan van een Joods volk, los van religie en Joodse natie, Israël. Het blijft raden welk criterium hij hiervoor hanteert. Kan men van een volk spreken zonder een beroep te doen op natie of gemeenschappelijke genetische kenmerken? Een biologisch criterium voldoet niet, Joden hebben zoals andere volkeren, naties en ‘rassen’ geen gemeenschappelijk DNA. Ook een culturele omschrijving bevredigt niet want Joden hebben zich over de hele wereld verspreid en met vele culturen geassimileerd.

Het Joodse volk en de Joodse natie zijn ook relatief moderne verhalen of uitvindsels. ‘Nieuwe historici’ in Israël maken almaar duidelijker dat de Joden niet het volk zijn waarvoor ze zich uitgeven. Geen uit het beloofde land verdreven volk dat na tweeduizend jaar ronddolen (de diaspora) zijn land heeft heroverd. Dat is een door zionistische historici stukje bij beetje geconstrueerde stichtingsmythe (zie onder meer Schlomo Sand –Comment le peuple juif fut inventé,Paris, Fayard 2008). 

Harari beperkt zijn commentaar tot ultraorthodoxe joden. Over de Palestijnen schrijft hij dat ze constant in de gaten gehouden worden door ‘Israëlische microfoons, camera’s, drones of spyware’ en dat ons dat mogelijk ook te wachten staat. Over de verdrijving van de Palestijnen in 1948 en hun voortdurende onderdrukking rept hij met geen woord. Over de door Israël bezette gebieden schrijft hij alleen dat ze het land vooral opgezadeld hebben met een zware economische last en ‘fnuikende politieke risico’s’. Ook Gaza, het grootste concentratiekamp ter wereld, blijft onvermeld. Maar Harari heeft het wel even over (Palestijnse) ‘terreurcampagnes’. Uit een noot achterin blijkt dat hij hiermee op de Intifadas doelt. Maar dat waren volksopstanden, geen terreur. Verzet tegen een bezetter wordt alleen terreur genoemd door wie zich met die bezetter identificeert.

Raza al-Najjar, de medische helpster die midden 2018 door een Israëlische scherpschutter werd doodgeschoten.

Goed en kwaad

Volgens Harari is ultranationalisme geen onoverkomelijk probleem omdat nationalisme ‘pas de laatste paar duizend jaar is ontstaan – gisterochtend, in evolutionaire termen’. Het zit niet in de menselijke genen en er kan dus aan verholpen worden. Hoe dat moet gebeuren, maakt hij niet duidelijk.

De biologische gegevenheid van veel menselijke en sociale kenmerken loopt als een rode draad door het werk van deze historicus. Ook gevoelens zijn volgens Harari aangeboren en dus niet veranderbaar. Morele gevoelens als verontwaardiging, schuldgevoel en vergevingsgezindheid ‘komen voort uit neurale mechanismen die zijn geëvolueerd om samenwerking in groepen mogelijk te maken’. Dat er toch mensen bestaan ‘die moorden, verkrachten en stelen’, wijt Harari aan het oppervlakkig beeld dat ze hebben van de ellende die ze veroorzaken. Volgens hem stelen mensen ook zelden ‘als ze niet eerst een heleboel hebzucht en afgunst’ hebben opgebouwd ‘in hun hoofd’. Straatarme en schatrijke mensen denken hier vast anders over.

Volg je Harari dan bestaat er slechts één moraal. Dat is een veel voorkomende denkfout. Het Nederlands bijvoorbeeld kent geen meervoudsvorm van ‘moraal’ (al hebben we het wel over ‘onze moraal’ en ‘een dubbele moraal’). Dat terwijl morele systemen vanzelfsprekend cultuur-, klasse-, gender- en tijdgebonden zijn; dus meervoudig en onderhevig aan evolutie (denk aan de houding tegenover kinderen, vrouwen, zwarten, ras…). Maar aangezien elke moraal een instrument is ter bevordering van de sociale omgang, verschillen morele systemen niet alleen, ze hebben ook bepaalde gelijkenissen, zeg maar basisvoorwaarden om samenleven in groep mogelijk te maken. Ook ‘moralen’ zijn menselijke verhalen.

Wie stelt dat moraal (grotendeels) aangeboren is, ziet voorbij aan het feit dat ethisch bewustzijn en handelen voortvloeien uit, gebaseerd zijn op psychische vermogens als emotie en empathie. Die maken morele attituden en handelingen mogelijk, zonder ze daarom te garanderen of concreet in te vullen. Die invulling gebeurt in en door de omgeving waarin iemand terechtkomt en opgroeit. Iedereen groeit op in een beperkte sociale omgeving (kerngezin, buurt, school, streek…) en leert daarin hoe zich gedragen. ‘Goed’ gedrag – aan de sociale omgeving aangepast gedrag – en zelfbeheersing komt kinderen niet zomaar aangewaaid. Denk ook aan de zogenaamde wolfskinderen, verloren gezette en in het wild opgegroeide kinderen die een totaal andere, aan hun omgeving aangepaste moraal ontwikkelden (bijvoorbeeld Victor de l’Aveyron en Dr. Jean Itard, in 1970 door François Truffaut verfilmd als L’enfant sauvage).

Truffauts ‘enfant sauvage’

Paaseieren

‘Mensen’, schrijft Harari, ‘leren van kindsaf aan te geloven in het verhaal. Ze horen het van hun ouders, hun leraren, hun buren en hun cultuur in het algemeen, lang voor ze de intellectuele en emotionele onafhankelijkheid ontwikkelen die ervoor nodig is om vraagtekens bij zulke verhalen te kunnen zetten en ze te verifiëren’. ‘De meeste mensen’, vervolgt hij, ‘die op zoek gaan naar hun eigen identiteit zijn net kinderen die paaseieren gaan zoeken. Ze vinden alleen wat hun ouders voor ze hebben verstopt’. Alle verhalen, vervolgt Harari, zijn menselijke verzinsels en mensen geloven erin omdat hun identiteit errond werd opgebouwd. Waarom zou dit niet van toepassing zijn op morele systemen, attituden en handelingen?

Harari’s stelling dat de ‘menselijke moraal in de loop van miljoenen jaren is ontstaan en aangepast aan de omgang met de sociale en ethische dilemma’s die zich voordeden in het leven van kleine groepen ‘jagers-verzamelaars’, verklaart volgens hem ook dat we de relaties tussen miljoenen mensen niet meer kunnen overzien, waardoor ons ‘morele zintuig’ op hol slaat. Maar om dit te verklaren heb je geen biologisch gegeven, statische moraal nodig. Het spreekt voor zich dat mensen makkelijker verbanden in hun beperkte sociale omgeving kunnen overzien dan die op wereldniveau. Dat is nooit anders geweest. Maar door ontdekkingen en globalisering zijn mensen zich wel bewuster geworden van het onvermogen alles te overzien.

21 lessen voor de 21ste eeuw bevat veel behartenswaardige inzichten, maar het boek sprak me minder aan dan Harari’s vorig werk. Het lijkt haastiger, minder zorgvuldig geschreven en de auteur komt ook enkele in zijn voorwoord gedane beloftes niet na. Onbeantwoord bijvoorbeeld blijft hoe terrorisme en ultranationalisme aangepakt kunnen worden, hoe de liberale democratie verbeterd kan worden. Maar zoals uit het bovenstaande blijkt, biedt ook dit werk van Harari meer dan voldoende stof tot nadenken en discussie.

Yuval Noah Harari – 21 lessen voor de 21ste eeuw, Thomas Rap, 2018 – in een knappe vertaling van Inge Pieters

Dit artikel verschijnt ook in het aprilnummer van De Geus

January 9, 2019 at 5:42 pm Leave a comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,591 other followers