Posts filed under ‘Politiek Belgie’

2018…2019…en verder

Door Tom Ronse

Nee, een goed jaar was 2018 niet. Het was een jaar van samenpakkende donderwolken. Op alle vlakken: ekonomisch, ecologisch, politiek en sociaal.

Het werd pijnlijk duidelijk dat klimaatsverandering niet enkel voor onze kleinkinderen een probleem is. De mileurampen namen toe, ook in de VS waar de president te midden van de bosbranden en overstromingen bleef beweren dat er niets aan de hand is, dat er niets drastisch moet veranderen, dat er integendeel meer steenkool moet verbruikt worden. En de nieuwe president van Brazilie zet het licht op groen voor een kaalslag in het Amazonewoud. Hallucinant.

Wat er aan de oorzaken wordt gedaan is zo ridikuul weining in vergelijking met de omvang van de bedreiging dat men kan verwachten dat het weer dit jaar niet minder extreem zal zijn en misschien nog meer ontwrichtend.

Op sociaal vlak onhou ik in de eerste plaats de zichtbare groei van de kloof tussen rijk en arm. In New York zie ik bijna dagelijks meer bedelaars terwijl steeds meer glanzende torens de wolken krabben, met luxe-appartementen die soms voor meer dan honderd miljoen dollar verkocht worden. Dit voorjaar waren we in Los Angeles, waar de tentenkampen van daklozen tientallen kilometers voetpad in beslag nemen. Ook in Belgie groeide de kloof. Het aantal armen steeg er tot 17% van de bevolking. De rijkdom nam ook toe en de groep tussen rijk en arm wordt smaller. In armere landen gaat dat proces nog sneller.

De groeiende tegenstelling is een logisch gevolg van de supply side-bestrijding van de krisis. Massale geldcreatie was de motor van de heropleving van de wereldekonomie na “the great recession”. Het gros van die triljoenen ging naar de supply side: de bedrijven, banken en investeerders. Landen die het zouden wagen om de demand side te favoriseren riskeren kapitaalvlucht en galloperende inflatie. De ‘trickle down’-theorie werkte, in zekere mate. De heropleving duurt al relatief lang. Maar als de armoede en het gevoel van bedreiging en onzekerheid al tijdens de heropleving zo sterk stijgen, wat kunnen we dan verwachten als de ekonomie weer crasht?

Dansen op de slappe koord

De heropleving begon te sputteren in 2018. De groei vertraagde overal, behalve in de VS.

Groei in Europa 2018

Maar ook daar verliest de drug van goedkoop geld en fiscale cadeau’s stilaan zijn effect. Beleggers zoeken nerveus naar veiligheid met wilde beursschommelingen tot gevolg. De ‘opkomende landen’ die de eersten waren met wind in de zeilen liggen op apegaaien. De schuldenberg wordt te hoog, er moet worden afgeremd. De centrale banken staan voor een dilemma: ze moeten het lenen intomen, de prijs ervan verhogen maar dat riskeert de recessie in gang te zetten. Maar doen ze het niet, laten ze de rentevoet dicht bij nul, dan kunnen ze de recessie wel uitstellen maar die dreigt dan uiteindelijk veel dieper te worden. En dan kunnen ze de rente ook niet meer substantieel verlagen als de recessie tot een ineenstorting dreigt te leiden. Of ze er in 2019 in slagen om de recessieslang met virtuoze fluctuaties van de rentevoet in haar mand te houden, valt nog te bezien. China wankelt al op de slappe koord. Al de officiele pronostieken (van het IMF, de OESO, de Wereldbank etc) voorzien in 2019 een lagere groei dan in 2018. Nouriel Roubini, een van de enige ekonomen die de recessie van 2008 had voorspeld, verwacht een nieuwe recessie in 2020. Dat geeft ons nog even tijd. Maar om wat te doen?

Voor politici impliceert die ekonomische context zeer weinig manoevreerruimte. Toch op het vlak van beleid. Rethoriek is iets anders. Elk land is verplicht om zich aantrekkelijk te maken voor kapitaal. Kapitaal aantrekken en behouden is nodig om kapitaal te doen groeien, om winst te maken, om tewerkstelling te creeren. Daarover zijn rechts en links het eens. Hun dispuut gaat over de fiscale afroming, hoe groot die mag zijn en hoe de opbrengst moet besteed worden. Links wil de kloof tussen rijk en arm verkleinen, rechts wil de fiscale lasten verlagen. Ze leggen andere accenten maar de ekonomische realiteit maakt de verschillen steeds kleiner. Zelfs waar een linkse partij aan de macht komt zoals Syriza in Griekenland is die verplicht om een ‘rechts’ beleid te voeren: sociale uitgaven beknotten en het fiscaal regime aantrekkelijker maken voor kapitaalbezitters.

Globalisering, automatisering, bezuinigingen, als politicus – als manager of would-be manager van de staat – kun je daar niet tegen zijn. De noodzaak om kapitaal te doen groeien zet de grote lijnen uit. Politici lullen daar maar wat rond.

Dat laatste is natuurlijk overdreven. Scherpe tegenstellingen kwamen aan bod in 2018. Over Brexit bijvoorbeeld en over Trumps handelstarieven. Een no deal-Brexit of een escalatie van de handelsoorlog tegen China zou dit jaar de recessie in gang kunnen zetten. Ik vermoed echter dat de kans groot is dat de no deal op het laatste nippertje zal vermeden worden en dat Trump zal de-escaleren. Misschien is het zijn instinkt om roekeloos de inzet van zijn pokerspel met China te verhogen maar de kapitaalmarkt zou hem snel dwingen om in te binden. Dat heeft hij al vaak moeten doen. Onlangs nog, toen hij de onmiddelijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Syrië aankondigde. Die is intussen op de lange baan geschoven. Trump noemde Nafta – het vrijhandelsverdrag met Canada en Mexico – herhaaldelijk “het slechtste handelsverdrag uit de Amerikaanse geschiedenis” en sloot daarna een akkoord met de buurlanden dat Nafta impliciet herbevestigde, op enkele kleine wijzigingen na. Telkens wordt Trump door wat hij zelf “the deep state” heeft genoemd terug op “het rechte pad” geduwd als hij er te ver van afwijkt. Ook Brexit en de handelsoorlog met China zullen in 2019 wellicht meer spektakel dan echte verandering blijken.

 

De zondebok

Ekonomische krisis en klimaatrampen staan voor de deur. Noch links noch rechts heeft een oplossing. Wat de klimaatkrisis betreft steekt rechts zijn kop in het zand, terwijl links ijvert voor akkoorden die zand in de wind blijven. Ook op ekonomisch en sociaal vlak hebben ze geen echt alternatief. Ze willen uitgaven A verhogen en uitgaven B verlagen en omgekeerd, alsof dat iets wezenlijks zou veranderen.

Je zou denken dat het gebrek aan keuzemogelijkheden zou leiden tot roerende eensgezindheid tussen de politici maar het tegendeel is waar. De toon van het politiek debat is in 2018 nog bitsiger geworden. Nog harder, nog leugenachtiger. Net omdat er geen wezenlijke verschillen zijn wat het essentiële sociaal-ekonomisch beleid betreft, worden de symbolische verschillen extra in de verf gezet. In 2018 en ongetwijfeld ook dit jaar werd/wordt daarvoor vooral het thema immigratie gebruikt.

Niet dat immigratie geen echt probleem is. Het feit dat zoveel mensen ertoe gedreven worden om hun vertrouwde omgeving te verlaten en bereid zijn om de grootste gevaren te trotseren om ergens te geraken waar ze enige hoop op een toekomst kunnen hebben, geeft aan hoe ellendig en uitzichtloos het leven op veel plaatsen op aarde is geworden. Dit gebeurt, onder meer, net omdat de ekonomie zo efficiënt is: dankzij de automatisering en de globalisering vereist produktie steeds minder arbeidstijd, worden steeds meer mensen “overbodig”. Natuurlijk is er een aanzuigeffect dat “overbodigen” – de meest ondernemenden onder hen – naar de landen lokt waar het kapitaal geconcentreerd is; waar er nog vraag is naar arbeidskracht.

Maar in feite bestaat er ook over dit probleem een brede consensus tussen rechts en links. Beiden aanvaarden de noodzaak van een gecontroleerde immigratie. De westerse ekonomie heeft immigranten nodig maar met mate. Iedereen is tegen open grenzen en, in theorie, tegen de mishandeling van vluchtelingen. Dat er binnen die consensus verschillen bestaan over wat dat in de praktijk betekent, is ongetwijfeld waar. Maar de grote lijnen zijn uitgezet.

De liberale demokratie is het politieke spiegelbeeld van de vrijemarkt-ekonomie. Grote en kleine bedrijven concurreren voor dezelfde markt, dezelfde kiezers. Ze verkopen ideologie, sentiment en personaliteiten. Ze verkopen een merk. De kleinere bedrijven zoeken hun niche. Ze willen allemaal in de eerste plaats groeien, net als gewone bedrijven. Daartoe sturen ze voortdurend hun profiel bij. De versmalling van de verschillen ten gronde doet hen grijpen naar symbolen met een sterke emotionele resonantie. Het immigratie-debat is daar zeer geschikt voor. Het wekt hevige emoties op die het kiesgedrag in niet geringe mate kunnen bepalen. Ik stel me voor dat Kongresleden in de VS of partijbureau’s in Belgie van hun pollsters een grafiek hebben gekregen die er bijvoorbeeld zo uitziet:

(De lijn “A” drukt de empathie voor immigranten uit, de lijn “B” de angst voor immigranten en de kurve het aantal stemmen dat men kan verwachten.)

Op basis daarvan kunnen ze hun slogans en symbolen kiezen. Niets illustreert het symbolisch karakter van hun geschillen beter dan de huidige politieke impasse in de VS over de muur van Trump. Voor de ongedocumenteerde immigranten zou die muur slechts één obstakel meer zijn in hun hindernissenkoers. Een ladder van 25 dollar volstaat om die klus te klaren, zoals de Mexicaanse oud-president Vicente Fox opmerkte.

Om het zogezegde doel – de illegale immigratie stopzetten – te bereiken is het een bijzonder inefficiënt middel. Voor de Amerikaanse ekonomie is dat maar goed ook want ze heeft de ongedokumenteerden nodig. Trump heeft zelf ongedokumenteerden in dienst in de keukens en op de terreinen van zijn golfclubs in Florida en New Jersey. Maar de muur is een symbool dat zegt, eigen volk eerst, vreemdelingen buiten. De muur evokeert bescherming, tegen de buitenwereld, tegen een onzekere toekomst. De muur is een vuist, een bokshandschoen, een monument voor blank Amerika. Een thermometer die de angst voor de toekomst meet.

Pieter Breugel: Met den hoofde tegen den muer

De gedeeltelijke lamlegging van de publieke sector als gevolg van dit dispuut zal de Amerikaanse ekonomie weldra meer kosten dan de 5,7 miljard dollar die Trump voor zijn muur eist . 1   Dat de Demokraten desondanks het been stijf houden toont dat de muur – die in het totaal van de begroting maar een detail is – ook voor hen een belangrijk symbool is dat hen toelaat om zich te profileren en waarden te afficheren die voor een groot deel van de bevolking belangrijk zijn: anti-racisme, empathie voor vluchtelingen, etc.

Een soortgelijk symbolisch gevecht over een niet-bindend migratiepakt leidde in België tot een regeringskrisis. Je vraagt je af of dat ook zou gebeurd zijn als die VN-conferentie in plaats van in Marrakesh in Oslo zou zijn georganiseerd.

Ik beweer niet dat symbolen geen belang hebben. Ze manipuleren de gedachten. Ze spinnen een verhaal waarin mensen willen geloven. Er bestaat een breed en diep verlangen naar een breekpunt met de status quo, naar een andere toekomst dan deze die ons te te wachten lijkt te staan. Politici hebben op dat vlak niets te bieden. Ze hebben geen plausibele strategie om uit de systemische krisis te ontsnappen. Geen wonder dus dat de tendens toeneemt om dat verlangen een mikpunt te geven, een zondebok die in de woestijn kan worden gejaagd en alle zonden met zich meeneemt. Immigranten, vooral deze met een andere huidskleur, taal en religie, zijn ideaal voor die rol.

Het is een discours dat ons leert denken in termen van “ons volk” en “de vijand”. Het is impliciete oorlogsvoorbereiding. “You will not replace us !” scandeerden Trump-fans op rechtse betogingen. Sommigen onder hen maakten daar “Jews will not replace us” van. De identiteit van de vijand kan veranderen – China maakt wat dat betreft meer kans dan de joden – maar het verhaal blijft hetzelfde.

Het doel van de politici die dit discours hanteren is uiteraard de macht veroveren en de bevolking ideologisch aan zich binden zodat ze hun gang kunnen gaan. Viktor Orban, zowat de extreemste anti-immigrant onder de Europese leiders, dacht dat hij daar zo goed in geslaagd was dat hij de Hongaarse arbeiders dwangarbeid kon opleggen. Het massale verzet dat tegen zijn “slavenwet” rees, was een van de weinige lichtpunten van 2018. Of dat verzet voldoende massaal en radikaal is om Orban te doen terugkrabbelen, valt nog te bezien.

Lichtpunt

Een groter lichtpunt was de (nog steeds niet uitgedoofde) beweging van de “gele hesjes”. De werkende bevolking ligt al vele jaren zonder al te veel tegen te stribbelen onder de stoomwals van het “neo-liberalisme”, een politiek gedreven door het systematisch zoeken naar lagere loonkosten. De Gele Hesjes-beweging is in de eerste plaats een massale weigering om die situatie te blijven ondergaan.

Zoals alle belangrijke sociale bewegingen is ze spontaan ontstaan. Geen partij of vakbond had ze voorzien of georganiseerd. Van bij het begin verzetten de gele hesjes zich tegen inmenging of controle van deze instituties. Ze tolereren geen leiders die in hun naam spreken en onderhandelen. Ze hebben voor Macron gestemd, of voor Le Pen of Melenchon, maar in hun acties maakt dat geen verschil. Hun strijd is niet “demokratisch”, hij is een afwijzing van electorale strategieen. Dat heeft hij gemeen met de pleinbezettingsbewegingen van de Indignados, Occupy Wall Street en, meer recent, Nuit Debout. Maar de Gele Hesjes-beweging is veel massaler. In hun honderden, zoniet duizenden wegenblokkades, betogingen en andere akties, ontdekten de gele hesjes banden van solidariteit. Mensen kwamen in hun buurten samen met anderen die ze vroeger negeerden. Er werd een eenheid gesmeed, ondanks de soms aanzienlijke verschillen in sociale achtergrond en politieke opinies.

De brandstoftaksen waren enkel de vonk aan de lont. Het gaat om veel meer. Er werd gezegd dat de gele hesjes zich enkel bekommeren over “einde van de maand”- problemen (koopkracht) terwijl de brandstoftaks was opgelegd uit bekommernis voor “het einde van de wereld”. Maar in Parijs en andere steden vervoegden de gele hesjes de “mars voor het klimaat”. Een grote spandoek verkondigde: “Einde van de wereld, einde van de maand: verander het systeem, niet het klimaat.” Beide problemen resulteren van dezelfde logica die mensen reduceert to handelswaar en winst het enige objektief maakt van alle produktieve aktiviteit.

En de “casseurs”? Die doen soms domme dingen en vaak proberen de minder heetgebakerde gele hesjes hen in te tomen. Maar de hesjes zien ook het geweld van de andere kant en in de konfrontaties met de “ordestijdkrachten” zijn de casseurs bij de dappersten. De regering en de gezagsgetrouwe media gebruiken hun excessen om de hele beweging voor te stellen als een bende ‘relschoppers’ (een favoriete term van onder meer De Morgen), geinspireerd en opgestookt door uiterst rechts. Maar intussen blijft de grote meerderheid van de bevolking volgens de polls de beweging steunen.

Natuurlijk zijn er onder de gele hesjes mensen die rechtse ideeen koesteren, die bvb. immigranten buiten willen. De gele hesjes zijn in dit conflict gesprongen met al de ideologische bagage die ze al hadden. De gezamenlijk strijd verandert die wel maar we mogen geen mirakel verwachten. Zeker als die strijd afzwakt – wat nu lijkt te gebeuren – zal de aanwezigheid van uiterst rechts en uiterst links wellicht prominent worden. Voor elk valt er wat te rapen als het doodbloeden van de strijd teleurgestelde gele hesjes terugdrijft naar de elektorale arena.

Is het sop de kool waard? Wat zal de beweging bereikt hebben? Konkreet niet veel, vrees ik. Maar toch was – is – het misschien een niet onbelangrijke stap naar een betere wereld. Dat is wat de gele hesjes willen. Een betere wereld, een wereld voor de mensen. Ze weten niet hoe er te geraken, ze weten alleen dat de huidige weg niet deugt. Dus waren ze eerlijk toen ze geen specifieke eisen stelden, behalve het ontslag van Macron (dit laatste alweer voor de symboliek, niet omdat dat iets zou veranderen). Maar op vele honderden gele hesjes-bijeenkomsten werd er druk gediscussieerd over hoe de wereld anders georganiseerd zou kunnen zijn. Allerlei ideeen deden de ronde en de populairste (“meer referendums!”) waren niet noodzakelijk de beste. Maar op zijn minst probeerden ze wat we , in 2019 en verder, collectief moeten doen om te overleven: ons een andere wereld inbeelden.

 

1 Het feit dat zovele werknemers zo snel beroep moesten doen op food banks en andere liefdadigheid illustreert overigens goed wat we eerder schreven over de groeiende kloof tussen rijk en arm en de toegenomen schuldenlast van de consumenten.

January 19, 2019 at 7:16 am Leave a comment

BIJ DE VAL VAN EEN REGERING

Door Johan Depoortere

De persconferentie van Bart De Wever gisteravond (zaterdag 8 december 2018) gaf ons een inzicht in wat we de komende maanden kunnen verwachten. De Wever toonde zich in zijn favoriete rol van slachtoffer, Calimero: “Niet wij hebben de val van het kabinet veroorzaakt, wij worden eruit geduwd omdat ons geen gezichtsbesparend compromis in de kwestie van het immigratiepact werd gegund.” Dat is een merkwaardige omkering van de feiten. De NVA-ministers in de regering Michel – die voortaan Michel 1 zal heten – hebben tot na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober met geen woord voorbehoud gemaakt bij de afspraak om dat fameuze pact goed te keuren. Sterker: begin oktober nog vond het kabinet van minister van Binnenlandse Zaken Jambon dat het pact gepromoot moest worden bij ”derde landen” omdat de tekst het terugsturen van migranten zonder verblijfsvergunning makkelijker zou maken. (http://www.standaard.be/cnt/dmf20181129_03998994.

De magere resultaten van de gemeentraadsverkiezingen voor de NVA en het succes van het Vlaams Belang deden de partij van de Wever naar de noodrem grijpen. En wat is beter om het twijfelende kiespubliek te bewerken dan een portie angst voor de vreemdeling, de chaos, de “overrompeling van onze grenzen.” Het voorbeeld van Wilders, Baudet, Orban en Salvini wenkt: rechts populisme zit in de lift en de NVA ziet haar kans schoon om op die golf mee te surfen. Een walgelijke leugencampagne tegen het migratiepact was nog maar het begin. Ja de campagne werd vrijwel onmiddellijk offline gehaald (en prompt overgenomen door De Winter) maar de boodschap was intussen overgekomen. Kijk naar de vele reacties op Facebook en je merkt dat het hondenfluitje gehoord is door wie het moest horen: Marrakesh = de grenzen open en de “invasie” van vluchtelingen en “gelukzoekers.”

Op zijn persconferentie ging De Wever op dat elan verder. De verkiezingscampagne is begonnen en de grote leider bracht behendig maar niet zo subtiel het codewoord aan: Marrakesh. De coalitiepartijen die doorgaan in dit kabinet zijn de “Marrakeshpartijen” en de regering de “Marrakeshregering.” Je kunt er donder op zeggen dat het de komende weken en maanden tot walgens toe zal worden herhaald. Niet gehinderd door enige verantwoordelijkheid zal Theo Franken zijn inwendige twitterende Trump ongeremd loslaten. De twee persona’s in De Wever zullen moeten kiezen tussen de burgemeester van Antwerpen die wil besturen met de vermaledijde socialisten en de partijvoorzitter die voluit wil gaan in het opbod met de extreem-rechtse concurrentie.

Een andere uitspraak van De Wever gisteravond verdient meer aandacht dan ze tot nu toe in de media heeft gekregen. “Het parlement is vóór Marrakesh, de bevolking is tégen,” beweerde de NVA-voorzitter, annex burgemeester, annex volksvertegenwoordiger. Dat is rechts-populisme pur sang. Niet alleen liet De wever na duidelijk te maken hoe hij dat wist, hij herhaalde wat zijn voorbeelden Orban, Wilders en Le Pen voortdurend erin hameren: “Niet de elite van verkozen politici weet wat het volk wil, wij weten dat.” Het zal in alle toonaarden tussen nu en de verkiezingen in mei gezongen worden.

De Belgische regering is gevallen, met of zonder zal het Global Compact for Migration worden goedgekeurd en internationaal de basis vormen voor samenwerking op het vlak van migratie. Dat is een goede zaak al hoeven we er geen wonderen van te verwachten. Niet één migrant/vluchteling zal door deze internationale intentieverklaring méér of minder naar Europa komen. Maar de discussie over het pact binnen het kabinet en in het parlement was verworden tot een pure symbolenkwestie waar de inhoud met al zijn nuances ver naar het achterplan was gedreven. De regering is niet gevallen over de dringende problemen van deze tijd: de klimaatcrisis, onze dichtslibbende wegen, betaalbare gezondheidszorg, energievoorziening en nog veel meer. Dat Michel 2 deze problemen zou aanpakken lijkt helaas alles behalve waarschijnlijk.

Voor wie het zou interesseren, dit is de volledige tekst van het Global Compact for Migration.

December 9, 2018 at 12:00 pm 3 comments

GENT 1969

Door Tom Ronse

Ik kon niet aan de verleiding weerstaan. Na de bijdragen over Brussel 1967 en Antwerpen 1968, hier een persoonlijke terugblik op Gent 1969.

Tweede van rechts op de foto: de schrijver van dit stuk, na ontvangst van een rake klap op het achterhoofd

In vergelijking met mei 68 was de Gentse maart 69 natuurlijk klein bier. Een studentenstaking die zich snel uibreidde maar lang niet algemeen was. Betogingen, confrontaties met de politie, de bezetting van een faculteitsgebouw, dagelijkse volksvergaderingen, veel discussies en werkgroepen, een massa-arrestatie, dat was het zo ongeveer… en dan begon de blok en was het voorbij. Wat niet belet dat er heethoofden rondliepen die verkondigden dat de revolte een “generale repetitie” voor de revolutie was.

Ik was een eerstejaarsstudent, een dorpsjongen die met hoog gespannen verwachtingen naar de ‘grote’ stad Gent was gekomen. Ik hunkerde naar vrijheid, liefde, sex, drugs, naar vrienden om samen te vechten tegen onrecht, naar kennis en kunst. De eerste maanden vielen nogal tegen. Gent bleek niet de bruisende stad die ik gedroomd had. Gent was een vuile stad. Zelfs de mooiste gebouwen oogden zwart. Zwarter nog was het stinkende water. Dood water. De stad zelf leek me dood in de weekends, als de meeste studenten naar huis waren. Dat kwam natuurlijk omdat ik de stad niet kende en enkel met soortgenoten omging. Ik was teleurgesteld. De cursussen waren saai, de meisjes onbereikbaar en dat strijden tegen onrecht nam ook geen vaart. Maar dat veranderde op 13 maart.

Censuur!

Ik had toen een job in het studentenrestaurant ‘de Brug’. Toen ik die namiddag van mijn werk kwam, zag ik commotie aan de ingang van het rectoraat, dat vlakbij de Brug is gelegen. Er stonden politiewagens en daarrond had zich een menigte verzameld. Ter plaatse vernam ik dat studenten het rectoraat hadden bezet uit protest tegen de beslissing van rector Bouckaert om een voordracht over “zin of onzin van de pornografie” te verbieden 1. De rector had geweigerd om hen te ontvangen en had de politie gebeld. Die had een deel van de bezetters buiten gebezemd maar een ander deel had zich verschanst in het kantoor van de rector die zich doodsbang onder zijn bureau had verborgen. Intussen groeide de menigte voor het rectoraat. Een trotskist liep voor de eerste rij met een megafoon. Hij riep ons in schoon westvlaams op om niemand te laten wegvoeren. Als de politie met arrestanten buiten kwam moesten we massaal naar voor stormen om de weg naar de dievenwagen te versperren. Dus dat is wat ik deed. Maar niemand volgde. Ik werd neergeknuppeld en bij de andere arrestanten gegooid. De massa week braaf uiteen om plaats te maken voor de politie.

Tot mijn verwondering waren we slechts met drie. We werden opgesloten in de stadsgevangenis, het “Rolleke”. Elk in een afzonderlijke cel. Daar ontdekte ik voor het eerst dat ik aan claustrofobie lijd. De cel had geen venster, je kon niet zien of het dag of nacht was. Het licht was altijd aan. Ik kon niemand horen en niemand hoorde mij. Ik kreeg een deken maar geen matras. De grauwe muren waren bekrast door mijn voorgangers; er waren donkere vegen waarvan mijn angstig brein vermoedde dat ze met stront waren gemaakt. Echt middeleeuws. Mijn mede-arrestanten Jan en Jantje bleven nog een hele tijd gevangen maar ik werd na 24 uren vrijgelaten – men kon me enkel “weerspannigheid” ten laste leggen. Meteen werd ik meegetroond naar de intussen bezette Blandijnberg. Toen ik de massa in het tot de nok gevulde mega-auditorium E moest toespreken schoten de tranen me in de ogen. Dat het verzet zo’n omvang zou nemen had ik in mijn cel niet durven dromen.

studentenbetoging op het Sint Pietersplein

Het kwam niet uit de lucht gevallen. De studentenopstanden in Leuven, Frankrijk, Amerika en elders waren inspirerend. ‘Begeerte had ons aangeraakt’. Anders dan in Leuven had de beweging in Gent van in het begin niets met vlaams nationalisme te maken. Ze begon als protest tegen censuur, betutteling, beknotting van de meningsuiting maar werd snel ruimer. Kritiek op de ondemocratische universitaire structuur werd kritiek op de rol van de universiteit in de maatschappij, wat leidde tot het in vraag stellen van het doel van de maatschappij, van het kapitalisme. Natuurlijk ging lang niet iedereen zo ver mee maar de beweging kon blijven rekenen op brede steun onder de studenten. De enige oppositie kwam van KVHVer Vic Van Branteghem, een eenzame man met stalen zenuwen. In de bezette Blandijnberg keurden volksvergaderingen radikale eisen goed terwijl in de kleinere lokalen allerlei werkgroepen uit diverse faculteiten thema’s zoals ‘universiteit en industrie’ uitdiepten en de inhoud en vorm van hun opleiding bekritiseerden.

Jachtscènes

De beweging had geen officiele leiders maar toch was het meestal hetzelfde duo dat de volksvergaderingen op sleeptouw nam: de trotskist Eric Corijn en de maoist Ludo Martens, de laatste een grote fan van de massamoordenaar Stalin. Dat die twee strekkingen zo’n dominante invloed hadden zegt wel iets over de sfeer van toen. Maar ze konden elkaar niet luchten. Ze waren concurrenten voor dezelfde markt. Corijn was een vlotte redenaar maar Martens had meer charisma. Hij kon een auditorium in vuur en vlam zetten.

Martens in auditorium E

Aanvankelijk was dat niet moeilijk. De beweging werd gestuwd door verontwaardiging over repressie. Verontwaardiging over het verbod van de rector, over de arrestatie van studenten, over de repressie van betogingen, over de aanhouding en uitsluiting van de als leider gebrandmerkte student Renaat Willockx… De halsstarrigheid van de rector en raad van beheer en het harde optreden van de politie en rijkswacht hadden het omgekeerde effect; ze wakkerden het enthousiame aan. We konden de Blandijnberg overdag niet verlaten om te betogen of ze stonden klaar, matrak in de hand. Om hen te omzeilen vertrokken we in kleine groepjes die samenkwamen in de Veldstraat waar we betoogden en pamfletten uitdeelden. De politie kwam erachter en probeerde ons weg te knuppelen wat tot chaos leidde in de drukste straat van Gent. De studenten vluchtten in de winkels. De jachtscènes in de Grand Bazar zouden niet misstaan in een komische film.De mond-aan-mond-navertelling die ook voor de ‘sociale media’ al bestond, maakte ze nog kleuriger.

Confrontatie aan de ingang van de Blandijnberg

Maar als er niets gebeurde, verslapte de participatie. Ik herinner me een volksvergadering waar het revolutionaire vuur op een laag pitje brandde. Het was al laat, mensen begonnen naar huis te gaan. Dan lanceerde Martens (of was het Corijn?) een rekwisitoor tegen de media die onze strijd verzwegen of vervormden. Vooral de Standaard-kranten kregen er van langs. In de Savaanstraat, op een boogscheut van de Blandijnberg, was er een drukkerij van De Gentenaar. ‘Laat ons massaal naar daar gaan om die krant aan de kaak te stellen!’ En hup, er was weer een betoging vertrokken. Dit keer zingend: “De gazetten zijn de marionetten van het grootkapitaal…”

De arbeiders van de nachtshift die vers gedrukte kranten in vrachtwagens aan het laden waren, keken vreemd op toen we daar opdaagden. Ze accepteerden beleefd onze pamfletjes maar om te praten hadden ze geen tijd. Ze gingen voort met hun werk en wij keerden terug. En dat was dat.

“Een dolk in de rug”

Toen ik in die periode met mijn vuile was naar het ouderlijke huis ging, vond ik mijn moeder in alle staten. Ik was bang dat ze een hartaanval zou krijgen. De rector was haar oom, haar geliefde nonkel Jan, bij wie ze vaak op vacantie was geweest, in zijn kasteeltje in Vinderhoute. De man was diep geschokt en had zijn beklag gedaan. De studenten hadden hem in zijn kantoor naar het leven gestaan, zo beweerde hij, en ze hadden hem zaken doorgestoken die ze alleen van zijn familieleden konden weten. Dat zijn eigen familieleden tot die bende behoorde, hij kon het niet geloven. Ik had hem “een dolk in de rug gestoken” zo had hij tegen mijn oma gezegd. Mama schold en jammerde alsof er in haar rug ook een dolk zat, ook al geloofde ze me wel dat ik niets over nonkel Jan zijn privé-leven wist en er dus ook niets over had kunnen vertellen.

Het zou nog erger worden. In de nacht van 20 maart werden niet alleen ik maar ook mijn broer en mijn zus gearresteerd. Samen met pakweg 700 anderen.

Rijkswachters aanvalsklaar op de Kouter

De autoriteiten hadden besloten dat het genoeg was geweest. In het holst van de nacht werd de Blandijnberg door de rijkswacht ontruimd. Alle bezetters werden opgesloten in de rijkswachtkazerne. We werden niet geisoleerd, wat die tweede arrestatie veel gezelliger maakte dan de eerste. Er werd gelachen en gezongen. Toen ik in de ochtend vrijkwam begaf ik me naar de Brug, waar studenten samenkwamen om hun strategie te bespreken. Daar zag ik voor het eerst Paul Goossens, voor wiens vrijlating ik als scholier betoogd had zonder goed te weten wie die Goossens eigenlijk was. Later, toen hij mijn chef was bij De Morgen, leerde ik hem beter kennen. Goossens vond dat we grote ruchtbaarheid moesten geven aan de de gebeurtenis van de vorige nacht. De witte muur tussen het rectoraat en de straat stak zijn ogen uit. Een ideale canvas, vond hij. Hij stelde voor om op die muur “Vannacht: 725 aanhoudingen!” te spuiten2. Iedereen vond dat goed maar niemand wou het doen. Dus deed ik het. Wat niet verstandig was want een derde arrestatie zou me wellicht slecht bekomen zijn. Ik beefde zo erg dat de letters raar kronkelden maar allee, het stond er op. Ik was zo bang dat ik daarna meteen terug naar de Brug rende en me daar in een kast verborg.

De rest was anticlimactisch. Er waren nog enkele massale protesten, zoals op 28 maart toen ik en zestien andere rebellen voor een soort universitaire rechtbank moesten verschijnen. Maar dan maakte examenkoorts zich van de studenten meester.

“ ’t is maar een begin”…

“ ‘t Is maar een begin, wij gaan voort met de strijd”, was wellicht de meest gescandeerde slogan tijdens de maartse rellen. De strijd werd inderdaad voortgezet -de Gentse universiteit bleef het toneel van relatief veel radikaal studentenaktivisme in het daarop volgende decennium – maar werd nooit meer zo massaal.

Vormelijk is er sindsdien veel veranderd. Het stugge conservatisme van de academische en politieke overheden heeft plaats gemaakt voor een intelligenter beheer dat masseert en inkapselt in plaats van te antagoniseren. Inhoudelijk is er minder veranderd. De universiteit plooit zich meer dan ooit naar de noden van het industriekapitaal en de studentenmassa lijkt zich daar minder om te bekreunen dan vroeger.

Op een website van de universiteit (vakgroep geschiedenis) schrijft historica Fien Danniau: Na het orgelpunt van maart 1969 verschuift de belangstelling van het studentenengagement geleidelijk. Het discours rond maatschappij en kapitalisme maakt plaats voor meer specifieke maatschappelijke vraagstukken als de wapenwedloop, atoomenergie, milieuvervuiling, racisme, abortus en de emancipatie van arbeiders, vrouwen en holebi’s.”

Maar vandaag lijkt er ook rond die thema’s weinig te gebeuren aan de Gentse universiteit. En met alle respect voor de passie van mensen die over deze en andere deelaspecten actie voeren, is het niet meer dan tijd om de grondslag van de maatschappij in vraag te stellen? Ondanks onze naiviteit stonden we daaromtrent in 1969 toch een stapje verder.

1 In feite had de rector enkel verboden om illustratiemateriaal te tonen .

2Het precieze cijfer herinner ik me niet. Misschien waren het er minder, misschien meer.

 

October 28, 2018 at 3:27 am Leave a comment

MEDIA EN POLITIEK

Door Johan Depoortere

Doen de media aan politiek? Dat zal wel zijn: daar waar de politiek tekort schiet vervullen de media hun essentiële taak en dat is de klok te luiden over toestanden die de samenleving aanbelangen. Is dat politiek? Wel zeker als je ervan uitgaat dat politiek zowat alles is wat samenleven ten goede of ten kwade beïnvloedt. Is het niet opvallend dat het de media zijn die in deze verkiezingstijden een aantal grote thema’s op het bord van de politici hebben gelegd en daarmee een noodzakelijk debat op gang hebben gebracht? Denk aan de commotie rond het extreemrechtse Schild en Vrienden, de neonazis op de Vlaams-Belanglijsten, en meest recent het schandaal van de sociale huisvesting in Gent. Allemaal thema’s die van het hoogste belang zijn in onze samenleving maar die onder de korenmaat waren gebleven had het van de campagnevoerende politici afgehangen. Ook het falende energiebeleid is grotendeels dank zij de media – en ongetwijfeld tot ongenoegen van de beleidsmakers – onder de aandacht van het grote publiek gekomen.

Rik Van Cauwelaert opperde in zijn commentaar op de campagnegebeurtenissen van de dag dat de media de laatste tijd de geliefkoosde boksbal lijken te zijn van de politici die de burger smeken om zijn stem. Het is duidelijk waarom: hoe comfortabel zou het niet zijn als die vervelende journalisten- pottenkijkers de andere kant opkeken of er het zwijgen toe deden. NVA-voorzitter Bart De Wever gaf tijdens het openingscollege met de voorzitters in Gent zijn extreemrechtse collega Van Grieken gelijk toen die het de krant Het Laatste Nieuws kwalijk nam dat ze de neonazis op de VB-lijst met naam en foto had aangewezen. Let wel: foto’s van kandidaten die met alle mogelijke middelen campagne voeren zouden dus met de grootste discretie tegemoet moeten worden getreden. Het is veelbetekenend dat zowel Van Grieken als De Wever het in Keulen hoorden donderen toen ze via de media moesten vernemen dat Hitleraanbidders en antisemieten op hun kieslijsten prijken. Zonder Pano, Het Laatste Nieuws of Apache waren neonazis en aanhangers van Schild en Vrienden ongetwijfeld als normale mainstream kandidaten van NVA en Vlaams Belang aan de kiezer gepresenteerd.

Dat diezelfde Bart De Wever op gespannen voet leeft met publicates als De Standaard en met de openbare omroep is genoegzaam bekend. The press is the enemy zei Richard Nixon al en voor Trump zijn de media vijanden van het volk. De Wever lijkt er ongeveer ook zo over te denken. Hij deinst er niet voor terug om één bepaalde journalist, namelijk Bart Brinckman, openlijk tot vijand te verklaren en diens werkgever onder druk te zetten om hem te broodroven. Het zal de burgemeester van Antwerpen ook niet welgevallig zijn dat zowel De Standaard als de VRT zijn leugens en verdraaiingen over het zogenaamde Australische “immigratiemodel” hebben doorprikt en hebben aangetoond hoe dat “model” in werkelijkheid een afschrikwekkend voorbeeld is van onmenselijkheid en totale minachting voor de anders zo geprezen “waarden van de Verlichting.” Als de media de geliefkoosde boksbal van de politiek zijn is er maar één conclusie: dat ze deze keer althans doen wat van hen wordt verwacht.

October 3, 2018 at 9:27 pm 1 comment

JEF COECK 1942-2018

Het is mijn droeve plicht het overlijden te melden van vriend en collega Jef Coeck. Jef was een journalist in hart en nieren, een schrijver en taalvirtuoos. Zijn bijdragen aan het Salon van Sisyphus, de internetpublicatie die hij mee hielp oprichten, getuigen van zijn scherpe observatie en trefzekere verwoording.

Jef Coeck hoorde tot een generatie journalisten die de deuren en ramen opengooiden in de toenmalige verzuilde en gezagsgetrouwe Vlaamse media-omgeving: Frans (Sus) Verleyen, Johan Anthierens, Johan Struye, Walter De Bock, Paul Goossens, Piet Piryns, Herman De Coninck en vele anderen waren bij verschillende media voor kortere of langere tijd zijn collega’s. Zijn journalistieke zwerftocht voerde hem via de radio naar Knack, De Morgen en laatst De Tijd waar hij literaire recensies schreef. Hij was freelancer voor onder andere Vrij Nederland, Vara, Humo en IPS.

Hij begon zijn journalistieke carrière bij de radioredactie van de openbare omroep, toen nog BRT. Daar leerde ik Jef kennen als de Midden-Oostenspecialist en hij was mijn mentor bij mijn allereerste reportages in het gebied. Hij liet me gul gebruik maken van zijn vele contacten in Libanon waar hij een tijdlang correspondent was geweest. Daar had hij kennis gemaakt met het drama van de Palestijnen die in 1948 gevlucht waren voor de Zionistische terreur en in Libanon in miserabele omstandigheden in vluchtelingenkampen leefden. Die aandacht voor de andere kant van de Israëlisch-Palestijnse kwestie was nieuw in die jaren en ze werd hem bij de politieke zetbazen van de omroep niet in dank afgenomen. Het resulteerde in de innige vijandschap van onder meer toenmalig Antwerps socialistisch kopstuk Wim Geldolf.

Jef was er de man niet naar om onder politieke druk te beknibbelen op zijn oprechte overtuiging en zijn professionele journalistieke normen en hij ruilde in 1973 de vrij comfortabele positie van omroepjournalist voor het onzekere bestaan van de freelancer. Zijn tocht langs de in die tijd relatief nieuwe media (De Morgen, Knack) verliep niet altijd rimpelloos noch zonder conflicten. Maar voor Jef stonden journalistieke eerlijkheid en het zoeken naar waarheid boven carrièrezucht of zelfs bestaanszekerheid. Zijn belangstelling was ruim: van het Midden-Oosten tot Cuba, literatuur en muziek, maar ook de binnenlandse politiek en journalistiek bleef hij – ook na zijn pensioen – kritisch volgen. Hij zag met lede ogen hoe het Vlaams nationalisme van de bont gekleurde Volksunie vervelde tot de neoliberale en sociaal hardvochtige machtspartij van de Vlaamse nieuwe rijken. Zijn biografie van de veelzijdige en ruimdenkende nationalist Maurits Coppieters bleef helaas onafgewerkt maar krijgt hopelijk nog voltooiing op basis van het vele materiaal dat Jef klaar had voor de laatste hoofdstukken.

Het was geen geheim dat het de laatste jaren met de gezondheid van Jef de verkeerde kant op ging. Toch kwam zijn overlijden nog vroeger dan verwacht en gehoopt. Maar Jef had er vrede mee dat zijn einde was gekomen en hij verkoos een waardig en sereen afscheid boven een pijnlijk gerekte doodstrijd. We verliezen in Jef een gewaardeerde medewerker en criticus van het Salon, de blog waarin hij zijn journalistieke gedrevenheid kwijt kon en waarvoor hij andere getalenteerde medewerkers kon aantrekken. Ik zal bovendien zijn warme vriendschap missen, zijn soms wrange humor, zijn gevatte opmerkingen en zijn bon-mots. Hij laat zijn vrouw Miche, twee volwasssen dochters en een kleinzoon na. Het Salon deelt in hun rouw.

Johan Depoortere

9 april 2018

April 11, 2018 at 3:38 pm 4 comments

OPEN GRENZEN!

Tom Ronse

Niemand, ook niet ter linkerzijde, pleit voor open grenzen, lees ik herhaaldelijk in reacties op Bart De Wevers beruchte opiniestuk over migratie. “Misschien dat u hier of daar nog een overjaarse anarchist kan opduikelen maar dat is het dan ook”, aldus Louis Tobback in De Morgen. Noem me een overjaarse anarchist zo u wil maar hier volgt een dissonante noot in dat eenstemmig koor. Een pleidooi voor, onder meer,  open grenzen.

De Wever verwijt links hypocrisie maar hij is zelf hypocriet. Hij beroept zich op de ‘gouden regel’  -behandel je naaste zoals je zelf zou willen behandeld worden- maar voegt er snel aan toe: “Maar hoe nabij moet die naaste zijn?” Hij beweert “oprecht moreel mededogen” te voelen maar … ‘grenzen bakenen onze impliciete solidariteit af’. Mededogen dat stopt aan de grens is een pleidooi om mensen die vluchten voor oorlog en honger te laten verdrinken in de zee en op te sluiten in kampen en gevangenissen zoals nu al volop gebeurt. Het is helemaal geen mededogen. Barts vriendin heet Tina, kort voor “There is no alternative”.  Het verhaal: de harde Francken-politiek is de enige mogelijke, anders ontstaat er een aanzuigeffect dat ons zal overrompelen, dat chaos en sociale afbraak zal veroorzaken. Intussen helpt zijn partij de sociale afbraak organizeren. Uit mededogen met onze eigen landgenoten  ongetwijfeld.

Links replikeert dat er een gulden tussenweg is tussen het cynisch standpunt van De Wever en het utopisch lijkende idee van ‘open grenzen’. Volgens links is er wel degelijk financiële ruimte om een meer sociaal beleid te voeren, om vluchtelingen een menswaardige opvang te geven. Het aanzuigeffect kunnen we bestrijden door  de economische  ontwikkeling te bevorderen in de landen waar de migranten uit wegvluchten, door informatiecampagnes om hen te overtuigen dat hen hier ook alleen maar ellende wacht en door een buitenlands beleid te voeren dat oorlog ontmoedigt in plaats van zoveel mogelijk wapens te proberen verkopen en bommenwerpers naar het Midden Oosten te sturen.

Maar links maakt het er zich al te gemakkelijk van af. Laat ons iets verder kijken dan onze neus lang is naar de trends die de evolutie van de wereld bepalen en dus ook de kontekst van het debat over migratie.

 

Perfect storm

Ten eerste: automatisering. Die dient om arbeidstijd uit te sparen. Het kan dan ook niet anders dan dat veel arbeidspotentieel overbodig wordt. De informatica-omwenteling  integreert en stoot uit. Alles wordt deel van de globale markt, wat we consumeren is het product van een global assembly line. Tegelijk is er een uitstotingsproces: de global assembly line wordt steeds automatischer, steeds efficienter. Miljoenen worden ‘nutteloos’ en hebben niet langer een pre-kapitalistische economie om op terug te vallen. Dit is nu al de realiteit in vele landen in de periferie waar de effectieve werkloosheid meer dan 50 % bedraagt. Wat niet wil zeggen dat die al werklozen niet werken. Als je tien uur per dag aan een kruispunt snoep en sigaretten staat te verkopen heb je ook een zware werkdag.

Ten tweede: een nieuwe, diepe recessie is hoogstens enkele jaren ver. De schuldenberg zal blijven groeien. In het Engels zeggen we: they kicked the can down the road. Ze schopten het blik wat verder de straat op en deden alsof het weg was. De schulden groeien omdat er, globaal genomen, niet genoeg winst wordt gemaakt. Winstpotentieel bepaalt in onze maatschappij wat geproduceerd wordt. De schuldengroei is nodig om de boel draaiend te houden, om de winstmarge te onderstutten. Daarom hebben de financiële autoriteiten op de great recession van 2008 –die zelf door schuldenlast in gang werd getrapt-  gereageerd door vele biljoenen dollars, euros, yens, RMBs, etc. in de banken en grote bedrijven te pompen en door de rentevoet tot bijna nul te duwen. Dat laatste was een cruciale factor in de huidige heropleving (de zwakste weliswaar sinds de tweede wereldoorlog)  want de lage rentekost maakt krediet bijna gratis. Niet voor iedereen natuurlijk.  Maar rijken konden makkelijk rijker worden door spotgoedkoop geleend geld in de beurs te investeren. De regel – lage rente voor de rijken maar hoge rente voor de armen- is logisch, aangezien lenen aan armen een groter risico inhoudt. Dat geldt zowel voor individuen als voor landen. Het is dus ook logisch dat de kloof tussen rijk en arm steeds groter wordt. En dat landen een harde concurrentiestrijd moeten voeren om kapitaal aan te trekken, door hun sociale lasten te verminderen en fiscale premies te geven.

Maar onvermijdelijk komt ook de lage rente van de rijken onder druk te staan.  De spanning tussen de groeiende schuldverplichtingen en de dalende winstverwachting maakt dan een nieuwe inzinking onvermijdelijk.  Omdat de schuldenlast van bedrijven en regeringen nu veel groter is dan in 2008 zal de recessie wellicht dieper zijn.  Hoe ver de kettingreactie van failissementen zal gaan valt moeilijk te voorspellen. Maar zeker is dat, op alle markten, de zwakste concurrenten de hardste klappen zullen krijgen.

Ten derde: klimaatrampen zullen toenemen. Er iets wezenlijks aan doen kost te veel, dat wil zeggen, het is niet winstgevend. Aangezien de economie op winst en concurrentie gebaseerd is, kunnen we niets meer verwachten dan holle verdragen, en windmolens, zonnepanelen en electrische auto’s als pleisters op een etterend been. We weten heel goed dat een drastische globale verandering in productie en consumptie nodig is om te voorkomen dat de levens van miljoenen door klimaatverstoring zullen ontwricht worden maar we kunnen enkel handenwringend toekijken terwijl het drama zich ontvouwt.

Ten vierde: oorlogen zullen niet verdwijnen, integendeel. De ontwrichting, veroorzaakt door economische krisis en klimaatrampen,  schept opportuniteiten voor kleine en grote imperialisten, voor kriminelen, voor war lords en grootmachten. Droogte en overstromingen doen conflicten ontstaan over schaarse middelen.  Massale werkloosheid zorgt voor een overvloedig aanbod van kanonnenvlees.

 

Neem die vier factoren samen en je hebt het recept voor een perfect storm. Een storm die ook in de rijkere landen tot sociale afbraak zal leiden (om de winstmarge te onderstutten, om kapitaalvlucht tegen te gaan) en in de armere landen miljoenen zal doen vluchten. De gelijktijdigheid van de stijgende verarming en de komst van steeds meer migranten zal door rechts worden aangegrepen om het eerste voor te stellen als het gevolg van het tweede. Door het tweede te bestrijden zal men niet alleen de indruk wekken dat men iets doet aan het eerste maar ook kiezers  paaien die voor hun ontevredenheid een zondebok zoeken. Links, zo mogen we hopen, zal dat cynische spel niet meespelen. Maar het zal ook duidelijk worden dat links inderdaad geen alternatief heeft. Linkse regeringen zullen net als rechtse de sociale uitgaven verlagen en hardere maatregelen nemen om migranten buiten houden. Misschien minder extreem, meer druppels plengend op de gloeiende plaat, maar het verschil zal vooral rethorisch zijn. Kijk naar de linkse Syriza-regering in Griekenland, die doet in wezen niets anders dan de rechtse regering die haar voorafging: de bevelen van de kapitaalbezitters uitvoeren.

In Bart De Wevers opiniestuk krijg je de indruk dat die storm nu al woedt. In de filmversie stel ik me Bart voor, rechtstaande in reddingsboot “De Natiestaat”, met zijn roeispaan kloppend op de vingers van de drenkelingen die zich aan de bootrand vastklampen.  Links probeert hem in te tomen, bewerend dat er nog wel degelijk plaats is in de boot. Maar er zijn zoveel drenkelingen… de triage wordt steeds moeilijker. Geen van beiden vraagt zich af wat de storm veroorzaakt.

We zijn eraan gewend dat de economie, net als het klimaat, wordt voorgesteld als een kracht die ons van buitenaf overkomt. Die we wel kunnen proberen manipuleren maar waar we uiteindelijk aan onderworpen zijn. Dat bakent de politieke ruimte af, dat zet de parameters neer van het debat tussen links en rechts. We kunnen slechts doen wat de economie mogelijk maakt om te doen.  Als het slecht gaat, met de economie of het klimaat, kunnen we niets anders dan schuilen, wachten tot het overwaait en een traan plengen voor diegenen die geen schuilplaats vinden. We vergeten dat de economie door mensen wordt gemaakt en door mensen kan worden veranderd. Dat mensen kunnen beslissen om de economie te onderwerpen aan hun noden, in plaats van hun noden te onderwerpen aan de archaische spelregels van de economie. De sociaal-democratische opiumpijp fluistert dat we allebei tegelijk kunnen doen.

 

De fundamentele Tina

Dat is de kern van de zaak: de perceptie dat de huidige manier om aan de menselijke noden tegemoet te komen, de enige mogelijke is. Dat productie en consumptie wel moeten steunen op kopen en verkopen van arbeidstijd en van al de rest. Dat het hoofddoel van de maatschappij niets anders kan zijn dan kapitaal doen groeien, ongeacht de gevolgen voor het welzijn van de mensheid.  Want dat gedrag is ingebakken in de menselijke natuur, zoals  Adam Smith beweerde. Ook al is de door de markt georganiseerde economie nog maar enkele honderden jaren oud en ontstond ze slechts op één subcontinent, toch lijkt ze voor de eewigheid bestemd. Volgens Francis Fukoyama hebben we “het einde van de geschiedenis” bereikt.  Vanaf nu zijn enkel variaties op het vaste thema mogelijk.  Buiten dit kader is er niets, behalve  onefficiente  staatskapitalistische dictatuur. Dat is de ‘Tina’ waar rechts en links voor buigen. De gevolgen moeten we aanvaarden als  “het nieuwe normaal”, ook als een groot deel van de wereld erdoor dreigt te vergaan.

Een onbevooroordeelde buitenaardse bezoeker die onze wereld zou verkennen, zou ons gek verklaren. Hij zou het absurd vinden dat bij ons 81,2 procent van het globale inkomen naar de rijkste 20 procent van de bevolking gaat terwijl de armste 40 procent het met 3,8 procent moet stellen. En dat de rijkste één procent, wiens inkomen even groot is als dat van de armste 53 procent (3,5 miljard mensen), zij die meer bezitten dan wat ze in duizenden jaren zouden kunnen uitgeven, koortsachtig blijven streven naar meer bezit. En dat wij geloven dat die pathologische bezitsdrang noodzakelijk is om de maatschappij in stand te houden.

Hij zou niet begrijpen dat we onze ecologie kapot maken, dat we weten dat we het doen maar niet kunnen stoppen.

Hij zou onbeschrijfelijk veel pijn in onze wereld aantreffen en wat zijn hart zou breken is dat zoveel van die pijn vermijdbaar is.  Dat miljoenen omkomen door geneesbare ziekten, dat miljoenen van honger vergaan terwijl we gigantische hoeveelheden voedsel weggooien, dat miljarden in slums wonen terwijl wij, in plaats van hen huisvesting te geven, steeds meer wapens maken en hele steden verwoesten, dat bij ons de enen zich moeten kapot werken en de anderen gedwongen worden tot niets doen, dat onze economie met overproductie kampt terwijl de ongelenigde noden zo groot zijn…

En de enige uitleg die we hem zouden geven is alweer Tina, there is no alternative, iets anders kunnen we ons niet voorstellen.

 

Imagine

Een wereld zonder geld, zonder oorlogen, zonder criminaliteit, zonder honger, zonder grenzen, een wereld voor iedereen, dat tart de collectieve verbeelding. Alleen Tobbacks overjaarse anarchist gelooft dat het kan. En John Lennon, wiens anthem “Imagine” nog vaak gespeeld wordt. Maar misschien luistert men niet goed naar de tekst:

Imagine there’s no countries
It isn’t hard to do
Nothing to kill or die for
And no religion, too
Imagine all the people
Living life in peace…

Imagine no possessions
I wonder if you can
No need for greed or hunger
A brotherhood of man
Imagine all the people
Sharing all the world…

Is het echt onvoorstelbaar dat we samen, op lokaal en globaal vlak, zouden overleggen wat we maken en er voor zorgen dat niemand op aarde nog honger lijdt of verstoken blijft van ziektezorg, huisvesting en andere nodige voorzieningen, dat het natuurlijk milieu hersteld wordt, en dat we er een prioriteit van maken om produceren zo aangenaam mogelijk te maken?  Dat we dit kunnen zonder geld, zonder grenzen, zonder logge bureaucratie omdat mensen, bevrijd van de dwangbuis van geld verdienen en winst maken, een ongelooflijke creativiteit aan de dag zullen leggen? Dat vele miljoenen die nu hun bestaan als zinloos ervaren er heel veel zin in zullen krijgen?

Daar valt nog veel meer over te zeggen maar misschien heb je al hoofdschuddend geconcludeerd dat mijn visie radicaal, extremistisch  en utopisch is. Radicaal is ze zeker. Het woord komt, zoals Bart DW kan bevestigen, van het latijnse “radix”, wortel. Daar is het inderdaad waar het probleem zit, het volstaat niet om te proberen de rotte vruchten weg te snoeien. Extremistisch? Kijk om u heen: de extremisten zijn al aan de macht.  Utopisch? Is het niet eerder utopisch om te verwachten dat de huidige  maatschappijvorm zich eindeloos kan in stand houden, dat het zijn toenemende contradicties kan bllijven overleven?

Je mag me een dromer noemen, zong John Lennon.

 

But I’m not the only one
I hope someday you’ll join us
And the world will live as one

February 15, 2018 at 10:22 pm 6 comments

ANTISEMIET MAAR NIET VIRULENT

Door Johan Depoortere

Op indrukwekkende wijze werd in “De kinderen van de collaboratie” duidelijk gemaakt hoe jarenlang – tot voor kort nog – het collaboratieverleden van Vlaanderen toegedekt werd onder een dikke laag ontkenning, vergoelijking en wrok. Het levende voorbeeld daarvan kwam een week eerder aan het woord: Jan Tollenaere, de zoon van Reimond Tollenaere, de nazipropagandist uit Roeselare die met zijn retoriek duizenden jongerenen voor het Oostfront ronselde. Zoon Tollenaere noemde zichzelf “een antisemiet, maar niet virulent hoor!” “Niet virulent,” wat moeten we daaronder begrijpen? Misschien dat hij tegenstander is van gaskamers – maar niet fanatiek hoor! Misschien vindt hij alleen dat Joden beter zelf de beslissing nemen om op te rotten? Voor de rest is het natuurlijk helemaal geen problemen om Joden “parasieten” en “nare mensen” te noemen. Het taalgebruik van Tollenaere is een regelrecht copypaste uit “Der Stürmer,” met stip de hatelijkste propagandatool van de nazis.

In dezelfde aflevering van de “Kinderen van de collaboratie” was te zien hoe Bart De Wever, de sterke man van de NVA, ondubbelzinnig afstand nam van het naziverleden van de Vlaamse beweging en van zijn eigen familie. Dat was, erkennen vriend en vijand, een moedige daad ook al kwam die rijkelijk laat – meer dan 70 jaar na het einde van de oorlog. En dan is het nog zeer de vraag hoezeer deze breuk met het verleden in de rest van de partij is verteerd. Jan Tollenaere was tot een week geleden lokaal bestuurslid van de NVA in Turnhout. Pas na diens optreden in de ophefmakende televisiereeks kwam het tussen hem en de partijleiding tot “een goed gesprek” en pas dan bleek een bestuursmandaat in die partij niet te verzoenen met antisemitisme en nazisympathieën. Dat ruim twee maanden geleden dezelfde Tollenaere al in De Standaard eraan twijfelde of “Hitler een crimineel was” en openlijk zijn afkeer voor Joden en “negers” had geëtaleerd was tot dan blijkbaar geen probleem.

Het blijkt dus dat de “wrokcultuur” zoals de hardnekkige traditie in de Canvasuitzending werd genoemd een taaier leven leidt dan vaak wordt aangenomen. Het blijkt ook dat die traditie zich niet beperkt tot de harde kern van diehards in Vlaams Belang en andere extremistische splintergroepen. Het is nog altijd mainstream om de collaboratie weliswaar een “vergissing” te noemen maar eraan toe te voegen dat de Vlaamse nazis “hun redenen hadden” om zich te encanailleren met een misdadig regime. Als ook nu nog gemeentebesturen er geen graten in zien om straten te noemen naar een veroordeeld oorlogsmisdadiger als Cyriel Verschaeve, of als prominente partijleden aanwezig zijn op verjaardagsfeestjes van nazisympathisanten is er wel degelijk een probleem, ook in “fatsoenlijke” politieke formaties.

Nazipropagandist Cyriel Verschaeve.

In een uitzending van De Afspraak reageerde de Antwerpse schepen Claude Marinower sereen en waardig op de misselijk makende uitspraken van Tollenaere. De vader van Marinower was één van de vele slachtoffers van het door Tollenaere nog altijd aanbeden naziregime. Marinower is intussen schepen in een gemeentebestuur onder leiding van de NVA, een partij waarvan het DNA blijvend besmet is. Burgemeester De Wever mag dan al duidelijk afstand hebben genomen van het oorlogsverleden van zijn partij en familie, hij vond het in 2007 nog nodig om te protesteren toen zijn voorganger Patrick Janssens excuses aanbood voor de medewerking van de Antwerpse politie aan de uitroeiing van de Joden. “Misplaatst en gratuit” noemde De Wever die excuses toen – tot woede van de Joodse gemeenschap. De Wever werpt zich nu op als de grote vriend van de Antwerpse Joden en van Israël. Het kan verkeren.

 

December 21, 2017 at 9:23 am 1 comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,620 other followers