Posts filed under ‘Racisme’

OVER KARIKATUREN EN ISRAËL

Door Lucas Catherine

Niet alleen de cultuursector lijdt onder besparingen en vallen er projecten stil. Ook de Vismooil’n hadden vorig jaar in Aalst geen geld voor een nieuwe praalwagen. Ze lasten een sabbatjaar in en ze recycleerden dan maar oude poppen. Sabbat = joden. Geen geld ? Wie heeft er geld volgens de antisemitische traditie? De joden. En hoe zien joden eruit ? Met een haakneus, een shtremel en pajes en lange zwarte jassen.

Een verschrikkelijke karikatuur, met de nadruk op verschrikkelijk.

Zo’n karnavalstoet loopt vol karikaturen, net zoals (vroeger) stripverhalen. Racistische karikaturen : ‘Arabieren zijn sheiks die rijden op een kemel in de woestijn’. In de realiteit willen alle Marokkanen die ik ken rijden met een Peugeot, maar soit.

‘Chinezen hebben niet alleen spleetogen, maar zijn niet te betrouwen : in hun restaurants laten ze ons ratten en katten eten.’ Nu is de Chinese keuken stukken beter dan, pakweg, de Hollandse.

‘Afrikanen hebben dikke lippen, grote witte oogballen, kunnen goed dansen, zijn grote kinderen, maar niet al te snugger en liever lui dan moe. Wat ze nodig hebben is een strenge vader die ze aan het werk zet’ zeiden de Belgische kolonialen. Maar studies wijzen uit dat de gemiddelde Congolese Belg beter is opgeleid dan de gemiddelde witte Belg. Toch moeten ze werk doen beneden hun niveau. Ik zie het dagelijks in Brussel.

Maar goed de joden. Er zijn orthodoxen en anderen. Die ‘anderen’ vormen de meerderheid. In Brussel wonen iets meer joden dan in Antwerpen, alleen weinig orthodoxen en ze vallen dus minder op.

De meerderheid in Brussel zijn afstammelingen van joodse vluchtelingen uit de jaren dertig. Dit is bvb het verhaal van mijn vriend Jacques R. Oorsponkelijk woonden zijn ouders in Roemenië. Roemenië was erg antisemitisch (nu nog trouwens) en ‘s zondags preekte men tegen de joden in de kerk, na de dienst trokken met stokken en messen gewapende benden door de stad op zoek naar joden. Jacques’ ouders besloten te emigreren: naar Polen, maar daar was het nog erger. Dus besloten ze zekere dag om te voet van Polen naar Brussel te trekken. Zo kwam Jacques hier terecht. En waren die Oost-Europese joden rijk? De overgrote meerderheid was werkman of ambachtsman. Ze hadden dan ook hun eigen vakbond gesticht : Bund Yiddischer Arbeter en ze waren linkser dan toendertijd bijvoorbeeld Emile Vandervelde.

Racistische karikaturen berusten op onwetendheid en je bestrijdt ze door die onwetendheid op te heffen. Dat geldt ook voor karikaturen van zwarte Afrikanen, Chinezen of Arabieren. En wat opvalt is dat de groepen die het ergst onder zo’n racisme te lijden hebben, juist de grootste slachtoffers waren van de gruwel door Europeanen aangericht in naam van ‘onze Westerse beschaving’.

Spleetogen vormden het Gele Gevaar en waren een Gele Draak die bestreden moest worden. Ze ondergingen dan ook in China koloniale oorlogen en in Hiroshima de meest gesofisticeerde produkten van onze beschaving.

Zwarten werden met miljoenen door Hollanders, Portugezen, Fransen en Engelsen uit Afrika weggevoerd en in Afrika zelf ondergingen ze een Belgische beschaving die graag gebruik maakte van de chicote (bullepees) en handafhakkingen.

De Palestijnse Arabieren worden nog altijd gekoloniseerd en geterroriseerd.

De Christusmoordenaars werden al sedert de dag dat Godfried van Bouillon door de Rijnvallei trok op weg naar Palestina massaal vermoord. De Nazi’s industrialiseerden zijn praktijken op een miljoenenschaal.

Een tweede zaak die opvalt is dat de racistische Kuifjes, Nero’s (Moea-Papoea, de Woefwasserij,..) en Susken en Wiskes (De Tam-Tamkloppers, De Witte Uil) ondertussen al een halve eeuw oud zijn.

En ook Karnavalskarikaturen moeten aangepakt worden, want zoals de Union des Progressistes Juifs schrijft : Aujourd’hui, ricaner à propos des Juifs, des Noirs ou des Musulmans en répercutant les pires poncifs les concernant et alors que ceux-ci sont les cibles principales des crimes racistes, cela ne peut plus être considéré comme une innocente plaisanterie. Ces images ont un impact qui dépasse largement les trois jours du carnaval et elles ont un effet direct sur ceux qui décident de passer à l’acte.

Maar heeft u al een woordvoerder van die progressieve joden in onze media gehoord? (Er zijn er nochtans bij die Nederlandstalig zijn.)

Neen, wel spreekbuizen van Israël zoals Hans Knoop of hun minister van Buitenlandse zaken. Die blazen die domme en misplaatste en van grove onwetendheid getuigende karikatuur op tot een aanval op de Holocaust en een bewijs dat België doordrongen is van antisemitisme. De Holocaust rendeert, want, zoals de eertijdse Israëlische minister van Buitenlandse Zaken, Aba Eban zei : ‘There is no business like Shoah-business.’ De huidige minister van Buitenlandse Zaken Yisrael Katz doet het op zijn manier. Nadat hij een paar jaar geleden ( 2016) al de ‘chocolade etende Belgen’ verweet slechte democraten te zijn, heeft die minister van de koloniale apartheidsstaat Israël het over: “Belgium has positioned itself as one of the Security Council member states most hostile toward Israel.” België had, als tijdelijk voorzitter van de Veiligheidsraad in het kader van een briefing over kinderrechten een NGO uitgenodigd die actief is in Palestina, en wat gebeurde er : De dag voor Carnaval schreef De Standaard :

De NGO Defence of Children Palestine komt maandag (de dag na Carnaval) niet spreken op een briefing van de VN veiligheidsraad. België als tijdelijk voorzitter heeft de invitatie uitgesteld onder druk van Israël. De nummer twee van onze Ambassade in Israël, Pascal Buffin, werd twee keer op het matje geroepen door Buitenlandse Zaken in Jeruzalem.

Yisraël Katz. Foto Wikipedia

Over die meneer Yisraël Katz valt nog dit te zeggen :

Deze Litouwse  jood bracht zijn jeugd door in de kolonie Kafr Ahim, toen pas gesticht op het Palestijnse dorp Qastiniya. Het werd op 29 juni 1948 verwoest door het Israëlisch leger volgens wat de Israëlische historicus Benny Morris noemt ‘‘liquidation‘ (hisul) en ‘burning’(bi’ur.) De woorden tussen haakjes zijn de Hebreeuwse termen. Het dorp bezat grote boomgaarden waarop ze de befaamde Jaffa appelsienen kweekten, later overgenomen door de zionistische kolonisten.

Yisraël Katz wil dit soort verhalen niet geweten hebben. Palestina is zogezegd altijd Hebreeuws geweest. Als toenmalig minister van verkeer liet hij een wet stemmen waardoor in de bewegwijzering alleen nog maar de Hebreeuwse uitspraak mocht worden weergegeven van Arabische plaatsnamen als Nazareth, Jaffa, Jeruzalem…

Dezelfde Yisraël Katz pleitte tijdens de Gaza-oorlogen voor “targeted killings” en hij bepleitte dezelfde liquidatie-tactiek tegenover vreedzame opposanten van de Israëlische kolonisatie, zoals bepleiters van BDS (zie de mensenrechten organisatie Al Haq, 16 november 2019).

En voor zo iemand zwicht onze Belgische diplomatie. Waar een domme antisemitische karikatuur in Aalst al toe kan leiden.

PS. En er zijn natuurlijk ook niet-racistische karikaturen. Brusselaars hebben een ballonnekeskop, een moustache, een bierbuik en een dikke nek. En soms klopt dat : u moet maar eens een foto van mij googlen.

February 23, 2020 at 10:43 pm 3 comments

“DE MACHT VAN JODEN” (een repliek)

Tom Ronse

Het is in dit salon al vaak betoogd: antisemitisme en antizionisme zijn niet hetzelfde. Integendeel: wie konsekwent gekant is tegen racisme en dus antisemitisme kan niet anders dan ook verzet aantekenen tegen de discriminerende en koloniserende politiek van de Israelische staat. Het omgekeerde geldt ook: wie de racistische politiek van Israel verwerpt, moet zich ook konsekwent kanten tegen alle uitingen van antisemitisme.

Zoals de beruchte anti-joodse praalwagen in de Aalsterse karnavalstoet van vorig jaar. Plaatsvervangende schaamte is wat ik voelde toen ik daar beelden van zag. Sindsdien zijn allerlei argumenten aangevoerd om die weerzinwekkende vertoning te vergoelijken: de karnavalstoet lacht met alles, wie niet kan meelachen heeft lange tenen of is tegen de vrije meningsuiting, de praalwagen hekelt niet alle joden, enkel sommige, etcetera.

Bullshit. De gelijkenis tussen de Aalsterse karikaturen van geldbeluste joden -met hun geldzakken, hun graaiende handen, lelijke kromme neuzen en een rat op de schouder – en de haatcampagnes van de nazi’s van vroeger en nu, is onmiskenbaar.

Lachen met volksvreemden in Aalst

 

Nazi-propaganda

 

Het spijt me dan ook dat historicus Gie Van den Berghe, wiens originele artikels in dit salon ik ten zeerste waardeer, in zijn jongste bijdrage dit Aalsters racisme helpt goedpraten. Volgens hem stak de praalwagen in kwestie de draak met “de macht van joden (niet van ‘dé joden’ want dat zou een naar antisemitisme neigende veralgemening zijn)”. Zo simpel is dat: je laat het lidwoord vallen en alles is in orde. Je bezondigt je dus niet aan racisme als je spreekt over “de domheid van zwarten”, zolang je het maar niet over “de zwarten” hebt. De praalwagen van de “vismooil’n” spotte niet met “dé joden” maar specifiek met orthodoxe joden die behalve hun religie, hun excentrieke kledij en haardracht, ook geldzucht gemeen hebben volgens de Aalsterse karnavalgroep. Van den Berghe weet beter dan de meesten dat dit stereotiep op eeuwen kristelijke laster steunt maar knijpt een oogje dicht vanwege de rol die orthodoxen spelen in de kolonisatiepolitiek van Israel. Ook dat is een veralgemening. Er zijn heel wat orthodoxen die deze politiek niet steunen en er zich zelfs actief tegen verzetten.

Het is fout om alle orthodoxen, laat staan alle joden, over één kam te scheren. Er zijn zionistische en anti-zionistische orthodoxen, er zijn rijken en armen onder hen. Maar volgens het stereotiep denken ze allen hetzelfde en hebben ze allemaal veel geld en macht. Die macht werd volgens Van den Berghe geillustreerd door het feit dat klachten van joodse organisaties ertoe geleid hebben dat het Aalsters karnaval geschrapt werd uit Unesco’s werelderfgoedlijst.

Het concept zelf van “de macht van joden” impliceert een ‘naar antisemitisme neigende veralgemening’. Ik heb nog nooit iemand over “de macht van kristenen” horen praten, hoewel die ontegensprekelijk veel groter is dan die van joden. Het idee dat alle mensen met een kristelijke achtergrond dezelfde ideeen en belangen hebben lijkt immers bespottelijk maar als het over joden gaat (of moslims, of andere minderheden) is het voor velen niet meer het geval.

Joden zijn niet kwetsbaar of niet kwetsbaarder dan andere minderheden”, schrijft Gie. Maar vandaag zijn alle minderheden kwetsbaar en elk jaar zijn ze dat meer. In heel de wereld waait een wind van haat en onverdraagzaamheid tegen minderheden die kan aanzwellen tot een storm van uitsluiting en geweld. Het is in die context dat de Aalsterse praalwagen gesitueerd moet worden. Dit was geen satire op de politiek van Israel.

De laatste paragraaf van Van den Berghe’s artikel is een harde aanklacht tegen die politiek. Zo verbindt hij de verdediging van een antisemitische praalwagen met antizionisme. Ik hoor de zionisten al glunderen: “Zie je wel?”

 

ratten en ander ongedierte

 

 

January 12, 2020 at 4:52 am 9 comments

HET ZWARTE HUIS

 

door Gie van den Berghe

                                 Hoe wordt men een anti-racist

Stamped from the Beginning – gebrandmerkt van bij het begin – is een meesterlijke geschiedenis van anti-Zwart racisme in Amerika, van de hand van de Afrikaans-Amerikaanse historicus Ibram X Kendi.

Ras is een oppervlakkig, uiterlijk verschijnsel. Genetische verschillen tussen individuen van dezelfde raciale groep zijn vaak groter dan die tussen individuen van verschillende groepen. Racisme, de overtuiging dat de ene raciale groep inferieur of superieur is aan de andere, is een ideologisch, sociaaleconomisch en politiek fenomeen zonder enig biologisch fundament.

Kendi onderscheidt twee vormen van Amerikaans racisme. De enen zijn ervan overtuigd dat de Anderen biologisch minderwaardig zijn. Negers zijn genetisch inferieur, kunnen nooit volwaardige mensen worden. Deze racisten pleiten voor segregatie, een beleid gericht op afscheiding, slavernij, opsluiting, deportatie, onmenselijkheid.

Een andere vorm van Amerikaans racisme stelt dat negers cultureel en gedragsmatig minderwaardig zijn, maar dat ze kunnen verbeteren door assimilatie, door zich eenzijdig aan te passen aan de witte cultuur. Negers moeten bewijzen dat ze niet minderwaardig zijn. Zij moeten veranderen, niet het witte vooroordeel.

Antiracisten daarentegen vinden dat alle beschavingen en culturen beoordeeld moeten worden in relatie tot de eigen geschiedenis, niet met de willekeurige maatstaf van één beschaving of cultuur. Individuele Zwarten zijn ook niet verantwoordelijk voor de racistische ideeën van anderen, ze vertegenwoordigen ook hun ras niet. Racisme is – zoals seksisme – een niet vol te houden veralgemening. Zwarten mogen in alle omstandigheden hun onvolmaakte zelf zijn: mooi én lelijk, meer en minder intelligent, gehoorzaam en opstandig, werklustig en lui. Het zijn met andere woorden mensen, als individu en als groep even onvolmaakt en feilbaar als Witten, als u en ik.

Racisme en antiracisme zijn ook geen onuitwisbare tatoeages. Antiracist zijn, ‘is als tegen een verslaving vechten, het vergt volgehouden zelfbewustzijn, constante zelfkritiek en regelmatig zelfonderzoek’.

Slavernij

Ibram Kendi

Kendi, een begenadigd verteller, hangt zijn verhaal op aan de houding tegenover racisme van vijf prominente Amerikanen. In Brits-koloniaal Amerika vergoelijkte en sanctioneerde de vooraanstaande predikant Cotton Mather (1663-1728) slavernij op theologische wijze. Afrikanen waren door de goddelijke voorzienigheid naar Amerika gehaald om van hun witte meesters het glorieuze testament te leren. Mather benadrukte wel dat negers mensen zijn, geen beesten, ook ‘al werkt hun achterlijkheid ontmoedigend; ze iets aanleren lijkt even hopeloos als ze wassen.’ Hoe minderwaardig ook, door zich tot het christendom te bekeren kunnen negers wel hun ziel wit wassen. Slavenhouders hoeven zich daarover geen zorgen te maken: ‘de wet van het christendom laat slavernij toe’.

Kolonisatie

In het tijdperk van de Amerikaanse revolutie werd slavernij gerechtvaardigd door racistische ideeën die Britse kolonisten hadden meegebracht uit Europa. Thomas Jefferson (1743-1826), één van de stichters van de Verenigde Staten, de voornaamste auteur van de onafhankelijkheidsverklaring en de derde Amerikaanse president, wou in theorie de slavernij afschaffen maar hield er in de praktijk in de loop van zijn leven honderden slaven op na. Ooit ijverde hij voor een wet die witte vrouwen die zwanger waren van een Zwarte had moeten verbannen. ‘Vermenging veroorzaakt alleen maar degeneratie’, vond hij, al die tijd een seksuele relatie onderhoudend met een jonge biraciale vrouw.

Jefferson en de zijnen vonden dat vrije Zwarten niet geïntegreerd konden worden in wit Amerika. Ze moesten ‘teruggestuurd’ worden, Afrika koloniseren (sic) en er de witte beschaving uitdragen. Jefferson had Sierra Leone op het oog, de Province of Freetown waar Groot-Brittannië sinds 1792 zijn bevrijde slaven parkeerde, maar de Britten gaven niet thuis. In 1821 verwierf de VS een strook land ten zuiden van Sierra Leone. Amerikaanse settlers bouwden er versterkingen en noemden het Liberia, een thuis voor alle vrije en opstandige Zwarten die Amerika kwijt wou. Rond 1832 had elke noordelijke staat een resolutie in die zin aangenomen. Eind 19de eeuw waren de meeste witte Amerikanen ervoor gewonnen.

Maar Afrikaanse Amerikanen wilden helemaal niet ‘terug’ naar Afrika, het continent dat Witten als wild en achterlijk afschilderden. Om er niet langer mee geassocieerd te worden, noemden ze zich geen Afrikaan meer maar Neger. Meer dan een eeuw later, in de jaren 1960, zullen volgelingen van Malcolm X de term Neger aan assimilatie en accommodatie koppelen en het begrip Zwarte omhelzen, tot ontsteltenis van Martin Luther King en de zijnen die liever Neger werden genoemd.

Toen in 1807 de illegale slavenhandel werd verboden (een eerder symbolische wet), namen slaven in waarde toe en begonnen slavenhouders als Jefferson slaven te ‘kweken’ om aan de vraag van plantagehouders te voldoen. In 1808 bepaalde een wet in Zuid-Carolina dat pasgeboren kinderen van slaven aan hun meester toebehoorden, zoals de worp van huisdieren.

Inventaris van slaven op de Pleasant Hill Plantage in Mississippi, 1850

William Lloyd Garrison (1805-1879), een gedreven en hervormingsgezind uitgever, was tegen zwarte kolonisatie van Afrika. Negers waren geen barbaren, ze waren barbaars geworden door raciale discriminatie en slavernij. Hun gedrag en cultuur waren inferieur door twee eeuwen onderdrukking. Geduldige opvoeding en aanpassing aan de witte cultuur moest hen uit dat moeras halen.

Een dubbel zelf

Toen W.E.B. Du Bois (1868-1963) als eerste hooggeschoolde Zwarte afstudeerde, waren lynchpartijen dagelijkse kost. Slachtoffers werden onder massale belangstelling opgehangen omdat ze een witte vrouw lastiggevallen of verkracht zouden hebben. Niemand bekommerde zich om bewijs, getuigen of proces. Iedereen wist toch dat negers oversekste beesten zijn. Kijk maar naar hun vrouwen die zoveel witte mannen verleiden!

Een lynching in Indiana, 1930

Du Bois streed zijn hele leven tegen racisme. Aanvankelijk vond ook hij dat Afrikaanse Amerikanen door de slavernij sociaal en moreel verkreupeld waren. Ze moesten heropgevoed, geëmancipeerd worden. Later zag hij in dat negers de eigen karaktertrekken en talenten moeten koesteren en ontwikkelen. Hun dubbel bewustzijn afleggen, stoppen met zichzelf door ogen van Witten te beoordelen, niet langer ‘de eigen ziel evalueren met de meetlat van een wereld die geamuseerd minachtend en medelijdend toekijkt’. Het ‘dubbele zelf’ omsmelten tot een authentiek zelf. Maar tegelijk vond Du Bois dat getalenteerde negers (zoals hij) de massa moesten leiden en beschaven, kwestie van de racistische vooroordelen van Witten te weerleggen.

Antiracisme

Bekeken door Kendi’s antiracistische blik was de houding van deze vier prominente Amerikanen in min of meerdere mate racistisch. Het volstaat namelijk niet te denken of zoals brulaap Donald Trump luidkeels te verkondigen dat je geen racist bent (terwijl de man de ene na de andere racistische uitspraak doet). Wat racisme betreft bestaat geen neutraliteit, je moet antiracist zijn en daarnaar handelen. Eerst en vooral de eigen onverdraagzaamheid, het eigen racisme onder ogen zien. Een proces dat veel revolterende Zwarten, van Malcolm X tot Kendi, hebben doorgemaakt; een evolutie en bewustwording die Kendi haarfijn uit de doeken doet in How to be an antiracist.

Het begrip antiracisme werd gelanceerd door de militante activiste Angela Davis (1943…). Grootgebracht op een dieet van antikapitalisme en antiracisme, had ze een gloeiende hekel aan de zwarte armoe rondom haar en elke vorm van assimilationisme. Wat racisme betreft zag ze weinig of geen verschil tussen noordelijke en zuidelijke staten. Gematigd racisme bestaat niet. Ze nam zich voor nooit Wit te willen zijn. Bleek je huid niet, ontkrul je haar niet. Draag fier je Afro (kapsel). Black is beautiful. In 1967 sloot Davis zich aan bij Black Power. Zoals andere zwarte activisten had ze Luther King als een ongevaarlijk leider opzijgeschoven omwille van zijn religieuze filosofie en geweldloze politiek. Toen King het jaar daarop vermoord werd, ruilden heel wat Zwarten hun dubbel bewustzijn in voor antiracisme.

Law and order

Machtige racisten deden er ondertussen alles aan om Zwarten onder de knoet te houden. Onder Richard Nixon en de Law and order beweging werden talloze antiracistische, antikapitalistische, anti-seksistische en anti-imperialistische zwarte activisten gevangen gezet. Zo ook Angela Davis. In de gevangenis kwam haar zwart-feministisch bewustzijn tot volle wasdom. Toen ze in 1972 dit broeinest van criminaliteit achter zich liet, voerde ze ook strijd tegen dit moderne afgietsel van de slavernij.

In de jaren 1970 verdrievoudigde het ledenaantal van de Ku Klux Klan. Lynchpartijen zaaiden angst, vernieling en dood. Maar al dit geweld verbleekte bij de terreur die de politie uitoefende. Voor elke door de politie gedode Witte, sneuvelden er tweeëntwintig Zwarten. Als racisme niet helpt, neemt bruut geweld het over.

Onder Hollywoodpresident Ronald Reagan trad in 1986 de Anti Drug Abuse Act in werking. Een crackdealer of -gebruiker die betrapt werd met vijf gram – de gebruikelijke hoeveelheid onder Zwarten en armen – kreeg minimaal vijf jaar gevangenisstraf. De doorgaans witte en rijke dealers en gebruikers van poedercocaïne – actief in buurten met minder politie – moesten vijfhonderd gram cocaïne bij zich hebben om even zwaar bestraft te worden.

De antidrugwet leidde tot massale opsluiting, vooral van Zwarten. De gevangenispopulatie verviervoudigde in minder dan twintig jaar tijd. Anders dan het racistisch stereotiep wil, waren en zijn er verhoudingsgewijs meer witte dan zwarte jongeren die drugs verhandelen, maar Zwarten lopen een veel hoger risico gearresteerd te worden. Hoe meer politie, hoe meer arrestaties. Hoe meer arrestaties, hoe meer veronderstelde criminaliteit. Gevolg: nog meer politie, arrestaties en ‘criminaliteits’cijfers. Jonge mannelijke Zwarten lopen een twintig keer hoger risico gedood te worden door de politie – ook door zwarte agenten – dan witte leeftijdsgenoten. Zwarten riskeren verhoudingsgewijs veel vaker ter dood veroordeeld te worden dan Witten en eens op death row hebben ze een vier keer hogere kans geëxecuteerd te worden.

Alles, elk middel, ook opvoeding en wetenschap, werd ingezet om Zwarten eronder te houden. Het in Frankrijk bedachte intelligentiequotiënt, bedoeld om achterophinkende leerlingen vooruit te helpen, werd in de VS omgevormd tot een instrument dat de intellectuele minderwaardigheid moest aantonen van Zwarten, achtergestelde sociale klassen en immigranten. Dat gestandaardiseerde testen ‘minderheidsgroepen’ discrimineren die niet tot de standaardcultuur behoren, werd buiten beschouwing gelaten. Toelatingsproeven voor hogescholen, universiteiten en bedrijven houden geen rekening met sociaaleconomische ongelijkheid en verhuld institutioneel racisme. Zwarten zijn niet minderwaardig, ze kregen en krijgen minderwaardige kansen. De zogenaamde prestatiekloof is een kansenkloof.

Racistische cultuur

Kendi toont overtuigend aan dat de Amerikaanse cultuur doordrenkt is van racisme. Ook de literatuur en film. In The birth of a nation (1915) – de eerste film die in het Witte Huis werd vertoond – wordt een door een blanke gespeelde neger gelyncht omdat hij een witte vrouw verkracht zou hebben. Miljoenen Amerikanen zagen de prent en kregen het beeld mee van de seksbeluste, criminele neger. In de kaskraker Gone with the Wind (1939) zijn de slavenhouders nobel en bedachtzaam, terwijl negers afgeschilderd worden als lui en loyaal, gelukkige slaven, niet in staat tot vrijheid. De succesrijke televisiereeks Roots (1977) zit vol racistische ideeën over achterlijk Afrika, beschavende Amerikaanse slavernij en domme, afgestompte, tevreden slaven en losbandige slavinnen.

Vrijwel iedereen kent De (neger)hut van Oom Tom of heeft die antislavernij roman van Harriet Beecher Stowe gelezen. Uncle Tom’s Cabin; or, Life Among the Lowly (1852) werd meteen in vele talen vertaald. In 1852 als De hut van Onkel Tom: een slaven-geschiedenis (Gent, uitgeverij Hoste). Datzelfde jaar werd het in Nederland als toneelstuk opgevoerd en bezorgde ene Tante Mary (sic) een versie voor kinderen. De hut van Oom Tom wordt nog steeds met de regelmaat van een klok herdrukt (laatst in 2016 in een slordige vertaling bij Van Goor).

Het boek zou de houding tegenover slavernij ingrijpend veranderd hebben. Zeker, maar het populariseerde ook verschillende kwalijke stereotiepen over negers. De gemoedelijke mammy, brave ‘nikkertjes’ (pickaninnies) en Oom Tom als plichtbewuste dienaar, onveranderlijk trouw aan witte meesters. Hij zal als een zwarte Christus de opzichters die hem verraden hebben en vasthielden terwijl zijn meester hem doodsloeg vergiffenis schenken.

De vier volwassenen die in De hut van Oom Tom naar het noorden vluchten zijn mulatten, biraciale Zwarten. Ze zien er wit uit en gedragen zich wit, maar zitten tragisch gevangen in de restanten van hun zwartheid. Maar, vindt Stowe, ze verzetten zich ten minste, staan dus boven negers als Tom. In een conclusie aan het eind van haar roman (weggelaten of grondig herschreven in Nederlandse vertalingen) roept Stowe de kerk van de noordelijke Amerikaanse staten op om de vluchtelingen te ‘ontvangen in de geest van Christus, ze in een christelijk milieu en scholen op te voeden, en eens ze een beetje morele en intellectuele rijpheid bereikt hebben, ze te helpen bij hun terugkeer naar [Afrikaanse] kusten, waar ze de in Amerika geleerde lessen in de praktijk kunnen omzetten’. God, schrijft ze, ‘heeft een vluchtoord voorzien in Afrika’. Vul Liberia niet met ‘een onwetend, onervaren, half-barbaars ras, dat nog maar net bevrijd is uit de ketens van de slavernij’. Stowe’s oproep was een godsgeschenk voor de zieltogende American Colonization Society.

De hut van Oom Tom behandelt slavernij niet als een politiek maar als een individueel menselijk probleem, iets dat door christelijke liefde kon worden opgelost. Stowe aanvaardde de mogelijkheid van menswaardige slavernij.

Kleurenblind

Veel witte Amerikanen menen dat de VS ondertussen een kleurenblinde, postraciale maatschappij geworden is. Er zou niet meer gediscrimineerd worden, Zwarten beroepen zich daar alleen maar op om positiefgediscrimineerd te worden. Zeker, sommige Zwarten hebben raciale vooruitgang geboekt, maar voor de meeste Zwarten is alleen het racisme erop vooruitgegaan. Witte studenten hebben een meer dan vijf keer hogere kans om toegelaten te worden tot de beste colleges en universiteiten. Op elk niveau van het strafrecht, van wetgeving tot politiepraktijken, wordt gediscrimineerd. Zwarten worden in overtal gearresteerd en gestraft. Hoe lichter de huidkleur, hoe lichter de straf.

In 2005 blies orkaan Katrina het kleurenblinde dak van de VS. Wetenschappers en journalisten waarschuwden al jarenlang voor een ramp maar de bevoegde instanties hielden zich doof. Alsof het rampen-kapitalisme wachtte op een gelegenheid om New Orleans herop te bouwen en de al uitpuilende zakken verder te vullen. Journalisten waren in een mum van tijd ter plekke, terwijl de federale hulptroepen drie dagen nodig hadden. Ondertussen verspreidden sommige media gruwelverhalen over Zwarten die hun kinderen de keel oversneden en hulpverleners bekogelden.

Het racisme moge dan meer verhuld zijn, het beleid is dat geenszins. Zoiets valt af te lezen aan de vele raciale ongelijkheden, gaande van inkomen tot gezondheid. Ras moge dan een hersenschim zijn, de mensheid heeft er zich op zeer tastbare wijze rond georganiseerd. Het bestaan van rassen wegdenken in een racistische wereld is volgens Kendi even behoudsgezind en schadelijk als klassen wegdenken in een kapitalistische wereld – het laat de heersende rassen en klassen toe verder te heersen. Wil je racisme ongedaan maken dan moet je eerst en vooral de sociaaleconomische categorie ‘ras’ erkennen. Om institutioneel achtergestelde mensen gelijk te behandelen, moet je beginnen met ze verschillend te behandelen.

Racisme

Racistisch ideeën worden dixit Kendi niet geproduceerd door onwetende en haatdragende mensen met racistisch beleid tot gevolg. Het is andersom: racistische ideeën vloeien voort uit een racistische politiek in dienst van economisch, politiek en cultureel eigenbelang. Racistisch beleid produceert racistische ideeën om discriminatie, onderdrukking en uitbuiting te rechtvaardigen.

Het lijdt geen twijfel dat slavenhandelaars en slavenhouders baat hadden bij racistische opvattingen en ontmenselijking van hun slachtoffers. Maar dat racistische ideeën altijd en overal van bovenaf, intentioneel worden opgelegd, valt te betwijfelen. Mogelijk in de VS waar racisme als het ware werd geïmporteerd, al gaat Kendi er te gemakkelijk vanuit dat er zonder die inbreng geen sprake zou zijn geweest van racisme.

De term racisme is van relatief recente datum maar geringschatting, discriminatie, ontmenselijking en onderdrukking van Anderen is van alle tijden. In de vierde eeuw voor onze tijdrekening stelde Aristoteles dat Grieken superieur zijn aan alle andere volkeren. Mensen die in een warmer of kouder klimaat leefden dan het Griekse waren daardoor intellectueel, fysiek en moreel gedegenereerd. Afrikanen noemde hij ‘verbrande gezichten’. Of hoe de Griekse slavernijpraktijk en heerschappij over de westelijke Middellandse Zee filosofisch goedgepraat kon worden. Een kleine twintig eeuwen later maakten Turken in het gebied rond de Zwarte Zee Slaven buit om ze aan de meestbiedende West-Europeanen te verkopen. Dat is ook de oorsprong van ons woord ‘slaaf’. In de 15de eeuw trokken de Slaven forten op tegen de Turken. De handel verschoof geleidelijk naar Afrika. Slaven werden zwart. Portugezen, Spanjaarden en moslims die in de 17de eeuw streden om de heerschappij over winstgevende handelsroutes in grote West-Afrikaanse rijken, zagen en behandelden kleurlingen als inferieure wezens, bijna-beesten.

Laatdunkende en ontmenselijkende houdingen tegenover de Ander zijn van alle tijden en culturen. Sla er de joodse bijbel maar op na. Ook de West-Europese cultuur was ervan doordrenkt. Van William Shakespeare tot Immanuel Kant. Midden 17de eeuw noemde Robert Boyle, de vader van de Engelse scheikunde, een zwarte huid een lelijke misvorming van de normale witheid. Voltaire zei niet te weten of de neger van de aap, dan wel de aap van de neger afstamde. Linnaeus plaatste de ‘luie, trage en zorgeloze Zwarte’ onderaan zijn mensenladder. Alleen de Homo monstrosis monorchidei, de Zuid-Afrikaanse Hottentot, plaatste hij nog lager. John Locke twijfelde er niet aan dat West-Afrikaanse vrouwen met apen konden paren en hun kinderen konden baren. David Hume beweerde dat ‘een geleerd of beschaafd lijkende neger alleen maar een papegaai is die een paar woorden heeft leren napraten’. Ook Kant vond dat de mens zijn grootste perfectie had bereikt in het witte ras.

Door de evolutie die onze waarden sindsdien hebben ondergaan, kunnen we niet meer bevatten dat toen onze voorouders voor het eerst in contact kwamen met autochtone Amerikanen en Australiërs (‘roodhuiden’, ‘indianen’, ‘Aboriginals’) en Zwarten, ze dat vreemde wezens vonden en ze niet meteen als medemensen zagen, ja, bij vergelijking met zichzelf ‘on’menselijk achtten en daardoor ook onmenselijk mochten en konden behandelen. Teruggeplaatst in hun tijd waren deze houding en dit gedrag normaal; ze gehoorzaamden aan toen geldende normen. Vergelijk het met onze normaliteit van dieren eten, wezens die we vaak op beestachtige wijze kweken en slachten. Als je houdingen en gedrag uit andere tijden en culturen beoordeelt aan de hand van hedendaagse beschavingsnormen, kom je vanzelf uit bij afkeuring en veroordeling. Zo mis je niet alleen inzicht in het verleden maar ook in de onophoudelijke evolutie van menselijke waarden, normen en idealen; zo ga je voorbij aan geschiedenissen van normaliteit.

Blootstellen

De kiem van onverdraagzaamheid tegenover Anderen schuilt vermoedelijk in de gemeenschap waarin men geboren en getogen wordt: kerngezin, familie, wijk-, dorp- en leeftijdsgenoten, sportclub, sociale klasse. Buitenstaanders die er andere gewoonten op nahouden en/of uiterlijk afwijken, zijn vreemd. Vreemdelingen zijn ongewoon, ze verstoren onze vaak geconstipeerde gewoonten, bedreigen onze geborgenheid. Die verstoring en dreiging worden aan hen toegeschreven en het is tegen die projectie dat we ons te weer stellen. Parasiterende machthebbers spelen hier ideologisch op in, slaan er politieke munt uit.

Het is dus zaak om van jongs af met zoveel mogelijk Anderen – Zwart/Wit, vrouw/man, arm/rijk, homo/hetero, vreemdeling/vluchteling – in contact te komen, hen te ont-moeten, te ontdekken en te ervaren als medemens. Elke maatschappij die naam waardig moet dit mogelijk maken en bevorderen, elke vorm van segregatie ontmoedigen.

December 21, 2019 at 7:00 am 2 comments

MENSAAPJES KIJKEN

Wereldtentoonstelling Brussel 1958

Het onderstaande artikel is een uittreksel uit het essay van Gie van den Berghe : ” Wild. Exotische dieren en mensen op Belgische wereldtentoonstellingen”. Het volledig essay met alle bronverwijzingen, noten, bibliografie en vele illustraties, is te vinden op http://www.serendib.be/boeken/WILD.htm

 

Op wereldtentoonstellingen en koloniale exposities werden behalve olifanten ook veel andere ‘curiosa’ uitgestald en opgevoerd. Wilde dieren, mensen uit verre streken en ‘misvormde’ mensen (Siamese tweelingen, dwergen, mensen zonder ledematen…) werden van oudsher vertoond op foren, volksfeesten en kermissen, in circussen, freakshows, carnavalstoeten en theaters (onder meer in de Folies Bergères). In de tweede helft van de negentiende eeuw kregen de exotische dieren in de zoo het gezelschap van exotische ‘wilden’ in mensenzoo’s (Hottentotten, ‘kannibalen’, pygmeeën, Azteken…). Veel mensen zagen voor het eerst zogenaamde wilden en reageerden er verbaasd, met verstomming en racistisch op, ook in de media en de literatuur. Het ongewone oefent op mens en dier een ongeëvenaarde aantrekkingskracht uit en ook al merkt men de uiterlijke gelijkenissen op, het exotische blijft vreemd en mysterieus, bedreigend en interessant. Het aan het Latijn ontleende woord fascinatie drukt dit goed uit, het omvat aantrekkelijkheid, hekserij en betovering. De door vreemdheid geïntrigeerde en sensatiebeluste massa stroomde toe naar deze in scène gezette vertoningen van het verschil die het raciaal meerderwaardigheidsgevoel en kolonialisme sterkten of goed praatten.

In 1874 organiseerde Carl Hagenbeck vader, dierenhandelaar van beroep, in Hamburg, Berlijn en Leipzig de eerste Völkerschau (volkerenshow), bestaande uit een gezin uit Lapland. Het werd een voor herhaling vatbaar succes. Op zijn tweede ‘antropologisch-zoölogische tentoonstelling’ waren Kalmüchen te bewonderen, boeddhisten uit zuidwest Rusland. Zoon Carl Hagenbeck opende in 1909 in Hamburg een zoo, Hagenbecks Tiergarten, met een afdeling voor een permanente Völkerschau, negerdorp inbegrepen.

De eerste wereldtentoonstelling waarop ‘wilden’ werden vertoond, was die van 1867 in Parijs. Antwerpen liet zich op zijn wereldtentoonstelling van 1885 niet onbetuigd. Op die voor de arbeidersklasse beperkt toegankelijke expo kwam er op initiatief van het Antwerps Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap een koloniale sectie met een facsimile negerdorp (village congolais), bewoond door twaalf streng bewaakte Congolezen bestaande uit twee gezinnen met kinderen, die moesten poseren voor de vele foto’s die men toen al maakte. Op de expo van 1894 in Antwerpen waren er al 144 Congolese ‘inlanders’ te bezichtigen, naast muilezels, koeien en varkens. Allen werden gefotografeerd en gemeten voor wetenschappelijk onderzoek. Bezoekers wierpen ze geldstukken toe en de zwartjes mochten ze uit het water opvissen. Vijf overleefden het Belgisch klimaat en de erbarmelijke levensomstandigheden in het dorp niet.

Ook op de wereldtentoonstelling van Luik in 1905 mochten bezoekers van het Senegalees dorp in het Frans paviljoen muntstukken gooien die door Senegalezen moesten worden opgedoken. Het onterend gebruik hield nog lang stand in dierentuinen.

Ook op aparte koloniale tentoonstellingen, zoals die van 1883 in het Brusselse Leopoldpark, de Koloniale Feesten van 1909 in Antwerpen en de Exposition Coloniale Internationale van 1931 in Parijs, werden exotische mensen opgevoerd.

In 1897 was Brussel aan de beurt. Koning Leopold II wou speciale aandacht voor zijn kolonie en het koloniale luik kwam er op het koninklijk domein in Tervuren, gescheiden van de wereldtentoonstelling die doorging in het enkele jaren voordien tot stand gekomen Jubelpark. Leopold II wou de interesse van de Belgen wekken voor ‘zijn’ kolonie en, meer nog, industriëlen overtuigen om erin te investeren. Bezoekers van de Koloniale Tentoonstelling konden zich in het Koloniënpaleis vergapen aan de rijkdommen van ‘de Congo’, de weldaden van witte missionarissen en het gebrek aan beschaving van halfnaakt opgevoerde Congolezen. De 269 ‘wilden’ – mannen, vrouwen en kinderen – waren door uit België uitgestuurde artsen geselecteerd uit 600 vrijwilligers uit verschillende Congolese stammen. Onder hen 178 manschappen van de Force publique. Twee Congolezen overleefden de lange bootreis naar België niet. Overdag moesten de uitgestalde zwarten hun dagelijks leven naspelen in drie aan de Sint-Hubertusvijver in het Warandepark nagebouwde dorpen (villages nègres; twee van de Bangala’s en één van de Mayombe). Het schouwspel was volledig in scène gezet. De gegrimeerde en ‘authentiek’ uitgedoste Congolezen kregen iedere dag hetzelfde programma af te werken: prauwwedstrijden, dans en gezang, vreemde gebruiksvoorwerpen demonstreren, potten bakken, primitieve wapens en ebbenhouten beeldjes vervaardigen.

De ‘inboorlingen’ werden constant bewaakt door 178 leden van de Force publique, op hun beurt in het gareel gehouden door een contingent Belgische politielui. Omdat sommige bezoekers de Congolezen eten wilden aanreiken, plaatsten de organisatoren een bord met het verzoek ze niet te voederen.

In een afzonderlijk dorp, het village de Gyseghem (ook village civilisé genoemd) illustreerden zestig in matrozenpakjes gehulde leerlingen dat negers mits de nodige inspanningen vatbaar zijn voor enige beschaving. Ze moesten de bezoekers vergasten op zang, muziek en dans. Bijna alle Congolezen werden antropometrisch opgemeten door Belgische artsen.

De “village civilisé ” (foto Alphonse Gautier)

Zeven Congolezen, bijna allen twintigers, overleefden het Belgisch klimaat en de onherbergzame levensomstandigheden niet. Ze werden begraven in de ongewijde grond bestemd voor overspelige echtgenoten, prostituees en geesteszieken. De pers schoot wakker en er kwamen vervelende vragen in het parlement. Op 30 augustus verordende België dat de Congolezen terug moesten naar de kolonie.

De commotie rond de dood van de zeven Congolezen, het begin 20ste eeuw losbarstende internationale protest tegen de barbaarsheid, uitbuiting en gruweldaden in Congo-Vrijstaat, plus de daaruit voortvloeiende overdracht van de kolonie aan België (1908), zorgden ervoor dat er in België gedurende enkele decennia geen Congolese negerdorpen meer te bezichtigen waren.

Op Expo 58 in Brussel, de laatste Belgische wereldtentoonstelling, werd aan de voet van het Atomium een vooraanstaande plaats ingeruimd voor Belgisch Congo en Ruanda-Urundi. ‘Zeven paleizen, gelegen in een tropische tuin, belichtten het Belgische beschavingswerk in zijn Afrikaanse kolonies’. Acht hectaren groot, zelfverheerlijking lukt niet op een zakdoek. De Troubadours van Koning Boudewijn, een Congolees kinderkoor onder leiding van een missionaris, en een Congolees gezelschap van 120 dansers en muzikanten die op de Heizel en in andere grote steden optraden, kregen heel wat bijval. Het Congolese namaakdorp in de Koloniale tuin werd bevolkt door een twintigtal ‘primitieve’ Congolezen. Het contrast tussen de strohutten en de stoffige grond van een hedendaags Congodorp te midden de moderne paviljoenen werkte de tegenstelling tussen beschaving en primitiviteit in de hand, praatte kolonisatie goed. Zes decennia na de tentoonstelling in Tervuren werden Congolezen eens te meer ontmenselijkt als vee, vlees voor witte toeschouwers. Niet meteen een bewijs van beschaving of vooruitgang.

De negers, zoals ze toen nog steeds genoemd werden, ‘zaten achter een bamboeafsluiting, wat de indruk wekte dat ze gevaarlijk waren’. België schaamde zich niet voor zijn kolonialisme, het was zoals andere landen trots op zijn rol als beschavingsbrenger. In het belangrijkste paviljoen van de Congolese afdeling, dat van de katholieke missies, beriep men er zich op dat ‘al zeven van de twaalf miljoen inlanders bekeerd waren’. Koning Boudewijn bleef bij zijn bezoek aan het ‘negerdorp’ toch maar op veilige afstand. Miljoenen bezoekers vergaapten zich aan de ‘als halve wilden gepresenteerde mensen die in schamele kledij aan eenvoudige werktuigen zaten te knutselen’. ‘Net apen’, vonden sommige bezoekers en ze gooiden hen pinda’s en bananen toe, soms vergezeld van oerwoudgeluiden en dito gebaren. Anderen wilden hun witte tanden en handpalmen onderzoeken. Op 26 juni berichtte Le Soir pour les Enfants (een bijlage van de krant Le Soir) over een bezoekster die luidkeels een ‘o zo schattig’ zwartje bejubelde, de jongen wat snoep toegooide dat hij zonder opkijken teruggooide over de afsluiting. ‘Goed zo’, schreef de journalist, ‘groot gelijk. Het Congolees dorp is geen zoo’. Maar dat was het dus wel. Enkele verontwaardigde figuranten hadden het dorp al na enkele dagen verlaten. Eind juli, halverwege de expo, weigerden de meesten verder vernederd te worden, de pers nam het voor hen op en het dorp werd opgedoekt voordat de wereldtentoonstelling de deuren sloot. De hutten bleven leeg achter.

Het lijdt geen twijfel dat de houding van veel bezoekers van koloniale tentoonstellingen werd ingegeven of bevorderd door de propaganda die Leopold II (tot 1908) en de Belgische staat (van 1908 tot de dekolonisatie) voerden om Congo en het imperialisme te promoten bij de Belgische bevolking. Koloniale expo’s, musea, monumenten, herdenkingsoorden, de Koloniale Loterij (vanaf 1934), koloniale film en dito onderwijs dirigeerden de geschiedenis van Congo in functie van kolonialisme, paternalisme en machtsmisbruik, zoals ook in andere koloniale landen gebeurde. De propaganda was alomtegenwoordig.

Missiespaarpotjes, missienegertjes of kniknegertjes (dankbaar knikkend als iemand geld in de gleuf stopte) stonden in Vlaanderen tot in de jaren 1960-70 op de toog van bakkers, slagers, kruideniers en in de klas. Denk ook aan Hergé’s tweede stripalbum Tintin au Congo (1931) gemaakt om bij jonge lezertjes koloniale roepingen op te wekken. De inboorlingen erin werden voorgesteld als lui, dom en bijgelovig; de opinie van de doorsnee Belg in die tijd.

Anders dan vaak beweerd wordt, waren behoorlijk wat Belgen trots op ‘hun’ kolonie, heerste er een koloniale cultuur en een enthousiast imperialisme dat ons gevoel anders en superieur te zijn sterkte.

Epiloog

In 1997 werd in de tuin van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, op de plaats waar honderd jaar voordien de negerdorpen stonden, in opdracht van de Regie der Gebouwen, een satirisch herdenkingsmonument opgericht van de hand van Tom Frantzen (°1954). De naam van het kunstwerk, The Congo, I presume? parodieert de – vermoedelijk nooit uitgesproken – woorden van Henry Morton Stanley toen hij David Livingstone ontmoette: Dr Livingstone, I presume? De beelden in de waterpartij evoceren de tentoonstelling van 1897 waarop zowel exotische dieren als mensen werden vertoond. De leeuw en de olifant keren Leopold II de rug toe. De voeten van de drie krijgshaftig uitgebeelde Afrikaanse krijgers zijn afgehakt, een verwijzing naar de onmenselijke praktijken in Congo-Vrijstaat.

een vader staart naar de afgehakte hand en voet van zijn vijfjarig dochtertje dat te weinig rubber zou geoogst hebben .

 

 

 

 

 

October 28, 2019 at 11:17 pm 2 comments

Wie was de eerste Zwarte Afrikaan in Brussel ?

Door Lucas Catherine,

Over de geschiedenis van Zwarte Afrikanen in de Zuidelijke Nederlanden is slechts fragmentarisch gepubliceerd. Dit is dan ook op het eerste gezicht een moeilijke vraag om te beantwoorden . We moeten hiervoor terug naar de tijd toen hier nog slaven rondliepen. In den beginne kende men in Europa bijna uitsluitend blanke slaven, afkomstig uit de Kaukasus en uit Slavisch Europa. In de komst van de zwarte slaven zijn grosso modo drie perioden te onderscheiden :

De tijd van de slavernij toen het nog ging om huisbedienden en vakmensen.

De tijd van de slavenhandel die diende om de plantage-economie van het beginnende kapitalisme te bevoorraden.

De koloniale tijd.

Katharina

De eerste grote Europese handelaars in zwarte slaven waren de Portugezen, later gevolgd door Hollanders, Fransen en Britten. In het begin van de 16de eeuw introduceerden de Portugezen in Antwerpen de eerste negerslaven.Toen Albrecht Dürer in 1520-1522 door de Zuidelijke Nederlanden reisde dineerde hij op 5 augustus 1520 bij João Brandão de eerste Portugese factorijhouder in Antwerpen. Hij tekent er de zwarte slavin Katharina en een zwarte bediende. Maar Antwerpen is natuurlijk Brussel niet.

1520 blijkt een scharnierjaar te zijn als we de schilderkunst als bron nemen. Schilders hadden voor de Aanbidding door de drie Wijzen een zwarte nodig, maar wat blijkt : bij de Vlaamse Primitieven – een nogal bizarre benaming uit de 19de eeuw voor wat men beter de Brugse Vroeg-Renaissance zou noemen – bij die ‘Primitieven’ zijn de drie Wijzen wit. Kijk maar naar de versie van Diederic Bouts uit 1470

Diederik Bouts, De Drie Wijzen

Later zal de derde koning een blanke worden die men zwart heeft gemaakt. De eerste zwarte Wijze zien we bij deze Anonieme Meester (ca 1520) Hier op het titelblad van de catalogus Exotische Primitieven, Brugge 2007.

 

 Wat opvalt is de rijke kledij van deze zwarte koning (en ook van de latere). Het beeld dat we toen hadden van de Afrikanen was nog niet dat van werkbeesten. De zwarten die we kenden waren huisbedienden of vakmannen die hier ongeveer hetzelfde statuut hadden als onder de Arabieren en de moslims van het Midden-Oosten: huisbediende, bijzit, vakman. Die werden bij de dood van hun meester, en vaak vroeger, vrij gelaten en kregen het statuut van volwaardig burger. Zo vinden we in Spanje zwarte ex-slaven terug als chirurg of advokaat. Aan het hof van Henry VII in Engeland werkten zwarte muzikanten (trompetisten) en aan het Schotse hof kennen we een zwarte drummer. Die zwarten arriveerden daar uit Noord-Afrika, bij ons was dit eerder uit het Ottomaanse Rijk. De bekendste is misschien wel Hasan al Wazan, gedoopt tot Leo Africanus die in 1518 door Spanjaarden werd gevangen genomen en vanaf, alweer 1520 carrière maakte aan het Pauselijk hof.

En dat gebeurde ook in Brussel. We weten dat Keizer Karel een vrijgelaten zwarte ex-slaaf, afkomstig uit het Midden-Oosten, als lijfwacht had. De man, bekend als Christoffel De Moor was begonnen als stalmeester. Moren waren specialisten in het africhten van paarden. Na zijn vrijlating werd hij dus persoonlijke lijfwacht en in die hoedanigheid trok hij in 1520 met Keizer Karel op bedevaart naar de Zwarte Lievevrouw van Halle. Jan Mostaert schilderde hem  iets later.

Jan Mostaert: Christoffel De Moor

 

Op het portret kan je zien dat hij op zijn tulband het pelgrimsmedaillon van de Halse bedevaart draagt. De eerste Zwarte in Halle, maar daarvoor dus in Brussel. En tijdens het bewind van Keizer Karel arriveren nog Afrikanen in Brussel.

Moulay Hasan, de Bey van Tunis wordt in 1530 afgezet wegens zijn wreedaardig bewind en vlucht, dankzij de reisdienst van de Graven van Turn und Tassis naar Brussel, waar hij steun zoekt bij Keizer Karel, die trouwens daarop beslist in 1535 Tunis te gaan veroveren met een leger van ondermeer Brusselse adel en Moulay Hasan weer op de troon te helpen. Moulay Hassan logeerde in Brussel bij de Graven van Turn und Tassis en in de Brusselse refuge van de Sint-Baafsadbij van Gent, naast het Begijnhof, nu het Zaterdagplein. Hij was vergezeld van een groot gevolg, onder andere van zijn zoon Moulay Ahmad. Vader en zoon waren nogal aan de zwarte kant. Jan Vermeyen, die als grafisch verslaggever mee naar Tunis trok om de verovering in cartons voor tapijten vast te leggen, maakte ook in Brussel een portret van Moulay Ahmad.

Jan Vermeyen: Moulay Ahmad.

 Rubens zal dit portret later nog eens overdoen en Moulay Ahmad zal hem ook inspireren voor zijn latere Aanbidding der Wijzen.

Rubens: Moulay Ahmad

Maar dan ontwikkelt zich binnen het groeiend kapitalisme de plantage-economie, en ons beeld van de Afrikaan zal grondig wijzigen : geen zijden kleren, geen zwaarden, geen juwelen meer.

Dat gebeurt in Sicilië en ook op het Iberisch Schiereiland. In Spanje worden werkslaven ook ingezet in de mijnen. Tussen 1559 en 1576 sterven 125 zwarte mijnwerkers in de zilvermijnen van Guadalcanal.

De plantage-economie kent haar hoogtepunt in de Amerika’s en dat is het beeld dat we nu krijgen van zwarten: werkslaven. De grootste slavenhandelaars naar Noord-Amerika waren de Nederlanders. Zij openden de eerste slavenmarkt in Nieuw-Amsterdam (nu New York). Het West-Afrikaanse eiland dat symbool staat als vertrekpunt voor de Noord-Amerikaanse slavenhandel draagt een Hollandse naam : Gorée, Franse verbastering van Goeree. Het eiland werd namelijk genoemd naar het Zeeuwse eiland Goeree, met als connotatie : Goede Rede, Veilige ankerplaats.

De Nederlanders zullen op nog een andere manier meewerken aan de foute beeldvorming over zwarten. In navolging van de Portugezen gaan ze zwarten ook als huisbedienden gebruiken. Zie dit schilderij van Eglon van der Neer uit 1680 van een blanke dame met zwart huispersonneel.

Eglon van der Neer: Dame met huispersoneel

 Dit huispersonneel zal tot voorbeeld dienen voor de bediende van Sinterklaas, Zwarte Piet. De overeenkomsten tussen de kleding van deze zogeheten Morenpages en het Pietenpak.is opvallend. Die Zwarte Piet duikt trouwens pas in de 19de eeuw op. Als ‘uitvinder’ van Zwarte Piet geldt tegenwoordig Jan Schenkman, een onderwijzer uit Amsterdam die in 1850 zijn boek Sint Nikolaas en zijn Knecht uitbracht.

Bij ons in België zal Piet pas later doorbreken, vooral door de commercialisering van Sinterklaas die lokale heiligen zonder knecht, als Sinte Maarten kwam verdringen.

Trouwens de eerste knechten zullen bij ons niet de vorm aannemen van Moorse huisbedienden, maar van voorchristelijke natuurgeesten als Kludde en vooral de Nekkers (denk aan Nekkerspoel in Mechelen of Nekkersdal in Brussel). De Nekker huisde in moerassen en bedreigde voorbijgangers. Zij zullen als strafgeesten onze Sinterklaasen in den beginne vergezellen. Zie deze foto uit 1910, met een zwart gemaakte knecht in lompen die een zware ketting voortsleept (een attribuut van Kludde met zijn Keet). De Zwarte Pieten, zoals we die nu kennen, zullen later in Brussel opduiken in Au Bon Marché, de Priba of de Innovation, waar ik ze indertijd te zien kreeg.

SinterNekker.

Met dank aan Jean-Pierre Laus van Dekoloniseer Halle die mij attent maakte op het boek Revealing the African Presence in Renaissance Europe (The Walters Art Museum, Baltimore, 2013)

August 22, 2019 at 10:51 am 2 comments


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,653 other followers