Posts filed under ‘Taal’

JEAN ES DUUT

jean2_new

door Lucas Catherine

 Jean est mort. Moest ik ooit, in navolging van Naguib Mahfouz een boek schrijven met de titel Awlad Haritna, Mensen van mijn Wijk, dan kwam Jean er zeker in.

U krijgt geen foto hier van hem. Zijn gezicht pakte niet op papier.
Jean woonde in een zijstraat van de Vlaamse steenweg, net naast de Vismet. En hij kwam iedere dag stipt om vier uur in wat ook mijn stamcafé is. Daarna is hij moeten verhuizen. Hij was getrouwd met een veel oudere vrouw die al kinderen van een andere man had en toen zij stierf verkochten die het huis van Jean en Jean moest naar een gesticht in de Marollen. Toch bleef hij komen, naar ons café waarvan ik de naam niet vernoem, want wij willen daar geen ‘vreumden’ en dan hebben wij het niet echt over Marokkanen, maar vooral over Toeristen, Vlaamse immigrés of Expats. Over al wie niet van haritna, onze wijk is en dus ook geen welkoms-beis krijgt van de Linda, de bazin achter de toog. En Linda is op zich al een verhaal. Maar niet voor nu.

Jean wist waarom hij naar dat café bleef komen, het was zijn thuis. Als ebenist, schrijnwerker in ebbenhout, had hij een goed deel van het café gedesigned – een woord waarbij hij zeker een zwans zou hebben verzonnen – en boven de toog staat een ebbenhouten kunstwerk van hem. Ik zal mij niet over de kwaliteit uitspreken, maar het hoort bij het café, zoals de reclame voor Harley Davidson er naast, want de eigenaar is een motard die niet drinkt. God moet zijn getal hebben zou Jean hebben gezegd. En iedere dag kwam hij om zijn Stella en leverde zijn portie zwans af, niet wetend of hij nu in het Brussels of in het Frans bezig was. Hij nam zichzelf ook niet au sérieux en vertelde wie het horen wilde dat hij gehandicapt was, tien percent invalide, want zijn beitel was eens uitgeschoven en hij miste twee vingerkootjes aan de ringvinger van zijn rechterhand. Kwatongen zegden dat het was omdat hij geen trouwring wou dragen. Soit. En zei hij, later als ik dood ben dan schenk ik mijn lichaam aan de wetenschap en ik heb ze nu al een stukje gegeven.
Hij werd ouder. Hoe oud weet ik niet, maar het viel hem zwaar om iedere dag van de Marollen naar de Vismet af te zakken, en vooral om bergop terug te gaan. Alhoewel, toen hij hier in de wijk nog woonde was dat op de vierde verdieping. De hoogste, want de Belgische wet zegt dat als er meer dan vier etages zijn, de eigenaar een lift moet installeren. Eigenlijk was hij dus bergop gewend. Maar in dat ocmw werd het slechter en slechter, vooral qua eten. Vroeger drie boterhammen, nu nog twee. Vroeger twee potjes boter en confituur op een tafel voor vier, nu nog van ieder een, en nooit kaas. Hoogstens eens smeerkaas. Hij werd vel over been en zijn kostuum slodderde rond zijn lijf. De schuld van Maieur, zei Linda.

Tegenwoordig is alles in Brussel de schuld van burgemeester Ivan Maieur, zeker de pietonnier. En daar is iets van. Voordat hij zich het gereïncarneerde spook van Leopold II waande en het centrum nog eens naar de kloten hielp, was hij voorzitter van dat ocmw. Er zal dus toch iets van aan zijn.
In ons café kan je ’s middags ook eten, steak en vis, verse vis van de Vismet. En Linda zei, alla eet iets, tes veu ons. Maar dat wou hij niet. Dus gaf ze hem af en toe een wafel en zo’n babybel kaasje, kwestie van niet altijd confituur daar hoog in de Marollen.

Niemand heeft hem daar ooit bezocht. Hij wou dat niet, want bezoekers moesten hun naam in een register schrijven, en pazoep, zei Jean, dan hebben ze uw adres en ga je later mijn begraving moeten betalen.
Nu hij dood is, is Linda toch gegaan. Hij lag zo in een glazen stolp in een achterkamer en zijn kamer was al ingenomen door de volgende die zal moeten gaan. En onder dat glas, zei Linda had hij geen kleren aan, ze hadden hem gewoon in een laken gewikkeld. Hij had toch een kostuum, vroeg ze aan de verantwoordelijke, maar die wist van niets. Gewassen en aan iemand anders gegeven. Allemaal de schuld van Maieur, zei Linda. Dus als Ivan Maieur volgend jaar niet herkozen wordt, dan weet je waarom.
En alla, bij zo’n stuk in het Salon moet toch een foto, en bij gebrek aan doodsprentje, de schuld van Maieur, daarom de deze hierboven. Jean staat er niet echt op. Een kermisfoto van toen hij net geboren was, in 1930 en volgens hem is hij de baby die erop staat getekend en zijn de koppen van familie. Ik kan het niet meer checken, want Jean es duut.

maart 5, 2017 at 2:11 pm Plaats een reactie

SO LONG, LEONARD

leonardcohen_1234962013

Tom Ronse

Het is alsof ik een vriend heb verloren. Al van de eerste mysterieuze song (in 1967) was ik verslaafd.
 
… And she feeds you tea and oranges
That come all the way from China
And just when you mean to tell her
That you have no love to give her
Then she gets you on her wavelength
And she lets the river answer
That you’ve always been her lover
And you want to travel with her
And you want to travel blind
And you know that she will trust you
For you’ve touched her perfect body with your mind…
 
Geen dichter zong beter, geen zanger dichtte beter. Voor de Nobelprijs is het nu te laat maar wat mij betreft verdiende hij er een. Over de jaren heen heeft hij me vaak getroost, betoverd, geinspireerd. Ik heb hem ooit geinterviewd. Hij was heel vriendelijk, zonder ster-allures. Hij nam zijn tijd, legde me uit hoe hij werkte, naar welke muziek hij zelf luisterde (country en klassiek), etc. Ik wou dat interview bij wijze van herdenking hier in het Salon plaatsen maar ik vind het niet meer. Het was in de tijd voor alles online stond. Misschien geeft het niet, er is momenteel geen gebrek aan interviews en andere herinneringen aan Leonard in de media. Bij wijze van herdenking volgen hier enkele flarden uit zijn songs, geillustreerd, de meeste door Mark McEvoy.

cohen-guests

from-so-long-marianne

lcquote

lcquote-2

revcohen-26

rev-cohen-20

dealer

Everybody knows

rev-cohen-2

revcohen23

cohen-bird

1000-kisses-deep

cohen-avalanche

rev-cohen-4

secret-life

revcohen24

cohen-23

 

leonard-cohen

 

november 12, 2016 at 5:58 am 1 reactie

Vlaanderen Vlaams?

4386489
Vlaams Minister van Wonen Liesbeth Homans vindt bereidheid om Nederlands te leren niet langer voldoende om een sociale woning te huren. Voortaan zal de (kandidaat-)huurder moeten aantonen dat hij of zij de taal machtig is zo niet zwaait er mogelijk een boete tot 5000 Euro. De wachtlijsten voor sociale woningen zijn lang. Een vreemde manier dus van de Vlaamse regering om de crisis in de sector op te lossen. De vraag is of de nieuwe eis de grondwettelijke toets doorstaat – maar los daarvan kun je je ook afvragen hoe deze maatregel te rijmen valt met het streven naar de “inclusieve samenleving” die de Vlaamse ministers zo hoog in het vaandel beweren te dragen en waaraan bij rituelen als de 11-juliviering met overgave lippendienst wordt bewezen. Linguïst Jan Blommaert wees drie jaar geleden in een artikel in Knack al op de kwalijke gevolgen van wat toen nog een voornemen was maar nu dus realiteit dreigt te worden. Lees hieronder hoe Blommaert de slogan ‘In Vlaanderen Vlaams” fileert en aantoont hoe die in werkelijkheid de ongelijkheid en onrechtvaardigheid in de Vlaamse samenleving organiseert.

Johan Depoortere

Vlaanderen Vlaams: Een Onrechtvaardige Samenleving

2014-03-16_vlaams-zangfeest-32

Door Jan Blommaert

In Vlaanderen Vlaams – deze slogan doet het weer goed. In Antwerpen hanteert het nieuwe bestuur het Nederlands als een kroonjuweel in haar welzijnsbeleid, incluis het beleid rond sociale huisvesting; de gratis tolkendiensten worden er afgeschaft. En Minister Bourgeois geeft De Wever en Homans een duwtje in de rug door te overwegen het vereiste taalniveau voor nieuwkomers in de sociale sector op te trekken van A1 tot A2. (1)

Gevraagd om uitleg trekt men de kaart van de vermoorde onschuld. “Het is toch vanzelfsprekend dat men enkel aan deze samenleving kan deel nemen wanneer men de taal spreekt”, “of:  “is dat teveel gevraagd misschien?” Het argument heeft immers iets vanzelfsprekends: juist, ja, we kunnen zaken doen met mekaar wanneer we elkaar verstaan. Dus wie kan daar nu tegen zijn?

Het antwoord is: taalkundigen zoals ik. Mensen die er hun beroep van hebben gemaakt de complexe verhoudingen tussen taal en samenleving te begrijpen en in kaart te brengen, schudden het hoofd, en wel om uiteenlopende redenen.

Een, maar al bij al minder belangrijk: de door de EU bepaalde taalniveau’s (A1, A2 enzovoort) zijn abstracties die niets te maken hebben met de realiteit van communicatie. Concreet: er is geen enkele reden waarom iemand met een lager competentieniveau geen heldere en afdoende communicatie kan hebben met iemand met een hoger taalniveau. Meer nog: dit is de regel en niet de uitzondering, want ‘het’ Nederlands is even goed een fictie.

cf3d0306faa2266e33a34c260481c990-schoolbord

Intussen beantwoordt het aanbod aan cursussen Nederlands helemaal niet aan de vraag.

In realiteit zijn er honderden afzonderlijke stukjes Nederlands, en elk van ons beheerst er een aantal zeer goed, een aantal minder, en een aantal niet. Weinig doorsnee Vlamingen zijn in staat een notariële akte te schrijven, bijvoorbeeld, wat een van de redenen is waarom die doorsnee Vlamingen behoorlijk wat geld moeten neertellen voor de taal-diensten van de notaris. Taal-ongelijkheid is de regel, ook in gemeenschappen die zichzelf als ‘eentalig’ beschouwen.

Twee, en veel belangrijker, is de evolutie van de samenleving, de tendens die we zien in de werkelijkheid. Globalisering heeft een tweezijdige ‘superdiversiteit’ geschapen, en dit proces holt aan grote snelheid vooruit. Aan de ene kant worden samenlevingen zoals de onze steeds diverser omwille van veranderende patronen van migratie, hetgeen onwaarschijnlijke dimensies van meertaligheid schept, en niet alleen meer in de grote steden. Anderzijds zijn ook de Vlaamse inboorlingen veel actiever en mobieler, en wordt de doorsnee Vlaamse leefwereld door-en-door transnationaal en dus meertalig. Zap een uurtje doorheen het televisie-aanbod en je weet waarover het gaat.

Het merkwaardige aan deze superdiversiteit is dat ze in de regel bijzonder weinig acute communicatieproblemen stelt. Mensen – doorsnee mensen – zijn immers meertalig, en ze ontwikkelen verkeerstalen die hen door complexe communicatiesituaties gidsen. Engels is een voor de hand liggend voorbeeld, maar men onderschat de cruciale rol van een soort straat-Nederlands als verkeerstaal in superdiverse stadswijken. Het geroep over ‘meer Nederlands’ gaat aan die realiteit voorbij.

00295

“In Vlaanderen Vlaams!” Wie kan daar tegen zijn?

De algemene tendens is dus een tendens naar meertaligheid, niet naar eentaligheid, en gegeven de manier waarop globalisatieprocessen werken is daar simpelweg niets aan te doen. Dat is overigens de reden waarom onze onderwijsminister, in koor met de EU, het belang van meertaligheid voor Vlaamse burgers telkens weer onderstreept. Het is ook de reden waarom academici aan Vlaamse universiteiten nu een taaltoets Engels moeten afleggen.

Die realiteit van meertaligheid verhoudt zich dus slecht tot een ideologie van eentaligheid. Het is eenvoudigweg niet juist dat men “alleen maar aan onze kan samenleving kan deelnemen” indien men Nederlands (en enkel Nederlands) spreekt. Men kan enkel aan onze samenleving deelnemen indien men verschillende talen spreekt. En die keuze van talen, de talen die men met z’n familie, vrienden en collega’s spreekt, is geen zaak voor de overheid. Het is een zaak die bepaald wordt door sociale processen, en beleid heeft daar nauwelijks een greep op.

En hier komt een derde reden. Indien men dit beleid tracht door te drukken, dan wordt het een vorm van discriminatie, een obstakel voor “deelname aan onze samenleving”, geen middel daartoe. Het optrekken van het vereiste taalniveau van A1 naar A2, bijvoorbeeld, zal geen enkel effect hebben op de echte communicatie tussen mensen. Als men bij A1 de indruk heeft van gebrekkig of houterig Nederlands, dan zal dat niet verdwijnen bij A2.

Deze ingreep lost dan ook geen enkel probleem op, maar ze schept wel een nieuw probleem: taal wordt een instrument waarmee men ongewenste doelgroepen het “deelnemen aan onze samenleving” steeds moeilijker maakt. Het effect zal voorspelbaar zijn: het wordt moeilijker om toegang te krijgen tot de welzijnsvoorzieningen van de overheid. Minder mensen zullen aanspraak kunnen maken op sociale woningen, uitkeringen, specifieke vormen van ondersteuning in het dagelijks leven.

En dit gebeurt niet omdat er in realiteit slechte communicatie heerst – dat onderzoek naar de feitelijke toestand doet men immers niet, men kent de feitelijke toestand simpelweg niet en lijkt er geen belangstelling voor te hebben. Het gebeurt omdat men zichzelf een samenleving heeft aangepraat die, in weerwil van de realiteit, eentalig zou moeten zijn. Of meer precies: een samenleving waarin wijzelf voor alles heel erg meertalig zijn en moeten zijn, terwijl we van anderen eisen dat ze een eentalig taalregime aannemen.

Zoiets heet: een onrechtvaardige samenleving.

(1) Het Vlaams parlement heeft op 30 mei 2013 het decreet over de hervorming van de integratie- en inburgeringssector goedgekeurd. Voortaan moeten inburgeraars die een inburgeringsattest willen behalen, slagen voor een examen Nederlands als tweede taal (NT2) op niveau A2 van het Europees referentiekader JD

spuwen

 

juli 11, 2016 at 3:41 pm 7 reacties

KNACK FOCUS ZUIGT

1264548020_you-are-not-cool

Het weekblad Knack bestaat, zoals u wellicht weet, uit drie verschillende boekjes. Het serieuze hoofdblad Knack, Knack Weekend dat zich vooral tot vrouwelijke consumenten richt en Knack Focus, voor de consumenten van de amusementsindustrie. Dit laatste lijkt soms in elkaar gedraaid door en voor schooljongens. Al heeft het blad ook journalisten die uitstekend schrijven  -ik denk onder meer aan Tine Hens, Roderik Six en Gert Meesters- de krampachtige neiging van sommige medewerkers om hip en cool over te komen door zoveel mogelijk de stijl en woordenschat van de dominante  Amerikaanse massacultuur na te apen kan behoorlijk irriterend zijn. Ik zou er niet over schrijven als het geen algemene tendens zou zijn, waar ook vele andere media zich aan bezondigen. Maar Knack Focus spant misschien wel de kroon. Neem nu de titel die Geert Zagers onlangs boven een stuk plaatste: “Fuck you back to what? Zes redenen waarom het zuigt om Chris Browns PR-agent te zijn”.

Nu ben ik bepaald  geen taalpurist die het Nederlands wil zuiveren van “vreemde” invloeden.  Onze moedertaal is verre van perfect; lacunes moeten noodgedwongen gevuld worden door te lenen van andere talen. Dat er vandaag vooral uit het Engels geleend wordt ligt voor de hand. Niet alleen omdat Engels de internationale taal is maar ook omdat in geen andere taal zo gemakkelijk nieuwe woorden ontstaan. Maar dit lijkt me toch een stapje te ver. Kon Zagers werkelijk geen Nederlands equivalent vinden voor de uitdrukking “it sucks to…”? Waarom niet: “Zes redenen waarom het niet meevalt om …”? Of als dat niet krachtig genoeg is, “… waarom het stinkt om …”. Dat is misschien ook een anglicisme maar de betekenis is tenminste duidelijk.  “It sucks” simpelweg vertalen door “het zuigt” getuigt van luiheid of taalarmoede of snobisme of een combinatie van alledrie.  Hou er mee op Geert. Of om het in jouw taaltje te zeggen:

Geert, jij zoon van een geweer, snij het uit, dit is stierestront. Geen weg dat dit koel is! Ik kinder niet, moederneuker. Maar hey, geen harde gevoelens, ik wil je het stinkoog niet geven, het is geen grote transactie.  Bij de weg:  je kunt beter doen want je hebt wat het neemt, graaf je? Je bent ver uit man! Hoge vijf!!

Tom Ronse

4632 cvbx

juni 11, 2016 at 6:34 am 1 reactie

N I E U W S S P R A A K III

nssp

door Jef Coeck


antimisbruikbepaling
Bv. Gas-boetes. Verbod door een overheid, ter beteugeling van een misbruik. Er zijn ook pro-misbruikbepalingen maar die heten dan: gaten in de wet. Of achterpoortjes.

baaltaal
‘Ik heb er genoeg van!’ en de duizenden varianten daarop, elke dag weer op tv. Door geïnterviewden, debaters, en vooral door gewone kijkers thuis.

bankwarenhuis
De impliciete staatsgarantie die vroeger voor gewone depositobanken gold, slaat nu op een soort bankwarenhuizen die alles doen, inclusief grote risico’s nemen. (John Vandaele)

besparing
Bij de aanmaak van de staatsbegroting wordt de discussie vaak vertroebeld door ideologische verschillen die semantisch gecamoufleerd worden. ‘Besparingen of nieuwe inkomsten?’ Versta: minder subsidies en overheidspersoneel, of nieuwe inkomsten? Anders gezegd: ontslagen of nieuwe belastingen? Het eerste is wat de liberalen willen, het tweede de socialisten. De realiteit is veel ingewikkelder, omdat de termen te vaag zijn (gehouden). Als men overheidspersoneel ontslaat, betekent dat toch automatisch nieuwe inkomsten? Maar ook nieuwe uitgaven, want stijgende werkloosheid. En als men nieuwe belastingen heft, zal een aantal bedrijven failliet gaan met gevolg: stijgende werkloosheid. De term ‘besparing’ is dus niet hanteerbeer bij begrotingsdebatten zonder een handboek vol voetnoten. Die leiden dan weer tot uitstel en nieuwe verliezen voor de staat.

bevrijdingsnationalisme
Bij het proces van dekolonisering, in de jaren 50-60 van de vorige eeuw, maakten landen zich vrij van hun doorgaans Westerse kolonisator. Dit ging vaak gepaard met opstoten van nationalisme, of althans iets wat er op leek. Alles wat uit eigen land kwam of erin ging was goed, alles daarbuiten slecht. Het bestaat nog. Neem de Koerden. Of de Taliban.

bunkermentaliteit
Een vorm van politiek bedrog. Meermaals gebruikt voor de Israëlische premier Netanyahu, die voortdurend zegt vrede met de Palestijnen te willen en tegelijk alles doet om ze te boycotten, te verdrijven of uit te roeien. Hij verschanst zich in het eigen gelijk. De man (‘Bibi’) ziet er ook uit als een bunker.

containerwoord of –begrip
Je neemt wat letters bij elkaar die lijken een woord te vormen dat begrijpelijk is. Zonder nadenken nemen we aan de betekenis ervan te kennen. Maar als je er andere betekenissen aan geeft, klopt het ook. Alsof betekenissen afval zijn, die je in een container gooit, die ze bijhoudt tot ze vanzelf verdwijnen of verrotten.

cruciaal
Bijzonder zwaarwichtig. Zoals het kruis van Jezus? Als iets cruciaal is moeten we op straf van doodzonde geloven dat het betrokken voorwerp/onderwerp met bijzondere eerbied behandeld dient te worden door de persoon die het woord gebruikt. Journalisten zijn er dol op.

demotie
Sommigen pleiten ervoor: werknemers minder betalen naarmate ze ouder worden (en dus minder presteren?) Kost meer dan het oplevert, vinden Nederlandse professoren. (de Volkskrant). Demotie gaat vaak gepaard met emotie.

deweverisering
‘Vlaanderen is aan het deweveriseren’, vinden de Franstalige commentatoren Francis Van de Woestijne (La Libre Belgique) en Béatrice Delvaux (Le Soir). ‘De Wever is een icoon geworden in Vlaanderen. Een afscheiding van Abbé Pierre, van Moeder Theresa, van Ghandi, van Aung San Suu Kyi, van Nelson Mandela: l’intouchable’ (La Libre) ‘Er is geen oppositie meer tegen de N-VA’. (uit De Standaard)

disfunctioneel gezin
eufemisme voor ‘ontwricht’ gezin. Wat eigenlijk fout is, want disfunctioneel betekent volgens het woordenboek ‘ontwrichtend’ – wat ook kan, natuurlijk. Toegepast op onze zes regeringen klopt het in alle opzichten.

donatie
gift, schenking, bv. aan de Koninklijke Schenking (niet zeggen: Koninklijke Donatie)

doorbraak
Voorbeeld van een containerbegrip. We zien de lettertjes, ze zijn simpel en we denken ze te begrijpen. Bij nader inzien weten we niet wat ze inhouden. In de jaren 50 was Doorbraak een publicatie van de Vlaamse Volksbeweging. In de jaren 80: een streefdoel van de SP en haar nieuwe voorzitter Van Miert. Nu: een crypto-propagandaorgaan van de NVA. Wijlen Johan Anthierens placht hiervoor consequent het woord ‘doorbraaksel’ te gebruiken.

dotatie
financieel faveurtje voor lid van het Koningshuis/ of voor een politieke partij

down-to-earth
Wordt in Ned. teksten wel gebruikt in de betekenis van ‘laagbijdegronds’, wat fout is. Het betekent: nuchter, zonder franje, geen kapsones. Louis Tobback is down-to-earth, niet omdat hij zo klein van gestalte is maar omdat hij doorgaans onverbloemd zegt wat hij meent.

exitgesprek
Gesprek tussen de leiding en één of meer leden van een groep, vereniging of partij, over het verlaten van de groep. Een van de langdurigste exitgesprekken was, voor zover bekend, dat van senator Rik Torfs met het bestuur van zijn partij CD&V. Tenzij het pure semantiek was.

marktlimieten
Professor-econoom Paul De Grauwe schreef De Limieten van de Markt. Zijn basisstelling is dat als de markt aan zichzelf wordt overgelaten, ze onvoldoende goed het algemeen belang dient en dat niet iedereen een billijk deel van de economische welvaart krijgt. Dat kan de democratische steun voor een markteconomie ondermijnen, waardoor die steun op termijn zelfs kan verdwijnen. Een markt die niet beteugeld wordt leidt, leidt niet tot economische groei maar tot groeiende ongelijkheid en verliest zo haar democratische backing. Er zijn politici die vinden dat de markt zichzelf reguleert en dus geen enkele beperking verdraagt. We hebben de jongste jaren al gezien tot welke rampen dat leidt. Naar gevreesd moet worden hebben we het laatste nog niet gezien.

semantiek
In de taalkunde betekent het: de leer van de betekenis van woorden. In het dagelijkse vooral politieke taalgebruik is het een eufemisme voor ‘gezwets, onzin,. Semantische discussies zijn dagelijks voorhanden op de televisie, vaak in zogenaamd informatieve programma’s. De discussie over confederalisme is tot op heden puur semantisch. Die over de begroting ook. Semantiek hangt vaak aaneen met leugens.

(wordt vervolgd)

maart 12, 2016 at 1:02 pm 2 reacties

Let op je woorden: Een kleine handleiding voor de tegenkracht

Orwell wist het al: woorden zijn zelden neutraal. Ze dienen om te verhelderen, maar tegelijk ook vaak om te verhullen en de vlag dekt maar zeer ten dele de lading. Politici en economen maken handig gebruik van die eigenschap van woorden om een verborgen boodschap over te brengen. “Strategisch taalgebruik” noemt Jan Blommaert dat. Blommaert weet waarover hij spreekt: hij is sociolinguist en doceert aan de universiteit van Tilburg als hoogleraar taal, cultuur en globalisering.  Onderstaande tekst uit november 2013 blijft vandaag meer dan actueel.

Johan Depoortere 

Afbeelding

Jan Blommaert

 

Het taalspel

Politiek is een taalspel. Zowat elke politieke handeling houdt een dimensie in van strategisch taalgebruik, waarin woorden welbepaalde betekenissen toegewezen krijgen en waarin er naast de ‘pure’ betekenis ervan nog een reeks suggestieve betekenissen worden aan toegevoegd. Hier zou nu een lange lijst van voorbeelden kunnen worden gegeven, maar ik beperk met tot een enkele illustratie.

Links is radicaal. In de modale pers en burgerlijke goegemeente (de twee zijn vaak synoniem) staat links gedachtegoed vrijwel automatisch voor ‘radicaal’ en ‘extremistisch’ gedachtegoed. We zien dat in het Engels, waar het woord ‘radical’ in, bijvoorbeeld, ‘a radical intellectual’ of ‘radical thought’ enkel slaat op linkse intellectuelen en linkse gedachten. Rechts is vanuit dat kader vrijwel altijd ‘gematigd’, en wanneer men het etiket ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ hanteert voor rechtse politiek, dan betekent dit dat die rechtse politiek – denk nu even aan Vlaams Belang en dergelijke – niet langer eerbaar of respectabel is vanuit de burgerlijke gematigdheid. Links is antiburgerlijk en derhalve automatisch niet eerbaar en respectabel, het is per definitie ‘radicaal’.

Noteer terloops de sterke morele dimensie van dit spel. Termen zoals ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ zijn niet puur beschrijvend – ze zijn geen objectieve beschrijvers, wel subjectieve. Want deze termen drukken een moreel oordeel uit, een morele evaluatie als ‘slecht’, ‘kwaad’. Het is binnen dit kader niet goed wanneer je radicaal bent; het goede situeert zich in de matiging, het compromis, de haalbaarheid. Dit moreel kadertje van goed en kwaad beheerst de burgerlijke opvatting over politiek.

Paradoxen

Dat schept eigenaardige situaties. Een partij die oproept tot, ik zeg maar wat, een etnisch geordende samenleving met een helder onderscheid tussen eerste- en tweede-klasse burgers; tot de verlaging van de minimumlonen; de afbouw van het gratis onderwijs en de betaalbare gezondheidszorg; de repressie van werkloze mensen en minderheidsgroepen; de afschaffing van vakbonden; de bestraffing van alledaags gedrag dat niet binnen ongespecifieerde regeltjes valt – zo’n partij is niet meteen ‘radicaal’. Neen, hier zullen media en burgerij de vraag stellen naar de ‘haalbaarheid’ of ‘opportuniteit’ van zo’n maatregelen, niet naar het moreel gewicht van zo’n voorstellen binnen een kader van goed en kwaad in de samenleving.

Een partij die daarentegen oproept tot een meer rechtvaardige samenleving, met fiscale rechtvaardigheid en de beperking van uitbuiting, speculatie en privileges voor de elites; die gratis onderwijs en gezondheidszorg voorstaat; die pleit voor pensioenen die ouderen een menswaardig leven laten leiden; die de gelijkheid van alle mensen predikt – zo’n partij wordt binnen datzelfde kadertje van goed en kwaad in de hoek van het kwaad gezet.

Schermafbeelding 2015-05-25 om 11.33.18De paradoxale aard van dit soort snelle kwalificaties kwam onlangs duidelijk aan het licht in Groot-Brittannië, toen de Daily Mail uitpakte met een aanval op de (in 1994 overleden) Marxist Ralph Miliband, vader van de huidige Labourleider. De krant beweerde dat ‘Rooie Ralph’ een landverrader was en bovendien als Marxist onmogelijk het beste kon voorhebben met de Britten. De boemerang keerde snel terug. Commentatoren met een historisch bewustzijn wisten te melden dat Lord Rothermere, de oprichter van de Daily Mail, in de jaren 1930 een notoir fascist was, die zich graag liet voorstaan op zijn persoonlijke contacten met Adolf Hitler. Miliband daarentegen vocht met de Royal Navy tegen Hitler; de kwestie landverraad was dan ook snel beslist.

Wat het tweede punt betrof – Miliband als een kleine Britse Stalin: ook daar keerde de boemerang snel terug. Mensen die het werk van Miliband kenden lieten weten dat Miliband nu net een resoluut tegenstander was van de Stalinistische interpretatie van het Marxisme, en dat hij een reeks zaken voorstond waar men als moreel wezen moeilijk bezwaren tegen kon uiten. Miliband stond voor rechtvaardigheid en gelijkheid, voor een samenleving waarin ieder naar vermogen bijdroeg en naar behoefte ontving, voor een maximale democratie die niet wordt gedomineerd door de privileges van kleine groepen; dat hij zich heftig verzette tegen armoede, ongelijkheid en uitbuiting, en telkens weer hamerde op de menswaardigheid en de vrijheid van elk individu.

De conclusie van het debat was dan ook – tot spijt van de Daily Mail – dat een Marxist als Miliband het eigenlijk goed meende met de Britten. Meer nog: men kwam tot de bevinding dat het ‘radicalisme’ en ‘extremisme’ van iemand zoals Miliband – een streng socialist – best wel goed zou kunnen zijn voor de samenleving, en zelfs voor de wereld. Het kadertje van ‘goed’ en ‘kwaad’, waarbij links vrijwel meteen bij het ‘kwaad’ wordt gerangschikt, blijkt bij nadere inspectie van de bewijslast geen steek te houden: de verhouding is precies omgekeerd.

Hoe kan dat nu? Wel, dat kan omdat de kwalificatie van ‘radicaal’ niet van Gods hand komt, maar wordt toegekend door specifieke actoren in de samenleving. De aanval op Miliband kwam vanuit een zeer rechtse hoek – de Daily Mail ademt nog steeds de geest van z’n stichter en is de spreekbuis van de aristocratie en het patronaat, en van de rechtse Conservatieven in Groot-Brittannië. Ze zijn dus geen neutrale kwalificaties maar politieke kwalificaties, een weergave van het standpunt van een belangengroep die een welbepaalde positie in de samenleving inneemt.

Een methodologisch principe

We kunnen uit het voorgaande een methodologisch beginsel halen. Ik schets het in enkele punten.

  1. Woorden die politiek worden gebruikt zijn nooit neutraal, ze geven altijd een politieke positie weer.
  2. Een onderzoek van woorden en hun gebruik is dan ook een onderzoek naar de politiek die deze woorden gestalte heeft gegeven.
  3. Dat betekent dat we ons bij elke term die als ‘neutraal’ wordt voorgesteld de vraag moeten stellen: wiens woord is dit?
  4. En dat we terzelfder tijd moeten nagaan voor welke concrete realiteit dat woord wordt gebruikt.
  5. Op die manier kunnen we bepalen welke politieke positie dat woord eigenlijk dekt, en kunnen we onze eigen politieke positie daar tegenover bepalen. Dat woord kan ons niet langer manipuleren.

Het is via dit laatste dat de Britten hun paradox ontdekten: iemand die z’n leven riskeerde op de Normandische stranden van D-Day kan je moeilijk een ‘landverrader’ noemen, en iemand die vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit bepleitte kan je moeilijk bestempelen als iemand die het slecht voor heeft met de mensen.

Dit methodologisch beginsel heeft enorme gevolgen. Telkens men iets leest of hoort stelt men zich de vraag: van uit welke hoek in de samenleving komt dit? Voor wie is dit een waarheid? En waarom? Het eenvoudige principe van kritiek dat ik hier voorstel schept met andere woorden een reusachtige ruimte van analyse, waarin men via uitspraken telkens weer op zoek moet gaan naar de politieke posities in de samenleving, de bewegingen er tussen, de veranderingen er in.

Het spreekt vanzelf dat iemand die deze kritiek gedisciplineerd toepast weinig geloof hecht aan termen zoals ‘de publieke opinie’, omdat ook daar de vraag moet gesteld worden: wiens publieke opinie bedoelt men hier? Het is dus via dit eenvoudige beginsel dat men afscheid neemt van wellicht de grootste mythe – of leugen, zo U wil – die ons beheerst: die van een homogene samenleving die in eenzelfde richting denkt, praat en handelt. Zoals Bourdieu zo vaak beklemtoonde: dit is net de visie van de macht, van degenen die de macht in handen houden, want enkel zij zijn ermee gediend elke vorm van tegenkracht weg te denken en te minimaliseren, en ‘hun’ samenleving voor te stellen als unaniem in haar steun aan hun macht.

De tegenkrachten zelf verliezen via deze mythe elke legitimiteit – elke rebel voelt zich alleen tegenover een overweldigende meerderheid van mensen die het eens zijn met datgene wat hij of zij afwijst en bestrijdt. De voorstelling van de samenleving als een solied en eensgezind geheel is dan ook een van de krachtigste instrumenten om het verzet tegen de macht te marginaliseren en plat te drukken.

Het principe toegepast: ‘economie’

Wie het principe toepast bevindt zich daarentegen in een heel andere maatschappij: een maatschappij die bestaat uit een mozaïek van heel diverse groepen, die zich vanuit hun specifieke positie in de samenleving groeperen rond hun eigen belangen, en van daaruit politiek handelen. Het spreekt vanzelf dat dit beeld een enorm veel waarachtiger en precieze weergave is van de realiteit.

Goed, laat ons dit principe nu  even toepassen op de retoriek van vandaag, de retoriek over de zogenaamde ‘crisis’.  Ik zet dit woord prompt tussen haakjes, want ook hier rijst de vraag: wiens crisis? Voor wie is er een crisis? Wel, al zeker niet voor het stijgend aantal miljonairs in ons land en elders, en al evenmin voor de CEO’s van grote bedrijven, die hun salaris de afgelopen jaren fors hebben zien stijgen.  Het woordje ‘crisis’ zelf is dus al iets wat om kritische analyse schreeuwt.

Het centrale begrip in zowat alle retoriek over de crisis is ‘de economie’. Het is de economie die in crisis is, en het is dan ook de economie die opnieuw moet aangejaagd worden. Drie opmerkingen horen hier bij.

  1. De economie wordt systematisch voorgesteld als een autonoom iets, dat volkomen los staat van de rest van de samenleving, en daardoor ook immuun is voor de wetten en behoeften van die samenleving.
  2. De economie wordt stelselmatig gebruikt als eenvoudig synoniem voor kapitalisme
  3. En vaak nog iets specifieker, als synoniem voor bedrijven.

Onthoud deze drie punten goed, en roep ze op telkens je het woord ‘economie’ hoort. Men zegt “de economie is in crisis”, en denk meteen “het kapitalisme is in crisis”; je hoort “we nemen economische relance maatregelen”, en je denkt meteen “we nemen maatregelen die het kapitalisme een relance moeten geven”; en je hoort “we moeten zuurstof aan onze economie geven” en je denkt “we moeten zuurstof (geld, dus) geven aan onze bedrijven”.

Je hebt nu eigenlijk een analyse uitgevoerd. Want je begrijpt dat, telkens men het woord ‘economie’ gebruikt, men

(a) spreekt over een zeer specifiek economisch stelsel – dus over slechts een van een reeks mogelijke economische stelsels; het is niet om het even welke economie die in crisis is, wel de kapitalistische economie. Dat betekent dat de oorzaken daarmoeten gezocht worden – in de structuren van het kapitalisme, en dat de oplossingen eveneens op dat niveau liggen.

(b) Tevens spreekt men over een zeer specifieke reeks economische actoren, ondernemingen, die vooral als begunstigde synoniem gesteld worden voor de ‘economie’. Inspanningen voor de ‘economie’ – een relancepact, een concurrentiepact – zijn dan ook geen inspanningen ten voordele van iedereen, wel ten voordele van een heel bepaalde belangengroep binnen de (echte) economie.

(c)  En wat dat laatste betreft: als de economie zich heeft losgerukt uit de samenleving en weigert zich door die samenleving te laten sturen en beïnvloeden, dan weten we nu dat dit gelijk staat aan kapitalistische ondernemingen die zich aan elke vorm van sociale en overheidscontrole willen onttrekken, en dus niets minder dan de droom van Friedman en Hayek willen verwezenlijken: de enige echt relevante politieke kracht worden. Dit is een ideologische bevinding.

voor-alle-werknemers

Werdgevers of werknemers?

De losmaking van de economie uit de samenleving – ik ga daar nog even op door – is een ideologisch standpunt; het heeft niets objectiefs, het is een machtsgreep die wordt voorgesteld als logisch en vanzelfsprekend. In werkelijkheid omvat de ‘economie’ immers de gehele samenleving, dat is: het hele samenspel tussen diverse actoren, zoals bedrijven en kapitalisten, de arbeidende bevolking, de consumenten, de overheden, de ambtenaren, de werklozen – dat samen is ‘de economie’. De economie vernauwen tot slechts diegenen die goederen en kapitaal verhandelen slaat nergens op, en indien men enkel dieactoren steunt in een ‘economisch’ beleid, dan voert men een kreupel beleid. De ‘economie’ groeit dan, maar de samenleving verarmt. Ik ga daar straks wat dieper op in, want dat is precies wat er thans gebeurt.

De ‘arbeidsrelatie’

Een tweede illustratie van het principe gaat over een reeks begrippen die de verhouding binnen het arbeidsproces weergeven. En laat ons beginnen met het meest voor de hand liggende: werkgever versus werknemer.

Er is van alles heel erg fout aan dit begrippenpaar.

  1. Werk wordt niet gegeven maar aangekocht binnen een contractuele relatie op de arbeidsmarkt;
  2. Ondernemingen verschaffen dan ook geen werk; ze scheppen een marktvraag voor werk.
  3. In dat opzicht zijn de ondernemingen de echte ‘klanten’ van de arbeidsmarkt, niet de arbeidende bevolking.

De relatie tussen werk ‘geven’ en werk ‘nemen’ wordt nu voorgesteld als een relatie waarin een partij iets ‘schenkt’ dat de andere ‘ontvangt’; de bevoorrechte en bevoordeelde partij zou dan de ‘werknemer’ zijn; de partij die een inspanning doet is dan de ‘werkgever’. In realiteit gaat het om een transactie, waarin de ‘werkgever’ (de ondernemer) iets vraagt en het ook verkrijgt aan een bepaalde prijs, het loon.

4. De relatie tussen ‘geven’ en ‘nemen’ is dan ook in wezen precies omgekeerd: het is de arbeider die ‘werk geeft’ (aan een bepaalde prijs) aan de ondernemer, die het ‘werk neemt’ en het omzet in kapitaal.

Het is die fictieve verhouding tussen een ‘weldoener’ – de ‘werk-gevende’ ondernemer – en een ‘begunstigde’ – de ‘werk-nemende’ arbeider – die bijzonder veel debatten over sociaaleconomische thema’s vergiftigt. Binnen het systeem van arbeidsverhoudingen hebben beide partijen elkaar immers nodig om tot resultaten te komen. Er kan niets worden geproduceerd zonder de arbeid van ‘werknemers’, dus zonder dat ‘werknemers’ werk geven, en deze ‘werknemers’ kunnen niet leven zonder het loon dat ze voor hun arbeid ontvangen.

Dit brengt ons bij een tweede reeks begrippen in dit verband: begrippen die we zeer vaak horen wanneer het gaat om lonen: ‘loonlasten’, ‘loonhandicap’, ‘loonkloof’.

Alle drie de begrippen zijn schoolvoorbeelden van hoe woorden specifieke posities vertolken: voor wie is loon eigenlijk een ‘last’? Ik ken weinig loontrekkenden die hun loon ervaren als een last; ik ken er eveneens weinig die hun loon ervaren als een ‘handicap’. Deze begrippen vertolken dan ook uitsluitend het perspectief van zij die lonen betalen, niet dat van zij die ze ontvangen. Laat ons ook op dit punt enkele zaken op een rijtje zetten.

  1. Deze termen worden enkel gehanteerd wanneer het gaat om de lonen van ‘gewone’ werknemers. De toplonen van CEO’s en hogere kaderleden worden nooit betrokken in discussies over ‘loonlast’ of ‘loonkloof’, ook al zouden deze begrippen uitstekend toegepast kunnen worden op, bijvoorbeeld, de kloof tussen de lonen van de gemiddelde arbeider en die van de hogere kaderleden binnen een bedrijf. De begrippen worden, kortom, selectief gehanteerd (door de CEO’s bijvoorbeeld).
  2. ‘Loonkloof’ en ‘loonhandicap’ slaan op het feit dat lonen (de lonen uit punt 1, wel te verstaan) in ons land hoger liggen dan in de naburige landen. Althans, dit is de enige richting waarin deze begrippen gehanteerd worden: wij hebben een handicap omdat arbeiders elders nog minder verdienen dan wij. Men kan het ijkpunt moeiteloos omkeren: het probleem is niet dat arbeiders hier meer verdienen, wel dat arbeiders elders minder verdienen.
  3. Loon kan weliswaar als ‘last’ of als ‘handicap’ worden ervaren door zij die het moeten uitbetalen; ze moeten echter enkele dingen goed beseffen: (a) loon uitbetalen is geen vorm van liefdadigheid maar een contractueel overeengekomen plicht; (b) waarvoor ze eveneens iets terugkrijgen: arbeid, en via die arbeid kapitaal. Lonen worden steeds volledig terug verdiend via de prijs van het afgewerkte product.
  4. Wie toch blijft insisteren op de logica van ondernemers die ‘loonlast’ ervaren, kan even goed spreken van consumenten die ‘prijslast’ ervaren; ik ben namelijk ook de mening toegedaan dat ik veel te veel moet betalen voor mijn elektriciteit, gas, benzine, enzovoort.

‘Groei’ en ‘competitiviteit’

Twee andere termen verdienen onze aandacht, omdat ze net als de vorige uitermate frequent worden gehanteerd in de debatten over de sociaaleconomische politiek.

“Groei” is een oud begrip en het geeft het basismechanisme van een kapitalistisch systeem aan: het permanente streven naar de verhoging van de winsten.  Groei betekent dus in wezen ook enkel dat: de groei van de winsten van kapitalistische bedrijven, doorgaans gemeten door de waarde van de aandelen ervan.

Groei kreeg echter een ruimere definitie doorheen het ‘sociaal pact’ dat de naoorlogse West-Europese welvaartsstaat kenmerkte. Ook de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie schaarde zich achter het beginsel van de groei, want economische groei zou zorgen voor de algehele tewerkstelling – niemand zou werkloos zijn – en zou daardoor de algemene welvaart verhogen, want in een situatie van algehele tewerkstelling zouden de lonen een hoog peil moeten bereiken.

Noteer – en dit is uiterst belangrijk – dat de arbeidersbewegingen zich achter het streven naar groei schaarden omdat groei tewerkstelling zou scheppen. Ook vandaag de dag hoort men dit argument, dat groei intiem verweven is met de toename van de tewerkstelling. Niets is echter minder waar: door de transformaties van het kapitalisme in de afgelopen decennia zien we dat groei van de waarde van aandelen geen verband meer heeft met tewerkstelling, dan, doorgaans, een negatief verband. De waarde van aandelen van bedrijven stijgt wanneer er massale afdankingen binnen dat bedrijf plaats vinden. Economische groei staat op dit ogenblik volkomen los van het scheppen van arbeidsplaatsen.

Hetzelfde geldt voor de relatie tussen groei en de hoogte van de lonen: precies het omgekeerde mechanisme is nu de regel. Er is maar groei in zoverre de lonen zeer laag worden gehouden, de arbeidsmarkt verregaand wordt ‘geflexibiliseerd’ (d.w.z. dat de economische onzekerheid afgewenteld wordt op de arbeider, die alle controle verliest over perioden van tewerkstelling, duur van tewerkstelling, vorm van tewerkstelling en voorwaarden voor tewerkstelling), en het volume van ‘vaste’ en ‘beschermde’ werknemers afgebouwd wordt ten voordele van het volume aan tijdelijke en deeltijdse werknemers, of ten voordele van onderaannemers.

“Groei” is vandaag dan ook een woord dat staat voor sociale afbraak, verarming en verhoogde uitbuiting, en wie streeft naar ‘groei’ – in deze betekenis – kan moeilijk een vriend van de linkerzijde zijn.

Idem met “competitiviteit”. Onze bedrijven zijn niet “competitief”, het “concurrentievermogen” van “onze economie” gaat in dalende lijn, en de “loonlasten” zijn daarvoor verregaand aansprakelijk. Zonder een verhoging van de “concurrentiekracht” van ondernemingen kunnen er ook geen arbeidsplaatsen geschapen worden.

De betekenis van “competitiviteit” is eenvoudig: een bedrijf is “competitief” wanneer het zijn concurrenten verslaat; dat wil concreet zeggen: wanneer het hogere winsten maakt dan de concurrenten. Het wordt heeft geen enkele andere betekenis in het publieke debat over deze zaken. Wanneer men ten voordele van de “concurrentiekracht” of “competitiviteit” van onze ondernemingen de belangen van een gehele samenleving wil opofferen, dan moet die samenleving goed beseffen dat zij daar in overgrote meerderheid geen belang bij heeft. De band met tewerkstelling en verloning hebben we al besproken – bedrijven maken slechts meer winsten in de huidige conjunctuur door de kost van de aangekochte arbeid te verlagen. Een concurrentiebeleid  houdt dan ook haast onvermijdelijk (a) een toename van de werkloosheid, (b) een toename van precaire arbeidsvormen – interim, deeltijds enz., en (c) een verlaging van de lonen in. Zowel ‘groei’ als ‘competitiviteit’ zijn dan ook begrippen die volkomen het standpunt van de ondernemingen vertolken, niet dat van de rest van de samenleving.

Kromtaal recht trekken

Zoals gezegd, het beginsel is eenvoudig. Stel gewoon de vraag: ‘wiens woorden zijn dat?’ het effect van die vraag is een hele analyse waarin je kromtaal niet enkel blootlegt, maar ook op een aantoonbare manier kan weerleggen.

Die kromtaal is immers verbijsterend absurd. Ik geef twee voorbeelden. Enkele maanden terug kwam oud-premier Yves Leterme, nu hoge pief bij de OESO, ons meedelen dat de lonen in dit land nog altijd veel te hoog lagen (niet die van CEO’s uiteraard, zie eerder), en dat het openbaar vervoer in dit land veel te goedkoop was. Ons land zou er dus, volgens Leterme en zijn OESO, op vooruitgaan wanneer (a) de mensen minder verdienen en (b) meer moeten betalen voor bepaalde basisbehoeften zoals transport. Minder verdienen en meer uitgeven: in mijn wereld betekent dat verarming. En die verarming zou ik dan als ‘vooruitgang’ of ‘verbetering’ van de toestand moeten begrijpen?

epa03163537 (08/18) Local residents look for food in a pile of garbage at Perama, 25 km west of Athens, Greece, 22 March 2012. From 10 to 24 March the municipality of Perama was full of piles of garbage because the gas stations who supply the municipality vehicles were unpaid for several months. The unemployment in the town of Perama has exceeded 60 per cent while in the small shipyards and the significant Shipbuilding and Repair Zone of the area has hit 95 per cent. The social fabric of the town of Perama faces the threat of collapse as thousands of families live below the poverty level.  EPA/ORESTIS PANAGIOTOU PLEASE SEE ADVISORY epa03163529 FOR FULL FEATURE TEXT

Griekenland op de goede weg?

media_xl_1100243Het tweede voorbeeld sluit erbij aan. Onlangs liet de Trojka die de Eurocrisis moet bezweren weten dat Griekenland ‘op de goede weg’ was en ‘tekenen van herstel’ vertoonde. In diezelfde week kondigden drie grote Griekse universiteiten aan dat ze hun deuren moesten sluiten wegens tekort aan financiering. Enkele maanden eerder was (op aanbeveling van de Trojka) de Griekse openbare omroep al gewapenderhand stilgelegd. De enorme toename van de werkloosheid, de zeer grote inleveringen op loon van de Griekse werknemers, de drastische verlagingen van pensioenen en uitkeringen, het stilvallen van de basisgezondheidszorg, het huisvestingsprobleem – al die zaken zullen de Trojka beslist niet zijn ontgaan. Maar toch zijn net deze feiten ‘tekenen van herstel’. Ik slaag er niet in te begrijpen hoe de totale instorting van een samenleving als teken van herstel kan worden gezien – herstel waarvan? En wiens herstel?

We hebben in de delen hierboven een reeks begrippen uitgekleed, ze herleid tot hun werkelijke betekenis, en aangetoond dat ze ons manipuleren wanneer wij hen een objectieve en feitelijke waarde toekennen. We hebben die begrippen de afgelopen jaren miljoenen keren op ons afgevuurd gezien; velen onder ons zijn dan ook gewend geraakt aan hun manipulatief gebruik, en zijn ze zelf ook gaan gebruiken in die manipulatieve betekenis, ook al is dat regelrecht in strijd met de eigen belangen. Zo heb ik mensen horen pleiten voor “de stabiliteit van de Euro”, terwijl zij steeds minder van die Euro’s in bezit hadden.

Een tegenkracht moet intellectueel zijn als ze politiek wil zijn; ik bedoel ‘intellectueel’ hier niet in elitaire zin, integendeel. Ze moet intellectueel zijn omdat ze gedragen wordt door het kritische denkwerk van iedereen, jong en oud, man en vrouw, groot en klein in de samenleving. Iedereen moet in staat zijn creatief en kritisch analyses te maken en die goed beargumenteerd door te geven. De kritiek van woorden is daarbij een zeer belangrijke zet en een krachtig instrument, dat al bij al ook makkelijk te hanteren is.

Dat deze taalstrijd bij sommigen als ‘radicaal’ wordt ervaren nemen we er graag bij. We weten immers dat ‘radicaal’ meer zegt over degene die het woord gebruikt dan over degene op wie het wordt toegepast. En we weten ook dat onze kritiek vaak op eenvoudige common sense neerkomt. Via welke merkwaardige logica moet ik anders aanvaarden dat mijn toestand erop vooruit gaat wanneer ik armer word? Of dat mijn bedrijf gered wordt doordat ik mijn baan verlies?

Jan Blommaert

Deze tekst is gebaseerd op de slottoespraak van Jan Blommaert op de derde dag van het Socialisme, 2 november 2013.

mei 25, 2015 at 9:50 am 2 reacties

EEN KOSTSCHOOL IS SCHRIJVERSGOUD

Brouwers-Jeroen-foto-Annaleen-Louwes

door Jef Coeck

Er is een nieuwe Jeroen Brouwers. Jaaaa! En hij gaat over mishandeling van jongetjes in de kostschool. O Neee!! Moeten we nu weer door de pedofielenzeik waden? Na de kranten, de weekbladen, de televisie, de radio, de facebooks en –crooks, na pastoors, bisschoppen en de paus zelve zullen we nu ook nog onze beste schrijvers zich laten corrumperen met letterlijk uitgemolken onderwerpen?

Er is één troost: het is een roman, want dat staat er buiten op en hij heeft het ook al in tien interviews gezegd. Dit is niet autobiografisch, de schrijver zelf is destijds nooit sexueeel misbruikt geworden, althans niet op de kostschool. En nog een: het gaat maar matig over sexueel misbruik, en heel veel over fysieke, intellectuele en morele mishandeling door de dienaren gods. Dat klinkt al beter, hoewel de vergrotende trap van ‘goed’ hier alles behalve toepasselijk is.

‘Het Hout’ van de titel is een stokachtig en hard voorwerp, een soort borstel zonder haren, waarmee de jongens gekasteid worden als hun ‘opvoeders’ daar zin in hebben. Wat het verhaal nog prangender maakt is, dat het zich afspeelt in een kloosterschool vlakbij de Duitse grens, Zuid-Limburg (Ned.), begin jaren vijftig dus vrij kort na de oorlog en dat de Opper-houtslagmeister een Duitse franciskaan is. Zo speelt de auteur zich een mooie troef in handen: hij kan hele stukken dialoog of de korte weergave ervan in een soort Duits-Nederlands omzetten. En reken maar dat het werkt, soms op de lachspieren dan weer op de ruggewervel. Terloops, de franciscanen waren vanaf de 13de eeuw de favoriete pauselijke uitvoerders van de inquisitiebesluiten. Maar dat soort leuke details hoef je geen Jeroen Brouwers te vertellen.

Het gaat dus weer zoals (bijna) altijd met een boek van Brouwers. Ik begin erin te lezen en het steekt me goed tegen: het onderwerp, de woordkeuze, de verhaallijn, de contextuele details, alles. Nee, hier heb ik geen zin in, denk ik dan, als ik wil walgen ken ik fijnere methoden, ik drink gewoon een glas wijn teveel onder het kijken naar een B-film met bijvoorbeeld Eddy Murphy. Maar Brouwers laat me niet los. Want ik wéét natuurlijk dat ik, twintig bladzijden verder, niet meer los kàn van het boek. Stijl en verhaal zijn dan zo dwingend geworden, dat je ervoor op zou blijven om het uit te lezen. Aldus geschiedt.

De hoofdfiguur, de jonge broeder Bonaventura – geen incarnatie van Brouwers, dus – ondergaat en onderneemt zowat alle dingen die des mensen zijn. Hij is per ongeluk en tegen maar ook toch wel met zijn zin in het klooster versukkeld geraakt, doet daar nu zijn devotie tussen de kostschooljongens en de fraters in. Hij bekleedt dus een uitstekende observatiepost en is een meer dan geschikte persoon om te weten wie van het hout kreeg als hij het zelf al niet was. Ouders die van hun zoontjes te horen kregen dat ze mishandeld waren, reageerden: Je zal het er wel naar hebben gemaakt. De broeders weten heus wel wat goed en rechtvaardig is. Er spande zich een membraan van angst over het leven binnen de muren.

Brouwers schrijft in een ritme waaraan niet te ontsnappen valt. Een cello-suite van Bach. Ook als de klankkleur je niet helemaal aanstaat, blijf je toch luisteren. Zo lees je, beschaamd maar leergierig door in een vijf pagina’s-lange verkrachtingsscène waarin schoolhoofd Mansuetus, de mof, maar geen greep krijgt op het steeds kleiner wordende geslacht van het jongetje dat soms helemaal uit zijn handen glipt. Hij wordt met ether buiten bewustzijn gebracht; zo verrukkelijk moest sterven zijn. Hoe dramatisch en walgelijk ook, het hele verhaal is hilarisch, alsof Bach zelf met zijn cello door de lucht klieft terwijl hij rustig doorspeelt.

Het is een soort klassenstrijd die het instituut op stelten zet en almaar harder gevoerd wordt. De middenfiguur Bonaventura tracht eerst nog neutraal te blijven, of noem het objectief, of loyaal aan iedereen. Maar dat wordt van langsom minder mogelijk. Uiteindelijk kiest hij voor de onderkant, tegen de machtigen. Maar het loopt niet uit op een revolutie, zelfs niet op een Groote Stooringhe. Bonaventura is geen Rodenbach, laat staan een Karl Marx. De opstand gaat vanzelf over: De kloosterling raakt verliefd.

Het derde boekdeel is van een ongemene tederheid, vaak gecamoufleerd in spitse formuleringen (van haar, ene Patricia) of in opperste klunsigheid (van hem). Je zou denken: nu kan hij het klooster wel achter zich laten, ze willen het allebei, maar hij zal het moeten doen. Hij is te laf. Hij leest haar gesmokkelde brieven op de ouderwetse patersplee, waar de stank en de vliegen niet te harden zijn, maar het is de enige plaats met wat privacy. Bij zo’n treurigheid blijven je ogen niet droog. Hij mag niet durven wat hij zou willen durven. Hij scheurt haar brief in duizend snippers, dumpt ze in de excrementen, een moeras van stront. “Wat ben ik aan het doen, wat doe ik hier. Alles aan mijn lichaam, alles in mijn overhoop geploegde hersens hunkert naar jou.”

Tot slot moet Bonaventura op het matje bij overste Benedictus. Die heeft een nieuw soort Nederlands ontworpen om iemand uit te kafferen. Brouwers inventor. Bonaventura moet als straf naar de missies, Nieuw-Guinea, streek Fakfak. De beklaagde, die eigenlijk Eldert Haman heet, denkt fukfuk. Dat is denken. Maar doen?

De rest mag ik niet prijsgeven, om het lezersplezier niet te bederven. Maaar het is Pasen, het feest van de wederopstanding. U zal er nog van opkijken, van dit slot van Brouwers’ laatste roman. Allerlaatste? Dat is tenminste wat hij zegt, althans suggereert, maar ja wie kent de toekomst? En het zou ons verbazen als hij niet al een ideetje had voor zijn volgende boek. Het zal niet over de kostschool gaan, denk ik.

*Jeroen Brouwers, Het hout, Roman, uitg. Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2014

oktober 10, 2014 at 1:43 pm Plaats een reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.315 andere volgers