Posts filed under ‘Taal’

Let op je woorden: Een kleine handleiding voor de tegenkracht

Orwell wist het al: woorden zijn zelden neutraal. Ze dienen om te verhelderen, maar tegelijk ook vaak om te verhullen en de vlag dekt maar zeer ten dele de lading. Politici en economen maken handig gebruik van die eigenschap van woorden om een verborgen boodschap over te brengen. “Strategisch taalgebruik” noemt Jan Blommaert dat. Blommaert weet waarover hij spreekt: hij is sociolinguist en doceert aan de universiteit van Tilburg als hoogleraar taal, cultuur en globalisering.  Onderstaande tekst uit november 2013 blijft vandaag meer dan actueel.

Johan Depoortere 

Afbeelding

Jan Blommaert

 

Het taalspel

Politiek is een taalspel. Zowat elke politieke handeling houdt een dimensie in van strategisch taalgebruik, waarin woorden welbepaalde betekenissen toegewezen krijgen en waarin er naast de ‘pure’ betekenis ervan nog een reeks suggestieve betekenissen worden aan toegevoegd. Hier zou nu een lange lijst van voorbeelden kunnen worden gegeven, maar ik beperk met tot een enkele illustratie.

Links is radicaal. In de modale pers en burgerlijke goegemeente (de twee zijn vaak synoniem) staat links gedachtegoed vrijwel automatisch voor ‘radicaal’ en ‘extremistisch’ gedachtegoed. We zien dat in het Engels, waar het woord ‘radical’ in, bijvoorbeeld, ‘a radical intellectual’ of ‘radical thought’ enkel slaat op linkse intellectuelen en linkse gedachten. Rechts is vanuit dat kader vrijwel altijd ‘gematigd’, en wanneer men het etiket ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ hanteert voor rechtse politiek, dan betekent dit dat die rechtse politiek – denk nu even aan Vlaams Belang en dergelijke – niet langer eerbaar of respectabel is vanuit de burgerlijke gematigdheid. Links is antiburgerlijk en derhalve automatisch niet eerbaar en respectabel, het is per definitie ‘radicaal’.

Noteer terloops de sterke morele dimensie van dit spel. Termen zoals ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ zijn niet puur beschrijvend – ze zijn geen objectieve beschrijvers, wel subjectieve. Want deze termen drukken een moreel oordeel uit, een morele evaluatie als ‘slecht’, ‘kwaad’. Het is binnen dit kader niet goed wanneer je radicaal bent; het goede situeert zich in de matiging, het compromis, de haalbaarheid. Dit moreel kadertje van goed en kwaad beheerst de burgerlijke opvatting over politiek.

Paradoxen

Dat schept eigenaardige situaties. Een partij die oproept tot, ik zeg maar wat, een etnisch geordende samenleving met een helder onderscheid tussen eerste- en tweede-klasse burgers; tot de verlaging van de minimumlonen; de afbouw van het gratis onderwijs en de betaalbare gezondheidszorg; de repressie van werkloze mensen en minderheidsgroepen; de afschaffing van vakbonden; de bestraffing van alledaags gedrag dat niet binnen ongespecifieerde regeltjes valt – zo’n partij is niet meteen ‘radicaal’. Neen, hier zullen media en burgerij de vraag stellen naar de ‘haalbaarheid’ of ‘opportuniteit’ van zo’n maatregelen, niet naar het moreel gewicht van zo’n voorstellen binnen een kader van goed en kwaad in de samenleving.

Een partij die daarentegen oproept tot een meer rechtvaardige samenleving, met fiscale rechtvaardigheid en de beperking van uitbuiting, speculatie en privileges voor de elites; die gratis onderwijs en gezondheidszorg voorstaat; die pleit voor pensioenen die ouderen een menswaardig leven laten leiden; die de gelijkheid van alle mensen predikt – zo’n partij wordt binnen datzelfde kadertje van goed en kwaad in de hoek van het kwaad gezet.

Schermafbeelding 2015-05-25 om 11.33.18De paradoxale aard van dit soort snelle kwalificaties kwam onlangs duidelijk aan het licht in Groot-Brittannië, toen de Daily Mail uitpakte met een aanval op de (in 1994 overleden) Marxist Ralph Miliband, vader van de huidige Labourleider. De krant beweerde dat ‘Rooie Ralph’ een landverrader was en bovendien als Marxist onmogelijk het beste kon voorhebben met de Britten. De boemerang keerde snel terug. Commentatoren met een historisch bewustzijn wisten te melden dat Lord Rothermere, de oprichter van de Daily Mail, in de jaren 1930 een notoir fascist was, die zich graag liet voorstaan op zijn persoonlijke contacten met Adolf Hitler. Miliband daarentegen vocht met de Royal Navy tegen Hitler; de kwestie landverraad was dan ook snel beslist.

Wat het tweede punt betrof – Miliband als een kleine Britse Stalin: ook daar keerde de boemerang snel terug. Mensen die het werk van Miliband kenden lieten weten dat Miliband nu net een resoluut tegenstander was van de Stalinistische interpretatie van het Marxisme, en dat hij een reeks zaken voorstond waar men als moreel wezen moeilijk bezwaren tegen kon uiten. Miliband stond voor rechtvaardigheid en gelijkheid, voor een samenleving waarin ieder naar vermogen bijdroeg en naar behoefte ontving, voor een maximale democratie die niet wordt gedomineerd door de privileges van kleine groepen; dat hij zich heftig verzette tegen armoede, ongelijkheid en uitbuiting, en telkens weer hamerde op de menswaardigheid en de vrijheid van elk individu.

De conclusie van het debat was dan ook – tot spijt van de Daily Mail – dat een Marxist als Miliband het eigenlijk goed meende met de Britten. Meer nog: men kwam tot de bevinding dat het ‘radicalisme’ en ‘extremisme’ van iemand zoals Miliband – een streng socialist – best wel goed zou kunnen zijn voor de samenleving, en zelfs voor de wereld. Het kadertje van ‘goed’ en ‘kwaad’, waarbij links vrijwel meteen bij het ‘kwaad’ wordt gerangschikt, blijkt bij nadere inspectie van de bewijslast geen steek te houden: de verhouding is precies omgekeerd.

Hoe kan dat nu? Wel, dat kan omdat de kwalificatie van ‘radicaal’ niet van Gods hand komt, maar wordt toegekend door specifieke actoren in de samenleving. De aanval op Miliband kwam vanuit een zeer rechtse hoek – de Daily Mail ademt nog steeds de geest van z’n stichter en is de spreekbuis van de aristocratie en het patronaat, en van de rechtse Conservatieven in Groot-Brittannië. Ze zijn dus geen neutrale kwalificaties maar politieke kwalificaties, een weergave van het standpunt van een belangengroep die een welbepaalde positie in de samenleving inneemt.

Een methodologisch principe

We kunnen uit het voorgaande een methodologisch beginsel halen. Ik schets het in enkele punten.

  1. Woorden die politiek worden gebruikt zijn nooit neutraal, ze geven altijd een politieke positie weer.
  2. Een onderzoek van woorden en hun gebruik is dan ook een onderzoek naar de politiek die deze woorden gestalte heeft gegeven.
  3. Dat betekent dat we ons bij elke term die als ‘neutraal’ wordt voorgesteld de vraag moeten stellen: wiens woord is dit?
  4. En dat we terzelfder tijd moeten nagaan voor welke concrete realiteit dat woord wordt gebruikt.
  5. Op die manier kunnen we bepalen welke politieke positie dat woord eigenlijk dekt, en kunnen we onze eigen politieke positie daar tegenover bepalen. Dat woord kan ons niet langer manipuleren.

Het is via dit laatste dat de Britten hun paradox ontdekten: iemand die z’n leven riskeerde op de Normandische stranden van D-Day kan je moeilijk een ‘landverrader’ noemen, en iemand die vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit bepleitte kan je moeilijk bestempelen als iemand die het slecht voor heeft met de mensen.

Dit methodologisch beginsel heeft enorme gevolgen. Telkens men iets leest of hoort stelt men zich de vraag: van uit welke hoek in de samenleving komt dit? Voor wie is dit een waarheid? En waarom? Het eenvoudige principe van kritiek dat ik hier voorstel schept met andere woorden een reusachtige ruimte van analyse, waarin men via uitspraken telkens weer op zoek moet gaan naar de politieke posities in de samenleving, de bewegingen er tussen, de veranderingen er in.

Het spreekt vanzelf dat iemand die deze kritiek gedisciplineerd toepast weinig geloof hecht aan termen zoals ‘de publieke opinie’, omdat ook daar de vraag moet gesteld worden: wiens publieke opinie bedoelt men hier? Het is dus via dit eenvoudige beginsel dat men afscheid neemt van wellicht de grootste mythe – of leugen, zo U wil – die ons beheerst: die van een homogene samenleving die in eenzelfde richting denkt, praat en handelt. Zoals Bourdieu zo vaak beklemtoonde: dit is net de visie van de macht, van degenen die de macht in handen houden, want enkel zij zijn ermee gediend elke vorm van tegenkracht weg te denken en te minimaliseren, en ‘hun’ samenleving voor te stellen als unaniem in haar steun aan hun macht.

De tegenkrachten zelf verliezen via deze mythe elke legitimiteit – elke rebel voelt zich alleen tegenover een overweldigende meerderheid van mensen die het eens zijn met datgene wat hij of zij afwijst en bestrijdt. De voorstelling van de samenleving als een solied en eensgezind geheel is dan ook een van de krachtigste instrumenten om het verzet tegen de macht te marginaliseren en plat te drukken.

Het principe toegepast: ‘economie’

Wie het principe toepast bevindt zich daarentegen in een heel andere maatschappij: een maatschappij die bestaat uit een mozaïek van heel diverse groepen, die zich vanuit hun specifieke positie in de samenleving groeperen rond hun eigen belangen, en van daaruit politiek handelen. Het spreekt vanzelf dat dit beeld een enorm veel waarachtiger en precieze weergave is van de realiteit.

Goed, laat ons dit principe nu  even toepassen op de retoriek van vandaag, de retoriek over de zogenaamde ‘crisis’.  Ik zet dit woord prompt tussen haakjes, want ook hier rijst de vraag: wiens crisis? Voor wie is er een crisis? Wel, al zeker niet voor het stijgend aantal miljonairs in ons land en elders, en al evenmin voor de CEO’s van grote bedrijven, die hun salaris de afgelopen jaren fors hebben zien stijgen.  Het woordje ‘crisis’ zelf is dus al iets wat om kritische analyse schreeuwt.

Het centrale begrip in zowat alle retoriek over de crisis is ‘de economie’. Het is de economie die in crisis is, en het is dan ook de economie die opnieuw moet aangejaagd worden. Drie opmerkingen horen hier bij.

  1. De economie wordt systematisch voorgesteld als een autonoom iets, dat volkomen los staat van de rest van de samenleving, en daardoor ook immuun is voor de wetten en behoeften van die samenleving.
  2. De economie wordt stelselmatig gebruikt als eenvoudig synoniem voor kapitalisme
  3. En vaak nog iets specifieker, als synoniem voor bedrijven.

Onthoud deze drie punten goed, en roep ze op telkens je het woord ‘economie’ hoort. Men zegt “de economie is in crisis”, en denk meteen “het kapitalisme is in crisis”; je hoort “we nemen economische relance maatregelen”, en je denkt meteen “we nemen maatregelen die het kapitalisme een relance moeten geven”; en je hoort “we moeten zuurstof aan onze economie geven” en je denkt “we moeten zuurstof (geld, dus) geven aan onze bedrijven”.

Je hebt nu eigenlijk een analyse uitgevoerd. Want je begrijpt dat, telkens men het woord ‘economie’ gebruikt, men

(a) spreekt over een zeer specifiek economisch stelsel – dus over slechts een van een reeks mogelijke economische stelsels; het is niet om het even welke economie die in crisis is, wel de kapitalistische economie. Dat betekent dat de oorzaken daarmoeten gezocht worden – in de structuren van het kapitalisme, en dat de oplossingen eveneens op dat niveau liggen.

(b) Tevens spreekt men over een zeer specifieke reeks economische actoren, ondernemingen, die vooral als begunstigde synoniem gesteld worden voor de ‘economie’. Inspanningen voor de ‘economie’ – een relancepact, een concurrentiepact – zijn dan ook geen inspanningen ten voordele van iedereen, wel ten voordele van een heel bepaalde belangengroep binnen de (echte) economie.

(c)  En wat dat laatste betreft: als de economie zich heeft losgerukt uit de samenleving en weigert zich door die samenleving te laten sturen en beïnvloeden, dan weten we nu dat dit gelijk staat aan kapitalistische ondernemingen die zich aan elke vorm van sociale en overheidscontrole willen onttrekken, en dus niets minder dan de droom van Friedman en Hayek willen verwezenlijken: de enige echt relevante politieke kracht worden. Dit is een ideologische bevinding.

voor-alle-werknemers

Werdgevers of werknemers?

De losmaking van de economie uit de samenleving – ik ga daar nog even op door – is een ideologisch standpunt; het heeft niets objectiefs, het is een machtsgreep die wordt voorgesteld als logisch en vanzelfsprekend. In werkelijkheid omvat de ‘economie’ immers de gehele samenleving, dat is: het hele samenspel tussen diverse actoren, zoals bedrijven en kapitalisten, de arbeidende bevolking, de consumenten, de overheden, de ambtenaren, de werklozen – dat samen is ‘de economie’. De economie vernauwen tot slechts diegenen die goederen en kapitaal verhandelen slaat nergens op, en indien men enkel dieactoren steunt in een ‘economisch’ beleid, dan voert men een kreupel beleid. De ‘economie’ groeit dan, maar de samenleving verarmt. Ik ga daar straks wat dieper op in, want dat is precies wat er thans gebeurt.

De ‘arbeidsrelatie’

Een tweede illustratie van het principe gaat over een reeks begrippen die de verhouding binnen het arbeidsproces weergeven. En laat ons beginnen met het meest voor de hand liggende: werkgever versus werknemer.

Er is van alles heel erg fout aan dit begrippenpaar.

  1. Werk wordt niet gegeven maar aangekocht binnen een contractuele relatie op de arbeidsmarkt;
  2. Ondernemingen verschaffen dan ook geen werk; ze scheppen een marktvraag voor werk.
  3. In dat opzicht zijn de ondernemingen de echte ‘klanten’ van de arbeidsmarkt, niet de arbeidende bevolking.

De relatie tussen werk ‘geven’ en werk ‘nemen’ wordt nu voorgesteld als een relatie waarin een partij iets ‘schenkt’ dat de andere ‘ontvangt’; de bevoorrechte en bevoordeelde partij zou dan de ‘werknemer’ zijn; de partij die een inspanning doet is dan de ‘werkgever’. In realiteit gaat het om een transactie, waarin de ‘werkgever’ (de ondernemer) iets vraagt en het ook verkrijgt aan een bepaalde prijs, het loon.

4. De relatie tussen ‘geven’ en ‘nemen’ is dan ook in wezen precies omgekeerd: het is de arbeider die ‘werk geeft’ (aan een bepaalde prijs) aan de ondernemer, die het ‘werk neemt’ en het omzet in kapitaal.

Het is die fictieve verhouding tussen een ‘weldoener’ – de ‘werk-gevende’ ondernemer – en een ‘begunstigde’ – de ‘werk-nemende’ arbeider – die bijzonder veel debatten over sociaaleconomische thema’s vergiftigt. Binnen het systeem van arbeidsverhoudingen hebben beide partijen elkaar immers nodig om tot resultaten te komen. Er kan niets worden geproduceerd zonder de arbeid van ‘werknemers’, dus zonder dat ‘werknemers’ werk geven, en deze ‘werknemers’ kunnen niet leven zonder het loon dat ze voor hun arbeid ontvangen.

Dit brengt ons bij een tweede reeks begrippen in dit verband: begrippen die we zeer vaak horen wanneer het gaat om lonen: ‘loonlasten’, ‘loonhandicap’, ‘loonkloof’.

Alle drie de begrippen zijn schoolvoorbeelden van hoe woorden specifieke posities vertolken: voor wie is loon eigenlijk een ‘last’? Ik ken weinig loontrekkenden die hun loon ervaren als een last; ik ken er eveneens weinig die hun loon ervaren als een ‘handicap’. Deze begrippen vertolken dan ook uitsluitend het perspectief van zij die lonen betalen, niet dat van zij die ze ontvangen. Laat ons ook op dit punt enkele zaken op een rijtje zetten.

  1. Deze termen worden enkel gehanteerd wanneer het gaat om de lonen van ‘gewone’ werknemers. De toplonen van CEO’s en hogere kaderleden worden nooit betrokken in discussies over ‘loonlast’ of ‘loonkloof’, ook al zouden deze begrippen uitstekend toegepast kunnen worden op, bijvoorbeeld, de kloof tussen de lonen van de gemiddelde arbeider en die van de hogere kaderleden binnen een bedrijf. De begrippen worden, kortom, selectief gehanteerd (door de CEO’s bijvoorbeeld).
  2. ‘Loonkloof’ en ‘loonhandicap’ slaan op het feit dat lonen (de lonen uit punt 1, wel te verstaan) in ons land hoger liggen dan in de naburige landen. Althans, dit is de enige richting waarin deze begrippen gehanteerd worden: wij hebben een handicap omdat arbeiders elders nog minder verdienen dan wij. Men kan het ijkpunt moeiteloos omkeren: het probleem is niet dat arbeiders hier meer verdienen, wel dat arbeiders elders minder verdienen.
  3. Loon kan weliswaar als ‘last’ of als ‘handicap’ worden ervaren door zij die het moeten uitbetalen; ze moeten echter enkele dingen goed beseffen: (a) loon uitbetalen is geen vorm van liefdadigheid maar een contractueel overeengekomen plicht; (b) waarvoor ze eveneens iets terugkrijgen: arbeid, en via die arbeid kapitaal. Lonen worden steeds volledig terug verdiend via de prijs van het afgewerkte product.
  4. Wie toch blijft insisteren op de logica van ondernemers die ‘loonlast’ ervaren, kan even goed spreken van consumenten die ‘prijslast’ ervaren; ik ben namelijk ook de mening toegedaan dat ik veel te veel moet betalen voor mijn elektriciteit, gas, benzine, enzovoort.

‘Groei’ en ‘competitiviteit’

Twee andere termen verdienen onze aandacht, omdat ze net als de vorige uitermate frequent worden gehanteerd in de debatten over de sociaaleconomische politiek.

“Groei” is een oud begrip en het geeft het basismechanisme van een kapitalistisch systeem aan: het permanente streven naar de verhoging van de winsten.  Groei betekent dus in wezen ook enkel dat: de groei van de winsten van kapitalistische bedrijven, doorgaans gemeten door de waarde van de aandelen ervan.

Groei kreeg echter een ruimere definitie doorheen het ‘sociaal pact’ dat de naoorlogse West-Europese welvaartsstaat kenmerkte. Ook de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie schaarde zich achter het beginsel van de groei, want economische groei zou zorgen voor de algehele tewerkstelling – niemand zou werkloos zijn – en zou daardoor de algemene welvaart verhogen, want in een situatie van algehele tewerkstelling zouden de lonen een hoog peil moeten bereiken.

Noteer – en dit is uiterst belangrijk – dat de arbeidersbewegingen zich achter het streven naar groei schaarden omdat groei tewerkstelling zou scheppen. Ook vandaag de dag hoort men dit argument, dat groei intiem verweven is met de toename van de tewerkstelling. Niets is echter minder waar: door de transformaties van het kapitalisme in de afgelopen decennia zien we dat groei van de waarde van aandelen geen verband meer heeft met tewerkstelling, dan, doorgaans, een negatief verband. De waarde van aandelen van bedrijven stijgt wanneer er massale afdankingen binnen dat bedrijf plaats vinden. Economische groei staat op dit ogenblik volkomen los van het scheppen van arbeidsplaatsen.

Hetzelfde geldt voor de relatie tussen groei en de hoogte van de lonen: precies het omgekeerde mechanisme is nu de regel. Er is maar groei in zoverre de lonen zeer laag worden gehouden, de arbeidsmarkt verregaand wordt ‘geflexibiliseerd’ (d.w.z. dat de economische onzekerheid afgewenteld wordt op de arbeider, die alle controle verliest over perioden van tewerkstelling, duur van tewerkstelling, vorm van tewerkstelling en voorwaarden voor tewerkstelling), en het volume van ‘vaste’ en ‘beschermde’ werknemers afgebouwd wordt ten voordele van het volume aan tijdelijke en deeltijdse werknemers, of ten voordele van onderaannemers.

“Groei” is vandaag dan ook een woord dat staat voor sociale afbraak, verarming en verhoogde uitbuiting, en wie streeft naar ‘groei’ – in deze betekenis – kan moeilijk een vriend van de linkerzijde zijn.

Idem met “competitiviteit”. Onze bedrijven zijn niet “competitief”, het “concurrentievermogen” van “onze economie” gaat in dalende lijn, en de “loonlasten” zijn daarvoor verregaand aansprakelijk. Zonder een verhoging van de “concurrentiekracht” van ondernemingen kunnen er ook geen arbeidsplaatsen geschapen worden.

De betekenis van “competitiviteit” is eenvoudig: een bedrijf is “competitief” wanneer het zijn concurrenten verslaat; dat wil concreet zeggen: wanneer het hogere winsten maakt dan de concurrenten. Het wordt heeft geen enkele andere betekenis in het publieke debat over deze zaken. Wanneer men ten voordele van de “concurrentiekracht” of “competitiviteit” van onze ondernemingen de belangen van een gehele samenleving wil opofferen, dan moet die samenleving goed beseffen dat zij daar in overgrote meerderheid geen belang bij heeft. De band met tewerkstelling en verloning hebben we al besproken – bedrijven maken slechts meer winsten in de huidige conjunctuur door de kost van de aangekochte arbeid te verlagen. Een concurrentiebeleid  houdt dan ook haast onvermijdelijk (a) een toename van de werkloosheid, (b) een toename van precaire arbeidsvormen – interim, deeltijds enz., en (c) een verlaging van de lonen in. Zowel ‘groei’ als ‘competitiviteit’ zijn dan ook begrippen die volkomen het standpunt van de ondernemingen vertolken, niet dat van de rest van de samenleving.

Kromtaal recht trekken

Zoals gezegd, het beginsel is eenvoudig. Stel gewoon de vraag: ‘wiens woorden zijn dat?’ het effect van die vraag is een hele analyse waarin je kromtaal niet enkel blootlegt, maar ook op een aantoonbare manier kan weerleggen.

Die kromtaal is immers verbijsterend absurd. Ik geef twee voorbeelden. Enkele maanden terug kwam oud-premier Yves Leterme, nu hoge pief bij de OESO, ons meedelen dat de lonen in dit land nog altijd veel te hoog lagen (niet die van CEO’s uiteraard, zie eerder), en dat het openbaar vervoer in dit land veel te goedkoop was. Ons land zou er dus, volgens Leterme en zijn OESO, op vooruitgaan wanneer (a) de mensen minder verdienen en (b) meer moeten betalen voor bepaalde basisbehoeften zoals transport. Minder verdienen en meer uitgeven: in mijn wereld betekent dat verarming. En die verarming zou ik dan als ‘vooruitgang’ of ‘verbetering’ van de toestand moeten begrijpen?

epa03163537 (08/18) Local residents look for food in a pile of garbage at Perama, 25 km west of Athens, Greece, 22 March 2012. From 10 to 24 March the municipality of Perama was full of piles of garbage because the gas stations who supply the municipality vehicles were unpaid for several months. The unemployment in the town of Perama has exceeded 60 per cent while in the small shipyards and the significant Shipbuilding and Repair Zone of the area has hit 95 per cent. The social fabric of the town of Perama faces the threat of collapse as thousands of families live below the poverty level.  EPA/ORESTIS PANAGIOTOU PLEASE SEE ADVISORY epa03163529 FOR FULL FEATURE TEXT

Griekenland op de goede weg?

media_xl_1100243Het tweede voorbeeld sluit erbij aan. Onlangs liet de Trojka die de Eurocrisis moet bezweren weten dat Griekenland ‘op de goede weg’ was en ‘tekenen van herstel’ vertoonde. In diezelfde week kondigden drie grote Griekse universiteiten aan dat ze hun deuren moesten sluiten wegens tekort aan financiering. Enkele maanden eerder was (op aanbeveling van de Trojka) de Griekse openbare omroep al gewapenderhand stilgelegd. De enorme toename van de werkloosheid, de zeer grote inleveringen op loon van de Griekse werknemers, de drastische verlagingen van pensioenen en uitkeringen, het stilvallen van de basisgezondheidszorg, het huisvestingsprobleem – al die zaken zullen de Trojka beslist niet zijn ontgaan. Maar toch zijn net deze feiten ‘tekenen van herstel’. Ik slaag er niet in te begrijpen hoe de totale instorting van een samenleving als teken van herstel kan worden gezien – herstel waarvan? En wiens herstel?

We hebben in de delen hierboven een reeks begrippen uitgekleed, ze herleid tot hun werkelijke betekenis, en aangetoond dat ze ons manipuleren wanneer wij hen een objectieve en feitelijke waarde toekennen. We hebben die begrippen de afgelopen jaren miljoenen keren op ons afgevuurd gezien; velen onder ons zijn dan ook gewend geraakt aan hun manipulatief gebruik, en zijn ze zelf ook gaan gebruiken in die manipulatieve betekenis, ook al is dat regelrecht in strijd met de eigen belangen. Zo heb ik mensen horen pleiten voor “de stabiliteit van de Euro”, terwijl zij steeds minder van die Euro’s in bezit hadden.

Een tegenkracht moet intellectueel zijn als ze politiek wil zijn; ik bedoel ‘intellectueel’ hier niet in elitaire zin, integendeel. Ze moet intellectueel zijn omdat ze gedragen wordt door het kritische denkwerk van iedereen, jong en oud, man en vrouw, groot en klein in de samenleving. Iedereen moet in staat zijn creatief en kritisch analyses te maken en die goed beargumenteerd door te geven. De kritiek van woorden is daarbij een zeer belangrijke zet en een krachtig instrument, dat al bij al ook makkelijk te hanteren is.

Dat deze taalstrijd bij sommigen als ‘radicaal’ wordt ervaren nemen we er graag bij. We weten immers dat ‘radicaal’ meer zegt over degene die het woord gebruikt dan over degene op wie het wordt toegepast. En we weten ook dat onze kritiek vaak op eenvoudige common sense neerkomt. Via welke merkwaardige logica moet ik anders aanvaarden dat mijn toestand erop vooruit gaat wanneer ik armer word? Of dat mijn bedrijf gered wordt doordat ik mijn baan verlies?

Jan Blommaert

Deze tekst is gebaseerd op de slottoespraak van Jan Blommaert op de derde dag van het Socialisme, 2 november 2013.

May 25, 2015 at 9:50 am 2 comments

EEN KOSTSCHOOL IS SCHRIJVERSGOUD

Brouwers-Jeroen-foto-Annaleen-Louwes

door Jef Coeck

Er is een nieuwe Jeroen Brouwers. Jaaaa! En hij gaat over mishandeling van jongetjes in de kostschool. O Neee!! Moeten we nu weer door de pedofielenzeik waden? Na de kranten, de weekbladen, de televisie, de radio, de facebooks en –crooks, na pastoors, bisschoppen en de paus zelve zullen we nu ook nog onze beste schrijvers zich laten corrumperen met letterlijk uitgemolken onderwerpen?

Er is één troost: het is een roman, want dat staat er buiten op en hij heeft het ook al in tien interviews gezegd. Dit is niet autobiografisch, de schrijver zelf is destijds nooit sexueeel misbruikt geworden, althans niet op de kostschool. En nog een: het gaat maar matig over sexueel misbruik, en heel veel over fysieke, intellectuele en morele mishandeling door de dienaren gods. Dat klinkt al beter, hoewel de vergrotende trap van ‘goed’ hier alles behalve toepasselijk is.

‘Het Hout’ van de titel is een stokachtig en hard voorwerp, een soort borstel zonder haren, waarmee de jongens gekasteid worden als hun ‘opvoeders’ daar zin in hebben. Wat het verhaal nog prangender maakt is, dat het zich afspeelt in een kloosterschool vlakbij de Duitse grens, Zuid-Limburg (Ned.), begin jaren vijftig dus vrij kort na de oorlog en dat de Opper-houtslagmeister een Duitse franciskaan is. Zo speelt de auteur zich een mooie troef in handen: hij kan hele stukken dialoog of de korte weergave ervan in een soort Duits-Nederlands omzetten. En reken maar dat het werkt, soms op de lachspieren dan weer op de ruggewervel. Terloops, de franciscanen waren vanaf de 13de eeuw de favoriete pauselijke uitvoerders van de inquisitiebesluiten. Maar dat soort leuke details hoef je geen Jeroen Brouwers te vertellen.

Het gaat dus weer zoals (bijna) altijd met een boek van Brouwers. Ik begin erin te lezen en het steekt me goed tegen: het onderwerp, de woordkeuze, de verhaallijn, de contextuele details, alles. Nee, hier heb ik geen zin in, denk ik dan, als ik wil walgen ken ik fijnere methoden, ik drink gewoon een glas wijn teveel onder het kijken naar een B-film met bijvoorbeeld Eddy Murphy. Maar Brouwers laat me niet los. Want ik wéét natuurlijk dat ik, twintig bladzijden verder, niet meer los kàn van het boek. Stijl en verhaal zijn dan zo dwingend geworden, dat je ervoor op zou blijven om het uit te lezen. Aldus geschiedt.

De hoofdfiguur, de jonge broeder Bonaventura – geen incarnatie van Brouwers, dus – ondergaat en onderneemt zowat alle dingen die des mensen zijn. Hij is per ongeluk en tegen maar ook toch wel met zijn zin in het klooster versukkeld geraakt, doet daar nu zijn devotie tussen de kostschooljongens en de fraters in. Hij bekleedt dus een uitstekende observatiepost en is een meer dan geschikte persoon om te weten wie van het hout kreeg als hij het zelf al niet was. Ouders die van hun zoontjes te horen kregen dat ze mishandeld waren, reageerden: Je zal het er wel naar hebben gemaakt. De broeders weten heus wel wat goed en rechtvaardig is. Er spande zich een membraan van angst over het leven binnen de muren.

Brouwers schrijft in een ritme waaraan niet te ontsnappen valt. Een cello-suite van Bach. Ook als de klankkleur je niet helemaal aanstaat, blijf je toch luisteren. Zo lees je, beschaamd maar leergierig door in een vijf pagina’s-lange verkrachtingsscène waarin schoolhoofd Mansuetus, de mof, maar geen greep krijgt op het steeds kleiner wordende geslacht van het jongetje dat soms helemaal uit zijn handen glipt. Hij wordt met ether buiten bewustzijn gebracht; zo verrukkelijk moest sterven zijn. Hoe dramatisch en walgelijk ook, het hele verhaal is hilarisch, alsof Bach zelf met zijn cello door de lucht klieft terwijl hij rustig doorspeelt.

Het is een soort klassenstrijd die het instituut op stelten zet en almaar harder gevoerd wordt. De middenfiguur Bonaventura tracht eerst nog neutraal te blijven, of noem het objectief, of loyaal aan iedereen. Maar dat wordt van langsom minder mogelijk. Uiteindelijk kiest hij voor de onderkant, tegen de machtigen. Maar het loopt niet uit op een revolutie, zelfs niet op een Groote Stooringhe. Bonaventura is geen Rodenbach, laat staan een Karl Marx. De opstand gaat vanzelf over: De kloosterling raakt verliefd.

Het derde boekdeel is van een ongemene tederheid, vaak gecamoufleerd in spitse formuleringen (van haar, ene Patricia) of in opperste klunsigheid (van hem). Je zou denken: nu kan hij het klooster wel achter zich laten, ze willen het allebei, maar hij zal het moeten doen. Hij is te laf. Hij leest haar gesmokkelde brieven op de ouderwetse patersplee, waar de stank en de vliegen niet te harden zijn, maar het is de enige plaats met wat privacy. Bij zo’n treurigheid blijven je ogen niet droog. Hij mag niet durven wat hij zou willen durven. Hij scheurt haar brief in duizend snippers, dumpt ze in de excrementen, een moeras van stront. “Wat ben ik aan het doen, wat doe ik hier. Alles aan mijn lichaam, alles in mijn overhoop geploegde hersens hunkert naar jou.”

Tot slot moet Bonaventura op het matje bij overste Benedictus. Die heeft een nieuw soort Nederlands ontworpen om iemand uit te kafferen. Brouwers inventor. Bonaventura moet als straf naar de missies, Nieuw-Guinea, streek Fakfak. De beklaagde, die eigenlijk Eldert Haman heet, denkt fukfuk. Dat is denken. Maar doen?

De rest mag ik niet prijsgeven, om het lezersplezier niet te bederven. Maaar het is Pasen, het feest van de wederopstanding. U zal er nog van opkijken, van dit slot van Brouwers’ laatste roman. Allerlaatste? Dat is tenminste wat hij zegt, althans suggereert, maar ja wie kent de toekomst? En het zou ons verbazen als hij niet al een ideetje had voor zijn volgende boek. Het zal niet over de kostschool gaan, denk ik.

*Jeroen Brouwers, Het hout, Roman, uitg. Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2014

October 10, 2014 at 1:43 pm Leave a comment

Knallend het nieuwe jaar in met de krant van West-Vlaanderen

knallend

Sinds enige tijd krijgen we twee keren per week  een email van de ‘Krant van West-Vlaanderen’. Hoewel die ongevraagd is, is hij welkom. Niet alleen omdat we zo op de hoogte blijven van wat er reilt en zeilt in die boeiende provincie maar ook omdat het nieuws er met zoveel humor geserveerd wordt. Dat die humor onopzettelijk is, maakt hem nog grappiger. Hoewel, aan dat onopzettelijke twijfel ik soms. Zo vermoed ik dat de persoon die ervoor zorgde dat er onder de kop “ Krant van West-Vlaanderen en Focus-WTV wensen je een knaller van een nieuw jaar” een bericht kwam met de titel “Jongeren gewond na knal tegen Desselgemse boom”, toch wel in zijn of haar vuistje gelachen heeft.  En dat de redacteur die de titel “Tuur De Rammelaere uit Deerlijk krijgt ruilhart op Kerstmis” bedacht, wel degelijk bewust zoveel mogelijk “r”-en samensprokkelde.  Maar er zijn andere die onbedoeld surrealistisch zijn of anderzijds onze verbeelding stimuleren. Hier enkele recente voorbeelden: “Konijn laat woning in Roeselare stofzuigen” (21 november) “Vrouw uit Zedelgem deelt 6 messteken uit aan haar partner die haar “domme kalle” noemde” (16 december) “Dolle leute met Preuteleute in Oostende” (29 december). Deze vind ik de mooiste: “Proces Eskimopater ligt stil omwille van sneeuwstorm” ( 19 november). Laat ze komen, krant van West-Vlaanderen. (Tom Ronse)

January 3, 2014 at 6:03 am Leave a comment

Wat heeft onze taal toch misdaan?

vlataal

Door Johan Nootens

Zowat elke dag spreek ik drie varianten van onze taal. Standaardtaal met vrouw en kinderen, dialect met mijn linkerbuurman en omgangstaal met mijn rechterbuurman. Dat wil zeggen dat ik “ga je mee”, “gorre ga mei” en “gade gij mee” elk op zijn tijd gebruik.
Zoals andere talen, maken ook die talen een ontwikkeling door. Onze Nederlandse standaardtaal wordt Belgischer/Vlaamser. Mijn dialect kan de moderne tijd niet meer aan en verliest bereik. En de Vlaamse omgangstaal wordt in de media en in het dagelijkse leven vaker en vaker gebruikt. Maar die omgangstaal van ons wordt gehoond en uitgefoeterd. Hoe komt dat en waarom aanvaarden wij zo maar klakkeloos dat onze taal uitgescholden wordt?

Scheldpartijen

Miljoenen Vlaamse mannen, vrouwen en kinderen spreken elke dag hun omgangstaal. Aan de ontbijttafel, voor de schoolpoort, op de trein, in de koffiekamer, in de klas, in de lerarenkamer, bij de huisarts, in het gemeentehuis, in het Vlaams Parlement, op radio en televisie, in de collegezalen, op café, in bed.

Die omgangstaal wordt door sommigen verketterd, bespuwd en bevochten. Zowel door zeloten als Benno Barnard en Geert Van Istendael, als door neo-rechtse baronessen als Mia barones Doornaert en progressieve journalisten als Walter Zinzen. Een fraaie verzameling van dat gescheld stond onlangs nog in een opiniestuk van Mark Van De Voorde: “bloedloze tussentaal”, “onbenullig taalgebruik”, “een vervuilde taal”, “bloedloos en zielloos”, “armtierig”, een uiting van “cultuurloze kneuterigheid en zielige arrogantie”[1].

Onze omgangstaal wordt dan “ontaal” (Devos), “wantaal” (Benno Barnard), “halftaal” (Geert Van Istendael) of “verdomde Vloms” (Kurt Van Eeghem) genoemd. De vaakst gebruikte scheldwoorden zijn “Soapvlaams”, “tussentaal” en het ondertussen wijdverbreide “Verkavelingsvlaams” van Geert Van Istendael. Hij lanceerde die term in 1988[2] en liet zich meteen al eens goed gaan:

“Er is iets nieuws, iets vuils de taal in de zuidelijke Nederlanden aan het aantasten. Een manke usurpator in kale kleren, maar hij heeft de verwaandheid en de lompheid van een parvenu. Hij heet Verkavelingsvlaams. Het is de taal die gesproken wordt in de betere villa’s op de verkavelde grond van onze verminkte dorpen. Het is de taal van de jongens en de meisjes die naar een deftige school gaan en andere kinderen uitlachen omdat die zo onbeschaafd praten.(…) Ik haat die nieuwe halftaal, omdat ze mijn taal, het Nederlands, bedreigt en haar voedingsbodem, het dialect, vertrapt.”

En daarmee is de toon gezet: we zitten met een “vuile” taal, en ook met de sprekers ervan is er iets aan de hand. Onze omgangstaal is “lui Vlaams” (Johan Taeldeman) “voor wie te laf is om te kiezen tussen dialect en ABN” (Sabine Vandeputte-VRT). Je hoort in dat soort uitspraken een echo van het misprijzen van de oude franskiljons.

 franskilions

 Al dat geschimp komt meestal van mensen die met taal hun brood verdienen: auteurs, journalisten en columnisten. Maar ook van taalkundigen en talig geschoolde mensen als leraren en schoolboekenmakers. Dat is niet alleen jammer maar ook onbegrijpelijk. In Duitsland bijvoorbeeld wordt de “Umgangssprache” even serieus bestudeerd als de drie variëteiten (Duits Duits, Oostenrijks Duits en Zwitsers Duits) van de standaardtaal.

In Vlaanderen mogen professoren en onderwijzers in 2013 nog altijd verkondigen dat de sprekers van onze omgangstaal “luie en laffe” mensen zijn die een “ontaal” hanteren. Hoewel bijna al hun leerlingen en studenten in die “ontaal” opgegroeid en gesocialiseerd zijn.

‘Taalkramp’

Gelukkig worden die taalideologen en taalpolitici stilaan ouder. Er is intussen een nieuwe generatie taalwetenschappers voor wie de taalwerkelijkheid belangrijker is dan de taalideologie en voor wie taalvariëteiten en taalvariatie normale studieonderwerpen zijn.

Maar zoals te verwachten was, krijgen ze sterke tegenwind in de Vlaamse media. Toen Kevin Absillis, Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof de bundel De Manke Usurpator – Over Verkavelingsvlaams publiceerden[3], gingen de poppen aan het dansen en schoot weldenkend Vlaanderen weer in een “rituele taalkramp” (Jan Blommaert)[4].

Wat voor opzienbarends staat er dan wel in dat boek? Eigenlijk heel gewone waarnemingen en beschouwingen over de taalvariëteiten in Vlaanderen. Niet alle verontwaardigde critici hadden het boek gelezen [5] dus sta me toe om er uit te citeren.

Johan De Caluwé stelt vast dat “tussentaal alomtegenwoordig is in Vlaamse scholen, als informele variëteit naast de standaardtaal” (blz. 108) en wie de beheersing van de standaardtaal op school wil verbeteren, moet “durven bouwen op alle vaardigheden van leerlingen en leerkrachten, en ophouden een belangrijk deel van die vaardigheden botweg te negeren of af te doen als taalarmoede” (blz. 120). “De vele onderwijzers waarmee ik over grammatica-onderwijs gesproken heb,” ondervond Ides Callebaut, “dachten bijna allemaal dat taal gebaseerd is op de schoolgrammatica en niet omgekeerd” (blz. 128).   usurpator

Voor Johan De Schryver is “tussentaal een overbodige, negatieve en tendentieuze term met een willekeurige inhoud” en dat blijkt ook “uit de schoolboeken”. Een Vlaams taalbeleid zou “een positieve attitude tegenover taalvariatie” moeten bevorderen (blz. 141).

Volgens Koen Plevoets “kan er in Vlaanderen inderdaad sprake zijn van een ‘taalkloof’, als die maar begrepen wordt als een sociale kloof: er is een elite die Verkavelingsvlaams spreekt, en een middenklasse die taalonzeker is” (blz. 215).

Voor wie nog altijd gelooft dat de komst van VTM het begin van het “Soapvlaams” betekende, heeft Sarah Van Hoof het taalgebruik in de fictie op de BRT(N)/VRT in de jaren 80 en vandaag bekeken. In de jaren 80 was dat taalgebruik “bijzonder gevarieerd en veelkleurig. Vrijwel het hele continuüm tussen Standaardnederlands en dialect wordt bestreken” (blz. 280). En in de fictie van vandaag wordt de standaardtaal “vrijwel onvermijdelijk als theatraal, onnatuurlijk of bizar ervaren door wie alledaagsheid, herkenbaarheid en realisme verwacht zoals in hedendaagse fictie dominant is geworden” (blz. 298).[6]

Het is bizar dat men zich opwindt over dergelijke nuchtere en voor de hand liggende vaststellingen.

Vooroordelen en misverstanden

In de volksmond maar ook in doorgeleerde kringen wordt er wel eens gepraat over “lelijke” talen, zelfs over “ontalen”. Maar er bestaan geen “lelijke” talen of “ontalen”. Er leven alleen vooroordelen over de mensen die een taal gebruiken. Mensen die van thuis uit een vooroordeel meekrijgen over de dialectsprekers van hun dorp of streek,  wagen zich al eens aan uitspraken als “Dat dialect is echt wel lelijk”. Waarmee ze vooral uiting geven aan hun eigen identiteitsbesef, en soms ook aan hun onderachting van de sprekende volksmens.

Dialecten zijn niet “zuiverder” dan andere talen en ze zijn zeker niet “de voedingsbodem” van de standaardtaal, zoals Van Istendael dat heel romantisch stelt. Er zijn nogal wat bestrijders van onze omgangstaal die zich graag verliezen in lofzangen op het dialect. Terwijl ze vaak nooit in een dialect geleefd hebben. Voor hen vertegenwoordigt een dialect de pure natuur, het gezellige plattelandsleven en de weerstand tegen de moderniteit. Terwijl een dialect een gewoon communicatiemiddel is voor een geografisch beperkte gemeenschap, een taal die meer en meer woorden moet overnemen uit de omgangstaal en de standaardtaal omdat ze die woorden niet in voorraad heeft.

Waarvoor dialect niet geschikt is

Waarvoor dialect niet geschikt is

Een ander, vervelend misverstand is dat er zo iets zou bestaan als het enige, echte en ondeelbare Nederlands. Maar net zoals elke andere taal, is het Nederlands een huis met veel kamers. In Nederland worden er dialecten en regiolecten gesproken, naast NRC-Nederlands, Kamernederlands[7], Gedeelde post bekijken geenstijl-Nederlands, ambtenarees, Murksnederlands, Poldernederlands en de omgangstaal van Henk en Ingrid in hun Vinexwijk[8]. In Vlaanderen worden dialecten en regiolecten gesproken, naast Journaalnederlands, Migrantennederlands,  ambtenarees, Bakfietstnederlands, omgangstaal in Thuis en op straat, en ga zo maar door.

De stand van de taal in Vlaanderen in 2013

Ik hoorde vanmorgen in de Ochtend op Radio 1 dat de N-VA “het eerste luik van zijn congresteksten voorgesteld heeft”. De redacteuren van De Morgen en De Standaard gebruiken vandaag ook dat “luik”. En de N-VA zelf ook. Maar volgens de taaladviseur van de VRT is dat een taalfout: in plaats van “luik” hadden ze “hoofdstuk” of “(onder)deel” moeten zeggen[9].  En volgens Taaladvies.net van de Nederlands-Vlaamse Taalunie is “luik” “in die betekenis standaardtaal in België”[10].

Op die manier creëer je natuurlijk chaos: in de politiek en de media gebruiken ze “luik” voor “deel”, de officiële taaladvies-site van de Vlaamse en de Nederlandse overheid noemt dat woord “standaardtaal in België” en de taaladviseur van de VRT keurt het af. Omdat “luik” een gallicistische vertaling van het Franse “volet” is, zoals dat in de gouden jaren van de taalzuivering verwijtend werd gesteld. Terwijl gallicismen eigenlijk gewone contactverschijnselen zijn in ons land waar het Nederlands en het Frans elkaar tegenkomen, zoals “mon kot” en “mazoutketel“, “je ne sais pas de chemin avec mon garçon” en “u bent niet weerhouden“.

Mijn drie zoons waren tweeëneenhalf toen ze naar de eerste kleuterklas gingen, in 1975, 1985 en 2008. En met alle drie heb ik hetzelfde meegemaakt: ze waren opgegroeid en opgevoed met “jij” en “halfzes” en na twee dagen speelplaats en kleuterjuf beheersten ze de “gij”-vormen perfect en wisten ze wat “vijfenhalf” is. Ook op die leeftijd al gaan kinderen vlot om met taalvariatie.

Zak in De Morgen van 1 september 2012

Zak in De Morgen van 1 september 2012

De taalfundamentalisten zullen het niet graag lezen, maar sociale, regionale en culturele variatie is het belangrijkste kenmerk van de taalsituatie in het Vlaanderen van 2013. Dat geldt voor alle taalgebieden in alle talen, maar er zijn ook eigen Vlaamse aspecten:

–          Een relatief grote groep van de bevolking spreekt en begrijpt nog dialect. In het dialectvaste West-Vlaanderen is dat meer het geval dan elders: daar spreken ook kinderen nog vaak dialect.

–          Elk jaar schrijven en lezen meer mensen de standaardtaal. De Vlaamse media worden massaal gelezen, bekeken en beluisterd, er zijn nooit meer leerlingen naar school gegaan en het hoger onderwijs telde eind 2011 195.902 studenten.

–          De “spraakmakende gemeente” is door de economische opgang van Vlaanderen, door de politieke federalisering, door de universitaire groei en culturele bloei verbreed en verstevigd en kiest duidelijk voor een eigen Vlaams-Belgische variant van de standaardtaal.

–          De standaardtaal is voor veel Vlamingen een op school aangeleerde taal met te weinig registers en varianten en een opvallende aandacht voor uitspraak en spelling. Geen dt-fouten maken en “naar de letter” spreken is voor veel Vlamingen nog altijd een na te streven standaardtaalnorm.

–          De omgangstaal is een wijdverbreide variant van het Nederlands, zowel wat de sociaal-culturele als de situationele spreiding betreft: situaties die bijvoorbeeld in Nederland de standaardtaal nodig hebben, kunnen in Vlaanderen vaak in de omgangstaal verlopen.

Unisone politieke napraterij

Het verbaast niet echt, maar de Vlaamse politieke partijen slagen er niet in om zich een eigen, afgewogen oordeel te vormen over de taalsituatie in Vlaanderen. Op de Taaldag van de VRT op 25 oktober 2011 houdt VRT-taaladviseur Ruud Hendrickx een voorzichtig pleidooi voor wat meer variatie en regionale accenten op de VRT-zenders. Daags nadien gooien de Vlaamse partijen alle remmen los in de Plenaire Vergadering van het Vlaams Parlement.[11]

We geven een paar letterlijke citaten. De spits werd afgebeten door de N-VA’er Wilfried Vandaele, een notoir Groot-Nederlander. Hij richt zich tot Ingrid Lieten, minister van de Media: “Gisteren heeft de stuurgroep Taal van de VRT ter gelegenheid van de Taaldag van de VRT verklaard dat de openbare omroep nood (sic!) heeft aan een nieuw taalcharter om meer ruimte voor regionale uitspraak en voor taalvarianten te maken. Wat ons betreft, is de regel dat de standaardtaal wordt gebruikt, punt uit. Ik weet dat het taalcharter momenteel dialecten en tussentaal in bepaalde programma’s niet uitsluit. Dialect kan functioneel zijn. De tussentaal (…), dat taaltje heeft volgens mij geen reden van bestaan.”

Een normaal mens zou daarop antwoorden: een bestaande taal heeft geen reden van bestaan nodig. Maar zo lucide zijn Vlaamse volksvertegenwoordigers blijkbaar niet. CD&V’er Johan Verstreken valt Vandaele bij: “Ik steun volledig wat de heer Vandaele (…) hier heeft gezegd. Ik ben een beetje bang wanneer de huidige taalraadsman zegt dat radiopresentatoren best meer over variatie in hun Standaardnederlands mogen laten horen. Ik denk dat dat niet kan.” Vlaams Belanger Wim Wienen merkt tersluiks op: “Ik vind het heel eigenaardig dat de VRT met een nieuw taalcharter bezig is waarin dit soort ideeën worden ontwikkeld, op een moment dat minister Smet van Onderwijs een talennota heeft geschreven waarin hij net gaat naar een opwaardering van dat Standaardnederlands.” VLD’er Bart Tommelein heeft er een regionale bedenking bij: “De openbare omroep moet heel duidelijk op deze lijn blijven: Standaardnederlands. We hebben het als West-Vlamingen al moeilijk genoeg om voorbeelden te horen van hoe het echt moet.” Sp.a’er Philippe De Coene speelt meteen op de man: “Gisteravond in De laatste show waren we getuige van een gesprek met een medewerker van een VRT-programma die een ellendig soort Nederlands sprak met een ellendige tongval, een soort Joost Vandecasteele. Minister, bespaar ons dit. Voor de medewerkers: laat ons de standaardtaal koesteren.” En Bart Caron van Groen besluit: “Tussentaal is eigenlijk niet te harden. Dialect kunnen we steunen, maar de standaard is het goede Nederlands.”

Zeldzame eensgezindheid in het Vlaamse parlement

Zeldzame eensgezindheid in het Vlaamse parlement

Minister Pascal Smet schrijft in zijn conceptnota Samen taalgrenzen verleggen (versie 22 juli 2011): “Nochtans is een rijke kennis van het Standaardnederlands dé voorwaarde voor wie in Vlaanderen wil leren, wonen, werken, leven. Wie van elders komt, en geen Standaardnederlands leert, blijft in de beslotenheid van het eigen gezin of de eigen gemeenschap leven, en leeft – in Vlaanderen – buiten Vlaanderen.” Je zou van een Onderwijsminister een meer genuanceerde mening verwachten. Wat bedoelt hij met “Standaardnederlands”? Als een werkzoekende in West-Vlaanderen een cursus ‘West-Vlams voe behunners’[12] volgt om in de zorgsector te kunnen werken, leeft die dan buiten Vlaanderen, net als die tienduizenden West-Vlamingen die alleen dialect praten? Leef je in Vlaanderen, als je omgangstaal spreekt met een duidelijk Antwerps of Marokkaans accent? En een kleuterjuf die aan haar jongste peuter vraagt “Hoe noemde gij?”, leeft die buiten Vlaanderen?

Pleidooi voor een realistisch en inclusief taalbeleid

Al die verbale krachtpatserijen over onze talen zijn contraproductief. Ze proberen de samenleving op te delen in sprekers van verschillende taalvariëteiten. Een hedendaags taalbeleid vereist realisme en inclusie: het uitgangspunt is dat er in Vlaanderen verschillende variëteiten van Nederlands, omgangstaal en dialect worden gesproken en dat al die variëteiten respect verdienen omdat ze allemaal op een bepaald moment en in een bepaalde omgeving functioneel zijn.

Meer vergelijkend en contrastief variatieonderzoek kan helpen om de leermethodes te verbeteren. In het onderwijs kunnen de kinderen zich op die manier  efficiënter en sneller de standaardtaal eigen maken. Het respect voor hun moedertaal – dialect, omgangstaal of Marokkaans – blijft de basis om op voort te bouwen. Van studenten die zich voorbereiden op een onderwijsberoep of een talig beroep wordt een grondige beheersing van verschillende registers van de standaardtaal vereist.

Jongeren die de middelbare school verlaten (aso, kso, tso en bso) hebben leren nadenken over:

  • het gebruik van standaardtaal, regionale en sociale taalvariëteiten;
  • het gebruik van in hun omgeving voorkomende talen;
  • normen, houdingen, vooroordelen en rolgedrag via taal;
  • taalgedragsconventies;
  • de gevolgen van hun taalgedrag voor anderen en henzelf;
  • talige aspecten van cultuuruitingen in hun omgeving.

Voor wie dat laatste een onrealistische en onhaalbare doelstelling vindt: die hele opsomming is een letterlijk citaat uit de heldere “eindterm 6.4” van de Eindtermen Nederlands voor het lager onderwijs van 1 september 2010[13]. De uitspraken die u hierboven kon lezen van ministers, volksvertegenwoordigers, journalisten en publicisten getuigen ervan dat zij in geen geval de Eindtermen Nederlands voor het lager onderwijs zouden halen.

Johan Nootens is oud‑communicatieadviseur Vlaamse Ombudsdienst.

Meer over dit onderwerp in het Salon leest u HIER


[1] In Knack van 15 augustus 2013

[2] In het Nieuw Wereldtijdschrift verscheen toen een voorpublicatie uit zijn Het Belgisch labyrint of de schoonheid der wanstaltigheid (Atlas 1989).

[3] Kevin Absillis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof (red.), De Manke Usurpator – Over Verkavelingsvlaams, Gent, Academia Press, 2012, 431 blz.

[4] Een overzicht van de bijwijlen hilarische reacties staat te lezen op http://demankeusurpator.wordpress.com/

[5] Geert Van Istendael gaf dat op 3 september 2012 ruiterlijk toe in het radioprogramma Hautekiet op Radio 1.

[6] In HUMO van 17 september 2013 zegt actrice Veerle Eyckermans onder meer: “Het probleem is dat we elkaar aanspreken met ‘je’ en ‘jij’ in de standaardtaal, maar alle Vlaamse televisiemakers vinden dat onnatuurlijk klinken. Ze kiezen altijd voor ‘ge’ en ‘gij’. De meeste acteurs verkiezen dat ook, en ja, dan glijdt de rest van het taalgebruik snel mee af naar de verschillende streektalen van al die mensen.” (blz.33-34)

[7] Nederland stond even op stelten toen Geert Wilders op 22 september 2011 in de Tweede Kamer tegen premier Rutte zei: “Doe eens normaal man!” (zie www.youtube.com/watch?v=2MgHKN4a5vI Wat Yves Desmet in De Morgen van 28 september 2011 het commentaar ontlokte: “Enfin, om maar te zeggen: Nederlanders, doe even normaal, ja?”.

[8] De kans is groot dat u een Vinexwijk niet kent. Omdat Vlaanderen een andere (woon)cultuur heeft dan Nederland. Voor Vinex: zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Vinex .

[9] http://www.vrt.be/taal/luik

[10] http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1444/

[11] Handelingen Plenaire Vergadering van 26 oktober 2011, Actuele vraag van Wilfried Vandaele tot Ingrid Lieten, Vlaams minister van Media, over het beleid van de VRT inzake het gebruik van het Standaardnederlands en eventuele variaties ervan

[12] Knack van 2 november 2013

[13] http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum/basisonderwijs/lager-onderwijs/leergebieden/nederlands/eindtermen.htm

In Nederland heet zo’n eindterm voor het lager onderwijs overigens een “kerndoel”.

Johan Nootens is oud-communicatieadviseur van de Vlaamse Ombudsdienst.

December 5, 2013 at 8:12 am 7 comments

BEKENTENISSEN VAN EEN MAOÏST

Rode Boekje 1

door Lucas Catherine

In november verschijnt er een nieuwe, herziene uitgave van het Rode Boekje. Het stond al in de krant, alhoewel het eigenlijk de bedoeling is dat het boekje pas terug in de winkels ligt in december, voor de 120ste verjaardag van Mao.

Ik heb iets met het Rode Boekje, of beter met Rode Boekjes. Meervoud zal u zeggen? Er is toch maar een echte, authentieke versie, namelijk dat samengesteld in 1966 door grote leider, maar niet zo groot als Mao of Zhou En Lai,  Lin Biao? Ik had het niet voor Lin Biao en gelukkig maar.

Toen ik in China was, op het einde van de Culturele Revolutie stapte ik zekere dag uit de trein, ik weet niet meer in welk station want het was gewoon om op het perron een krant te kopen. De uitgave van die dag van de Renmin Ribao, de Volkskrant voor de niet Maoisten onder u, zou een collectors item worden, zei mijn Chinese reisleider. En inderdaad, er stond toen die dag zwart op wit in die partijkrant dat de al een paar maand anoniem geciteerde slechterik aan de top, Lin Biao heette.

(Tussen haakjes zal u zich misschien afvragen: hoe komt die Arabierenfreak in China terecht? Wel mei 1966, u weet wel de Grote Revolte in Leuven had mij van de universiteit, niet de fabriek in gejaagd zoals toen onder de eerste Belgische Maoisten de gewoonte was, maar naar de filmschool. Tijd zat dus en China was in de actualiteit. Bij gebrek aan een lief zat ik iedere ochtend alleen te ontbijten en toen dacht ik, waarom leer ik niet wat Chinees. En zoals ik eerder zes jaar lang iedere dag tien nieuwe Latijnse woordjes had geleerd, memoriseerde ik iedere ochtend tien Chinese karakters. Met als gevolg dat ik na een jaar zo’n 500 karakters kende – de woordenschat van een ongeschoolde arbeider en arbeider was toen al de norm onder Maoisten -. Tijd dus voor mij om naar China te trekken. Als door de Belgisch-Chinese Vereniging erkend Maoist kon ik een delegatie van Waalse staalarbeiders vervoegen. Die mochten naar China op de kosten van Mao. Toerisme naar dat land zou pas jaren later mogelijk worden. En nu sluiten we de haakjes.)

Ik ga u niet mijn reis naar China vertellen, we zouden het over de Rode Boekjes hebben.

Natuurlijk had ik in Brussel al een exemplaar van de Citaten van Voorzitter Mao, maar gezien mijn artistieke studierichting en mijn karakter was ik er achter gekomen dat er nog een ander Rode Boekje bestond, ook van Mao maar dan met zijn gedichten. Mao Zhuxi Shici. En ik was aan het vertalen geslagen, kwestie van een iets ruimere woordenschat te ontwikkelen dan
die van een ongeschoold arbeider. Het gedicht dat het meest indruk op mij maakte was Sneeuw/ Xue uit 1936, dus lang voor hij aan de macht was. Inhoudelijk was het typisch Mao. Het landschap ligt er bevroren en doods bij (lees maar China), de oude keizers – en hij somt er een rits op – betekenen niet veel, alleen in het heden vind je nog gecultiveerde mannen (Hij en zijn kameraden dus). Maar vooral het gedicht was in zijn eigen kalligrafie en die maakte indruk.

Daarom dat ik nu weet dat Chinese kalligrafie zo iets is als Les Ballets C de la B. Ritme en tijd, maar dan vastgelegd op papier. En dat komt zo. Je houdt je penseel verticaal op het papier en naargelang je het dichter bij het papier brengt krijg je een dikkere lijn, veel inkt kan dan worden opgeslorpt en als je dan sneller gaat verdunt die lijn en zo krijg je dus een idee van de snelheid waarmee de kalligraaf over het papier is gegaan. Bij het gedicht Sneeuw heeft Mao die techniek zo toegepast dat je de indruk krijgt door een wolk sneeuwvlokken te kijken. Zie maar hieronder. Rechts de gedrukte versie van het gedicht, links de gekalligrafieerde.
RodeBoekje2_NEW
Dus eens in China, in Shanghai stapte ik nieuwsgierig een boekhandel binnen. Een grote boekhandel en volgens Vrij Nederland en andere Linkse Boekjes was het boekenarmoe troef in China en zou ik daar alleen maar de Vier Chinese Opera’s vinden waarmee de Chinezen toen om de oren werden geslagen, zoals wij nu met interviews van NV-A’ers in onze kwaliteitspers. Die opera’s interesseerden mij niet, die kon ik in Brussel ook kopen. Maar gelukkig lag er meer. Ik kon niet alle titels ontcijferen, je moet mijn Chinees nu ook niet overschatten, maar in mijn valies belandde toen wel wat andere boeken, onder meer een uitgave van Tang-gedichten (7de-10de eeuw), een exemplaar van De Droom in de Rode Kamer een klassieke maar ook erotische roman uit de 18de eeuw, en een klein mapje met veertien zwart-wit etsen, waaronder een van Gent, door een zekere Maisuijuile, Masereel dus in Chinese transcriptie.


En natuurlijk lagen daar ook Rode Boekjes in alle soorten. Wetende dat ik een invité was verwachtte ik mij eraan dat ik samen met mijn reisgenoten zou opgetrommeld worden voor een of andere betoging of défilé en ook met het Rode Boekje zou moeten zwaaien. Nu is individualisme mij niet vreemd en ik zocht dus wat anders. Het u bekende Boekje is samengesteld door Lin Biao, toen opperbevelhebber van het leger en moest dus in het borstzakje van zo’n legeruniform passen. Maar er waren ook kleinere formaten. Het kleinste dat ik vond was op ‘boerenformaat’ en droeg de titel Shouyi xin shenliao fa, Nieuwe Veterinaire Naaldbehandelmethode, jawel, een handboekje voor acupunctuur bij varkens. En als u mij niet gelooft, kijk maar hieronder:

 RodeBoekjeVarken_NEW

 

En ik zo blij als een kind. Ik heb mijn Rode Boekje nooit moeten gebruiken. Ik heb ook nooit zoals miljoenen Chinezen miljard maal hebben gescandeerd, geroepen Mao Zhuxi wansui, wan wan sui! Voorzitter Mao, lang mag hij leven! Daarom, nu dat hij dood is, en ter gelegenheid van zijn 120ste verjaardag, ga ik het toch een keer doen: Mao Zhuxi wansui, wan wan sui!

Daar gaat mijn reputatie, als ik die al had.

Rode Boekje

October 14, 2013 at 10:13 am 3 comments

HUGO CLAUS EN DE POLITIEK

Uitgestapt op 19 maart 2008

Uitgestapt op 19 maart 2008


Ik denk dat hij me mocht omdat ik Belladonna aandachtig had gelezen.  Al de rest, medeplichtigheid, baldadig
non-conformisme, de liefde voor de kunst en de goede dingen van het leven, kwam later
.

 

door Jef Lambrecht


Ik moet u iets opbiechten.  Ik heb Hugo Claus goed gekend maar ik ben geen Clauskenner.  Het is dan ook enigszins onhandig en met schroom dat ik in de komende minuten zal aftasten hoe de auteur zichzelf zag in verhouding tot de politiek, het liefst nog in zijn eigen woorden.  Het omgevende Vlaanderen had zich welhaast van bij de geboorte aan hem opgedrongen in de gedaante van deprimerende pensionaten.  Een architectuur als deze van dit claustrum verpletterde hem tot zowat zijn elfde.  Die wereld werd bestierd door zwartgerokte nonnen.  Het is genoegzaam bekend dat de oorlogsjaren Hugo in troebel vaarwater brachten waaruit hij door de nederlaag van de nazi’s en de gulzige lectuur van verboden boeken werd gered.  De zieke samenleving werd zijn grote onderwerp.  Dat blijkt nadrukkelijk in de talloze interviews waarin hij ongezouten verkondigde wat hij dacht van de gang van zaken.  Maar ook als schrijver kon hij een furie zijn.

Claus 2 Krasnapolsky

Het is Nieuwjaar 1962.  In hotel Krasnapolsky in Amsterdam zijn de literaire vrienden verzameld.  Hugo Claus beklimt het spreekgestoelte met een broodmes en houdt een hagenpreek.

Mijne zeer geliefden, 

Soms vertel ik (zoals van een dichter mag worden verwacht)

Een verhaal over de winter die in de witte nacht

Over de belegerde stad een vlucht van meeuwen zendt.

En dan knikt gij.  ‘Juist, zo spreekt een dichter.’

 

En als ik een romance wil registreren

Het gejammer van de mensen in hun tuinen

Dan fluistert gij: ‘Gewis.’

Want ik zeg het wel, want ik ben een dichter.

 

Maar als ik zeg: ‘straks waait een reusachtige wind over u allen,

Een gruwelijke wind van God

En van u allen is er dan niets meer,’

Dan hakkelt gij en zegt: ‘Hij is een dichter.’

(D.i. dat hij zich met wijven en boeken bemoeit,

Maar niet met het delicaat, intrinsiek, onoverzienbaar

Ratelwerk der politiek en het onontwarbaar zwenkend systeem

Tussen links en rechts, voor en tegen, Rood of Dood.)

 

Mijne zeer geliefden,

Op deze winterdag, de eerste van het jaar ‘62

Is er veel dat ik liefheb, o.a. bij voorbeeld:

Mijn vrouw, mijn drie broers, mijn vader en mijn moeder,

En er is veel dat ik verafschuw, o.a. bijvoorbeeld:

Wie veel geld heeft als ik te weinig heb,

De schrijvers die slecht schrijven, vrouwen zonder nek.

Wel, van wat ik koester en van wat ik haat

Is er straks, na die wind, niets meer.

 

Geliefden, God kwam tot mij en hij zei:

‘Claus, ik heb je uit het niets verwekt, wat denk je daarvan?’

En ik zei: ‘Dank u wel, God.’

Hij zei: ‘En je zal terugkeren naar het niets.  Nu jij.’

En ik: ‘Dank u wel, God.  Zeg het maar.’

Maar toen kwam er een man naar me toe en hij zei:

‘ik ben liever dood dan rood,

En als ik dood wil dan wil jij dit ook.

Liever hartstikke dood dan maar een vleugje rood.

Alle hens aan dek, het hele schip naar onder

Geen vlekje rood aan onze donder!’

En ik zei: ‘Dank u wel, man, ik bedank.’

En hij: ‘De oorlog adelt de man want de man is iemand

Die voor de vrijheid heilzaam oorlog viert.’

Toen zei ik: ‘Dank u wel, man, ik bedank,

Want wat straks komt is geen oorlog

Maar één gruwelijke, obscene wind van uw God

En daarna is er niets meer.’

En ik zei: ‘De kont van uw God wil ik niet zien.’

 

Is er daarna niets meer?  Zullen schromelijk

Al onze oog- en tandloze kleinkinderen

Tot op hun zestien tenen vervellen?

Wààr ziet een blinde in het zwart van de nacht een lichter zwart?

Ik hoop dat zo meteen

De heren het u zullen vertellen.

Ik weet het al te wel (ik ben een dichter)

En het hangt mijn keel uit als ik zie

Hoe blinden ook in de zwartste nacht niet willen zien,

Het hangt mijn keel uit als ik merk

Hoe ik hier sta voor gek.

Want hoe maak ik me sterk?

Een agent met reglementaire stok

Heeft met het denkspel in mijn kop niet het minste werk.

Laat staan: 3 agenten, 2000 soldaten, laat staan de

Miljoenen die liever dood dan rood zijn.

Daar is niets tegen te doen, dus doe ik niets

Behalve hier de woorden zeggen die ook niets doen

Tot u die ook niets doet.

Geeft toe, het is te gek.

Want wie niet dom en krom is van wanhoop en hoop

Die zit niet hier,

Maar wacht in het warme huis bij koek en koffie

En rekent uit in welke hoek van de kelder

Een betere, dubbele, dwarse kelder te bouwen is,

Voor straks.  Als de wind komt.

 

Mijne zeer geliefden,

Als morgen die wind over u neerkomt

En gij in die scheet van God wordt opgenomen

Wat wilt gij dan met wanhoop en met hoop?

Laten wij huiswaarts gaan.

Want merkt gij niet hoe schamel broos breekbaar

Een vrede is,

Als iemand als ik daarover redetwist

En iemand als gij en gij en gij en gij

Met domme, kromme woorden, en lekker brandbare

Spandoeken en boeken.

Daarom, geliefden, van mij

Geen boodschap op de eerste dag van het jaar,

 

Maar een bericht aan de bevolking.

Dit is het bericht.
Ga huiswaarts. Straks komt in de televisie
Hoffmanns Vertellingen. Eurovisie.
Zie dit aan.
Daarna, nadat uw avondmaal verteerd is
En uw gedachtengang wat logger,
Ga zitten voor uw spiegel.
Haal uw broodmes te voorschijn.
Houd het tegen uw keel. En reciteer
Het gebed van wie u dagelijks beveelt en beheerst,
Het gebed van uw regeringen op aarde,
Die de darmen van God zijn.

Onze Vader
Die in de Hemel zijt
Gezegend is Uw Bom
Dat Uw Rijk kome
Dat Uw Megatonnen ontvlammen hier op aarde
Als in Uw Hemel.
Geef ons heden ons nucleair wapen
En vergeef ons onze voorlopige vrede
Zoals wij vergeven wie ons weerstaat met gejank om vrede.
En leid ons niet in de bekoring der ontwapening
Maar dat wij mogen ver-assen en verdwijnen
Tot op het einde der tijden.
Amen
.
Claus 3

Van deze ‘oproep in zeer vage dichtvorm’, onlangs nog zijn ‘enige weerwoord aan de wereld’ genoemd,  worden vooral de laatste verzen over de nucleaire Apocalyps herinnerd,  maar het Bericht gaat voor driekwart over Claus zelf.  Een machteloze en woedend welsprekende Cassandra bezweert de onbestemde dreiging van een tijdloze maar immanente doem die vandaag de ecologische catastrofe zou kunnen zijn.  Het is een gemeenplaats maar woede en verzet waren belangrijke drijfveren voor Claus.  Ken jij dan dichters zonder onvrede met de staat der dingen?, vroeg hij 32 jaar na dit Bericht in een interview aan Hugo CampsMijn meesters zijn ondenkbaar zonder razernij.’  De meester had meesters.  Ze waren zijn echte geliefden en dat stak hij nooit onder stoelen of banken.

Bij de voorbereiding van deze toespraak was het lot mij gunstig gezind, want een van hen passeerde in de kolommen van de krant en stuurde mij naar Jessica!, een curiosum in Claus’ omvangrijke oeuvre, een toneelstuk, tevens een bijna vergeten roman uit 1977, een periode waarin Hugo Claus vooral politiek theater schreef.  Jessica! was geen kaskraker.  Eerder een commercieel kneusje in het oeuvre van de reus.  Het gelijknamige stuk was eveneens gedoemd.  Het werd even onder zijn knorrige regie opgevoerd in de KVS, met de 26-jarige Gilda De Bal, om dan stilletjes te verdwijnen in de rijke vouwen van zijn literaire toga.  Het gaat over een man die niet naar het feestje wil van zijn baas, bezeten als hij is van diens dochter Jessica.  Niets buitengewoons tenzij dat op het kransje ten huize van industrieel Neyrinck een ‘vlekkerige Arabier in livrei’ verschijnt.  Het is de blinde Syrische dichter  Abu al-ala al-Ma’ari, na duizend jaar verrezen uit zijn graf.  Hij reciteert een kort vers dat van vandaag kon zijn:

Claus 4
Als de geest onzeker is

Dan wordt hij overweldigd door de wereld,

Een weke man, gekust door een hoer.

Als de geest zelfzeker is geworden

Dan is de wereld een voorname dame

Die de strelingen van haar minnaars afwijst.

Daarop volgt een burlesk optreden van ‘de Abu al-ala al-Ma’ari sisters’, dat zijn mevrouw Neyrinck en een zuster van het Heilig Graf, in ‘uitdagend striptease ondergoed’ om de aanwezigen tot mildheid te stemmen voor een collecte ter leniging van de ‘afschuwelijke nood’ van het Syrische volk.  Neyrinck en zijn vrouw zijn immers op ‘informatiereis’ geweest naar ‘de geteisterde landen in het Midden-Oosten’ waar ze getroffen werden door de ‘ellende van de mensen daar’.  ‘Dat ging ons door merg en been’, getuigt mevrouw Neyrinck.  Ik wrijf mijn ogen uit  en verwacht een vraag van Kathleen Cools over hoe het nu verder moet in Aleppo.  Binnen de kwee klikken is duidelijk dat de dichter, geboren in 973 en gestorven in 1057, een van de grootste is uit de Arabische literatuur en een van de meest excentrieke.  Het is of ik Hugo hoor wanneer hij zegt: ‘men ziet mij als een asceet maar dat ben ik niet.  Ik heb de wereldse genoegens enkel opgegeven omdat de beste ervan zich hadden teruggetrokken’.

Het sarcasme van al-Ma’ari spaarde moslims, noch christenen of joden want het geloof was voor hem een verzinsel met lucratieve eigenschappen in dienst van de macht.   Hij had een afkeer van onrecht, schijnheiligheid en bijgeloof.  Hij was een vernieuwer van de poëtische vorm en inspireerde Dante twee eeuwen later tot de Divina Commedia.  Ongetwijfeld is hij, weerbarstig en ‘vlekkerig’, een van Claus’ meesters.  Enkel wie tot de enkels in het midden van de werkelijkheid staat kan voelen wat in de lucht hangt en het verwoorden voor het gebeurt.  Niet dat Claus in Jessica! voorvoelde op wat zich vandaag in Syrië afspeelt.  En toch.  Op 23 februari stond in de krant dat het borstbeeld van al-Maari in het noorden van Syrië door de godsdienstwaanzinnige militie al-Nusra in het holst van de nacht is onthoofd.  Claus is te vroeg gestorven om de ontsporing in het land van een van zijn meesters te moeten aanschouwen maar ze zou hem geenszins hebben verbaasd.  Hij deelde het illusieloos mensbeeld van de postuum onthoofde dichter en vreesde met hem bovenal de domheid.  Ik hoor hem nog zeggen: ‘de slinger keert niet terug’.  Nu schijnt hij te fluisteren: kijk naar mijn meesters.

Claus 5

In 1968, negen jaar voor Jessica!, het meest politieke jaar van de naoorlogse tijd, ging Fernand Auwera Hugo Claus opzoeken voor een interview over politiek engagement.  Hij wierp hem een uitspraak van Gerard Walschap voor de voeten: ‘Literatuur is het bezingen van het eeuwig menselijke.  Sociale werkelijkheid is de worm waardoor kunst vergaat’.  Als door een wesp gestoken antwoordt Claus dat hij precies het tegenovergestelde dacht.  Ik citeer: Men kan slechts universeel zijn als men concreet is. En als men concreet wil zijn kan men niet buiten de politiek, omdat er niets onpolitieks bestaat. Men kan niet zeggen dat men buiten de politiek staat. Wie dat zegt neemt integendeel een duidelijk politiek standpunt in: hij staat rechts, hij staat aan de kant van de macht.

Het lange interview van Auwera is voor deze gelegenheid gefundenes fressen.  Het staat op de website van het studiecentrum die een goudmijn is.  Claus speelt een thuiswedstrijd.  Voor hem was engagement intrinsiek aan het kunstenaarschap.  Met één belangrijke nuance: er kon niet worden gedacht dat hij de wachtwoorden van een politieke partij zou herkauwenHij vergeleek zijn Vlaamse vakbroeders Emiel Van Hemeldonck en André Demedts met de griezeligste Sowjetschrijvers.  Hij noemt Agrippa d’Aubigné een van zijn voorbeelden.  D’Aubigné, dichter, hugenoots generaal en grootvader van Madame de Maintenon, een Clausiaanse meegever, zoals al-Ma’ari dat is in Jessica!.  Hij weet dat niemand er stil bij staat.  Ook de interviewer niet.  En ondermeer daardoor bleef zijn claustrum, de hermetische clausiaanse ruimte intact, een aura, beschermd door de onwetendheid daarbuiten.
Claus onderschrijft de gedachte van Vestdijk dat poëzie gedijt in een bedreigde, kantelende cultuur.  Hij verwijst naar de ‘onvolprezen’ Juvenalis en zijn tijdgenoten die hun satires schreven vanuit een diepe weerzin tegenover de decadentie van Rome.  Hij plaatst hen tegenover de Chinezen die enkel hofdichters schenen voort te brengen die de keizer en de natuur bezongen.  Bij hen was er, zegt Claus, geen sprake van actie en reactie, zoals in onze cultuur, waar ongeveer alle werken die universele waarde hebben, gemaakt schijnen te zijn uit reactie tegen de maatschappij. Schoonheid, zei hij, is niet alleen convulsief, maar ook revolutionair en gaat daardoor op ontdekking naar nieuwe waarden en nieuwe vormen.

Pas na deze uiteenzetting die veel omstandiger is dan ik ze hier kan schetsen, krijgt zijn immer nieuwsgierige zelf de bovenhand.  Claus was een eenmansinlichtingendienst, rusteloos op zoek naar  de meest uiteenlopende informatie.  Hij wil weten wat de andere schrijvers die zijn ondervraagd denken over politiek engagement. Auwera antwoordt dat de meesten nogal huiverig staan tegenover de gedachte dat literatuur de gebeurtenissen kan beïnvloeden.  Claus is in zijn wiek geschotenHet woord heeft alle revoluties gemaakt. De libertijnse dichters die samenkwamen, dat is het begin van de Franse revolutie. Slechts als uitvloeisel daarvan kwamen er geweren aan te pas. Ik geloof dat mensen die dat niet inzien nog altijd behept zijn met een romantische visie op de kunst en menen dat de schrijver de menselijke natuur enkel moet vertolken in wat haar uniek maakt. En duister. Van dat soort dichters zijn er al duizenden verdwenen zonder spoor na te laten.  Dat ik schrijf vanuit het engagement is toch wel overduidelijk. Ik zeg niet dat men lid moet worden van de communistische partij want dat heeft hier in België geen zin, of van de BSP, want dat heeft nog minder zin. Maar neem Omtrent Deedee, daar zit het engagement toch in de wijze waarop ik die mensen beschrijf, en de terreur die het katholicisme op hen uitoefent, hoe ze er door verminkt worden. Dat alles is toch heel duidelijk aangebracht, men ziet aan welke kant ik sta. Ook in Morituri. Ook in Masscheroen. Een groot deel van mijn engagement is negatief. Ik schrijf van uit dezelfde radeloosheid waarmee ik het politieke leven beschouw en ik zie geen enkele partij waarvoor ik mensen zou willen ronselen, zoals bijvoorbeeld Günther Grass doet. Met al de treurige implicaties vandien overigens. Auwera vond dat wat slapjes en voert aan dat Emile Zola tenminste een rol speelde in de sociale strijd, waarop Claus Zola een slechte schrijver noemt.  Multatuli daarentegen was geniaal maar zonder diep op de gebeurtenissen te hebben ingegrepen.  En ik, ik ben geen polemist en geen essayist, zegt Claus, zoals men het Zola niet moet verwijten dat hij geen sonates heeft geschreven.

Claus 6 masscheroen

Het is 1968, zopas is in Knokke Masscheroen opgevoerd en Claus is veroordeeld tot vier maanden wegens het voorstellen van de Goddelijke Drievuldigheid als drie naakte mannen.  De seksuele revolutie is mede door zijn toedoen over de Lage Landen neergedaald.  Seks is echter een middel, niet het doel want dat was voor Claus de revolutie zelf, al zag hij, naar het woord van de Amsterdamse provo’s, de zon eerder opgaan in het Westen dan dat ze zou uitbreken.  De provo’s benaderden overigens nog het meest wat voor Claus revolutie was.  ‘Die provo’s vind ik prachtig bij jullie.  Die witte fietsen, wat een poëtische kracht!  Weten dat je machteloos bent en het toch doen.  Het is toch machtig als iedereen op een stoel kan gaan staan schreeuwen “Ik ben tegen –voor mijn part- de trein van 14u10”.  Dat zei hij in het provojaar ‘66.

Het was voor Claus de plicht van de dichter om tegen de staat te zijn maar zelf wilde hij vrij zijn en vooral zijn zin blijven doen.  Hij koesterde een gezonde argwaan tegenover kant-en-klare oplossingen.  De revolutie moest een verandering brengen van denk- en gevoelspatronen.  Daar droeg hij toe bij.  Maar wie op de barricaden verscheen met een blauwdruk van de ideale maatschappij was een gek.  In’71 zegt hij:  Iemand met een lucide, duidelijk omschreven einddoel is een imbeciel.  Het streven naar revolutie is tegen beter weten.  In het geval van Claus kan men spreken van een onweerstaanbare drang.  Het was de ultieme zin van zijn bestaan.  Was hij maar blind geworden of doof maar het werd zijn vreselijk lot om het woord te verliezen en het podium te zien veranderen in een graf.  Daardoor zal Claus steeds worden herinnerd in eros en in thanatos.

Tijdens het gesprek met Auwera ziet hij de seksuele revolutie als een onderdeel van een veel bredere ontvoogding.  Het is misschien de enige manier om de hele zaak in beweging te krijgen, zegt hij. een manier om openheid te forceren. Dat er daardoor randverschijnselen als de commerciële erotiek ontstonden, vond hij helemaal niet erg. Ik zelf zal altijd zeggen dat het van groter belang is de Viet-Minh te steunen dan het recht te verdedigen zijn broek uit te doen, maar men mag niet uit het oog verliezen dat de seksuele ontvoogding een eerste stap is die vooral bij jongere mensen kan leiden naar elke andere ontvoogding. En die is er nodig, zeker in ons land, waar de intolerantie zo nauw samenhangt met de kerk en alle andere reactionaire krachten. En dan zegt hij, verrassend en ogenschijnlijk zonder verband met het voorgaande: Om die redenen ook sta ik het federalisme voor. De context van deze plotse ontboezeming is de val van de regering VandenBoeynants over de kwestie Leuven, het startschot van een centrifugaal proces dat de Belgische politiek tot in onze dagen beheerst.  Dat salvo weergalmde in de straten van de revolutionaire studentenstad zonder nationalistische ondertonen maar op de ritmes van de popmuziek.  Het was een bruggetje tussen provo in Amsterdam en  mei  in Parijs.  De voorraad molotov cocktails van de politica-studenten, de voorhoede in de Leuvense strijd, was verstopt in het huis van de studenten van La Louvière.  Leuven ’68 had niets van doen met bloed en bodem.   Het KVHV lag op apegapen.  Er was nog welgeteld één student met een pet.  Die ging na zijn studies werken voor de Amerikaanse ambassade.

Claus 7

Net zo overtuigd als Claus toen was van het federalisme, stond de oude Claus, 40 jaar later, afwijzend tegenover het separatisme en ondertekende enkele maanden voor zijn dood de petitie Red de Solidariteit.  Zoals Veerle Claus in een recent interview bevestigde was haar man allerminst een flamingant maar een wereldburger die het een voorrecht vond om Belg te zijn.   Hij die een speler was en naar eigen zeggen achter vele maskers leefde, was, zoals Piet Piryns in de brochure bij deze dag terecht opmerkt, vermoedelijk veel openhartiger en meer zichzelf in interviews dan dikwijls wordt aangenomen.  Ook wanneer hij in ’68 zegt op sommige sombere momenten de pauselijke encycliek Humanae Vitae toe te juichen en soms zelfs de verkiezing van Nixon tot president van de Amerika want dat, zegt Claus,  verduidelijkt de posities in de wereld. De toestand wordt leesbaarder. Wat zeer belangrijk is.

Was hij dan een echte revolutionair?  Een soixantehuitard misschien?  Wel, hij was bij zijn ontbijt in brasserie Lipp op de boulevard Saint Germain in mei ’68 getrakteerd op een traangasgranaat en hij vond de ‘hele meirevolutie’ een voorbeeld van hoe het niet moest.  In de jaren ’80 deed hij er geregeld laatdunkend over, maar tegen midden de jaren ’90 zag hij alleen nog maar positieve dingen aan mei ’68.

Het opmerkelijk interview met Auwera in dat bijzondere jaar besluit met een advies van de bijna veertigjarige prins der letteren aan de ‘jonge wanhopige dichter die in ons land niet weet welke kant hij uit moet’.  Claus citeert Karl Marx, hoewel hij eerder van de strekking Groucho was.   ‘In de geschiedenis als in de natuur, is de verrotting het laboratorium van het leven’.  Claus zag die verrotting om zich heen, het gevolg van de middelmaat die in Vlaanderen nog beter gedijt dan de schilderkunst.  Wij leven in een terreurmaatschappij, net zozeer als de mensen in Portugal, zei hij tegen Volksgazet, nog altijd in het revolutiejaar ’68Alleen is het bij ons niet zo spectaculair eenzijdig, alleen nijpt het nog niet in ons vel, en is het alleen ons geweten, dit overbodig kliertje, dat gekweld wordt.  Wij leven in de ogenschijnlijk onschadelijke terreur van de mediocriteit.  Een terreur die ons een gedragspatroon oplegt, een muf, grauw, uitzichtloos toekomstbeeld.   Claus was er niet de man naar om zijn vrienden en voorbeelden, Aristofanes, Abu al ala al Maari, Juvenalis, de Franse libertijnen, af te vallen.  Het was zijn enige partij.  De graal van zijn kunst was zijn verzet en omdat de omgeving in grote trekken van alle tijden en plaatsen is, is het woord van de dichter gevaarlijk tot ver voorbij het graf.

Claus 8

Hoewel verontwaardiging zijn brandstof was, hanteerde Claus als een volleerd pragmaticus ook rookbommen in het politieke mijnenveld.  Zijn afkeer en zijn sympathieën werden eerder ingegeven door ongelofelijke mensenkennis, de reflexen van een bokser, zijn weerzin voor middelmaat en zelfs de conjunctuur, dan door das Kapital.   Hij was politiek niet correct.  Hij schreef vernietigend over Leopold II maar had er ook een zwak voor.  Zijn liefde voor Cuba wedijverde met die voor Las Vegas.  Juvenalis concurreert met Frank Sinatra.  Sarkozy met Sugar Johnson, Rocco Granata met Rich-en-Brooke-beter-dan-Shakespeare.  Claus was geen theoreticus van de revolutie maar een wegbereider ervan, een alchemist die het lood van de letter en van laag en verheven doen zweven.

——–

Tegelijk bleef hij zich tot in de dood bewust van de politieke betekenis van zijn handelingen.  Hij schermde voor zijn onvoorspelbaarheid, zijn claustrum door met een sardonisch genoegen het algemeen aanvaarde te ontmantelen en een zaad te zaaien van raadsels en ongehoorde meningen.  De ergernis en de weerstand die hij opriep tot hij het wandelend standbeeld van zichzelf was geworden en de miskenning die hem zelfs dan nog trof, onderstrepen alleen zijn betekenis voor de ontvoogdingsstrijd.  Immers, meer nog dan in zijn antwoorden ligt de politieke betekenis van Claus in zijn houding, soeverein en ongenaakbaar, complexloos, zelfzeker, erudiet en dwars.  Meer nog dan dat hij zijn volk een spiegel voorhield confronteerde hij het met zijn schijnheilige, bekrompen onderdanigheid, zijn brutale zelfgenoegzaamheid, zijn hebzucht en zijn onhebbelijke complexen.  Als zelfbewuste kosmopoliet, West-Vlaams chauvinist en briljant moeial was en is hij voor Vlaanderen een baanbrekend rolmodel.  Hij herinnerde zijn volk aan de tegendraadsheid van Zannekin en Uilenspiegel maar liet geen kans liggen om naar de wereldcultuur te wijzen, en zichzelf te situeren binnen een universele kritische traditie.  Een miniatuurtje als volgend klein luisterspel zegt alles.  De handeling vindt plaats in het Ministerie van Defensie. Een bezoekster meldt zich met een smeekschrift om haar zoon te laten ontslaan uit militaire dienst. De minister ontvangt haar, schenkt haar een glaasje Bénédictine in.

Minister: “Omdat Superman altijd ergens iets moet bevrijden bijvoorbeeld het Westen, die resten van een oude cirkustent, omdat Dracula geel is en “Mao” miauwt in onze volkskeukens, en leegbloeden zal bij dageraad, omdat investering voor kanker behoedt, omdat Herakles in het bijzijn van vreemdelingen niet mag geeuwen, (want vreemdelingen zijn vijandig, Mevrouw) maar vooral omdat de sterren in uw ogen niet mogen doven, dame, nog niet, niet voor het signaal, daarom is de Nato zo goed voor ons.”

(DRIE MATEN VAN DE BRABANçONNE. DOEK)

———–
Deze tentoonstelling toont het fundament van Claus’ kunstenaarschap.  Een maatschappelijke en politieke betrokkenheid die zich uitstrekt van lang voor zijn eerste werk tot ver voorbij zijn laatste.  Het lijdt geen twijfel dat deze focus, in dit hoogtepunt van het Clausjaar, zijn bijzondere instemming zou hebben gekregen.  Net zoals de lezing van zondag door Gerard Mortier, tonen deze tentoonstelling, het symposium van vanmiddag en het nieuwe prachtige boek, ‘de plicht van de dichter, Hugo Claus en de politiek’, de onverminderde pertinentie van Claus’ geestelijke nalatenschap.  Daarom vraag ik uw applaus voor professor Georges Wildemeersch en zijn ploeg.

Claus 9

En tot besluit, nog één keer omdat ik er beroepshalve niet aan kan weerstaan Claus zelf met een primeur.

Scoop

Zal Claus, die aftandse rijmelaar,
zijn vaderland verlaten,
vaandelvluchtig voor het fiscaal klimaat?

Of is dit achterklap in het artistiek café?
Nee hoor, het staat te lezen in 
De Standaard,
men hoorde het zelfs op de Bee-Er-Tee,
nukkig, arrogant, in Meneer zijn stijl,
Meneer kan het in Vlaanderen niet meer harden
Meneer wijkt uit, Meneer verdwijnt.

Maar hoe kwam zoiets in het publiek domein?
Als volgt: Meneer zat met zijn bijzit te dineren
en wou bij de 
pousse-café een en ander kwijt
over wat je zoal zou willen willen,
over de Staat die je levend blijft villen
over een land van olijven, troubadours en wijn
waar een dichter in zijn blote billen
desnoods gelukkig zou kunnen zijn.

En weet je wat? Onder de tafel zat een rat
met een micro in zijn buik
met een bandopnemer in zijn bek
en krek, daar verscheen een scoop in de krant,
een scoop die, alleluja, zwol in de media.

De scoop werd een orkaan, een zondvloed,
de regering wankelde, ministers beefden
banken gingen bankroet, staalfabrieken stolden,
het hele land lag op zijn reet
tot die zonbestraalde morgen
dat de tedere dichter zonder zorgen
in zijn Zuidfrans zwembad gleed.

==============

————————
Deze tekst werd door Jef Lambrecht uitgesproken bij gelegenheid van

Claus 10Als de geest zelfzeker is geworden

Opening van de tentoonstelling

De plicht van de dichter, Hugo Claus en de politiek

Studie- en documentatiecentrum Hugo Claus Universiteit Antwerpen, 15 maart 2013

==========================

Over de Arabische dichter al-Maari, lees ook:
https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/02/16/syrie-hugo-claus-en-een-onthoofding/

Op dinsdag 19 maart zendt Canvas het programma ‘Hugo Claus, dichter, minnaar, rebel’ uit. Het is een nieuwe documentaire, vijf jaar na Claus’ overlijden en 30 jaar na de eerste editie van ‘Het verdriet van België’.  Canvas 20.40 u

March 18, 2013 at 3:39 pm 1 comment

‘WE ZIJN ALLEMAAL BASTAARDS’

Golgota Pic Nic

door Walter Zinzen en Kris Smet

Berlijn viert dit jaar zijn 775° verjaardag. En doet dit op zijn Berlijns. Op het grasveld, waar in de DDR-tijd het Palast der Republik (parlement) stond , heeft het stadsbestuur een reusachtige plattegrond van de stad getekend. Thema : Berlijn, stad van verscheidenheid of nog : Berlijn, stad van migranten. Maar de donkere tijd van de jacht op “volksvreemde” elementen tijdens het nazi-regime wordt niet onder de mat geveegd. Met kleurige bollen op lange staken (in de volksmond ‘likstokken’ genoemd) wordt aangegeven hoeveel godsdiensten, hoeveel etnische groepen , hoeveel beroepen, hoeveel talen zich in 8 eeuwen aan de oevers van de Spree gevestigd hebben. Frie Leysen, bij ons bekend als eerste directeur van de Antwerpse Singel maar vooral als stichtster en bezielster van het Kunstenfestivaldesarts in Brussel, ziet het met genoegen aan. “We zijn allemaal van gemengde afkomst, zegt ze, allemaal bastaards. Dat is geen scheldwoord meer maar een eretitel.”

Het kan dan ook geen toeval zijn dat uitgerekend zij in dit feestjaar door de Berliner Festspiele  is uitgenodigd om er een festival onder de titel ‘Foreign Affairs ‘ te organiseren. Een festival dat hedendaagse kunst uit alle werelddelen wou tonen. Gediversifieerd dus, net zoals de kleurrijke bevolking van Berlijn.
De Duitse hoofdstad heeft Frie Leysen in de armen gesloten, de pers is lyrisch over haar. Omschrijvingen als de ‘grande dame van de internationale theaterfestivalscene’ of de ‘ legendarische Belgische künstliche Leiterin’  liggen de journalisten in de mond bestorven.

Dat ze  haar hele carrière lang  op zoek is  naar het andere (het ‘vreemde’), het onbekende, het onconventionele , het confronterende, blijkt ook weer uit de programmering van Foreign Affairs : 19 kunstenaars uit 4 continenten toonden hun kijk op  onze tijd en vertolkten 22 visies op dans, theater,performance, beeldende kunst, muziek, film en architectuur. Het festival liep vorige maand ten einde. Frie Leysen reist nu rond in China en Japan , op zoek naar alweer nieuwe artistieke ervaringen voor haar volgende opdracht : het theaterluik van de Wiener Festwochen.

Ze lacht als we haar vragen wat ze vindt van de kritiek dat ze bijwijlen wel heel duistere stukken programmeert. “’t Is nu eenmaal geen vrolijke tijd, zegt ze, maar hoe duister de visies ook zijn, de artistieke taal is toch vaak heel ethisch of heel mooi of heel beeldend. En dat is voor mij belangrijk. Ik vind dat je  over heel duistere, serieuze, pessimistische dingen ook kunt praten met humor of met schoonheid. Voor mij is de perspectiefwissel erg belangrijk, dat je de wereld bekijkt vanuit perspectieven die je niet gewend bent. Ik zet geen thema’s uit, ik probeer een antenne te zijn en te detecteren wat kunstenaars bezig houdt vandaag, wat de grote issues zijn. En die dan een platform te geven.”

Frie Leysen

Als er één kunstenaar was op Foreign Affairs die deze visie belichaamt dan is het wel Rodrigo Garcia (1964), een in Spanje wonende Argentijn, auteur, scenograaf en regisseur. Met zijn eigen gezelschap ‘La Carniceria Teatro ‘ ((Theater De Slagerij ) combineert hij elementen uit het verleden met de populaire cultuur van vandaag . Zo wil hij de zwakke plekken van de consumptiemaatschappij aan de kaak te stellen. Hij legt zich toe op experimenteel en persoonlijk theater, altijd op zoek naar een eigen taal, wars van traditionele toneelvormen. Het stuk waarmee hij naar Berlijn kwam heet Golgota Picknick. Men stelle zich het volgende voor :

De grote scene van het Haus der Berliner Festspiele is bedekt met honderden schedels, een verwijzing naar Golgotha of  de schedelplaats. Als je goed kijkt zijn het geen schedels, maar   ronde, kleffe  broodjes, van het soort  waarin de hamburgers van Mc Donalds zitten. Jezus is voorbij gekomen en heeft de broden vermenigvuldigd. In dit decor houden vijf acteurs een gore picknick.

De toeschouwer wordt geconfronteerd met broodjes waar wormen uitkruipen, met bloedend vermalen rood vlees, met kots, met liters verf  en viezigheid die over de naakte lichamen van de acteurs worden uitgekieperd. Op een reusachtig scherm wordt alles vergroot weergegeven of zweven gevallen engelen door de lucht.

Golgota Picknick is een hedendaags Laatste Avondmaal, een aanklacht tegen onze voedselconsumptie en tegen de voorstelling van het lijden van Christus in de Westerse plastische kunst,  een beeld van terreur en barbarendom. Christus, die in het stuk ‘el puto diablo’ (hoer van de duivel) heet,eindigt  aan het kruis met zijn wonden vol bankbiljetten.

In het tweede deel komt de Italiaanse pianist Marino Formenti op de scene, kleedt zich uit en speelt in adamskostuum ‘De zeven laatste woorden van Christus aan het kruis’ van Joseph Haydn in een versie voor piano. Ingetogen, stille, prachtige muziek. De gruwelijke laatste woorden van Christus worden reuzengroot op het scherm geprojecteerd.

Bij wijze van proevertje hierbij een fragment van de tekst , die dan al anderhalf uur in rad Spaans over het verblufte publiek is uitgestort. (De “hij” is Jezus).


Eeuwenlang is op duivelse wijze de gruwel afgebeeld waarvoor hij de inspirator en de verantwoordelijke was.

Een nachtmerrie op doek, panelen en papier : dat is het verschrikkelijke visuele erfgoed dat we met ons meeslepen.

Woorden kun je vergeten als je dat echt wil, maar van de beelden raak je nooit af.

Een Christus aan het kruis is een Christus aan het kruis . Een spijker, bloed, de wonden :  het zijn vuistslagen op je hersenen, alsof   Mike Tyson in persoon op je hoofd trommelt.

Met zo’n nalatenschap aan beelden is het toch geen wonder dat de erfgenamen mensen uit het venster stoten, kinderen neuken of hun mes tot 50 keer toe in andermans lijf ploffen dan wel snuff movies draaien , legers sturen naar verre plekken of Big Mac’s verslinden met zes dozijn tegelijk en ze met liters zwarte frisdrank wegspoelen.

Het Prado, het Louvre, de Musea voor Schone Kunsten in Brussel en Antwerpen, de Uffizi, de Albertina, de Academie, de Oude Pinakotheek, het Historisch Museum in Wenen, al die mooie gebouwen moeten een prooi worden voor de vlammen.

Niemand zou nog toegang mogen krijgen tot die ontzettende beelden van de Lijdensweg, van kruisen en tranen, van open wonden en van de vingers die er in woelen, hoe clean ook de gebruikte technieken zijn. Weg met die propaganda voor de perversie, de foltering en de gruwel.

 

Hij zei dat hij de zoon van God was , waardoor hij op een hoger niveau kwam te staan. 

Uiteindelijk bracht hij zijn nachten eenzaam vloekend door ergens in een hoekje, zonder iemand gestreeld te hebben , zonder iemand gehoord te hebben,alleen met de echo van zijn eigen gepredikte van boven afkomstige  woorden .

Marino Formenti

Zelfs van een chocolade-ijs kon hij niet genieten.

Het alledaagse bleef hem ontzegd.

Het Goede en het Kwade.

Hij gaf nooit toe dat hij ervan droomde zijn tijd met niets doen te vullen,  zoals de jongens in de buurt  dat deden. Spelen deed hij niet.

Hij was een voetbalweigeraar, niet in staat een paar biertjes te drinken, niet in staat om zich in een gesprek met een collega in vrouwen te verdiepen en de laatste bus te missen.

Hij was een pyromaan met een aansteker in zijn broekzak. Bossen afbranden deed hij ,op heldere, hete dagen als er aan de hemel geen wolkje te bespeuren was.

Hij wou de hoveling zijn van een handvol gekken – hij noemde ze het uitverkoren volk , waardoor hij de schepper van het chauvinisme werd . Dat volk van gekken wou hij ten oorlog tegen de hele wereld voeren.

Hij bestudeerde de principes van de guerillabewegingen die later zouden

komen : het Lichtend Pad,

Het Revolutionaire  Volksleger,

Het Nationaal Bevrijdingsfront,

De ETA.

En het woord dat hij voor zijn guerilla bedacht was : LIEFDE.

 

Hij ging zover dat hij zeide : “Geloof niet dat ik vrede op aarde breng ; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar tweedracht.

Omdat ik gekomen ben om het kind van zijn moeder te scheiden.

Wie meer van zijn moeder houdt dan van mij, is mijner niet waardig.

Wie zijn leven probeert te behouden, zal het verliezen.

En wie voor mij sterft, zal het behouden. “

 

Deze en andere aardigheidjes verspreidde de Gek, zelfs nog als hij aan het kruis plakte als chroom. En hij besloot met het beroemde : “Wie niet voor mij is, is tegen mij”.

 

Hij wou de mensen vernietigen die niet dachten zoals hij. Hij liet de vijgenboom verdorren omdat hij geen vruchten droeg als hij honger had.

 

Hij muntte uit in het zogenaamd goddelijke vermogen schade aan te richten, het Kwade te doen.

 

En het behaagde  hem de aanwezigen de schrik op het lijf te jagen met perverse wonderen zoals een arme kerel zijn oor weer aan te plakken dat in een gevecht met een slag van het zwaard was afgesneden, melaatsen te genezen, of op het water te wandelen.

Hij was ook de eerste populist : hij vermenigvuldigde het voedsel voor het volk, in plaats van zij aan zij met dat volk te arbeiden.

Voor zover we weten heeft hij nooit gewerkt.

En hij leerde het volk mak te zijn als lammeren.

En hij gaf Francisco de Zurbarán opdracht een geboeid en dood lam te schilderen, liggend op een kleurenmassa : zo iets had men nog nooit eerder gezien , een wit in duisternis neergevlijd lam.

Hij beweerde zelf een lam te zijn.

Maar hij was een verdomde demon.

Als hem een gebouw en de mensen die erin woonden hem niet bevielen, dan bleef van dat huis geen steen op de andere.

En hij dreigde met de pest en alle soorten ziektes, hij was de AIDS-messias.

Hij vernielde tempels uit jaloezie op de rijkdom van anderen.

Hij wist dat een individu zonder geld of afkomst zoals hij niets kon uitrichten en het niet ver zou brengen. En hij maakte aanspraak op de rijkdom van zijn volgelingen, zijn vertrouwelingen.

 

Ze waren niet met velen, zij die hem volgden. Twaalf maar op een paar miljoen mensen, die hem aanhoorden, twaalf wereldvreemden op een paar miljoen, dat  heeft een statistische waarde, dat verplicht je je uit de twijfelachtige kunst van de politiek terug te trekken ; maar hij bleef , tot het bittere einde.

 

Hij eindigde aan het kruis, zoals hij het verdiend had, want iedere tiran verdient een straf en zoals ze dat zo mooi zeggen in mijn buurt : zoals jij mij behandelt, behandel ik jou.

En om hem eens en voor altijd het zwijgen op te leggen spijkerden ze hem vast aan handen en voeten.

Maar de kerel sprak verder , alsof er niets gebeurd was.

 

Hij verdroeg zijn lijdensweg, die niet pijnlijker was dan die van de eerste de beste postbediende, de lijdensweg van een zinloos leven, van ieder leven, net zoals het jouwe.

En het jouwe.

 

In de kathedraal van Antwerpen hangt een mooie verheerlijking van de gebeurtenissen , een hele muur vol.

De Vlamingen zijn de beste leugenaars en handelslui.

Zelfs uit een kruisweg puren ze nog iets.

De Andalusiërs kunnen dat ook.

En het kruis en de dood werden – natuurlijk – verfraaid door de taal, die de oorsprong is van alles.

 

God is een taalkundig verdichtsel en alles wat ik hier zeg, en tot het einde van het stuk zeggen zal, is puur bedrog, dat me te binnen is geschoten om met enig gejuich  in deze strontwereld te overleven.

 

Hij had net het landschap bekeken vanuit een bevoordeelde positie en vanuit een geprivilegieerd perspectief , van op een berg met een prachtige naam , in het Aramees al : Golgotha.

Die naam is fascinerend, zelfs nadat hij het crematorium van de vertaling heeft overleefd . We kunnen hem lezen als  “Schedelplaats”.

Zo werd het gezegd.

Zo werd het geschreven

Zo werd het geloofd.

 

Haus der Berliner Festspiele

 

November 15, 2012 at 4:58 pm 1 comment

Older Posts Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,576 other followers