Posts filed under ‘toerisme’

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

mei 24, 2017 at 3:48 pm 7 reacties

JEAN ES DUUT

jean2_new

door Lucas Catherine

 Jean est mort. Moest ik ooit, in navolging van Naguib Mahfouz een boek schrijven met de titel Awlad Haritna, Mensen van mijn Wijk, dan kwam Jean er zeker in.

U krijgt geen foto hier van hem. Zijn gezicht pakte niet op papier.
Jean woonde in een zijstraat van de Vlaamse steenweg, net naast de Vismet. En hij kwam iedere dag stipt om vier uur in wat ook mijn stamcafé is. Daarna is hij moeten verhuizen. Hij was getrouwd met een veel oudere vrouw die al kinderen van een andere man had en toen zij stierf verkochten die het huis van Jean en Jean moest naar een gesticht in de Marollen. Toch bleef hij komen, naar ons café waarvan ik de naam niet vernoem, want wij willen daar geen ‘vreumden’ en dan hebben wij het niet echt over Marokkanen, maar vooral over Toeristen, Vlaamse immigrés of Expats. Over al wie niet van haritna, onze wijk is en dus ook geen welkoms-beis krijgt van de Linda, de bazin achter de toog. En Linda is op zich al een verhaal. Maar niet voor nu.

Jean wist waarom hij naar dat café bleef komen, het was zijn thuis. Als ebenist, schrijnwerker in ebbenhout, had hij een goed deel van het café gedesigned – een woord waarbij hij zeker een zwans zou hebben verzonnen – en boven de toog staat een ebbenhouten kunstwerk van hem. Ik zal mij niet over de kwaliteit uitspreken, maar het hoort bij het café, zoals de reclame voor Harley Davidson er naast, want de eigenaar is een motard die niet drinkt. God moet zijn getal hebben zou Jean hebben gezegd. En iedere dag kwam hij om zijn Stella en leverde zijn portie zwans af, niet wetend of hij nu in het Brussels of in het Frans bezig was. Hij nam zichzelf ook niet au sérieux en vertelde wie het horen wilde dat hij gehandicapt was, tien percent invalide, want zijn beitel was eens uitgeschoven en hij miste twee vingerkootjes aan de ringvinger van zijn rechterhand. Kwatongen zegden dat het was omdat hij geen trouwring wou dragen. Soit. En zei hij, later als ik dood ben dan schenk ik mijn lichaam aan de wetenschap en ik heb ze nu al een stukje gegeven.
Hij werd ouder. Hoe oud weet ik niet, maar het viel hem zwaar om iedere dag van de Marollen naar de Vismet af te zakken, en vooral om bergop terug te gaan. Alhoewel, toen hij hier in de wijk nog woonde was dat op de vierde verdieping. De hoogste, want de Belgische wet zegt dat als er meer dan vier etages zijn, de eigenaar een lift moet installeren. Eigenlijk was hij dus bergop gewend. Maar in dat ocmw werd het slechter en slechter, vooral qua eten. Vroeger drie boterhammen, nu nog twee. Vroeger twee potjes boter en confituur op een tafel voor vier, nu nog van ieder een, en nooit kaas. Hoogstens eens smeerkaas. Hij werd vel over been en zijn kostuum slodderde rond zijn lijf. De schuld van Maieur, zei Linda.

Tegenwoordig is alles in Brussel de schuld van burgemeester Ivan Maieur, zeker de pietonnier. En daar is iets van. Voordat hij zich het gereïncarneerde spook van Leopold II waande en het centrum nog eens naar de kloten hielp, was hij voorzitter van dat ocmw. Er zal dus toch iets van aan zijn.
In ons café kan je ’s middags ook eten, steak en vis, verse vis van de Vismet. En Linda zei, alla eet iets, tes veu ons. Maar dat wou hij niet. Dus gaf ze hem af en toe een wafel en zo’n babybel kaasje, kwestie van niet altijd confituur daar hoog in de Marollen.

Niemand heeft hem daar ooit bezocht. Hij wou dat niet, want bezoekers moesten hun naam in een register schrijven, en pazoep, zei Jean, dan hebben ze uw adres en ga je later mijn begraving moeten betalen.
Nu hij dood is, is Linda toch gegaan. Hij lag zo in een glazen stolp in een achterkamer en zijn kamer was al ingenomen door de volgende die zal moeten gaan. En onder dat glas, zei Linda had hij geen kleren aan, ze hadden hem gewoon in een laken gewikkeld. Hij had toch een kostuum, vroeg ze aan de verantwoordelijke, maar die wist van niets. Gewassen en aan iemand anders gegeven. Allemaal de schuld van Maieur, zei Linda. Dus als Ivan Maieur volgend jaar niet herkozen wordt, dan weet je waarom.
En alla, bij zo’n stuk in het Salon moet toch een foto, en bij gebrek aan doodsprentje, de schuld van Maieur, daarom de deze hierboven. Jean staat er niet echt op. Een kermisfoto van toen hij net geboren was, in 1930 en volgens hem is hij de baby die erop staat getekend en zijn de koppen van familie. Ik kan het niet meer checken, want Jean es duut.

maart 5, 2017 at 2:11 pm Plaats een reactie

HAPPY BIRTHDAY, BIKINI

doyou

Door Tom Ronse

In de zomer van 1946 -krek 70 jaar geleden- maakte de bikini zijn – of is het haar? – intrede.  De bikini werd uitgevonden door de Parijse ontwerper Louis Réard. Hij noemde het naar het  eilandje in de Stille Zuidzee dat in het nieuws was omdat de Amerikanen er net een atoombom hadden doen ontploffen. Réard vond het een leuke naam omdat hij exotisch was en de  “bi” naar de tweedeligheid van het kledingstuk refereert. Het badpak leek toen zo gewaagd dat Réard geen mannequins vond die aldus uitgedost op de catwalk wilden defileren en beroep moest doen op strippers.Het Vaticaan bestempelde het badpak als “zondig”. In de daarop volgende jaren werd de bikini verboden op de stranden van Spanje, Portugal, Italië, aan de Franse Atlantische kust, In Australië en in verscheidene staten van de VS . Onderstaande foto toont een Italiaanse politieagent die een bikini-draagster beboet op het strand van Rimini in 1957.

Bikini rimini

In datzelfde jaar schreef het modeblad Modern Girl Magazine “it is hardly necessary to waste words over the so-called bikini since it is inconceivable that any girl with tact and decency would ever wear such a thing”. Het zou nog tot halverwege de jaren zestig duren vooraleer de bikini als min of meer normale strandkledij werd beschouwd in zuid-Europa. Dan raakte het topless zonnebaden in zwang. Ook dat was aanvankelijk (en soms nu nog) schandalig en leidde tot politie-interventies en boetes.

topless

Vandaag zijn het de burkini-draagsters  die worden beboet, van het strand verjaagd of gedwongen om zich lichter te kleden. Zoals hier in Nice.

French-police-FORCE-Muslim-woman-to-remove-burkini-at-Nice-beach-.

De zeden en de mode zijn geevolueerd maar de neiging van de mannenmaatschappij om  vrouwen de les te spellen niet. Er bestaat een lange traditie op dat vlak. Al in de zesde eeuw voor Christus vaardigde de Atheense dictator Solon wetten uit die bepaalden hoe vrouwen zich moesten kleden. Ik heb geen idee waarom maar van Solon mochten ze in het openbaar niet meer dan drie verschillende kledingstukken dragen.

Eeuwenlang werd aan vrouwen verboden om in plaats van een rok of jurk een broek te dragen. In Parijs mocht dat pas vanaf het einde van de 18de eeuw. Maar je had er wel een speciale toelating van de politie voor nodig.

Strandtoerisme werd pas in de 20ste eeuw populair.  Dat leidde al snel tot maatregelen tegen vrouwen die “te veel huid” lieten zien.  De VS kenden een ultra-puriteinse  periode, waarin zelfs de consumptie van bier illegaal was (de “Prohibition”, van 1919 tot 1933). Onderstaande foto’s tonen vrouwen die  in 1922  in Chicago gearresteerd werden vanwege hun “schaamteloze” badpakken.  Niet iedereen liet zich zonder verzet in de dievenwagen stoppen.

1922

swimsuit-arrests chicago 1922

De regel was dat hoogstens 6 inches  (15 cm) bloot vel boven de knie zichtbaar mocht zijn. Op de volgende foto meet een parkwachter op een strand aan de Potomac in Washington DC of de dames aan de norm voldoen.

1922 DC

Die preutsheid bleek taai. Toen we in de jaren ’90 Sarasota bezochten, een kuststad in Florida, rijk aan mooie stranden, bleek daar een gemeentereglement te bestaan dat bepaalde dat de badpakken minstens  twee derden van de billen moesten bedekken.  Ook in sommige ander badplaatsen in Florida en in staten zoals Tennessee en Utah zijn kleine bikini’s (tangas, etc.) verboden.

Topless zwemmen en zonnebaden blijft in vele Amerikaanse badplaatsen verboden. Tenminste voor vrouwen.

burkini police

 

In een maatschappij die de mensenrechten echt respecteert, die de individuele vrijheid niet enkel op papier belijdt, zouden alleen de vrouwen zelf beslissen hoe zij zich willen kleden. Niet de priester, niet de imam, niet de vader of echtgenoot, niet de burgemeester of het parlement.

Strandkledij zou geen politie-aangelegenheid zijn.

Dus dames, dik of dun, kies zelf hoe u er op het strand wilt bijlopen.

In een burkini:

burkini

In een klassiek eendelig badpak:

one-piece-swimsuit_2

In een bikini:

bikini-fat-woman

In een monokini:

monokini

In een microkini:

microkini

In een nokini:

nokini

Of hoe dit ook moge heten…

wat is dit

Heren, respecteer hen, ongeacht hun keuze. Geniet van zon en zee en van vrouwelijk schoon in al zijn variëteiten. En als je je kwaad moet maken, maak je dan kwaad over echte problemen!

gif vrouwenkleren

augustus 30, 2016 at 4:33 am 1 reactie

EEN WANDELAAR DIE GEEN VOETGANGER WIL ZIJN

Miniring

Miniring

door Lucas Catherine

Wat is een stad? Heel veel huizen, veel straten en veel stank van auto’s. Als dat een stad was zou ik er niet willen wonen. Maar een stad is vooral heel veel verhalen. Elke straat die ik neem vanaf mijn voordeur heeft een verhaal en ook elk gebouw. Een stad is dan ook een bibliotheek vol verhalen. Geen dorp kan daar tegen op, ook al staan daar tegenwoordig ook veel huizen, langs veel straten, maar ik geef toe het stinkt er minder naar de uitlaatgassen.
In Brussel hebben we nu een soort dorp, een voetgangerszone langs de centrale lanen waar vroeger de burgerij defileerde. Er is daar nu veel minder lawaai en het stinkt er niet meer naar uitlaatgassen, maar de verhalen zijn gebleven. Toch zijn 21 comité’s tegen. Een bizarre bende: van PvdA’ers tot een miljonair die net een Grieks eiland kocht.

Ook ik ben tegen, niet omwille van die voetgangerszone, maar omdat al die auto’s nu langs onze huizen scheren door straatjes die nog voor paardenkarren waren ontworpen. Dat noemen ze dan ‘de miniring’. Die voetgangerszone heeft het stadsbestuur ondertussen ook al herdoopt tot stadssalon. Andere hebben het dan weer over le Boulevard des Clochards, omdat nogal wat daklozen er nu rustig kunnen slapen en kamperen. En ik ben tegen, ook een beetje omwille van het publiek dat ze door de centrale lanen willen laten defileren. Toeristen. Eigenlijk willen ze een soort Damrak – horesco referens als ik er ieder keer door rijd, op weg naar mijn Amsterdamse dochter – die de Grote Markt met het de Brouckèreplein verbindt. Dat plein zien ze als Time Square. Om van de Beurs nog te zwijgen. Die diende dit jaar als voorgeborchte voor Tomorrowland. En ik heb het niet gehoord, wel gemerkt: gepist in de portieken, ook dit van ons, een losse tegel door de ruit van mijn stamcafé, voor de fun, idem dito iets verder op. Bloemen uitgerukt uit de plantenbakken van de stad, en uit de rozentuin op het terras van het restaurant onder mijn raam. En maar met vlaggen zwaaien, en niet met de populairste: stars & stripes, de Davidster etcetera. Het is voorbij. Het is weer stil.
Ik stap mijn deur uit op het Zaterdagplein – door Marc Didden in De Morgen gepopulariseerd tot Place du Samedi-. Hier heeft ooit Moulay Hassan de Bei van Tunis nog gelogeerd als gast van Keizer Karel en Theodoor Verhaeghen, stichter van de ULB woonde er in zijn jonge jaren en er werd een tijdje de aardappelmarkt gehouden. Ik loop door de Augustijnenstraat. Waar vroeger de Augustijnenkerk stond, afgebroken in 1893 voor de aanleg van de centrale lanen en het de Brouckèreplein. Ze had een mooie voorgevel. Hij werd dan ook bewaard als voorgevel voor de Drievuldigheidskerk in Elsene. Bij mijn weten de eerste vorm van façade-architectuur in Brussel. Geen auto’s meer op de Brouckère, alla we zijn in Brussel, dus eigenlijk concreet: geen auto’s meer aan één kant van het plein. Het is er nu wel stiller. Bijna hoor ik er de liedjes van vroeger:
De Place de Brouckère,
D’as Brussel, Petit Paris.
Brussel g’het main hèt gestolen
Van de Nord tot de Midi

Zongen ze er vroeger in het Brussels en Brel vertaalde dit als:

Place de Brouckère on voyait des vitrines
Avec des hommes des femmes en crinoline
Place de Brouckère on voyait l’omnibus
Avec des femmes des messieurs en gibus.

En sommige Marokaanse vrouwen verhaspelden in de jaren 1970 Brouckère tot Bou Bakr, dat was makkelijker uit te spreken en Abou Bakr kenden ze als schoonvader van de Profeet.

Ik draai mijn memorie vijftig jaar terug. Voor u is dit niet zo makkelijk, daarom deze dubbelfoto:
LC 2 Brouckère2Ver_NEW

Bemerk op de foto onderaan de vele vijfhoeken. Brussel-stad is namelijk de Pentagone, je weet wel zoals Frankrijk de Hexagone is. Brussel Petit Paris, de natte droom van Leopold II, de vader van deze centrale lanen.
Rechtvoor staat wat overblijft van een van de eerste grote en chique hotels, het Grand Hôtel Cosmopolite met zijn Café Continental, nu kantoren van de stad. Op de oude foto links zie je de wegwijzer Pôle Nord. Dat was me wat die Pole Nord ! Bij de opening in de winter van 1893 was het een van de grootste schaatsbanen van Europa en in de zomer werd het een Palais d’Eté met onder meer een Music Hall voor al wie rijk en elegant was. En in 1899 werd er op initiatief van Leopold II het eerste autosalon van Brussel georganiseerd. Het eerste wereldwijd was een jaar daarvoor in Parijs geopend en Leopold had daar zijn eerste auto gekocht, een Panhard-Levassor. Maar dat viel tegen. Niet omdat de auto niet voldeed, maar toen kocht je samen met je auto de chauffeur die tegelijkertijd mecanicien was (garagisten bestonden nog niet) en die van Leopold was een républicain. Zo dus kocht hij daarom een jaar later liever een auto in Brussel.
De Pôle Nord lag parallel met de centrale laan, waar nu Parking 58 huist en achter wat nu een van de lelijkste flatgebouwen van Brussel is, maar toen het Grand Hotel.

LC 3 Grandhotel2_NEW

Naast dit hotel lag een van de eerste visrestaurants, het Parc aux Huitres. Een menu kostte er vier uur werkloon van een geschoold arbeider. Nu zijn er minstens vier kebab-zaken op minder dan veertig meter. De stad wil die nu weg. Ze willen terug naar de tijd van toen. Qua prijzigheid van eten en drinken dan toch.
Het is niet makkelijk lopen in deze voetgangerszone, want fietsers zijn er nog en zij zijn gevaarlijker dan auto’s. Dat zeg ik niet, maar de Franse schrijver Octave Mirabeau: “Zodra een man – ook al is hij nog zo aardig – een fiets bestijgt, wordt hij een paard, met alle grillen, al het hinderlijk gespring, alle dodelijke domheid die daarbij hoort – maar dan veel gevaarlijker. Hij houdt met niets of niemand rekening, zeker geen voetgangers. Hij is heer en meester over de weg. Je ziet hem met zijn handen in zijn zakken en zijn pet achter op zijn hoofd heen en weer slingeren en bochten, spiralen en zigzagbewegingen maken met als enig doel je voor de voeten te rijden.” De tekst is van 1907 en sedert hipsters met bakfietsen terreur zaaien is het nog erger.
Onder deze centrale laan liep vroeger de Zenne. De mythe wil dat die werd overwelfd omwille van hygiëne. Nu brak er in 1866 indertijd wel een grote cholera epidemie in Brussel uit, maar de plannen dateren van twee jaar eerder en de definitieve beslissing viel in oktober 1865.
Hoofdreden was dat Leopold II, en burgemeester Anspach een petit Paris wilden, maar dan zonder Seine of Zenne. Die Zenne diende namelijk als drijfkracht voor de Brusselse industrie die toen nog op stoommachines draaide en de Zenne dus nodig had. Al dat werkvolk moest weg – het werd verdreven naar Molenbeek – en plaats maken voor de burgerij. Duizend honderd huizen werden afgebroken, en ook ateliers en opslagplaatsen.

Brussel, Petit Paris

Het was de droom van Leopold II. Burgemeester Jules Anspach zal hem waar maken.

LC 4 Augustins2_NEW

De lanen zijn letterlijk gekopieerd op die van Haussmann in Parijs. De hoofdlaan vertakt zich aan het de Brouckèreplein en een van die takken loopt naar het Noordstation, exact zoals de as gevormd door de boulevard de Sébastopol en de boulevard de Strasbourg in Parijs doodliep op het Gare de l’Est. De centrale lanen lopen ook evenwijdig met een reeks winkelstraten: Zuidstraat, Kleerkopersstraat, Nieuwstraat. In Parijs zijn die winkelstraten de rue Saint-Denis en de rue Saint-Martin. Niet alleen het tracée is afgekeken van Parijs, ook de bouw van grote huizenblokken met onderaan winkels en daarop vijf verdiepingen appartementen, elk met een balkon. Alleen zijn die blokken in Parijs enkele etages hoger. De Brusselaars noemden Anspach dan ook een Haussmann met te korte beentjes, un Haussmann au petit pied.

Het was dan ook een Parijse aannemer, Jean-Baptiste Mosnier die deze appartementsblokken in Brussel kwam bouwen. Het werden er een zestigtal. Er staan er nog heel wat. De grond kreeg hij gratis van de stad. Hij bouwde ook het al vernoemde Grand Hotel. De burgerij moest worden overgehaald om zich in de benedenstad te komen vestigen, vandaar dat men niet alleen de appartementen bouwt, maar ook hotels en restaurants. De meeste van die restaurants hadden maar effectief succes vanaf 1890. Ze droegen prachtige namen als Parc aux Huitres, Filet de Sole, Grand Hotel, Taverne de Londres, Café Riche.Ze werden allemaal afgebroken, de laatste eind jaren 1970. De appartementsgebouwen hadden weinig of geen succes. De opvolger van burgemeester Anspach, Charles Buls, schrijft hierover in zijn L’Esthétique des Villes: “In tegenstelling tot de Parijzenaars of de Latijnse volkeren houden wij niet van grote woonkazernes die in appartementen zijn opgedeeld en die aan de lanen en straten van Parijs hun uniforme aanblik verlenen.” En inderdaad, de Franse aannemer ging failliet bij gebrek aan kopers, en Buls kan schrijven: “De enorme huizen die een Franse speculant langs onze centrale lanen heeft gebouwd, hebben hem geruïneerd; onze mensen kwamen er maar niet toe er hun intrek te nemen…” Het zal beteren met de uitvaardiging van de wet op het mede-eigendom, die stelt de Brusselaar gerust dat zijn appartement wel degelijk helemaal van hem alleen is
.
Normaal moest Leopold persoonlijk de lanen komen inhuldigen op 30 november 1871. Dat was zonder het werkvolk gerekend. De week voordien leidt de links-liberaal (de Socialistische partij zal pas vijftien jaar later worden gesticht) Jules Bara een grote betoging en komt het tot woelige incidenten. De Brusselse burgerwacht onder leiding van burgemeester Anspach kan de situatie met moeite meester blijven. Op 29 november 1871, de avond voor de festiviteiten, loopt het echt uit de hand: arbeiders en de studenten van de Vrije Universiteit gaan voor het paleis betogen. Zij onthalen de vorst op een fluitconcert, zingen de Marseillaise, roepen Vive la République en A bas le roi de carton. De koning durft ‘s anderendaags zijn paleis niet uit. Officieel omdat het stortregende.

Op het sluitstuk van de grote centrale laan, waar de Boulevard Centrale zich opsplitste in Boulevard de la Senne (Jacquemainlaan) en Boulevard du Nord kwam later de Anspachfontein met een obelisk – namaak weliswaar uit Zweeds graniet. In 1981 werd ze overgeplaatst naar het eindpunt van de Kaaien achter de Vismarkt. Ook de lange centrale laan werd naar Anspach genoemd.
Via de Anspachlaan lopen we naar de Beurs langs gebouwen die ‘modern’ zijn, dit wil zeggen gebouwd door architecten die inspiratie vonden in een doos met lego-blokjes en hier en daar nog restanten van die grote 19de eeuwse architectuur waar Leopold II van droomde.

De Beuzze, La Bourse

Ik moet u iets bekennen. Als kind dacht ik dat het om een groot openbaar toilet ging. Dat heeft niets te maken met de Brusselse uitspraak van de naam voor dit gebouw, maar omdat als ik, aan het handje van mijn vader daar arriveerden wij beiden altijd dringend moesten pissen. We waren immers onze tocht door Brussel begonnen aan het Rogierplein, in Café Bij Jan van Aolst en daar had mijn vader enkele ‘pjeirekes’ gedronken en ik Spontin. Pjeirekes, paardjes was Horse-Ale een Brussels bier van hoge gisting (zoals nu Palm), later overgenomen door Inbev en Spontin was limonade uit de Walen.
Aan de linker- en rechter kant, onder de twee leeuwen die voor de Beurs staan had je de ingang van prachtige openbare toiletten. Links voor de vrouwen, rechts voor de mannen. Vandaar. Die zijn nu weg. Nu pissen ze in Brussel in portieken en tegen gevels.

LC 5 Beurs2_NEW
En na zaan’k meug en goune ‘k noe de Vismet iene drinke.

(de ‘mini-ring’ is een enscènering door het Kunstenfestivaldesarts;
de oude foto’s komen uit het Brusselse Stadsarchief,
de recente zijn van L.C.)

augustus 7, 2015 at 12:07 pm Plaats een reactie

AL LANG BRANDT DE LAMP IN LAMPEDUSA

Lam 1

door Jef Coeck

‘Op Lampedusa zijn weer bootjes met x aantal vluchtelingen, soms meer dan 3000 op een dag, aangespoeld en/of opgepikt door meestal Italiaanse schepen. Of verdronken. Deze toestand is onhoudbaar en vraagt om hulp van de Europese Unie en de rest van de wereld. Staatssecretaris Francken (meneer X, mevrouw Y, paus F) is afgereisd naar Lampedusa om de toestand ter plaatse in ogenschouw te nemen.’ Het is sinds maanden een bijna dagelijks weerkerend bericht in de journaals en de kranten.

Weinigen hadden tot voor kort gehoord van het poëtisch klinkende eilandje Lampedusa. Het ligt in de Middelandse Zee, onder Sicilië waar het deel van uitmaakt, en is niet groter dan 20 vierkante kilometer. Het ligt dichter bij de Afrikaanse kust dan bij Sicilië zelf. Stranden, zon en water, vakantiegangers, een stukje Italië zonder geschiedenis? Dat laatste klopt niet helemaal, eigenlijk helemaal niet. Lampedusa heeft een lang en bewogen verleden.

Joseph Heller

Joseph Heller

Literatuurliefhebbers kennen het boek van Joseph Heller ‘Catch-22’. Het is een anti-oorlogsroman die zich afspeelt bij een Amerikaans luchtmachtonderdeel dat sinds medio 1943 opereerde vanop een Italiaans eiland in de Middellandse Zee. In het boek is dat het nog kleinere eiland Pianosa, dat voor de kust van Toscane ligt. Om diverse redenen was dat absoluut uitgesloten. In werkelijkheid ging het om Lampedusa en vooral ook Sicilië zelf, vanwaar de geallieerde luchtmacht bombardementsvluchten op de Duitse linies in Europa uitvoerde.

Konden de Amerikanen daar dan zo vrij opereren, zelfs toen Mussolini – bondgenoot van Hitler – nog aan de macht was? Ja, dat kon en wel hierom.

Operation Husky

De Siciliaanse maffia, die veel te ‘lijden’ had van de fascistische dictatuur, keek reikhalzend uit naar de komst van de Amerikanen. De maffiosi bleken dan ook graag bereid met de Amerikanen samen te werken. Vertegenwoordigers van de FBI en hoge Amerikaanse politieke en militaire functionarissen zochten in Comstock Prison van New York de Amerikaans-Siciliaanse maffiabaas Lucky Luciano op. De godfather van de Cosa Nostra was veroordeeld tot 30 jaar cel wegens het souteneurschap over tweeduizend prostituees. De VS-autoriteiten beloofden hem gratie als hij zou bemiddelen tussen de Amerikanen en de Siciliaanse maffia, om een soepele landing van de geallieerde troepen op Sicilië mogelijk te maken. Zo gebeurde het ook. Luciano kwam vrij. De publieke opinie op Sicilië werd bewerkt zodat de mensen, ondanks jarenlange fascistische propaganda en bijhorende sympathie, in dichte rijen juichten toen de geallieerden verschenen. En overal stonden lieden (maffialeden) klaar om de macht en de controle over te nemen. De Engels-Amerikaanse operatie Husky, die begon in de nacht van 9 op 10 juli 1943 aan de zuidkust, verliep dan ook gesmeerd. Binnen zes weken waren Sicilië en zijn ‘Pelagische eilanden’ (drie in aantal, waaronder Lampedusa) bevrijd.

Lucky Luciano

Lucky Luciano

Don Calogero Vizzini uit Villalba en Giuseppe Genco Russo uit Mussomeli, toen de nummer een en twee van de Siciliaanse maffia, werden vanaf de invasie intensief betrokken bij het verdere verloop van de operatie. Zij werden zelfs tot burgermeester van hun stad benoemd. Om zich van de onvoorwaardelijke steun van de maffia te kunnen verzekeren, stonden de geallieerden toe dat het hele criminele netwerk in een mum van tijd werd hersteld.
Door de schaarste aan allerlei goederen, zoals schoenen, kleding, sigaretten en medicijnen ontstond een nieuwe en lucratieve activiteit voor de maffiosi: de smokkel, op Sicilië beter bekend als ntralluzzu.

De maffia wist in deze periode in alle openbare diensten en bestuursorganen te infiltreren, van waaruit zij – dankzij de steun van de geallieerde militaire autoriteiten – de handel kon beheersen. Van 1943 tot 1946 was de maffia de onbetwiste leider van de smokkelhandel dankzij de uiterst winstgevende route Napels – Palermo.
De beweging van arbeiders en boeren bloeide op als gevolg van de almaar toenemende armoede, en ook het banditisme stak de kop weer op. Om zichzelf en hun eigendommen te beschermen, omringden de rijken zich als vanouds met geboefte. Maar er waren meer bedreigingen voor de landeigenaren. Het rode gevaar lag op de loer. De communistische landbouwminister Fausto Gullo van de tijdelijke Italiaanse regering wilde bijvoorbeeld dat de arme boeren eigenaar konden worden van ongebruikte stukken land en dat de landbouwproducten eerlijker zouden worden verdeeld. Om te voorkomen dat de communisten met dit soort maatregelen hun macht zouden gaan ondergraven, wilde de bezittende klasse zich zo snel mogelijk van Italië afscheiden. Sommigen wilden helemaal onafhankelijk zijn en anderen hoopten dat Sicilië de 49ste staat van de Verenigde Staten mocht worden.

Meteen na de bevrijding van de fascisten hadden de separatisten in Palermo er al op aangedrongen Sicilië onafhankelijkheid te verlenen. Tegelijktijd werd de beruchte bendeleider Salvatore Giuliano gevraagd de opstand te steunen. Giuliano werd benoemd tot kolonel over een samenraapsel van allerhande gewapende bendes dat de mooie naam Vrijwilligersleger voor de Onafhankelijkheid van Sicilië kreeg toebedeeld.

Salvatore Giulliano

Salvatore Giulliano

Giuliano trok plunderend en brandstichtend rond met als dieptepunt de aanslag van Portella della Ginestra, een dorp in de buurt van Palermo, waar op 1 mei 1947 de werklui uit het gebied en hun gezinnen waren samengekomen om de Dag van de Arbeid te vieren. Toen de lokale secretaris van de socialistische partij net aan zijn toespraak was begonnen, klonken vanaf de heuvels rondom de eerste schoten. De mensen reageerden enthousiast, want ze dachten dat er alleen maar in de lucht geschoten werd, maar daarna klonk de eerste schreeuw. Er waren elf doden en vijfendertig gewonden. Met deze methoden bereikte Giuliano zijn doel. Het vervolg is niet verrassend. Giuliano werd in 1950 dood aangetroffen, zogenaamd na een vuurgevecht, maar vermoedelijk eerst door maffiabroeders vermoord.

Russo, Giuliano, etc. zijn namen die geregeld terugkeren in de Amerikaanse politiek. Dat is nu verklaard. Op Lampedusa en in heel Sicilië is de maffia, na een zuiveringsactie in de jaren tachtig, weer de baas. Wie zou die boten leveren aan mensensmokkelaars? Zo simpel is het niet om alles op de Cosa Nostra af te schuiven, want de concurrentie is groot.

Vanaf de Oudheid

De naam Lampedusa zou kunnen afstammen van het Griekse woord ‘lampàs’, wat toorts of fakkel betekent. Dat soort lampen werd eeuwenlang op de rotskusten van het eiland geplaatst, als een soort vuurtorens voor de scheepvaart. Of, ongetwijfeld ook wel, om rijkbeladen handelsschepen op de klippen te doen lopen en vervolgens leeg te stelen. Phoeniciërs, Romeinen, Grieken e.a. hebben eeuwenlang aangelegd in Lampedusa als handelspost en/of bevoorradingspunt.

In de 16de eeuw werd het eiland geplunderd door Noord-Afrikaanse slavenhandelaars, die de hele bevolking meevoerden naar hun Afrika en de Golf. Lampedusa bleef zelfs een hele tijd onbewoond, bij gebrek aan bewoners. In de 18de eeuw raakten de Britten geïnteresseerd in Lampedusa als marinebasis voor hun vloot. Zij hadden al het naburige Malta ingepikt. Een tijdlang liet ook Napoleon zich in heel Sicilië gelden, maar zijn uiteindelijke lot kennen we.

Lampedusa kwam meer en meer onder het gezag van het koninkrijk Napels. En na de eenmaking van Italië maakte het deel uit van het Italiaanse vorstendom. Het eiland werd bevolkt door boeren, die schapen kweekten en graan teelden. Een tijdlang was het zelfs een verbanningsoord voor veroordeelde misdadigers.

De oorlogsperiode staat hierboven beschreven. Tijdens de koude oorlog werd het een Amerikaanse NAVO-basis, LORAN-C, met reuze-antennes en interstellaire afluisterposten, die later werden overgedragen aan Navolid Italië.

In 1986 ontstond er een conflict met Lybië, dat twee Scud-raketten afschoot op Lampedusa, ze misten allebei hun doel en kwamen in zee terecht. Maar de vijandelijkheden waren geopend. De Lybiërs wilden zich wreken voor het Amerikaanse bombardement op Tripoli en Benghazi. Later bemoeiden de Italianen zich ermee. In 2004 sloten Lybië en Italië een geheim akkoord waarbij Afrikaanse immigranten uit Italië automatisch naar Lybië werden (terug)gestuurd. Een deel van de bevolking van Lampedusa werd op die manier richting Afrika geloosd. Sinds de jongste ontwikkelingen in Lybië worden de Afrikaanse en andere migranten die naar Lampedusa willen, vanuit Lybië geholpen (what’s in a word?) om de Italiaanse onderkust en zo de Europese Unie te bereiken.

Lam 2

Zo zou de dodelijkste migrantenroute ter wereld zijn ontstaan. Het bezoek aan Lampedusa van Paus Franciscus in 2013 heeft daar niets aan veranderd. De Siciliaanse maffia speelt hierbij ongetwijfeld een rol – maar hoevel andere maffia’s zijn er sindsdien bijgekomen?
Op Lampedusa schijnt de zon en blinken de stranden, die nu bevolkt zijn met lijkzakken, doodskisten, noodhospitalen en hulpverleners. Plus staatssecretaris Theo Francken en zijn collega’s uit andere landen. En journalisten, natuurlijk.

mei 4, 2015 at 3:20 pm 1 reactie

WANDELEN MET WILLEM I IN zijn BRUSSEL

A 1 WillemGroteMarkt_NEW

door Lucas Catherine

Groot-Nederlander, ik ben het niet principieel, maar door omstandigheden wel een beetje. Mijn kleinkinderen zijn namelijk Amsterdammers, hierdoor heb ik gemerkt dat sommige leden van mijn schoonfamilie iets hebben met het jaar 1815, net als sommige Brusselse Nederbelgen.

Ach, Willem I die heeft toch niets betekend voor Brussel, vergeleken met Leopold II, dacht ik. Tot ik, wandelaar in bergaf, mij aan het wandelen zette langs plekken waar Willem zijn stempel heeft opgedrukt. Hierbij gebruikte ik de nostalgie-kaart van Brussel in 1815, pas uitgegeven door Michiel Plaizier, Nederbelg in Brussel geboren. Daarom noemde zijn vader hem Michiel, Saint-Michel weet je wel, die van op het Stadhuis en van de Sint-Goedele kathedraal. En Michiel noemde zijn dochter dan ook Goedele. Zo’n Brussels nationalisme kan alleen een Hollander bedenken.

De kruidtuin

De kruidtuin

Maar goed. Ik begon dus aan de Schaarbeekse poort bij de Kruidtuin. De officiële opening van de Kruidtuin vond plaats in september 1829, maar reeds in september 1815, nadat hij pas in Brussel was gearriveerd, bezocht Willem I al de site van de toekomstige Kruidtuin en schonk die toen drie Palmbomen van tussen de 250 à 300 jaar oud.
Ten tijde van Willem I werd bij ons de techniek van de lithografie geïntroduceerd (1817) en hierdoor kon Jacob Gijbert Samuel van Breda hier zijn Genera et species orchidearum et asclepiadearum… laten drukken met talloze illustraties in steendruk. De asclepias, in het Nederlands zijdeplant behoort tot de familie der maagdenpalmen. Tijdens de revolutie van 1830 werden nogal wat steendrukkerijen vernietigd, omdat ze door het Hollands bewind waren geprotegeerd. De drukker van Jacob van Breda, Kierdorfer zal dan ook in 1830 naar Holland vluchten.
Volgens de traditie zouden die septemberdagen van 1830 ook aan de basis liggen van een typisch Belgische uitvinding, het witloof (witlof schrijven de Nederlanders: ze kunnen het niet bereiden maar dringen ons wel hun spelling op). Een boer die toen schrik kreeg van de schermutselingen in de straten van Brussel verborg een partij cichoreiwortels in een donkere kelder in Schaarbeek. Om zeker te zijn dat niemand ze vond schepte hij er een laagje aarde over. Enkele weken later stelde hij tot zijn verbazing vast dat er uit de wortels malse, witte kroppen waren gesproten.
Zijn ontdekking werd gecommercialiseerd door Frans Bresiers, hoofdhovenier van de kruidtuin te Brussel.

Huidige ingang van de Sterrenwacht

Huidige ingang van de Sterrenwacht

Willem I ondertekent in 1826 een Koninklijk Besluit tot oprichting van een sterrenwacht in Brussel. Initiatiefnemer is de astronoom Adolphe Quételet, naar wie het plein voor het gebouw nu is genoemd. Het gebouw was ongeveer af in 1830, maar werd tamelijk beschadigd tijdens de Septemberdagen en na herstelling werd het in 1832 in gebruik genomen. Nu is het al lang geen observatorium meer. Het ligt te dicht bij de stad en haar lichtvervuiling. Later werd het een administratief gebouw voor o.a. het Ministerie van Landbouw, de Politie en de minister-staatssecretaris voor het budget.

Academiënpaleis, toen paleis van de Prins van Oranje

Academiënpaleis, toen paleis van de Prins van Oranje

Het prachtige neoclassicistische gebouw werd in opdracht van Willem I opgetrokken tussen 1823 en 1828 op de plek van het refugiehuis van de Parkabdij. De kosten, ten bedrage van 1.215.000 gulden kwamen op rekening van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Kroonprins Willem II en zijn Russische echtgenote Anna Pavlovna namen er hun intrek. De regel wou namelijk dat de Verenigde Nederlanden twee hoofdsteden hadden, Den Haag en Brussel. De regerende vorst resideerde afwisselend in beiden, maar de kroonprins die de titel Hertog van Brabant droeg, resideerde permanent in Brussel, in dit paleis. Na 1830 bleef dit zo. Kroonprins Leopold II woonde hier als Hertog van Brabant permanent, vandaar de naam van de straat die er langs loopt, Hertogsstraat. Die eindigt op het Paleizenplein.

Koninklijk Paleis

Oorspronkelijk stonden hier gewoon twee herenwoningen: het Di Belgioioso-Huis en het Von Benderhuis. Er werd een wedstrijd uitgeschreven om die om te bouwen tot een paleis. Het resultaat was een strenge gevel die niet zo in de smaak viel bij de burgerij en ook niet bij de latere Leopold II die er een nieuwe voorgevel voor liet plaatsen. De achtergevel ziet er nog altijd uit zoals ten tijde van Willem I.

Paleis ten tijde van Willem I

Paleis ten tijde van Willem I

Links van dit Paleis ligt een gebouwencomplex waar Willem niets met het uitzicht heeft te maken, wel met wat er gebeurde.

Société Générale

In 1822 richtte Willem I d’Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt, op, in het Frans Société des Pays-Bas pour favoriser le développement de l’industrie nationale., De stichtingsakte werd door hem ondertekend op het nummer 3 van de Warandeberg, waar nu nog de zetel is van BNP Parisbas Fortis, die de Generale opslorpte.

Poort waar de zetel van de Generale was

Poort waar de zetel van de Generale was

Met een kapitaal van 106 miljoen frank werd deze Algemeene Nederlandsche Maatschappij meteen een van de grootste banken in Europa. De dominerende bank was toen die van de Rotschilds, met zetels in Parijs, Londen, Wenen en Frankfurt en die bezat maar een kapitaal van 102 miljoen frank. De Franse centrale bank, Banque de France beschikte amper over 60 miljoen frank. Willem wou er de rijksdomeinen mee valoriseren, maar vooral de opkomende industrie steunen, ondermeer door het financieren van grote openbare werken. De Maatschappij ondersteunde met leningen bvb de mechanisering van steenkoolmijnen in Henegouwen.

Via de Leopoldstraat, de toenmalige Willemstraat –na 1830 werden nogal wat straatnamen ‘ontHollandst’- arriveren we bij de Muntschouwburg.

Muntschouwburg

In het begin van de negentiende eeuw startten de Franse machthebbers de bouw van een nieuw theater achter de eerste, bouwvallig geworden schouwburg. Na de val van Napoleon, werd het gebouw door het Hollands bewind gewoon afgewerkt en in 1819 ingehuldigd.

Opera 1830

Opera 1830

Hier startte in 1830 de Brusselse burgerij haar opstand tegen Willem I en die lukte, vooral door de lompe reactie van de kroonprins, die vanuit zijn Brussels paleis het leger nogal brutaal inzette.

We steken de vroegere Zenne over. Onder Willem I moesten we daarom over een bruggetje, nu over de centrale laan en gaan naar de huidige Vismet. Van hier uit vertrokken, via de Vaart naar Willebroek en Antwerpen (gegraven onder Keizer Karel) stoomboten naar Rotterdam en Amsterdam.
Vlakbij, achter de Begijnhofkerk ligt het Groot Godshuis.

Groot Godshuis

Het Groot Godshuis van architect Partoes dateert uit 1826. Supervisie van de werken gebeurde door gemeenteraadslid G. Marcq, naar wie nu de straat ten zuiden van het Godshuis is genoemd. De gedenkplaat die binnen in de inkomhal hangt met het jaartal 1835 slaat eigenlijk op de integratie in het Groot Godshuis van het Pacheco-Instituut. Vanaf toen noemden de Brusselaars het Godshuis trouwens ‘den Pasjekko’. Het echte jaartal waarop het Godshuis werd gebouwd staat nog op de achtergevel (kant Vaartstraat), Egenis Senibus MDCCCXVI, Voor de noodlijdende ouderen 1826. Ook de huizen rond het Godshuis dateren uit de Hollandse tijd en zijn in wat sommigen ‘de stijl van protestantse tempels’noemen.

Huizen rond het Godshuis

Huizen rond het Godshuis

De straat achter ‘Den Pasjekko’ heet niet voor niets Vaartstraat, want ze breng ons naar het kanaal. Er bestond al sinds de zestiende eeuw een kanaal Brussel-Willebroek, Willem zal het verlengen tot in Wallonië

Kanaal Brussel-Charleroi

Willem stimuleerde overal in het zuiden van zijn Verenigde Nederlanden de industrie, met zijn Société Général en binnen deze politiek nam hij ook het initiatief voor de aanleg van het kanaal Brussel-Charleroi om de Waalse steenkool zo snel en goedkoop mogelijk naar het noorden te vervoeren. De man die het uitwerkte was A.J.Barthélemy, lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en raadgever bij de kroonprins-regent in Brussel. De bouwwerken werden in 1827 gestart. De laan langs het kanaal heet nog altijd Barthélemylaan. Eigenlijk ware Willem I –laan historisch correcter geweest.

Kanaal Brussel-Charleroi

Kanaal Brussel-Charleroi

Toch niet niks, hé, wat die Willem voor ons deed. En wie iets voor ons doet, die houden we in ere. Zo zijn wij Brusselaars. Het wordt dan ook een moeilijke september dit jaar: 21 september, eedaflegging van Willem I in het Brusselse stadhuis; 23-26 september: Belgische revolutie. Om een grafitti dat in 1830 in de Vlaamse Steenweg verscheen te persifleren: Wilden Wij Willem Weg? Wou Willem Wijzer Worden, Wilden Wij Willem Weer!

februari 19, 2015 at 11:33 am Plaats een reactie

TIMBUKTU RENAISSANCE

Tim 1

In de Brusselse Bozar kan je nog tot eind mei een kleine tentoonstelling met manuscripten uit Timboektoe gaan bekijken.

door Lucas Catherine

In Europa stond Timboektoe lang synoniem voor ‘meest onbereikbare stad’, waar niemand wat van wist, behalve sommige Engelsen die er rijmpjes op maakten. ‘Me and a friend on a trip we went, had no home and had no tent. Met three girls on our way to Timbuktu. I booked one and Tim booked two.’
Voor Arabieren was het een mythische stad, maar ze waren er wel erg goed over geïnformeerd. Rond 1525 geeft de Marokkaanse geograaf Hassan al Wazzan (Bij ons bekend als Leo Africanus) een uitvoerige beschrijving van de stad: ‘De huizen van Timboektoe zijn in leem gebouwd, met gevlochten rieten daken. In het centrum van de stad staat een moskee uit leemsteen en mortel, gebouwd door een architect uit al Andalus, en verderop een groot paleis, gebouwd door diezelfde architect: daar woont de koning. Er zijn heel veel winkels, vooral van katoenwevers. Stoffen arriveren ook uit Europa, via Berberhandelaars. De inwoners zijn erg rijk, vooral de vreemdelingen die zich hier vestigden. Alles is hier te krijgen, behalve zout, dat arriveert uit Taghaza, zo’n 500 mijl van Timboektoe (…) Je vindt er veel boeken uit Marokko en er is een grote boekenmarkt. Het meeste geld kun je daar verdienen in de boekproductie en -verkoop…’ Dat Timboektoe een boekenstad werd dankte zij aan twee figuren: koning Mansa Musa en de Andaloesisch balling Al Quti.
Timboektoe was oorspronkelijk een oase met een waterput waar Toearegnomaden kampeerden. Die put werd volgens de legende bewaakt door een dame die Buctu heette, vandaar Tinbuctu: ‘put van Buctu’

Tim 2

Het is Mansa Musa (1307-1332), de eerste grote moslimvorst van wat toen het Malirijk heette, die de stad echt uitbouwde. Hij controleerde de goudmijnen in Mali en Ghana en zou de Arabische geschiedenis ingaan als een El Dorado, ‘in goud geklede vorst’. De Arabieren leerden hem kennen tijdens zijn bedevaart naar Mekka. Die ondernam hij, bijgestaan door een karavaan van 60.000 dragers en 500 dienaars, in met goudplaat bedekte kledij en in elke hand een gouden wandelstaf. Toen hij in Caïro arriveerde, deelde hij daar zoveel goud uit dat de munt ontwaarde en koper duurder werd dan goud. Het business-blad Forbes heeft hem ooit uitgeroepen tot de rijkste man uit de wereldgeschiedenis. Mansa Musa vertelde in Cairo ook een heel bizar verhaal: onder zijn voorganger waren vissers op zeker ogenblik erg ver afgedwaald en hadden aan de overkant van de oceaan een land met een heel grote rivier gezien. Zijn voorganger besloot om een vloot van 2000 schepen uit te rusten en er zelf het bevel over te voeren, maar niemand keerde ooit terug. Op basis van deze traditie gaan nogal wat Afrikanisten ervan uit dat West-Afrikanen al voor Columbus Amerika bereikten. Ze zien overeenkomsten tussen sommige uitingen van de Mexicaanse beschaving en die van West-Afrika.
Bij zijn terugkeer uit Mekka bracht Mansa Musa een grote verzameling Arabische boeken mee, evenals Arabische secretarissen en kopiisten. Daarmee legde hij de basis van een tot op heden bestaande boektraditie.

Tim 3

Een eeuw later krijgt die boekentraditie een nieuw elan nadat een van de grootste boekenliefhebbers uit de Arabische wereld in Timboektoe arriveert: Ali Bin Ziyad al Quti, een Arabier afkomstig uit Toledo. Hij was gevlucht in juli 1467 toen daar een machtsstrijd uitbrak om de kroon van Castilië, gevolgd door een burgeroorlog. Omdat hij zijn bibliotheek niet wou achterlaten, nam hij op zijn tocht naar het diepe zuiden een paar duizend boeken mee. Tijdens zijn omzwervingen kocht hij bovendien nog boeken bij. In zijn bibliotheek in Timboektoe ligt een boek waarvan het colofon vermeldt dat hij het in augustus 1468 kocht in Tuat (nu Mauritanië). Ali bin Ziyad al Quti betaalde er 45 mithqal goud voor, dat is 220 gram. Eenmaal in Timboektoe installeerde hij er zich en trouwde in 1470 met de nicht van een lokale Songhay-vorst. De naam van de familie, Quti zal later verafrikaansen tot Kati. Zijn bibliotheek, het Fondo Kati, bestaat nog en bevat zo’n 3000 manuscripten, waaronder de bekendste geschiedenis van West-Afrika, Tarikh al Fettash. Zo’n 85% van het fonds bestaat uit Andaloesische manuscripten, meestal uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Tim 4

Naast de Kati/Qutibibliotheek telt Timboektoe nog andere belangrijke boekenverzamelingen: die van Ahmed Baba, van Mohamed Tahar, van al Wangari en Mamma Haidara, …
De meeste boeken gaan over de islam, maar er zijn er ook over handel, astronomie en geneeskunde. Een van de exemplaren in Bozar geeft recepten voor medicijnen die de potentie verhogen. Bozar geeft geen vertalingen, ik geef u die wel (met dank aan mijn vriend Mohammed die in een luide lach schoot toen hij het manuscript in die kille, verduisterde zaal van Bozar onder ogen kreeg). Het gaat over een middeltje om je vrouw plezier te doen: “Neem de klootjes van een haan, laat ze drogen. Verpulver ze en meng het bekomen poeder met honing. Strijk dit op je penis, en….”

Tim 5

De boeken uit deze bibliotheken van Timboektoe zijn niet alleen in het Arabisch maar ook in het Toeareg-berbers, Wolof, Fulfulde, Mandinka en Hausa. In de expo van Bozar ligt zo een boek in Fulani. Ze zijn wel allemaal in het Arabisch schrift, het zijn wat men noemt Ajami-teksten, teksten in Arabisch schrift maar wel in een andere taal. Het is via deze boeken dat de West-Afrikaanse volkeren van het huidige Mali, Senegal, Gambia, Ghana, Togo, Niger, Burkino Faso en noord-Nigeria werden gealfabetiseerd. In ajami leerden ze lezen, schrijven en rekenen. Nu nog kan 80% van de 50 miljoen Hausasprekers ajami lezen. Ze worden in de alfabetisatiestatistieken niet opgenomen, enkel wie in ons Latijns alfabet geletterd is telt mee.
Dit Europese, Latijns alfabet werd opgelegd door de kolonisator die een culturele en religieuze breuk wilde bewerkstelligen, ajami teksten waren voor hen per definitie subversief. Vrijheid van meningsuiting of persvrijheid waren niet echt waarden die Europa tijdens de kolonisatie heeft geëxporteerd. Volgens Jennifer Franco (directeur van de West African Research Association) : “de Fransen wilden de ajami teksten weg. Ze hebben heel wat bibliotheken verbrand, waarna de mensen de boeken gingen verbergen achter valse muren en in kelders.” In de Britse kolonies van West-Afrika gebeurde het zelfde. In Nigeria verbood Governor General Sir Frederick Logard (1914-1919) het ajami alfabet en alle Hausa boeken moesten nu met het Latijns alfabet worden gedrukt. Deze nieuwe boeken kregen de naam Boko (van het Engelse woord book). Ook hier werd in ajami schrijven een daad van oppositie. Een van de zeer extreme terreurbewegingen die daar nu opereren, de jama’atu ahli s-sunna li-d-da’awati wa-l-jihad, (Vereniging van Sunna-aanhangers voor de verspreiding en de strijd voor het geloof) kennen we beter onder hun Hausa naam Boko Haram. Alle westerse boeken zijn voor hen verboden. Een extreme nawee van een koloniale poltiek.

Tim 6

Sommigen stellen dan ook dat de kolonisatie een moord op de lokale cultuur betekende. Alhoewel het ajami overleeft, en niet alleen in Timboektoe. Nu nog gebruikt men veel ajami op winkelopschriften en in Nigeria verschijnt zelfs een ajami krant Alfijir (De Morgen). En er komt een beweging op gang om terug ajami officieel te onderwijzen, zodat men de eigen versie van de geschiedenis, en niet de koloniale kan raadplegen.

Recent werden deze manuscripten opnieuw bedreigd, niet langer door de slechte condities waarin ze bewaard werden of de kolonisator, maar door terreurgroepen als Ansar Din (Strijders voor het Geloof).
Maar de bibliotheek van het Fondo Kati werd al lang voor de huidige politieke troebels gered: In 2002 kon Ismail Haidara Kati een deal sluiten met Spanje en met de Junta de Andalucia, die de bibliotheek beschouwden als Andalusisch nationaal erfgoed. Ze financierden een nieuw bibliotheekgebouw van 800 m2, uitgerust met airconditioning en voorzien van conserveringsfaciliteiten, kostprijs 150.000 euro. De boeken werden op microfilm gezet en die wordt nu in Almeria bewaard.
De huidige oorlogssituatie maakte dat wereldwijd ook aandacht werd besteed aan de andere bibliotheken. In tegenstelling tot wat eerst werd gemeld kon men 90% van de manuscripten in veiligheid brengen in Bamako. Daarvoor zorgden onder meer Noorwegen, Nederland en de Universiteit van Kaapstad. Volgens professor Shamil Jeppie (univ. Kaapstad en directeur van het conserveringsproject in Bamako) « Heeft men zwaar overdreven. Er is schade aangericht, sommige objecten werden gestolen, maar lang niet op de schaal uit de eerste berichtgeving.” Volgens de Amerikaanse expert Bruce Hall (Duke University) in Le Monde is er meer aan de hand:”Des millions de dollars ont été dépensés depuis dix ans pour les sauver en les numérisant, notamment par l’Unesco et des fondations américaines. Presque rien n’a été réalisé. Et ce qui a été numérisé est seulement conservé sur des ordinateurs à Tombouctou ! ” Ook de corruptie tierde welig : “L’argent a disparu au Mali, mais aussi dans les mains de pseudo-experts occidentaux qui ont beaucoup discouru et peu agi…personne n’a les mains propres”.

De Brusselse Bozar toont nu enkele van deze manuscripten, met niet echt een vertaling en met een summiere historische duiding. Te kostelijk?

Mali 1

januari 25, 2015 at 9:28 am 3 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.337 andere volgers