Posts filed under ‘toerisme’

LITERA- EN ARCHITECTUUR HAND IN HAND

Huize Roelants met flitsende fietsers vooraan

Huize Roelants met flitsende fietsers vooraan

Architect Van Der Meeren was ‘potlood in hand’ van literaire
Mandarijn’

door Eric Bracke

Eind de jaren 1950 ging de socialistische architect Willy Van Der
Meeren doceren ‘bij de broedertjes’ van Sint-Lukas, ‘met De Standaard
als gazet en een les die begint met een mis in de kapel.’ De
modernistische grootmeester, die ijverde voor betaalbare woningen voor
iedereen, liet zich gelukkig niet inperken door ideologische grenzen.
In 1962 tekende hij de woning van de bekende katholieke schrijver en
museumconservator Maurice Roelants. De betonnen schelp op de Tomberg
in Sint-Martens-Lennik is een hoogtepunt uit de Belgische architectuur
en is samen met andere realisaties van Van Der Meeren in Lennik te
bezoeken.

Voor veel dorpelingen moet het een soort UFO geweest zijn, dat
betonnen gevaarte dat in de winter van 1962-1963 verrees op de nog
onbebouwde Tomberg. De bewoner keek er uit op de glooiende Brabantse velden en bossen. In de verte tekenden zich tegen het zwerk de Lennikse
kerkspitsen en de kantelen van ‘zijn’ kasteel van Gaasbeek af. ‘Het perceel
was op geen enkele manier omheind’, schrijft architectuurcriticus Mil De
Kooning in de publicatie *Willy Van Der Meeren en Maurice Roelants *die
over een paar weken verschijnt. ‘Roelants wilde niet een lap grond, maar
het ganse landschap bewonen. Aanvankelijk werd de tuin zelfs voor een deel als landbouwgrond gebruikt, zodat de ploegvoren soms tot vlak bij de woning werden getrokken.’

Mandarijn

De bewoner van deze moderne bunker was geen jonge beeldenstormer, maar een gepensioneerde ambtenaar en een beroemd schrijver. In 1927 had Maurice Roelants (1895, Gent-1966, Sint-Martens-Lennik) naam gemaakt met zijn debuutroman *Komen en gaan*, die door critici een mijlpaal in onze
literatuurgeschiedenis werd genoemd. De jonge schrijver introduceerde
zogezegd de psychologische roman in Vlaanderen, al komt die eer veeleer toe aan Willem Elsschot met *Villa des Roses* (1913). Amper drie jaar na *Komen en gaan,* en na de novelle *De Jazzspeler,* kreeg de auteur de
driejaarlijkse Staatsprijs voor Vlaams verhalend proza.

Toch was schrijven voor Roelants niet het begin en het einde, naar eigen zeggen was hij meer een man van de actie. Hij gebruikte zijn reputatie van bekend schrijver, redacteur van literaire tijdschriften, jurylid van allerlei prijzen en journalist om deuren te openen en zelfs die van de paleizen gingen voor hem op een kier. In de herfst van zijn carrière wist hij als conservator van het kasteel van Gaasbeek de
Belgische en Nederlandse vorsten zover te krijgen dat ze hem op 1 juni 1960 met een bezoek vereerden. Bij zijn stukken voor *Het Laatste Nieuws* en diverse Nederlandse bladen valt zijn voorkeur op voor het zogenaamde
auto-interview, waarbij de journalist-criticus zijn eigen vragen
beantwoordde. In culturele gezelschappen ontpopte hij zich tot een
luidruchtige mandarijn en ‘arrangeur’ en wekte door zijn verstikkende
alomtegenwoordigheid de weerzin op van jonge schrijvers-publicisten als
Julien Weverbergh en Paul de Wispelaere. Maar met Herman Teirlinck, Richard Minne, Menno ter Braak en E. du Perron onderhield hij lange tijd oprechte vriendschapsbanden en ook de Brabantse schilders Jean Brusselmans, Edgard Tytgat en Hippolyte Daeye mocht hij tot zijn vrienden rekenen. Hij pakte ook graag uit met zijn amicale contacten met vooruitstrevende architecten. Allereerst Henry van de Velde en bij de volgende generatie ook Léon Stynen, Hugo Van Kuyck en Victor Bourgeois. Maar voor het huis op de Tomberg in Sint-Martens-Lennik koos hij uiteindelijk de jongere architect Willy Van Der Meeren (1923-2002)

Le Corbusier

Maurice Roelants heeft zich altijd ook een beetje een bouwmeester gevoeld.
Eerder had hij al twee woningen laten optrekken in het Brusselse en ook in
het kasteel van Gaasbeek zat hij niet stil (in het eerste huis, op de
Windberg in Wemmel, is later Johan Verminnen opgegroeid). Maar het was pas op zijn 67-ste dat hij samen met Van Der Meeren echt grenzen verlegde. Hij koos Van Der Meeren, die toen ook via radio en televisie bekendheid genoot, omdat hij in hem een volgeling van de Frans-Zwitserse grootmeester Le Corbusier zag. De *Modulor* van Le Corbusier, een menselijke schaal voor architectonische verhoudingen, is inderdaad te bespeuren in vele verwezenlijkingen van Van Der Meeren, zoals het zogenaamde CECA-huis (1954) een moderne, geprefabriceerde arbeiderswoning. Ook zijn eenvoudige meubels, waarvan sommige ontwerpen nu opnieuw op de markt zijn gebracht, beantwoorden tot op zekere hoogte aan de Modulor.

Bracke 2
Van Der Meeren was een socialistische architect, maar hij liet zich niet
inperken door religieuze of ideologische grenzen. Enkele jaren voor hij de
opdracht van Roelants aanvaardde, begon hij zelfs te doceren ‘bij de
broedertjes’ van Sint-Lukas, ‘met *De Standaard* als gazet en een les die
begint met een mis in de kapel

Opvallend is dat Van Der Meeren de verdienste voor de woning Roelants voor een groot stuk bij de schrijver zelf legt. Volgens de architect wist
Roelants zijn eisen ‘in korte zinnetjes’ te verwoorden, ‘als een
dicteermachine’. Als architect voelde hij zich ‘het potlood in zijn hand’.
‘Ik kwam tot een raar resultaat, een soort bunker met afgesneden segmenten en maakte hiervan een pover maketje in karton (…). Maurice vond het precies zijn tweede vel dat ik aan elkaar gebreid had.’ Van Der Meeren trok er zijn lessen uit en vroeg toekomstige bouwheren sindsdien om via een vragenlijst grondig na te denken over hun levensbehoeften.

Bracke 3

Bedreigde galerie

Mil De Kooning, die doctoreerde op Van Der Meeren en ook diens archieven
beheert, noemt het huis op de Tomberg ‘architectuur die gemaakt is op de
maat van het verlangen’. Samen met Ronny De Meyer, collega-professor aan de UGent, stelt hij een tentoonstelling samen over veertien realisaties van
Willy Van Der Meeren in de periode 1958-1985. Vijf gebouwen zijn in die
periode opgetrokken in Lennik. Een ervan is het complex Verhoeven: een
appartementsgebouw met drie winkels en een ondergrondse galerie. In die
ondergrondse galerie vindt straks de expositie plaats. ‘De complexe
opdracht Verhoeven is een onbekend gebleven, maar waardevol voorbeeld van integratie-architectuur in een historisch centrum’, zegt De Kooning. ‘Net als in de woningen zijn de door Van Der Meeren geconcipieerde interieurs en meubels zo goed als volledig bewaard. Uniek is ook dat Van Der Meeren voor sommige interieurs samenwerkte met Pieter De Bruyne. Jammer genoeg is het voortbestaan van de ondergrondse galerieruimte bedreigd. Er zijn condensatieproblemen en het wapeningsijzer in de betonnen balken ligt hier en daar bloot. De expositie op deze plaats is tegelijk een oproep om het gebouw te bewaren en te beschermen.’
Voor De Kooning is de expositie in Lennik een tussenstap naar een grote
expositie over Van Der Meeren in 1923, honderd jaar na diens geboorte.
Tegen die tijd wil hij ook een omvattend naslagwerk publiceren met
bijdragen van critici en historici uit binnen- en buitenland.

Bracke 4

De tentoonstelling in Galerij Verhoeven, Markt 2 te Lennik is voor
iedereen toegankelijk tot 19 oktober op zaterdag en zondag, van 10 tot 17 uur.
Ook de woning van schrijver Maurice Roelants , Oude Brusselsestraat 15,
Sint-Martens-Lennik is op Open Monumentendag te bezichtigen.

Foto bovenaan: Wim van Nueten
De andere foto’s: Archieven WVDM, coll. A & D 50

NOOT : Dit is de oorspronkelijke tekst van auteur Eric Bracke, ‘bewerkt’ verschenen in De Morgen van 10 september. Een eindredacteur die het woord ‘mandarijn’ niet kent en het daarom maar schrapt, is een nachtmerrie voor elke rechtgeaarde krantenman/vrouw. Om maar iets te noemen. (jc)

September 14, 2014 at 7:16 am Leave a comment

OPIUM

brazil-graffiti-anti-world-cup

Anti-world cup graffiti in Rio

Door Tom Ronse

Het grote voetbalfeest is begonnen. We kijken ernaar met gemengde gevoelens. Net als vele Brazilianen. Want in het land met de grootste inkomenskloof van de hele wereld vindt niet iedereen het geweldig dat de regerende Partij van de Arbeid aan de organisatie van dit spektakel 11 miljard dollar besteedde. Sommigen hopen zelfs dat Brazilië verliest. Ze leggen uit waarom in een artikel in GlobalPost.

Enkele citaten:

“I’d love to see the Brazil team lose every game and be thrown out in the first round,” says Marcelo Amorim, a university researcher who has been protesting against the tournament since last year. “We already have five cups so what is one more? Right now there are more important things to worry about.”

Protester Wellington Magalhaes, a resident of a favela climbing up Rio’s hills, says he will be actively cheering for Brazil’s rivals. “A victory for the Brazil team would be a victory for the government. It would be a slap in the face of the people,” Magalhaes said. “I’d like to see Brazil lose 10 to nothing. Just think of the repercussions of that.” (…) “Football is a passion and a love for people in the favelas. But how does this cup help the poor? The Brazilian government uses football as an opium to keep people happy. Well, we are tired of that.”

 
Helaas voor hen won Brazilië alvast zijn eerste wedstrijd. Zij het dank zij de scheidsrechter die toen de stand gelijk was Brazilië een strafschop schonk. Was hij gewoon bijziend of moest Brazilië winnen? Zoals Magalhaes zei: beeld je de gevolgen in van een Braziliaanse nederlaag. Het ruwe ontwaken uit een opiumdroom. Terwijl vele Brazilianen er zich nu al niet meer door laten verdoven. Vandaar dat de regering 157 000 politieagenten en militairen heeft ingeschakeld om het feest te beschermen.

De toeristen voelen zich veilig

De toeristen voelen zich veilig

Naast het contrast tussen de gigantische verspilling die de cup voor Brazilië is en de gigantische noden van dat land die geslachtofferd worden op het altaar van het nationaal prestige zijn er nog andere redenen voor gemengde gevoelens over het voetbalfestijn, zoals de corruptie van de FIFA . John Oliver, de Britse comedian van de Daily Show die nu zijn eigen show heeft op HBO, vat goed samen waarom hij zowel opgetogen als verontwaardigd is over de world cup. Hij is grappig en serieus. Bekijk hem HIER.

John Oliver

John Oliver

Voetbal is zo opwindend omdat het een religie is, zegt Oliver. Begeesterend, roeswekkend, verenigend. Opium voor het volk. Een ritueel maar met ergens daarin een mysterie waar we samen bij willen zijn. Ik ook. Geef die pijp nog eens door…

Tijdens de metro-staking in Sao Paulo

Tijdens de metro-staking in Sao Paulo

 

June 13, 2014 at 7:12 am Leave a comment

OP ZOEK NAAR DODE DICHTERS IN MAROKKAANS BLED

Aghmat Graf_Al-Mu'tamid

door Lucas Catherine

 

Antwerpen of Watermaal-Bosvoorde zijn voor mij vreemde, exotische plekken. Ik vermijd ze, vraag me niet waarom. In Rabat of Tetouan voel ik mij meer thuis dan daar. En ieder jaar in de lente verlaat ik mijn Brussels terras en vlieg naar ginder. Het is goedkoper vliegen naar Tanger dan sporen naar Amsterdam. En Marokko heeft iets in de Lente wanneer alles in bloei staat, zelfs de meest verlaten vlakte. Niet dat ik zo’n natuurfreak ben, maar het land doet mij dan denken aan mijn jeugd in het Pajottenland. Nu kom ik daar nog zelden: volgebouwd en als er nog hier en daar een akker ligt, groeit er vooral maïs. Sponsje terre, zegden wij in het Brussels en het Brabants: Spaanse tarwe. En daar hebben wij een afkeer van. De eerste maïs die hier arriveerde kwam via de Boerenbond. Die verkochten het als kieken eten, nu krijg je het ongewild in je salade. Ik eet geen kippenvoer. En daarbij het is Spaans en dat ligt hier in Brussel niet goed. We herinneren ons nog best hoe een beruchte Spanjaard hier woonde, op de hoek van de Naamse straat en de Karmelietenstraat en hoe hij hier huis hield in de zestiende eeuw: de hertog van Alva, weet je nog? Sponsje terre, ik kan het niet zien en weiger het te eten. Gelukkig zie je dat (nog) niet langs Marokkaanse wegen.
Aghmat 003Zelfs niet op een rit van Tetouan naar Marrakesj. Dat is 850 km. heen en daarna nog eens 850 km. terug. Vergelijk het met een rit van Brussel naar Hamburg, maar dan met een prachtig landschap. Nergens het geel van maïs, wel soms het geel van bananen. Bananen zijn het voedsel van de armen in de Arabische wereld en de Alwijze Commandant van de Gelovigen, koning Hassan II had dat begrepen want na nog maar eens een hongeropstand in de jaren 1960 introduceerde hij daarom de bananenkweek.

Ook zag ik velden met planten waarvan ik de naam was vergeten. Het bleek sjoefaan, haver, het voedsel voor de paarden en bij ons ook voor de studenten, maar dan figuurlijk. Weer een jeugdherinnering aan de velden rond Brussel. Haver. Waar groeit dat nog? En wij die speelden in de korenvelden en de havervelden! Oh gruwelijke maïsstruiken, verdwijn! of ik kom nooit nog naar het Pajottenland.

En daarom rij je naar Marrakesj, denkt u ? Wel nee. Trouwens we gingen niet echt naar Marrakesj, maar naar een gehucht dertig kilometer ten zuiden waar u nog nooit hebt van gehoord: Aghmat of Rhamat in het Berbers. Daarom had ik het over de weg naar Marrakesj, maar in die stad krijg je me niet meer binnen. Al wat er aan waardevols te zien is, heb ik al gezien. Voor de rest wordt de sfeer er verpest door Fransen en toeristen. Er zijn niet alleen twee Club Med’s, maar alle riyads in de medina zijn opgekocht door Fransen, met alle gevolgen van dien. In sommige delen van de oude stad moeten Marokkanen hun identiteitskaart tonen aan privé-bewaking om door te mogen. Sécurité d’abord. Die Fransen liggen dan naakt te zonnen op de daken van hun riyad, terwijl daken normaal het exclusieve terrein zijn van de vrouwen. Voor je er als man, die niet van de familie is, op mag moet je hen toestemming vragen. Wat weten die Franse cultuurbarbaren daarvan?

Om niet te spreken over de prijs van een pint die daar zelfs in de kleinste lokale bar 50% hoger ligt dan in Tetouan of Rabat. Taxis weigeren hun meter aan te zetten voor al wie eruit ziet als een Europeaan, en vragen d’office een toeristentarief. Gelukkig hebben ze in Marokko een nieuwe koning. En elke koning heeft in elke stad zijn grote hoofdlaan: boulevard Mohamed V, Boulevard Hassan II en nu begint in de noordelijke buitenwijk van Marrakesh Boulevard Mohammed VI, en die loopt net naast het centrum van Marrakesj naar alweer een toeristische attractie, de vallei van de Ourika. Maar die nieuwe koninklijke baan leidt ook naar Aghmat. Daar wilden mijn vriend Mohammed en ik naar toe. Mohammed is net als ik Brusselaar en historicus van Vergeten Zaken, alleen vergeet hij die op te schrijven.
Zo’n vergeten zaak is dat Aghmat eigenlijk de eerste hoofdstad van Marokko was. Toen de Almoraviden-dynastie (1056-1147) oprukte vanaf de oevers van de Senegal-rivier – De Almoraviden waren dus Berbers, zelfs Toearegs, want toen ze ook het grootste deel van het huidige Spanje en Portugal veroverden, lachten de lokale Andaloesiërs hen uit: de mannen droegen immers blauwe gezichtsluiers en hun vrouwen liepen ongesluierd. Raar volk vonden ze- toen dus, bouwden deze Almoraviden een eerste vesting in Aghmat. Later zullen ze vanuit Aghmat Marrakesj stichtten. Hun vesting wilden wij zien, want ze ligt er nog, weliswaar in ruïne maar toch. Ze staat in geen enkele reisgids.
Aghmat 007In die vesting werd trouwens de laatste koning van Sevilla gevangen gezet. Hij was de laatste sterke man van Andaloesië, want voor de Berbers kwamen regeerde hij van Silves (nu Portugal) tot Murcia (Oost-Spanje). Het was zijn eigen schuld: toen de christelijke noorderlingen in 1185 het Arabische Toledo veroverden riep die koning, Abul Qassim ibn Abbad deze Berbers ter hulp. Zijn raadgevers hadden hem nochtans gewaarschuwd: “je kan geen twee zwaarden in een schede steken”, vertaal maar als je kan geen twee machthebbers hebben over een gebied. Maar hij antwoordde: “Liever een kameeldrijver in Afrika dan een varkenshoeder in Castillië.”

En inderdaad de nieuwe vorst, Jusuf Ibn Tashfin versloeg de christenen in 1086 te Al Zallaqa (nu Sagrajas) maar verbande Ibn Abbad naar Aghmat. Nu heb ik het voor Ibn Abbad, of zoals hij zich later noemde al Mutamid, maar dan als dichter. Die nieuwe naam gaf hij zich nadat hij zijn vrouw al Itimad leerde kennen. Het is een woordspeling: zijn naam betekent, Hij die Betrouwt. Haar naam, De Betrouwbare. Hun kennismaking was erg poëtisch. Zij was geen prinses maar een wasvrouw. Van sociale promotie gesproken.

Al Mutamid had de gewoonte om samen met zijn vriend en vizier Ibn Ammar incognito op stap te gaan. Op een dag passeerden ze langs de rivier Guadalquivir, waar ook wasvrouwen aan het werk waren. Bij het zien van de rivier hief de koning dit vers aan: “De wind blaast ronde maliën in het water…” (Sana’a ‘r-rihoe min al mai zarad…)
Bedoeling was dat Ibn Ammar in het zelfde metrum en met het zelfde rijm zou antwoorden. Maar een van de wasvrouwen was hem voor en repliceerde: Ayyoe dir’in li qitdlin law zjamad! “Wat een maliënkolder geeft dit als het water bevriest.”
Het was Itimad al Rumaikiya en de vorst was zo onder de indruk, niet alleen van haar rijmkunst maar ook van haar schoonheid, dat hij haar tot vrouw vroeg met een gedicht.

Al Mutamid was letterlijk smoor op Itimad. Hij was zo zot van haar dat hij haar gekste verlangens inwilligde. Toen er op een dag sneeuw viel in Cordoba, wat niet zo vaak gebeurt, vroeg zij al Mutamid of hij haar niet mee kon nemen naar een land waar iedere winter sneeuw viel. Daarop liet hij de flank van Sierra Nevada beplanten met amandelbomen waarvan de witte bloesems bloeien op het einde van de winter, zodat zij ieder jaar een illusie van sneeuw zou krijgen.

De nieuwbakken koningin was haar proletarische achtergrond niet echt vergeten, die inspireerde haar voor haar nukken en fantasieën. Bij een uitstap zag Itimad hoe boerenmeisjes met melkkruiken op hun hoofd door de modderige straten stapten en daarbij de rokken optrokken en ze vond dit zo geweldig dat dit op een wel heel speciale manier werd overgedaan op de binnenkoer van het paleis. Die werd onder water gezet, of liever gevuld met rozenwater, kruiden, kaneel, suiker en parfum en daarin trappelden dan Itimad en haar hofdames alsof ze melkmeisjes waren.
Dat was voor hun ballingschap. In Aghmat moet Itimad verplicht terugkeren naar haar roots. Zij en haar dochter worden gedwongen in hun levensonderhoud te voorzien door thuis wol te spinnen. Itimad kon dit leven niet aan en stierf van ontbering.

Al Mutamid zelf stierf in 1096 ook in Aghmat. De Marokkaanse koning Hassan II bouwde voor hen in de jaren 1970 een mausoleum, net zoals hij dit deed voor vele Andaloesiërs die begraven liggen in Marokko. Hassan II was een van de meest autoritaire en gruwelijkste Arabische dictators van de 20ste eeuw, maar hij kende wel zijn geschiedenis. Van hem is de uitspraak: “Wij zijn een boom: onze wortels staan diep in de Sahara, Marokko is zijn stronk, maar zijn kruin en vruchten hangen in Al Andalus.”.

Wij dus op zoek naar dat eerste ‘paleis’ in die ‘eerste hoofdstad’ van Marokko, nu een godvergeten gat dat Aghmat heet. Waar de straten geen naam hebben en de huizen geen nummer. En het is zo arm dat ze er ’s vrijdags markt houden. Normaal doen ze dat niet in Marokko, dat is de rustdag. Maar vrijdag was de enige dag dat ze in Aghmat kans maken dat er ook volk uit de buurdorpen komt, omdat er nergens anders markt is.

Dat zoeken was makkelijk. Het kasteel, of wat er van overblijft is een structuur in vooral leemsteen en dus vooral ingestort. Maar goed, voor een historicus zijn verhalen belangrijker dan monumenten. Voor mij toch. En zo ziet het eruit:

Aghmat 007

En dan het Mausoleum. Marokko zou Marokko niet zijn als niet het volgende gebeurde. We vonden het mausoleum maar konden er niet binnen. Op slot. En Mohammed op zoek naar de man met de sleutel. Die man had de sleutel niet meer. Alleen op zaterdag en zondag kwam nog iemand het gebouwtje open maken. Wij waren er op een maandag. Zo ziet het er dus van buiten uit.

Aghmat 001

En de graven zal u zeggen? Wel alle moslimgraven van Marokkaanse historische figuren zien er net het zelfde uit: een grote, lichtjes verhoogde mozaïeken rechthoek, met daarop een lange verhoogde lijn die het lichaam voorstelt. In Aghmat liggen zo drie graven: dat van koning Mutamid, zijn vrouw de dichteres Itimad en hun dochter. Op de muur aan het hoofdeinde van de graven staat het laatste gedicht van Mutamid gecalligrafeerd. Ik weet het zeker, want wat doet een historicus die in de problemen zit? Zoeken op internet. En hier is dus het binnenbeeld van dat mausoleum. (foto bovenaan.)

Lucas Catherine
Historicus van vergeten zaken.

De ‘bled’ is een woord van Arabische oorsprong dat via de Franse koloniën ook bij ons (Congo) is doorgedrongen. Het betekent zoveel als: verloren gat, ‘negorij’. (jc)

April 7, 2014 at 11:48 am Leave a comment

CARAÏBEN: PARADISE LOST

 Door Johan Depoortere

There are islands in the Caribbean just waiting for development – a beach, an hotel, an airstrip. You’d end a millionaire, old man!”

Graham Greene, The Comedians

Een bezoek aan Ile à Vache vóór de kust van Haiti is een reis in de tijd. Was het niet van de alomtegenwoordige mobieltjes en de zonnepalen je zou je in de jaren vijftig of nog veel vroeger wanen: geen elektriciteit, geen stromend water, geen auto’s, geen verharde wegen. Dit is één van de weinige plekken ter wereld waar vissersboten voortbewogen worden door alleen maar de wind en de zeilen. “Bâtiments” zo heten de gammele vaartuigen waarmee de vissers zich op zee begeven, balancerend op de rand om de boot met oversized zeil in evenwicht te houden.
Een Amerikaans-Canadees project voorziet de vissers van Ile à Vache van afgedankte zeilen van plezierjachten

De bâtiments worden ook gebruikt voor het vervoer van goederen en personen. “Bois Fouillés,” boomstamkano’s zoals die wellicht duizenden jaar geleden al werden gemaakt, dienen voor kortere afstanden en kleinere vrachten. Kinderen niet ouder dan een jaar of zeven varen ermee rond en proberen kleine klusjes te versieren of iets te verkopen aan de talrijke jachten die het eiland aandoen.

De markt in Madame Bernard
Let op het oortje!
Niet dat Ile à Vache geheel door de moderne tijd onaangeroerd zou zijn gebleven: er zijn twee internetcafés in het dorp Caille Coq (Kay Kok in het Creools) en in Madame Bernard, een paar uur stappen verderop is de markt bezaaid met parasols van Digicel, een telecomoperator met vestigingen in heel het Caraïbisch gebied. Willem, een slimme twintiger uit Caille Coq, verhuurt voor exorbitante prijzen USB-sticks met simkaart waarmee yachties en andere bezoekers tergend traag internet kunnen binnenhalen. Abjecte armoede is er op het eiland niet meteen zichtbaar en er wordt geen honger geleden. De zee is rijk aan vis en kreeften en wie het even kan heeft wel een varkentje en een paar kippen op het erf. Dat is heel wat anders dan de schrijnende ellende die ik bijna dertig jaar geleden in Port au Prince tegenkwam. Kinderen die op je toe kwamen gelopen: “Blanc, blanc, j’ai faim.” Na de aardbeving van 2010 is de toestand er daar en op veel andere plekken in Haïti beslist niet op verbeterd.
Baie de Feret

Maar voor Ile à Vache zitten andere tijden eraan te komen. De Baie de Feret, de mooiste van het eiland is een natte droom van de projectontwikkelaar: brede stranden, een rustige diepe baai beschermd tegen de golven van de Caraïbische Zee: de ideale plek voor een jachthaven met hotel en resorts. Het kon dan ook niet uitblijven en de plannen voor toeristische ontwikkeling van Ile à Vache liggen op de tekentafels: er komen een internationale luchthaven, 15 km verharde wegen, verschillende hotels en resorts, 2500 villa’s en een marina. Kortom, een miljardenproject waarvoor het armlastige Haïti een beroep moet doen op buitenlandse investeerders. Klein probleem: er wonen 7000 mensen op het eiland en hun huizen staan in de weg. Caille Coq,  het dorp aan de Baie de Feret past niet in de plannen. De huizen staan tot tegen het strand en zullen moeten verdwijnen.

Hotel Port Morgan op Ile à Vache
Er is al een hotel aan de baai: Hotel Port Morgan, gerund door Didier, een Fransman van middelbare leeftijd. Voor Didier komt er wellicht concurrentie bij, maar erg veel zorgen schijnt hij zich daarover niet te maken: “Er zijn zoveel projecten in Haïti,” zegt hij met een schouderophalen. Didier heeft te horen gekregen dat hij 60 kamers bij moet bouwen om zijn vergunning te houden. Maar je ziet het vóór je ogen gebeuren: Hij geeft er de brui aan en verkoopt zijn mooi gelegen hotel aan de projectontwikkelaars, iedereen happy.
Kay Kok
Behalve dan de vissers, de boeren en de haveloze bevolking van Caille Coq en de dorpen in de omgeving. Sommigen van hen zien de ontwikkelingen met hoop tegemoet. Enkelen zullen ongetwijfeld werk vinden als kok, schoonmaker, chauffeur, gids. Maar voor de meesten betekent de komst van een hotel en marina het verdwijnen van hun eeuwenoude levenswijze en een onzekere toekomst. Wellicht moeten ze verhuizen naar hogerop.

Een presidentieel besluit van mei 2012 verklaart het eiland tot “toeristische ontwikkelingszone” en bepaalt meteen dat alle gronden en eigendommen die de laatste vijf jaar het voorwerp zijn geweest van transacties of huur tussen particulieren worden onteigend. De staat eigent zich gewoon het eigendom van particulieren toe. Dat betekent voor de meeste inwoners van Caille Coq en Madame Bernard simpelweg dat ze van hun land en uit hun huis worden verdreven ten voordele van buitenlandse projectontwikkelaars en de clan rond president Martelly. Veel mensen hebben niet eens eigendomstitels voor het stukje grond waar ze in eenvoudige hutten soms generaties lang op wonen.

“Sweet Micky” in een vorig leven carnavalzanger, nu president van Haïti

De vissers van Ile à Vache verliezen hun toegang tot de stranden waar de bootjes nu aan land komen en droog vallen. In december en januari is betoogd tegen het project. Op weg naar de markt van het dorp Madame Bernard moeten we over barricades klimmen die de betogers hebben opgeworpen en er komen meer manifestaties zeggen de dorpsbewoners. Eén van hen verklaarde aan een reporter van Tout Haiti, een webpublicatie: “Als ze onze grond willen afpakken zullen ze ons eerst moeten doden.” Ook vandaag is de spanning in het dorp voelbaar: de “magistrat” (burgemeester) heeft verdere manifestaties verboden en een zestigtal militairen zijn sinds kort op het eiland gelegerd “Is er een probleem?” vragen we één van hen. “Non non, pas de pwoblem!”

Bewoners van Ile à Vache betogen tegen het megaproject voor toeristische ontwikkeling

Maar een probleem is er wel degelijk. De promotie van Ile à Vache en de beloften van “vooruitgang” hebben een bittere bijklank voor de inwoners van HaÍti, één van de armste landen ter wereld. Een “toeristische ontwikkelingszone” bestaat al in Labadie, in het Noorden van het eiland. Het is een gebied uitsluitend voor buitenlanders, de Haïtianen zelf hebben er geen toegang, ook als ze zich een verblijf in het luxeresort zouden kunnen veroorloven. Een stukje apartheid in het land dat zich de eerste zwarte republiek ter wereld mag noemen! (Zie: Labadie, un contraste choquant)  Zopas heeft het Haïtiaanse ministerie voor Toerisme een video verspreid om Ile à Vache te promoten als vakantiebestemming: het wordt – zo vrezen velen – een tweede Labadie. (http://www.caribjournal.com/2014/02/20/haiti-markets-ile-a-vache-in-new-video/)

Clinton met Sweet Micky, alias president Martelly

Het is duidelijk: Ile à Vache zoals we het gezien hebben is een wereld die gedoemd is om te verdwijnen. De investeerders achter het project zijn niet van de minsten. Eén van hen is volgens de dorpsbewoners Frank Virgintino, een beroepszeiler en eigenaar van de marina Boca Chica in het nabijgelegen Santo Domingo. Virgintino is een begrip in de wereld van de yachties. Hij publiceert de Free Cruising Guides voor zeilers met als specialiteit het Caraïbisch gebied van de ABC-eilanden over Jamaica tot Haïti en Cuba. Hij is ook eigenaar van 20 jachthavens in de VS. Ook de Spaanse crooner Julio Iglesias zou volgens niet te controleren geruchten tot de investeerders behoren evenals – hoe onwaarschijnlijk ook – de familie van de overleden Venezolaanse Caudillo Hugo Chavez.

Wie ze ook zijn, feit is dat de investeerders de volle steun hebben van de Haïtiaanse president Michel Martelly, ook bekend als de zanger Sweet Micky en vriend en collega van Iglesias. (Beiden traden twee jaar geleden in de Dominicaanse Republiek nog samen op in een benefitconcert voor Haïti.) Martelly werd onlangs ontvangen op het Witte Huis en hij is goed bevriend met Bill Clinton die net als hijzelf af en toe zijn vakantiedagen op het eiland doorbrengt. Samen hebben ze een “investment board” opgericht om investeerders te adviseren. Clinton is na de aardbeving van 2010 door de VN aangesteld als speciale gezant voor Haïti. Feit is ook dat de “vooruitgang” op Ile à Vache ten goede zal komen aan de clan rond president Martelly en zijn premier Laurent Lamothe maar vooral aan de kapitaalkrachtige investeerders uit de Dominicaanse Republiek, de VS en Canada en niet aan de bewoners die in het beste geval eenvoudige klussen zullen mogen opknappen voor de gasten van de luxeverblijven. Martelly woonde tot 2007 in Florida waar hij eveneens betrokken was in dubieuze vastgoedtransacties – met faillissement als resultaat. Zie: http://www.mcclatchydc.com/2011/03/07/109908/haiti-presidential-candidate-martelly.html

Wat zich in Haïti afspeelt is niet uniek. De Caraïben zijn in sneltreinvaart aan het veranderen. Niets is zo confronterend als de lectuur van reis- en zeilgidsen van een paar decennia geleden. De plaatsen die erin beschreven worden zijn intussen onherkenbaar veranderd. De gidsen van Don Street, een andere zeilautoriteit voor de Caraïben, zijn sinds een paar decennia niet meer bijgewerkt. Rotsen en kustlijnen zijn onveranderd gebleven, maar ankerplaatsen zijn verdwenen en vervangen door jachthavens. Op andere plekken is het verboden te ankeren en moeten de ankerboeien van de plaatselijke overheid of van privémarina’s worden gebruikt.

Ongerepte plekjes en stille baaien worden zeldzaam. De Horseshoe Reef (Saint Vincent and The Grenadines) is één van de mooiste plekken in de Caraïben met azuurblauw tot turkoois water en zeeschildpadden overal. Maar de Horsehoe Reef is het slachtoffer van zijn populariteit. Je ankert er tussen een paar dozijn andere – meestal Amerikaanse – boten en als je op zoek gaat naar de schildpadden kom je in een soort publiek zwembad terecht. Los Roques, een eilandengroep vóór de kust van Venezuela is net als Ile à Vache één van de weinige nog ongerepte gebieden in het Caraïbisch bassin. Dank zij de kwalijke veiligheidsreputatie van Venezuela, waar overvallen op boten – soms met dodelijke afloop – schering en inslag zijn, blijven de Roques ver van de platgetreden paden. Vooral Amerikaanse schippers varen in een wijde boog om Venezuela en de eilanden heen. Maar vroeg of laat is ook dat gedoemd om te veranderen.

De Britse zeiler Roger Pratt, in januari vermoord in St Lucia

Criminaliteit is voor velen een andere reden om uit de Caraïben weg te blijven. Het fenomeen lijkt zich in golven te verplaatsen. Een tiental jaren geleden was Colombia te mijden, nu wordt het geroemd om zijn effectieve strijd tegen de misdaad waardoor het land weer bovenaan de lijst van de bestemmingen staat. Venezuela is andere koek. In september is een Nederlander bij een roofoverval gedood op het eiland Isla Margarita en onlangs werden twee oudere mannen op volle zee op weg van Trinidad naar Venezuela gewelddadig overvallen en ernstig gewond. Op Saint Lucia waren  sommige ankerplaatsen tien jaar geleden nog absoluut te mijden, nu heten ze perfect veilig te zijn maar een maand geleden werd een Britse zeiler vóór de ogen van zijn vrouw omgebracht in Vieux Fort in het Zuiden van Saint Lucia.

Een andere ontwikkeling is de neiging van de kleine en meestal doodarme eilanden om yachties als melkkoeien te behandelen. Jamaica overweegt de invoering van een cruising permit. Dat die nog niet van kracht is heeft naar verluidt enkel te maken met onenigheid tussen de autoriteiten over het tarief: 100 of 150 dollar. Op de Bahamas betaal je 300 dollar of je één uur blijft of drie maanden en aanleggen in de Turcs and Caicos kost je minimaal 100 dollar, ook al wil je alleen maar tanken. Waar je vroeger vrij kon ankeren moet je nu vaak betalen. Je kunt het de eilandbesturen niet kwalijk nemen; toerisme is nu eenmaal meestal hun enige bron van inkomsten, maar het maakt het vrije zeilersbestaan weer iets minder vrij. En als je wist dat die inkomsten ook de bevolking ten goede zou komen, komaan dan. Helaas is dat gezien de wijdverspreide corruptie hoogst onzeker. 

Dat alles gezegd zijnde: de Caraïben blijven een fantastisch gebied, één van de mooiste plekken ter wereld, met een gastvrije en levenslustige bevolking, betoverende natuur, prachtige stranden en een heerlijk klimaat. Er blijven hopelijk in de toekomst nog genoeg plekken waar de internationale toeristische industrie met haar fikken afblijft. En voor de bewoners kun je alleen maar hopen dat kleinschalige projecten met respect voor hun levenswijze en voor het milieu een betere toekomst kunnen brengen.

April 4, 2014 at 2:53 am Leave a comment

NEDERLAND’S BITTERE ERFENIS

Door Johan Depoortere

Een land dat zichzelf opheft, vroegere kolonies die vrijwillig in de schoot van het moederland terugkeren, eilanden die bedanken voor de aangeboden onafhankelijkheid, een moederland dat zijn koloniën liever kwijt dan rijk is: de postkoloniale geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden verloopt via kronkelige en doornige paden. Nederland is de enige koloniale mogendheid die zijn koloniën “wingewesten” heeft genoemd. Dat ging voor Oost-Indië prachtig op. Maar op de eilanden in de Caraïbische Zee hebben de handelaren uit het noorden zich long term vies verkeken. Het moet voor de Nederlandse bewindslieden nu een akelige situatie zijn: je kunt die roteilanden eenvoudig niet meer kwijt.1 Het citaat van schrijver en oud-secretaris van het eilandgebied Curaçao, Boeli van Leeuwen (overleden in 2007,) geeft perfect de bittere koloniale erfenis weer waarmee Nederland zit opgescheept.

boelie_119034a

Boeli van Leeuwen: “Nederland raakt die roteilanden niet meer kwijt”

Sinds 2010 zijn de relaties tussen Nederland en de voormalige koloniën na jarenlange onderhandelingen bijgesteld: het piepkleine Saba (1600 inwoners) is samen met Sint Eustatius (Statia) en Bonaire een “openbaar lichaam” geworden, een “bijzondere Nederlandse gemeente.” Curaçao en Sint Maarten zijn zelfstandige landen binnen het koninkrijk, Aruba was dat al sinds 1986. Maar de nieuwe staatsinrichting heeft niet echt rust gebracht in de gespannen relatie tussen het moederland en de voormalige kolonies . De publieke opinie op alle eilanden is sterk verdeeld. Vooral op Bonaire (zie: Bonaire, De Rot in het Paradijs) maar ook op Saba en Sint Eustatius is de onvrede groot. (Sint Eustatius is het enige eiland dat zich in een referendum tégen de nieuwe structuur heeft uitgesproken.) Op Curaçao stemt een kleine helft van de bevolking op partijen die voor onafhankelijkheid pleiten. En ook in Nederland zelf zijn de eilanden zacht uitgedrukt niet echt geliefd, behalve dan als toeristische bestemming en belastingparadijs voor bemiddelde landgenoten.image007

Het nieuwe statuut houdt tal van contradicties in. De inwoners van Bonaire, Statia en Saba hebben weliswaar dezelfde plichten als die van een Nederlandse gemeente, maar niet dezelfde rechten. Op de grotere eilanden, het bovenwindse Sint Maarten en de benedenwindse Curaçao en Aruba blijft Nederland een vinger in de pap houden op gebieden als justitie, buitenlandse zaken, financiën en behoorlijk bestuur – “bestuurlijke integriteit” zoals het in het officiële jargon heet. Aan dat laatste schort nogal wat zoals verder mag blijken, maar voor grote delen van de eilandensamenleving is de Nederlandse bemoeienis een vorm van schoonmoederen die waar het kan in stilte wordt tegengewerkt. Daar staat tegenover dat de eilandbewoners als Nederlandse staatsburgers vrij naar Nederland kunnen komen en voor de rest alle voordelen genieten van het reizen met een Nederlandse paspoort. Elk voorstel in de Tweede Kamer om de toegang van Antillianen tot het Nederlandse grondgebied te beperken of aan voorwaarden te verbinden stuit op een storm van protesten van de politieke elite op de eilanden. Daarbij wordt vaak met succes geappelleerd aan de historische schuldgevoelens over de Nederlandse slavenhandel waar vooral de christendemocraten van het CDA gevoelig voor blijken.

_DSC0083

Willemstad, de wereldberoemde Handelskade met de pontjesbrug die de stadsdelen Punda en Otrobanda met elkaar verbindt

Curaçao dat tot 10 oktober 2010 het hoofdeiland was van de ter ziele gegane Nederlandse Antillen is nu meer dan ooit op zichzelf aangewezen en kampt met grote economische problemen. Aruba kijkt tegen een torenhoge staatsschuld aan al lijkt het van alle voormalige Nederlandse bezittingen in de Caraïben nog het beste te varen bij de zelfstandige status die het eiland al bijna dertig jaar geleden heeft afgedwongen. Toerisme en casino’s zijn volledig op de Amerikaanse markt gericht en dagelijks zie je de reusachtige cruiseschepen afmeren in de hoofdstad Oranjestad. Shopping Malls met de onvermijdelijke Starbucks en hotels van de grote Amerikaanse ketens als Mariott doen je helemaal in een zuidelijke Amerikaanse stad wanen. Aruba wil zich profileren als hub tussen de VS en de groeimarkten van Latijns Amerika. Ook Sint Maarten leeft voor een groot deel van het Amerikaanse goktoerisme, met als bijprodukt mafia-invloeden en corruptie.

20021109g_Curacao_Refinery.sized_1

De Shell raffinaderij wordt nu gehuurd door de Venezolaanse oliemaatschappij. Wat er met de vervuilende site moet gebeuren als het leasecontract met Venezuela afloopt is onduidelijk.

Curaçao is als enige voormalige Caraïbische kolonie sterk geïndustrialiseerd. De reusachtige olieraffinaderij begin vorige eeuw opgericht door Shell beheerst het beeld van het historische Willemstad, de hoofdstad van het eiland en sommige schilderachtige baaitjes aan de westkust verliezen hun charme door de sterke zwavelgeur die de overheersende oostenwinden aanvoeren. Shell heeft de olie-installaties al in 1985 van de hand gedaan, de raffinaderij wordt nu gehuurd door de Venezolaanse staatsoliemaatschappij PDVSA. Ooit werkten hier meer dan 10000 mensen uit alle delen van het Caraïbisch gebied en Shell zorgde voor welvaart op het eiland. Het concern bouwde voor zijn arbeiders hele stadswijken als Emmastad en Groot Kwartier aan de rand van Willemstad en liet als erfenis een goede wegeninfrastructuur achter. Maar de arbeidsverhoudingen bij Shell leidden in 1969 ook tot hevige sociale onlusten en rassenrellen waarbij een groot deel van de historische binnenstad in vlammen opging. Vandaag biedt de raffinaderij nog werk aan hooguit 800 man en de installatie voldoet absoluut niet meer aan de hedendaagse milieunormen. Tot dusver is niemand bereid gevonden in modernisering te investeren en de toekomst van de grootste werkgever op het eiland is hoogst onzeker.

Curaçao Mien - 1444

Waar je ook gaat of staat op Curaçao overal kom je de geel-rode kantoortjes van Robbie’s Lottery tegen: het imperium van loterijkoning Robbie Dos Santos, die verschillende politieke partijen financieel steunt. Wat de politici in ruil doen voor die milde steun is niet duidelijk, maar feit is dat tegen Dos Santos een gerechtelijk onderzoek loopt met steun van de Nederlandse recherche. Politieke corruptie, belangenvermenging, nepotisme en mafia: het is een plaag die alle voormalige Nederlandse bezittingen in de Caraïben treft. Een minister die een taxivergunning ritselt voor een familielid, een toppoliticus die met de creditcard van de toeristische dienst van zijn land gaat shoppen in Miami: het zijn pekelzonden waar de Antilliaan op reageert met schouderophalen. Maar er is meer aan de hand dan de clash tussen Nederlandse calvinistische gestrengheid en de lossere normen van de Caraïben.

helmin.wiels.politicus.curacao

Helmin Wiels, de charismatische politicus die vorig jaar werd vermoord. Wiels was voorstander van onafhankelijkheid voor Curaçao

Al in 1995 noemde de toenmalige Nederlandse liberale voorman Frits Bolkestein Aruba een “rovershol.”  Henny Eman– een broer van de huidige Arubaanse premier Mike Eman– bezorgde toen hij zelf aan het hoofd van de regering stond een beruchte Siciliaanse mafiafamilie de vergunning voor hotelbouw op het eiland. (Politieke dynastieën zijn niet ongewoon in de Nederlandse Caraïben.) Op Curaçao staat voormalig premier Gerrit Schotte onder verdenking van corruptie. Schotte zou door bemiddeling van Dos Santos banden hebben aangeknoopt met een andere Italiaanse mafiaclan. De huidige Curaçaose premier Ivan Asjes – ook Ivar Jasjes genoemd vanwege de bovenvermelde shopping spree in Miami – is getrouwd met de dochter van weer een andere gokkoning, Jacobo “Cocochi” Prins, eigenaar van veel casino’s op Curaçao.

De populaire politicus Helmin Wiels, een voorstander van onafhankelijkheid, werd vorig jaar in nooit opgehelderde omstandigheden vermoord. De uitvoerders zitten achter de tralies maar het is onwaarschijnlijk dat op hun proces de opdrachtgevers bekend zullen worden. Eén van de theorieën is dat Wiels niet langer op één lijn zat met zijn geldschieters, een andere dat er politieke motieven waren voor de moord. Wiels wordt wel eens als het spiegelbeeld van Geert Wilders beschreven: zoals de Nederlander foetert op de “vreemdelingen” en vooral de Curaçaose jongeren in Nederland, zo had Wiels het niet begrepen op de “makamba’s” – de Nederlanders en blanke Europeanen op Curaçao.

Foto-serka-relato-PAR-ta-anti-demokratiko-presidente-di-Parlamento-Ivar-Asjes_MG_3704

Mike Eman, huidig premier van Aruba. Zijn broer Henny was de eerste regeringsleider van het zelfstandige Aruba (1986).

Op Bonaire zijn verschillende invloedrijke politici verwikkeld in het al jarenlang aanslepende Zambezi-onderzoek naar grootschalige politieke corruptie en belangenvermenging. Ook over de politieke elite van Sint Maarten hangt een geur van corruptie. Een voormalige minister van justitie moest aftreden toen bekend werd dat hij in zijn vrije tijd bordelen beheerde. De Italiaanse mafiafamilie die voet aan de grond kreeg in Curaçao is ook op Sint Maarten niet onbekend: Theo Heyliger, de leider van de grootste partij was op een foto te zien met leden van de clan. Overigens is het kopen van stemmen een oude traditie op Sint Maarten: vroeger met ijskasten, nu met mobieltjes en andere elektronische gadgets.

Schermafbeelding 2014-01-26 om 10.29.06Toen de Nederlandse liberale premier Rutte in juni vorig jaar de eilanden bezocht werd over dat alles publiekelijk nauwelijks met een woord gerept. Binnenskamers zou Rutte tegen de regeringsleiders wél harde taal hebben gesproken. Maar Rutte beseft dat de eilanden in Nederland niet bepaald populair zijn. En hij voelt de hete adem van Wilders in de nek. Voor Wilders is het een uitgemaakte zaak: de voormalige bezittingen in “de West” zijn een last en Nederland moet ervan af. Probleemjongeren in de grote Nederlandse steden zetten de argumenten van Wilders en andere rechtse populisten ongewild kracht bij. Rutte sprak dan ook vooral voor zijn eigen publiek toen hij aan het einde van zijn bezoek aan de Caraïben het veel geciteerde zinnetje uitsprak: Als u eruit wil (uit het koninkrijk), en een meerderheid van uw bevolking steunt dat, dan is dat mogelijk. Dan belt u even en dan regelen we dat.

Of het ooit zo ver komt is zeer de vraag. Er zijn andere belangen in het spel waarover Rutte en de meeste Nederlandse bewindslieden meestal het zwijgen toe doen. De Caraïbische eilanden liggen in de achtertuin van de Verenigde Staten en zijn of ze dat willen of niet een pion in het geopolitieke schaakspel tussen de Verenigde Staten en Venezuela. Voor de VS vormen de Caraïbische eilanden de buitengrens van de Amerikaanse invloedssfeer. Curaçao is een belangrijke basis geworden in de drugsbestrijding die nu niet meer op Columbia maar bijna exclusief op Venezuela is gericht. Van op de Amerikaanse Forward Operation Location op Curaçao stijgen Awacs-vliegtuigen op richting Venezuela. Drugsbestrijding of spionage – wie zal het zeggen?

Er bestaan oude historische banden tussen de benedenwindse eilanden en de “Bolivariaanse Republiek Venezuela.“ De legendarische “libertador” Simon Bolivar woonde een tijd op Curaçao en het voornaamste plein in Willemstad is naar Brion, één van zijn adjudanten, genoemd. De voormalige Venezolaanse leider Hugo Chavez maakte er geen geheim van dat de eilanden in de Venezolaanse invloedssfeer thuis horen maar Washington is als de dood voor nóg meer Venezolaanse invloed op de strategisch tussen Noord- en Zuid Amerika gelegen eilanden. Onafhankelijkheid zou de benedenwindse eilanden zo goed als zeker in de richting van Venezuela duwen en dat kan Washington missen als kiespijn. Het beschouwt Nederland als de beste bewaker van de achtertuin en oefent daarom druk uit op de hondstrouwe Navobondgenoot om in elk geval een rol te blijven spelen in zijn voormalige kolonies. Het is een rol die alle traditionele Nederlandse partijen trouw blijven ook al is de publieke opinie in Nederland daartegen gekant. Nederland kan inderdaad om méér dan één reden niet “van die roteilanden af.”

1Boeli van Leeuwen “Geniale Anarchie” 1990

January 29, 2014 at 9:54 pm 1 comment

ONBEKEND FRANKRIJK

Lang vóór de naam bekend werd als de beroemdste wielerwedstrijd ter wereld was de Tour de France iets helemaal anders. Jaarlijks legden duizenden jongeren en kinderen uit alle delen van Frankrijk te voet honderden kilometers af in wat “Le Tour de France des apprentis” werd genoemd. De tocht duurde vier tot vijf jaar. Oorspronkelijk was de route beperkt tot de Provence en de Languedoc, maar later werd die uitgebreid tot de Loirevallei, Parijs, Boergondië en de vallei van de Rhône. De leerjongens – soms met een paar als jongens verklede meisjes – verbleven een aantal weken of maanden in een stad of streek waar ze leerden omgaan met de plaatselijke materialen en technieken. Na de Tour werden ze opgenomen in het gild van de metselaars, timmerlui, bakkers of kleermakers en kregen ze de titel van “Compagnon du Tour de France.”

Het halucinante verhaal van de leerjongens is slechts één van de tientallen die je leest in “De ontdekking van Frankrijk” van de Brit Graham Robb. Robb was al een erkend expert in Franse literatuur en geschiedenis toen hij begon te beseffen dat er een brede kloof gaapte tussen de “officiële” geschiedenis van Frankrijk – de geschiedenis van monarchie en republiek, van oorlogen en revolutie – en die van het Frankrijk van wat we gemakshalve maar “de gewone man” zullen noemen. Dat Frankrijk leerde hij kennen door de uitvinding die aan het einde van de 19e eeuw het land openlegde voor de overgrote meerderheid van de bevolking: de fiets. Robb legde op twee wielen meer dan 21000 kilometer af over wegen die honderden, soms duizenden jaar geleden werden getrokken door Romeinse legioenen, pelgrims, smokkelaars en rondreizende kooplui. Het resultaat is een unieke geschiedenis van Frankrijk. Uniek omdat vrijwel alles wat over Frankrijk en de Franse geschiedenis bekend is voortkomt uit het referentiekader van de Parijse elite. Zelfs beroemde auteurs als Balzac en vele anderen die uit de provincie stammen schreven hun werken nadat ze al jaren in Parijs waren gevestigd en het contact met hun geboortestreek – hun pays – waren verloren. 

Graham Robb

De leerjongens van de “Tour de France des apprentis” waren de eerste Fransen die Frankrijk ontdekten. Tot de komst van de spoorwegen was “Frankrijk” voor de meeste inwoners van het land buiten Parijs onbekend gebied. Een Limousin, een Bordelais of een Savoyard was min of meer vertrouwd met zijn pays – zeg maar regio – maar was zelden verder dan 20 kilometer buiten zijn dorp of stad geweest. Frans was voor de bevolking van Frankrijk een vreemde taal. Het grootste deel van het land was midden 18e eeuw evenmin in kaart gebracht als centraal Afrika en was voor de inwoners van Parijs en omgeving al even exotisch en onbekend.

In de zomer van 1740 zette een jonge cartograaf zijn instrumenten op in het dorp Les Estables, meer dan 500 kilometer ten zuiden van de hoofdstad . De jonge man – zijn naam is onbekend gebleven – maakte deel uit van een expeditie die voor het eerst het onbekende land in kaart moest brengen. Voor de inwoners van Les Estables was de komst van een vreemdeling die een onbekende taal sprak (Frans namelijk) en anders was gekleed een uitzonderlijke gebeurtenis. De bizarre instrumenten die hij bij zich had waren zeer verdacht. Had de komst van een vreemdeling eerder al niet tot kwalijke gevolgen geleid? Oogsten waren mislukt, schapen waren dood teruggevonden, verscheurd door een mysterieus wezen wreder dan een wolf – en waren de belastingen daarna niet omhoog gegaan? Om meer van dat onheil te voorkomen sloegen de dorpsbewoners de jonge cartograaf met stokken en bijlen dood.

Dat uitgerekend een Brit Frankrijk moest ontdekken is minder vreemd dan op het eerste gezicht lijkt. Al eeuwenlang zijn Britten gefascineerd door het land aan de overkant van het kanaal waar ze zulke nauwe historische banden mee hebben. Lang vóór de tijd van het massatoerisme was Nice, toen nog een onafhankelijke stadstaat, een aantrekkingspool voor de Britse aristocratie. Het was een Brit die de gletsjers van de Mont Blanc ontdekte en de eerste “toeristen” – het woord zelf is Engels – waren Britten. De Britse auteur van “Treasure Island,” Robert Louis Stevenson, voer met een kano de kanalen af tussen de Samber en de Oise die Parijs met België verbinden.

Toerisme maakte het land bekend, aan buitenlanders en aan de Fransen zelf, maar veranderde het ook. Lokale besturen probeerden van hun streek een beeld te geven dat aan de clichés en verwachtingen van de toeristen beantwoordde. Toen Arcachon door de komst van de spoorweg uitgroeide tot de toeristische hoofdplaats van de Bordelais kregen de mannen opdracht brede broeken te dragen en de vrouwen lange rokken die het hun onmogelijk maakten schaaldieren te plukken. In Dieppe werden de arme bewoners aangespoord schoenen te dragen in het zicht van toeristen en kinderen werd aangemaand niet langer door “onzedelijk te baden” de vreemde badgasten te schandaliseren. Toeristen – zo schrijft Robb – waren in tegenstelling tot etnologen en ontdekkingsreizigers niet geïnteresseerd in louter ontdekken en observeren. Ze transformeerden het voorwerp van hun nieuwsgierigheid, “kleedden de inboorlingen in kleuren die hun vooroordelen bevestigden en creëerden uiteindelijk hun eigen steden en landschappen.”

De openstelling van het land had paradoxaal genoeg ook tot gevolg dat tradities, lokale legenden en geschiedenis verloren gingen. Samen met toeristen en etnologen kwamen namelijk onderwijs en kranten die de inwoners van tot dan toe afgesloten gebieden het gevoel gaven tot een groter geheel te behoren waardoor de oude verhalen belachelijk en achterlijk gingen lijken. In de plaats daarvan kwam een geconstrueerd verleden, veelal verzonnen door geleerden in Parijs en buitenlandse “waarnemers.” Traditionele klederdracht werd heruitgevonden in een poging de verloren gegane diversiteit van het land te reconstrueren. Op de “Exposition Universelle” van 1878 in Parijs moest de tentoonstelling van regionele klederdracht de rijke traditie van de Franse regio’s voor het voetlicht brengen. Een oude wever had een kostuum uit de Montagne Noire gefabriceerd op basis van wat hij zich meende te herinneren: een authentiek exemplaar kon nergens meer gevonden worden. “De traditionele klederdracht die tentoon werd gesteld leek meer thuis te horen op een gemaskerd bal dan in een dorp in de verre provincie.”

Schermafbeelding 2013-12-24 om 17.04.36

De eerste Franse spoorweg van de kolenhaven Andrézieux op de Loire tot Lyon.
Pas in 1844 werden de paarden vervangen door stoom

Eenzelfde paradox viel waar te nemen als gevolg van de grotere mobiliteit door de invoering van de spoorwegen. In plaats van afgelegen gebieden te ontsluiten zorgde het spoor ervoor dat kleinere steden en dorpen wegkwijnden omdat de traditionele plaatselijke wegen in onbruik vielen. De oorzaak was – en is – de extreme centralisatie van spoorlijnen rond Parijs. Wie een kaart van het 19e eeuwse spoorwegennet bekijkt ziet Parijs als een “bevrucht ei met vezels naar de nabijgelegen provincie” terwijl de onderste helft van het land nagenoeg blank is. Het goederen-en reizigersvervoer dat eeuwenlang over een capillair netwerk van wegen en paden was verlopen verplaatste zich naar het snellere en meer comfortabele spoor met als gevolg dat een groot deel van de bevolking meer dan vroeger geïsoleerd achterbleef. Hetzelfde fenomeen doet zich ook nu voor door de komst van de TGV.

Hoe het Frans van Parijs de rest van Frankrijk veroverde is een ander fascinerend verhaal. Aan het einde van de 19e eeuw lijstten taalgeleerden in Frankrijk ongeveer 55 dialecten en honderden “sub-dialecten” op, van Franco-Provencaals, Catalaans tot Vlaams, Frankisch, Bretoens en Baskisch. Andere talen waren nauwelijks bekend buiten het gebied waar ze werden gesproken en soms geschreven: het Shuadit of Joods-Provencaals was de taal van de Joden in de pauselijke enclave van de Vaucluse, het Zarfatic of Joods-Frans was tot de Tweede Oorlog te horen in de Moselle en het Rijnland, het Caló was de taal van de zigeuners. In het Pyreneeëndorp Aas, aan de voet van de Col d’Aubisque gebruikten de herders die in de zomermaanden eenzaam in berghutten woonden een taal die klonk als een schel gefluit van meer dan honderd decibel dat tot op drie kilometer afstand kon worden gehoord. Op die manier konden de herders zelfs de inhoud van de plaatselijke kranten aan elkaar doorfluiten.

images

Abbé Henri Grégoire

De overheersing van het Frans als nationale taal was voor een groot deel het werk van een revolutionaire priester. L’ Abbé Henri Grégoire was geen “taalterrorist.” Hoewel hij sympathiseerde met de Revolutie probeerde hij het patrimonium van het land te vrijwaren van “revolutionair vandalisme.” Het woord “vandalisme” is overigens zijn uitvinding. L’Abbé Grégoire had campagne gevoerd voor de afschaffing van de slavernij en de doodstraf en hij was voorstander van het verlenen van volwaardig burgerschap aan de Joden. Hij wilde overal in het land scholen en bibliotheken, maar dat was in zijn ogen onmogelijk zonder een gemeenschappelijke taal. Geen natie zonder een “nationale taal.”

Bij het uitbreken van de Revolutie had Grégoire naar alle mairies van het land een vragenlijst gestuurd met de bedoeling een inventaris op te maken van de honderden dialecten die er gesproken werden. De vragen waren onder andere: “Heeft de regio een eigen patois”? en “Wat is de beste manier om het uit te roeien?” Patois was de denigrerende term voor lokale talen. Volgens de Encyclopédie was patois “de in vrijwel alle regio’s gebruikte corrupte taal. Échte taal wordt alleen in de hoofdstad gesproken.” De antwoorden op de vragenlijst van Grégoire sloegen hem en zijn medestanders met verstomming. Méér dan zes miljoen Fransen hadden geen enkel benul van de Franse taal. Nog eens zes miljoen waren nauwelijks in staat een conversatie te voeren in die taal . Slechts 11 percent van de bevolking had een behoorlijke kennis van het Frans al was correct spellen voor velen daarvan een onmogelijke opgave. De officiële taal van de Franse Republiek was de taal van een kleine minderheid.

Was Grégoire verbluft door het resultaat van zijn enquête, het staat zo goed als vast dat de werkelijkheid nog veel erger was dan de Abbé kon bevroeden. Zeventig jaar later, in 1880, bleek uit officiële statistieken dat slechts acht miljoen Fransen zich vlot in het Frans konden uitdrukken: niet méér dan een vijfde van de bevolking. “In sommige delen van het land waren prefecten, dokters, priesters en politiemensen als koloniale ambtenaren aangewezen op tolken om met de plaatselijke bevolking te communiceren.”

De remedies van l’Abbé Grégoire waren zachtzinnig in vergelijking met latere “taalkundige zuiveringen.” Hij stelde voor de kennis van het Frans te bevorderen door de bouw van wegen en kanalen en door het verspreiden van nieuws en het geven van landbouwkundig advies. Speciale aandacht moest gaan naar de keltische en “barbaarse” grensgebieden waar de contrarevolutie welig tierde (Baskenland, Bretagne en de Elzas) maar bovenal zag hij heil in het vereenvoudigen van de Franse taal en het afschaffen van de onregelmatige werkwoorden.

Bekeken door hedendaagse ogen lijkt de campagne van l’Abbé Grégoire, een onverdeeld succes. Geholpen door betere communicatiemiddelen veroverde het Frans van Parijs inderdaad praktisch heel het land. Maar het proces nam meer tijd in beslag dan op het eerste gezicht lijkt. Bovendien deed zich parallel met de verspreiding van het Frans een opmerkelijke ontwikkeling voor: ook de plaatselijke talen wonnen veld. Van een Bretoense boer vernam L’Abbé Grégoire tot zijn ontzetting dat meer en meer stadsbewoners Bretoens leerden om te communiceren met de boeren van wie ze dagelijks producten kochten. Tot laat in de 19e eeuw waren de Vlaamse steden Rijssel, Douai, Cambrai en Avesnes tweetalig. Recente cijfers wijken sterk uiteen, maar zelfs de laagste schattingen suggereren dat een grote minderheid van Fransen ook nu nog in bepaalde omstandigheden een taal gebruikt waarvan lang werd aangenomen dat ze eind negentiende eeuw was uitgestorven. Tenminste twee miljoen sprekers spreken een of andere vorm van Occitaans (Langue d’Oc), het Elzas’ heeft anderhalf miljoen sprekers, het Bretoens 500000 en het Corsicaans 280000. 80000 Fransen spreken ook vandaag nog Vlaams.

In sommige gebieden verloor het Frans ondanks een intensieve campagne veld. Eind negentiende eeuw stelden schoolinspecteurs vast dat de leerlingen het weinige Frans dat ze op school hadden geleerd na korte tijd weer vergeten waren. “Het Frans laat in hun brein evenveel sporen na als het Latijn in dat van middelbare scholieren.” Velen gebruikten het Frans in een bepaalde periode van hun leven en keerden daarna terug naar hun plaatselijk patois: dienstplichtigen nadat ze waren afgezwaaid, leerjongens die naar huis terugkeerden of reizende handelaars. Sommigen leerden de Franse taal nooit. Er zijn verschillende gevallen bekend van Bretoense soldaten die in de Eerste Wereldoorlog door hun kameraden werden doodgeschoten omdat ze voor Duitsers werden aangezien of omdat ze de Franse bevelen niet verstonden. (Mijn eigen Vlaamse oom en tante die in de Aisne boerden moesten zich in de Tweede Wereldoorlog weren tegen de reputatie van “boches” omdat ze onder elkaar en met hun kinderen Westvlaams dialect spraken.)

Bernadette_Soubirous

Bernadette Soubirous

Het is dus geen wonder dat de Heilige Maagd, toen ze in Lourdes aan Bernadette Soubirous verscheen het plaatselijke patois gebruikte. Een andere taal zou het herderinnetje eenvoudigweg niet hebben begrepen. “Que soy era immaculada councepciou” – ik ben de onbevlekte ontvangenis – zou de moeder Gods hebben verklaard – een begrip dat Bernadette zonder twijfel haar hoofddoekje te boven ging en dat waarschijnlijk nieuw was in haar plaatselijke taal, al kan ze het woord hebben gehoord in de cathechismusles: de doctrine van de “onbevlekte ontvangenis” was vier jaar eerder door paus Pius IX afgekondigd.

Bernadette zag onzelievevrouw in een grot die al eeuwenlang bekend stond om de mysterieuze gebeurtenissen die er plaats vonden en de bovennatuurlijke geesten die er verschenen. Ze noemde de verschijning die ze tot achttien keer toe zag “uo pétito damisèla” – in het Frans vertaald als “une petite demoiselle.” Maar in de Franse vertaling ging een belangrijke connotatie verloren. Voor de plaatselijke bevolking van Lourdes en omgeving waren damisèlas goedaardige bosfeeën die in het wit gekleed gingen en verdwenen zogauw iemand dichterbij kwam. Ze hadden volgens uit de prehistorie daterend volksgeloof magische krachten en stonden aan de kant van de armen. Toen in 1827 de nieuwe boswet het sprokkelen van hout en voedsel aan banden legde reageerden de haveloze boeren met geweld en brandstichting in wat de “oorlog van de Demoiselles” werd genoemd. Mannen vermomden zich als damisèlas om naar het voorbeeld van de bovennatuurljke geesten industriële houtskoolbranders te terroriseren.

The Discovery of France is een fascinerende tocht door de geschiedenis en de geografie van ons buurland. Wie jaarlijks met de auto naar het zonnige zuiden snelt kan ik alleen maar aanbevelen met dit boek als historische reisgids het land te verkennen dat zich links en rechts van de autoroutes bevindt. Hij of zij zal dan de breuklijnen ontwaren tussen culturen, talen en volkeren die ondanks vier eeuwen centralisme en autoritair bestuur door koningen en republiek van Frankrijk nog steeds een verbrokkelde natie maken. De breuklijn bijvoorbeeld tussen de langues d’Oc en d’Oil, of die tussen noord en zuid, tussen stad en platteland, tussen Parijs en de rest van het land.

Ook wie Frankrijk meent te kennen zal in dit boek herhaaldelijk een wauw-belevenis ervaren. Er is bijvoorbeeld de geschiedenis van de Cagots, een bevolking die jarenlang grof werd gediscrimineerd, of die van de Colliberts die in de ondoordringbare moerasgebieden aan de Franse Atlantische kust woonden en die zelfs door de Romeinen ongemoeid waren gelaten. En dan is er nog het onwaarschijnlijke verhaal van de smokkelhonden in Picardië en Artois, dat ik om uw leesplezier niet te bederven hier niet zal verklappen.

Johan Depoortere

23 december 2013

Graham Robb The Discovery of France

Kindle Book

vertaald als:

DE ONTDEKKING VAN FRANKRIJK

Frankrijk voor gevorderden

Atlas Contact 2008

December 25, 2013 at 7:25 pm 4 comments

Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,576 other followers