Posts filed under ‘Uncategorized’

Ramadan en de Duizend en Eén Nacht.

Door Lucas Catherine

Ramadan eindigde dit jaar op donderdagavond, 14 juni. En dan kwam het feest. Alhoewel, ’s nachts was het iedere dag ook al een beetje feest geweest: eten, drinken, praten én tv-kijken. Speciale series, en niet alleen over het leven van Mohammed of andere aangepaste vrome vertelsels, maar vooral liefdesverhalen en muziek. Maar wat deden de Arabieren vroeger, zonder media? Naar een plein gaan en daar naar verhalen luisteren. Die verhalen werden gebracht door beroepsvertellers: hakawati of rawi en die vertelden met veel mimiek en gestes.

Hakawati ( Office National du Tourisme Marocain)

Nu zijn de hakawati bijna verdwenen. Soms vind je er nog in Marakesj op de Jama al Fna of her en der in het Midden-Oosten.

De man die het eerst in Europa zo’n vertellers beschreef was de Bruggeling Anselm Adornes, een spion voor de Bourgondische hertogen die nog droomden van een nieuwe Kruisvaart. Op 19 februari 1470 vertrekt hij op bedevaart naar Jeruzalem. Op vraag van Karel de Stoute reist hij niet rechtstreeks naar Jeruzalem, maar maakt een ommetoer langs Noord-Afrika, De hertog wou de mogelijkheid nagaan om langs Noord-Afrika op te rukken. Daarom krijgt Anselm Adornes de opdracht dat gebied te gaan verkennen en te kijken wie er aan de macht is en hoe sterk de vorsten daar zijn. Van die kruistocht is niets gekomen, maar Adornes was een goede observator. Hij heeft ons enige mooie beschrijvingen van Noord-Afrika nagelaten, zoals de eerste beschrijving door een Europeaan van de bereiding van koeskoes en deze over de hakawati:

De Moren verzamelen zich iedere avond op dat plein. Sommigen komen te paard, anderen te voet, al naargelang van hun mogelijkheden. Daar kijken ze naar verschillende spelen en voorstellingen om zich te ontspannen. Ik zag er publieke vertellers die met een lange stok hun verhaal onderlijnen. Daar komt altijd veel volk op af. De toeschouwers luisteren gespannen, zoals wij naar een preek luisteren. Ze vertellen oude histories.

Wij kennen die oude histories als De verhalen van Duizend en Eén Nacht, het  meest bekende Arabische literaire werk, meer dan welk ander boek ook. Elf Leila wa Leila, zoals het in het Arabisch heet kwam in Europa in de mode na de vertalingen van de Fransman Antoine Galland (1717) en de Brit Sir Richard Burton (1886). Het boek zelf heeft een lange ontstaansgeschiedenis. Eerst was er een soort oerversie die de vertellers gebruikten en waaraan ze in de loop der eeuwen steeds meer verhalen hebben toegevoegd. Zo vermelden Al Masudi en Al Nadim (beiden 10de eeuw) al een Elf Leila wa Leila dat volgens hen zou teruggaan op een Perzisch boek, Hazaar Afsana (Duizend Sprookjes). Die 1001 Nachten moet je niet letterlijk nemen, het betekent gewoon heel veel en, raar maar waar: het oudste Arabische manuscript waarvan de eerste vertaler, Galland gebruik heeft gemaakt is gedateerd in het moslimjaar 1001 (1592)!

Het raamverhaal, Shahrazade die om haar hachje te redden koning Shariaar iedere nacht een nieuw verhaal vertelt is van Perzisch-Indische origine. Daarna kwamen er vooral veel toevoegingen in Bagdad, ‘Stad van Geneugten, het Parijs van de 4de eeuw’, zoals Richard Burton haar noemde. Veel van die Bagdad-verhalen zijn sterk humoristisch. Dit zijn ondermeer de verhalen waarin khalief Harun al Rashid en zijn drinkkompaan, de dichter Abu Nuwas optreden.

Eén van de grappen van Abu Nuwas aan het hof (gravure uit een boek van Si Kaddour Benghabrit, Imam-stichter van de Grote Moskee van Parijs) Collectie L.C.

Van toen ook dateren de verhalen van Sindbad de Zeeman, de man die de Zeven Wereldzeeën tussen Basra en China bevoer en er exorbitant over vertelt. In een volgend stadium werden er in Kairo nog nieuwe verhalen aan toegevoegd en er is zelfs een Marokkaanse inbreng. De laatste inbreng kwam na het succes in Europa waardoor de vertalers vlijtig op zoek gingen naar meer verhalen, al dan niet apocriefe. Van toen dateren Ali Baba en de Veertig Rovers en Aladin en de Wonderlamp. Ze brachten het tot stripverhalen en Disney-verfilmingen.

Twee kinderboekjes (collectie L.C.)

De oudste, volledige Arabische editie werd in 1835 uitgegeven in Kairo door de beroemde Bulaq-uitgeverij op basis van een Arabisch handschrift uit de 17de eeuw en bevat 1001 Nachten, wat niet altijd het geval is met de andere handschriften.

De verhalen zijn zeer gevarieerd: Geesten en wonderen duiken vaak op, maar er zijn ook sociaal-kritische verhalen (De Bultenaar bvb) die de corruptie van de bureaucratie aanklagen. Dan zijn er verhalen die overkomen als een tv-serie met iedere dag een nieuwe aflevering (Sindbad). Vrouwen spelen een belangrijke rol en dit niet alleen in de sterk pornografische verhalen – ze dateren uit een tijd dat de Arabieren hun literaire cultuur niet beperkten tot de Koran en Kookboeken, zoals nu vaak het geval is. Dit soort erotische verhalen werd vooral door Richard Burton met genoegen aangedikt door zijn uitgebreide verklarende noten, die soms interessanter zijn dan het verhaal zelf, maar anderen vonden dit dan schandalig. Zo deze preutse, ‘Oorspronkelijke Vlaamsche uitgave’ (Antwerpen 1908). Ik citeer uit het voorwoord: Ontegensprekelijk zijn de vertellingen van Duizend en Een Nacht, de eenige, die bij alle volkeren der aarde met de meeste gretigheid ingang vonden…Jammer genoeg, dat ons Vlaamsche Volk daarvan eigenlijk nooit heeft mogen genieten. Wel heeft men in Noord-Nederland pogingen aangewend om de vertellingen ingang te doen vinden. Maar, die omwerkingen stemden niet overeen met de goede zeden van ons Volk! Dat was een misslag! Daar, waar onzedelijkheid op den voorgrond treedt, wordt de deur van het wantrouwen geopend… Deze omwerking zal derhalve in ieders handen, op alle leestafels mogen verschijnen, zonder iets kwetsends op te leveren.

En dan zijn er natuurlijk gewoon grappige verhalen, meestal kort. Al die verhalen werden meestal in de volkstaal verteld, en niet in het hoogliteraire Arabisch. Daarom hier als toemaatje: het kortste verhaal uit Duizend en Eén Nacht, in mijn volkstaal, het Brabants Brussels. Tip: als je het luidop leest is het ook verstaanbaar voor West-Vlamingen, Hollanders en Limburgers.

Het keutste vertelselke oët Duzend en Ien Nacht: De Scheit van Aboe Hasan

Fi yaoem min al ayaam kan fi medina qadima Baghdad razjoel, ismhoe Aboe Hassan…

Lank, moe hiel lank geleië leifde er in de gruute stad van Baghdad ne man en eum hietegede Aboe Hassan. Eum was ne kommersant, ne joenge, raake kommersant, moe uuk ne weiveneir, ne joenge weiveneir. En, eum was altaat triestig. Och èrme. As eum sachternoensj met zaan kameroeten op stamenee zat, zat eum doe triestig te koekeloeren. Eum ha leudevedeu. En alle doege was dat ’t zeulfde, tot as da zaan kameroeten et muug zaan geweuren.

Allah, Aboe Hasan, ne joenge keubber gelaak as ga moet toch kunne ertraave mee e skuun mokke, gien Mistanfluut, moe toch a skuë migeolleke.

En ten lage leste, was’t zuu veir. Aboe Hassan eum ha e annonceke gezet in de gazet en zuu was eum oep e skuun mokske gevalle. Et was gien scheile, ze ha gien meutekes knien, neie en hiel skuu maske. Ze mocht gezeen weudde. Ze stroldegede gelaak as de moen op ne vaaver. Zegge ze in ’t Araabs. Ze zierverde nie, mo wist wannier as das ze moest zwaage. Allah, zuun vinde teigewourdig ne mië.

En Aboe Hassan was ne mens mê floes. Eum organiseerde ne sjikken traa. Nen iel sjikken tra. Alleman was welkom, nâ famille en veir famille. Kozzes en nichte, oenkels en tantes. En alle gebuure. Veir gebuure en nâ gebuure. Zeulfs de oelemaas en de fakirs. Allien gien salafisten, want da fiest da was van frêtmo, frêtmo en zeupt mo, zeupt mo. Ik emmet al gezeit, et was lank, hiel lank geleide. Toen mochte nog zoeipe in Baghdad. Het was den taat da ze in ’t Araabs nog mier as onnerd woure aan veu waan. En frêt waster veu alle goestinge: zuutigheide, smosjterderaa, vlies van schopkes. D’er was zeulfs ne joenge kamiel au feu de bois en in da kamiel zat e lammeke en in dat lammeke ne kaproen en in da kaproen en deufke en in da deufke amandelen en pistasjenoute. As ge d’er niet van gepruufd hé, wette nie wadas da ge gemist hé.

En d’er was muziek mê floëten, troemmels en vravegezang, nen echten noeba.

Iel zaan oës was gepaleid gelek een echt palaas

En den moeste zaan fiancéé emme gezien. Op nen truun, mê heur dames d’honneur die eur oem et eur van klied verannerden. En giene kamelot, hé, giene Hirsch par terre.

Allez,’t es nie veu niks e vertelselke oët Duzend en ien Nacht.

En toens kwam de moment suprême. Aboe Hassan moost zaan mameselle ba eur hand pakke en mê eur nou de sloepkoemer goen. Consommez le mariage en dades gien soep hé.

En toens….toens…

Aboe Hassan zet eum recht in zaane fauteuil en doebaa lost eum en scheit en formidoebele scheit. En alleman a da gehuëd. Moe ze mochte niks zegge en ze begoste hiel loët te klappen asof dader niks was gebeud.

Da moot zuë. Want de Profeit hei gezeit – en ik weit het oët den hadiet van al Bukhari: as ‘ ter ne wind floët oêt et laaf van ne mensj den mougde nie lachen’.

En alleman spelde van de stoemmenduuve.

Moe Aboe Hasan, eum was beschomd, beschomd, eum za in de grond emme kunne kroëpe. Moe dat dee eum nie. A moempelde wa en stapte noe za pjeid. En gaf het de spoure. En eum reed, weg, veir weg tot in de gruute stad van Basra en doe paktege eum nen buut noe Indië. En a begost doe, in Indië, e nuuf carrière as kommersant.

Moe, eum was doe nie gelukkig. Ien joer passeerde, twie joer, vaaf joer, tien joer en toensj, wilde eum terug nou de gruute stad van Baghdad. En a paasde : na zen ze maan scheit al wel vergeite.

En eum mê den buut nou Basra en den noe Baghdad.

Eum verkliedege eum in ne bedeleir, nen fakir. Niemand kost eum erkennen. En Aboe Hassan paasdegede ik gon zu es leustere wat da ze zu al vertelle in ’t stad? Ge moe weite. Doe was toensj nog gien internet of facebook. Toensj moeste nog mê de mensje klappe as ge nuus wa weiten.

En Aboe Hasan arriveit veu de meure van Baghdad en doe zit een bedoewinsje mê eur dochter.

Aboe Hasan, komt stillekes dichter en leustert noe wa da ze zegge.

Moïer, za da dochter, hoe out zaan kik agentlek ? En da mojer paast es diep. Awel, za ze, ga, ga zeit geboure in ’t joer… in “t joer …da Aboe Hassan zaan dikke scheit liet.

En Aboe Hassan zaan melk droët, eum weurd terug zuë beschomd, want zaan scheit was histoore geweure, gelaak da ze na zegge: veu of nou de ourlog, zegde ze toensj: veu of nou de scheit van Aboe Hassan. En eum droët eum oem, zet e op ê luupe, en lupt, lupt tot in Basra en terug op nen buut noe Indië.

En toens, toens kwam er e verken mê ne lange snoët en ma vertelselke es oët.

Sjoekran gezilan, wa barakat aloufik, wa rahmat oellah !

juni 15, 2018 at 8:18 pm 1 reactie

TWEE KEER VERMOORD

Soms zie ik een krantenbericht dat mijn bloed doet koken en me doet tandenknarsen van plaatsvervangende schaamte. Zoals dit in Het Laatste Nieuws van gisteren:

 

Beschonken jongeren slaan dakloze dood in Brussel, maar moeten niet naar gevangenis

 

Drie jonge mannen die in december 2014 een dakloze zo hard toetakelden dat de man het niet overleefde, hebben van de correctionele rechtbank in Brussel straffen met uitstel gekregen. Zolang ze geen nieuw misdrijf plegen, moeten ze dus niet naar de gevangenis.

 

De daders: drie blanke jongeren. Het slachtoffer: een dakloze van Congolese origine. Hij werd twee keer vermoord; eerst door racistische jongemannen, dan door racistische rechters die zijn leven waardeloos verklaarden. Je waant je in de Amerikaanse Old South waar je voor het vermoorden van een “nigger” hoogstens een tikje op de vingers kreeg. Wat een vreselijk signaal geven die rechters. Een vrijbrief is het voor geweld tegen anders gekleurden. Stel je voor dat die jongelui een rechter hadden doodgeslagen. Welke straf hadden ze dan gekregen? De geest van Leopold II is alive and well in Brussel.

Ik kan alleen maar hopen dat deze schandelijke uitspraak enorm veel protest zal uitlokken.

Tom Ronse

juni 14, 2018 at 6:57 am 2 reacties

ISRAEL EN DE PALESTIJNSE ENDLÖSUNG

Door Johan Depoortere

Wie wint de eerste prijs in politiek cynisme: de burgemeester van Antwerpen die Israël feliciteert de dag waarop dat land een massamoord aanricht of de premier van dit land die de Israëlische ambassadeur op het matje roept in het overduidelijke besef dat zijn gebaar evenveel effect zal hebben als dat van de muis die brult tegen de olifant? Pro memorie: die ambassadeur, Simone Frankel, noemde de meer dan honderd dodelijke slachtoffers van de Israëlische scherpschutters en de duizenden gewonden allemaal “terroristen,” inclusief de kinderen, journalisten en hulpverleners. In Terzake “nuanceerde” de ambassadeur haar woorden: “als ze geen terroristen waren dan waren ze gemanipuleerd door Hamas.”

Dat premier Michel protesteerde tegen die verklaringen mag verbazing wekken. Immers de premier en wij allen zouden de ambassadeur dankbaar moeten zijn voor haar openhartigheid. We mogen aannemen dat de woorden van mevrouw Frankel een correcte weergave zijn van het standpunt van haar regering. Zelden gaf een Israëlische diplomaat zo duidelijk inzicht in de strategie en denkwijze van de leiders van de zionistische staat. Terroristen moeten – in die visie – zonder vorm van proces worden gedood. Als kinderen en babies “terroristen” zijn – al dan niet gemanipuleerd – dan moet de hele bevolking van Gaza, de 2 miljoen Palestijnen die daar wonen, onder die noemer vallen en dus in aanmerking komen voor vernietiging. De Israëlische regering geeft zichzelf op die manier een “license to kill” en brengt die meteen ook in de praktijk.

We horen onze beleidsmakers alweer vrome zinnen prevelen die het “buitensporig geweld betreuren.” Minister van Buitenlandse Zaken Reynders verzoekt de Israëlische regering om “in zekere limieten te blijven.” Wat zouden die “limieten” in de ogen van Reynders dan wel zijn: 10 doden, 1 dode? Minister Reynders heeft anderhalve maand nodig gehad om tot het besef te komen dat de “limieten” overschreden zijn. Toen op één dag 14 doden vielen, of 10 was dat volgens Reynders blijkbaar binnen de limiet – althans hij vond het toen niet nodig om te protesteren.

Nee het gaat niet om “buitenproportioneel geweld,” het Israëlische leger maakt zich niet schuldig aan “excessen.” Wat in Gaza gebeurt is de uitvoering van een project, dat al vóór de oprichting van de staat Israël in de leidende zionistische kringen werd bediscussieerd. Met het “Plan Dalet,” door de toenmalige zionistische leider David Ben Goerion goedgekeurd, kreeg het leger de opdracht verschillende strategieën toe te passen om de Palestijnen uit hun land en huizen te verdrijven: “intimidatie op grote schaal, belegering van en bombardementen op bevolkingscentra, het platbranden van huizen en eigendommen, uitdrijving, afbraak en mijnen plaatsen in het puin om terugkeer van de verdreven bewoners te verhinderen.” 1

Benny Morris

Ondanks die maatregelen bleef de zionistische staat tot chagrijn van de opeenvolgende regeringen met een Palestijnse minderheid – nu zo een 20% van de bevolking – zitten. Volgens de Israëlische historicus Benny Morris was dat de grootste fout van de legendarische Ben Goerion. Morris is geen antizionist, integendeel. Hij heeft de terreur van de zionisten tegen de Palestijnse dorpen en steden in 1948 grondig gedocumenteerd, maar hij betreurt dat Ben Goerion en het leger toen maar half werk hebben geleverd. Morris is één van de toonaangevende intellectuele voorstanders van “transfer” zoals het deporteren van de Palestijnse bevolking en de etnische zuivering nu worden genoemd. 60% van de Israëlis zijn het volgens opiniepeilingen met hem eens.

Nu de Amerikaanse regering van Donald Trump elke schijn van onpartijdigheid in haar “bemiddelingsrol” in het Israëlisch-Palestijns conflict heeft afgelegd en een verbond is aangegaan met het middeleeuwse regime in Saudi-Arabië, de militaire dictatuur in Egypte en Israël is er voor Netanyahu en zijn regering van ultras geen enkele belemmering meer voor de uitvoering van de Endlösung van het Palestijnse vraagstuk. Wat met de etnische zuivering in 1948 begonnen is kan nu zijn voltooiing krijgen. Het werk van Ben Goerion en de stichters van Israël kan nu worden afgemaakt.

In de Israëlische regering, maar ook in het leger en in grote delen van de media is de settlerideologie nu dominant: de extreme invulling van de zionistische leer zoals die beleden wordt in de beweging van de kolonisten. Eén van hen, Betzalel Smotrich, zegt het onverbloemd: de bedoeling moet zijn om de Palestijnen “alle hoop te ontnemen.” Smotrich is geen verdwaalde extremist. Hij is de vice-voorzitter van de Knesset, het Israëlische parlement. In zijn “Onderwerpingsplan” 2krijgen de Palestijnen in Israël drie keuzes. Ze kunnen verdwijnen of in Israël blijven wonen als onderklasse (“resident alien”) omdat er volgens de Joodse wet, aldus Smotrich, “altijd een zekere inferioriteit moet zijn.” Ofwel kunen ze kiezen voor verzet “en dan weten de Israëlische strijdkrachten wat hun te doen staat.” Smotrich grijpt naar een bijbels antecedent om ten overvloede duidelijk te maken wat hij precies bedoelt. Joshua geeft in het gelijknamige boek de inwoners van Canaan dezelfde drie opties. De niet-Joden die niet op de vlucht sloegen moesten een beperkt regime opgelegd krijgen “zodat ze zouden worden misprezen en onderdrukt en het hoofd niet zouden oprichten.” Als ze zich verzetten dan moest “geen levende ziel onder hen overblijven.”

Ook nu krijgen de Palestijnen in de geest van een invloedrijke groep in de Israëlische samenleving de keuze tussen transfer, apartheid of genocide. Smotrich is lang niet de enige die genocide als een aanvaardbare optie voorstelt. Een regeringslid, minister van onderwijs Naftali Bennettvermeldde trots dat hij in zijn leven “veel Arabieren heeft gedood” en dat daar “niets mis mee is.” Een andere Israëlische minister, Gilad Erdan vergeleek de gedode Palestijnen in Gaza met Nazis: “Het aantal doden betekent niets, net als het aantal gedode Nazis in de oorlog…”

Amitai Ben-Abba

Het is een sentiment dat in brede Israëlische kringen wordt gedeeld. Er zijn ongetwijfeld tegenkrachten in de Israëlische maatschappij die zich tegen de ideologie van de genocide verzetten. Maar hun stem wordt gesmoord door de kreten van hen die de Israëlische scherpschutters toejuichen. “Israel is ideologisch klaar voor een Palestijnse Shoah (Holocaust),” schrijft de Israëlische auteur Amitai Ben-Abba, wiens familie in de Holocaust omkwam: “Israëlische menigten vieren de vrijlating van moordenaars zolang de slachtoffers Arabieren zijn. Bij de opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem scdandeerde de menigte: ‘verbrand ze , schiet ze neer, doodt ze.” Ben-Abba is er zich van bewust dat de vergelijking met de massamoord door de nazis een pijnlijk taboe is voor joden. Maar als afstammeling van overlevenden van de Holocaust is hij ervan overtuigd dat de vergelijking gemaakt moét worden en dat er gehandeld moet worden om de uitvoering van de genocideplannen te voorkomen.

Voor Israël zijn de beelden van doodbloedende jongeren en kinderen naast die van de champagneslurpende elite in Jeruzalem waar onder de begeleiding van vrome platitudes uitgesproken door notoir anti-semistische Amerikaanse pastors de ambassade werd ingehuldigd een public relations disaster. Israël en het voetvolk van de zionistische propaganda, bij ons Mia Doornaert, Luckas Vander Taelen en andere Michael Freilichs, zoeken daarom wanhopig naar een middel om dat beeld te keren en de schuld bij Hamas te leggen. De groteske bewering dat Israël zijn grenzen verdedigt tegen een dreigende invasie mist elke geloofwaardigheid en wordt door de beelden van stenengooiende jongeren tegenover een tot de tanden gewapend leger tegengesproken. Maar zolang onze regering in koor met die van de meeste westerse landen zich beperkt tot “betreuren” en “veroordelen” zal Israël voortgaan op het pad van de Endlösung.

1Ilan Pappe The Ethnic Cleansing of Palestine, 2006

2Haaretz 16 mei 2017 Why Religious Zionism Is Growing Darker

mei 26, 2018 at 4:56 pm 5 reacties

ANTISEMIET MAAR NIET VIRULENT

Door Johan Depoortere

Op indrukwekkende wijze werd in “De kinderen van de collaboratie” duidelijk gemaakt hoe jarenlang – tot voor kort nog – het collaboratieverleden van Vlaanderen toegedekt werd onder een dikke laag ontkenning, vergoelijking en wrok. Het levende voorbeeld daarvan kwam een week eerder aan het woord: Jan Tollenaere, de zoon van Reimond Tollenaere, de nazipropagandist uit Roeselare die met zijn retoriek duizenden jongerenen voor het Oostfront ronselde. Zoon Tollenaere noemde zichzelf “een antisemiet, maar niet virulent hoor!” “Niet virulent,” wat moeten we daaronder begrijpen? Misschien dat hij tegenstander is van gaskamers – maar niet fanatiek hoor! Misschien vindt hij alleen dat Joden beter zelf de beslissing nemen om op te rotten? Voor de rest is het natuurlijk helemaal geen problemen om Joden “parasieten” en “nare mensen” te noemen. Het taalgebruik van Tollenaere is een regelrecht copypaste uit “Der Stürmer,” met stip de hatelijkste propagandatool van de nazis.

In dezelfde aflevering van de “Kinderen van de collaboratie” was te zien hoe Bart De Wever, de sterke man van de NVA, ondubbelzinnig afstand nam van het naziverleden van de Vlaamse beweging en van zijn eigen familie. Dat was, erkennen vriend en vijand, een moedige daad ook al kwam die rijkelijk laat – meer dan 70 jaar na het einde van de oorlog. En dan is het nog zeer de vraag hoezeer deze breuk met het verleden in de rest van de partij is verteerd. Jan Tollenaere was tot een week geleden lokaal bestuurslid van de NVA in Turnhout. Pas na diens optreden in de ophefmakende televisiereeks kwam het tussen hem en de partijleiding tot “een goed gesprek” en pas dan bleek een bestuursmandaat in die partij niet te verzoenen met antisemitisme en nazisympathieën. Dat ruim twee maanden geleden dezelfde Tollenaere al in De Standaard eraan twijfelde of “Hitler een crimineel was” en openlijk zijn afkeer voor Joden en “negers” had geëtaleerd was tot dan blijkbaar geen probleem.

Het blijkt dus dat de “wrokcultuur” zoals de hardnekkige traditie in de Canvasuitzending werd genoemd een taaier leven leidt dan vaak wordt aangenomen. Het blijkt ook dat die traditie zich niet beperkt tot de harde kern van diehards in Vlaams Belang en andere extremistische splintergroepen. Het is nog altijd mainstream om de collaboratie weliswaar een “vergissing” te noemen maar eraan toe te voegen dat de Vlaamse nazis “hun redenen hadden” om zich te encanailleren met een misdadig regime. Als ook nu nog gemeentebesturen er geen graten in zien om straten te noemen naar een veroordeeld oorlogsmisdadiger als Cyriel Verschaeve, of als prominente partijleden aanwezig zijn op verjaardagsfeestjes van nazisympathisanten is er wel degelijk een probleem, ook in “fatsoenlijke” politieke formaties.

Nazipropagandist Cyriel Verschaeve.

In een uitzending van De Afspraak reageerde de Antwerpse schepen Claude Marinower sereen en waardig op de misselijk makende uitspraken van Tollenaere. De vader van Marinower was één van de vele slachtoffers van het door Tollenaere nog altijd aanbeden naziregime. Marinower is intussen schepen in een gemeentebestuur onder leiding van de NVA, een partij waarvan het DNA blijvend besmet is. Burgemeester De Wever mag dan al duidelijk afstand hebben genomen van het oorlogsverleden van zijn partij en familie, hij vond het in 2007 nog nodig om te protesteren toen zijn voorganger Patrick Janssens excuses aanbood voor de medewerking van de Antwerpse politie aan de uitroeiing van de Joden. “Misplaatst en gratuit” noemde De Wever die excuses toen – tot woede van de Joodse gemeenschap. De Wever werpt zich nu op als de grote vriend van de Antwerpse Joden en van Israël. Het kan verkeren.

 

december 21, 2017 at 9:23 am 1 reactie

DE PUINHOPLEN VAN RECHTS

Johan Depoortere

De puinhopen van rechts

Door Jan Blommaert

hine-manuel

Ik betwijfel of Ivan Van de Cloot het leuk zal vinden dat ik met hem begin, maar daar laat ik me weinig aan gelegen. Enige tijd geleden bracht dhr Van de Cloot, hoofdeconoom van de onafhankelijke denktank Itinera, immers een studie uit over de toekomst van het pensioenstelsel. Daarover geïnterviewd zei hij onder andere het volgende. De pensioenleeftijd van 65 jaar is volgens hem compleet achterhaald. Immers, toen die leeftijdsgrens in de jaren 1950 bepaald werd, was de gemiddelde levensverwachting van de Belg zowat 70 jaar. Nu ligt die zowat tien jaar hoger, en het gevolg daarvan is dat mensen op pensioen gaan die fysiek en mentaal nog best heel wat meer jaren aan de slag zouden kunnen blijven. Koppel dat argument aan de financiële zorgen over ons pensioenstelsel, en je hebt een dwingend argument om af te stappen van die fetish van 65 jaar. Van de Cloot is van oordeel dat we allen tot ons 70ste aan de arbeid zullen moeten blijven; dat “wijzen tal van studies uit. Wie iets anders vertelt, weet niet waarover hij het heeft.” Aldus Ivan Van de Cloot in gesprek met het Nieuwsblad, enthousiast bijgetreden door een hele schare deskundigen, van VBO topman Pieter Timmermans tot en met SP-A boegbeeld Frank Vandenbroucke.

Ivan Van de Cloot

Wat ik hieruit opmaak is dat voor Van de Cloot en anderen we blijkbaar moeten werken tot we geen mens meer zijn. We zijn op ons 65ste nog niet helemaal uitgeleefd, en als we leven moeten we werken. Leven en werken: voor Van de Cloot leven we om te werken, dat is de enige reden voor ons bestaan. In de oude en achterhaalde opvatting was dat echter werken om te leven – om goed te leven, dat wil zeggen: om vrije tijd te hebben, om naast het werk ook nog burger te zijn, en vader of moeder, vriend of vriendin, echtgenoot, buur, medewerker van allerlei organisaties, om ons met politiek bezig te houden, met kunst en cultuur, om eens een krant, magazine of een goed boek te lezen, om met de kinderen ergens heen te gaan of, later, de kleinkinderen rot te verwennen, om mee te helpen met de verbouwingen van zoon of dochter, de overstroomde kelder van je buur mee te helpen opruimen, naar de Colruyt rijden voor een bejaarde uit de buurt. Enfin: om niets te doen in de ogen van Van de Cloot en zijn fans, om niet actief te zijn dus. Of iets scherper geformuleerd: om een sociaal profiteur te zijn, een parasiet die de samenleving handenvol geld kost.

Mens zijn: het mensbeeld dat Van de Cloot en zijn kameraden aanhangen reduceert de mens tot één factor – arbeid. Ons bestaan heeft enkel nut en belang in zoverre we ons hele mens-zijn wijden aan gesalarieerde arbeid, arbeid in dienst van ‘de economie’, want die economie is in crisis en behoeft nu niks minder of niks meer dan een Endlösung waarbij iedereen moet werken tot hij of zij erbij valt. Arbeit macht frei. De plaats die we innemen, de lucht die we inademen, ons hele bestaan: we moeten het verdienen met ‘actief zijn’, ‘werkzaam zijn’, onszelf ‘inzetten’ voor dat ene belangrijke doel: economische groei. Wie ‘niet actief’ is doorbreekt de regels van goed en kwaad en moet, zo zegt Patrick Janssens, lik op stuk krijgen, want ‘voor wat hoort wat’. Ons loutere bestaan veroorzaakt zoveel kosten dat we ons leven moeten verdienen. Doen we dat niet, dan hebben we geen plaats in de samenleving. We zijn dan losers, en onze samenleving draait enkel nog rond winners.

Dat is het mensbeeld dat vandaag de dag wordt gepredikt. In dat mensbeeld is iedereen per definitie een arbeidskracht. Iedereen moet er zelf voor zorgen dat die arbeidskracht maximaal kan worden aangewend. De arbeidsmarkt wordt immers in toenemende mate competitief, en niemand mag er nog van uit gaan dat er zoiets is als een ‘loopbaan’ met ‘werkzekerheid’. Er zullen banen geschapen worden, maar die banen worden niet gekoppeld aan mensen: iedereen moet concurreren voor die banen, en die concurrentie houdt twee constanten in. Ten eerste moet men de eigen loonverwachtingen realistisch houden, dus lààg, want anders is de aanbodprijs van arbeid niet competitief; ten tweede moet men zichzelf permanent bijscholen en herscholen zodat men op ieder moment een competitief speler de arbeidsmarkt is. Beide constanten worden onder de eufemiserende paraplu van ‘flexibiliteit’ gevat, en enkel wie flexibel is heeft job security. Voeg beide begrippen samen en je hebt de term die de officiële EU strategie inzake arbeid definieert: ‘flexicurity’. Flexicurity is net zoals ‘inburgering’ een begrip dat alles individualiseert. Er zijn geen collectieve organisaties meer in de arbeidsmarkt, geen solidariteit, geen herverdelingsprincipes door middel van ‘uitgesteld loon’ – sociale zekerheidsbijdragen. Er is kapitaal, er is arbeid, en het tweede dient het eerste. Enkel zo – dat zeggen mensen zoals Van de Cloot, Noels, Timmermans en een schare sociaaldemocraten – zal onze economie uit het slop raken en zullen we de concurrentie van de geglobaliseerde wereldspelers zoals China, India en Brazilië aankunnen. Doen we dat niet, dan zijn we een vogel voor de kat.

***

De mens is uit de samenleving weggehaald en wordt nog enkel binnen de economie geplaatst. De samenleving is afgeschaft en vervangen door een arbeidsmarkt en die markt is een vrijhandelsruimte – een ruimte van vrijheid, want ze is eindelijk ‘vrij gemaakt’ (‘geliberaliseerd’). Frei gemachte Arbeit. Ze is nu bevrijd van alle beperkingen die doorheen anderhalve eeuw sociale strijd waren aangebracht: sociale zekerheid, collectieve loonafspraken, beschermde statuten voor bepaalde werknemers, overleg met alle partijen in het economische proces, democratische inspraak in de planning en de strategie, en ga zo maar voort. Al die verwezenlijkingen van de sociale, democratiserende en emancipatorische strijd sinds Marx en Rerum Novarum worden op drie jaar tijd voorgoed ongedaan gemaakt. Sinds de bankencrisis van 2008 staan we immers in een nieuwe wereld, waarin economie niets meer met de samenleving te maken heeft. Het zijn twee los van elkaar bestaande dingen die elk aan heel andere wetten beantwoorden. De samenleving kost hopen geld en wordt beheerd door wat we een democratie noemen; de economie brengt het nodige geld op en wordt beheerd door de ondernemers en hun regeringen: de EU, het IMF, de OESO. Onafhankelijke denktanks zoals Itinera, onafhankelijke ratingbureaus zoals Fitch en Moody’s, en onafhankelijke media zoals de Financial Times en The Economist verzorgen de vrije meningsuiting in dit economische regime. Van de Cloot heeft dus even veel te zeggen – zoniet meer – als Rudy De Leeuw, en Dominique Strauss-Kahn was tot voor kort machtiger dan eender welke regeringsleider. Die laatsten moesten zich immers periodiek onderwerpen aan het oordeel des volks; Strauss-Kahn had van dergelijke irritante rituelen geen last.

Die visie van twee werelden, waarbij de economie volkomen zelfstandig leeft en zijn eigen regels volgt, zonder enige democratische controle laat staan inmenging, werd eind maart 2011 door de EU-top in Brussel verheven tot officiële Europese doctrine. De EU besliste daar in één adem ook dat de hele samenleving ten dienste moet staan van die economie. Het doel daarvan heet ‘het verzekeren van onze welvaart’. De prijs die we ervoor betalen is de afschaffing van de samenleving, het opofferen van datgene wat we begrijpen onder de term ‘een leven hebben’, het afschaffen van het sociale vangnet en van iedere vorm van materiële herverdeling, het invoeren van een fundamentele onzekerheid inzake onze eigen welvaart, en het permanent aanvaarden van een wereld waarin het verschil tussen winners en losers elk ander onderscheid wegvlakt. Wat die welvaart in realiteit inhoudt is me dan ook een raadsel; wie ervan zal genieten is me deels duidelijk. In ieder geval hebben we geen leven meer, of we nu werk hebben of niet. Ons leven als mens is ons afgenomen; in ruil daarvoor zijn we – wat? Verlengstukken van de machine zoals bij Marx? Permanent beschikbare krachten voor Adecco Interim? Uniforme en daardoor vervangbare witte boorden, zoals Human Resources managers ons proberen te vormen? Ik weet het niet, maar het ligt ergens binnen die ruimte.

Ik noem die visie een ideologie, en ik noem die ideologie extreem-rechts. Wie de mens reduceert tot zijn of haar arbeid en al de rest daaraan wil opofferen; wie vindt dat we enkel leven om de winsten van anderen te maximaliseren; wie vindt dat democratie enkel nog over details mag gaan; wie vindt dat iedereen die niet mee kan met de mallemolen van de flexicurity – om welke reden ook – een soort misdrijf pleegt en dus mag gestraft worden; wie vindt dat de hele samenleving moet gemobiliseerd worden in functie van een economische aristocratie; en wie vindt dat daarover geen enkele vorm van debat toegelaten is – zo iemand noem ik niet ‘gematigd’, niet ‘redelijk’, niet ‘nuchter’, zelfs niet ‘neoliberaal’. Ik noem zo iemand radicaal, extremistisch, fundamentalistisch, hysterisch, en rechts, want hij of zij verwerpt alle grote waarden van onze liberale democratie, en alle verwezenlijkingen van anderhalve eeuw strijd voor de verbetering van onze samenleving. Wie vandaag de dag de arbeider van Marx en Dickens wil heruitvinden is extreem-rechts. Hij of zij mag dan ook niet schrikken wanneer deze terugkeer naar de tijden van Marx en Dickens ook weer aanleiding geeft tot enorme protesten, rebellie en revolte, en tot een heropstanding van de grote sociale bewegingen. Wie zijn geschiedenis niet kent zal ze herhalen, nietwaar.

***

Ik ben van oordeel dat we in een extreem-rechtse, neoliberale revolutie zitten. De dominantie van dit gedachtegoed is een langer proces, maar sinds de bankencrisis van 2008 maken we een revolutionaire versnelling mee, waarin alle maskers worden afgeworpen en waarin organisaties zoals de EU hun laatste laagje sociaal vernis hebben afgeschaafd. Rijdend op de onzekerheid en de angst bij veel mensen voor een economische catastrofe schrijft de EU nu teksten die een decennium geleden ondenkbaar zouden geweest zijn omdat ze zo radicaal en extreem het primaat van de economie en het dictaat van de arbeidsmarkt uitdragen. Regeringen zoals die van Cameron in Groot-Brittanië en Rutte in Nederland zijn zo radicaal dat men Thatcher en Reagan al bij al gematigd zou vinden. Kunst en cultuur zijn linkse hobby’s die hun eigen geld dan ook maar op de markt moeten gaan zoeken; onderwijs heeft als enige doel het produceren van grote aantallen kant-en-klare hoogopgeleide en hoog-performante arbeidskrachten; werkloosheid, ziekte en ouderdom zijn eveneens kwesties die men vanuit het marktperspectief moet zien – wat kosten ze, en wat brengen ze op? En werken, dat moet kunnen tegen élke prijs die de markt eraan geeft – één Euro per uur, vier Euro, die lonen zijn al realiteit in het economische Disneyworld genaamd Duitsland. Kortom, de huidige regeringen in Europa schaffen gewoon de hele samenleving af en vervangen ze door de dictatuur van het ondernemerschap.

Merkwaardig genoeg vinden heel wat mensen dat al bij al niet zo erg. Men voelt zich wel wat bezorgd en onrustig over deze nieuwe extreem-rechtse tendens, maar berusting en gelatenheid zijn de dominante respons. ‘We zullen wel allemaal langer moeten werken zeker’, ‘de gouden jaren zijn voorbij’, ‘er is geen alternatief’ – dat soort uitspraken hoort men voortdurend, en ze tonen aan dat de geesten gemasseerd zijn. Al drie jaar lang horen we slechts één liedje over de economie en de samenleving, en zoals we weten is dit het oeroude recept van propaganda: zeg hetzelfde duizend maal, en laat het door duizend mensen voortdurend herhalen, men zal wel geloven dat het waar is. Wat mensen nu geloven is dat economie los staat van de samenleving, en dat we ons nu voluit ten dienste van de economie moeten stellen. De Paul Dhoores en Ivan Van de Cloots, Geert Noelsen en Paul De Grauwes van dit land hebben een historische en al bij al ongelooflijke overwinning geboekt: ook al is hun visie in 2008 compleet en finaal failliet gebleken, toch zijn ze erin geslaagd deze postmoderne vorm van waarzeggerij door heel veel mensen te doen aanvaarden en geloven als opperste wijsheid.

Dat is een unieke prestatie voor economen, want doorheen de hele geschiedenis van de economie legden economen voortdurend de band tussen economie en samenleving. Meer nog: economen stelden zichzelf voortdurend tot doel om door een beter begrip en een betere organisatie van de economie de samenleving beter te maken. Men zal zich herinneren dat de discipline zelf lange tijd bekend stond als ‘politieke economie’, en dat mensen zoals Adam Smith, David Ricardo en Thomas Malthus veel ruimere problemen dan strikt economische aanpakten. Naast The Wealth of Nations schreef Smith bijvoorbeeld ook nog The Theory of Moral Sentiments, en hij zag beide werken samen als de grondslag voor een nieuwe mens- en maatschappijwetenschap. Ook Marx kan men uiteraard moeilijk van een exclusief economistische visie verdenken; Veblen, Keynes, Amartya Sen en Galbraith evenmin. Bij elk van deze economen stond economische ontwikkeling ten dienste van een hoger doel: een betere, meer rechtvaardige samenleving waarin mensen zichzelf naast hun arbeid kunnen ontplooien als mens. Wat Marx betreft: zijn werk werd aangedreven door precies dat doel: de mens bevrijden van stompzinnige arbeid en werktijd vervangen door tijd om te leven als burger, als democraat, als mens.

Economen die de economie afzonderen van de samenleving wekken mijn wantrouwen op, zeker wanneer ik merk dat elke maatregel die ze voorstellen om de economie te hervormen eigenlijk een maatregel is die de hele samenleving hervormt. De quasi-afschaffing van werkloosheidsuitkeringen, van minimumlonen, van collectieve arbeidsovereenkomsten, de quasi-volledige afbouw en commercialisering van de publieke sector – ziekteverzekering, onderwijs, pensioenen – en het uitschakelen van eender welke vorm van democratische controle en inspraak over het economische leven: dat zijn geen economische maatregelen, dat zijn maatregelen die ons hele samenlevingsmodel omgooien. De samenleving heeft daar gigantische belangen bij, en het zou in een democratie dan ook zo moeten zijn dat de samenleving daarover zijn zeg mag doen. Dat is de reden waarom ik zij die dit ontkennen extreem-rechts noem, en waarom ik spreek over een extreem-rechtse revolutie: na deze ingreep zal er van ons huidig samenlevingsmodel niets meer overblijven, dan een rechtse puinhoop waarin mensen terug gesalarieerde slaven zijn en waarin politici zich met wat geluk nog mogen bezighouden met de kleur van de zebrapaden. Men gebruikt zogezegd objectieve economische argumenten om een ruimere ideologische agenda door te drukken. Wie daar voor is mag nu z’n hand opsteken.

***

De hand opsteken – ik kom stilaan aan het einde van mijn verhaal. Indien men voor de extreem-rechtse revolutie een democratisch draagvlak zou zoeken, dan zou men er geen vinden. Indien men mensen precies uitlegt waarover dit allemaal gaat, en welke verliezen mensen dreigen op te lopen indien ze dit zomaar aannemen, dan zal snel blijken dat dit nieuwe extreem-rechts geen grein steun geniet bij de mensen. Het is precies omdat we er nu met zo velen van uit gaan dat de economie niet meer tot ons democratisch bestel behoort, dat we dreigen slachtoffer te worden van de maatregelen die nu op alle fronten worden uitgewerkt – incluis op de onderhandelingstafel van Di Rupo. Links heeft dan ook een dringende taak: de samenleving heruitvinden, en die samenleving aan mensen uitleggen. We moeten hen uitleggen dat de economie gewoon een deel is van de samenleving, en dat de belangen van miljoenen mensen niet zomaar door een ratingbureau of een verbond van zelfstandige ondernemers kunnen bepaald worden. De belangen van de mensen zijn de belangen van die mensen, ze zijn niet van iemand anders. Als democraat moet men dit scherp stellen en blijven herhalen. Wie hieraan iets wil afdingen kan moeilijk aanspraak maken op het etiket van democraat. Links moet dus de samenleving heruitvinden en opnieuw uitleggen: tegen mensen uitleggen dat het hier gaat om een democratie van vrije en gelijke mensen, en dat die democratie alles omvat wat die vrije en gelijke mensen aangaat. Voor minder moeten we niet gaan. En als Ivan Van de Cloot daarmee niet akkoord gaat, kan me dat eigenlijk geen bal schelen.

(inleidende tekst, Gentse Feesten debatten 2011)

september 25, 2017 at 9:06 am Plaats een reactie

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

mei 24, 2017 at 3:48 pm 7 reacties

EEN MEISJE ZONDER VREES

 

door Jacqueline Goossens

Er zijn meer dan duizend standbeelden in New York. Het bekendste is natuurlijk het Statue of Liberty maar dat staat op een eilandje in de baai. Het populairste beeld in de stad zelf is “the charging bull” (de chargerende stier) in Bowling Green, het oudste parkje van de stad, vlak bij Wall Street.  Toeristen zijn er dol op maar ook financiële makelaars wrijven wel eens over de blinkende ballen van het beest wat naar het schijnt geluk brengt op de beurs.

Het beeld symboliseert de vitaliteit van Wall Street. Het werd ontworpen door de Italiaanse kunstenaar Arturo Di Modica die in 1987 in het holst van de nacht, kort nadat de beurs een zware klap had gekregen, het 3,5 ton-wegende gevaarte voor het beursgebouw liet neerzetten. Hij had daarvoor geen toestemming gevraagd en de stier werd dan ook prompt verwijderd. Maar in de korte tijd dat het beest er stond, was het al erg geliefd geworden. Op vraag van velen besloot de stad de stier van stal te halen en in Bowling Green te installeren.

Sinds 7 maart heeft de stier gezelschap: een bronzen meisje van een jaar op tien staart hem uitdagend aan, vuistjes in de heupen.  Ook deze nieuwe aanwinst is een mega-sukses. “Fearless Girl” (“het onbevreesde meisje”) is ontworpen door Kristen Visbal en betaald door State Street Global Advisors, een financiële firma die dank zij de massale aandacht voor het beeldje een buitengewone reclamestunt scoort.

Voor dit beeld was wel toestemming gevraagd maar slechts voor enkele dagen. Het is intussen echter zo populair geworden dat de burgemeester beloofd heeft dat het minstens een jaar mag blijven.

Wie daar niet blij mee is, is Arturo Di Modica, de maker van de stier. Hij wil het meisje onmiddellijk weg en heeft alvast advocaten onder de arm genomen.  Hij heeft niets tegen het beeld op zich.  Volgens de firma die Fearless Girl bestelde, symboliseert het kind “the power of women in leadership” en dat vindt  Di Modica best. Maar door ze oog in oog te zetten met de stier, verandert de betekenis van zijn beeld.  “Ze valt de stier aan”, pruilt Di Modica, “ze beledigt mijn werk.” De stier, zo beweert hij, symboliseert “vrijheid, vrede, kracht, macht en liefde” en door dat meisje gaat die boodschap nu verloren.

Kracht en macht, okee maar vrede en liefde? Met de beste wil ter wereld zie ik die niet in dit bronzen monster. Doe niet kinderachtig Arturo. Als je een beeld maakt voor een openbare plaats moet je verdragen dat er reactie op komt. Het had erger gekund: een matador met een zwaard bijvoorbeeld, of een zakenvrouw in maatpak. Het eerste zou van je beeld kitsj hebben gemaakt, het tweede een karikatuur. Nee, het kleine meisje is perfect. Omdat ze tegenover de woeste kracht van de stier zo kwetsbaar lijkt. Dat maakt haar vastberadenheid  zo indrukwekkend. De juxtapositie doet een dramatische spanning ontstaan waarin de som meer is dan de twee delen. En daar zou ook Di Modica blij mee moeten zijn.

Twee meisjes zonder vrees. Het meisje rechts is Hannah Oosterlynck die met haar ouders en broer met mij op tocht ging.

april 17, 2017 at 4:03 am 1 reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.471 andere volgers