Posts filed under ‘Uncategorized’

DE PUINHOPLEN VAN RECHTS

Johan Depoortere

De puinhopen van rechts

Door Jan Blommaert

hine-manuel

Ik betwijfel of Ivan Van de Cloot het leuk zal vinden dat ik met hem begin, maar daar laat ik me weinig aan gelegen. Enige tijd geleden bracht dhr Van de Cloot, hoofdeconoom van de onafhankelijke denktank Itinera, immers een studie uit over de toekomst van het pensioenstelsel. Daarover geïnterviewd zei hij onder andere het volgende. De pensioenleeftijd van 65 jaar is volgens hem compleet achterhaald. Immers, toen die leeftijdsgrens in de jaren 1950 bepaald werd, was de gemiddelde levensverwachting van de Belg zowat 70 jaar. Nu ligt die zowat tien jaar hoger, en het gevolg daarvan is dat mensen op pensioen gaan die fysiek en mentaal nog best heel wat meer jaren aan de slag zouden kunnen blijven. Koppel dat argument aan de financiële zorgen over ons pensioenstelsel, en je hebt een dwingend argument om af te stappen van die fetish van 65 jaar. Van de Cloot is van oordeel dat we allen tot ons 70ste aan de arbeid zullen moeten blijven; dat “wijzen tal van studies uit. Wie iets anders vertelt, weet niet waarover hij het heeft.” Aldus Ivan Van de Cloot in gesprek met het Nieuwsblad, enthousiast bijgetreden door een hele schare deskundigen, van VBO topman Pieter Timmermans tot en met SP-A boegbeeld Frank Vandenbroucke.

Ivan Van de Cloot

Wat ik hieruit opmaak is dat voor Van de Cloot en anderen we blijkbaar moeten werken tot we geen mens meer zijn. We zijn op ons 65ste nog niet helemaal uitgeleefd, en als we leven moeten we werken. Leven en werken: voor Van de Cloot leven we om te werken, dat is de enige reden voor ons bestaan. In de oude en achterhaalde opvatting was dat echter werken om te leven – om goed te leven, dat wil zeggen: om vrije tijd te hebben, om naast het werk ook nog burger te zijn, en vader of moeder, vriend of vriendin, echtgenoot, buur, medewerker van allerlei organisaties, om ons met politiek bezig te houden, met kunst en cultuur, om eens een krant, magazine of een goed boek te lezen, om met de kinderen ergens heen te gaan of, later, de kleinkinderen rot te verwennen, om mee te helpen met de verbouwingen van zoon of dochter, de overstroomde kelder van je buur mee te helpen opruimen, naar de Colruyt rijden voor een bejaarde uit de buurt. Enfin: om niets te doen in de ogen van Van de Cloot en zijn fans, om niet actief te zijn dus. Of iets scherper geformuleerd: om een sociaal profiteur te zijn, een parasiet die de samenleving handenvol geld kost.

Mens zijn: het mensbeeld dat Van de Cloot en zijn kameraden aanhangen reduceert de mens tot één factor – arbeid. Ons bestaan heeft enkel nut en belang in zoverre we ons hele mens-zijn wijden aan gesalarieerde arbeid, arbeid in dienst van ‘de economie’, want die economie is in crisis en behoeft nu niks minder of niks meer dan een Endlösung waarbij iedereen moet werken tot hij of zij erbij valt. Arbeit macht frei. De plaats die we innemen, de lucht die we inademen, ons hele bestaan: we moeten het verdienen met ‘actief zijn’, ‘werkzaam zijn’, onszelf ‘inzetten’ voor dat ene belangrijke doel: economische groei. Wie ‘niet actief’ is doorbreekt de regels van goed en kwaad en moet, zo zegt Patrick Janssens, lik op stuk krijgen, want ‘voor wat hoort wat’. Ons loutere bestaan veroorzaakt zoveel kosten dat we ons leven moeten verdienen. Doen we dat niet, dan hebben we geen plaats in de samenleving. We zijn dan losers, en onze samenleving draait enkel nog rond winners.

Dat is het mensbeeld dat vandaag de dag wordt gepredikt. In dat mensbeeld is iedereen per definitie een arbeidskracht. Iedereen moet er zelf voor zorgen dat die arbeidskracht maximaal kan worden aangewend. De arbeidsmarkt wordt immers in toenemende mate competitief, en niemand mag er nog van uit gaan dat er zoiets is als een ‘loopbaan’ met ‘werkzekerheid’. Er zullen banen geschapen worden, maar die banen worden niet gekoppeld aan mensen: iedereen moet concurreren voor die banen, en die concurrentie houdt twee constanten in. Ten eerste moet men de eigen loonverwachtingen realistisch houden, dus lààg, want anders is de aanbodprijs van arbeid niet competitief; ten tweede moet men zichzelf permanent bijscholen en herscholen zodat men op ieder moment een competitief speler de arbeidsmarkt is. Beide constanten worden onder de eufemiserende paraplu van ‘flexibiliteit’ gevat, en enkel wie flexibel is heeft job security. Voeg beide begrippen samen en je hebt de term die de officiële EU strategie inzake arbeid definieert: ‘flexicurity’. Flexicurity is net zoals ‘inburgering’ een begrip dat alles individualiseert. Er zijn geen collectieve organisaties meer in de arbeidsmarkt, geen solidariteit, geen herverdelingsprincipes door middel van ‘uitgesteld loon’ – sociale zekerheidsbijdragen. Er is kapitaal, er is arbeid, en het tweede dient het eerste. Enkel zo – dat zeggen mensen zoals Van de Cloot, Noels, Timmermans en een schare sociaaldemocraten – zal onze economie uit het slop raken en zullen we de concurrentie van de geglobaliseerde wereldspelers zoals China, India en Brazilië aankunnen. Doen we dat niet, dan zijn we een vogel voor de kat.

***

De mens is uit de samenleving weggehaald en wordt nog enkel binnen de economie geplaatst. De samenleving is afgeschaft en vervangen door een arbeidsmarkt en die markt is een vrijhandelsruimte – een ruimte van vrijheid, want ze is eindelijk ‘vrij gemaakt’ (‘geliberaliseerd’). Frei gemachte Arbeit. Ze is nu bevrijd van alle beperkingen die doorheen anderhalve eeuw sociale strijd waren aangebracht: sociale zekerheid, collectieve loonafspraken, beschermde statuten voor bepaalde werknemers, overleg met alle partijen in het economische proces, democratische inspraak in de planning en de strategie, en ga zo maar voort. Al die verwezenlijkingen van de sociale, democratiserende en emancipatorische strijd sinds Marx en Rerum Novarum worden op drie jaar tijd voorgoed ongedaan gemaakt. Sinds de bankencrisis van 2008 staan we immers in een nieuwe wereld, waarin economie niets meer met de samenleving te maken heeft. Het zijn twee los van elkaar bestaande dingen die elk aan heel andere wetten beantwoorden. De samenleving kost hopen geld en wordt beheerd door wat we een democratie noemen; de economie brengt het nodige geld op en wordt beheerd door de ondernemers en hun regeringen: de EU, het IMF, de OESO. Onafhankelijke denktanks zoals Itinera, onafhankelijke ratingbureaus zoals Fitch en Moody’s, en onafhankelijke media zoals de Financial Times en The Economist verzorgen de vrije meningsuiting in dit economische regime. Van de Cloot heeft dus even veel te zeggen – zoniet meer – als Rudy De Leeuw, en Dominique Strauss-Kahn was tot voor kort machtiger dan eender welke regeringsleider. Die laatsten moesten zich immers periodiek onderwerpen aan het oordeel des volks; Strauss-Kahn had van dergelijke irritante rituelen geen last.

Die visie van twee werelden, waarbij de economie volkomen zelfstandig leeft en zijn eigen regels volgt, zonder enige democratische controle laat staan inmenging, werd eind maart 2011 door de EU-top in Brussel verheven tot officiële Europese doctrine. De EU besliste daar in één adem ook dat de hele samenleving ten dienste moet staan van die economie. Het doel daarvan heet ‘het verzekeren van onze welvaart’. De prijs die we ervoor betalen is de afschaffing van de samenleving, het opofferen van datgene wat we begrijpen onder de term ‘een leven hebben’, het afschaffen van het sociale vangnet en van iedere vorm van materiële herverdeling, het invoeren van een fundamentele onzekerheid inzake onze eigen welvaart, en het permanent aanvaarden van een wereld waarin het verschil tussen winners en losers elk ander onderscheid wegvlakt. Wat die welvaart in realiteit inhoudt is me dan ook een raadsel; wie ervan zal genieten is me deels duidelijk. In ieder geval hebben we geen leven meer, of we nu werk hebben of niet. Ons leven als mens is ons afgenomen; in ruil daarvoor zijn we – wat? Verlengstukken van de machine zoals bij Marx? Permanent beschikbare krachten voor Adecco Interim? Uniforme en daardoor vervangbare witte boorden, zoals Human Resources managers ons proberen te vormen? Ik weet het niet, maar het ligt ergens binnen die ruimte.

Ik noem die visie een ideologie, en ik noem die ideologie extreem-rechts. Wie de mens reduceert tot zijn of haar arbeid en al de rest daaraan wil opofferen; wie vindt dat we enkel leven om de winsten van anderen te maximaliseren; wie vindt dat democratie enkel nog over details mag gaan; wie vindt dat iedereen die niet mee kan met de mallemolen van de flexicurity – om welke reden ook – een soort misdrijf pleegt en dus mag gestraft worden; wie vindt dat de hele samenleving moet gemobiliseerd worden in functie van een economische aristocratie; en wie vindt dat daarover geen enkele vorm van debat toegelaten is – zo iemand noem ik niet ‘gematigd’, niet ‘redelijk’, niet ‘nuchter’, zelfs niet ‘neoliberaal’. Ik noem zo iemand radicaal, extremistisch, fundamentalistisch, hysterisch, en rechts, want hij of zij verwerpt alle grote waarden van onze liberale democratie, en alle verwezenlijkingen van anderhalve eeuw strijd voor de verbetering van onze samenleving. Wie vandaag de dag de arbeider van Marx en Dickens wil heruitvinden is extreem-rechts. Hij of zij mag dan ook niet schrikken wanneer deze terugkeer naar de tijden van Marx en Dickens ook weer aanleiding geeft tot enorme protesten, rebellie en revolte, en tot een heropstanding van de grote sociale bewegingen. Wie zijn geschiedenis niet kent zal ze herhalen, nietwaar.

***

Ik ben van oordeel dat we in een extreem-rechtse, neoliberale revolutie zitten. De dominantie van dit gedachtegoed is een langer proces, maar sinds de bankencrisis van 2008 maken we een revolutionaire versnelling mee, waarin alle maskers worden afgeworpen en waarin organisaties zoals de EU hun laatste laagje sociaal vernis hebben afgeschaafd. Rijdend op de onzekerheid en de angst bij veel mensen voor een economische catastrofe schrijft de EU nu teksten die een decennium geleden ondenkbaar zouden geweest zijn omdat ze zo radicaal en extreem het primaat van de economie en het dictaat van de arbeidsmarkt uitdragen. Regeringen zoals die van Cameron in Groot-Brittanië en Rutte in Nederland zijn zo radicaal dat men Thatcher en Reagan al bij al gematigd zou vinden. Kunst en cultuur zijn linkse hobby’s die hun eigen geld dan ook maar op de markt moeten gaan zoeken; onderwijs heeft als enige doel het produceren van grote aantallen kant-en-klare hoogopgeleide en hoog-performante arbeidskrachten; werkloosheid, ziekte en ouderdom zijn eveneens kwesties die men vanuit het marktperspectief moet zien – wat kosten ze, en wat brengen ze op? En werken, dat moet kunnen tegen élke prijs die de markt eraan geeft – één Euro per uur, vier Euro, die lonen zijn al realiteit in het economische Disneyworld genaamd Duitsland. Kortom, de huidige regeringen in Europa schaffen gewoon de hele samenleving af en vervangen ze door de dictatuur van het ondernemerschap.

Merkwaardig genoeg vinden heel wat mensen dat al bij al niet zo erg. Men voelt zich wel wat bezorgd en onrustig over deze nieuwe extreem-rechtse tendens, maar berusting en gelatenheid zijn de dominante respons. ‘We zullen wel allemaal langer moeten werken zeker’, ‘de gouden jaren zijn voorbij’, ‘er is geen alternatief’ – dat soort uitspraken hoort men voortdurend, en ze tonen aan dat de geesten gemasseerd zijn. Al drie jaar lang horen we slechts één liedje over de economie en de samenleving, en zoals we weten is dit het oeroude recept van propaganda: zeg hetzelfde duizend maal, en laat het door duizend mensen voortdurend herhalen, men zal wel geloven dat het waar is. Wat mensen nu geloven is dat economie los staat van de samenleving, en dat we ons nu voluit ten dienste van de economie moeten stellen. De Paul Dhoores en Ivan Van de Cloots, Geert Noelsen en Paul De Grauwes van dit land hebben een historische en al bij al ongelooflijke overwinning geboekt: ook al is hun visie in 2008 compleet en finaal failliet gebleken, toch zijn ze erin geslaagd deze postmoderne vorm van waarzeggerij door heel veel mensen te doen aanvaarden en geloven als opperste wijsheid.

Dat is een unieke prestatie voor economen, want doorheen de hele geschiedenis van de economie legden economen voortdurend de band tussen economie en samenleving. Meer nog: economen stelden zichzelf voortdurend tot doel om door een beter begrip en een betere organisatie van de economie de samenleving beter te maken. Men zal zich herinneren dat de discipline zelf lange tijd bekend stond als ‘politieke economie’, en dat mensen zoals Adam Smith, David Ricardo en Thomas Malthus veel ruimere problemen dan strikt economische aanpakten. Naast The Wealth of Nations schreef Smith bijvoorbeeld ook nog The Theory of Moral Sentiments, en hij zag beide werken samen als de grondslag voor een nieuwe mens- en maatschappijwetenschap. Ook Marx kan men uiteraard moeilijk van een exclusief economistische visie verdenken; Veblen, Keynes, Amartya Sen en Galbraith evenmin. Bij elk van deze economen stond economische ontwikkeling ten dienste van een hoger doel: een betere, meer rechtvaardige samenleving waarin mensen zichzelf naast hun arbeid kunnen ontplooien als mens. Wat Marx betreft: zijn werk werd aangedreven door precies dat doel: de mens bevrijden van stompzinnige arbeid en werktijd vervangen door tijd om te leven als burger, als democraat, als mens.

Economen die de economie afzonderen van de samenleving wekken mijn wantrouwen op, zeker wanneer ik merk dat elke maatregel die ze voorstellen om de economie te hervormen eigenlijk een maatregel is die de hele samenleving hervormt. De quasi-afschaffing van werkloosheidsuitkeringen, van minimumlonen, van collectieve arbeidsovereenkomsten, de quasi-volledige afbouw en commercialisering van de publieke sector – ziekteverzekering, onderwijs, pensioenen – en het uitschakelen van eender welke vorm van democratische controle en inspraak over het economische leven: dat zijn geen economische maatregelen, dat zijn maatregelen die ons hele samenlevingsmodel omgooien. De samenleving heeft daar gigantische belangen bij, en het zou in een democratie dan ook zo moeten zijn dat de samenleving daarover zijn zeg mag doen. Dat is de reden waarom ik zij die dit ontkennen extreem-rechts noem, en waarom ik spreek over een extreem-rechtse revolutie: na deze ingreep zal er van ons huidig samenlevingsmodel niets meer overblijven, dan een rechtse puinhoop waarin mensen terug gesalarieerde slaven zijn en waarin politici zich met wat geluk nog mogen bezighouden met de kleur van de zebrapaden. Men gebruikt zogezegd objectieve economische argumenten om een ruimere ideologische agenda door te drukken. Wie daar voor is mag nu z’n hand opsteken.

***

De hand opsteken – ik kom stilaan aan het einde van mijn verhaal. Indien men voor de extreem-rechtse revolutie een democratisch draagvlak zou zoeken, dan zou men er geen vinden. Indien men mensen precies uitlegt waarover dit allemaal gaat, en welke verliezen mensen dreigen op te lopen indien ze dit zomaar aannemen, dan zal snel blijken dat dit nieuwe extreem-rechts geen grein steun geniet bij de mensen. Het is precies omdat we er nu met zo velen van uit gaan dat de economie niet meer tot ons democratisch bestel behoort, dat we dreigen slachtoffer te worden van de maatregelen die nu op alle fronten worden uitgewerkt – incluis op de onderhandelingstafel van Di Rupo. Links heeft dan ook een dringende taak: de samenleving heruitvinden, en die samenleving aan mensen uitleggen. We moeten hen uitleggen dat de economie gewoon een deel is van de samenleving, en dat de belangen van miljoenen mensen niet zomaar door een ratingbureau of een verbond van zelfstandige ondernemers kunnen bepaald worden. De belangen van de mensen zijn de belangen van die mensen, ze zijn niet van iemand anders. Als democraat moet men dit scherp stellen en blijven herhalen. Wie hieraan iets wil afdingen kan moeilijk aanspraak maken op het etiket van democraat. Links moet dus de samenleving heruitvinden en opnieuw uitleggen: tegen mensen uitleggen dat het hier gaat om een democratie van vrije en gelijke mensen, en dat die democratie alles omvat wat die vrije en gelijke mensen aangaat. Voor minder moeten we niet gaan. En als Ivan Van de Cloot daarmee niet akkoord gaat, kan me dat eigenlijk geen bal schelen.

(inleidende tekst, Gentse Feesten debatten 2011)

september 25, 2017 at 9:06 am Plaats een reactie

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

mei 24, 2017 at 3:48 pm 7 reacties

EEN MEISJE ZONDER VREES

 

door Jacqueline Goossens

Er zijn meer dan duizend standbeelden in New York. Het bekendste is natuurlijk het Statue of Liberty maar dat staat op een eilandje in de baai. Het populairste beeld in de stad zelf is “the charging bull” (de chargerende stier) in Bowling Green, het oudste parkje van de stad, vlak bij Wall Street.  Toeristen zijn er dol op maar ook financiële makelaars wrijven wel eens over de blinkende ballen van het beest wat naar het schijnt geluk brengt op de beurs.

Het beeld symboliseert de vitaliteit van Wall Street. Het werd ontworpen door de Italiaanse kunstenaar Arturo Di Modica die in 1987 in het holst van de nacht, kort nadat de beurs een zware klap had gekregen, het 3,5 ton-wegende gevaarte voor het beursgebouw liet neerzetten. Hij had daarvoor geen toestemming gevraagd en de stier werd dan ook prompt verwijderd. Maar in de korte tijd dat het beest er stond, was het al erg geliefd geworden. Op vraag van velen besloot de stad de stier van stal te halen en in Bowling Green te installeren.

Sinds 7 maart heeft de stier gezelschap: een bronzen meisje van een jaar op tien staart hem uitdagend aan, vuistjes in de heupen.  Ook deze nieuwe aanwinst is een mega-sukses. “Fearless Girl” (“het onbevreesde meisje”) is ontworpen door Kristen Visbal en betaald door State Street Global Advisors, een financiële firma die dank zij de massale aandacht voor het beeldje een buitengewone reclamestunt scoort.

Voor dit beeld was wel toestemming gevraagd maar slechts voor enkele dagen. Het is intussen echter zo populair geworden dat de burgemeester beloofd heeft dat het minstens een jaar mag blijven.

Wie daar niet blij mee is, is Arturo Di Modica, de maker van de stier. Hij wil het meisje onmiddellijk weg en heeft alvast advocaten onder de arm genomen.  Hij heeft niets tegen het beeld op zich.  Volgens de firma die Fearless Girl bestelde, symboliseert het kind “the power of women in leadership” en dat vindt  Di Modica best. Maar door ze oog in oog te zetten met de stier, verandert de betekenis van zijn beeld.  “Ze valt de stier aan”, pruilt Di Modica, “ze beledigt mijn werk.” De stier, zo beweert hij, symboliseert “vrijheid, vrede, kracht, macht en liefde” en door dat meisje gaat die boodschap nu verloren.

Kracht en macht, okee maar vrede en liefde? Met de beste wil ter wereld zie ik die niet in dit bronzen monster. Doe niet kinderachtig Arturo. Als je een beeld maakt voor een openbare plaats moet je verdragen dat er reactie op komt. Het had erger gekund: een matador met een zwaard bijvoorbeeld, of een zakenvrouw in maatpak. Het eerste zou van je beeld kitsj hebben gemaakt, het tweede een karikatuur. Nee, het kleine meisje is perfect. Omdat ze tegenover de woeste kracht van de stier zo kwetsbaar lijkt. Dat maakt haar vastberadenheid  zo indrukwekkend. De juxtapositie doet een dramatische spanning ontstaan waarin de som meer is dan de twee delen. En daar zou ook Di Modica blij mee moeten zijn.

Twee meisjes zonder vrees. Het meisje rechts is Hannah Oosterlynck die met haar ouders en broer met mij op tocht ging.

april 17, 2017 at 4:03 am 1 reactie

EEN OUDE KONGOHYMNE

kongohymne

 

Met dank aan Piet Wittevrongel.

september 29, 2016 at 7:05 am Plaats een reactie

NON JEF T’ES PAS TOUT SEUL

jef-lamb

NON JEF T’ES PAS TOUT SEUL

Door Jef Coeck

Het is een merkwaardig toeval dat Jef Lambrecht (68) gestorven is op een 9/11, datum waarover hij zoveel geschreven heeft – althans over de oorzaken en gevolgen ervan. Hij was een diepganger, haatte oppervlakkigheid en leugens. Die waren er over ‘zijn’ onderwerp, het Midden- en Nabije Oosten in overvloed.

Hij liet zich niet inpakken door politici, hier niet en nergens. Op reportage was hij een Einzelgänger, never embedded, ook nooit aanbeden. Als iedere journalist bij de Eerste Golfoorlog naar Bagdad trachtte te komen, bleef hij eigenzinnig en onbegrepen (ook door zijn redactie in Brussel) aan de Jordaanse grens hangen. Daar praatte hij met Iraakse vluchtelingen, met Jordaniërs ook die de voorgeschiedenis kenden en met mensen die van wanten wisten. Niet met autoriteiten, tenzij hij zeker was dat ze hem niet belazerden. Zelden dus.

Lambrecht was een ‘ouderwetse’ journalist. Hij joeg niet op scoops, terwijl zijn collega’s allemaal dezelfde nietszeggende beelden van nachtelijke groene raketontploffingen doorzonden – vanop het balkon van hun hotel.  Hij was niet enkel verslaggever maar ook wetenschapper die de geschiedenis van de streek bestudeerd had. Hij schreef er boeken over, zes in totaal. Weinigen hebben ze gelezen, de ‘specialisten’ wilden hem niet citeren  omdat ze dachten het zelf beter te weten. Niet dat zijn interpretatie onfeilbaar was. Hij ging bv. wel erg ver in de vermeende samenwerking tussen de oude Palestijnse garde en de nazi’s, in de jaren voor en na de Tweede Wereldoorlog.
Behalve journalist was hij ook kunstenaar, literair en plastisch. Bevriend met Hugo Claus en andere authentieke artiesten. Authenticiteit was trouwwens zijn codewoord. Daar kon geen ‘primeur’ of ‘exclusiviteit’ tegenop.

Jef Lambrecht was ook occasioneel medewerker aan het Salon. We missen hem nu al.

OVER JEF

Door Johan Depoortere

Die prachtige radiostem – dat was het eerste dat me weer opviel toen ik naar aanleiding van zijn overlijden de audio- en videofragmenten hoorde en zag. Jef Lambrecht koesterde de taal en ook dat is een traditie die met hem een beetje meer verloren gaat.

Hij zou het woord wellicht verafschuwen, maar – en het is genoeg herhaald – Jef was een buitenbeentje: eigenzinnig, koppig, tegendraads, maar daardoor juist zo interessant. Hij foeterde op het rookverbod in de VRT-gebouwen en ging onverstoord door met zijn dodelijke gewoonte. Je zag hem zelden zonder zijn zelfgedraaide dunne sigaretje, ook op plaatsen waar het al lang niet meer mocht.

Nee een gemakkelijk mens was hij niet – anders zouden de kranten nu niet volstaan met de elegieën die terecht zijn vele talenten in herinnering brengen. En nee, ik was het ook niet altijd met hem eens. Zo herinner ik mij een discussie op een lange vlucht van Afghanistan naar Brussel. Jef vond Israël een legitieme natiestaat als een ander, ik noemde en noem het een koloniaal project. Maar tegen zijn eruditie en belezenheid kon ik niet op.

Zijn dood op 11 september lijkt wel een door hemzelf in scène gezette happening. Met een klap de wereld verlaten – helemaal Jef.

 

Lees hier het interview met Jef Lambrecht in Het Salon dat eerder in De Morgen was verschenen (2009). Goed om te weten is dat de wrevel van Jef over de journalistieke koers van zijn werkgever veel te maken had met het personage dat nu als kamervoorzitter lessen in de journalistiek meent te moeten geven. JD

 

september 12, 2016 at 6:51 am 2 reacties

WHY IS HILLARY HATED SO MUCH?

160722_POL_Hillary-Clinton_jpg_CROP_promo-xlarge2

by Jef Coeck

Op de democratische conventie in Philadelphia, waar Hillary Clinton zal worden aangewezen als presidentskandidaat van de democraten, werd Bernie Sanders uitgejouwd. Hij had zijn aanhang namelijk opgeroepen om voor Hillary te stemmen. De Sanderisten hadden maandenlang zich uit de naad gewerkt om hun kandidaat, Bernie, op het voorplan te brengen – tegen mevrouw Clinton. Dat Sanders zelf nu nederig knielt voor de toekomstige president (hopen we desondanks) dat werd hem niet vergeven.

Hillary, mevrouw Bill Clinton, wordt al decennia lang gehaat door een groot deel van de bevolking. Er zijn talloze artikels en boeken over geschreven. We gaan hier niet aan psychoanalyse doen. Wie er meer wil over weten leze de nieuwste SLATE, de kritische on-line publicatie. De auteur is de bekende schrijfster Michelle Goldberg.

Om u toch een eerste indruk te geven publiceren we hieronder de betekenisvolle tekeningen bij het stuk. http://www.slate.com/?wpisrc=newsletter

160722_POL_Hillary-Denny01_jpg_CROP_promovar-mediumlarge
160722_POL_Hillary-Margo_jpg_CROP_promovar-mediumlarge
160722_POL_Hillary-Mindy_jpg_CROP_promovar-mediumlarge
160722_POL_Hillary-Uday_jpg_CROP_promovar-mediumlarge
160725_POL_Hillary-Marcella2_jpg_CROP_promovar-mediumlarge

juli 26, 2016 at 10:13 am Plaats een reactie

IK BEN GEEN SARDIEN, DAT HEB JE GOED GEZIEN

BC 1 Rock_Werchter_Rock_Werchter

door Bor Cobbaut

In mijn jonge leven heb ik het altijd moeilijk om mij te mengen in een grote menigte.

“Ben je bang voor mensen? Kan je niet tegen de drukte van iedereen om je heen?”

Dat is wat ze dan vragen. Hoewel dit 2 ja/nee-vragen zijn, kan ik niet zomaar antwoorden met ja of nee. Mijn antwoord is misschien net iets moeilijker dan dat.

Bijvoorbeeld: waarom ga ik niet naar Rock Werchter en ben ik niet van plan om ooit naar Rock Werchter te gaan? Ik ben toch een groot muziekliefhebber?

Hier zijn meerdere redenen voor. Ten eerste, omdat de bands mij vaak niet kunnen overhalen om zoveel geld uit te geven voor hun optredens. Neen, ik ben geen gierige Hollander zoals het cliché altijd beweert. Is het dan zo raar dat ik niet sta te popelen om Paul McCartney, Iggy Pop, Red Hot Chili Peppers en The Offspring op hun oude dag nog te horen kreunen door de microfoon? Vanbinnen weten ze het toch zelf ook: hun goede periode is gepasseerd! Legendarische bands: akkoord. Vandaag de dag legendarische optredens: niet akkoord. Dat er een paar ouwe sloebers zijn die uit pure nostalgie voor een laatste keer McCartney willen zien optreden, daar kan ik nog inkomen. Maar ik niet. Per dag op Werchter zijn er 2, misschien 3 groepen die ik eventueel wel wil zien. Eventueel, niet per sé. Dat is mij geen €230 waard.

Maar de grootste reden waarom ik niet naar Rock Werchter, Coachella of Tomorrowland wil gaan is het volk. Want ja, het is waar: ik kan niet tegen te veel drukte. Ik kan er niet tegen dat iedereen samengepakt zit als sardines in eenblik. Geen plaats om te bewegen, meegaand met de stroom, niet nadenkend, niet genietend van de muziek. Terwijl iedereen ‘the time of their life’ aan het vieren is, doe ik dat niet. Ik pas er kennelijk niet bij. Ik voel niet hetzelfde als zij. Ik ben geen deel van het sardienenblik. Ik ben een haring die ze in de verkeerde verpakking hebben gestoken.
BC 2 (2)

Nog een voorbeeld: “Waarom ga je zo weinig uit? Je woont toch in Gent? De Overpoort is vlak bij je huis! Dat is toch superhandig! Je moet toch van het leven genieten als je die kans hebt? Je zit in je studieperiode, de fleur van je leven!”

“Je hebt helemaal gelijk!” antwoord ik dan. “En ik doe in mijn fleur van mijn leven wat ik wil! Moei je met je eigen zaken!” wil ik er dan eigenlijk nog bij zeggen, maar uit ervaring blijkt dat dit om de één of andere reden nogal agressief overkomt. Ach ja, het zal wel aan mij liggen zeker…

Neen, ik ben niet bang van de mensen in een dansclub! Ik ben echter wel bang dat ik mij niet zal kunnen inhouden om iemand op zijn gezicht te slaan. Ik ben van nature niet agressief, geloof mij. Maar ik weet dat de meerderheid van de mensen me gewoon irriteert. Hun manier van praten, hun onverantwoordelijkheid, de manier waarop ze naar je kijken als je niet om het kwartier een shot wodka drinkt, hun egocentrisch gedrag en eigenlijk vooral hun irritante omgang met onbekenden. Ik moet dan zo hard mijn best doen om… nu ja… kalm te blijven dat ik zo’n soort situaties het liefst vermijd.

 

Laatste voorbeeld: “Hey, gaan we samen iets drinken op café vanavond?”

“Oh ja, superleuk idee! Ik vraag de hele klas om mee te komen. Hoe meer, hoe liever!”

Neen! Dat is niet wat ik had gevraagd! Ik wou met jou iets gaan drinken. Alleen, of misschien met nog 1 of 2 andere mensen. Niet met de hele klas! Ik ga heel graag op café, maar niet met een groep van 20 man. Het is al niet zo praktisch om een café te vinden dat genoeg plaats biedt om 20 mensen samen te zetten, maar het is ook gewoon niet leuk. Je zit naast 2 mensen die je misschien niet interesseren, en je kan amper verstaan wat ze zeggen omdat je een conversatie aan de overkant van de tafel probeert te volgen. Ik ben geen egoïst, iedereen mag iets gaan drinken met mij. Maar niet allemaal tegelijk!

Als je met meer dan 5 mensen bent, blijven alle conversaties zeer oppervlakkig. “Slecht weer vandaag hé? Heb je dat filmpje op facebook al gezien? Hoe zit het met je studies?…”

Dat zijn toevallig net de conversaties waar ik de grootste hekel aan heb. Als ik vraag om op café te gaan, is dat omdat ik over andere dingen wil praten dan de dagelijkse onderwerpen. Het maakt niet uit over wat, maar niet over alledaagse dingen.

BC 3

Conclusie:

Kan ik niet goed tegen de drukte van veel mensen? Ja, want dat ergert mij mateloos!

Ben ik bang voor grote menigtes? Neen, ik ben niet bang van de menigtes zelf, maar ik ben bang dat ik zot word als ik te lang in een grote menigte verblijf. En wie mij raar of gestoord noemt na dit te lezen: Bedankt voor het compliment!

Peace to the world,
The Typing Maniac

(p.s. Ik ben mij er van bewust dat het woord ‘sardien’ niet correct is, maar anders rijmde mijn titel niet en dat vond ik jammer)

Bor Cobbaut (21) is student Hogeschool Gent

 

april 21, 2016 at 3:00 pm 2 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.329 andere volgers