Posts filed under ‘Uncategorized’

Was het nu Pasen of Kerst?

Wallpaper Pasen 2014

ZIEHIER EEN PAASPLEISTER
GEHEEL OPGETROKKEN UIT
DE KITSCH VAN PASEN ZELF

april 20, 2014 at 9:08 am Een reactie plaatsen

Gerard Mortier. Enige persoonlijke observaties

Mortier G 1

door Walter Zinzen

 

Een eeuwigheid geleden ,  in 1996 , maakte mijn partner in crime Kris Smet een portret van Gerard Mortier voor Panorama, dat toen nog op TV 1 werd uitgezonden. Het was een mooi portret, gedraaid door een van de beste cameramannen en gemonteerd door een van de beste monteurs waarover de toenmalige BRT beschikte. En Mortier schitterde erin als de grote meneer die hij als intendant van de Salzburger Festspiele was. Maar Aimé Van Hecke  (die we nu kennen van zijn mésaventure bij Sanoma) ,die toen het goede en vooral het slechte weer maakte op de publieke omroep, was verontwaardigd. Mortier op TV 1 ! Dat kon niet, dat was de kijkers wegjagen. Een mening die door en deel van de Panorama-redactie werd gedeeld.

Vijf jaar later was ik jurylid voor de Prijs van de Democratie , die op de Gentse Feesten wordt uitgereikt.  Ik stelde voor de Prijs te geven aan Mortier. Een ander jurylid was al even verontwaardigd als Van Hecke toentertijd. Zijn naam had zelfs niet op de kandidatenlijst mogen staan vond ze. Dat ook in dit linkse gezelschap geen erkenning mogelijk bleek voor de verdiensten van Mortier stelde me zeer teleur. Dat hij in Oostenrijk veertien jaar lang de neo-facisten had bestreden : het interesseerde ze niet. Dat hij de opera in eigen land en daarbuiten in de meest letterlijke zin gedemocratiseerd had niet alleen door er eigentijdse voorstellingen van te maken maar ook door de toegangsprijzen te verlagen zodat een financiële hobbel werd weggenomen : dat was niet het soort democratie waaraan ze de prijs wilden verlenen. Die linkse aversie werd door Paul Goossens raak geschetst in De Standaard : “Gerard Mortier, zo vond de soixante-huitard in mij, behoorde tot de verkeerde wereld, koesterde de foute muziek, frequenteerde het veel te chique klootjesvolk.” Mortier en Goossens zijn later goede vrienden geworden.  Uiteraard, Mortier was een bij uitstek linkse mens in de nobelste betekenis van het woord. Helaas, kleinheid en benepenheid van geest zijn geen monopolie van rechts.

Maar er speelde in die Mortier-afkeer  nog een ander element : de Gentenaars in de jury waren boos op Mortier omdat hij in hun – en zijn – stad een prestigieus en ambitieus Muziekforum had willen oprichten. Dat Forum is er nooit gekomen . De minister van Cultuur (Bert Anciaux) en Gentse krententellers wilden er na zeven jaar discussiëren niet meer van weten. Sommigen beweerden zelfs dat Mortier  “een mausoleum voor zichzelf”  wou bouwen. Ontgoocheld en verbitterd keerde Mortier zich af van zijn geboortestad . Hij werd opera-intendant in Parijs en verhuisde naar Brussel. Op de plek waar Mortier zijn Forum wou neerpoten is nu het ‘multimediaal kenniscentrum’  De Krook in aanbouw. Gouverneur Briers bestond het dit in het TV-Journaal als een idee van Mortier te bestempelen. Vol afkeer hebben we in dit huis de politici en de jet-set de loftrompet horen steken van de ‘bezielende, controversiële ‘ figuur die Mortier was. Uitgerekend de lieden  met wie hij zijn hele leven in de clinch heeft gelegen,  struikelden over elkaar heen om zijn nagedachtenis te besmeuren. Zelfs de gewezen voorzitter van de kruideniersvereniging UNIZO , Kris Peeters, kwam woorden te kort om Mortier te prijzen. Zijn foto sierde zelfs,  god betere ‘t , in plaats van die van Mortier op een bepaald moment de opening van De Standaard online .

 

Kris en ik zijn hem blijven volgen. Voor ons is hij altijd “meneer Mortier” gebleven, hoewel hij nooit kapsones maakte.  Toen Kris en haar ploeg in zijn huis is Salzburg opnames maakten, moest hij onverwacht weg. Hij gaf hen de huissleutel en een fles champagne en keerde een paar uur later goedgemutst terug. Maar ook de grote Mortier had een ijdel kantje. Hij was geweldig in de wolken over het Panorama-portret. Tegelijk was hij zeer dankbaar en loyaal. Tot op het laatst stuurde hij Kris uitnodigingen om naar zijn “niet te missen” topprestaties te komen kijken (en luisteren). Als partner van Kris was ook ik welkom.  Zo ging voor mij een wonderbare wereld open. In Salzburg, in Parijs , in Madrid, maar ook in de Ruhr. In de talloze carrière-overzichten die dezer dagen in de media verschijnen  ontbreekt eigenaardig genoeg heel vaak zijn periode in dat deels vergane industriële Duitse rijk. Vandaag de dag vind je zowat overal verlaten fabrieken die omgetoverd zijn tot culturele centra. Maar het is Mortier geweest die een desolaat industrieel landschap heeft herschapen tot een reeks van theaterzalen – de kathedralen van onze tijd noemde hij ze –  waar het driejaarlijkse Ruhr-festival plaats vindt. En het was Mortier die dit festival uit de grond heeft gestampt. Grinnikend vertelde hij er vaak bij dat de toenmalige rood-groene regering van Noordrijn-Westfalen hem financieel niets in de weg legde. Een hele verademing na zijn lange gevecht in het conservatieve Oostenrijk, maar ook een ironische zinspeling op de financiële put die hij in de Brusselse Munt had achtergelaten. Hij was er trots op dat hij zijn lesje had geleerd en er in alle huizen waar hij na Brussel werkte voor gezorgd had dat de rekeningen klopten. Ook  in Madrid was dat het geval , waar de crisis en de besparingen  het Teatro Real niet ongemoeid lieten. Ook op dit gebied was hij heel vindingrijk. De traditionele receptie na een première bijvoorbeeld schafte hij niet af, maar hij betaalde ze uit eigen zak. De gasten moesten hun wijn wel uit plastic bekertjes drinken.

Dat hij stank voor dank kreeg en door een bekrompen Spaans minister van Cultuur als artistiek directeur ontslagen werd, vrijwel op hetzelfde moment dat hij ziek werd , heeft hem heel hard getroffen.

Geen maand geleden zaten Kris en ik nog in het Teatro Real, voor twee voorstellingen die sowieso zijn afscheid van Madrid betekenden : Tristan und Isolde van Wagner, een liefdesverhaal uit de Keltische oertijd en Brokeback Mountain , een hedendaagse liefdesaffaire van twee homofiele cowboys in een reactionair Amerika.

Een meer typische erfenis had Mortier niet kunnen bedenken. De ene dag keken we naar Tristan, de volgende naar Brokeback Mountain. De beide liefdesgeschiedenissen vertoonden volgens Mortier gemeenschappelijke kenmerken : de minnaar van Isolde wordt vermoord door een liefdesconcurrent,  een van de twee cowboys wordt afgeslacht door een homofobe meute. De première van  Brokeback Mountain was wereldnieuws, deels omdat Mortier zelf opdracht had gegeven hem te componeren. De lof was algemeen. Alleen in de vaderlandse pers werd hooguit een berichtje aan het evenement gewijd. Hoeveel van alle ingetogen in memoriam schrijvers van de laatste dagen , die hem nu loven voor zijn gedurfd initiatief , zouden de voorstelling in Madrid ook werkelijk gezien hebben?

Mortier zelf , met de dood al in het lijf, stond de wereldpers nog een laatste keer te woord : even gedreven, enthousiasmerend  en erudiet als altijd. Met de gebruikelijke lof voor “zijn” artiesten. Ook dat typeerde hem ten voeten uit. In alle steden waar hij intendant is geweest , van Brussel tot Madrid , kwamen dezelfde namen steeds weer terug met steeds weer nieuwe gedurfde producties. De onafscheidelijke Sylvain Cambreling uiteraard, die voor het eerst met Mortier samenwerkte als muzikaal directeur van de Munt en sedertdien niet meer van zijn zijde geweken is.

De Tristan und Isolde in Madrid werd geregisseerd door Peter Sellars, het “decor” bestond uit (prachtige) videobeelden van de Amerikaan Bill Viola. Het was een reprise van een voorstelling die Mortier eerder al in Parijs had geprogrammeerd. Sellars en Viola behoorden als het ware tot zijn vaste ploeg. Maar ook Alain Platel, die met C(h)oeurs  – in de beste Mortiertraditie – Madrid overhoop zette, Ivo Van Hove, die Brokeback Mountain regisseerde, Peter Vermeersch, Luc Perceval, Tom Lanoye (Mortier programmeerde zijn Ten Oorlog in Salzburg), Wim Opbrouck , Kris Defoort en zo vele anderen hebben dankzij Mortier een publiek bereikt waar ze zonder hem alleen maar van hadden kunnen dromen. Loyaliteit , ik zei het al, was als het ware Mortiers tweede natuur.

De leemte die hij achterlaat is veel groter dan die van Jan Hoet. Velen delen de ‘tristesse’ waaraan Tom Lanoye uiting gaf bij zijn overlijden. Maar anderen lachen in hun vuistje. Op het Schoon Verdiep van het Antwerpse stadhuis bleef het oorverdovend stil. Anderen hebben het fatsoen van de lokale burgemeester niet. Ze beschimpen de overledene op de internetfora. Hij die terecht van zichzelf beweerde dat hij meer voor Vlaanderen heeft gedaan dan alle politici bij elkaar , krijgt van de volksdansers , folkloristische vendelzwaaiers en andere gemummifieerde nationalisten het verwijt ‘elitair’ te zijn geweest, want gekant tegen de heilsleer van de N-VA. Eén ding is zeker : Mortier had de juiste vijanden.

SONY DSC

maart 11, 2014 at 7:07 pm 6 reacties

NEDERLAND’S BITTERE ERFENIS

Door Johan Depoortere

Een land dat zichzelf opheft, vroegere kolonies die vrijwillig in de schoot van het moederland terugkeren, eilanden die bedanken voor de aangeboden onafhankelijkheid, een moederland dat zijn koloniën liever kwijt dan rijk is: de postkoloniale geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden verloopt via kronkelige en doornige paden. Nederland is de enige koloniale mogendheid die zijn koloniën “wingewesten” heeft genoemd. Dat ging voor Oost-Indië prachtig op. Maar op de eilanden in de Caraïbische Zee hebben de handelaren uit het noorden zich long term vies verkeken. Het moet voor de Nederlandse bewindslieden nu een akelige situatie zijn: je kunt die roteilanden eenvoudig niet meer kwijt.1 Het citaat van schrijver en oud-secretaris van het eilandgebied Curaçao, Boeli van Leeuwen (overleden in 2007,) geeft perfect de bittere koloniale erfenis weer waarmee Nederland zit opgescheept.

boelie_119034a

Boeli van Leeuwen: “Nederland raakt die roteilanden niet meer kwijt”

Sinds 2010 zijn de relaties tussen Nederland en de voormalige koloniën na jarenlange onderhandelingen bijgesteld: het piepkleine Saba (1600 inwoners) is samen met Sint Eustatius (Statia) en Bonaire een “openbaar lichaam” geworden, een “bijzondere Nederlandse gemeente.” Curaçao en Sint Maarten zijn zelfstandige landen binnen het koninkrijk, Aruba was dat al sinds 1986. Maar de nieuwe staatsinrichting heeft niet echt rust gebracht in de gespannen relatie tussen het moederland en de voormalige kolonies . De publieke opinie op alle eilanden is sterk verdeeld. Vooral op Bonaire (zie: Bonaire, De Rot in het Paradijs) maar ook op Saba en Sint Eustatius is de onvrede groot. (Sint Eustatius is het enige eiland dat zich in een referendum tégen de nieuwe structuur heeft uitgesproken.) Op Curaçao stemt een kleine helft van de bevolking op partijen die voor onafhankelijkheid pleiten. En ook in Nederland zelf zijn de eilanden zacht uitgedrukt niet echt geliefd, behalve dan als toeristische bestemming en belastingparadijs voor bemiddelde landgenoten.image007

Het nieuwe statuut houdt tal van contradicties in. De inwoners van Bonaire, Statia en Saba hebben weliswaar dezelfde plichten als die van een Nederlandse gemeente, maar niet dezelfde rechten. Op de grotere eilanden, het bovenwindse Sint Maarten en de benedenwindse Curaçao en Aruba blijft Nederland een vinger in de pap houden op gebieden als justitie, buitenlandse zaken, financiën en behoorlijk bestuur – “bestuurlijke integriteit” zoals het in het officiële jargon heet. Aan dat laatste schort nogal wat zoals verder mag blijken, maar voor grote delen van de eilandensamenleving is de Nederlandse bemoeienis een vorm van schoonmoederen die waar het kan in stilte wordt tegengewerkt. Daar staat tegenover dat de eilandbewoners als Nederlandse staatsburgers vrij naar Nederland kunnen komen en voor de rest alle voordelen genieten van het reizen met een Nederlandse paspoort. Elk voorstel in de Tweede Kamer om de toegang van Antillianen tot het Nederlandse grondgebied te beperken of aan voorwaarden te verbinden stuit op een storm van protesten van de politieke elite op de eilanden. Daarbij wordt vaak met succes geappelleerd aan de historische schuldgevoelens over de Nederlandse slavenhandel waar vooral de christendemocraten van het CDA gevoelig voor blijken.

_DSC0083

Willemstad, de wereldberoemde Handelskade met de pontjesbrug die de stadsdelen Punda en Otrobanda met elkaar verbindt

Curaçao dat tot 10 oktober 2010 het hoofdeiland was van de ter ziele gegane Nederlandse Antillen is nu meer dan ooit op zichzelf aangewezen en kampt met grote economische problemen. Aruba kijkt tegen een torenhoge staatsschuld aan al lijkt het van alle voormalige Nederlandse bezittingen in de Caraïben nog het beste te varen bij de zelfstandige status die het eiland al bijna dertig jaar geleden heeft afgedwongen. Toerisme en casino’s zijn volledig op de Amerikaanse markt gericht en dagelijks zie je de reusachtige cruiseschepen afmeren in de hoofdstad Oranjestad. Shopping Malls met de onvermijdelijke Starbucks en hotels van de grote Amerikaanse ketens als Mariott doen je helemaal in een zuidelijke Amerikaanse stad wanen. Aruba wil zich profileren als hub tussen de VS en de groeimarkten van Latijns Amerika. Ook Sint Maarten leeft voor een groot deel van het Amerikaanse goktoerisme, met als bijprodukt mafia-invloeden en corruptie.

20021109g_Curacao_Refinery.sized_1

De Shell raffinaderij wordt nu gehuurd door de Venezolaanse oliemaatschappij. Wat er met de vervuilende site moet gebeuren als het leasecontract met Venezuela afloopt is onduidelijk.

Curaçao is als enige voormalige Caraïbische kolonie sterk geïndustrialiseerd. De reusachtige olieraffinaderij begin vorige eeuw opgericht door Shell beheerst het beeld van het historische Willemstad, de hoofdstad van het eiland en sommige schilderachtige baaitjes aan de westkust verliezen hun charme door de sterke zwavelgeur die de overheersende oostenwinden aanvoeren. Shell heeft de olie-installaties al in 1985 van de hand gedaan, de raffinaderij wordt nu gehuurd door de Venezolaanse staatsoliemaatschappij PDVSA. Ooit werkten hier meer dan 10000 mensen uit alle delen van het Caraïbisch gebied en Shell zorgde voor welvaart op het eiland. Het concern bouwde voor zijn arbeiders hele stadswijken als Emmastad en Groot Kwartier aan de rand van Willemstad en liet als erfenis een goede wegeninfrastructuur achter. Maar de arbeidsverhoudingen bij Shell leidden in 1969 ook tot hevige sociale onlusten en rassenrellen waarbij een groot deel van de historische binnenstad in vlammen opging. Vandaag biedt de raffinaderij nog werk aan hooguit 800 man en de installatie voldoet absoluut niet meer aan de hedendaagse milieunormen. Tot dusver is niemand bereid gevonden in modernisering te investeren en de toekomst van de grootste werkgever op het eiland is hoogst onzeker.

Curaçao Mien - 1444

Waar je ook gaat of staat op Curaçao overal kom je de geel-rode kantoortjes van Robbie’s Lottery tegen: het imperium van loterijkoning Robbie Dos Santos, die verschillende politieke partijen financieel steunt. Wat de politici in ruil doen voor die milde steun is niet duidelijk, maar feit is dat tegen Dos Santos een gerechtelijk onderzoek loopt met steun van de Nederlandse recherche. Politieke corruptie, belangenvermenging, nepotisme en mafia: het is een plaag die alle voormalige Nederlandse bezittingen in de Caraïben treft. Een minister die een taxivergunning ritselt voor een familielid, een toppoliticus die met de creditcard van de toeristische dienst van zijn land gaat shoppen in Miami: het zijn pekelzonden waar de Antilliaan op reageert met schouderophalen. Maar er is meer aan de hand dan de clash tussen Nederlandse calvinistische gestrengheid en de lossere normen van de Caraïben.

helmin.wiels.politicus.curacao

Helmin Wiels, de charismatische politicus die vorig jaar werd vermoord. Wiels was voorstander van onafhankelijkheid voor Curaçao

Al in 1995 noemde de toenmalige Nederlandse liberale voorman Frits Bolkestein Aruba een “rovershol.”  Henny Eman– een broer van de huidige Arubaanse premier Mike Eman– bezorgde toen hij zelf aan het hoofd van de regering stond een beruchte Siciliaanse mafiafamilie de vergunning voor hotelbouw op het eiland. (Politieke dynastieën zijn niet ongewoon in de Nederlandse Caraïben.) Op Curaçao staat voormalig premier Gerrit Schotte onder verdenking van corruptie. Schotte zou door bemiddeling van Dos Santos banden hebben aangeknoopt met een andere Italiaanse mafiaclan. De huidige Curaçaose premier Ivan Asjes – ook Ivar Jasjes genoemd vanwege de bovenvermelde shopping spree in Miami – is getrouwd met de dochter van weer een andere gokkoning, Jacobo “Cocochi” Prins, eigenaar van veel casino’s op Curaçao.

De populaire politicus Helmin Wiels, een voorstander van onafhankelijkheid, werd vorig jaar in nooit opgehelderde omstandigheden vermoord. De uitvoerders zitten achter de tralies maar het is onwaarschijnlijk dat op hun proces de opdrachtgevers bekend zullen worden. Eén van de theorieën is dat Wiels niet langer op één lijn zat met zijn geldschieters, een andere dat er politieke motieven waren voor de moord. Wiels wordt wel eens als het spiegelbeeld van Geert Wilders beschreven: zoals de Nederlander foetert op de “vreemdelingen” en vooral de Curaçaose jongeren in Nederland, zo had Wiels het niet begrepen op de “makamba’s” – de Nederlanders en blanke Europeanen op Curaçao.

Foto-serka-relato-PAR-ta-anti-demokratiko-presidente-di-Parlamento-Ivar-Asjes_MG_3704

Mike Eman, huidig premier van Aruba. Zijn broer Henny was de eerste regeringsleider van het zelfstandige Aruba (1986).

Op Bonaire zijn verschillende invloedrijke politici verwikkeld in het al jarenlang aanslepende Zambezi-onderzoek naar grootschalige politieke corruptie en belangenvermenging. Ook over de politieke elite van Sint Maarten hangt een geur van corruptie. Een voormalige minister van justitie moest aftreden toen bekend werd dat hij in zijn vrije tijd bordelen beheerde. De Italiaanse mafiafamilie die voet aan de grond kreeg in Curaçao is ook op Sint Maarten niet onbekend: Theo Heyliger, de leider van de grootste partij was op een foto te zien met leden van de clan. Overigens is het kopen van stemmen een oude traditie op Sint Maarten: vroeger met ijskasten, nu met mobieltjes en andere elektronische gadgets.

Schermafbeelding 2014-01-26 om 10.29.06Toen de Nederlandse liberale premier Rutte in juni vorig jaar de eilanden bezocht werd over dat alles publiekelijk nauwelijks met een woord gerept. Binnenskamers zou Rutte tegen de regeringsleiders wél harde taal hebben gesproken. Maar Rutte beseft dat de eilanden in Nederland niet bepaald populair zijn. En hij voelt de hete adem van Wilders in de nek. Voor Wilders is het een uitgemaakte zaak: de voormalige bezittingen in “de West” zijn een last en Nederland moet ervan af. Probleemjongeren in de grote Nederlandse steden zetten de argumenten van Wilders en andere rechtse populisten ongewild kracht bij. Rutte sprak dan ook vooral voor zijn eigen publiek toen hij aan het einde van zijn bezoek aan de Caraïben het veel geciteerde zinnetje uitsprak: Als u eruit wil (uit het koninkrijk), en een meerderheid van uw bevolking steunt dat, dan is dat mogelijk. Dan belt u even en dan regelen we dat.

Of het ooit zo ver komt is zeer de vraag. Er zijn andere belangen in het spel waarover Rutte en de meeste Nederlandse bewindslieden meestal het zwijgen toe doen. De Caraïbische eilanden liggen in de achtertuin van de Verenigde Staten en zijn of ze dat willen of niet een pion in het geopolitieke schaakspel tussen de Verenigde Staten en Venezuela. Voor de VS vormen de Caraïbische eilanden de buitengrens van de Amerikaanse invloedssfeer. Curaçao is een belangrijke basis geworden in de drugsbestrijding die nu niet meer op Columbia maar bijna exclusief op Venezuela is gericht. Van op de Amerikaanse Forward Operation Location op Curaçao stijgen Awacs-vliegtuigen op richting Venezuela. Drugsbestrijding of spionage – wie zal het zeggen?

Er bestaan oude historische banden tussen de benedenwindse eilanden en de “Bolivariaanse Republiek Venezuela.“ De legendarische “libertador” Simon Bolivar woonde een tijd op Curaçao en het voornaamste plein in Willemstad is naar Brion, één van zijn adjudanten, genoemd. De voormalige Venezolaanse leider Hugo Chavez maakte er geen geheim van dat de eilanden in de Venezolaanse invloedssfeer thuis horen maar Washington is als de dood voor nóg meer Venezolaanse invloed op de strategisch tussen Noord- en Zuid Amerika gelegen eilanden. Onafhankelijkheid zou de benedenwindse eilanden zo goed als zeker in de richting van Venezuela duwen en dat kan Washington missen als kiespijn. Het beschouwt Nederland als de beste bewaker van de achtertuin en oefent daarom druk uit op de hondstrouwe Navobondgenoot om in elk geval een rol te blijven spelen in zijn voormalige kolonies. Het is een rol die alle traditionele Nederlandse partijen trouw blijven ook al is de publieke opinie in Nederland daartegen gekant. Nederland kan inderdaad om méér dan één reden niet “van die roteilanden af.”

1Boeli van Leeuwen “Geniale Anarchie” 1990

januari 29, 2014 at 9:54 pm 1 reactie

ONBEKEND FRANKRIJK

Lang vóór de naam bekend werd als de beroemdste wielerwedstrijd ter wereld was de Tour de France iets helemaal anders. Jaarlijks legden duizenden jongeren en kinderen uit alle delen van Frankrijk te voet honderden kilometers af in wat “Le Tour de France des apprentis” werd genoemd. De tocht duurde vier tot vijf jaar. Oorspronkelijk was de route beperkt tot de Provence en de Languedoc, maar later werd die uitgebreid tot de Loirevallei, Parijs, Boergondië en de vallei van de Rhône. De leerjongens – soms met een paar als jongens verklede meisjes – verbleven een aantal weken of maanden in een stad of streek waar ze leerden omgaan met de plaatselijke materialen en technieken. Na de Tour werden ze opgenomen in het gild van de metselaars, timmerlui, bakkers of kleermakers en kregen ze de titel van “Compagnon du Tour de France.”

Het halucinante verhaal van de leerjongens is slechts één van de tientallen die je leest in “De ontdekking van Frankrijk” van de Brit Graham Robb. Robb was al een erkend expert in Franse literatuur en geschiedenis toen hij begon te beseffen dat er een brede kloof gaapte tussen de “officiële” geschiedenis van Frankrijk – de geschiedenis van monarchie en republiek, van oorlogen en revolutie – en die van het Frankrijk van wat we gemakshalve maar “de gewone man” zullen noemen. Dat Frankrijk leerde hij kennen door de uitvinding die aan het einde van de 19e eeuw het land openlegde voor de overgrote meerderheid van de bevolking: de fiets. Robb legde op twee wielen meer dan 21000 kilometer af over wegen die honderden, soms duizenden jaar geleden werden getrokken door Romeinse legioenen, pelgrims, smokkelaars en rondreizende kooplui. Het resultaat is een unieke geschiedenis van Frankrijk. Uniek omdat vrijwel alles wat over Frankrijk en de Franse geschiedenis bekend is voortkomt uit het referentiekader van de Parijse elite. Zelfs beroemde auteurs als Balzac en vele anderen die uit de provincie stammen schreven hun werken nadat ze al jaren in Parijs waren gevestigd en het contact met hun geboortestreek – hun pays – waren verloren. 

Graham Robb

De leerjongens van de “Tour de France des apprentis” waren de eerste Fransen die Frankrijk ontdekten. Tot de komst van de spoorwegen was “Frankrijk” voor de meeste inwoners van het land buiten Parijs onbekend gebied. Een Limousin, een Bordelais of een Savoyard was min of meer vertrouwd met zijn pays – zeg maar regio – maar was zelden verder dan 20 kilometer buiten zijn dorp of stad geweest. Frans was voor de bevolking van Frankrijk een vreemde taal. Het grootste deel van het land was midden 18e eeuw evenmin in kaart gebracht als centraal Afrika en was voor de inwoners van Parijs en omgeving al even exotisch en onbekend.

In de zomer van 1740 zette een jonge cartograaf zijn instrumenten op in het dorp Les Estables, meer dan 500 kilometer ten zuiden van de hoofdstad . De jonge man – zijn naam is onbekend gebleven – maakte deel uit van een expeditie die voor het eerst het onbekende land in kaart moest brengen. Voor de inwoners van Les Estables was de komst van een vreemdeling die een onbekende taal sprak (Frans namelijk) en anders was gekleed een uitzonderlijke gebeurtenis. De bizarre instrumenten die hij bij zich had waren zeer verdacht. Had de komst van een vreemdeling eerder al niet tot kwalijke gevolgen geleid? Oogsten waren mislukt, schapen waren dood teruggevonden, verscheurd door een mysterieus wezen wreder dan een wolf – en waren de belastingen daarna niet omhoog gegaan? Om meer van dat onheil te voorkomen sloegen de dorpsbewoners de jonge cartograaf met stokken en bijlen dood.

Dat uitgerekend een Brit Frankrijk moest ontdekken is minder vreemd dan op het eerste gezicht lijkt. Al eeuwenlang zijn Britten gefascineerd door het land aan de overkant van het kanaal waar ze zulke nauwe historische banden mee hebben. Lang vóór de tijd van het massatoerisme was Nice, toen nog een onafhankelijke stadstaat, een aantrekkingspool voor de Britse aristocratie. Het was een Brit die de gletsjers van de Mont Blanc ontdekte en de eerste “toeristen” – het woord zelf is Engels – waren Britten. De Britse auteur van “Treasure Island,” Robert Louis Stevenson, voer met een kano de kanalen af tussen de Samber en de Oise die Parijs met België verbinden.

Toerisme maakte het land bekend, aan buitenlanders en aan de Fransen zelf, maar veranderde het ook. Lokale besturen probeerden van hun streek een beeld te geven dat aan de clichés en verwachtingen van de toeristen beantwoordde. Toen Arcachon door de komst van de spoorweg uitgroeide tot de toeristische hoofdplaats van de Bordelais kregen de mannen opdracht brede broeken te dragen en de vrouwen lange rokken die het hun onmogelijk maakten schaaldieren te plukken. In Dieppe werden de arme bewoners aangespoord schoenen te dragen in het zicht van toeristen en kinderen werd aangemaand niet langer door “onzedelijk te baden” de vreemde badgasten te schandaliseren. Toeristen – zo schrijft Robb – waren in tegenstelling tot etnologen en ontdekkingsreizigers niet geïnteresseerd in louter ontdekken en observeren. Ze transformeerden het voorwerp van hun nieuwsgierigheid, “kleedden de inboorlingen in kleuren die hun vooroordelen bevestigden en creëerden uiteindelijk hun eigen steden en landschappen.”

De openstelling van het land had paradoxaal genoeg ook tot gevolg dat tradities, lokale legenden en geschiedenis verloren gingen. Samen met toeristen en etnologen kwamen namelijk onderwijs en kranten die de inwoners van tot dan toe afgesloten gebieden het gevoel gaven tot een groter geheel te behoren waardoor de oude verhalen belachelijk en achterlijk gingen lijken. In de plaats daarvan kwam een geconstrueerd verleden, veelal verzonnen door geleerden in Parijs en buitenlandse “waarnemers.” Traditionele klederdracht werd heruitgevonden in een poging de verloren gegane diversiteit van het land te reconstrueren. Op de “Exposition Universelle” van 1878 in Parijs moest de tentoonstelling van regionele klederdracht de rijke traditie van de Franse regio’s voor het voetlicht brengen. Een oude wever had een kostuum uit de Montagne Noire gefabriceerd op basis van wat hij zich meende te herinneren: een authentiek exemplaar kon nergens meer gevonden worden. “De traditionele klederdracht die tentoon werd gesteld leek meer thuis te horen op een gemaskerd bal dan in een dorp in de verre provincie.”

Schermafbeelding 2013-12-24 om 17.04.36

De eerste Franse spoorweg van de kolenhaven Andrézieux op de Loire tot Lyon.
Pas in 1844 werden de paarden vervangen door stoom

Eenzelfde paradox viel waar te nemen als gevolg van de grotere mobiliteit door de invoering van de spoorwegen. In plaats van afgelegen gebieden te ontsluiten zorgde het spoor ervoor dat kleinere steden en dorpen wegkwijnden omdat de traditionele plaatselijke wegen in onbruik vielen. De oorzaak was – en is – de extreme centralisatie van spoorlijnen rond Parijs. Wie een kaart van het 19e eeuwse spoorwegennet bekijkt ziet Parijs als een “bevrucht ei met vezels naar de nabijgelegen provincie” terwijl de onderste helft van het land nagenoeg blank is. Het goederen-en reizigersvervoer dat eeuwenlang over een capillair netwerk van wegen en paden was verlopen verplaatste zich naar het snellere en meer comfortabele spoor met als gevolg dat een groot deel van de bevolking meer dan vroeger geïsoleerd achterbleef. Hetzelfde fenomeen doet zich ook nu voor door de komst van de TGV.

Hoe het Frans van Parijs de rest van Frankrijk veroverde is een ander fascinerend verhaal. Aan het einde van de 19e eeuw lijstten taalgeleerden in Frankrijk ongeveer 55 dialecten en honderden “sub-dialecten” op, van Franco-Provencaals, Catalaans tot Vlaams, Frankisch, Bretoens en Baskisch. Andere talen waren nauwelijks bekend buiten het gebied waar ze werden gesproken en soms geschreven: het Shuadit of Joods-Provencaals was de taal van de Joden in de pauselijke enclave van de Vaucluse, het Zarfatic of Joods-Frans was tot de Tweede Oorlog te horen in de Moselle en het Rijnland, het Caló was de taal van de zigeuners. In het Pyreneeëndorp Aas, aan de voet van de Col d’Aubisque gebruikten de herders die in de zomermaanden eenzaam in berghutten woonden een taal die klonk als een schel gefluit van meer dan honderd decibel dat tot op drie kilometer afstand kon worden gehoord. Op die manier konden de herders zelfs de inhoud van de plaatselijke kranten aan elkaar doorfluiten.

images

Abbé Henri Grégoire

De overheersing van het Frans als nationale taal was voor een groot deel het werk van een revolutionaire priester. L’ Abbé Henri Grégoire was geen “taalterrorist.” Hoewel hij sympathiseerde met de Revolutie probeerde hij het patrimonium van het land te vrijwaren van “revolutionair vandalisme.” Het woord “vandalisme” is overigens zijn uitvinding. L’Abbé Grégoire had campagne gevoerd voor de afschaffing van de slavernij en de doodstraf en hij was voorstander van het verlenen van volwaardig burgerschap aan de Joden. Hij wilde overal in het land scholen en bibliotheken, maar dat was in zijn ogen onmogelijk zonder een gemeenschappelijke taal. Geen natie zonder een “nationale taal.”

Bij het uitbreken van de Revolutie had Grégoire naar alle mairies van het land een vragenlijst gestuurd met de bedoeling een inventaris op te maken van de honderden dialecten die er gesproken werden. De vragen waren onder andere: “Heeft de regio een eigen patois”? en “Wat is de beste manier om het uit te roeien?” Patois was de denigrerende term voor lokale talen. Volgens de Encyclopédie was patois “de in vrijwel alle regio’s gebruikte corrupte taal. Échte taal wordt alleen in de hoofdstad gesproken.” De antwoorden op de vragenlijst van Grégoire sloegen hem en zijn medestanders met verstomming. Méér dan zes miljoen Fransen hadden geen enkel benul van de Franse taal. Nog eens zes miljoen waren nauwelijks in staat een conversatie te voeren in die taal . Slechts 11 percent van de bevolking had een behoorlijke kennis van het Frans al was correct spellen voor velen daarvan een onmogelijke opgave. De officiële taal van de Franse Republiek was de taal van een kleine minderheid.

Was Grégoire verbluft door het resultaat van zijn enquête, het staat zo goed als vast dat de werkelijkheid nog veel erger was dan de Abbé kon bevroeden. Zeventig jaar later, in 1880, bleek uit officiële statistieken dat slechts acht miljoen Fransen zich vlot in het Frans konden uitdrukken: niet méér dan een vijfde van de bevolking. “In sommige delen van het land waren prefecten, dokters, priesters en politiemensen als koloniale ambtenaren aangewezen op tolken om met de plaatselijke bevolking te communiceren.”

De remedies van l’Abbé Grégoire waren zachtzinnig in vergelijking met latere “taalkundige zuiveringen.” Hij stelde voor de kennis van het Frans te bevorderen door de bouw van wegen en kanalen en door het verspreiden van nieuws en het geven van landbouwkundig advies. Speciale aandacht moest gaan naar de keltische en “barbaarse” grensgebieden waar de contrarevolutie welig tierde (Baskenland, Bretagne en de Elzas) maar bovenal zag hij heil in het vereenvoudigen van de Franse taal en het afschaffen van de onregelmatige werkwoorden.

Bekeken door hedendaagse ogen lijkt de campagne van l’Abbé Grégoire, een onverdeeld succes. Geholpen door betere communicatiemiddelen veroverde het Frans van Parijs inderdaad praktisch heel het land. Maar het proces nam meer tijd in beslag dan op het eerste gezicht lijkt. Bovendien deed zich parallel met de verspreiding van het Frans een opmerkelijke ontwikkeling voor: ook de plaatselijke talen wonnen veld. Van een Bretoense boer vernam L’Abbé Grégoire tot zijn ontzetting dat meer en meer stadsbewoners Bretoens leerden om te communiceren met de boeren van wie ze dagelijks producten kochten. Tot laat in de 19e eeuw waren de Vlaamse steden Rijssel, Douai, Cambrai en Avesnes tweetalig. Recente cijfers wijken sterk uiteen, maar zelfs de laagste schattingen suggereren dat een grote minderheid van Fransen ook nu nog in bepaalde omstandigheden een taal gebruikt waarvan lang werd aangenomen dat ze eind negentiende eeuw was uitgestorven. Tenminste twee miljoen sprekers spreken een of andere vorm van Occitaans (Langue d’Oc), het Elzas’ heeft anderhalf miljoen sprekers, het Bretoens 500000 en het Corsicaans 280000. 80000 Fransen spreken ook vandaag nog Vlaams.

In sommige gebieden verloor het Frans ondanks een intensieve campagne veld. Eind negentiende eeuw stelden schoolinspecteurs vast dat de leerlingen het weinige Frans dat ze op school hadden geleerd na korte tijd weer vergeten waren. “Het Frans laat in hun brein evenveel sporen na als het Latijn in dat van middelbare scholieren.” Velen gebruikten het Frans in een bepaalde periode van hun leven en keerden daarna terug naar hun plaatselijk patois: dienstplichtigen nadat ze waren afgezwaaid, leerjongens die naar huis terugkeerden of reizende handelaars. Sommigen leerden de Franse taal nooit. Er zijn verschillende gevallen bekend van Bretoense soldaten die in de Eerste Wereldoorlog door hun kameraden werden doodgeschoten omdat ze voor Duitsers werden aangezien of omdat ze de Franse bevelen niet verstonden. (Mijn eigen Vlaamse oom en tante die in de Aisne boerden moesten zich in de Tweede Wereldoorlog weren tegen de reputatie van “boches” omdat ze onder elkaar en met hun kinderen Westvlaams dialect spraken.)

Bernadette_Soubirous

Bernadette Soubirous

Het is dus geen wonder dat de Heilige Maagd, toen ze in Lourdes aan Bernadette Soubirous verscheen het plaatselijke patois gebruikte. Een andere taal zou het herderinnetje eenvoudigweg niet hebben begrepen. “Que soy era immaculada councepciou” – ik ben de onbevlekte ontvangenis – zou de moeder Gods hebben verklaard – een begrip dat Bernadette zonder twijfel haar hoofddoekje te boven ging en dat waarschijnlijk nieuw was in haar plaatselijke taal, al kan ze het woord hebben gehoord in de cathechismusles: de doctrine van de “onbevlekte ontvangenis” was vier jaar eerder door paus Pius IX afgekondigd.

Bernadette zag onzelievevrouw in een grot die al eeuwenlang bekend stond om de mysterieuze gebeurtenissen die er plaats vonden en de bovennatuurlijke geesten die er verschenen. Ze noemde de verschijning die ze tot achttien keer toe zag “uo pétito damisèla” – in het Frans vertaald als “une petite demoiselle.” Maar in de Franse vertaling ging een belangrijke connotatie verloren. Voor de plaatselijke bevolking van Lourdes en omgeving waren damisèlas goedaardige bosfeeën die in het wit gekleed gingen en verdwenen zogauw iemand dichterbij kwam. Ze hadden volgens uit de prehistorie daterend volksgeloof magische krachten en stonden aan de kant van de armen. Toen in 1827 de nieuwe boswet het sprokkelen van hout en voedsel aan banden legde reageerden de haveloze boeren met geweld en brandstichting in wat de “oorlog van de Demoiselles” werd genoemd. Mannen vermomden zich als damisèlas om naar het voorbeeld van de bovennatuurljke geesten industriële houtskoolbranders te terroriseren.

The Discovery of France is een fascinerende tocht door de geschiedenis en de geografie van ons buurland. Wie jaarlijks met de auto naar het zonnige zuiden snelt kan ik alleen maar aanbevelen met dit boek als historische reisgids het land te verkennen dat zich links en rechts van de autoroutes bevindt. Hij of zij zal dan de breuklijnen ontwaren tussen culturen, talen en volkeren die ondanks vier eeuwen centralisme en autoritair bestuur door koningen en republiek van Frankrijk nog steeds een verbrokkelde natie maken. De breuklijn bijvoorbeeld tussen de langues d’Oc en d’Oil, of die tussen noord en zuid, tussen stad en platteland, tussen Parijs en de rest van het land.

Ook wie Frankrijk meent te kennen zal in dit boek herhaaldelijk een wauw-belevenis ervaren. Er is bijvoorbeeld de geschiedenis van de Cagots, een bevolking die jarenlang grof werd gediscrimineerd, of die van de Colliberts die in de ondoordringbare moerasgebieden aan de Franse Atlantische kust woonden en die zelfs door de Romeinen ongemoeid waren gelaten. En dan is er nog het onwaarschijnlijke verhaal van de smokkelhonden in Picardië en Artois, dat ik om uw leesplezier niet te bederven hier niet zal verklappen.

Johan Depoortere

23 december 2013

Graham Robb The Discovery of France

Kindle Book

vertaald als:

DE ONTDEKKING VAN FRANKRIJK

Frankrijk voor gevorderden

Atlas Contact 2008

december 25, 2013 at 7:25 pm 4 reacties

STRAATHONDEN VAN ISTAMBOEL (2)

Aslan

Aslan

Het  stukje van Jef Coeck en de mooie foto’s van Jeromede Perlinghi over “de straathonden van Istanbul” doen me onvermijdelijk denken aan onze eigen Turkse straathond. Haar foto prijkt hierboven. Vind u ook niet dat de gelijkenis met de stratiers op de foto’s van de Perlinghi treffend is?

Over hoe ze ruim vijf jaar geleden ons huishouden vervoegde, schreef mijn partner Jacqueline toen een mooi stukje in De Morgen. Hieronder daarvan een licht ingekorte versie.

(Tom Ronse)

EEN TURKSE LEEUW

Een mooie mei-ochtend in New York. De jasmijn van mijn buurman parfumeert de straat. Iedereen die ik passeer, begroet me met een vertederde glimlach. Mijn buren zeggen altijd vriendelijk “welcome back” als ze me na een lange reis terugzien maar dit keer zijn ze buitengewoon lief. De reden dartelt naast me aan een rode leiband. Het is onze nieuwe hond , of beter, hondje. Ze heet Aslan. Dat is Turks voor leeuw. Die naam had ze al toen we haar kregen. Niet dat ze er al naar luisterde. Ongelooflijk hoe zo’n diertje harten doet smelten. Een zwart meisje met een peuter, een Indische moeder met vier kinderen, een Chinese man met een wit poedeltje, een Mexicaanse papa met drie zoontjes, de blonde juf van de school om de hoek: ze vinden Aslan in hun verschillende accenten allemaal toch oh “so cute”.

Istanbul  NY Aslan 10 weken

Natuurlijk is Aslan schattig. Dat is de enige plicht die puppy’s hebben. Onze vorige hond stierf drie lentes geleden. Hij kwam dertien jaar eerder uit een dierenasiel in Brooklyn. “Na deze reis adopteren we een nieuwe hond”, hadden we afgesproken. Wat we toen nog niet wisten was dat er op dat ogenblik ergens in Istamboel een straathondje rondliep dat ons zou adopteren.

Straathonden zie je niet zo vaak meer in New York. Toen ik in de jaren tachtig hier kwam wonen, zag ik soms hele benden rondzwerven in de armere buurten. Vooral ’s nachts. Overdag hielden ze zich schuil in leegstaande gebouwen en op braakliggende terreinen. Vele leden aan schurft, infecties en ondervoeding. Rond de tijd dat wij onze vorige hond adopteerden, euthaniseerde de stad zo’n 20.000 honden (en evenveel poezen) per jaar. Dank zij campagnes voor de sterilisatie van huisdieren en een bouwwoede waardoor het aantal schuilplaatsen voor straathonden en –katten drastisch is verminderd, is dit cijfer intussen flink gedaald.

In Istamboel daarentegen zie je nog straathonden bij de vleet. Dat is al eeuwen zo, ondanks pogingen om ze uit te roeien, die telkens op heftig verzet stuitten van de bevolking . Na hun staatsgreep van 1980 lieten de militairen er meer dan 88.000 afslachten. “We hebben weer eens een probleem opgelost dat de burgerregering niet aankon”, pochten ze. Ze maakten zich illusies. Alleen al in het Europese stadsgedeelte van Istamboel lopen er weer meer dan 100.000 straathonden rond. In de drie grootste steden van Turkije samen zouden er ruim een half miljoen zijn.

De stadsdelen van de metropool hebben elk hun eigen hondenbeleid. Dat van Kadiköy, de Aziatische deelgemeente waar wij logeerden, is naar het schijnt het beste. In de straten en parken zag ik er tientallen goed gevoede, waardige, grote honden met plastiek clipjes in hun oren, het teken dat ze ze zijn gesteriliseerd, gevaccineerd en teruggebracht naar de plaats waar ze werden opgepakt. Ze blaften zelden en nooit zag ik er vechten. In sommige andere stadsdelen vergaat het hen minder goed. Veel straathonden komen er terecht in overvolle asielen waar hun dagen geteld zijn.

Een week geleden reed ik met Hank Curfs, een Nederlander die zich het lot van Istamboels zwerfhonden aantrekt, over een aarden weg aan de beboste rand van de stad. Op de top van de heuvel stonden koeien te grazen. In het glooiend, uitgestrekte weide-landschap onder ons lagen wat ik even voor kalfjes aanzag. Tot die ‘kalfjes’ rechtsprongen en kwispelstaartend op ons af kwamen. Met tientallen verdrongen ze zich rond ons. “Ze zijn het gewoon dat vrijwilligers hen eten komen brengen met de auto”, legde Hank uit. “Het zijn zwerfhonden die in deze omgeving achtergelaten werden”. Met ons enthousiast gevolg reden we de weg verder af tot aan een splitsing. “Zie je die gele gebouwen daar rechts op de heuvel?” wees Hank, “dat is een hondenasiel van de stad. De omstandigheden zijn er vreselijk. Hoor je dat gestresseerde geblaf?” We sloegen links af en kwamen aan een hekken. Een vriendelijke man met drie honden in zijn kielzog opende het voor ons. “Dat is ons asiel”, zei Hank trots, “Het wordt uitgebaat met privé-geld. Er is plaats voor driehonderd honden. Drie mensen zorgen voltijds voor de dieren en we hebben een dierenarts die de sterilisaties, vaccinaties en andere verzorging doet.” Het asiel zag er keurig uit. Sommige honden lagen te luieren op het gras. Anderen sliepen in hun houten hokken. Het water in de drinkbakken was vers. Enkele zieke honden en nesten pups zaten veilig apart.

We wilden net vertrekken toen er nog een dierenvriendin het erf kwam opgereden. Ze heette Claudia en werkte op het Amerikaanse consulaat. Op de achterbank van haar wagen zat een bruine pup met ernstige ogen. “Een collega van me heeft haar op straat gevonden”, vertelde Claudia. “Ik kan haar niet houden want ik heb al een hond. Mocht iemand van u een puppy willen dan is dit het moment.” Voor iemand van ons was het blijkbaar het moment. De puppy ligt onder mijn stoel te soezen terwijl ik dit stukje schrijf.

Jacqueline Goossens

oktober 24, 2013 at 6:56 am Een reactie plaatsen

GEEN RECLAME MEER IN DIT SALON!

Reclame-baby

Enkele lezers hebben er ons attent op gemaakt dat ze af en toe reclame zien op deze blog. Dat is absoluut niet onze bedoeling. Integendeel : we zagen het salon juist als als een plaats waar men even kan ontsnappen aan al die opdringerige boodschappen van de  consumptiekerk.  Dat klopte dus niet. Daarom hebben we gekozen voor een “upgrade” die ons belooft dat er geen spatje reclame meer verschijnt in het salon.

Als WordPress zich niet aan zijn woord zou houden en toch nog reclame op u afvuren, zullen we dat niet zomaar nemen. Als u nog een advertentie zou zien op deze blog, gelieve ons daarvan onmiddellijk op de hoogte te brengen. Liefst met een screenshot als bewijs. Een screenshot nemen is doodsimpel.  Kijk even op deze site hoe je het doet.

Hopelijk is dat niet nodig en kan u voortaan van een reclamevrij salon genieten.

oktober 4, 2013 at 3:20 am Een reactie plaatsen

MET DE EURO NAAR DE VERDOEMENIS

Zondag verkiezingen in Duitsland. Belangrijke verkiezingen ook voor ons, want zoals Duitsland gaat zo gaat Europa en zoals we weten: het gaat niet goed met Europa. De vraag is of we verder gaan op de ingeslagen – Duitse – weg. Een heilloze weg vinden velen, want uitzichtloos nu de Eurocrisis landen niet verenigt maar juist uit mekaar speelt en tegen mekaar opzet. Of is het simpelweg de Euro zelf die Europa naar de bliksem helpt? “De Euro verdedigen is Europa verdedigen,” zegt Angela Merkel de gedoodverfde winnares van de verkiezingen zondag. Maar meer en meer Duitsers – en niet alleen Duitsers – zijn van het tegenovergestelde overtuigd: met de Euro gaan we met zijn allen naar de verdoemenis. Niet alleen extreem rechts of figuren als Wilders zeggen dat, ook uit linkse hoek zijn dezelfde geluiden te horen.

Kijk en luister bijvoorbeeld naar wat de Nederlandse financieel geograaf Ewald Engelen te zeggen heeft in HET DUITSE ALTERNATIEF een recente uitzending van het VPRO-programma Tegenlicht. De Euro is ten dode opgeschreven, maar intussen zorgt het hardnekkig vasthouden aan de eenheidsmunt voor onnoemelijke sociale ellende in Spanje, Portugal en Griekenland. En het geld dat  de EU in die landen pompt, daar hebben de massa’s die op straat komen nog geen cent van gezien, laat staan dat ze er beter van zijn geworden. Het gaat regelrecht naar de balansen van de (vooral Duitse) banken en de hedgefunds die vooral niet kopje onder mogen gaan. Engelen

Ewald Engelen is behalve academicus ook polemist, blogger, twitteraar en veel gevraagde deelnemer aan discussiepanelen. Hij schrijft af en toe ook in De Morgen, zoals hier waar hij de lof zingt van het Belgische politieke aanmodderen. Zijn stijl is virulent polemisch, dat kun je nagaan in dit stuk waar hij Rutte tot op de enkels afzaagt, of hier waar hij in de contramine gaat tegen de vakbonden en de SER (Sociaal Economische Raad). Maar Ewald Engelen, die het al op jonge leeftijd tot hoogleraar schopte, wordt ook als één van de besten in zijn vak beschouwd.

Ook in de rest van Europa, zegt Engelen, is de Euro niets anders dan het vehikel om Belgen, Nederlanders  en al die andere Europeanen een neoliberale politiek door de strot te rammen. Als het van Merkel en Van Rompuy afhangt moeten we allemaal een beetje als Duitsland worden. Daar had de liberale Ralf Dahrendorf, niet bepaald een radicaal, bijna twintig jaar geleden al moeite mee. Tegen Der Spiegel zei hij: “De muntunie is een reuze-vergissing. Omdat de andere landen worden gedwongen zoals Duitsland te functioneren. Dat kunnen ze niet, dat willen ze niet.  (…) Die landen zitten anders in elkaar dan Duitsland en dus moeten ze die mogelijkheden houden. Dahrendorf zei dat in 1995. Hem kun je toch moeilijk als anti-Europees aanduiden. Hij was lid van de Europese Commissie. Dat is kosmopolitisch realisme, hij wist gewoon hoe het gaat in de wereld.” Het citaat komt uit een interview in de Volkskrant met de socioloog Wolfgang Streeck (1946), directeur van het befaamde Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung. “Een gesubsidieerde mars naar het neoliberalisme” dat is het Euroverhaal zegt Streeck. Het volledige interview kun je hieronder lezen.

Wolfgang Streeck

Maar eerst nog de uitzending van Tegenlicht. Daar waren een paar verrassende uitspraken te horen van de miljardair George Soros, een bekend scepticus als het over de Euro gaat. Niet Griekenland, maar Duitsland moet uit de Euro stappen, vindt Soros. De “Duitse” Euro is namelijk sterk ondergewaardeerd wat de Duitse export uitstekend uitkomt, maar de “schuldenlanden” als een strop om de nek hangt. Duitsland eruit dus en dan kan de rest een Euro gebruiken die drastisch in waarde is gezakt, waardoor de probleemlanden hun schulden als sneeuw voor de zon zien wegsmelten. Het is iets ingewikkelder dan dat maar ik vat het hier samen zoals ik het met mijn lekenverstand heb begrepen.

Nog een paar opmerkelijke momenten uit het interview met Soros:  Als hij de vraag krijgt wat de invloed van de Duitse verkiezingen zal zijn op de rest van Europa denkt hij meer dan een volle minuut diep na – in beeld – niet de stof van het doordeweekse televisie-interview. Soros merkt ook op dat het Duitse woord “Schuld” zowel een morele als financiële connotatie heeft: morele schuld (waar Streeck het ook over heeft) en geld dat je terug moet geven aan de schuldeiser. In het Engels zijn “debt”en “guilt” twee verschillende dingen.

Johan Depoortere

De volledige uitzending van Het Duitse Alternatief kun je hier bekijken.  Of wacht de heruitzending af op 25 september om 14.00 uur op Ned. 2.

Meer leestips over de Duitse verkiezingen hier.

Kritiek op de Euro uit linkse hoek zestien jaar geleden al.

Der Spiegel over de Eurokritiek.

DE VOLKSKRANT

Een hele generatie gaat het moeras in

TEKST MARTIN SOMMER FOTO GUUS DUBBELMAN − 13/08/13, 00:00

In de jaren zeventig dacht een voorhoede dat het kapitalisme op zijn laatste benen liep. Niet dus. Volgens de socioloog Wolfgang Streeck heeft het kapitalisme telkens tijd gekocht en zitten we daardoor nu met een enorme schuldenberg. Wanneer is de tijd uitverkocht?

Wolfgang Streeck (1946), socioloog, directeur van het Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung, zetelt in een streng gebouw in Keulen. Wie bestraffend wordt toegesproken door Jürgen Habermas, de paus van de sociale wetenschappen, is in Duitsland een hele piet. Habermas noemde Streeck ‘nostalgicus’ vanwege diens oproep om tegen te gaan dat nog meer nationale soevereiniteit naar Europa wegvloeit.

Streeck, snor, blote voeten in een soort van campingslippers, oranje broek, is op de warmste dag van het jaar alles behalve de strenge Duitse wetenschapper die je zou verwachten.

Hij publiceerde onlangs een boek dat helemaal past bij het thema ‘de nieuwe wereld’ – Gekaufte Zeit, die vertagte Krise des demokratischen Kapitalismus (Gekochte tijd, de uitgestelde crisis van het democratisch kapitalisme). Een vrolijke nieuwe wereld is het niet en zijn boek is wel degelijk van een Duits-abstracte gestrengheid. Het grijpt terug op marxistische ideeën die we jarenlang niet hebben gehoord. Het kapitalisme moet steeds opnieuw tijd kopen om niet aan zijn eigen tegenspraken ten onder te gaan. Dat gebeurt in Europa sinds de jaren zeventig, en nu loopt de boel vast in een schuldenberg.



Hoe komt men aan zo’n thema?
’

Vorig jaar mocht ik de zogeheten Adorno-lezingen houden. Vernoemd naar Theodor Adorno, de beroemde voorman van de Frankfurter Schule. Hij legde destijds de grondslag voor het idee dat het kapitalisme op zijn laatste benen liep, het zogeheten laatkapitalisme. Dat was in de jaren zeventig. Veertig jaar later hebben we nog steeds kapitalisme, wat heet, het is alleen maar opgebloeid. Mijn vraag was, waarom hebben we ons zo vergist? Sinds 2008 zijn we in een enorme crisis terechtgekomen. Misschien klopt de theorie van het laatkapitalisme alsnog, en begint de maatschappelijke orde op te lossen. Langzaam, gradueel. Men heeft steeds opnieuw tijd gekocht. Eind jaren zestig leek het rijk van de vrijheid nabij, een optimistisch idee. Daarna kwam de oliecrisis, die in werkelijkheid een verdelingsconflict tussen arbeid en kapitaal was.

’Mijn belangrijkste bijdrage is dat je in de hele moderne wereld dezelfde tendens hebt gezien: grote stakingen eind jaren zeventig in Engeland, en tegelijk in Duitsland. Ook in Nederland kwam een eind aan de oude verzuilde wereld. Die conflicten werden afgekocht met inflatie, die niets anders was dan een geldinjectie om werkloosheid te vermijden. Hoge inflatie, overal. Vanaf begin jaren tachtig is dat weer gedaald tot 2 à 4 procent. Dan houden ook die stakingen op – niet in één land maar overal. De werkloosheid stijgt, waar je ook kijkt, ontstaan weer verdelingsconflicten. De nieuwe oplossing is dat de overheid zich in de schulden steekt. Alweer om de werkloosheid te betalen.

’In de jaren negentig komt daarop kritiek, Clinton heeft het bij de verkiezingen van ik meen 1992 over de staatsschuld van dubbele cijfers waar een eind aan moet komen. In die tijd wordt de financiële markt gecompliceerder. Mensen kunnen krediet krijgen voor van alles en nog wat. In Amerika kon je een huis kopen zonder te hoeven laten zien hoeveel je eigenlijk verdiende. Onderwijl bezuinigde de staat. Dat systeem stortte in 2008 in.’ 



Waarom was sprake van het kopen van tijd?
’

Omdat het systeem rustte op ongedekt kunstgeld. Krediet is niets anders dan de belofte dat je later de geleverde waar zult betalen. Als er te veel van die beloftes zijn, ontstaat de vraag of ze wel worden ingelost. Dan krijg je wantrouwen en angst, zoals in 2008. U vroeg me naar mijn grootste zorg: hoe moet dat verder? Tot nu toe werd de crisis steeds gedempt door er meer geld tegenaan te gooien. De laatste keren ging dat met grote moeite. Mario Draghi van de ECB zei tegen de banken, hier heb je 500 miljard euro, doe er wat verstandigs mee. De banken hebben het zo snel mogelijk weer vastgezet bij de ECB, dus daar hebben we niets aan. Intussen wordt de schuldenberg steeds hoger. We zitten in de vierde fase van de gekochte tijd en de vraag is nu: wanneer is de tijd uitverkocht?’



Dus hoe nu verder?
’

We weten het niet meer. Elke zekerheid over de toekomst is weg. Niemand weet het. In 2008 verscheen Alan Greenspan van de Amerikaanse centrale bank Fed voor het Congres. Dat was echt een diepe schok. Hij kreeg de vraag, wat is er eigenlijk gebeurd? Hij zei: ik had een theorie, de markt reguleert de zaken wel. Maar die theorie lijkt niet meer te kloppen. Dat is verschrikkelijk. Ik heb niets anders te bieden. Onze minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, zei: Wir sind im Blindflug – we vliegen in de mist, het radiocontact zijn we verloren. De instrumenten zijn uitgeschakeld. We koersen op intuïtie. Een voorbeeld? In Basel heb je de BIZ, dat is de bank van de centrale banken. Daar zeiden ze dat we moeten ophouden met het onbeperkt geld in de economie te pompen. Het is te gevaarlijk. Kun je lezen in het jaarverslag. Daar staat ook letterlijk in: we hebben tijd gekocht. Ophouden daarmee. Daarna liet Bernanke van de Fed weten dat hij er inderdaad mee wilde stoppen. Vervolgens dreigde de aandelenmarkt in te storten. En Bernanke, plus de Japanners en ook Draghi, zeiden onmiddellijk: het was niet serieus met dat ophouden om maar geld uit te geven. Ze wisten niet hoe snel ze de draad weer moesten oppakken. Hoe het uitpakt: we weten het niet.’



Hebben we over vijf jaar nog een euro?
’

Veel mensen denken van niet. Niet in de huidige vorm. Ik denk daarentegen dat de Duitse politiek de euro als een bezetene verdedigen zal. Er zal een kloof ontstaan. Met aan de ene kant de exportindustrie, de bijbehorende vakbonden, de regering Schäuble/Merkel maar ook de SPD en de Groenen. Zij zeggen dat de euro moet blijven, vanwege de Europese markt en de lagere koers vergeleken met een eventueel teruggekeerde D-mark.’



Dus we hebben het uitsluitend over belangen?
’

Ja natuurlijk, al wordt het verhaal verbraafd met uitweidingen over Europese eenwording. Een tweede factie, ook in het establishment, wil de euro afschaffen. Daar denkt men dat het niet langer doenlijk is om enorme sommen vanuit Duitsland over te maken aan het zuiden. De eerste groep, de industrie en de regering, zegt: natuurlijk is het zo dat wij blijvend transferkosten zullen betalen. Maar de winst uit de euro is hoger dan de kosten.

’Nu komen de Balkanlanden bij de EU. Alleen om reden van de subsidies. Concurreren kunnen ze niet. Het idee in Duitsland is: wij moeten het betalen. Daarover ontstaat nu druk. De belastingbetaler betaalt, om ervoor te zorgen dat de auto-industrie er een markt bij krijgt. Bij Audi worden hoge lonen betaald, maar de dienstensector blijft achter. Niet alle belastingbetalers werken in de export, integendeel. Dat zijn er steeds minder. Wie niet in de export werkt, heeft het idee dat hij is opgelicht met de euro. De dienstenbonden staan niet meer achter de strategie van Merkel. Hun mensen moeten betalen en de lonen lopen enorm achter bij de export.’



U schrijft dat die transferunie al decennia bestaat…
’

J a natuurlijk. Uit geopolitieke en economische overwegingen. In Duitsland wordt daarentegen altijd gezegd: de Duitsers moeten betalen, want ze hebben een wereldoorlog gevoerd. Dat wordt natuurlijk niet meer geaccepteerd.’



Oud-bondskanselier Helmut Schmidt zegt het nog altijd…
’

Ja. Schmidt zegt, wij blijven altijd schuldig. Maar Schmidt was officier in de Tweede Wereldoorlog. De mensen van tegenwoordig zaten niet bij de Wehrmacht, zoals Helmut Schmidt. Ik ben van 1946, voor mij is het nog een thema. Maar mijn kinderen zeggen, waar heb je het over? Ja, we moeten blijven herdenken, maar de oorlog is geen reden om de euro te subsidiëren, dat is vergezocht. Dat klopt niet meer.’



Hoe is die transferunie ooit tot stand gekomen?
’

Dat is begonnen in de jaren zeventig. Toentertijd dreigde in Italië het eurocommunisme, in Spanje en Griekenland waren dictaturen. Italië was een halve democratie, altijd geregeerd door de christen-democraten. Maar werd door ons gesteund, uit angst voor een sociale revolutie. Het was de Koude Oorlog. In Zuid-Europa werden de dictaturen afgelost. Er moest democratie komen, met Europese stabiliseringsprogramma’s om de sociale vrede te handhaven. De burgerlijke middenklasse, in Spanje en in Portugal, moest de macht overnemen. Met hulp van wat toen de EEG heette, en de NAVO.

’In deze tijd begonnen de betalingen, onder andere voor de infrastructuur. U kent die blauwe borden wel: betaald door de EU. Nu weten we dat het idioot was om te denken dat je een modere markteconomie op een traditionele samenleving kunt plakken. Dat werkt niet. Daarna kreeg je de regiofondsen van de EU. Dat systeem raakte in moeilijkheden toen het voormalige Oostblok erbij kwam. Daar moest ook geld naartoe om de boel stabiel te houden. Voor het zuiden was het geld op, maar de zuidelijke landen werden opgenomen in de monetaire unie. Zodoende konden ze tegen een lage rente lenen. Van staatssteun naar krediet dus, in de stille veronderstelling dat als ze het niet meer konden terugbetalen, de rest wel zou bijpassen. Dat no-bail-out-beginsel heeft niemand geloofd. De komende jaren ziet het er niet naar uit dat de zuidelijke landen er bovenop komen. Maar ze moeten in de euro blijven. In Duitsland heb je in de Bundesliga de zogeheten Dauergewinner, zoals Bayern München. Die winnen elk jaar. Je moet dus ook Dauerverlierer hebben. Waarom nog voetballen, zou je je afvragen. Maar er moet een competitie zijn, dus je hebt in de liga een geldverdeling van boven naar beneden. Bochum mag ook nog meedoen. Maar een serieuze tegenstander is het natuurlijk niet. Zo hebben wij in Europa ook Dauerverlierer nodig. Om hun het plezier te gunnen Dauerverlierer te zijn, moeten wij blijven betalen.’



Veel plezier hebben ze er niet aan… Hoe lang gaat dit door?
’

Dit systeem voert naar de waanzin. Als de aanspraken van de verliezers steeds groter worden, willen de kiezers van de zogeheten winnaars het niet meer betalen. Op dat punt zal het enthousiasme in Duitsland voor Europa snel teruglopen. In Sicilië, waar geen boom te bekennen is, lopen nog altijd twintigduizend van staatswege betaalde boswachters rond. Allemaal op grond van cliëntelisme. Dan wordt de politiek extreem defensief. Degenen in Duitsland die dit systeem in stand willen houden, zullen willen dat beslissingen in Europa worden genomen en niet langer nationaal. Je kunt spreken van een transfer van autoriteit naar Brussel, daar zit een technocratische regering en een van de kapitaalmarkt afhankelijke commissie. En het ontbreekt aan democratische kanalen.’



Wat moet er nu gebeuren?
’

Wij moeten die mars naar het gesubsidieerde neoliberalisme stoppen. Wij mogen de overgebleven nationale instituties niet opgeven. Die moeten we verdedigen. Bijvoorbeeld door referenda te eisen bij het veranderen van Europese verdragen. Ze zijn allemaal bang voor de Nederlanders en de Fransen. Vanwege de referenda. Godzijdank zijn ze bang! In Duitsland wordt het Bundesverfassungsgericht (dat wetten toetst aan de Duitse grondwet) beschimpt, alleen omdat daar kritische vragen worden gesteld. Een verouderde nationale institutie, heet het dan. Een paar weken geleden moest de Duitse vertegenwoordiger bij de ECB, Asmussen, verschijnen voor het Bundesverfassungsgericht. Om over de geldpolitiek te praten. De voorzitter vroeg hem waarom hij niet openlijk toegeeft dat het twintig jaar gaat duren voordat de zuidelijke landen er bovenop komen. Dat valt wel mee, zei Asmussen, als de groei eenmaal terug is, trekt de economie daar ook wel aan. Maar daar gaat het niet om. Niemand anders kan die vraag stellen. Er is geen Europese instelling waar die vraag überhaupt gesteld kan worden. De centrale bank zegt: we hervormen en dan komt het goed. Een hele generatie gaat het moeras in, en de enige instantie die daarover een vraag kan stellen, is het Bundesverfassungsgericht! En die wordt als anti-Europees gezien. We hebben geen alternatief. En dan komt Habermas om tegen mij te zeggen dat ik een enge nationale geest ben. Alles Quatsch! Ik zeg dat we niet moeten opgeven wat er nog over is. We moeten dat verdedigen!’



Al die landen hebben hun tradities, kun je die wel op één lijn krijgen?
’

Dat komt er nog bij. Ralf Dahrendorf, liberaal, bepaald geen radicaal, heeft in 1995 in Der Spiegel al gezegd: de muntunie is een reuze-vergissing. Omdat de andere landen worden gedwongen zoals Duitsland te functioneren. Dat kunnen ze niet, dat willen ze niet. De Fransen hebben af en toe een overschot op de betalingsbalans nodig, de Italianen moeten af en toe kunnen devalueren. Die landen zitten anders in elkaar dan Duitsland en dus moeten ze die mogelijkheden houden. Dahrendorf zei dat in 1995. Hem kun je toch moeilijk als anti-Europees aanduiden. Hij was lid van de Europese Commissie. Dat is kosmopolitisch realisme, hij wist gewoon hoe het gaat in de wereld.’



CV Wolfgang Streeck



1946 geboren in Lengerich



1980-88 senior research fellow bij het Wissenschaftszentrum Berlin



1986 promotie sociologie in Bielefeld

 1988-95 hoogleraar sociologie van de industriële betrekkingen in Madison-Wisconsin



1995-nu directeur Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung Keulen



1999-nu hoogleraar sociologie Universität Köln

september 20, 2013 at 6:39 am 3 reacties

Oudere berichten Nieuwere berichten


Kalender

maart 2015
M D W D V Z Z
« feb    
 1
2345678
9101112131415
16171819202122
23242526272829
3031  

Posts by Month

Posts by Category


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 721 andere volgers