Posts filed under ‘verkiezingen’

2018…2019…en verder

Door Tom Ronse

Nee, een goed jaar was 2018 niet. Het was een jaar van samenpakkende donderwolken. Op alle vlakken: ekonomisch, ecologisch, politiek en sociaal.

Het werd pijnlijk duidelijk dat klimaatsverandering niet enkel voor onze kleinkinderen een probleem is. De mileurampen namen toe, ook in de VS waar de president te midden van de bosbranden en overstromingen bleef beweren dat er niets aan de hand is, dat er niets drastisch moet veranderen, dat er integendeel meer steenkool moet verbruikt worden. En de nieuwe president van Brazilie zet het licht op groen voor een kaalslag in het Amazonewoud. Hallucinant.

Wat er aan de oorzaken wordt gedaan is zo ridikuul weining in vergelijking met de omvang van de bedreiging dat men kan verwachten dat het weer dit jaar niet minder extreem zal zijn en misschien nog meer ontwrichtend.

Op sociaal vlak onhou ik in de eerste plaats de zichtbare groei van de kloof tussen rijk en arm. In New York zie ik bijna dagelijks meer bedelaars terwijl steeds meer glanzende torens de wolken krabben, met luxe-appartementen die soms voor meer dan honderd miljoen dollar verkocht worden. Dit voorjaar waren we in Los Angeles, waar de tentenkampen van daklozen tientallen kilometers voetpad in beslag nemen. Ook in Belgie groeide de kloof. Het aantal armen steeg er tot 17% van de bevolking. De rijkdom nam ook toe en de groep tussen rijk en arm wordt smaller. In armere landen gaat dat proces nog sneller.

De groeiende tegenstelling is een logisch gevolg van de supply side-bestrijding van de krisis. Massale geldcreatie was de motor van de heropleving van de wereldekonomie na “the great recession”. Het gros van die triljoenen ging naar de supply side: de bedrijven, banken en investeerders. Landen die het zouden wagen om de demand side te favoriseren riskeren kapitaalvlucht en galloperende inflatie. De ‘trickle down’-theorie werkte, in zekere mate. De heropleving duurt al relatief lang. Maar als de armoede en het gevoel van bedreiging en onzekerheid al tijdens de heropleving zo sterk stijgen, wat kunnen we dan verwachten als de ekonomie weer crasht?

Dansen op de slappe koord

De heropleving begon te sputteren in 2018. De groei vertraagde overal, behalve in de VS.

Groei in Europa 2018

Maar ook daar verliest de drug van goedkoop geld en fiscale cadeau’s stilaan zijn effect. Beleggers zoeken nerveus naar veiligheid met wilde beursschommelingen tot gevolg. De ‘opkomende landen’ die de eersten waren met wind in de zeilen liggen op apegaaien. De schuldenberg wordt te hoog, er moet worden afgeremd. De centrale banken staan voor een dilemma: ze moeten het lenen intomen, de prijs ervan verhogen maar dat riskeert de recessie in gang te zetten. Maar doen ze het niet, laten ze de rentevoet dicht bij nul, dan kunnen ze de recessie wel uitstellen maar die dreigt dan uiteindelijk veel dieper te worden. En dan kunnen ze de rente ook niet meer substantieel verlagen als de recessie tot een ineenstorting dreigt te leiden. Of ze er in 2019 in slagen om de recessieslang met virtuoze fluctuaties van de rentevoet in haar mand te houden, valt nog te bezien. China wankelt al op de slappe koord. Al de officiele pronostieken (van het IMF, de OESO, de Wereldbank etc) voorzien in 2019 een lagere groei dan in 2018. Nouriel Roubini, een van de enige ekonomen die de recessie van 2008 had voorspeld, verwacht een nieuwe recessie in 2020. Dat geeft ons nog even tijd. Maar om wat te doen?

Voor politici impliceert die ekonomische context zeer weinig manoevreerruimte. Toch op het vlak van beleid. Rethoriek is iets anders. Elk land is verplicht om zich aantrekkelijk te maken voor kapitaal. Kapitaal aantrekken en behouden is nodig om kapitaal te doen groeien, om winst te maken, om tewerkstelling te creeren. Daarover zijn rechts en links het eens. Hun dispuut gaat over de fiscale afroming, hoe groot die mag zijn en hoe de opbrengst moet besteed worden. Links wil de kloof tussen rijk en arm verkleinen, rechts wil de fiscale lasten verlagen. Ze leggen andere accenten maar de ekonomische realiteit maakt de verschillen steeds kleiner. Zelfs waar een linkse partij aan de macht komt zoals Syriza in Griekenland is die verplicht om een ‘rechts’ beleid te voeren: sociale uitgaven beknotten en het fiscaal regime aantrekkelijker maken voor kapitaalbezitters.

Globalisering, automatisering, bezuinigingen, als politicus – als manager of would-be manager van de staat – kun je daar niet tegen zijn. De noodzaak om kapitaal te doen groeien zet de grote lijnen uit. Politici lullen daar maar wat rond.

Dat laatste is natuurlijk overdreven. Scherpe tegenstellingen kwamen aan bod in 2018. Over Brexit bijvoorbeeld en over Trumps handelstarieven. Een no deal-Brexit of een escalatie van de handelsoorlog tegen China zou dit jaar de recessie in gang kunnen zetten. Ik vermoed echter dat de kans groot is dat de no deal op het laatste nippertje zal vermeden worden en dat Trump zal de-escaleren. Misschien is het zijn instinkt om roekeloos de inzet van zijn pokerspel met China te verhogen maar de kapitaalmarkt zou hem snel dwingen om in te binden. Dat heeft hij al vaak moeten doen. Onlangs nog, toen hij de onmiddelijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Syrië aankondigde. Die is intussen op de lange baan geschoven. Trump noemde Nafta – het vrijhandelsverdrag met Canada en Mexico – herhaaldelijk “het slechtste handelsverdrag uit de Amerikaanse geschiedenis” en sloot daarna een akkoord met de buurlanden dat Nafta impliciet herbevestigde, op enkele kleine wijzigingen na. Telkens wordt Trump door wat hij zelf “the deep state” heeft genoemd terug op “het rechte pad” geduwd als hij er te ver van afwijkt. Ook Brexit en de handelsoorlog met China zullen in 2019 wellicht meer spektakel dan echte verandering blijken.

 

De zondebok

Ekonomische krisis en klimaatrampen staan voor de deur. Noch links noch rechts heeft een oplossing. Wat de klimaatkrisis betreft steekt rechts zijn kop in het zand, terwijl links ijvert voor akkoorden die zand in de wind blijven. Ook op ekonomisch en sociaal vlak hebben ze geen echt alternatief. Ze willen uitgaven A verhogen en uitgaven B verlagen en omgekeerd, alsof dat iets wezenlijks zou veranderen.

Je zou denken dat het gebrek aan keuzemogelijkheden zou leiden tot roerende eensgezindheid tussen de politici maar het tegendeel is waar. De toon van het politiek debat is in 2018 nog bitsiger geworden. Nog harder, nog leugenachtiger. Net omdat er geen wezenlijke verschillen zijn wat het essentiële sociaal-ekonomisch beleid betreft, worden de symbolische verschillen extra in de verf gezet. In 2018 en ongetwijfeld ook dit jaar werd/wordt daarvoor vooral het thema immigratie gebruikt.

Niet dat immigratie geen echt probleem is. Het feit dat zoveel mensen ertoe gedreven worden om hun vertrouwde omgeving te verlaten en bereid zijn om de grootste gevaren te trotseren om ergens te geraken waar ze enige hoop op een toekomst kunnen hebben, geeft aan hoe ellendig en uitzichtloos het leven op veel plaatsen op aarde is geworden. Dit gebeurt, onder meer, net omdat de ekonomie zo efficiënt is: dankzij de automatisering en de globalisering vereist produktie steeds minder arbeidstijd, worden steeds meer mensen “overbodig”. Natuurlijk is er een aanzuigeffect dat “overbodigen” – de meest ondernemenden onder hen – naar de landen lokt waar het kapitaal geconcentreerd is; waar er nog vraag is naar arbeidskracht.

Maar in feite bestaat er ook over dit probleem een brede consensus tussen rechts en links. Beiden aanvaarden de noodzaak van een gecontroleerde immigratie. De westerse ekonomie heeft immigranten nodig maar met mate. Iedereen is tegen open grenzen en, in theorie, tegen de mishandeling van vluchtelingen. Dat er binnen die consensus verschillen bestaan over wat dat in de praktijk betekent, is ongetwijfeld waar. Maar de grote lijnen zijn uitgezet.

De liberale demokratie is het politieke spiegelbeeld van de vrijemarkt-ekonomie. Grote en kleine bedrijven concurreren voor dezelfde markt, dezelfde kiezers. Ze verkopen ideologie, sentiment en personaliteiten. Ze verkopen een merk. De kleinere bedrijven zoeken hun niche. Ze willen allemaal in de eerste plaats groeien, net als gewone bedrijven. Daartoe sturen ze voortdurend hun profiel bij. De versmalling van de verschillen ten gronde doet hen grijpen naar symbolen met een sterke emotionele resonantie. Het immigratie-debat is daar zeer geschikt voor. Het wekt hevige emoties op die het kiesgedrag in niet geringe mate kunnen bepalen. Ik stel me voor dat Kongresleden in de VS of partijbureau’s in Belgie van hun pollsters een grafiek hebben gekregen die er bijvoorbeeld zo uitziet:

(De lijn “A” drukt de empathie voor immigranten uit, de lijn “B” de angst voor immigranten en de kurve het aantal stemmen dat men kan verwachten.)

Op basis daarvan kunnen ze hun slogans en symbolen kiezen. Niets illustreert het symbolisch karakter van hun geschillen beter dan de huidige politieke impasse in de VS over de muur van Trump. Voor de ongedocumenteerde immigranten zou die muur slechts één obstakel meer zijn in hun hindernissenkoers. Een ladder van 25 dollar volstaat om die klus te klaren, zoals de Mexicaanse oud-president Vicente Fox opmerkte.

Om het zogezegde doel – de illegale immigratie stopzetten – te bereiken is het een bijzonder inefficiënt middel. Voor de Amerikaanse ekonomie is dat maar goed ook want ze heeft de ongedokumenteerden nodig. Trump heeft zelf ongedokumenteerden in dienst in de keukens en op de terreinen van zijn golfclubs in Florida en New Jersey. Maar de muur is een symbool dat zegt, eigen volk eerst, vreemdelingen buiten. De muur evokeert bescherming, tegen de buitenwereld, tegen een onzekere toekomst. De muur is een vuist, een bokshandschoen, een monument voor blank Amerika. Een thermometer die de angst voor de toekomst meet.

Pieter Breugel: Met den hoofde tegen den muer

De gedeeltelijke lamlegging van de publieke sector als gevolg van dit dispuut zal de Amerikaanse ekonomie weldra meer kosten dan de 5,7 miljard dollar die Trump voor zijn muur eist . 1   Dat de Demokraten desondanks het been stijf houden toont dat de muur – die in het totaal van de begroting maar een detail is – ook voor hen een belangrijk symbool is dat hen toelaat om zich te profileren en waarden te afficheren die voor een groot deel van de bevolking belangrijk zijn: anti-racisme, empathie voor vluchtelingen, etc.

Een soortgelijk symbolisch gevecht over een niet-bindend migratiepakt leidde in België tot een regeringskrisis. Je vraagt je af of dat ook zou gebeurd zijn als die VN-conferentie in plaats van in Marrakesh in Oslo zou zijn georganiseerd.

Ik beweer niet dat symbolen geen belang hebben. Ze manipuleren de gedachten. Ze spinnen een verhaal waarin mensen willen geloven. Er bestaat een breed en diep verlangen naar een breekpunt met de status quo, naar een andere toekomst dan deze die ons te te wachten lijkt te staan. Politici hebben op dat vlak niets te bieden. Ze hebben geen plausibele strategie om uit de systemische krisis te ontsnappen. Geen wonder dus dat de tendens toeneemt om dat verlangen een mikpunt te geven, een zondebok die in de woestijn kan worden gejaagd en alle zonden met zich meeneemt. Immigranten, vooral deze met een andere huidskleur, taal en religie, zijn ideaal voor die rol.

Het is een discours dat ons leert denken in termen van “ons volk” en “de vijand”. Het is impliciete oorlogsvoorbereiding. “You will not replace us !” scandeerden Trump-fans op rechtse betogingen. Sommigen onder hen maakten daar “Jews will not replace us” van. De identiteit van de vijand kan veranderen – China maakt wat dat betreft meer kans dan de joden – maar het verhaal blijft hetzelfde.

Het doel van de politici die dit discours hanteren is uiteraard de macht veroveren en de bevolking ideologisch aan zich binden zodat ze hun gang kunnen gaan. Viktor Orban, zowat de extreemste anti-immigrant onder de Europese leiders, dacht dat hij daar zo goed in geslaagd was dat hij de Hongaarse arbeiders dwangarbeid kon opleggen. Het massale verzet dat tegen zijn “slavenwet” rees, was een van de weinige lichtpunten van 2018. Of dat verzet voldoende massaal en radikaal is om Orban te doen terugkrabbelen, valt nog te bezien.

Lichtpunt

Een groter lichtpunt was de (nog steeds niet uitgedoofde) beweging van de “gele hesjes”. De werkende bevolking ligt al vele jaren zonder al te veel tegen te stribbelen onder de stoomwals van het “neo-liberalisme”, een politiek gedreven door het systematisch zoeken naar lagere loonkosten. De Gele Hesjes-beweging is in de eerste plaats een massale weigering om die situatie te blijven ondergaan.

Zoals alle belangrijke sociale bewegingen is ze spontaan ontstaan. Geen partij of vakbond had ze voorzien of georganiseerd. Van bij het begin verzetten de gele hesjes zich tegen inmenging of controle van deze instituties. Ze tolereren geen leiders die in hun naam spreken en onderhandelen. Ze hebben voor Macron gestemd, of voor Le Pen of Melenchon, maar in hun acties maakt dat geen verschil. Hun strijd is niet “demokratisch”, hij is een afwijzing van electorale strategieen. Dat heeft hij gemeen met de pleinbezettingsbewegingen van de Indignados, Occupy Wall Street en, meer recent, Nuit Debout. Maar de Gele Hesjes-beweging is veel massaler. In hun honderden, zoniet duizenden wegenblokkades, betogingen en andere akties, ontdekten de gele hesjes banden van solidariteit. Mensen kwamen in hun buurten samen met anderen die ze vroeger negeerden. Er werd een eenheid gesmeed, ondanks de soms aanzienlijke verschillen in sociale achtergrond en politieke opinies.

De brandstoftaksen waren enkel de vonk aan de lont. Het gaat om veel meer. Er werd gezegd dat de gele hesjes zich enkel bekommeren over “einde van de maand”- problemen (koopkracht) terwijl de brandstoftaks was opgelegd uit bekommernis voor “het einde van de wereld”. Maar in Parijs en andere steden vervoegden de gele hesjes de “mars voor het klimaat”. Een grote spandoek verkondigde: “Einde van de wereld, einde van de maand: verander het systeem, niet het klimaat.” Beide problemen resulteren van dezelfde logica die mensen reduceert to handelswaar en winst het enige objektief maakt van alle produktieve aktiviteit.

En de “casseurs”? Die doen soms domme dingen en vaak proberen de minder heetgebakerde gele hesjes hen in te tomen. Maar de hesjes zien ook het geweld van de andere kant en in de konfrontaties met de “ordestijdkrachten” zijn de casseurs bij de dappersten. De regering en de gezagsgetrouwe media gebruiken hun excessen om de hele beweging voor te stellen als een bende ‘relschoppers’ (een favoriete term van onder meer De Morgen), geinspireerd en opgestookt door uiterst rechts. Maar intussen blijft de grote meerderheid van de bevolking volgens de polls de beweging steunen.

Natuurlijk zijn er onder de gele hesjes mensen die rechtse ideeen koesteren, die bvb. immigranten buiten willen. De gele hesjes zijn in dit conflict gesprongen met al de ideologische bagage die ze al hadden. De gezamenlijk strijd verandert die wel maar we mogen geen mirakel verwachten. Zeker als die strijd afzwakt – wat nu lijkt te gebeuren – zal de aanwezigheid van uiterst rechts en uiterst links wellicht prominent worden. Voor elk valt er wat te rapen als het doodbloeden van de strijd teleurgestelde gele hesjes terugdrijft naar de elektorale arena.

Is het sop de kool waard? Wat zal de beweging bereikt hebben? Konkreet niet veel, vrees ik. Maar toch was – is – het misschien een niet onbelangrijke stap naar een betere wereld. Dat is wat de gele hesjes willen. Een betere wereld, een wereld voor de mensen. Ze weten niet hoe er te geraken, ze weten alleen dat de huidige weg niet deugt. Dus waren ze eerlijk toen ze geen specifieke eisen stelden, behalve het ontslag van Macron (dit laatste alweer voor de symboliek, niet omdat dat iets zou veranderen). Maar op vele honderden gele hesjes-bijeenkomsten werd er druk gediscussieerd over hoe de wereld anders georganiseerd zou kunnen zijn. Allerlei ideeen deden de ronde en de populairste (“meer referendums!”) waren niet noodzakelijk de beste. Maar op zijn minst probeerden ze wat we , in 2019 en verder, collectief moeten doen om te overleven: ons een andere wereld inbeelden.

 

1 Het feit dat zovele werknemers zo snel beroep moesten doen op food banks en andere liefdadigheid illustreert overigens goed wat we eerder schreven over de groeiende kloof tussen rijk en arm en de toegenomen schuldenlast van de consumenten.

January 19, 2019 at 7:16 am Leave a comment

MEDIA EN POLITIEK

Door Johan Depoortere

Doen de media aan politiek? Dat zal wel zijn: daar waar de politiek tekort schiet vervullen de media hun essentiële taak en dat is de klok te luiden over toestanden die de samenleving aanbelangen. Is dat politiek? Wel zeker als je ervan uitgaat dat politiek zowat alles is wat samenleven ten goede of ten kwade beïnvloedt. Is het niet opvallend dat het de media zijn die in deze verkiezingstijden een aantal grote thema’s op het bord van de politici hebben gelegd en daarmee een noodzakelijk debat op gang hebben gebracht? Denk aan de commotie rond het extreemrechtse Schild en Vrienden, de neonazis op de Vlaams-Belanglijsten, en meest recent het schandaal van de sociale huisvesting in Gent. Allemaal thema’s die van het hoogste belang zijn in onze samenleving maar die onder de korenmaat waren gebleven had het van de campagnevoerende politici afgehangen. Ook het falende energiebeleid is grotendeels dank zij de media – en ongetwijfeld tot ongenoegen van de beleidsmakers – onder de aandacht van het grote publiek gekomen.

Rik Van Cauwelaert opperde in zijn commentaar op de campagnegebeurtenissen van de dag dat de media de laatste tijd de geliefkoosde boksbal lijken te zijn van de politici die de burger smeken om zijn stem. Het is duidelijk waarom: hoe comfortabel zou het niet zijn als die vervelende journalisten- pottenkijkers de andere kant opkeken of er het zwijgen toe deden. NVA-voorzitter Bart De Wever gaf tijdens het openingscollege met de voorzitters in Gent zijn extreemrechtse collega Van Grieken gelijk toen die het de krant Het Laatste Nieuws kwalijk nam dat ze de neonazis op de VB-lijst met naam en foto had aangewezen. Let wel: foto’s van kandidaten die met alle mogelijke middelen campagne voeren zouden dus met de grootste discretie tegemoet moeten worden getreden. Het is veelbetekenend dat zowel Van Grieken als De Wever het in Keulen hoorden donderen toen ze via de media moesten vernemen dat Hitleraanbidders en antisemieten op hun kieslijsten prijken. Zonder Pano, Het Laatste Nieuws of Apache waren neonazis en aanhangers van Schild en Vrienden ongetwijfeld als normale mainstream kandidaten van NVA en Vlaams Belang aan de kiezer gepresenteerd.

Dat diezelfde Bart De Wever op gespannen voet leeft met publicates als De Standaard en met de openbare omroep is genoegzaam bekend. The press is the enemy zei Richard Nixon al en voor Trump zijn de media vijanden van het volk. De Wever lijkt er ongeveer ook zo over te denken. Hij deinst er niet voor terug om één bepaalde journalist, namelijk Bart Brinckman, openlijk tot vijand te verklaren en diens werkgever onder druk te zetten om hem te broodroven. Het zal de burgemeester van Antwerpen ook niet welgevallig zijn dat zowel De Standaard als de VRT zijn leugens en verdraaiingen over het zogenaamde Australische “immigratiemodel” hebben doorprikt en hebben aangetoond hoe dat “model” in werkelijkheid een afschrikwekkend voorbeeld is van onmenselijkheid en totale minachting voor de anders zo geprezen “waarden van de Verlichting.” Als de media de geliefkoosde boksbal van de politiek zijn is er maar één conclusie: dat ze deze keer althans doen wat van hen wordt verwacht.

October 3, 2018 at 9:27 pm 1 comment

VERDEELD DUITSLAND

Topvoetballer Mesut Özil heeft in Duitsland over migratie en integratie een debat uitgelokt dat tot vandaag in de media, op kantoor, in de huiskamer en in de Stammkneipe blijft nazinderen. “Ik ben Duitser als we winnen, maar ik ben een immigrant als we verliezen,” zei Özil een paar weken geleden en wakkerde daarmee de controverse aan die al eerder was ontstaan door een foto waarop de voetballer te zien was in het gezelschap van de Turkse leider Erdogan. De mediastorm die daarop volgde deed veel Duitsers van Turkse of andere buitenlandse origine zich afvragen of ze na twee-drie generaties echt wel zo goed geïntegreerd zijn en als Duitsers aanvaard worden als ze tot nu toe dachten. Özil zelf zei vaarwel tegen de Mannschaft, die het ook al hard te verduren kreeg na de bedroevende prestatie op het wereldkampioenschap. Maar – zo schreef Der Spiegel – 58% van de Duitsers vinden niet dat Özil respectloos of racistisch behandeld werd en slechts 27% betreurt dat hij uit de nationale ploeg is verdwenen.

Özil met Erdogan. De foto deed een verhit debat losbarsten.

Het Özildebat komt bovenop de scherpe Duitse verdeeldheid over de migratieproblematiek. Ook in Duitsland worden de grenzen van het fatsoen voortdurend opgeschoven, ook in Duitsland wordt extreem-rechts en racistisch taalgebruik mainstream. Woorden die ons bekend in de oren klinken of hun Duitse variant worden bij onze Oosterburen steeds vaker in de mond genomen: “asieltoerisme,” “open-grenzenlobby” (“Anti-Abschiebe-Industrie.”), “Gutmenschen.” In talkshows worden moslims steevast geassocieerd met bedreiging of criminaliteit en op een Pegidabetoging in Dresden werden migranten uitgenodigd te “verzuipen” (“Absaufen.”)

Aan de andere kant van het spectrum heb je iemand als kardinaal Reinhard Marx die de christendemocraten Seehofer en Söder de mantel uitveegt wegens hun ruk naar rechts en hun populistisch taalgebruik. De stem van Marx, aartsbisschop van München en voorzitter van de Duitse bisschoppenconferentie, heeft gewicht in een land waar de christendemocratie nog altijd de dienst uitmaakt. Maar juist een partij die het woord “christelijk`’ in haar titel voert heeft volgens Marx bijzondere verplichtingen ten aanzien van de armen en de onderdrukten en dus ook van mensen die op de vlucht zijn voor armoede en vervolging. Dat spoort volgens de bisschop helemaal niet met de richting die CDU maar vooral de Beierse zusterpartij CSU uitgaat. Zo laakte de bisschop minister van binnenlandse zaken Horst Seehofer, die er prat op ging dat hij zijn 69e verjaardag had gevierd door 69 uitwijzingen te ondertekenen. “Hoogst ongepast” vindt de bisschop. En dat de Beierse minister-president Markus Söder het woord “Asieltoerisme” in de mond neemt kan Marx evenmin smaken. “Nationalist zijn en katholiek zijn dat gaat niet samen,” stelde de aartsbisschop zonder omwegen in een interview met het weekblad Die Zeit. Kom daar eens om bij onze zwijgzame bisschoppen die vooral de kool en de geit willen sparen.

Kardinaal Reinhard Marx: “Nationalist zijn en katholiek zijn dat gaat niet samen.”

Kardinaal Marx is niet de enige die door gevoelens van solidariteit en medeleven wordt bewogen. Volgens een enquête in opdracht van het ministerie voor gezinszaken engageren zich nu nog 20% van alle Duitsers met een of andere vorm van hulp aan vluchtelingen: financieel, met materiële hulp of met bijvoorbeeld taalondericht. Sedert 2015 was zowat de helft van de bevolking op een of andere manier bij de hulpverlening betrokken. Maar in een klimaat van angst en haat dreigt deze spontane stroom aan hulpverleners op te drogen. Ook economisch kan het kerende tij in Duitsland zware gevolgen hebben. In Der Spiegel maakt een vrouwelijke bedrijfsleider zich grote zorgen omdat van de twaalf immigranten die ze als werknemer heeft aangenomen de helft met uitwijzing wordt bedreigd. Meer dan 100 ondernemingen ijveren nu met een initiatief voor de legalisatie van hun vluchtelingen-werknemers.

Joe Kaeser, de baas van Siemens, het grootste Duitse industrie-en technologiebedrijf, is bezorgd om de toenemende verruwing van het debat. Toen Alice Weidel, de fractievoorzitster van de extreem-rechtse AfD het in de Bondsdag had over “hoofddoekmeisjes” en “mesmannen” antwoordde Kaeser op twitter: “Liever hoofddoekmeisjes dan Bund deutscher Mädel 1. Met zulke woorden beschadigt mevrouw Weidel het aanzien van ons land in de wereld, daar waar de voornaamste bron van de Duitse welvaart ligt.” Dat een industriemagnaat als Kaeser de parallel trekt tussen de Bondsrepubliek en de Nazitijd is hoogst uitzonderlijk. Maar ook toen, zo betoogde Kaeser in München, hebben teveel mensen te lang gezwegen. Zijn oom is in Dachau vermoord omdat hij weigerde aan te sluiten bij de Hitlerjugend.

Dat extreem-rechts nu in de Bondsdag zit is één ding, erger wellicht is dat partijen die tot het democratische centrum worden gerekend meer en meer in die richting opschuiven. Zoals bij ons figuren als Hendrik Bogaert of Gwendolyn Rutten het taalgebruik en ideeën van extreemrechts salonfähig maken, zo gaan Duitse christendemocraten en liberalen de populistische rand opzoeken. Of zoals een Duitse zakenvrouw van Turkse origine het in Der Spiegel verwoordt: “Met elk succes van de populisten laten de democratische partijen zich aan de neusring door de manege slepen. Dat kost hun alleen maar stemmen want wie volks-nationalistisch ingesteld is kiest voor het origineel en niet voor het afgietsel.”

Markus Söder, minister-president van Beieren (CSU)

De peilingen lijken haar gelijk te geven: de almachtige CSU met Markus Söder aan het hoofd van de regering in Beieren stevent in de Landsdagverkiezingen van 14 oktober aanstaande op een historische nederlaag af. De harde taal van Söder levert niet hem maar de concurrentie op rechts stemmen op. In de peilingen komt de AfD nu op de derde plaats, maar de grote winnaars lijken de Groenen te worden die met de 33-jarige Katharina Schulze een stemmenkanon in huis hebben. Daarom wordt nu al openlijk gespeculeerd over een “Groen-zwarte” coalitie in Beieren en wellicht met dat vooruitzicht matigt Söder in de campagne zijn anti-immigratierethoriek. Maar in de jongste geschiedenis hebben de verkiezingen in de Duitse deelstaten alleen dit gemeen: alle peilingen zaten glad verkeerd.

Johan Depoortere

1De vrouwenorganisatie van de Nazis

August 17, 2018 at 11:22 am 2 comments

DE ONZICHTBAREN

 

Tom Ronse

Je kunt het glas als halfvol of halfleeg beschouwen: Marine Le Pen verloor maar ze haalde haast twee keer zoveel stemmen als haar pa, de vorige kandidaat van het Front die de tweede ronde haalde. En voor wie won Macron, die in de media steevast een “politieke nieuwkomer” wordt genoemd, alsof zijn rol in de regering van Hollande niet politiek was? De verkiezing was hoe dan ook een nederlaag, wie er ook won.

Edouard Louis is een schrijver die opgroeide in een noord-frans dorp, in een gezin dat in diepe armoede belandde nadat de vader door een arbeidsongeval werkonbekwaam werd. Hij verwerkte zijn jeugdervaringen in een roman maar kreeg van zijn uitgever te horen dat het boek onpubliceerbaar was omdat het een armoede beschreef die in Frankrijk al meer dan een eeuw lang niet meer bestond; het verhaal was ongeloofwaardig. Woede en wanhoop voelde hij toen hij die email las.

Zijn arme vader voelde ook veel woede en wanhoop en en die maakten van hem een verwoede supporter van het Front National. Hij volgde zelfs zijn oudste zonen in het stemhokje om zeker te maken dat ze voor het FN stemden. Wat in hun dorp geen probleem was. Louis schreef een essay voor the New York Times, getiteld: “Why my father votes for Le Pen”. Stof tot nadenken. Hieronder een uitgebreid uitreksel:

 

What those elections really meant for my father was a chance to fight his sense of invisibility. My father understood, long before I did, that in the minds of the bourgeoisie — people like the publisher who would turn down my book a few years later — our existence didn’t count and wasn’t real.

My father had felt abandoned by the political left since the 1980s, when it began adopting the language and thinking of the free market. Across Europe, left-wing parties no longer spoke of social class, injustice and poverty, of suffering, pain and exhaustion. They talked about modernization, growth and harmony in diversity, about communication, social dialogue and calming tensions.

My father understood that this technocratic vocabulary was meant to shut up workers and spread neoliberalism. The left wasn’t fighting for the working class, against the laws of the marketplace; it was trying to manage the lives of the working class from within those laws. The unions had undergone the same transformation: My grandfather was a union man. My father was not.

When he was watching TV and a socialist or a union representative appeared on the screen, my father would complain, “Whatever — left, right, now, they’re all the same.” That “whatever” distilled all of his disappointment in those who, in his mind, should have been standing up for him but weren’t.
By contrast, the National Front railed against poor working conditions and unemployment, laying all the blame on immigration or the European Union. In the absence of any attempt by the left to discuss his suffering, my father latched on to the false explanations offered by the far right. Unlike the ruling class, he didn’t have the privilege of voting for a political program. Voting, for him, was a desperate attempt to exist in the eyes of others.

He and I almost never speak. Our lives have grown too far apart, and whenever we try to talk on the phone, we are reduced to silence by the pain of having become strangers to each other. Usually we hang up after a minute or two, embarrassed that neither of us can think of anything to say.
But even if I can’t ask him directly, I’m confident he is still voting for the National Front. In his village, Marine Le Pen came out way ahead in the first round of the election.

Today, writers, journalists and liberals bear the weight of responsibility for the future. To persuade my family not to vote for Marine Le Pen, it’s not enough to show that she is racist and dangerous: Everyone knows that already. It’s not enough to fight against hate or against her. We have to fight for the powerless, for a language that gives a place to the most invisible people — people like my father.

De vollledige tekst vind u HIER.

May 8, 2017 at 7:32 am 3 comments

REGELS ZIJN SOMS BELANGRIJKER DAN DEMOCRATISCHE CONTROLE

 

 

scheids-4

 
door Antdreas Tirez

 

Als je niet zomaar kan rekenen op de kiezer om machthebbers democratisch goed te controleren, zijn strikte regels een alternatief. Maar ze moeten dan wel goed gevolgd worden. Ook en vooral door machthebbers. De partijen Groen en Ecolo willen met een wetsvoorstel rond lobbyen meer transparantie bewerkstelligen over contacten tussen belangenorganisaties en beleidsmarkers. Het voorstel – enkel gericht op legeraankopen – is om onder meer een transparantieregister op te zetten dat alle contacten en hun inhoud registreert.

Die verhoogde transparantie laat oppositie, media of andere belangengroepen toe beter te controleren wat er achter de schermen gebeurt. Dat is essentieel om het vertrouwen in en de efficiëntie van ons politiek systeem te verbeteren. Het feit alleen al dat besluitmakers weten dat ze gecontroleerd kunnen worden, geeft hen een prikkel om niet enkel de regels beter te volgen, maar ook om beter werk af te leveren. Meer transparantie kan dan ook de werking van onze instellingen verbeteren.

Meer transparantie volstaat echter niet. Er moet ook voldoende aandacht zijn van de kiezer voor de fouten die door verhoogde transparantie naar boven zouden komen. Zoniet zal de verkozen politicus zich er weinig van aantrekken. En van de kiezer is geweten dat die zich doorgaans weinig tot niet interesseert voor het politieke reilen en zeilen. Die desinteresse kan worden verklaard doordat de individuele kiezer zich realiseert dat het niet de moeite loont om de publieke besluitvorming van nabij op te volgen. Die stelling staat centraal in de Public Choice theorie, zeg maar de economische theorie van de politiek. Vooral in de Verenigde Staten kent de theorie aanhang. Hier veel minder. En dat verbaast me telkens weer, want deze theorie geeft een krachtig denkkader om de politieke besluitvorming beter te doorgronden.

Informeren

De Public Choice theorie onderscheidt zich door de besluitvorming niet zozeer vanuit groepen of machtsblokken te benaderen, maar vanuit individuen binnen die blokken. Bij elke beslissing wegen die individuen hun voor- en nadelen af. De overheid, een politieke partij of ‘de kiezer’ is dan geen monolithisch blok, maar een groep van individuen met soms verschillende posities en belangen. Wat de kiezer betreft, stelt de theorie dat die tot het besluit komt dat het niet de moeite loont om zich goed te informeren over politiek.

De reden is heel simpel: de individuele kiezer weet dat zijn ene stem nooit het verschil zal maken bij een verkiezing. Dus waarom al die moeite doen om, ook al verloopt alles heel transparant, zich terdege te informeren? Uiteindelijk slaat ook één goed geïnformeerde stem geen deuk in een pakje politieke boter. Enkel als je toevallig van nature geïnteresseerd bent in politiek, informeer je je goed. Maar dat gebeurt dan omdat die bepaalde kiezer de politieke besluitvorming gewoon leuk vindt, en die aantallen zijn zeer beperkt. Reken dus niet op de kiezer om de machthebbers democratisch goed te controleren – op wat schandaaltjes na. Die kiezer heeft immers – overigens rationeel – besloten zich weinig of niet te interesseren om die controle geïnformeerd uit te oefenen.

Scrupuleus

De Public Choice theorie schuift een alternatief naar voren voor de democratische controle: regels. In de eerste plaats is dat de grondwet. Die beperkt de bewegingsruimte van wetgevers en andere machtshebbers. Dat werkt pas goed als de machthebbers collectief beseffen dat het voor de maatschappij en voor hen op lange termijn beter is die regels scrupuleus te volgen. Dat machtshebbers publiekelijk die regels aan hun laars dreigen te lappen, is dan ook een groot gevaar. Toen Donald Trump voor de verkiezingen aangaf dat hij bij verlies de uitslag niet per se zou aanvaarden, leidde dat terecht tot grote consternatie.

Dichter bij huis wil staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken een arrest van een administratieve rechter niet uitvoeren, ook al is hij daartoe verplicht. Hij volgt dus wetens en willens een belangrijke regel niet. Ook dat is een ernstig incident. Niet zozeer de zaak zelf, wel het niet volgen van de regel. Dat noch Theo Francken, noch de N-VA lijkt te beseffen waarom het zo belangrijk is dat machthebbers de regels volgen, is verontrustend.

We kunnen vaak niet rekenen op een goed geïnformeerde, democratische controle. Niet omdat kiezers dom zijn, maar omdat het niet rationeel is zich als individuele kiezer goed te informeren. Het alternatief is dat machthebbers zich laten inperken door regels. Maar dan moeten ze die wel volgen. Doen ze dat niet, dan hollen ze de goede werking van onze democratie uit.


Andreas Tirez

Dit opiniestuk verscheen eerst in De Tijd

Tirez is medewerker van de denkgroep Liberales

 

December 30, 2016 at 3:27 pm 1 comment

SERIEUS, AMERIKA?

Cartoon door David Rowe

Cartoon door David Rowe

calvin-post-trump

Tom Ronse

Ik zit nog wel met enkele vragen na deze verkiezingen. Zoals: waarom speelt Trump op het einde van zijn meetings altijd “You can’t always get what you want”, ondanks Mick Jaggers verzoek om daarmee op te houden? Is dat ironie of sarcasme? En: is de nieuwe president een psychopaat of is hij een sociopaat?

Net als Brexit toont zijn verkiezing dat de ontevredenheid en angst van een groot deel van de bevolking de laatste jaren enorm is toegenomen.  Daar zijn goede redenen voor: door de onstuitbare opmars van de automatisering en de harde concurrentie op de globale arbeidsmarkt zijn steeds meer mensen onzeker of ze morgen nog een baan zullen hebben, de kloof tussen rijk en arm groeit, de armoede en oorlogen jagen miljoenen op de vlucht, de klimaatrampen worden erger…en het zal er niet op verbeteren. Volgens een recente studie zal de armoede in de VS in de komende jaren fel toenemen.  Zie: http://www.cbsnews.com/news/80-percent-of-us-adults-face-near-poverty-unemployment-survey-finds/2/ 

Je zou denken dat dit een vruchtbare voedingsbodem zou zijn voor links. Maar het is rechts die de verbeelding van de massa verovert. Rechts, vermomd als anti-elitair. Trump noemde zijn campagne “een opstand tegen de elite”.  Dat hijzelf tot de elite behoort is geen bezwaar,  integendeel, zo kent hij “het systeem beter dan wie dan ook”, zoals hij zelf zegt. Belangrijker is wat hij zegt en hoe hij het zegt.  Het straffe aan deze verkiezingen is dat al de gebreken van de winnaar (zijn gebrek aan politieke ervaring, zijn beperkte kennis, zijn lompheid, zijn agressiviteit, zijn hoogmoed, zijn sexisme en racisme, zijn ijskoude relatie met de leiders van zijn eigen partij en ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan) in zijn voordeel werkten. Hij won omdat een niet-politiek correcte anti-politicus voor velen meer vertrouwen inboezemt dan een product van het Washington establishment, gesteund door Wall Street, de vakbonden, de meeste media, etc.

Ook links Amerika steunde Clinton, Bernie Sanders op kop. Grotendeels uit afkeer voor Trump. Toch is het merkwaardig om linksen zoveel enthousiasme aan de dag te zien leggen voor de kandidaat van Wall Street. Sommigen zelfs klakkeloos de propaganda weergalmend dat, in tegenstelling tot wat Trump beweerde, Amerika het nog nooit zo goed had, wat hen nog meer vervreemt van hen die iets anders ervaarden.

collage: Leone Ermer

collage: Leone Ermer

De triomf van Trump zaait paniek ter linkerzijde. “Binnen een jaar is Amerika een smeulende puinhoop”, “het zal geen half jaar duren voor hij een oorlog ontketent” en andere sombere voorspellingen zijn niet uit de lucht.  Even bedaren mag wel.

Trump heeft veel beloofd. Hij gaat de goede jobs, vast werk voor een fatsoenlijk loon, terugbrengen.  Niet alleen in de metropolissen van de East en West Coast, waar de economie relatief goed draait maar ook in het uitgestrekte gebied tussen in, waar de vooruitzichten donkerder zijn.  Hij zal dat doen door de ongedocumenteerde immigranten te deporteren, een muur aan de Mexicaanse grens te bouwen, belangrijke handelsverdragen te schrappen. Een wansmakelijk recept, inderdaad. Maar zal de soep zo heet worden verorberd als ze tijdens zijn campagne werd opgediend?

De president van Amerika is een machtig man maar toch ook niets meer dan een rader in een machine.  De inherente dynamiek van die machine kan hij niet ombuigen. Daarom zullen de globalisering en de automatisering ook onder Trump blijven toenemen. Kapitaal zoekt winst, dat is het grondprincipe.  De middelen daartoe zijn globalisering en automatisering, met alle gevolgen vandien.  Vandaar de nostalgie die Trump hielp winnen. Maar het betekent ook dat Trump niet in staat zal blijken om zijn beloften waar te maken. De goede jobs keren zullen niet terugkeren,  de illegale immigranten, onmisbaar onderdeel van de Amerikaanse economie, zullen blijven, zelfs de muur komt er wellicht niet.

Zijn overwinning werd door sommige linksen zelfs vergeleken met die van Hitler.  Maar Trump is geen Hitler. Zelfs geen Mussolini, al vertoont zijn mimiek wel een gelijkenis. Een betere vergelijking is Andrew Jackson, de Amerikaanse president in de vroege 19de eeuw.  We hadden het eerder over hem HIER.  Net als Trump was hij anti-politiek correct, lomp en agressief. Net als Trump won hij dank zij een ontevreden blanke arbeidersklasse. Net als Trump was hij gul met populistische beloften die hij niet kon noch wou waar maken.

Om de steun van zijn kiezers te behouden had Jackson nood aan een vijand, een mikpunt voor de frustraties.  De slachtoffers van dienst waren de indianen die Jackson massaal liet deporteren.  Nog een vraag waarmee ik zit: wie wordt het mikpunt als de mislukking van zijn beleid voor Trump de nood aan een vijand doet rijzen?

donald-trump-middle-finger-to-the-lord

 

 

 

 

November 10, 2016 at 7:42 am 9 comments

HOE TRUMP DE ARMSTE BLANKEN VERLEIDT

door Tom Ronse

valse hoop

valse hoop

De grootste fans van de miljardair Donald Trump vind je onder de armste blanke Amerikanen.  Wat drijft hen ertoe om een keuze te maken die zo te zien tegen hun eigen belangen ingaat?  Hen afschrijven als “dom” en “achterlijk” is zelf dom. Twee nieuwe Amerikaanse bestsellers graven dieper en schetsen een levendig beeld van de wanhoop en ontreddering die een vruchtbare voedingsbodem blijken voor Trumps demagogie.

 

In mijn NewYorkse buurt zag je tijdens de voorverkiezingen talrijke bordjes die steun proclameerden aan Bernie Sanders en hier en daar ook enkele van supporters van Hillary Clinton. Maar als je door de streken reisde waar de armste blanke Amerikanen wonen, dan zag je overal “Trump!”-bordjes in de voortuintjes staan.  J.D Vance’s “Hillbilly Elegy” en Nancy Isenbergs “White Trash” helpen dit fenomeen begrijpen, ook al is geen van beide boeken geschreven met die expliciete bedoeling.  De auteurs komen elk uit een verschillende ideologische hoek maar toch zijn hun beschrijvingen verrassend eensluitend. Beiden focussen op de rurale blanke arbeidersklasse.

“Hillbilly Elegy” werd met lof overladen, vooral –maar niet uitsluitend- in de conservatieve pers. “You will not read a more important book about America this year”, schreef ‘The Economist’.  ‘The American Conservative’ noemde het “the most important book of 2016”. “You cannot understand what’s happening now without first reading J.D. Vance”,  volgens dit blad, Vance is zelf een conservatieve auteur, een medewerker van de rechtse “National Review”. Maar in tegenstelling tot de meeste van zijn geestesgenoten schrijft hij met veel liefde over het meest misprezen segment van de Amerikaanse arbeidersklasse. “ Voor deze mensen”,schrijft Vance, “is armoede een familietraditie. Hun voorouders waren dagloners in de zuiderse slaveneconomie, landarbeiders, later mijnwerkers en fabrieksarbeiders.  Amerikanen noemen hen ‘hillbillies’, ‘rednecks’ of ‘white trash’, “ik noem hen buren, vrienden en familie”.

Hillbilly Elegy en auteur JD Vance

Hillbilly Elegy en auteur JD Vance

 

Chaos

Zijn boek is gedeeltelijk een autobiografie. Zijn familie was afkomstig uit de heuvels van Kentucky en emigreerde, samen met miljoenen anderen, om werk te zoeken in het meer industriële Ohio. Hij was nog een kind toen die streek, vanwege de vele fabrieksluitingen, een deel werd van wat “the rust belt” wordt genoemd. Zijn jeugd was geen pretje. Chaos, geweld, verslaving aan alcohol en drugs waren schering en inslag, niet alleen in zijn eigen familie maar ook in alle andere in zijn omgeving.  Zijn grootvader was een alcoholist, zijn moeder was verslaafd aan heroine en andere opiaten. Ze trouwde en scheidde vijf keren en had tal van vriendjes met wie ze voortdurend ruzie maakte. Ze probeerde heel hard om haar leven op het rechte pad te brengen maar mislukte telkens weer door de demonen die ze van haar eigen moeder had geërfd. De familie-incidenten die Vance beschrijft zijn soms grappig maar vaker hartbrekend.  Tegelijk beschrijft hij de hillbillies als liefdevol en loyaal, bekommerd om elkaar, fier op hun eigen cultuur. De “elites” (de autoriteiten en de begoede burgerij) behandelen hen neerbuigend en omgekeerd staan de hillbillies wantrouwend en vijandig tegenover de elites.  Zelfs progressieven voelen misprijzen voor de “white trash” volgens Vance. Hij citeert zijn “mamaw” (oma) die zei dat de hillbillies de enigen zijn waar je nog zonder schaamte op kunt neerkijken. Zonder vrees om de “politiek correcte” regels te breken door je schuldig te maken aan racisme of xenofobie.

Die mamaw was Vance’s reddende engel. Zij zorgde ervoor dat hij op school bleef, dat hij slechte vrienden vermeed (ze dreigde hen omver te rijden als hij niet uit hun buurt bleef). Onder haar impuls  nam hij dienst bij de mariniers, wat hem een studiebeurs opleverde. Hij studeerde rechten in Yale en begon aan een suksesvolle carriere. Hij vervoegde de elite.

De Trump-appeal

Wat hem een uitzondering maakte. De meeste van zijn vrienden en familieleden bleven gevangen in armoede en uitzichtloosheid. De vijandigheid tegen de elites is zo groot dat diegenen die zich proberen op te werken door anderen aanzien worden als verraders van hun gemeenschap (in arme zwarte milieus komt hetzefde voor: zij die hun best doen op school worden beschuldigd van “acting white”). Dat is volgens Vance een zelf-vernietigend aspect van de hillbilly-cultuur. Hij verwijt liberals (linksen) dat ze enkel oog hebben voor de structurele oorzaken van de armoede en negeren hoe de hillbilly-cultuur vooruitgang in de weg staat. Die cultuur is volgens hem doordrongen van een diep pessimisme, cynisme en hulpeloosheid. Hij ontkent niet dat daar structurele oorzaken voor zijn. Alleen in de decennia na de tweede wereldoorlog was er optimisme, schrijft hij. Maar door de sluiting van koolmijnen en staalfabrieken sloeg de hoop om in wanhoop.  Noch de Democraten noch de Republikeinen bieden een uitweg.

Daarom is de campagne van Trump “muziek voor hun oren”, aldus Vance. Trump bekritiseert bedrijven die  banen versluizen naar andere landen. Zijn apocalyptische  toon resoneert met hun angst voor de toekomst. Hij vindt er plezier in om de elites te kwellen, net zoals ze zelf zouden willen doen. Hij veroordeelt de oorlogen van Bush en Obama. Het leger is populair bij de rurale blanken –vele jonge hillbillies nemen dienst- maar de teleurstelling over het gebrek aan duidelijke overwinnigen en de behandeling van de oorlogsveteranen is groot. Belangrijkst van al: Trump spreekt niet zoals andere  politici. Zijn taal is slordig, hoekig, voor de vuist weg, in tegenstelling tot de gepolijste, ingestudeerde speechen van Hillary Clinton. Dat maakt het voor hillbillies makkelijker om zich met hem te identificeren.

Vance’s eigen vader is een typische Trump-supporter. “Natuurlijk weet ik dat hij onze problemen niet zal oplossen”, zei hij tegen zijn zoon, “maar hij praat er tenminste over.” Dat dit voor zijn vader en andere rurale blanken volstaat om Trump te steunen, illustreert volgens Vance hoe treurig het met de politieke conversatie in Amerika gesteld is.

the_donald_by_sharpwriter

“Blanke afval”

Nancy Isenberg vertelt geen persoonlijk verhaal. Zij is een historica maar wel een van de tegendraadse soort. Amerikanen zijn volgens haar grondig geindoctrineerd. Hun kennis van hun eigen geschiedenis is misvormd door hagiografie, mythes en vooroordelen. Op school en in de media krijgen Amerikanen opnieuw en opnieuw te horen dat ze in een uitzonderlijk land leven waar het klassensysteem is afgeschaft, waar iedereen de kans heeft om zijn “American Dream” te realiseren. In werkelijkheid was Amerika altijd een hierarchische maatschappij, gebaseerd op ras en klasse, stelt Isenberg. Voor een groot deel van de bevolking was en is de Amerikaanse droom een luchtkasteel. Dat geldt niet enkel voor de raciale minderheden maar ook voor vele blanken, in het bijzonder de rurale plattelandsbevolking.

White Trash en auteur Nancy Isenberg

White Trash en auteur Nancy Isenberg

De omschrijving “white trash” (“blanke afval”) gaat al lang mee.  De meerderheid van de Britten die in de 17de en de 18de eeuw naar de Amerikaanse kolonie verscheept werden, werden door de autoriteiten geclassifieerd als “waste people” en “rubbish” . De afval van Engeland  kon in de nieuwe wereld gebruikt worden als goedkope arbeidskracht. Velen moesten jaren in semi-slavernij werken “om hun reis af te betalen”.  De slavenhouders monopoliseerden de vruchtbare grond. De blanke armen bleven straatarm en veracht. Dat veranderde niet na de onafhankelijkheid. De min of meer heilig verklaarde “Founding Fathers” van de Amerikaanse republiek waren niet alleen zelf slavenhouders, ze koesterden ook een diepe minachting voor “the lower class”, zoals Isenberg overvloedig illustreert. De vaak geroemde president Thomas Jefferson vond dat ze beter gekweekt moesten worden, om het ras te verbeteren.  “We doen het met ons vee, waarom niet met mensen?”, schreef hij. Dat maakte hem een voorloper van de eugenetica-beweging.

Het is opvallend hoe vaak de upper class raciale termen gebruikte om de lower class te beschrijven. De blanke elite vond de plattelandsarmen een gedegenereerde soort, lager op de evolutieladder. Niet echt blank. “Hun huid heeft de kleur van vergeeld perkament”, schreef een 19de eeuwse commentator.  Eugenetica – de verbetering van het ras door het steriliseren van “gedegenereerden”-  werd populair in de 20ste eeuw. President Theodore Roosevelt was een voorstander. Tegen 1931 hadden 27 staten sterilisatiewetten goedgekeurd.  Wat toont dat sommige van Hitlers ideeen ook buiten Duitsland in zwang waren.

Isenberg exploreert ook hoe de massacultuur de vooroordelen over de “white trash” in stand hield. Zo fileert ze Hollywood-producties als “To kill a mockingbird” (1960) en “Deliverance” (1972). Dat er een traditie van racisme bestaat bij arme blanken ontkent ze niet. De oorsprong daarvan situeert ze in de burgeroorlog. Het gros van het zuiderse leger bestond uit arme blanken maar die begonnen meer en meer te deserteren. De leiders van het zuiden maakten hen toen bang dat ze op hetzelfde niveau zouden komen te staan als de slaven, als het noorden zou winnen. Politici in het zuiden hebben die taktiek sindsdien telkens opnieuw gebruikt.  Verdeel en heers.  Isenberg citeert president Johnson die over het racisme van arme blanken zei: “Als je de laagste blanke man kunt overtuigen dat hij beter is dan de beste kleurling, dan zal hij het niet merken dat je hem besteelt. Geef hem iemand om op neer te kijken en hij maakt zijn zakken leeg voor u.”

trumpist

 

Een proto-Trump

Isenberg’s beschrijving van Andrew Jackson die president was van 1829 to 1837, is fascinerend. De gelijkenis met Trump is treffend. “Het feit dat Jackson zich niet gedroeg als een conventionele politicus was een fundamenteel deel van zijn appeal”, schrijft Isenberg. Jackson was aanmatigend,grof,  opschepperig, een buitenstander die beloofde om in Washington schoon schip te maken. “Hij compenseert zijn gebrek aan argumenten met bezwerende uitspraken”, schreef een tijdgenoot.  Hij beschimpte iedereen die het niet met hem eens was. Dat zijn tegenstanders hem onbeschofte manieren verweten maakte hem alleen maar sympathieker in de ogen van het blanke proletariaat. Hij beloofde hen om de grootgrondbezitters aan te pakken maar daar kwam niets van in huis. Toch behield hij hun steun door zijn agressieve politiek tegen de indianen die hij met geweld van hun land verjaagde. Hij gaf hen iemand om op neer te kijken.

Jackson gebruikte wat Isenberg de “Arkansas Traveler- strategie” noemt. De naam komt van een oud volksverhaal over een politicus uit de grote stad die contact probeert te maken met een hillbilly maar op een muur van wantrouwen stoot. Maar dan neemt de “city slicker” de viool van de hillbilly en speelt er een hillbilly-wijsje op, waarop de hillbilly hem met open armen verwelkomt.

Trump heeft alvast getoond dat hij die viool kan bespelen.

 

 

J.D. Vance: Hillbilly Elegy, A Memoir of a Family and Culture in Crisis. 264 blz. Uitg. Harper

Nancy Isenberg: White Trash,The 400-Year Untold History of Class in America. 460 blz. Uitg. Viking

 

Een versie van dit artikel verscheen eerder in de boekenbijlage van De Morgen

 

 

 

September 8, 2016 at 4:03 am 3 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,571 other followers