Posts filed under ‘VS’

HOWARD ZINN BLIJFT ACTUEEL

OOK IN HET TRUMP-TIJDPERK

Howard Zinn, enkele jaren voor zijn dood in 2010

 

Tom Ronse

Het gebeurt maar heel zelden dat van een boek over geschiedenis meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn presteerde het met zijn “People’s History of the Unites States”. De klassieker die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank.  De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het nederlands heruit te geven.

 

In EPO’s uitgave is het boek getiteld: “Geschiedenis van het Amerikaanse volk”, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn, tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt, lijkt de term “het Amerikaanse volk” hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat het “het Amerikaanse volk” met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het “een verzonnen identiteit” is, dat de rode draad doorheen de geschiedenis van zijn land een radikale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als “het Amerikaanse volk”, “We, the people”, dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn “People’s History” beoogde was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals bv. LP Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

 

Partijdig

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord replikeert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. “Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat vermelden? Wat niet? Ik be­sefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (…) Achter elk feit dat wordt aangehaald schuilt een oor­deel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aange­haalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.”

Zinn geeft grif toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij  groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in  New York,  werk­te drie jaar op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst bij de VS-luchtmacht tijdens  WO II. Daarna studeerde hij geschiedenis. Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston was hij actief betrokken in de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam.  Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving “van onderuit” die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: “Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschie­denisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.”

Zinns voornaamste kritiek op de “ortho­doxe geschiedschrijving” is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van “grote mannen”: de “Founding Fathers” die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, FDR die de depressie en de nazi’s overwon, enzovoort.  Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een “redder in nood” om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot “om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen”. Dat idee van “redder in nood” zit volgens Zinn “ver­ankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.” Maar toch vooral in de politiek. De kiescampagne van Donald Trump was er gebaseerd op.

Ondanks de kritiek wordt Zinns “People’s History”  vandaag gebruikt als studieboek  in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten.  Van rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden. In Arkansas werd nog dit jaar daartoe een wetsvoorstel ingediend. Het werd niet goedgekeurd en leverde het boek nog wat extra-publiciteit op.

 

Spannende films

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft.  Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de USA is. Racisme, nationalisme,  imperialisme, oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van. Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van “the ordinary people”,  die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

De grote lijnen zijn bekend maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem nu Stefan Hertmans’ terecht bejubeld boek “Oorlog en terpentijn”: Je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat .

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijk boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films.  Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je haar doet rechtstaan. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang. Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren.  De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geimporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood –om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken-  omdat men liever winstgevende tabak kweekte dan levensmiddelen. Het was de periode waarin de Engelse landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa’s mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar noord-Amerika verscheept als “contractwerkers”. In EPO’s vertaling worden die vaak “bedienden” of “dienstboden” genoemd maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven.  Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo onstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen. Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieen –de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen- samen in opstand zouden komen.  De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig  om ze uiteen te houden.  Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de anders gekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn.  Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zelf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn kiescampagne.

Andrew Jackson

Een sprekend voorbeeld van zo’n politicus was Andrew Jackson die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de anti-politicus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wou inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel-en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

 

De legendarische Wobblies

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). Vakbond is eigenlijk niet het juiste woord want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden. De ‘Wobblies”, zoals IWW-ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond.  Ze waren anti-nationalistisch, anti-racistisch, anti-sexistisch  en vooral anti-kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts “oefeningen” voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en ”Big Bill” Haywood. Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. “Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.”

 

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills “Rebel Girl” werden later in het nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van die stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW “kinderkonvooien”: de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sympathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren.  Op basis van valse beschuldigingen werden de leiders tot lange celstraffen veroordeeld. De IWW bestaat nog steeds maar haar glorietijd is al lang voorbij.

 

Minutieus portret

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode  1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv:  hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washington-schandaal wordt uitgeplozen maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de “war on drugs” als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader.  Zoals David Van Reybroucks “Congo” schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme  in de VS namen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat  het nu zo druk besproken “Fake News” (nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden) allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT journalist en Salon-medewerker Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar maar de vertaler veroorloofde zich te veel vrijheid.  Het is beter, uit respect voor de auteur, om dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (en er zijn heel wat) in rijmend nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het engels). Was dat nodig?  Het is meestal erg goed gedaan maar de noodzaak om het te doen rijmen dwingt soms tot kunstgrepen die ons ver van het origineel verwijderen. En er zijn fouten. De “secretary of State” is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet “het oosten van St. Louis” maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bv. de eerste zin van hoofdstuk 11, “1877 kondigde de 19de eeuw al aan”, onzinnig is?  Had er nu nog de 20ste eeuw gestaan. In de oorspronkelijke tekst staat: “In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw” (mijn letterlijke vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

(Een versie van dit artikel verscheen deze week in de boekenbijlage van De Morgen)

 

 

 

mei 27, 2017 at 5:36 am Plaats een reactie

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

mei 24, 2017 at 3:48 pm 7 reacties

TRUMPS AMBASSADE

 

Zal Trump de VS ambassade in Israël onverwijld naar Jeruzalem verhuizen?

Door Lukas Catherine

trumpnetanyahu

Donald Trump met de Israëlische premier Netanyahu

Na zijn eedaflegging vrijdag zal President Donald Trump een weekendje vrij nemen en drie dagen later beginnen met wat hij allemaal beloofd heeft om op dag één van zijn presidentschap te doen. En dat is veel, u heeft over de meeste beloftes gelezen. Eentje is in onze media niet aan bod gekomen. De Israëlische pers heeft er wel ruim aandacht aan besteed. Hij wil de VS ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem verhuizen. Onverwijld zoals zijn woordvoerster Kellyanne Conway het aan de Israël-lobby in de VS beloofde.

Dat zou wel belangrijke politieke en diplomatieke implicaties hebben, ook voor een eventuele oplossing van het conflict. Tot op vandaag is tel Aviv de officiële hoofdstad van Israël en alle Westerse landen hebben daar hun ambassade, ook de VS. Israël wou dit veranderen na de verovering van Oost-Jeruzalem in 1967. In 1988 selecteerde de zionistische staat een stuk land waarop de Amerikanen hun ambassade zouden kunnen bouwen. Het waren de terreinen van de voormalige Allenby kazerne van de Britten. Generaal Allenby was de man die op het einde van de Eerste Wereldoorlog Jeruzalem voor de Britten op de Ottomanen veroverde.

allenbyvroeger

Allenby Kazerne vroeger

Tijdens de laatste dagen van zijn bewind (op 18 januari 1989) sloot president Ronald Reagan een huurcontract af voor 99 jaar tegen een symbolische 1 $ met Moshe Gatt van de Israël Land Authority. Dat organisme beheert alle in 1948 gestolen Palestijnse grond in Israël. Het betrof een groot deel van de grond waarop de voormalige Allenby kazerne stond.

Maar er gebeurde niets.

In 1995 vaardigde president Clinton The Jerusalem Embassy Act uit. En er gebeurde niets.

Daar is een goede reden toe.

De Britten waren zachtere kolonisatoren dan de Israëli’s. Zij stalen geen grond maar huurden dit van Palestijnen. Het ging om 109.774m². Zo had de Allenby kazerne op 15 mei 1948 toen het zionistische leger West-Jeruzalem en de Palestijnse wijk Talbia veroverde 67 eigenaars. Talbia werd omgedoopt tot Talpiot en de grond van de 67 eigenaars gestolen. Volgens internationaal recht zijn zij nog altijd eigenaars en een van die eigenaars is zelfs God. Want in 1724 had Sheikh Muhamed bin al sheikh Muhamad al Khalili zijn eigendom tot waqf laten verklaren. Waqf valt te vergelijken met onze kerkfabriek. De schenker en zijn erfgenamen blijven formeel eigenaar maar alle opbrengsten gaan naar God en zijn goede doelen. In zijn geval naar de zawiya (gebedshuis) van de Qadiri soefi’s verbonden aan de al Aqsa moskee.

Toen de VS de verhuisplannen voor zijn ambassade openbaar maakte schoten de erfgenamen van de rechtmatige eigenaars van de grond in aktie. Dat waren er ondertussen 137.1 Was het de moeite om daar rekening mee te houden? Het respect voor het internationaal recht van zowel Israël als de VS kennende natuurlijk niet.

Maar… Toen bleken zo’n 90 van die erfgenamen in de VS te wonen als Amerikaans staatsburger. En er was een precedent. Op 12 maart 1996 was de Helms-Burton Act van kracht geworden en die veroordeelde ‘the wrongful confiscation or taking of property belonging to US. Nationals and the subsequent exploitation of this property at the expense of the rightful owners.’ Alleen ging die act over geconfisceerd land van Amerikaanse burgers in Cuba. Maar toch…

allenbyvroeger

Op dit braakland stond de Allenbykazerne.

Op 28 oktober 1999 lieten de Palestijnse erfgenamen van het terrein Secretary of State Madeleine Albright weten dat ze op hun rechten als eigenaars stonden.

Een mogelijk proces van Amerikaanse staatsburgers tegen hun eigen administratie behoorde nu ook tot de mogelijkheden, naast problemen met het internationaal recht.

En vanaf de regeerperiode van Bill Clinton zocht men naar excuses om naar een andere locatie te zoeken. Een van de officiële redenen was dat er teveel hoogbouw rond het terrein stond en dat het daarom ongeschikt was.

Als je het lijstje overloopt van Amerikaanse presidenten die het voor Trump hebben geprobeerd: Reagan – Bush sr. – Clinton – Bush jr. en Obama dan rijst toch de twijfel of Donald Trump dit onverwijld zal verwezenlijken.

Lucas Catherine

1 Een uitgebreid overzicht over hoe de erfgenamen hun eigendom konden bewijzen is te vinden in: “Walid Khalidi, The Ownership of the U.S. Embassy site in Jerusalem,” pp. 80-101 van The Journal of Palestine studies Volume XXIX, number 4 (uitgegeven door the University of California Press, Berkeley, US

januari 21, 2017 at 5:46 pm Plaats een reactie

EEN REBELSE KERST

Door Jacqueline Goossens

1903-new-york-salvation-army-crop

 

Het is kerstmis in New York. Het jaar is 1898. Je bent rijk. Heel rijk. Je hebt dure geschenken gekregen en gegeven. Je hebt overvloedig gegeten. Je gaat naar je kleedkamer naast je slaapkamer. Je kiest je mooiste jurk uit, je duurste juwelen en je opvallendste hoed. Je man, in zijn eigen kleedkamer naast zijn eigen slaapkamer,  dost zich uit in zijn sjiekste pak en hoge hoed.  Beneden staat de koets al te wachten. Het is koud. Gelukkig is er bont. Het rijtuig ratelt naar  Madison Square Garden. Voor de ingang wemelt het van paarden en koetsen. Je stapt uit. Je man  houdt de toegangskaartjes klaar. Binnen dein je op golven van parfum, gelach, zijde, diamanten en pluimen. Je neemt plaats in een van de loges. Shhhhht. Het spektakel gaat beginnen. Je kijkt in spanning naar de arena onder je.

Een lange processie van kouwelijk, vermoeid uitziende ‘acteurs’ begint binnen te stromen. Tweeduizendtweehonderd mannen en vrouwen en kinderen. Voor iedereen is er een stoel voorzien aan de lange gedekte tafels. “Eerst gaan we een hymne zingen”, brult een man  beneden, gekleed in een Leger des Heils-uniform. Het publiek boven zingt mee: “Praise God from Whom All Blessings Flow…”  Als het lied uit is, mogen de gasten aan tafel gaan zitten. Nu kan de actie beginnen: in een perfect gecoordineerde choreografie rukken honderden kelners aan met volgeladen dienbladen. “Wie wil gebraden kalkoen? Hesp? Aardappelen? Raapjes? Brood? Taart?” Iedereen! Toch iedereen die beneden in de arena zit. Groot en klein stort zich op het eten. Wat een show! Je man stoot je aan: “Kijk daar, die vrouw zonder tanden! Ze propt haar jaszakken vol met kalkoen!” Het volk beneden eet  razendsnel. Natafelen is er niet bij.  Er staan immers nog  17.800 andere hongerige schooiers op straat te wachten om gevoerd te worden. Het bestuur van het Leger des Heils is in zijn nopjes.  Op nog geen enkele kerstdag hebben ze zoveel armen en daklozen te eten gegeven. De zaak loopt gesmeerd, met Amerikaanse efficientie. De volgende dag staat er een verslag van de gebeurtenis op de voorpagina van de New York Times, onder de titel “The Rich Saw Them Feast.” “De hymne werd eenstemmig gezongen”, schrijft de Times-reporter,“status en fortuin werden heel even vergeten…het was een ontroerende gebeurtenis… In heel  Europa werd er nooit iets dergelijk op zo’n enorme schaal georganiseerd.  Dit is het begin van een nieuw tijdperk,  de overbrugging van de kloof tussen rijk en arm.”

Het kerstmisdiner aan de lopende band voor paupers ter amusement van de rijken wordt een traditie in New York. De beste show grijpt plaats  in 1902. Het Leger des Heils heeft weer twintigduizend armoezaaiers uitgenodigd, dit keer in de Grand Central Palace. Zo’n duizend genodigden zijn newsboys, arme, dikwijls dakloze jonge kranteverkopertjes die de reputatie hebben de grootste deugnieten van New York te zijn.

newsboys

Ze zijn in twee groepen verdeeld. Vijfhonderd aan de ene kant van de zaal, vijfhonderd aan de andere met daartussen nog duizend andere gasten. Het is al prijs bij de eerste gang, kalkoen met veenbessen. Volgens newsboy-traditie moet de kerstmaaltijd met het dessert beginnen maar dat wist het Leger des Heils niet. De jongens protesteren luidruchtig en beginnen te gooien  met borden, bestek en kalkoen. Zelfs de kelners en het piekfijn uitgedost publiek worden niet gespaard.

In een artikel in de Tribune de volgende dag wordt in detail beschreven wat generaal Daniel Sickles en zijn dochter Mary  overkwam: “Mary droeg een Blenheim spaniel (een duur ras) in haar armen. Hij luisterde naar de naam Bulwer (een dure naam). Toen de jongens Bulwer in de gaten kregen, begonnen ze vleespastei en kalkoen naar hem te gooien. Mary schrok zodanig dat ze Bulwer uit haar armen liet glippen. Bulwer ging daarop bescherming zoeken bij generaal Sickler.  De jongens slaakten een triomfantelijke kreet en begonnen nu messen, vorken en lepels naar het hondje te gooien. Ze riepen dat de generaal een speech moest geven…  De generaal lachte en zei dat hij dat niet kon…”

Het Leger des Heils heeft zijn les geleerd. Het volgende jaar  laat ze slechts zeshonderd newsboys toe.  Politieagenten houden deze keer een oogje in het zeil. Maar de krantejongens geven hun publiek opnieuw waar voor hun geld. Weer worden tientallen rebellen de zaal  uitgegooid. Het is niet dat de newsboys geen manieren of geen honger hebben. Maar met hun opstandig theater willen ze tonen wat ze denken over hun pervers-starende weldoeners op de balkonnen.

 

Merry Christmas. En moge de rebelse spirit van de newsboys u inspireren in 2017.

 

xmas

december 24, 2016 at 5:03 am Plaats een reactie

HONGER IN HET LAND VAN OVERVLOED

thanksgiving

 

Door Jacqueline Goossens

Elke vierde donderdag van november wordt Thanksgiving gevierd in de VS. Het is een uniek-Amerikaanse feestdag waarop arm en rijk god en vaderland danken voor de overvloed die hen in mindere of meerdere mate te buurt valt. Het is het familie-smulfeest bij uitstek. Het middelpunt van een traditionele Thanksgiving-maaltijd is de gevulde kalkoen. Volgens de National Turkey Federation werden dit jaar ruim 46 miljoen kalkoenen verorberd op Thanksgiving. Een met verse ingrediënten goed bereide klassieke Thanksgiving-maaltijd dwingt mijn respect af. De kalkoen kan opgevuld zijn met brood, kastanjes, selder, appels en okkernoten, met worst en appels of met gerookte oesters. Daarbij horen ajuinringen in room, spruitjes (‘Brussels sprouts’ heet dat hier), zoete aardappels, sperziebonen, rode kool en wolkige puree van aardappels, pompoenen, raapjes, pastinaak en knolselder. Steevast zijn er een grote kom veenbessen en warm maisbrood om de saus van de kalkoen mee op te soppen. En om dat alles af te ronden moeten er pecannoten- en pompoenvlaaien met vanille-ijs en grote klodders room zijn. Ouderwetser kan het niet. En groot voordeel van deze hoorn des overvloeds: vegetariers komen volop aan hun trekken.

Hoe meer er op tafel komt hoe meer resten er overblijven. Volgens het USDA (United States Department of Agriculture) belandt jaarlijks 35 procent van het Thanksgiving-kalkoenvlees –ruim 92,5 miljoen kg –  in de vuilnisbak. Voeg daarbij nog de miljoenen tonnen onaangeraakte groenten en fruit. Dat in een land waar 18 procent van de bevolking voedselonzekerheid rapporteert waaronder 5 procent chronisch.

salinas-sla-oogsten

 

Op Thanksgiving verscheen in The New York Times een schrijnend artikel over de tienduizenden landarbeiders die in de Californische Salinas Valley werken op de immense velden waar groenten zoals broccoli, selder, bloemkool, spinazie en sla worden gekweekt. Velen van hen eten zelden van de groenten die ze oogsten. Volksgezondheids-experten in California spreken van een ware crisis van armoede en ondervoeding onder de landarbeiders en hun gezinnen. Meer dan een derde van de kinderen in de Salinas City Elementary School zijn dakloos; diabetes neemt gestadig toe en 85 procent van de arbeiders is zwaarlijvig, omdat goedkoper eten vaak meer calorieen bevat en ongezond is.

91 procent van de arbeiders is in het buitenland geboren, de meerderheid in Mexico. De helft daarvan zijn illegale immigranten die geen ziekteverzekering hebben en vaak wachten om naar een dokter te gaan tot hun symptomen acuut zijn geworden.

Door de combinatie van hoge huren en lage lonen -gemiddeld 10 tot 15 dollar- houden arbeiders vaak niet genoeg over om gezonde voeding te kopen.

Armoede en verwaarlozing bij de landarbeiders zijn niets nieuw, aldus The New York Times: “Een van de beroemdste inwoners van de Salinas Valley, de auteur John Steinbeck schreef in de jaren 1930 over de ‘vreemde houding tegenover een groep die onze landbouw succesvol maakt’. ‘De migranten zijn nodig en ze worden gehaat’, schreef hij, een sentiment dat volgens bewoners hier is heropgeleefd door de verkiezing van Trump als president en zijn beloften om arbeiders zonder papieren het land uit te zetten.”

november 26, 2016 at 3:03 am 3 reacties

SERIEUS, AMERIKA?

Cartoon door David Rowe

Cartoon door David Rowe

calvin-post-trump

Tom Ronse

Ik zit nog wel met enkele vragen na deze verkiezingen. Zoals: waarom speelt Trump op het einde van zijn meetings altijd “You can’t always get what you want”, ondanks Mick Jaggers verzoek om daarmee op te houden? Is dat ironie of sarcasme? En: is de nieuwe president een psychopaat of is hij een sociopaat?

Net als Brexit toont zijn verkiezing dat de ontevredenheid en angst van een groot deel van de bevolking de laatste jaren enorm is toegenomen.  Daar zijn goede redenen voor: door de onstuitbare opmars van de automatisering en de harde concurrentie op de globale arbeidsmarkt zijn steeds meer mensen onzeker of ze morgen nog een baan zullen hebben, de kloof tussen rijk en arm groeit, de armoede en oorlogen jagen miljoenen op de vlucht, de klimaatrampen worden erger…en het zal er niet op verbeteren. Volgens een recente studie zal de armoede in de VS in de komende jaren fel toenemen.  Zie: http://www.cbsnews.com/news/80-percent-of-us-adults-face-near-poverty-unemployment-survey-finds/2/ 

Je zou denken dat dit een vruchtbare voedingsbodem zou zijn voor links. Maar het is rechts die de verbeelding van de massa verovert. Rechts, vermomd als anti-elitair. Trump noemde zijn campagne “een opstand tegen de elite”.  Dat hijzelf tot de elite behoort is geen bezwaar,  integendeel, zo kent hij “het systeem beter dan wie dan ook”, zoals hij zelf zegt. Belangrijker is wat hij zegt en hoe hij het zegt.  Het straffe aan deze verkiezingen is dat al de gebreken van de winnaar (zijn gebrek aan politieke ervaring, zijn beperkte kennis, zijn lompheid, zijn agressiviteit, zijn hoogmoed, zijn sexisme en racisme, zijn ijskoude relatie met de leiders van zijn eigen partij en ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan) in zijn voordeel werkten. Hij won omdat een niet-politiek correcte anti-politicus voor velen meer vertrouwen inboezemt dan een product van het Washington establishment, gesteund door Wall Street, de vakbonden, de meeste media, etc.

Ook links Amerika steunde Clinton, Bernie Sanders op kop. Grotendeels uit afkeer voor Trump. Toch is het merkwaardig om linksen zoveel enthousiasme aan de dag te zien leggen voor de kandidaat van Wall Street. Sommigen zelfs klakkeloos de propaganda weergalmend dat, in tegenstelling tot wat Trump beweerde, Amerika het nog nooit zo goed had, wat hen nog meer vervreemt van hen die iets anders ervaarden.

collage: Leone Ermer

collage: Leone Ermer

De triomf van Trump zaait paniek ter linkerzijde. “Binnen een jaar is Amerika een smeulende puinhoop”, “het zal geen half jaar duren voor hij een oorlog ontketent” en andere sombere voorspellingen zijn niet uit de lucht.  Even bedaren mag wel.

Trump heeft veel beloofd. Hij gaat de goede jobs, vast werk voor een fatsoenlijk loon, terugbrengen.  Niet alleen in de metropolissen van de East en West Coast, waar de economie relatief goed draait maar ook in het uitgestrekte gebied tussen in, waar de vooruitzichten donkerder zijn.  Hij zal dat doen door de ongedocumenteerde immigranten te deporteren, een muur aan de Mexicaanse grens te bouwen, belangrijke handelsverdragen te schrappen. Een wansmakelijk recept, inderdaad. Maar zal de soep zo heet worden verorberd als ze tijdens zijn campagne werd opgediend?

De president van Amerika is een machtig man maar toch ook niets meer dan een rader in een machine.  De inherente dynamiek van die machine kan hij niet ombuigen. Daarom zullen de globalisering en de automatisering ook onder Trump blijven toenemen. Kapitaal zoekt winst, dat is het grondprincipe.  De middelen daartoe zijn globalisering en automatisering, met alle gevolgen vandien.  Vandaar de nostalgie die Trump hielp winnen. Maar het betekent ook dat Trump niet in staat zal blijken om zijn beloften waar te maken. De goede jobs keren zullen niet terugkeren,  de illegale immigranten, onmisbaar onderdeel van de Amerikaanse economie, zullen blijven, zelfs de muur komt er wellicht niet.

Zijn overwinning werd door sommige linksen zelfs vergeleken met die van Hitler.  Maar Trump is geen Hitler. Zelfs geen Mussolini, al vertoont zijn mimiek wel een gelijkenis. Een betere vergelijking is Andrew Jackson, de Amerikaanse president in de vroege 19de eeuw.  We hadden het eerder over hem HIER.  Net als Trump was hij anti-politiek correct, lomp en agressief. Net als Trump won hij dank zij een ontevreden blanke arbeidersklasse. Net als Trump was hij gul met populistische beloften die hij niet kon noch wou waar maken.

Om de steun van zijn kiezers te behouden had Jackson nood aan een vijand, een mikpunt voor de frustraties.  De slachtoffers van dienst waren de indianen die Jackson massaal liet deporteren.  Nog een vraag waarmee ik zit: wie wordt het mikpunt als de mislukking van zijn beleid voor Trump de nood aan een vijand doet rijzen?

donald-trump-middle-finger-to-the-lord

 

 

 

 

november 10, 2016 at 7:42 am 9 reacties

IN BROOKLYN STAAT EEN SPOOKHUIS

ex9a3250-edit

Door Tom Ronse

Foto’s: Will Star, Shooting Stars Pro

Oktober is de griezelmaand in Amerika. Ter gelegenheid van Halloween  worden huizen, winkels en voortuintjes versierd met nepgraven, spinnewebben uit een spuitbus en monsters allerlei. Plastieken geraamten rammelen in de bomen. Heksen, zombies, vampieren en “killer clowns” dwalen door de straten. Dit jaar was oktober extra griezelig vanwege de verkiezingen. De Mexicaanse kunstenaar Pedro Reyes greep de gelegenheid te baat om in Brooklyn een spookhuis  te ontwerpen waarin de monsters geen fantasie zijn.

Spookhuizen maken deel uit van de Halloween-traditie.  “Ze zijn nooit aanzien als een vorm van kunst maar ze zijn echte folk art”, zegt de 44-jarige Reyes. De monsters die er huizen zijn volgens hem een middel om over onze echte angsten te spreken. Zombies bijvoorbeeld, drukken onze angst voor de armen uit. Frankenstein-monsters doen hem denken aan genetische manipulatie, vampieren aan Wall Street. “Politici gebruiken angst om macht te veroveren”, zegt Reyes. “Het is dus een perfect moment voor een spookhuis dat experimenteert met het meest angstaanjagende dat je vandaag kunt vinden: de politiek.”

Pedro Reyes in het atrium van de Brookyn Army Terminal

Pedro Reyes in het atrium van de Brookyn Army Terminal

Toch zijn de monsters in zijn spookhuis niet zozeer politici dan wel de grote bedrijven die uit winstbejag de wereld naar een afgrond duwen. En die zo machtig zijn dat ze grotendeels ontsnappen aan democratische controle. Vandaar de titel van Reyes’ project: “Doomocracy”.

“Hieronymus Bosch meets Fox News”, zo vat Nato Thompson Doomocracy samen. Thompson, de artistieke leider van Creative Time, de vzw die Doomocracy organiseert, schreef samen met Paul Hufker het script dat de bijna 50 acteurs in het spookhuis uitvoeren. “We houden de maatschappij een lachspiegel voor”, zegt hij.

Het spookhuis (spookdoolhof zou een betere omschrijving zijn) bestaat uit 14 vertrekken waarin acteurs ruim 50 keren per avond een korte sketch opvoeren waarin het publiek betrokken wordt. De voorstelling begint na zonsondergang in de Brooklyn Army Terminal aan de dokken, een perfect spookachtig décor. De verlaten, gigantische gebouwen –de grootste ter wereld, toen ze in 1919 gebouwd werden- doen denken aan films als Metropolis en Brazil . Ze dienden als militair depot. Tijdens de tweede wereldoorlog werkten hier meer dan 55.000 mensen. In het enorme atrium van het grootste gebouw staat een door Reyes gemaakt houten beeld. Het is een afbeelding van het Vrijheidsstandbeeld op een tank,  gebouwd in de stijl van het Paard van Troje. Het symboliseert de Amerikaanse buitenlandse politiek, zegt Reyes. Onder het mom van de vrijheid wordt oorlog gevoerd.

ex9a2541-3

Hier begint het. Samen met mijn partner en tien andere lotgenoten word ik naar een busje geleid. We rijden over het terrein maar plots wordt het busje tegen gehouden door militaire politiemannen. Ze rukken de deuren open, schijnen hun zaklampen in ons gezicht, bevelen ons bars om uit te stappen en drijven ons in een donker gebouw. “Op een rij!” “Handen tegen de muur!”, blaffen ze ons toe. Je weet dat het theater is maar toch gaat je hart wat sneller kloppen.

ex9a2749

Gelukkig duurt het niet lang. De militairen sturen ons naar een stembureau waar een vriendelijk oud dametje –chihuahua op de schoot- ons registreert. We mogen stemmen terwijl we zien hoe in de aanpalende kamer stembriefjes worden versnipperd.

ex9a2688

Dan belanden we in een huiskamer waar we in comfortabele zetels luisteren naar twee huisvrouwen die ons pastelkleurige pistolen proberen te verkopen – “je weet toch nooit, met al die vreemdelingen die in de buurt komen wonen”. Natuurlijk gebeurt er een ongelukje.  Voor we ons daar druk over kunnen maken worden we naar het volgende vertrek geloodst, de wachtkamer van een dokter, met op de muren reclame voor valium, rilatine en andere wonderpillen. Een aan pijnstillers verslaafde vrouw probeert ons te overhalen om van de dokter een voorschrift voor haar te bekomen. Terwijl ze wanhopig pleit, wrijft ze haar vingers zenuwachtig en krijgt ze waarachtig echte tranen in de ogen. Straf staaltje method acting.

Dan belanden we in een rouwkamer waar een begrafenisondernemer op een orgeltje speelt en ons zijn populairste nieuwe modellen van doodskisten toont, gemaakt in het lievelingseten van de overledenen. Kinderen worden het liefst begraven in hun favoriete snoep, legt hij uit. “Every kid wants a candy coffin”, zingt hij zacht, terwijl we naar de volgende statie verhuizen.

ex9a2895-4

We zijn nu op de raad van beheer van een multinational en moeten kiezen tussen een plan dat de tewerkstelling beveiligt en een dat de aandeelhouders  bevoordeelt. Wie het eerste kiest moet langs een trap vier verdiepingen naar boven, krijgt een dienblad met versnaperingen in de handen, wordt behandeld als een latino die nauwelijks Engels kent. Wie zoals ik voor de aandeelhouders koos, mag met de lift naar een cocktail-party in de penthouse van een koppel hip-geklede kunstverzamelaars. De diep-gedecolleteerde gastvrouw geeft me een air kiss  en toont me een schilderij van Christopher Wool dat ze pas gekocht heeft. “FART” , staat er op, in dikke zwarte letters. “I think it’s about racism”, fluistert de dame in mijn oor. Ze wijst naar een model van een ruimteschip dat haar man zich laat bouwen. “Boys and their toys”, zegt ze met een fletse glimlach.

ex9a2963-2-1

Via een zilveren tunnel komen we in het klaslokaal van de toekomst. Een computer-avatar geeft ons geschiedenisles  (“slavernij was niet zo slecht”) en we krijgen kogelvrije schilden om op onze lessenaars te zetten voor als er weer eens een schietpartij uitbreekt. Dan bezoeken we een winkel van de firma “Breathe” die “artisanale Himalaya-lucht” verkoopt in een fel vervuilde wereld. “Alleen God ademt zo’n zuivere lucht in”, zegt de verkoopster.

ex9a3028

Vervolgens worden we getracteerd op een zang en dans-nummertje door anti-abortus-cheerleaders en een virtuele uitstap in de natuur (de echte natuurgebieden zijn geprivatiseerd).  Plots worden de parkwachters die ons rondleiden aangevallen door bizarre figuren- radicale verdedigers van dierenrechten, vermoed ik (zie foto boven dit stuk).

Dan is er nog een zaal  waar we aan de ene kant een echtpaar zien in een huiskamer ergens in het Midden Oosten en aan de andere kant een militaire technicus die van achter zijn computer ergens in Texas raketten afvuurt. Je voelt hoe dat moet aflopen.

doom-8

doom-8b

De laatste kamer is een grimmige commentaar op de verkiezingen: de helft van ons krijgt een Trump-masker op, de anderen een Clinton-masker en dan mogen we voetballen met een wereldbol als bal. Zo te zien zal de wereld deze verkiezingen niet overleven: Na een krachtig schot van een Trump-speler geeft de opblaasbal de geest.

Dan staan we weer op straat. Niet elke kamer was even geslaagd maar de totaalervaring was overweldigend.  Een passende viering van de honderdste verjaardag van de Dada-kunstbeweging.  “Het lijkt grappig”, zegt Thompson, “maar eigenlijk is het om te huilen.”  Helaas zullen niet veel Trump-supporters het spookhuis bezoeken. Voor de Clinton-supporters die dat wel doen is het een waarschuwing: als u denkt dat alles beter en rustig wordt na de verkiezingen, vergist u zich.

(Een licht verschillende versie van dit stuk verscheen donderdag in De Morgen)

november 6, 2016 at 3:33 am 2 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.307 andere volgers