Posts filed under ‘VS’

ODE AAN DE ZEE

Waarover dromen mensen die jarenlang  gevangen zitten zonder vorm van proces, die in hun wanhoop weigerden te eten en langs een buis door hun keel naar hun maag  gevoederd werden?  Ze dromen van de zee.

Dit althans is wat een tentoonstelling in New York lijkt uit te wijzen. Die is niet te zien in een van de bekende kunstgalerijen maar in de “presidential gallery” van het John Jay College of Criminal Justice, de grootste criminologie-hogeschool van het land, die in midtown Manhattan een ganse stratenblok in beslag neemt. De kunstenaars in kwestie zijn dan ook geen beroemdheden. Ze zijn amateurs en onderworpen aan strenge censuur. Ze maakten hun werk in het gevangeniskamp in Guantanamo  waar de VS sinds 2002 verdachten van terrorisme opsluit.

Het gevangeniskamp ligt in een Navy-basis in een stukje bezet Cuba, dus buiten de VS, wat volgens de Amerikaanse  regering impliceert dat regels die in de VS gelden er niet noodzakelijk van toepassing zijn. Zoals de ‘habeas corpus’-regel die verbiedt om mensen langdurig  op te sluiten zonder aanklacht of proces. Of het verbod om verdachten te folteren. Hoewel de regering het aanvankelijk ontkende, heeft een onderzoek door een senaatscommissie bevestigd dat er wel degelijk gefolterd werd in Guantanamo.

President Obama beloofde in januari 2009 dat het kamp binnen het jaar zou gesloten worden. Dat lukte hem niet. Wel is het aantal gevangenen, dat op het hoogtepunt in 2003 684 bedroeg, verminderd tot 41. De kans dat er nog meer worden vrijgelaten wordt klein geacht, zeker zo lang Trump president is.

Sinds 2008 krijgen de gevangenen de gelegenheid om kunstles te volgen. “Als ze daarmee bezig zijn, laten ze hun bewakers met rust”,zo legde een woordvoerder van de gevangenis uit. Potloden, pennen en ander scherp materiaal krijgen ze niet, om te voorkomen dat ze die als wapens zouden gebruiken. Terwijl ze tekenen en schilderen, zijn hun enkels geketend aan de vloer. Het grootste deel van wat ze maken wordt verbrand.  Maar de laatste jaren mochten sommige werken door advocaten van de gevangenen mee naar buiten worden genomen. Die advocaten contacteerden Erin  Thompson, kunst-professor aan John Jay College, en zo kwam de expo tot stand.

Er zijn werken te zien van acht gedetineerden.  Vier daarvan zitten nog steeds vast. De anderen zijn vrijgelaten maar echt vrij zijn ze niet: ze zijn bannelingen in een vreemd land en mogen niet naar huis terugkeren.

Wat hebben ze op hun kerfstok? Slechts een van hen, Ammar Al-Baluchi, is beschuldigd van betrokkenheid in de aanslagen van 9/11. Hij heeft bekend maar zegt dat die bekentenis er door foltering kwam. Dat hij gefolterd werd is een feit, hij liep er een ernstig hersenletsel door op. Zijn tekening in de expo, “Vertigo” is zijn poging om de duizelingen te beschrijven die hij door dat trauma voelt.

De andere gevallen zijn twijfelachtig. Volgens hun advocaten waren ze “in the wrong place at the wrong time”. Drijfhout in een internationale storm, meegesleurd in een veel te groot net. Sommigen weten niet eens waarvan ze verdacht werden. Niemand heeft het hen verteld. Ze werden nergens van beschuldigd.

Erin Thompson waarschuwt bezoekers dat ze zich bewust moeten zijn van de kunstwerken die ze niet kunnen zien. Daarmee bedoelt ze dat de kunstenaars niet vrij waren om te maken wat ze wilden. Ten eerste omdat ze hun kansen om ooit vrij te komen niet wilden verknallen. Ten tweede omdat de militaire censuur alleen werken laat passeren die onschuldig ogen. Elk werk in de expo draagt de stempel: “Approved by US Forces”. Dus zijn er geen afbeeldingen uit hun leven gegrepen.  Niets over wat er in Guantanamo gebeurt, geen prenten van folteringen.  Het dichts bij een politieke statement komt het werk van Al Qurashi die bijvoorbeeld het Vrijheidsbeeld verdrinkend schilderde. Het lijkt een wonder dat de censuur dit liet passeren.

In plaats van de gruwels van hun leven, schilderden de gevangenen de zee.

De tentoonstelling heet “Ode to the sea” en opent met een gelijknamig gedicht, van een anonieme gevangene. Het begint zo:

“O sea give me news of my loved ones

Were it not for the chains of the faithless

I would have dived into you

And reached my beloved family

Or perished in your arms”

 

“Toen de gevangenen in de kunst-klas hun eigen onderwerpen mochten kiezen, tekenden en schilderden ze opnieuw en opnieuw, obsessief, de zee”, vertelt Erin Thompson. “Schepen, golven, stormen, wrakken, pieren, steigers, zandstranden, rotsstanden, vuurtorens, mensen die vanop kliffen staren naar het water… vanuit hun cellen konden de gevangenen de zee voortdurend horen maar nooit zien. De vele omheiningen zijn bedekt met dekzeilen. Een keer, toen er een orkaan op komst was, werden de dekzeilen op sommige plaatsen weg genomen. De gevangenen die de zee konden zien keken ernaar tot de dekzeilen enkele dagen later terugkeerden.”

De kunstenaars vertelden haar dat ze de zee zien als een symbool van hoop en angst. “Ik beelde me in dat er op een dag een schip zou komen en  me mee zou nemen, weg van Guantanamo ”, vertelt een van de kunstenaars, Al Rahabi, nu een banneling in Montenegro.

Over een schilderij dat een mooi strand uitbeeldt, zei Al Ansi, nu een banneling in Oman: “Telkens als ik ernaar keek dacht ik hoe graag zou ik daar zijn.”

De zee als symbool van hoop, heimwee en ontsnapping maar ook van gevaar. Al Ansi schilderde ook het werk dat boven dit stuk staat en een verdronken vluchtelingenkind toont dat op de kust is aangespoeld. Nadat zijn aanvraag tot vrijlating was afgewezen, schilderde hij een wenend oog boven een kust. Het oog, zo legde hij uit, symboliseerde zijn moeder.

 

Khalid Qasim uit Jemen schilderde een grijze kille zee waarin haaievinnen dreigend uitsteken. De Algerijn Djamel Ameziane schilderde onderstaand tafereel van een scheepswrak zonder overlevenden. “Op  de ergste momenten voelde ik me als een boot in vreselijke stormen”, zo legde hij uit.

Moath Al Alwi, een Jemeniet die nog steeds vastzit, bouwt miniatuurschepen met materialen die hij ter plaatse vindt. Drie van zijn schepen zijn te zien op de expo.

Naar verluidt heeft Al Alwi onlangs nog een mooier schip gemaakt maar de kans dat buitenstanders het te zien krijgen is klein. Toen de autoriteiten lucht kregen van de tentoonstelling hebben ze verboden om nog kunst uit Guantanamo naar buiten te laten komen. Kwestie van niet de indruk te wekken dat de gevangenen het er te goed hebben. Beslist is dat de kunstenaars een beperkt aantal werken in hun cel mogen houden en dat de rest zal vernietigd worden.

Tom Ronse

Ode to the Sea: Art from Guantánamo,” is te zien tot eind januari 2018 in “the President’s Gallery of the John Jay College of Criminal Justice, City University of New York”.

Al Ansi, Approved

december 2, 2017 at 8:38 am Plaats een reactie

EPPINK SLAAT DE BAL MIS

Donald Trump

In zijn tweewekelijkse column voor De Morgen, slaagt Derk Jan Eppink erin om op subtiele wijze het “gedachtengoed” van Donald Trump de mainstream binnen te smokkelen. Eppink levert milde kritiek op de tactiek van Trump die “niet tijdig in de gaten had” dat “in Amerika niets gevoeliger is dan ‘ras.” Vervolgens maakt Eppink een vergelijking met Obama, die eveneens de gevoeligheden zou hebben onderschat maar die geblunderd zou hebben in de andere richting, namelijk door niet of te aarzelend islamterrorisme te veroordelen. Eppink spuit op die manier vakkundig mist om de kern van de zaak te verhullen, namelijk dat aan het hoofd van de Westerse wereld een man staat met diep ingewortelde vooroordelen tegen alles wat niet hagelwit is. 

Neo-Nazis in Charlottesville

De naakte waarheid: Trump is een onverbeterlijke onversneden racist. De eerste reactie van Trump op de gebeurtenissen van afgelopen week waarin hij het fascistische geweld minimaliseerde liet zijn ware aard zien. Twee dagen later en na zware druk van zijn omgeving kon hij het opbrengen om met veel meel in de mond een verklaring van de telepromptor af te lezen waarin hij racisme veroordeelde. Zijn lichaamstaal schreeuwde luid: “Dit doe ik om mijn politieke hachje te redden maar ik meen het niet.” De dag erop liet de president weer de ware Trump in hem los om in de bekende stijl wild om zich heen te slaan en fascisten met antifascisten over dezelfde kam te scheren.

charlottesville-social-media.jpg.size.custom.crop.1086x721

Onder de fascistische betogers bevonden zich volgens Trump ook “fijne mensen.”

Dat de racistische reactie van Trump meer is dan een uitschuiver blijkt uit talloze eerdere verklaringen en gedragingen, teveel om hier op te noemen. Het volstaat te verwijzen naar de campagne die de basis was voor zijn latere gooi naar het presidentschap: de hardnekkig verspreide racistische leugen dat Obama geen “echte Amerikaan” kan zijn omdat hij niet in de VS maar in Afrika geboren zou zijn. Minder bekend is het bloedstollende verhaal van de “Central Park Five” waarin Trump alweer de rol op zich nam van racistische diehard-scherprechter. Vijf jonge Afro-Amerikanen en hispanics werden in 1990 tot lange gevangenisstraffen veroordeeld voor de gruwelijke verkrachting van een jonge vrouw in het New Yorkse Central Park. De vijf hadden onder druk bekend maar hun bekentenissen weer ingetrokken. Donald Trump betaalde bijna 100000 dollar voor een paginagrote advertentie in alle grote kranten van New York – waaronder The New York Times – waarin hij herinvoering van de doodstraf eiste voor de veroordeelde tieners, die hij “wilde criminelen” noemde. Twaalf jaar later bekende de ware dader van de verkrachting, een bekentenis die door DNA-onderzoek werd bevestigd. De vijf oorspronkelijk veroordeelden kwamen na twaalf jaar onterechte opsluiting vrij en kregen een gezamenlijke schadevergoeding van 40 miljoen dollar. Dat belette presidentskandidaat Donald Trump allerminst om nog in 2016 te herhalen dat de Central Park Five zoals ze intussen waren gaan heten schuldig waren en dus in de gevangenis thuishoorden.

Yusself Salaam, één van de Central Park Five, werd tot 13 jaar gevangenis veroordeeld voor een misdaad die hij niet heeft begaan.

 

De betaalde advertentie waarin Trump oproept de doodstraf uit te voeren.

Woorden vertellen alles, zij het niet altijd luidop maar fluisterend als subtekst. Eppink imiteert achteloos – zo lijkt het – het woordgebruik van Trump. De onuitgesproken boodschap luidt dat fascisten en antifascisten zich moreel op hetzelfde vlak bevinden. De door Trump geïntroduceerde term “alt-links” als spiegelbeeld van “alt-right” komt als sluipend gif het taalgebruik binnen. Maar “alt-links” bestaat niet, het is een hersenspinsel van Trump dat Eppink en anderen geloofwaardigheid verlenen door het kritiekloos te herhalen en op die manier de mainstream binnen te smokkelen.

Het moge duidelijk zijn: de heer Eppink is geen “waarnemer” of “analist” maar een ideologische scherpslijper die aan den brode komt als werknemer van een instelling die de Republlikeinse partij van reactionair ideologisch voer voorziet. Eppink, die een vaak geziene gast is in programma’s als Terzake en De Afspraak,  is geen journalist maar een (ex-)politicus van rechtse tot extreemrechtse signatuur. Van deze boer geen eieren.

Johan Depoortere

18 augustus 2017

augustus 18, 2017 at 8:45 am 2 reacties

“BE VERY VERY NERVOUS”*

* Dixit Trump, 10 augustus

Photoshop montage Eric Wayne

 

Door Tom Ronse

Er is geen gevaar dat er spoedig een oorlog zal uitbreken tussen de VS en Noord-Korea (tenzij per ongeluk, een mogelijkheid die niet helemaal kan uitgesloten worden). Maar het feit zelf dat de leiders van deze landen openlijk dreigen met het gebruik van kernwapens, met “total warfare” en zelfs met de vernietiging van een heel volk, is veelbetekenend.

Van het Noord-Koreaanse regime zijn we die hysterische toon gewoon. Het verbergt zijn zwakheid al sinds jaar en dag achter stoere krijglustige taal. Maar dat het ons niet verbaast als de leiders van de VS over de mogelijkheid van de totale vernieting van een land spreken, is alarmerend. Niet dat iedereen de furieuze woorden van Trump en zijn defensieminister goed gekozen vond maar er was geen massale globale verontwaardiging over de pure waanzin van dit scenario.

Een oorlog met kernwapens is vandaag onwaarschijnlijk maar de “war of words” met Noord-Korea dient om ons in te enten tegen het idee dat zo’n oorlog onvoorstelbaar is. De bevolking leert te wennen aan het idee dat het nodig kan zijn voor “het nationaal belang” en dat zij die zich er tegen verzetten “bleeding hearts” en landsverraders zijn.

Zoals een schooljongersruzie zal het conflict de-escaleren. Maar het zal niet verdwijnen.

De positie van het Noord-Koreaanse regime is in essentie defensief. Het zoekt zijn territorium of zijn markten niet uit te breiden maar het wilt de macht die het heeft in handen houden. Die macht berust in de eerste plaats op terreur, op de militarisering van de maatschappij, op de isolatie van de bevolking van de buitenwereld. Maar daarop niet alleen. Nationalistische trots en de David-tegen-Goliath-mythe spelen een belangrijke bindende rol. Om die in stand te houden, moet het Noord-Koreaanse regime in de David-positie blijven en dus de Goliath (de VS) blijven uitdagen. De raket-testen hebben dus een dubbele functie: de bevolking iets geven om toe te juichen en Washington waarschuwen dat Noord-Korea geen Irak is. Van deze twee was de eerste misschien wel de belangrijkste.

Er werden zware economische sancties tegen Noord-Korea afgekondigd. Zoals gewoonlijk zullen die de armen armer maken terwijl de rijken er geen ongemak van zullen ondervinden. Het regime is bereid om een derde van zijn export-inkomsten te verliezen (als het in praktijk zoveel blijkt, wat me zou verbazen) om de David-mythe in stand te houden. En aan de andere kant van de oceaan houdt dat de symbiotische mythe in stand van de knettergekke dictator die ons wil vernietigen, wat onze regeerders het recht geeft “to do whatever it takes” om ons te beschermen. Kim Jong-un heeft een buitenlandse vijand nodig maar Trump ook, om de expansie van de militaire uitgaven te verrechtvaardigen en de aandacht af te leiden van de leegheid van zijn kiesbeloften.

cartoon door Matt Wuerker

Het spektakel zal dus voortgaan maar zal het enkel een spektakel blijven? Het wordt steeds moeilijker om de noodzaak om winst te maken –waartoe elk bedrijf, elk land gedwongen wordt- te verzoenen met de noden van de mensheid. Steeds meer mensen worden in de globale automatiserende economie “overbodig”; nutteloos voor het kapitaal, een kost in plaats van een bron van winst. Er is ook steeds meer aanleiding om economische concurrentie te doen escaleren naar militaire concurrentie. Kanonnenvlees genoeg. Er komt een dynamiek op gang die “het onvoorstelbare” voorstelbaar maakt, die de vernietiging van het milieu en massamoord op burgers een logische, rationele  keuze maakt. De oorzaak daarvan gaat veel dieper dan de mentale conditie of de beleidskeuzes van de politici die nu aan de macht zijn (voor wie alles op Trump steekt: Hillary Clinton beloofde tijdens de kiescampagne “de totale vernietiging van Iran” als dat land Israel zou aanvallen). Niet de waanzin van Kim en Trump is het probleem maar de waanzin van het systeem waarvan zij exponenten zijn. De mensvijandige logica van dat systeem moet in vraag gesteld en opzij geschoven worden om te voorkomen dat deze “wars of words” massale vernietigingsoorlogen worden.

Iets nieuw moet verbeeld worden.

augustus 13, 2017 at 5:43 am 2 reacties

CHOMSKY VALT AAN

 

Noam Chomsky

 

Door Tom Ronse

“Wie regeert de wereld?” is de originele titel van het pas door EPO uitgegeven boek “De Chomsky papers”. Het antwoord op die vraag is minder evident dan pakweg twintig jaar geleden. De VS is nog altijd de dominante supermacht maar die macht is in verval, meent Chomsky. Net daardoor wordt ze volgens hem nog gevaarlijker. De “Doomsday Clock” staat op drie voor twaalf”, waarschuwt hij.

Noam Chomsky is een fenomeen. Hij staat bekend als de vader van de moderne linguistiek en een pionier van de cognitieve wetenschap. Daarnaast  was en is hij een politieke activist en auteur van een hondertal boeken en nog veel meer artikels. Kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek en media is zijn hoofdthema. Hij wordt veel gelezen, wereldwijd. Door de enen wordt hij op de handen gedragen, door anderen verguisd. The Observer noemde hem “the world’s greatest public intellectual”, Der Spiegel “de ayatollah van de anti-Amerikaanse haat”.

De star quality van de auteur is vermoedelijk de reden waarom EPO de titel van het boek veranderde in “De Chomsky papers” (eerder gaf EPO al “De essentiële Chomsky” en drie andere Chomsky-boeken uit). Het  boek is een verzameling van eerder gepubliceerde essays, waarvan het oudste dateert van 1966. Helaas heeft de auteur geen poging ondernomen om lang geleden geschreven essays te actualiseren of om de herhalingen die in hoofdstuk na hoofdstuk opduiken te schrappen.

Het boek verscheen in het Engels in 2016. EPO’s versie bevat een nawoord, geschreven na de verkiezing van Trump. Chomsky verwacht uiteraard dat die het nog veel erger zal maken.  De feiten geven hem gelijk.  Trump lijkt vastbesloten om de opwarming van de planeet te versnellen, de bewapeningsuitgaven drastisch te verhogen, de belastingen van de rijksten te verlagen en te besparen op de rug van de armen, de ouderen en de zieken. Wat dat laatste betreft, krijgt hij nog wat tegenwind maar de noodzaak om nog meer uit te geven om Amerika’s militaire suprematie te handhaven wordt in het Congres niet in vraag gesteld. De bereidheid van de bevolking om de nodige offers daartoe te aanvaarden steunt op een brede aanvaarding van de premisse dat de Amerikaanse militaire macht een noodzakelijke en goedaardige rol speelt in de wereld. De wijsheid van een militaire interventie mag betwijfeld worden maar niet de goede bedoelingen.  Het is die mythe die Chomsky onderuit schopt.

Zo contrasteert hij de bewering dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich tot doel stelt om vrijheid en democratie te verspreiden met vele voorbeelden die net het omgekeerde tonen.  Washington steunt een democratisering als dat de belangen van het Amerikaanse kapitaal dient, zo toont hij aan, maar als dat niet het geval is aarzelt ze niet om verkozen regeringen omver te werpen en dictators te steunen. Verkiezingen worden geprezen maar als een bevolking “verkeerd” kiest, zoals de Palestijnen in Gaza, dan wordt ze daarvoor gestraft.

Terwijl hij de vele Amerikaanse militaire interventies overloopt, fileert Chomsky de hypocrisie van de propaganda die ze begeleidde. Achter de humanitaire slogans schuilt vaak een kille onverschilligheid voor de gruwelijke gevolgen voor de burgerbevolking. Hij hekelt de verloedering van het woord “terrorisme”, dat nu in heel de wereld gebruikt wordt om de acties van vijanden te beschrijven maar niet die van bondgenoten.  Washington gaf het voorbeeld toen het de bomaanval op de kazerne van de Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983 terrorisme noemde maar de slachtpartij die kort daarvoor met steun van Israel plaatsgreep in Sabra en Shatila niet. Nochtans was het doelwit in het eerste geval militair en in het tweede de burgerbevolking. De vervaging van dat onderscheid is gevaarlijk omdat ze aanslagen op burgerbevolking even legitiem maakt als acties tegen militaire tegenstanders.

Over selectieve verontwaardiging  heeft Chomsky een heel hoofdstuk.  De wijze waarop gebeurtenissen worden voorgesteld in de media vormen en misvormen onze kijk op de wereld. Ook onze eigen mainstream media laten zich vaak leiden door de selectieve woede van Washington. Chomsky geeft daar treffende voorbeelden van.

Te simpel

Chomsky wil een globaal portret schilderen maar slaagt daar niet echt in. Door zijn grotendeelse focus op het Midden-Oosten, Europa en Rusland en Oost-Azië, blijft de rest van de wereld buiten zijn gezichtsveld.

Voor hem lijkt er maar één imperialistisch land te bestaan. De VS is de enige boosdoener, de rest zijn handlangers of slachtoffers. De misdaden van anderen blijven buiten zijn gezichtsveld.

Volgens Chomsky wordt het wereldgebeuren gedreven door politici. Hij ziet enkel Washington, in dienst van een superrijke, hebzuchtige elite. De onderliggende omwentelingen in de economie en samenleving blijven buiten zijn gezichtsveld. De schaalvergroting van de economie, de IT-revolutie en vele andere ingrijpende veranderingen spelen geen rol in zijn verhaal.

Ingewikkeld maakt hij het niet. De globalisering reduceert hij tot “de bewuste, zelfgekozen ondermijning van eigen krachten” (van de VS). De eindeloze crisis van het Midden-Oosten is de schuld van het Sykes-Picot akkoord (1916) dat  artificiële grenzen creërde, plus Amerikaans imperialisme, en daarmee is de kous af.  Chomsky’s analyse blijft oppervlakkig.  Hij ontmaskert “the good guys”, ze blijken “the bad guys”. De rollen zijn omgekeerd. De “baddest” van al is de Republikeinse partij, “de gevaarlijkste organisatie uit de wereldgeschiedenis”, want ze “heeft zich tot doel gesteld zo snel mogelijk elke vorm van georganiseerd menselijk leven op aarde te vernietigen.”

Dit boek is een aanklacht, een polemiek. Maar een diepgravende analyse van de oorzaken van de huidige ellende is het niet en evenmin biedt het een perspectief om eruit te geraken. Toch is het het lezen waard. Chomsky wrijft het zand uit onze ogen, dat er door propaganda is ingestrooid.

 

Noam Chomsky, De Chomsky papers, EPO, € 24.95

 

(Dit stuk verscheen woensdag in De Morgen)

 

juli 7, 2017 at 3:31 am Plaats een reactie

HOWARD ZINN BLIJFT ACTUEEL

OOK IN HET TRUMP-TIJDPERK

Howard Zinn, enkele jaren voor zijn dood in 2010

 

Tom Ronse

Het gebeurt maar heel zelden dat van een boek over geschiedenis meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn presteerde het met zijn “People’s History of the Unites States”. De klassieker die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank.  De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het nederlands heruit te geven.

 

In EPO’s uitgave is het boek getiteld: “Geschiedenis van het Amerikaanse volk”, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn, tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt, lijkt de term “het Amerikaanse volk” hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat het “het Amerikaanse volk” met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het “een verzonnen identiteit” is, dat de rode draad doorheen de geschiedenis van zijn land een radikale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als “het Amerikaanse volk”, “We, the people”, dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn “People’s History” beoogde was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals bv. LP Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

 

Partijdig

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord replikeert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. “Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat vermelden? Wat niet? Ik be­sefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (…) Achter elk feit dat wordt aangehaald schuilt een oor­deel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aange­haalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.”

Zinn geeft grif toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij  groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in  New York,  werk­te drie jaar op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst bij de VS-luchtmacht tijdens  WO II. Daarna studeerde hij geschiedenis. Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston was hij actief betrokken in de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam.  Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving “van onderuit” die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: “Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschie­denisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.”

Zinns voornaamste kritiek op de “ortho­doxe geschiedschrijving” is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van “grote mannen”: de “Founding Fathers” die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, FDR die de depressie en de nazi’s overwon, enzovoort.  Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een “redder in nood” om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot “om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen”. Dat idee van “redder in nood” zit volgens Zinn “ver­ankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.” Maar toch vooral in de politiek. De kiescampagne van Donald Trump was er gebaseerd op.

Ondanks de kritiek wordt Zinns “People’s History”  vandaag gebruikt als studieboek  in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten.  Van rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden. In Arkansas werd nog dit jaar daartoe een wetsvoorstel ingediend. Het werd niet goedgekeurd en leverde het boek nog wat extra-publiciteit op.

 

Spannende films

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft.  Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de USA is. Racisme, nationalisme,  imperialisme, oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van. Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van “the ordinary people”,  die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

De grote lijnen zijn bekend maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem nu Stefan Hertmans’ terecht bejubeld boek “Oorlog en terpentijn”: Je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat .

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijk boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films.  Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je haar doet rechtstaan. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang. Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren.  De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geimporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood –om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken-  omdat men liever winstgevende tabak kweekte dan levensmiddelen. Het was de periode waarin de Engelse landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa’s mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar noord-Amerika verscheept als “contractwerkers”. In EPO’s vertaling worden die vaak “bedienden” of “dienstboden” genoemd maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven.  Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo onstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen. Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieen –de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen- samen in opstand zouden komen.  De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig  om ze uiteen te houden.  Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de anders gekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn.  Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zelf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn kiescampagne.

Andrew Jackson

Een sprekend voorbeeld van zo’n politicus was Andrew Jackson die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de anti-politicus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wou inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel-en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

 

De legendarische Wobblies

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). Vakbond is eigenlijk niet het juiste woord want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden. De ‘Wobblies”, zoals IWW-ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond.  Ze waren anti-nationalistisch, anti-racistisch, anti-sexistisch  en vooral anti-kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts “oefeningen” voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en ”Big Bill” Haywood. Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. “Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.”

 

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills “Rebel Girl” werden later in het nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van die stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW “kinderkonvooien”: de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sympathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren.  Op basis van valse beschuldigingen werden de leiders tot lange celstraffen veroordeeld. De IWW bestaat nog steeds maar haar glorietijd is al lang voorbij.

 

Minutieus portret

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode  1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv:  hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washington-schandaal wordt uitgeplozen maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de “war on drugs” als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader.  Zoals David Van Reybroucks “Congo” schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme  in de VS namen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat  het nu zo druk besproken “Fake News” (nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden) allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT journalist en Salon-medewerker Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar maar de vertaler veroorloofde zich te veel vrijheid.  Het is beter, uit respect voor de auteur, om dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (en er zijn heel wat) in rijmend nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het engels). Was dat nodig?  Het is meestal erg goed gedaan maar de noodzaak om het te doen rijmen dwingt soms tot kunstgrepen die ons ver van het origineel verwijderen. En er zijn fouten. De “secretary of State” is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet “het oosten van St. Louis” maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bv. de eerste zin van hoofdstuk 11, “1877 kondigde de 19de eeuw al aan”, onzinnig is?  Had er nu nog de 20ste eeuw gestaan. In de oorspronkelijke tekst staat: “In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw” (mijn letterlijke vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

(Een versie van dit artikel verscheen deze week in de boekenbijlage van De Morgen)

 

 

 

mei 27, 2017 at 5:36 am Plaats een reactie

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

mei 24, 2017 at 3:48 pm 7 reacties

TRUMPS AMBASSADE

 

Zal Trump de VS ambassade in Israël onverwijld naar Jeruzalem verhuizen?

Door Lukas Catherine

trumpnetanyahu

Donald Trump met de Israëlische premier Netanyahu

Na zijn eedaflegging vrijdag zal President Donald Trump een weekendje vrij nemen en drie dagen later beginnen met wat hij allemaal beloofd heeft om op dag één van zijn presidentschap te doen. En dat is veel, u heeft over de meeste beloftes gelezen. Eentje is in onze media niet aan bod gekomen. De Israëlische pers heeft er wel ruim aandacht aan besteed. Hij wil de VS ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem verhuizen. Onverwijld zoals zijn woordvoerster Kellyanne Conway het aan de Israël-lobby in de VS beloofde.

Dat zou wel belangrijke politieke en diplomatieke implicaties hebben, ook voor een eventuele oplossing van het conflict. Tot op vandaag is tel Aviv de officiële hoofdstad van Israël en alle Westerse landen hebben daar hun ambassade, ook de VS. Israël wou dit veranderen na de verovering van Oost-Jeruzalem in 1967. In 1988 selecteerde de zionistische staat een stuk land waarop de Amerikanen hun ambassade zouden kunnen bouwen. Het waren de terreinen van de voormalige Allenby kazerne van de Britten. Generaal Allenby was de man die op het einde van de Eerste Wereldoorlog Jeruzalem voor de Britten op de Ottomanen veroverde.

allenbyvroeger

Allenby Kazerne vroeger

Tijdens de laatste dagen van zijn bewind (op 18 januari 1989) sloot president Ronald Reagan een huurcontract af voor 99 jaar tegen een symbolische 1 $ met Moshe Gatt van de Israël Land Authority. Dat organisme beheert alle in 1948 gestolen Palestijnse grond in Israël. Het betrof een groot deel van de grond waarop de voormalige Allenby kazerne stond.

Maar er gebeurde niets.

In 1995 vaardigde president Clinton The Jerusalem Embassy Act uit. En er gebeurde niets.

Daar is een goede reden toe.

De Britten waren zachtere kolonisatoren dan de Israëli’s. Zij stalen geen grond maar huurden dit van Palestijnen. Het ging om 109.774m². Zo had de Allenby kazerne op 15 mei 1948 toen het zionistische leger West-Jeruzalem en de Palestijnse wijk Talbia veroverde 67 eigenaars. Talbia werd omgedoopt tot Talpiot en de grond van de 67 eigenaars gestolen. Volgens internationaal recht zijn zij nog altijd eigenaars en een van die eigenaars is zelfs God. Want in 1724 had Sheikh Muhamed bin al sheikh Muhamad al Khalili zijn eigendom tot waqf laten verklaren. Waqf valt te vergelijken met onze kerkfabriek. De schenker en zijn erfgenamen blijven formeel eigenaar maar alle opbrengsten gaan naar God en zijn goede doelen. In zijn geval naar de zawiya (gebedshuis) van de Qadiri soefi’s verbonden aan de al Aqsa moskee.

Toen de VS de verhuisplannen voor zijn ambassade openbaar maakte schoten de erfgenamen van de rechtmatige eigenaars van de grond in aktie. Dat waren er ondertussen 137.1 Was het de moeite om daar rekening mee te houden? Het respect voor het internationaal recht van zowel Israël als de VS kennende natuurlijk niet.

Maar… Toen bleken zo’n 90 van die erfgenamen in de VS te wonen als Amerikaans staatsburger. En er was een precedent. Op 12 maart 1996 was de Helms-Burton Act van kracht geworden en die veroordeelde ‘the wrongful confiscation or taking of property belonging to US. Nationals and the subsequent exploitation of this property at the expense of the rightful owners.’ Alleen ging die act over geconfisceerd land van Amerikaanse burgers in Cuba. Maar toch…

allenbyvroeger

Op dit braakland stond de Allenbykazerne.

Op 28 oktober 1999 lieten de Palestijnse erfgenamen van het terrein Secretary of State Madeleine Albright weten dat ze op hun rechten als eigenaars stonden.

Een mogelijk proces van Amerikaanse staatsburgers tegen hun eigen administratie behoorde nu ook tot de mogelijkheden, naast problemen met het internationaal recht.

En vanaf de regeerperiode van Bill Clinton zocht men naar excuses om naar een andere locatie te zoeken. Een van de officiële redenen was dat er teveel hoogbouw rond het terrein stond en dat het daarom ongeschikt was.

Als je het lijstje overloopt van Amerikaanse presidenten die het voor Trump hebben geprobeerd: Reagan – Bush sr. – Clinton – Bush jr. en Obama dan rijst toch de twijfel of Donald Trump dit onverwijld zal verwezenlijken.

Lucas Catherine

1 Een uitgebreid overzicht over hoe de erfgenamen hun eigendom konden bewijzen is te vinden in: “Walid Khalidi, The Ownership of the U.S. Embassy site in Jerusalem,” pp. 80-101 van The Journal of Palestine studies Volume XXIX, number 4 (uitgegeven door the University of California Press, Berkeley, US

januari 21, 2017 at 5:46 pm Plaats een reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.337 andere volgers