JAMBON EN DE ZESTIG IMAMS

 

door Lucas Catherine

10 juli bij de Brusselse Beurs, een plek waar het stadsbestuur normaal een betogingsverbod handhaaft. Maar nu wordt er betoogd, door zestig imams onder leiding van minister Jan Jambon. Er staan zeker dubbel zoveel flikken opgesteld en een honderdtal nieuwsgierigen. Ik haast mij naar Le Suisse voor een sandwich en nog voor die op is zijn de imams verdwenen.

 

Zijn ze verdwenen zoals indertijd de dansende moslims van Jambon? Ik zoek duiding.

Het tv-nieuws laat twee imams aan het woord –duidelijk geen Belgen- en interviewt ook een rabbijn, Avi Tawil. Wat die man daar doet wordt niet gezegd. Ook in de krant word ik niet veel wijzer, behalve dan dat de Vlaamse Leeuw soms naar links en soms naar rechts klauwt. We zijn 11 juli.
Ik bekijk de foto’s van het evenement op internet en wie staat daar naast Jan Jambon? Marek Halter, volgens het onderschrift de organisator van het evenement. De man heeft trouwens ook gespeecht.

 

 

Dat heb ik verdorie gemist, want die kerel ken ik van vroeger. Pseudo-linkse intellectueel, propagandist voor Israël, indertijd bewonderaar van Golda Meir en Ariel Sharon. Steunde Nicolas Sarkozy met een verkiezingsspotje en is vooral bekend als leugenaar. Zo zegt hij geboren te zijn in het ghetto van Warschau en er via de riolering uit te zijn ontsnapt. Iets wat de historicus Michel Borwitz in het joodse blad, Unser Wort al in 1980 als compleet verzonnen af deed. Wie had het weer over de ‘uitbuiting van de holocaust’ en lanceerde de vroegere Israëlische minister van BuZa, Abba Eban niet de witz: “There’s no business like ‘Shoah’ business.” ?
Halter organiseerde de mars samen met Hassen Chalgoumi, ‘voorzitter van de Conférence des Imams de France’ een schimmige organisatie die niet erkend is door de wel representatieve Conseil Français du Culte Musulman. Maar dat melden de media niet. Die laatste organisatie weigerde trouwens voor de mars op te roepen en blijkbaar heeft Chalgoumi ook bij de Belgische moslims geen goeie naam, want waar een maand geleden nog gesproken werd dat er enkele duizenden moslim sympathisanten zouden opdagen aan de Beurs, stonden daar zo’n 120 mensen, waaronder veel toeristen. Chalgoumi is zowat de ‘imam de service’ van Israël, vooral sinds hij samen met Alain Finkelkraut en op kosten van de Israëlische ambassade in 2012 de zionistische staat bezocht.

De mars kadert dus blijkbaar in de Israëlische propaganda. Zo stelt hun propagandahandboek, Fighting the Media War for Israel:  ‘Verwijs er steeds naar dat zowel Israël als het Westen bedreigd worden door het terrorisme.’

En zo komen we terecht bij Rabijn Avi Tawil die o.a. op het VRT-nieuws werd geïnterviewd. De man is ‘executive director’ van het European Jewish Community Center.

 

Deze lobbygroep organiseerde samen met de European Coalition for Israel een meeting onder de titel What EU can Learn from Israel (8 dec.2016). Een van de iniatiefnemers was Bas Belder van de Staatkundig Gereformeerde Partij – Zijn partij ijvert voor een ‘godsregering op basis van de Bijbel’-, lid van de Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers (AECH),  vice-voorzitter van de Commissie voor de Betrekkingen EU-Israël, columnist bij Israël Aktueel. Ook de NV-A is lid van die AECH. Zou Bas Belder een goed woordje hebben gedaan bij Jan Jambon om dit evenement mee te sponseren? Of werd het ingefluisterd door onze lokale Marek Halter, Zevi (Michael) Freilich?

juli 17, 2017 at 9:54 am Plaats een reactie

PARIJS-BERLIJN

De as Berlijn-Parijs wordt nieuw leven ingeblazen en dat zou goed nieuws moeten zijn voor de toekomst van Europa. Niet over de toekomst maar over het verleden van de twee hoofdsteden die zo bepalend waren voor de geschiedenis van het continent  zijn vrij recent twee boeken verschenen: “Berlijn, Leven in een gespleten stad” van Piet de Moor en “Het andere Parijs” van Luc Sante, een Amerikaan van Belgische origine die naam heeft gemaakt met talrijke werken over populaire cultuur, fotografie, literatuur, muziek en film.

Door Johan Depoortere

HET ANDERE PARIJS, Stad van het volk

Luc Sante

Antwerpen Polis, 2016

349 p.

De gespletenheid van Berlijn, tot een kwarteeuw geleden een gedeelde stad, daar hoeft weinig verklaring bij. Maar ook Parijs is een stad waar twee werelden naast en soms tegen elkaar bestaan. Luc Sante laat zijn boek beginnen met een stuk dialoog uit de film Pépé le Moko van Julien Duvivier (1937) waarin de twee hoofdrolspelers Gaby (Mireille Balin) en Pépé (Jean Gabin) nostalgisch mijmeren over hun geboortestad Parijs. Maar Gaby, de dochter van welgestelde ouders en Pépé blijken het elk over een totaal ander Parijs te hebben. Gaby over de “Quartier de l’ Europe,” het noordwestelijke stuk “van de taart,” waar de gegoede burgerij woont, Pépé over de rest: het proletarische Parijs, maar ook dat van de straatartiesten, de voddenrapers, de gauwdieven, het café-chantant en la bohème, een Parijs dat intussen verdwenen is.

Sante put uitvoerig uit een indrukwekkende reeks boeken, films, muziek en foto’s om zijn verhaal te vertellen en citeert naar hartenlust uit bekende en soms obscure werken zoals dat van Jean-Paul Clébert: Paris Insolite (1952). Clébert, een telg uit een burgerlijk milieu liep op zijn zestiende weg uit een jezuieteninternaat, ging in het verzet en leidde na de oorlog een bestaan als clochard, maar vooral als flaneur, een categorie die bij Sante in het bovenste laatje ligt. Het Parijs dat hij beschrijft is dat van de man (vrouwelijke flaneurs komen in het stuk niet voor) die schijnbaar doelloos door de stad dwaalt en daarbij eindeloos tijd maakt voor onverwachte ontmoetingen, gesprekken en drinkpartijen met al wie hij op zijn weg tegenkomt.

Het Parijs van Clébert

Clébert hoorde overigens thuis in de subcategorie van de flaneur de nuit in de lijn van Restif de la Bretonne, de 18e-eeuwse pionier op het gebied en veel later de fotografen die het wonder van het electrische licht in beeld probeerden te vatten. Al in 1905 maakte Gabriel Loppé (1825-1913) zijn beroemde foto van de bliksemschicht op de Eifeltoren.

Foto Gabriel Loppé – 1905

Brassaï (1899-1984) legt in zijn foto’s de dolle jaren vast van het Volksfront met de bals-musette, travestietenbals, Folies Bergère en opiumtenten. Zijn foto’s van het interieur van de balzalen maar ook van hoeren en arbeiders in de riolen aan het werk, van liefdesparen en criminelen in actie hebben voor decennia daarna het beeld geschapen dat elke toerist van Parijs is gaan dromen. Het is een Parijs dat toen al – aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – gedoemd was te verdwijnen.

Een iconische foto van Brassaï

Dat het Parijs dat we vandaag kennen nog weinig met dat van pakweg begin 19e eeuw te maken heeft hebben we te danken aan de opeenvolgende aanvallen van bouw-en vernielingswoede van de heersende machten. Baron Haussmann (geen echte baron, maar zo liet hij zich zelf graag noemen) was prefect van de Seine tussen 1853 en 1870, het begin van de Frans-Pruissische oorlog.

Rue Rivoli, het straatbeeld dat het patroon werd voor Parijs.

Na de Revoluties van 1848 pakten Napoleon III en Haussmann het drastisch aan: Haussmann liet 20000 huizen slopen, ook dat waar hij zelf geboren was. In de plaats kwamen brede lanen die het mogelijk moesten maken om militaire detachementen snel te verplaatsen waar nodig. Haussmann trok met een lineaal lijnen door hele stadswijken waardoor straten en huizen verdwenen en vervangen werden door majestueuze zij het steriele pleinen zoals de Place de la Révolution waar de drukke en populaire Boulevard du Crime moest verdwijnen en met haar de theaters en cafés waar generaties lang de massa’s drank en vertier vonden. De Ile de la Cité, het oudste hart van Parijs dat dateerde uit de middeleeuwen en daarvoor, werd herschapen in een kale vlakte – vrijwel alleen de Notre Dame bleef gespaard. Wie tranen laat voor het oude Parijs moet ook bedenken dat de leefomstandigheden in de Ile de la Cité erbarmelijk waren, met smalle steegjes die nauwelijks licht doorlieten en waar door vocht en kou chronische ziektes de straatarme inwoners decimeerden.

Het scheelde niet veel of in de twintigste eeuw had Le Corbusier – een bewonderaar van Mussolini – wat van het oude Parijs was overgebleven vervangen door zijn fameuze Cité Radieuse met torengebouwen en brede toegangswegen voor koning automobiel. Dat is dus niet doorgegaan maar in de jaren 70 had president Georges Pompidou wel oor naar de ideeën van Corbusier en andere modernisten. Hij liet de beroemde Hallen van Haussmann afbreken en vervangen door het modernistische en voor velen schreeuwlelijke Centre Beaubourg. Met de Hallen verdween niet alleen de markt uit het centrum van Parijs maar werd een eeuwenoude buurt herschapen tot een pretpark ten behoeve van de toeristen. Het moet op het krediet van zijn opvolger Giscard d’Estaing worden geschreven dat Parijs in de decennia daarna gespaard is gebleven van verdere hoogbouw zoals La Défense aan de rand van de stad.

De enorme kloof tussen arm en rijk aan het einde van de 19e – begin 20e eeuw. (Petit Palais)

Het moge duidelijk zijn, Luc Sante betreurt het verdwijnen van het oude Parijs, maar hij trapt niet in de val van de valse romantiek die in dat soort werken meestal wijdopen staat. Het leven van de petit peuple was geen pretje. Naarmate de stadsplanners het centrum van Parijs “moderniseerden” werden de armen verder naar de rand verdreven. In een film van Georges Lacombe (1902-1990) uit 1928 wordt ons een blik gegund op het leven van de chiffonniers: de voddenrapers en vuilnisophalers. In scènes die sterk doen denken aan wat je vandaag kunt zien in miljoenensteden als Mexico of Manila leven honderden mannen, vrouwen en kinderen op de vuilnisbelten waar ze al het bruikbare sorteren en verzamelen. De film is getiteld La Zone, de naam van het gebied waar de onderlagen van de Parijse bevolking werden samengeveegd aan de rand van de stad. In 1841 liet Louis Philippe een vestingsmuur bouwen op de plek van de huidige Périphérique, waardoor het grondgebied van de stad werd uitgebreid met een aantal landelijke dorpen en een 300 meter brede bufferzone die het centrum buiten het bereik van vijandelijke artillerie moest houden. Het duurde niet lang voor de Zone werd ingenomen door al wie uit het duurdere centrum werd verdreven: voddenrapers, artiesten, criminelen, zigeuners en hoeren. De Parijzenaars bedachten voor hen verschillende koosnaampjes: la Canaille, la crapule, la vermine of nog la rapaille, het woord dat Sarkozy koos om de rebellerende jongeren in de banlieue te “benoemen”. Anderhalve eeuw na de bouw van de muur die al in 1871 werd afgebroken zijn de armen – die intussen kansarmen heten – immers nog verder de stad uitgedreven naar de banlieue, de buitenwijken aan de andere kant van de Périphérique.

Chiffonniers. Uit de film La Zone

Ravachol, een populaire anarchist die stierf onder het mes van de guillotine werd door het volk vereerd

Om de zoveel bladzijden kreeg ik bij de lectuur van dit boek de bijna onbedwingbare neiging om de TGV te nemen en naar Parijs te reizen om de plekken te zien waar Sante over schrijft. Maar ik weet dat ik van een kale reis zou terugkomen: het Parijs van Sante is niet meer. Het lelijke gezicht van de armoede, de stank en de ellende zijn uit beeld verdreven. In de plaats is het geld gekomen. Parijs is gesaneerd en gedesinfecteerd ten behoeve van de miljoenen toeristen die elk jaar de stad bezoeken. Het legendarische café Chez Moineau waar Ed van der Elsken zijn iconische foto’s van de jaren zestig maakte is nu naar verluidt een pianobar. La bohème ça ne veut plus rien dire du tout, zingt Charles Aznavour. De verpretparking loert om de hoek: “Van wat ooit werd geleefd en beleefd resten nog slechts afbeeldingen.”

De sixties van Ed van der Elsken

“Mijn boek is een soort liefdesbrief voor de stad zoals hij was voor hij werd ingenomen door het geld,” zegt Luc Sante in een interview met The Guardian. En ik wil de lezer de rest van het citaat niet onthouden: “Geld kan wat mij betreft niet zoals terrorisme mensen onmiddellijk doden, maar zeker is dat het op een veel diepere en achterbakse manier het weefsel van het dagelijks leven aantast. De terrorist kan over 50, 20 of 10 jaar verslagen worden, maar het is veel moeilijker om het geld te verslaan.”

BERLIJN: leven in een gespleten stad

Piet de Moor

Amsterdam: van Gennep, 2016

373 p.

“Het verleden is in Berlijn altijd meer aanwezig, de toekomst onzekerder dan in een andere stad,” schrijft Piet de Moor die sinds 2010 in de stad woont en er eerder, begin jaren 70, ook al twee jaar verbleef. Over dat verleden schrijft de Moor dus vanuit het gezichtspunt van een Berlijner en dat levert althans voor een niet-specialist als ik een aantal treffende nieuwe inzichten op. Zoals de ware betekenis van Kennedy’s enorme populariteit en zijn gevleugelde uitspraak ich bin ein Berliner, waarover later meer.

De Moor begint zijn geschiedenis van de stad met de boekverbranding op 10 mei 1933. De logistiek voor deze spontane actie van het Duitse volk is in de maanden en weken daarvoor grondig voorbereid. Nationaalsocialistische studenten zijn de aanstokers. Wolfgang Hermann, een bibliothecaris uit Spandau heeft ze geholpen met een lijst van alle auteurs die naar zijn mening verbrennungswürdig zijn. Maar de lijst lekt voortijdig uit en Hermann is daar niet blij mee: hij vreest dat de bibliotheken de gewraakte boeken snel in veiligheid zullen brengen en dat de studenten daardoor achter het net zullen vissen. Zijn vrees in ongegrond: in de ochtend van woensdag 10 mei schuimen de studenten de depots af. Ze stapelen hun buit op in de Oranienburgstrasze. “De boeken zien eruit als gevangenen die naar het schavot worden gebracht” schrijft Philip Metcalfe in “1933”. Vervolgens gaan de boeken van hand tot hand en de laatste student in de rij geeft het boek aan de vlammen prijs met een rituele vuurspreuk: “Hiermee geef ik de geschriften van Sigmund Freud aan de vlammen prijs.”

Hitler is dan amper drie maanden kanselier. De bejaarde en half demente president Hindenburg heeft zijn afkeer van de Oostenrijkse Gefreiter ingeslikt en hem aan het hoofd gesteld van een regering met behalve de Führer zelf slechts twee nazis. De traditionele rechtse partijen dachten de stokebrand op die manier te kunnen neutraliseren. Het pakte anders uit: vijf maanden later was de rechtsstaat afgebouwd, of zoals de Moor het formuleert: “Onder het gejuich van de elites is Duitsland vijf maanden na het aantreden van Hitler in een totalitaire staat getransformeerd.” Niet alleen de rechtse partijen, ook vadertje Stalin had zijn aandeel in de ondergang van het democratische Duitsland: hij kelderde het antifascistische bondgenootschap tussen sociaaldemocraten en communisten. Maar volgens de publicist en historicus Sebastian Haffner lag de ‘”hoofdverantwoordelijkheid voor het debacle van de Weimarrepubliek bij de leiders van de democratische partijen en organisaties die de nazis lieten betijen (…) doordat zij achter de leuzen van de nazis aanliepen en hun ‘evenzeer nationaal-zijn benadrukten.”

Droogwoners

Trockenwohner van Heinrich Zille

Dieper in de geschiedenis: ook Berlijn kende net als Parijs zijn low life : de werklozen, armoezaaiers, analfabeten, dronkenlappen, klaplopers, bedelaars en hoeren die de wereld bevolken van de kunstenaar Heinrich Zille (1858-1929.) Ze wonen in de lugubere woonkazernes die tussen pakweg 1870 en 1914 zijn opgetrokken. “Rechtstaande doodskisten” zijn het in de woorden van de Brits-Amerikaanse auteur Christopher Isherwood in zijn Berlin Stories (1945.) De industriële revolutie lokte een enorme massa boeren en havelozen naar het boomende Berlijn. Er wordt gebouwd dat het een lieve lust is en de lakse bouwreglementen staan de jacht op winst allerminst in de weg. De huizen worden in rijen diep opgetrokken, met nauwelijks ruimte voor binnenplaatsen en groen. De woningen hebben minieme ramen en de vochtigheid blijft jaren in de muren hangen. Het ergst zijn er de droogwoners aan toe. Ze worden beschreven in Ein Mann will nach oben van Hans Fallada: “Droogwoners zijn arme mensen die hun ademtocht verkopen. Omdat uitgeademde lucht rijk is aan koolstofdioxide die de natte kalkmortel waarmee de muren bepleisterd zijn sneller doet drogen, mogen droogwoners gratis wonen in de nieuwe woningen waar dat droogproces nog niet is voltooid. Zodra dat gebeurd is moeten ze opkrassen en plaats maken voor betalende huurders.” Dat soort toestanden leidde regelrecht naar de revoluties aan het einde van de eerste wereldoorlog.

Berlijn 1945

Ondanks de grote verwoestingen bleven in Berlijn veel muren overeind staan.

26 jaar later hebben de Berlijners alweer een verloren oorlog te verwerken. Berlijn ligt in puin – net als de meeste Duitse steden ook al is Berlijn er relatief minder erg aan toe omdat de stad in tegenstelling tot de middeleeuwse Duitse steden al het product was van de negentiende en twintigste eeuw. Het zijn niet de luchtbombardementen die Hitler op de knieën hebben gekregen. De bombardementen dienden om de bevolking te demoraliseren en zo op te zetten tegen het regime, maar ze sorteerden vaak het omgekeerde effect. Een nieuwe generatie Duitse historici gaat het thema van de Moral bombing niet langer uit de weg. In zijn controversiële magnum opus De Brand (2002) beschrijft Jörg Friedrich voor het eerst de vreselijke taferelen die zich in de brandende Duitse steden hebben voorgedaan. 600000 Duitsers, van wie 80000 kinderen verzengden of verstikten op Duitse bodem. Het resultaat was militair gesproken verwaarloosbaar. Ook economisch was de schade beperkt: “Zelfs op het hoogtepunt van de geallieerde luchtaanvallen in 1944 hadden de bombardementen slechts 6,5 procent van het machinepark vernietigd of beschadigd.” De bombardementen hebben het einde de oorlog waarschijnlijk geen dag dichterbij gebracht.

Na de val van de Hitlerbunker breekt voor de Berlijners een tijd aan van plundering en verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger die massaal wraak nemen voor de wandaden en de verwoestingen die de Hitlertroepen in de Sovjetunie hebben aangericht. Ook “de behoefte om het ooit machtige en nu machteloze ‘superras’ te vernederen was erg sterk” schrijft een Australische historicus. “Dat was het (…) wat de frequentie helpt verklaren waarmee Duitse vrouwen in het bijzijn van hun mannen of in het openbaar werden verkracht.” De officieren van het Rode Leger laten hun manschappen meestal begaan. Er zijn uitzonderingen zoals de Sovjetstadscommandant Berzarin die hard optreedt tegen plunderaars en verkrachters. Door het optreden van het Rode Leger verliezen de Duitse communisten veel prestige bij de Berlijnse vrouwen wat de catastrofale nederlaag van de SED bij de lokale verkiezingen van oktober 1946 mee helpt verklaren: “De Duitse communisten betalen de electorale rekening voor de vernederingen die de Berlijnse vrouwen onder de Sovjets hebben ondergaan.”

De Muur en Kennedy

13 augustus 1961: de bouw van de muur.

Net als de boekenverbranding was ook de bouw van de Berlijnse muur een knap staaltje Duitse gründlichkeit. Het leek totaal geïmproviseerd toen vopo’s (Volkspolizei) en militairen op 13 augustus 1961 grote bouwstenen haastig op elkaar stapelden, maar er was aan de gigantische operatie een lange en minutieuze voorbereiding voorafgegaan. Ook de communicatie van de DDR-leiding was uitgekookt. Tussen 1945 en 1961 zijn drieëneenhalf miljoen mensen uit het land gevlucht, een zesde van de bevolking. Dat er iets moest gebeuren wist een kind, maar een muur? “Niemand hat die Absicht eine Mauer zu errichten” zei partijleider Walter Ulbricht op 15 juni 1961, twee maanden vóór de bouw van de muur. De Oost-Duitsers begrepen de boodschap: de ontkenning was een bevestiging die de vluchtelingenstroom alleen maar aanwakkerde. En dat was ook de bedoeling: met de dreigende leegloop van de DDR zette Ulbricht Moskou onder druk om de laatste opening in het Ijzeren Gordijn te dichten.

Als de muur een feit is reageert het Westen opvallend rustig. President Kennedy verneemt het nieuws als hij aan het zeilen is in Hyannis Port en hij vindt het niet nodig zijn vakantie te onderbreken. Meer zelfs: Amerikanen, Britten en Fransen zijn opgelucht dat het “Berlijnse probleem” daarmee opgelost is. Door de bouw van de een muur tonen de Sovjets immers aan dat ze hun aanspraken op de rest van Berlijn voorgoed hebben opgegeven. Dat voor de helft van de stad en 17 miljoen DDR-burgers daarmee de grendels van hun gevangenis definitief dichtschuiven was de westelijke leiders kennelijk geen zorg. Willy Brandt, toen burgemeester van Berlijn, zou het de Amerikanen nooit echt vergeven. Volgens een Russische diplomaat was diens Ostpolitik ook ingegeven door gevoelens van revanche op de Amerikanen. Hoe dan ook hadden “de West-Berlijners geen enkele reden om twee jaar later zo opgetogen te zijn over Kennedy’s bezoek aan Berlijn en over zijn legendarische woorden ‘Ich bin ein Berliner”. Zie ook:

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/06/25/berlijn-sporen-zoeken/

Kennedy: “Ich bin ein Berliner”. Willy Brandt – uiterst rechts op de foto – denkt er het zijne van.

Al meer dan een kwarteeuw is Berlijn niet langer een gedeelde stad, maar in de hoofden van de mensen blijft de deling bestaan. Oost- en West-Berlijn leven voort in gescheiden wijken: 200000 mensen van Turkse afkomst in het ietwat groezelige vanouds proletarische Wedding en in wijken die tot 1989 aan de muur grensden: Kreuzberg en Neukölln waar de Sonnenallee wegens het grote aantal immigranten uit het Nabije Oosten de bijnaam “Arabische Strasze” heeft gekregen. Voeg daaraan toe de 130000 Polen, van wie er 30000 een Duits paspoort bezitten en bijna 20000 Russen.“De Russsiche nouveaux riches verschansen zich in hun vastgoed in de Mommsen- en Pestalozzistrasze. De minder gefortuneerde Russen bunkeren daarentegen in de Plattenbauten van het Oost-Berlijnse Marjan”. Dat al die minderheden min of meer in harmonie samenleven mag een klein wonder heten, maar misschien is juist dat het unieke van Berlijn.

Johan Depoortere

juli 14, 2017 at 3:46 pm 2 reacties

CHOMSKY VALT AAN

 

Noam Chomsky

 

Door Tom Ronse

“Wie regeert de wereld?” is de originele titel van het pas door EPO uitgegeven boek “De Chomsky papers”. Het antwoord op die vraag is minder evident dan pakweg twintig jaar geleden. De VS is nog altijd de dominante supermacht maar die macht is in verval, meent Chomsky. Net daardoor wordt ze volgens hem nog gevaarlijker. De “Doomsday Clock” staat op drie voor twaalf”, waarschuwt hij.

Noam Chomsky is een fenomeen. Hij staat bekend als de vader van de moderne linguistiek en een pionier van de cognitieve wetenschap. Daarnaast  was en is hij een politieke activist en auteur van een hondertal boeken en nog veel meer artikels. Kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek en media is zijn hoofdthema. Hij wordt veel gelezen, wereldwijd. Door de enen wordt hij op de handen gedragen, door anderen verguisd. The Observer noemde hem “the world’s greatest public intellectual”, Der Spiegel “de ayatollah van de anti-Amerikaanse haat”.

De star quality van de auteur is vermoedelijk de reden waarom EPO de titel van het boek veranderde in “De Chomsky papers” (eerder gaf EPO al “De essentiële Chomsky” en drie andere Chomsky-boeken uit). Het  boek is een verzameling van eerder gepubliceerde essays, waarvan het oudste dateert van 1966. Helaas heeft de auteur geen poging ondernomen om lang geleden geschreven essays te actualiseren of om de herhalingen die in hoofdstuk na hoofdstuk opduiken te schrappen.

Het boek verscheen in het Engels in 2016. EPO’s versie bevat een nawoord, geschreven na de verkiezing van Trump. Chomsky verwacht uiteraard dat die het nog veel erger zal maken.  De feiten geven hem gelijk.  Trump lijkt vastbesloten om de opwarming van de planeet te versnellen, de bewapeningsuitgaven drastisch te verhogen, de belastingen van de rijksten te verlagen en te besparen op de rug van de armen, de ouderen en de zieken. Wat dat laatste betreft, krijgt hij nog wat tegenwind maar de noodzaak om nog meer uit te geven om Amerika’s militaire suprematie te handhaven wordt in het Congres niet in vraag gesteld. De bereidheid van de bevolking om de nodige offers daartoe te aanvaarden steunt op een brede aanvaarding van de premisse dat de Amerikaanse militaire macht een noodzakelijke en goedaardige rol speelt in de wereld. De wijsheid van een militaire interventie mag betwijfeld worden maar niet de goede bedoelingen.  Het is die mythe die Chomsky onderuit schopt.

Zo contrasteert hij de bewering dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich tot doel stelt om vrijheid en democratie te verspreiden met vele voorbeelden die net het omgekeerde tonen.  Washington steunt een democratisering als dat de belangen van het Amerikaanse kapitaal dient, zo toont hij aan, maar als dat niet het geval is aarzelt ze niet om verkozen regeringen omver te werpen en dictators te steunen. Verkiezingen worden geprezen maar als een bevolking “verkeerd” kiest, zoals de Palestijnen in Gaza, dan wordt ze daarvoor gestraft.

Terwijl hij de vele Amerikaanse militaire interventies overloopt, fileert Chomsky de hypocrisie van de propaganda die ze begeleidde. Achter de humanitaire slogans schuilt vaak een kille onverschilligheid voor de gruwelijke gevolgen voor de burgerbevolking. Hij hekelt de verloedering van het woord “terrorisme”, dat nu in heel de wereld gebruikt wordt om de acties van vijanden te beschrijven maar niet die van bondgenoten.  Washington gaf het voorbeeld toen het de bomaanval op de kazerne van de Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983 terrorisme noemde maar de slachtpartij die kort daarvoor met steun van Israel plaatsgreep in Sabra en Shatila niet. Nochtans was het doelwit in het eerste geval militair en in het tweede de burgerbevolking. De vervaging van dat onderscheid is gevaarlijk omdat ze aanslagen op burgerbevolking even legitiem maakt als acties tegen militaire tegenstanders.

Over selectieve verontwaardiging  heeft Chomsky een heel hoofdstuk.  De wijze waarop gebeurtenissen worden voorgesteld in de media vormen en misvormen onze kijk op de wereld. Ook onze eigen mainstream media laten zich vaak leiden door de selectieve woede van Washington. Chomsky geeft daar treffende voorbeelden van.

Te simpel

Chomsky wil een globaal portret schilderen maar slaagt daar niet echt in. Door zijn grotendeelse focus op het Midden-Oosten, Europa en Rusland en Oost-Azië, blijft de rest van de wereld buiten zijn gezichtsveld.

Voor hem lijkt er maar één imperialistisch land te bestaan. De VS is de enige boosdoener, de rest zijn handlangers of slachtoffers. De misdaden van anderen blijven buiten zijn gezichtsveld.

Volgens Chomsky wordt het wereldgebeuren gedreven door politici. Hij ziet enkel Washington, in dienst van een superrijke, hebzuchtige elite. De onderliggende omwentelingen in de economie en samenleving blijven buiten zijn gezichtsveld. De schaalvergroting van de economie, de IT-revolutie en vele andere ingrijpende veranderingen spelen geen rol in zijn verhaal.

Ingewikkeld maakt hij het niet. De globalisering reduceert hij tot “de bewuste, zelfgekozen ondermijning van eigen krachten” (van de VS). De eindeloze crisis van het Midden-Oosten is de schuld van het Sykes-Picot akkoord (1916) dat  artificiële grenzen creërde, plus Amerikaans imperialisme, en daarmee is de kous af.  Chomsky’s analyse blijft oppervlakkig.  Hij ontmaskert “the good guys”, ze blijken “the bad guys”. De rollen zijn omgekeerd. De “baddest” van al is de Republikeinse partij, “de gevaarlijkste organisatie uit de wereldgeschiedenis”, want ze “heeft zich tot doel gesteld zo snel mogelijk elke vorm van georganiseerd menselijk leven op aarde te vernietigen.”

Dit boek is een aanklacht, een polemiek. Maar een diepgravende analyse van de oorzaken van de huidige ellende is het niet en evenmin biedt het een perspectief om eruit te geraken. Toch is het het lezen waard. Chomsky wrijft het zand uit onze ogen, dat er door propaganda is ingestrooid.

 

Noam Chomsky, De Chomsky papers, EPO, € 24.95

 

(Dit stuk verscheen woensdag in De Morgen)

 

juli 7, 2017 at 3:31 am Plaats een reactie

DE LUXE VAN NIET LEVEND VERBRAND TE WORDEN

Een demonstratie van Grenfell-bewoners aan Kensington Hall (gemeentehuis) liep, zoals dat heet, “uit de hand” (wiens hand dat is, wordt er nooit bij gezegd).

Een Britse vriend zei me dat de brand in Grenfell Tower een diepere indruk heeft gemaakt op de bevolking dan de recente terroristische aanslagen. Hoe meer erover bekend raakt, hoe duidelijker het wordt dat de veiligheid van de bewoners bewust verwaarloosd werd om kosten te sparen of winst te maken, wat op hetzelfde neerkomt. De tegenstelling tussen Londens glanzende luxetorens en de behuizing van haar minder begoeden steekt de ogen uit. De tegenstelling tussen de klassen komt in focus. Nooit hoorde je het woord “arbeidersklasse” zo vaak op tv als in de voorbije vijf dagen, schrijft een Londense blogger.

Een fragment uit zijn of haar artikel:

This has been the longest week ever for many. The agony of the aftermath of the Grenfell Tower fire continues. So many lives lost and so many people still unaccounted for. We are all still in mourning.

We are still making sense of this crime in the City that we love and that is being destroyed and socially cleansed faster and faster. Every day we come across new injustices, new indignities, new outrages. Many, like this one, have been committed in the name of regeneration, a process steeped in everyday violence against us. Regeneration has long been publicly unmasked as a massive act of social engineering where profit is the central machine that drives us out. Homes become investments. People get ‘decanted‘. People get Compulsorily Purchased. No longer are we welcome in the communities we have all had a hand in growing. Our communities are airbrushed away in architect’s plans. The other side of the story is disinvestment, our estates breaking down from a planned lack of care and funds. We are stigmatised here there and everywhere. We are told we are shit. We often live in shit – mould, damp, overcrowding. We are felt to be surplus to the remaking of the City as one massive cash machine that dispenses profit making unaffordable homes be they luxury towers or shared ownership apartment blocks. And if much needed refurbishment is done, the imperative of covering and making housing pretty for the area around it leads to criminal decisions, such as using cheaper flammable cladding.

It’s tragic that the fire, the terror and the deaths at Grenfell Tower have had to be the final potent symbol of all that has been brought down on our heads in the last 30+ years. It’s like everything has been exposed now – the greed behind gentrification and the greed behind cutting corners when maintaining or refurbishing, on materials and fire safety equipment. It’s as everyone has been saying this week – they don’t care about us! Well, if they don’t care about us then it’s only up to us to come together and overthrow the rotten system at heart.

The Problem is Not Towers, It’s the Greedy Bastards!

The liberal chatterers in the press or TV wants us to be silent and wait for ‘the findings‘. The Tory media counter attacks that our anger is ‘a lynch mob‘ and that we should calm down. They want us to be silent and believe what phoney urban planners (like Create Streets) say so that the blame is shifted onto things and technicalities: obsolete buildings, faulty construction, ‘complex’ outsourcing. ‘The problem is tower blocks’ say many, including Mayor of London Sadiq Kahn: “It may well be the defining outcome of this tragedy that the worst mistakes of the 1960s and 1970s are systematically torn down.”

By the mistakes of the 1960s and 1970s, he doesn’t mean the three 42-stories high residential towers of the Barbican, nor the now luxury refurbished Balfron Tower, but those that are still our council estates. Tower blocks do not seem a problem as long as those living in them are not poor, nor as long as millions of profit can be made on – (often) – public land like at Heygate or Aylesbury Estates.

Since 2007 in London have been built at least 20 luxury flat towers taller than 29 floors, 10 of which have over 35 floors. There are tens and tens of high-rise luxury residential towers under construction across the city, 10 of which will be taller than 50 floors. Not only this, but high rise towers such as the Skyline at Woodberry Down in Hackney (31 floors, 2016) replaced the low and medium rise council housing estate by the same name. So let’s not be fooled: tower blocks are not to be blamed. High-rise living is not to be blamed. The blocking of the two alternative exits of the Grenfell tower is to be blamed, not the height of the building. Bad maintenance and murderous refurbishment are to be blamed, not the 24 floors.

Het volledige artikel vind u HIER.

(TR)

juni 26, 2017 at 4:59 pm 1 reactie

MACRON: OPSTAP NAAR DE ANTIPOLITIEK?

Emmanuel Macron

Het eclatante succes van Emmanuel Macron en zijn beweging La République en Marche heeft andermaal een aantal politieke zekerheden van de tafel geveegd. De traditionele partijen betalen de prijs voor een crisis waarvoor ze zelf grotendeels verantwoordelijk zijn. Macron begint met een schone lei: “noch links noch rechts,” een boodschap die ook bij traditioneel links lijkt aan te slaan. Is Macron immers niet het laatste bolwerk tegen het oprukkende rechts populisme in Europa en is hij er niet als enige in geslaagd te verhinderen dat Marine Le Pen haar intrek zou nemen in het Elysée? De zucht van verlichting van John Crombez tot la Doornaert klonk oorverdovend.

Protest tegen de “Loi Travail” van Macron, toen nog minister in de regering Hollande.

Is er inderdaad zoveel reden voor het gejuich dat in de mainstream media weerklinkt? Integendeel, zo moet je concluderen als je het – weliswaar vage – verkiezingsprogramma en de eerste initiatieven van Macron van dichterbij bekijkt. Zelfs de New York Times is het opgevallen dat zijn plannen om de uitzonderingstoestand permanent te maken “weinig zullen uithalen in de strijd tegen het terrorisme” maar integendeel de “rechten van de burgers schenden.” Het gaat om maatregelen als huiszoekingen zonder gerechtelijk bevel, huisarrest of het opleggen van een enkelband en het opeisen van computerwachtwoorden. Vakbondsmilitanten en activisten in burgerbewegingen vrezen dat die maatregelen ook tegen hen zullen worden gebruikt zoals nu al in een aantal gevallen lijkt te zijn gebeurd. Macron wil overigens de macht van de vakbonden breken door afspraken op bedrijfsniveau voorrang te verlenen op sectoriële akkoorden.

Maar er is meer. De Belgische politicologe aan de universiteit van Westminster Chantal Mouffe noemt het fenomeen Macron het ultieme stadium van de postpolitiek, de wegbereider als het ware van de anti-politiek. “Hoe paradoxaal,” zo schrijft Mouffe in een opiniestuk in Le Monde “dat als remedie tegen de diepe crisis van de westerse democratieën net die politiek wordt voorgesteld die de oorzaak is van die crisis,” namelijk de strategie van de “Derde Weg” zoals die in Groot-Brittannië in de praktijk werd gebracht onder Tony Blair. Volgens Blair behoorden we allen tot de middenklasse. Er was niet langer een economische politiek van links of van rechts, alleen een goede of een slechte economische politiek. Een ideologie die teruggaat op het TINA – There is no Alternative – van Margret Thatcher. De overtuiging namelijk dat er geen alternatief bestaat voor de neoliberale globalisering, die ook hier nog enthousiast wordt uitgedragen door kopstukken als Bart De Wever en Gwendolyn Rutten en die al dan niet stilzwijgend ook wordt omarmd door de meeste Europese sociaaldemocratische partijen, inclusief de Belgische PS en SPa.

Chantal Mouffe

Politiek is het georganiseerde meningsverschil. Als er geen alternatief bestaat voor de heersende consensus is de politiek dood. De pletwals van La République en Marche, gecombineerd met de extreem lage opkomst in de parlementsverkiezingen, lijkt inderdaad de doodsklokken te luiden voor de democratische politiek zoals we die tot nu toe kennen. Het eerste slachtoffer is de sociaaldemocratie die overal in Europa klappen krijgt die wel eens fataal zouden kunnen zijn. Maar de gevolgen beperken zich niet tot het wegkwijnen van de sociaaldemocratie. Het is de democratie zelf die op het spel staat. De post-politieke consensus zo schrijft Mouffe laat “geen ruimte voor het alterneren van centrum-rechts en centrum-links aan de macht” en zet op die manier de volkssoevereiniteit, de basis van de democratie, buiten spel.

Jean-Luc Melenchon

Macron gaat nog een stap verder en maakt zelfs dat alterneren van centrum-links en centrum-rechts onmogelijk door het links-rechts onderscheid helemaal uit te vagen. De “straat” blijft dan de enige optie voor grote lagen van de bevolking om voor hun belangen op te komen. Een ander gevolg is dat diezelfde bevolkingsgroepen meer dan ooit gehoor geven aan de sirenenzang van extreem rechts. Daar lijkt Macron zich voorlasnog weinig zorgen over te maken, een blindheid die Mouffe “hallucinant” vindt omdat de “recyclage van de Derde Weg het Front National niet zal indijken zoals hij schijnt te hopen maar integendeel zou kunnen versterken en zelfs mogelijk tot de overwinning leiden in 2022.” Of de beweging van Jean Luc Mélenchon, La France Insoumise, dat door een “burgerrevolutie” zal kunnen vermijden zoals Mouffe hoopt valt nog af te wachten.

Johan Depoortere

juni 16, 2017 at 9:49 am 4 reacties

Twee menu’s voor wie de kolonisatie van Kongo nog niet heeft verteerd

Kongoboot Albertville

 

door Lucas Catherine

Menu1

Onderzoeksjournalistiek baseert zich nu op documenten die en stoemelings maar zijn te vinden. Moeilijk werk, vraag het maar aan de mensen van Apache. Vroeger was het anders. Dan kon je aan de hand van op het eerste zicht onbelangrijke documenten waren veel te weten komen.

Hierbij het voorbeeld van twee menu’s uit Antwerpen. Ze dateren uit 1898. Een belangrijk jaar in de geschiedenis van Kongo: Toen werd niet alleen de eerst trein daar officieel in gebruik genomen, maar arriveerden er ook de eerste toeristen en journalisten met hun net klantvriendelijk gemaakte Kodak. Om het bij Antwerpen te houden: La Metropole (met Vaes), Le Matin (met Henrion), De Nieuwe Gazet (met Moortgat) en het Handelsblad (met De Mey).
Hier dus mijn eerste spijskaart, zoals men dat toen in Antwerpen noemde, maar in druk heette het wel menu. Bourgeois oblige. In dit geval de Kamer van Koophandel. Het diner was ter ere van Leopold II die toen La Métropole bezocht en de illustraties vertellen veel. Je leest ze net als de gerechten van boven naar onder.
Heel bovenaan links, de vlag van de Kongo Vrijstaat en rechts de Kongostroom met op de oever twee olifanten. Dat laatste is een kleine leugen. De olifanten waren aan de Kongostroom zelf al uitgestorven, men moest ze in het hoge noordoosten gaan jagen. Maar, zoals de Leeuw stond voor België, zo stond de Olifant symbool voor Kongo.

In het midden, links een bundel voorwerpen die de eerste toeristen ginder graag kochten: schilden, speren, werpmessen en maskers. Rechts daarvan op de achtergrond de eerste trein in Kongo, Matadi-Kinshasa die toen net officieel was ingehuldigd.

Daaronder de rivierboot Brabant die het jaar daarvoor (1897) in Antwerpen door Cockerill Yards was gebouwd. Die scheepswerf lag toen midden in de stad. Ze bouwden ongeveer alle boten die op de Kongo vaarden. De Brabant was een raderboot en mat 45 meter op 9 meter met een stoommachine die 125 pk kon ontwikkelen. Daarmee konden 150 ton vracht vervoerd worden en er waren cabines voor 32 passagiers. Op zijn proefvaart op de Schelde ontwikkelde hij een snelheid van 7,5 knopen (14 km/u)

Links onderaan een gravure van Nieuw-Antwerpen, een handelspost die Camille Coquillhat had gesticht. Coquillhat kreeg daarom in Antwerpen een straat (in 1891) en een standbeeld in het Albertpark (1895).

In het centrum onderaan: het wapen van de Kongo Vrijstaat met als devies Travail et Progres, bekroond met de gevleugelde helm van Mercurius, de god van handel en reizen. En ook de patroon van de Antwerpse Kamer van Koophandel.

Rechts onderaan dan de Albertville, de toenmalige Kongoboot Antwerpen-Matadi (bouwjaar 1896).De gangen op het menu zijn minder interessant, net zoals die trouwens op het tweede menu.

 

Hier iets minder illustraties: rechts onder nog maar eens de Albertville en links dé uitvoerproducten uit Kongo: ivoor (slagtanden) en balen rubber. Die producten konden Antwerpen bereiken, niet alleen dankzij de Kongoboot, maar ook dankzij de spoorweg Matadi-Kinshasa. Het symbool van de spoorweg zie je dan ook uiterst links: een gevleugeld wiel. Het was jaren lang ook het symbool van de NMBS. Mijn vader, cheminot net als mijn grootvader, droeg het op de kraag van zijn vest. Het was in koper- uit de Kongo.

 

Dit tweede banket had een maand na het bezoek van Leopold II plaats en werd door de Kamer van Koophandel georganiseerd voor hun leden die door Leopold waren benoemd in de Leopoldsorde – een al langer bestaande orde – maar vooral in de Kroonorde. Die had de Heerser van de Kongostaat een jaar eerder opgericht om iedereen te huldigen die ‘verdienste had voor de Beschaving van Afrika’. En de Kroon verwijst hier dan ook naar het Kroondomein, dat deel van de Vrijstaat waar enkel Leopold economisch actief was. Met de namen van de genodigden kan je de geschiedenis van de kolonisatie schrijven. Ze staan in alfabetische volgorde, maar de eerste in de rij, Bunge was toen misschien de belangrijkste en dankzij Kongo ook de rijkste. Antwerpenaren kennen misschien het Instituut Bunge, nu onderdeel van de UIA en de domeinen Oude Gracht en De Uitlegger (in Kapellen en Brasschaat), vroeger privé-domeinen van de familie Bunge. Ze kwamen oorspronkelijk uit Zweden, maar hun rijkdom kwam uit Kongo. Eduard Bunge commercialiseerde al het ivoor dat uit Kongo arriveerde. Tussen 1888 en 1893 ging dit om 509.573 ton –vraag me niet hoeveel olifanten dat maakt – Het leverde Bunge meer dan één miljoen Euro op. Verder was Bunge geïmpliceerd in de twee grote rubbermaatschappijen ABIR en Anversoise, beiden berucht om hun politiek van afgehakte handen. Leopold II noemde Eduard Bunge dan ook ‘mon grand ami anversois’ en Leopold hield van Antwerpen: “Anvers peut être, et mon désir est qu’Anvers soit la plus grande ville commerciale du continent”. Een citaat uit zijn speech in Antwerpen tijdens het vorige diner.
De tweede in de lijst is een mindere figuur Edgard Castelein, stichter van de krant La Métropole die de politiek van Leopold II verdedigde. Een van zijn journalisten reisde in 1898 naar Kongo om er de inhuldiging van de trein Matadi-Kinshasa te verslaan. De trein die de echte economische ontsluiting van Kongo mogelijk maakte.

Emile Ceulemans, een commerçant die het later bracht tot Consul Generaal van de Kongo Vrijstaat in Lissabon.

Charles Corty, voorzitter van de Kamer van Koophandel. De ondervoorzitter was Louis Criquillon.

Maar laten we het bij de grote kleppers houden.
Alexis De Browne de Tiège: medestichter van de beruchte rubbercompagnie Abir en voorzitter van de Anversoise. Die maatschappijen maakten ongelooflijk veel winst. In sommige jaren vijfmaal het eigen kapitaal. Waar Abir actief was slonk de bevolking met de helft, en dat kwam niet alleen door afgehakte handen. De Browne de Tiège was ook een stroman van Leopold II en hielp hem in 1895 om de Belgische staat geld af te troggelen via een zogezegde lening. Hij zat ook in Bell Company, de Antwerpse maatschappij die de eerste telefoonlijnen in Kongo aanlegde. Zijn kapitaal is opgegaan in de Dexia bank.

Emile en Ernest Grisart zetelden ook in Bell en waren aandeelhouders in de rubbermaatschappijen.
Alexis Mol was alweer een goede vriend van Leopold II met belangen in Abir en Bell en verder in de koffie- en cacao-import uit Kongo.

 

Naast Leopold II was vooral Albert Thys actief in de plundering van Kongo. Hij was stichter of aandeelhouder van 33 koloniale maatschappijen. Hij was de man die in 1898 de eerste trein Matadi-Kinshasa deed rijden. De bankier Alfred Osterrieth was een van de genodigden bij de inauguratie van de spoorweg. Osterrieth was de leidende figuur in Les Produits du Congo, een van de maatschappijen van Thys. Verder zat hij in Abir en importeerde Kongolese cacao. Zijn kapitaal is ook opgegaan in de Dexia Bank.
Ook Eduard de Roubaix zat in die Produits du Congo van Thys.

Dan is er Arthur Van den Nest, voorzitter van rubbermaatschappij ABIR. Hij zetelde daarnaast in Bell Telephone en tijdens het diner waarop deze tweede menu slaat, opperde hij het idee om met de Kamer van Koophandel een monument te bouwen ter ere van de Kongolese handel. Hij werd hierbij gesteund door burgemeester Jan van Ryswyck. Het werd, met enige jaren vertraging de Kongozuil in het Stadspark.

 

Jan Van Rijswijck was een fervent verdediger van de koloniale politiek van Leopold II. Hij organiseerde in 1894 de Antwerpse Expo waarin meer dan 100 Kongolezen werden ‘tentoongesteld’ in het zogenaamde Vivi aan de Schelde. Maar hij sympatiseerde ook met de kolonisatiepoging van Leopold in China. In 1900 riep hij zelfs op om een expeditiekorps naar China te sturen om de anti-koloniale Boxersopstand (Yihetuan-beweging) neer te slaan.

En, ik zou het haast vergeten op die menu’s staat dus ook wat er te eten viel:

 

Schotse oesters

Ossenstaartsoep

Ganzenlever in een korstje

Forel uit Dieppe

Royale Rundsfilet

Kapoen zoals in Le Valois van Le Mans (toen een erg bekend restaurant).

Champions en croute

Hazerug Grand Veneur

Patrijs in wijnbladeren

Abrikozencompote

Kreeft Belle-Vue

En tot slot: sla’s, gebak, ijs en fruit.

En daarbij champagne en aangepaste dure wijn.

Een dagtaak, zo’n maaltijd en tijd genoeg om over zakendoen in Kongo te praten.

 

En hoe ben ik aan deze menu’s gekomen? Wel in de jaren zeventig maakte een farmaceutische firma reproducties van deze menu’s. Ze waren onder de indruk van de zware maaltijd die werd aangeboden en op de achterzijde maakten ze reclame voor een poeder tegen een zware maag. En dat stuurden ze als publiciteit naar alle huisdokters.

 

Lucas Catherine

Liefhebber van Matadi en ander koloniaal gebak.

 

juni 5, 2017 at 12:32 pm Plaats een reactie

ELISABETH, voor MELOMANEN, ROYALISTEN, WISPELWEYERS

door Jef Coeck

De Koningin-Elisabethwedstrijd (KEW), zowat het beroemdste muziekconcours ter wereld, krijgt zijn beslag deze week in de Bozar van Brussel. Uit de voorselectie en halve finale bleven 12 kandidaten over, geen Belgen.  Dat komt, zegt cellist en celloleraar  Stijn Kuppens, ‘omdat een uiterst doorgedreven coaching in een stimulerende omgeving ontbreekt in België’. Waarom die dingen er dan wel zijn voor andere instrumenten als piano en viool, vernemen we niet.

Er zijn meerdere verklaringen. Het is de eerste keer dat de cello aan bod komt, na viool, piano, en de menselijke stem. Cello is een moeilijk te bespelen instrument. Er is weinig voor gecomponeerd. Hij moet bijna altijd omgeven zijn door andere instrumenten en dan gaat een deel van de wonderbare klank (‘de mooiste van het orkest’) verloren. Natuurlijk kan het ook solissimo worden bespeeld. Dat doet onder meer de Nederlandse geniale uitvoerder Pieter Wispelwey – hij zit terecht in de jury die op het einde van deze week de rangschikking zal bekend maken. Toch is dit instrument niet algemeen populair, een soort weeskind onder de strijkers.

We waren ongeveer een jaar of 10, mijn neef Jan en ik. We hadden het verplichte eerste jaar solfège achter de rug in de plaatselijke academie, en dan moest (mocht) je een instrument kiezen om het te leren bespelen. Voor mij was het makkelijk, ik was dol op piano. Jan twijfelde wat langer en korte tijd later vernam ik dat hij gekozen hand voor de ‘violoncelle’. Ik kende het woord niet eens maar kon vermoeden dat het iets met de viool vandoen had. Strikt genomen zou je het een basviool kunnen noemen: grote klankkast, geluid van vier donkere snaren, bespeeld met een aangepaste (zware) strijkstok.

Neef Jan schopte het ver in de muziek (in tegenstelling tot mezelf). Hij kreeg een plaatsje in het Vlaamse opera-orkest van Antwerpen. Bovendien begaf hij zich aan composities, waarvan sommige zelfs op CD kwamen. Zo zijn ‘Clarifonia’, dat werd uitgevoerd door het klarinet-ensemble van wijlen Walter Boeykens met Robert Groslot als gastdirigent.

Dat komt bij mij allemaal terug boven, nu ik elke avond voor de TV zal hangen om geen noot te missen. Want gelukkig doet de VRT andermaal een culturele reuzestap door de finale en proclamatie integraal uit te zenden. Dat is een van onze betere tradities geworden. De presentatie van het geheel is voor de tiende keer in handen van Katelijne Boon, een dame met standing en kennis van zaken. Ook zij is weg van de cello/sello.

Boon: ‘Alleen al fysiek doet de klank van een cello iets ongelooflijks. Zowel met de speler als met de luisteraar. Je voelt die vibraties in je lichaam. Eigenlijk zijn dat twee persoonlijkheden die je aan het werk ziet: de cellist én zijn cello. Dat heb ik nooit eerder met een ander instrument meegemaakt.’

Daar kan ik het eens mee zijn. Als je Wispelwey de cello-suites van Bach hoort uitvoeren, zet dan de CD niet al te luid of je kunt een hartaanval oplopen. Je mag in een huis van beton zitten met geluiddempende tapijten, nog zul je de trillingen in heel je lichaam voelen. Hoe dat bij een vrouw als Katelijne Boon overkomt kan ik als man niet weten, alleen gissen. Ze heeft het, zegt ze zelf, met geen enkel ander instrument.

Boon: ‘De kritiek op cello is dat het repertoire beperkt is, maar dat vind ik niet helemaal juist. In de finale zullen we maar drie concerto’s horen: zes keer Sjostakovitsj, twee keer Schuman en vier keer Dvorak. Maar ik begrijp dat die mensen voor zulke meesterwerken kiezen. Voor veel kandidaten is het de eerste keer dat ze die stukken kunnen uitvoeren met orkest, samen met het verplichte werk uit de 21ste eeuw, vind ik die balans zeer goed.’

Kruisvaarders

Wie er op let komt toch geregeld de cello tegen. In de Franse Ardèche deden we lang geleden het stadje Banne aan. Het torent in de heuvels rondom Les Vans en bezit een indrukwekkend kruisvaarderskasteel. De stallingen ervan zijn al meer dan duizend jaar intact gebleven en nu omgevormd tot een concertzaal. We baanden ons een weg tussen de petanquespelende autochtonen. En vernamen dat er die avond een concert was van piano en cello, met, als ik het goed heb Bach, Mozart, Schuman etc.

Wij namen plaats in dit historisch pand, benieuwd naar wat ons te wachten stond. Er waren van die ongemakkelijke stoelen gezet, maar dat kon niet deren. Het concert was schitterend. Ik ontdekte eindelijk de violoncelle en die sneed me ongeveer de adem af. Tussen de honderd of zo toehoorders kon je een speld horen vallen. Na een half uurtje kwam er de krop in de keel en bij sommige mede-melomanen zelfs de tranen in de ogen. Het was verstijvend aandoenlijk. De diepe bassen werden begeleid door een zacht pianissimo van dit schone instrument. Af en toe was er toch een bij-geluid: een zwaluwpaar vloog soms in en uit, door de ramen zonder glas. Zij twitterden de sfeer niet kapot, integendeel, ze leken zelf te komen luisteren en genieten. Het concert duurde goed een uur en toen had kennelijk niemand zin om weg te gaan.
Maar de pastis-receptie riep ons tot de orde.

Ik geloof nu Kuppens, die zegt: ‘Hoe meer je geeft aan de cello, hoe meer je terugkrijgt.’

En laten we zeggen dat de kruisvaarten, hoe bloedig ook, in de loop van de geschiedenis ook een goede kant hebben gekregen.

www.destandaard.be
www.demorgen.be

mei 29, 2017 at 2:50 pm 1 reactie

Oudere berichten Nieuwere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.329 andere volgers