DE PUINHOPLEN VAN RECHTS

Johan Depoortere

De puinhopen van rechts

Door Jan Blommaert

hine-manuel

Ik betwijfel of Ivan Van de Cloot het leuk zal vinden dat ik met hem begin, maar daar laat ik me weinig aan gelegen. Enige tijd geleden bracht dhr Van de Cloot, hoofdeconoom van de onafhankelijke denktank Itinera, immers een studie uit over de toekomst van het pensioenstelsel. Daarover geïnterviewd zei hij onder andere het volgende. De pensioenleeftijd van 65 jaar is volgens hem compleet achterhaald. Immers, toen die leeftijdsgrens in de jaren 1950 bepaald werd, was de gemiddelde levensverwachting van de Belg zowat 70 jaar. Nu ligt die zowat tien jaar hoger, en het gevolg daarvan is dat mensen op pensioen gaan die fysiek en mentaal nog best heel wat meer jaren aan de slag zouden kunnen blijven. Koppel dat argument aan de financiële zorgen over ons pensioenstelsel, en je hebt een dwingend argument om af te stappen van die fetish van 65 jaar. Van de Cloot is van oordeel dat we allen tot ons 70ste aan de arbeid zullen moeten blijven; dat “wijzen tal van studies uit. Wie iets anders vertelt, weet niet waarover hij het heeft.” Aldus Ivan Van de Cloot in gesprek met het Nieuwsblad, enthousiast bijgetreden door een hele schare deskundigen, van VBO topman Pieter Timmermans tot en met SP-A boegbeeld Frank Vandenbroucke.

Ivan Van de Cloot

Wat ik hieruit opmaak is dat voor Van de Cloot en anderen we blijkbaar moeten werken tot we geen mens meer zijn. We zijn op ons 65ste nog niet helemaal uitgeleefd, en als we leven moeten we werken. Leven en werken: voor Van de Cloot leven we om te werken, dat is de enige reden voor ons bestaan. In de oude en achterhaalde opvatting was dat echter werken om te leven – om goed te leven, dat wil zeggen: om vrije tijd te hebben, om naast het werk ook nog burger te zijn, en vader of moeder, vriend of vriendin, echtgenoot, buur, medewerker van allerlei organisaties, om ons met politiek bezig te houden, met kunst en cultuur, om eens een krant, magazine of een goed boek te lezen, om met de kinderen ergens heen te gaan of, later, de kleinkinderen rot te verwennen, om mee te helpen met de verbouwingen van zoon of dochter, de overstroomde kelder van je buur mee te helpen opruimen, naar de Colruyt rijden voor een bejaarde uit de buurt. Enfin: om niets te doen in de ogen van Van de Cloot en zijn fans, om niet actief te zijn dus. Of iets scherper geformuleerd: om een sociaal profiteur te zijn, een parasiet die de samenleving handenvol geld kost.

Mens zijn: het mensbeeld dat Van de Cloot en zijn kameraden aanhangen reduceert de mens tot één factor – arbeid. Ons bestaan heeft enkel nut en belang in zoverre we ons hele mens-zijn wijden aan gesalarieerde arbeid, arbeid in dienst van ‘de economie’, want die economie is in crisis en behoeft nu niks minder of niks meer dan een Endlösung waarbij iedereen moet werken tot hij of zij erbij valt. Arbeit macht frei. De plaats die we innemen, de lucht die we inademen, ons hele bestaan: we moeten het verdienen met ‘actief zijn’, ‘werkzaam zijn’, onszelf ‘inzetten’ voor dat ene belangrijke doel: economische groei. Wie ‘niet actief’ is doorbreekt de regels van goed en kwaad en moet, zo zegt Patrick Janssens, lik op stuk krijgen, want ‘voor wat hoort wat’. Ons loutere bestaan veroorzaakt zoveel kosten dat we ons leven moeten verdienen. Doen we dat niet, dan hebben we geen plaats in de samenleving. We zijn dan losers, en onze samenleving draait enkel nog rond winners.

Dat is het mensbeeld dat vandaag de dag wordt gepredikt. In dat mensbeeld is iedereen per definitie een arbeidskracht. Iedereen moet er zelf voor zorgen dat die arbeidskracht maximaal kan worden aangewend. De arbeidsmarkt wordt immers in toenemende mate competitief, en niemand mag er nog van uit gaan dat er zoiets is als een ‘loopbaan’ met ‘werkzekerheid’. Er zullen banen geschapen worden, maar die banen worden niet gekoppeld aan mensen: iedereen moet concurreren voor die banen, en die concurrentie houdt twee constanten in. Ten eerste moet men de eigen loonverwachtingen realistisch houden, dus lààg, want anders is de aanbodprijs van arbeid niet competitief; ten tweede moet men zichzelf permanent bijscholen en herscholen zodat men op ieder moment een competitief speler de arbeidsmarkt is. Beide constanten worden onder de eufemiserende paraplu van ‘flexibiliteit’ gevat, en enkel wie flexibel is heeft job security. Voeg beide begrippen samen en je hebt de term die de officiële EU strategie inzake arbeid definieert: ‘flexicurity’. Flexicurity is net zoals ‘inburgering’ een begrip dat alles individualiseert. Er zijn geen collectieve organisaties meer in de arbeidsmarkt, geen solidariteit, geen herverdelingsprincipes door middel van ‘uitgesteld loon’ – sociale zekerheidsbijdragen. Er is kapitaal, er is arbeid, en het tweede dient het eerste. Enkel zo – dat zeggen mensen zoals Van de Cloot, Noels, Timmermans en een schare sociaaldemocraten – zal onze economie uit het slop raken en zullen we de concurrentie van de geglobaliseerde wereldspelers zoals China, India en Brazilië aankunnen. Doen we dat niet, dan zijn we een vogel voor de kat.

***

De mens is uit de samenleving weggehaald en wordt nog enkel binnen de economie geplaatst. De samenleving is afgeschaft en vervangen door een arbeidsmarkt en die markt is een vrijhandelsruimte – een ruimte van vrijheid, want ze is eindelijk ‘vrij gemaakt’ (‘geliberaliseerd’). Frei gemachte Arbeit. Ze is nu bevrijd van alle beperkingen die doorheen anderhalve eeuw sociale strijd waren aangebracht: sociale zekerheid, collectieve loonafspraken, beschermde statuten voor bepaalde werknemers, overleg met alle partijen in het economische proces, democratische inspraak in de planning en de strategie, en ga zo maar voort. Al die verwezenlijkingen van de sociale, democratiserende en emancipatorische strijd sinds Marx en Rerum Novarum worden op drie jaar tijd voorgoed ongedaan gemaakt. Sinds de bankencrisis van 2008 staan we immers in een nieuwe wereld, waarin economie niets meer met de samenleving te maken heeft. Het zijn twee los van elkaar bestaande dingen die elk aan heel andere wetten beantwoorden. De samenleving kost hopen geld en wordt beheerd door wat we een democratie noemen; de economie brengt het nodige geld op en wordt beheerd door de ondernemers en hun regeringen: de EU, het IMF, de OESO. Onafhankelijke denktanks zoals Itinera, onafhankelijke ratingbureaus zoals Fitch en Moody’s, en onafhankelijke media zoals de Financial Times en The Economist verzorgen de vrije meningsuiting in dit economische regime. Van de Cloot heeft dus even veel te zeggen – zoniet meer – als Rudy De Leeuw, en Dominique Strauss-Kahn was tot voor kort machtiger dan eender welke regeringsleider. Die laatsten moesten zich immers periodiek onderwerpen aan het oordeel des volks; Strauss-Kahn had van dergelijke irritante rituelen geen last.

Die visie van twee werelden, waarbij de economie volkomen zelfstandig leeft en zijn eigen regels volgt, zonder enige democratische controle laat staan inmenging, werd eind maart 2011 door de EU-top in Brussel verheven tot officiële Europese doctrine. De EU besliste daar in één adem ook dat de hele samenleving ten dienste moet staan van die economie. Het doel daarvan heet ‘het verzekeren van onze welvaart’. De prijs die we ervoor betalen is de afschaffing van de samenleving, het opofferen van datgene wat we begrijpen onder de term ‘een leven hebben’, het afschaffen van het sociale vangnet en van iedere vorm van materiële herverdeling, het invoeren van een fundamentele onzekerheid inzake onze eigen welvaart, en het permanent aanvaarden van een wereld waarin het verschil tussen winners en losers elk ander onderscheid wegvlakt. Wat die welvaart in realiteit inhoudt is me dan ook een raadsel; wie ervan zal genieten is me deels duidelijk. In ieder geval hebben we geen leven meer, of we nu werk hebben of niet. Ons leven als mens is ons afgenomen; in ruil daarvoor zijn we – wat? Verlengstukken van de machine zoals bij Marx? Permanent beschikbare krachten voor Adecco Interim? Uniforme en daardoor vervangbare witte boorden, zoals Human Resources managers ons proberen te vormen? Ik weet het niet, maar het ligt ergens binnen die ruimte.

Ik noem die visie een ideologie, en ik noem die ideologie extreem-rechts. Wie de mens reduceert tot zijn of haar arbeid en al de rest daaraan wil opofferen; wie vindt dat we enkel leven om de winsten van anderen te maximaliseren; wie vindt dat democratie enkel nog over details mag gaan; wie vindt dat iedereen die niet mee kan met de mallemolen van de flexicurity – om welke reden ook – een soort misdrijf pleegt en dus mag gestraft worden; wie vindt dat de hele samenleving moet gemobiliseerd worden in functie van een economische aristocratie; en wie vindt dat daarover geen enkele vorm van debat toegelaten is – zo iemand noem ik niet ‘gematigd’, niet ‘redelijk’, niet ‘nuchter’, zelfs niet ‘neoliberaal’. Ik noem zo iemand radicaal, extremistisch, fundamentalistisch, hysterisch, en rechts, want hij of zij verwerpt alle grote waarden van onze liberale democratie, en alle verwezenlijkingen van anderhalve eeuw strijd voor de verbetering van onze samenleving. Wie vandaag de dag de arbeider van Marx en Dickens wil heruitvinden is extreem-rechts. Hij of zij mag dan ook niet schrikken wanneer deze terugkeer naar de tijden van Marx en Dickens ook weer aanleiding geeft tot enorme protesten, rebellie en revolte, en tot een heropstanding van de grote sociale bewegingen. Wie zijn geschiedenis niet kent zal ze herhalen, nietwaar.

***

Ik ben van oordeel dat we in een extreem-rechtse, neoliberale revolutie zitten. De dominantie van dit gedachtegoed is een langer proces, maar sinds de bankencrisis van 2008 maken we een revolutionaire versnelling mee, waarin alle maskers worden afgeworpen en waarin organisaties zoals de EU hun laatste laagje sociaal vernis hebben afgeschaafd. Rijdend op de onzekerheid en de angst bij veel mensen voor een economische catastrofe schrijft de EU nu teksten die een decennium geleden ondenkbaar zouden geweest zijn omdat ze zo radicaal en extreem het primaat van de economie en het dictaat van de arbeidsmarkt uitdragen. Regeringen zoals die van Cameron in Groot-Brittanië en Rutte in Nederland zijn zo radicaal dat men Thatcher en Reagan al bij al gematigd zou vinden. Kunst en cultuur zijn linkse hobby’s die hun eigen geld dan ook maar op de markt moeten gaan zoeken; onderwijs heeft als enige doel het produceren van grote aantallen kant-en-klare hoogopgeleide en hoog-performante arbeidskrachten; werkloosheid, ziekte en ouderdom zijn eveneens kwesties die men vanuit het marktperspectief moet zien – wat kosten ze, en wat brengen ze op? En werken, dat moet kunnen tegen élke prijs die de markt eraan geeft – één Euro per uur, vier Euro, die lonen zijn al realiteit in het economische Disneyworld genaamd Duitsland. Kortom, de huidige regeringen in Europa schaffen gewoon de hele samenleving af en vervangen ze door de dictatuur van het ondernemerschap.

Merkwaardig genoeg vinden heel wat mensen dat al bij al niet zo erg. Men voelt zich wel wat bezorgd en onrustig over deze nieuwe extreem-rechtse tendens, maar berusting en gelatenheid zijn de dominante respons. ‘We zullen wel allemaal langer moeten werken zeker’, ‘de gouden jaren zijn voorbij’, ‘er is geen alternatief’ – dat soort uitspraken hoort men voortdurend, en ze tonen aan dat de geesten gemasseerd zijn. Al drie jaar lang horen we slechts één liedje over de economie en de samenleving, en zoals we weten is dit het oeroude recept van propaganda: zeg hetzelfde duizend maal, en laat het door duizend mensen voortdurend herhalen, men zal wel geloven dat het waar is. Wat mensen nu geloven is dat economie los staat van de samenleving, en dat we ons nu voluit ten dienste van de economie moeten stellen. De Paul Dhoores en Ivan Van de Cloots, Geert Noelsen en Paul De Grauwes van dit land hebben een historische en al bij al ongelooflijke overwinning geboekt: ook al is hun visie in 2008 compleet en finaal failliet gebleken, toch zijn ze erin geslaagd deze postmoderne vorm van waarzeggerij door heel veel mensen te doen aanvaarden en geloven als opperste wijsheid.

Dat is een unieke prestatie voor economen, want doorheen de hele geschiedenis van de economie legden economen voortdurend de band tussen economie en samenleving. Meer nog: economen stelden zichzelf voortdurend tot doel om door een beter begrip en een betere organisatie van de economie de samenleving beter te maken. Men zal zich herinneren dat de discipline zelf lange tijd bekend stond als ‘politieke economie’, en dat mensen zoals Adam Smith, David Ricardo en Thomas Malthus veel ruimere problemen dan strikt economische aanpakten. Naast The Wealth of Nations schreef Smith bijvoorbeeld ook nog The Theory of Moral Sentiments, en hij zag beide werken samen als de grondslag voor een nieuwe mens- en maatschappijwetenschap. Ook Marx kan men uiteraard moeilijk van een exclusief economistische visie verdenken; Veblen, Keynes, Amartya Sen en Galbraith evenmin. Bij elk van deze economen stond economische ontwikkeling ten dienste van een hoger doel: een betere, meer rechtvaardige samenleving waarin mensen zichzelf naast hun arbeid kunnen ontplooien als mens. Wat Marx betreft: zijn werk werd aangedreven door precies dat doel: de mens bevrijden van stompzinnige arbeid en werktijd vervangen door tijd om te leven als burger, als democraat, als mens.

Economen die de economie afzonderen van de samenleving wekken mijn wantrouwen op, zeker wanneer ik merk dat elke maatregel die ze voorstellen om de economie te hervormen eigenlijk een maatregel is die de hele samenleving hervormt. De quasi-afschaffing van werkloosheidsuitkeringen, van minimumlonen, van collectieve arbeidsovereenkomsten, de quasi-volledige afbouw en commercialisering van de publieke sector – ziekteverzekering, onderwijs, pensioenen – en het uitschakelen van eender welke vorm van democratische controle en inspraak over het economische leven: dat zijn geen economische maatregelen, dat zijn maatregelen die ons hele samenlevingsmodel omgooien. De samenleving heeft daar gigantische belangen bij, en het zou in een democratie dan ook zo moeten zijn dat de samenleving daarover zijn zeg mag doen. Dat is de reden waarom ik zij die dit ontkennen extreem-rechts noem, en waarom ik spreek over een extreem-rechtse revolutie: na deze ingreep zal er van ons huidig samenlevingsmodel niets meer overblijven, dan een rechtse puinhoop waarin mensen terug gesalarieerde slaven zijn en waarin politici zich met wat geluk nog mogen bezighouden met de kleur van de zebrapaden. Men gebruikt zogezegd objectieve economische argumenten om een ruimere ideologische agenda door te drukken. Wie daar voor is mag nu z’n hand opsteken.

***

De hand opsteken – ik kom stilaan aan het einde van mijn verhaal. Indien men voor de extreem-rechtse revolutie een democratisch draagvlak zou zoeken, dan zou men er geen vinden. Indien men mensen precies uitlegt waarover dit allemaal gaat, en welke verliezen mensen dreigen op te lopen indien ze dit zomaar aannemen, dan zal snel blijken dat dit nieuwe extreem-rechts geen grein steun geniet bij de mensen. Het is precies omdat we er nu met zo velen van uit gaan dat de economie niet meer tot ons democratisch bestel behoort, dat we dreigen slachtoffer te worden van de maatregelen die nu op alle fronten worden uitgewerkt – incluis op de onderhandelingstafel van Di Rupo. Links heeft dan ook een dringende taak: de samenleving heruitvinden, en die samenleving aan mensen uitleggen. We moeten hen uitleggen dat de economie gewoon een deel is van de samenleving, en dat de belangen van miljoenen mensen niet zomaar door een ratingbureau of een verbond van zelfstandige ondernemers kunnen bepaald worden. De belangen van de mensen zijn de belangen van die mensen, ze zijn niet van iemand anders. Als democraat moet men dit scherp stellen en blijven herhalen. Wie hieraan iets wil afdingen kan moeilijk aanspraak maken op het etiket van democraat. Links moet dus de samenleving heruitvinden en opnieuw uitleggen: tegen mensen uitleggen dat het hier gaat om een democratie van vrije en gelijke mensen, en dat die democratie alles omvat wat die vrije en gelijke mensen aangaat. Voor minder moeten we niet gaan. En als Ivan Van de Cloot daarmee niet akkoord gaat, kan me dat eigenlijk geen bal schelen.

(inleidende tekst, Gentse Feesten debatten 2011)

september 25, 2017 at 9:06 am Plaats een reactie

DIGITALE ALTERNATIEVEN

Dit is de elfde aflevering in de reeks “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”  De vorige staat HIER.

Door Tom Ronse

 

Niet alle digitale literatuur valt onder de noemer “pulp fiction”.  Er zijn ook vele sites gewijd aan “serieuze” literatuur, aan goed geschreven fictie. In wezen verschillen die niet zo veel van de traditionele literaire tijdschriften behalve dan dat ze veel meer kunnen publiceren. Een site zoals Literary Hub  functioneert als een literair dagblad. Elke dag zijn er nieuwe artikels, verhalen, recensies, gedichten en zo meer. Zo’n site moet goed georganiseerd zijn anders verdwaalt de lezer. Een professionele webdesign is een vereiste. Literary Hub toont hoe het kan.  Een bekend voorbeeld in ons taalgebied is Tzum .

Verandert de electronische drager de literatuur inhoudelijk?  Sommigen zeggen van wel. De ogenblikkelijke overdracht zou tot meer dynamische schrijfstijlen leiden en de grotere wisselwerking tussen auteur en lezers zou de literatuur ook inhoudelijk interactiever maken. Zelf kan ik over deze hypthetische evolutie niet meepraten; daarvoor lees ik te weinig fictie.

Wel valt het me op dat in die literaire sites net als in de meeste digitale fictie-sites zonder literaire pretentie relatief weinig gebruik wordt gemaakt van de hypertekstuele mogelijkheden die het internet biedt. Grafische experimenten, multimedia, illustratie of parallele vertelling met video-clips en muziek zijn zeldzaam.

 

Een meer  experiment-vriendelijke opstelling vinden we in de zogenaamde alt-lit  (alternatieve literatuur) stroming. Een participant, alt-lit auteur No Glykon , definieert die aldus: “In probably the most simple terms, it’s Internet writing. It’s using the tools of the Internet and the figures of speech of the Internet to write.”  Hij noemt alt-lit een “literaire internetgemeenschap”.   De deelnemers zijn meestal jong, van de eerste generatie die met het internet is opgegroeid. Het internet is niet alleen hun medium, het vormt ook hun boodschap, om Marshall MacLuhan (“Het medium is de boodschap”) te parafraseren.

Vormelijk betekent dit onder meer dat de teksten sterk beinvloed zijn door internet-taal  (het jargon, de afkortingen,  de emoticons…), internet-stijl (direct, in korte brokken, soms alles in hoofdletters of alles in kleine letters…) en internet-slordigheid (die ze imiteren met bewust misspelde woorden, vreemd gebruik van leestekens en lettertypes). Alt Lit-dichters gebruiken visueel internet-materiaal zoals screenshots, chat-fragmenten , afbeeldingen (“image macros”) en animatie, niet als illustratie maar al integraal onderdeel van hun poëzie. Ze experimenteren met de automatische aanvul-functie van web browsers, met de antwoorden die zoekmotoren geven op hun poëtische vragen, met twitter-stijl poëzie (zie hoofdstuk zeven van deze serie). Ze zijn overigens niet de enigen die werken met op het internet gevonden tekstflarden. Google-poëzie is een populair fenomeen.  Lees er HIER meer over.

 Alt-lit-auteurs kiezen bewust voor zelf-publicatie van hun werk op het internet, als e-books, in de ‘sociale media’ (vooral Facebook, Twitter en Tumblr), in blogs en vlogs (video-blogs op YouTube), in  combinaties van al deze. Af en toe verschijnt er zelfs iets in gedrukte vorm maar dat is eerder uitzondering dan regel.

De internet-media faciliteren de communicatie tussen de auteurs en tussen auteurs en lezers. Die interactie, en het feit dat ze niet-commercieel is, is belangrijk in deze subcultuur.  Ze maakt van alt-lit een gemeenschap. Een therapiegroep, volgens critici.

Inhoudelijk is het internet een belangrijk thema in alt-lit, naast gebroken harten, drugs, uitzichtloosheid, verveling en vervreemding, de pijn van het zijn.  Geen wonder dat de Franse existentialisten  als voorlopers van alt-lit worden beschouwd. Het is “Bonjour Tristesse” en “La Nausée” all over again, in brokken en stukken. De anti-ironische “New Sincerity” stroming ( Dave Eggers, David Foster Wallace en Karl Ove Knausgard  gelden als voorbeelden) is een andere invloed.  Eerlijkheid is de opperste deugd. Niets is te goor om op te biechten. De vuile was moet uitgehangen worden.  Wat vaak tot zelfbeklag of zelfverachting leidt. Maar liefst toch met enige humor; hoe absurder hoe beter.

Niet iedereen vindt de stroming relevant. “Alt-lit is for boring, infantile narcissists“, schrijft Josh Baines in  Vice.com .Volgens hem is alt-lit “het ergste dat de literatuur is overkomen”.

Maar het is te gemakkelijk om de zwartgalligheid  van alt-lit af te wimpelen als een hedendaagse versie van een tijdloze laat-adolescente weltschmerz.  De wanhoop en doelloosheid die er uit opwalmen weerspiegelen wel degelijk ons tijdsgewricht en moeten dus ernstig genomen worden. Overigens is er in de alt-lit cultuur zelf een tegenstroom ontstaan van mensen die een meer hoopvolle kijk op het leven hebben.

Baines verwijt alt-lit ook dat er enorm veel kaf tussen het koren is. Maar het is ook mooi dat alt-lit een platform biedt aan onervaren auteurs die nieuwe dingen proberen met digitale literatuur. No Glykon vergelijkt de beweging met opkomst van punk in de jaren 1970. “For punk, it’s “learn three chords and you have a song.” I think Alt Lit is like that. It’s crude, it’s DIY” (do it yourself).

Natuurlijk heeft de beweging ook haar sterren. De bekendste is Tao Lin, wiens werk ook in gedrukte vorm een wereldwijd sukses is. Podium  gaf zijn autobiografische roman Taipei uit in het nederlands.   Bret Easton Ellis, de schrijver van “American psycho”,  prees hem als  “the most interesting prose stylist of his generation” .

 

                                               Tao Lin

Tao Lins proza is doordrenkt van internet-taal. Zijn roman Richard Yates bestaat uitsluitend uit fragmenten van Gmail chats tussen de protagonisten.

Een goede informatiebron over alt-lit vind u HIER .

 

Volgende hoofdstuk: literatuur en computer games.

 

september 14, 2017 at 4:26 am 2 reacties

IEDEREEN AUTEUR!

Dit is de tiende aflevering in de reeks “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”

 

Tom Ronse

We zijn als miljarden spinnetjes met minstens een pootje op de trillende draden van ons wereldwijd web, ons dierbaar www. Iedereen kan er, met enkele muisklikken, signalen op uitzenden. Iedereen kan publiceren. Iedereen kan schrijver worden! Als we tenminste een niet-kwalitatieve definitie van het woord ‘schrijver’ hanteren.

Miljoenen maken daar gebruik van. Het aantal romans, novelles, verhalen, gedichten en andere literatuur  (opnieuw, we hanteren een ruime definitie) in cyberspace beloopt in de miljarden.  Vind daar maar je weg in. Omdat massa’s mensen die niet kunnen schrijven maar denken dat ze dat wel kunnen hun rotzooi het web opgooien is vernieuwende literatuur er even moeilijk te vinden als de spreekwoordelijke naald in een hooiberg.  Moed: met een sterke magneet moet het lukken.

Ook het papieren boek heeft dank zij de informatie-technologie een enorme vlucht genomen. “Printing on demand” is zo goedkoop geworden dat het genoegen om je eigen gedrukte boek in je handen te houden in iedereens bereik ligt. Uitgeven in eigen beheer is natuurlijk geen nieuw fenomeen.  Maar terwijl het zich vroeger in de marge afspeelde is het nu (kwantitatief) de voornaamste publicatievorm geworden.

Friedrich Kunath

Sommigen juichen dat toe.  Ze zien er een democratisering in van het uitgeversbedrijf. De uitgeverijen verliezen hun monopolie;  niet langer kunnen zij alleen beslissen wat er gelezen wordt, de auteurs zijn bevrijd van hun censurerende macht.  “De uitgever investeert in je”, schrijft Ellen Deckwitz in De Morgen (03/05/2017), “daarom  krijgt hij ook 85 procent van de netto-opbrengst. Maar waarom zou je tegenwoordig niet gewoon de boel online zetten? Bereik je meer mensen mee dan via de boekhandel, en alle inkomsten gaan direct naar het eigen spaarvarken”.

Tegelijk vind ze uitgeven in eigen beheer iets zieligs hebben.  Haar veronderstelling dat je door online te publiceren meer mensen bereikt en meer verdient, is overigens zelden waar. Ook het idee dat de uitgeverijen aan macht hebben ingeboet, moeten we relativeren. Het is nog altijd de grote droom van iedereen -of toch de meesten- die literatuur online plegen om hun werk ooit in gedrukte vorm in de boekhandels te zien liggen.  Net zoals de meeste street-artists hopen van door een galerij ontdekt te worden.

De uitgeverijen blijven de maatstaf hanteren. Dat moet ook wel; zonder sluiswachters verdrinken we in het overaanbod. Dat betekent niet dat die sluiswachters onfeilbaar zijn. Verre van. De berg rotzooi die ze op de markt brengen is niet te overzien. En er zijn massa’s  voorbeelden van monumenten van de wereldliteratuur die keer op keer door uitgeverijen werden verworpen (zie HIER en HIER). Meesterwerken zoals  Moby-Dick en Lolita zagen enkel het licht omdat hun schrijvers zich ook na tientallen afwijzingen niet lieten ontmoedigen. Niet iedereen heeft zoveel doorzettingsvermogen. Zeker nu het zo gemakkelijk is om “de boel gewoon online te zetten”, kan de verleiding groot zijn om de hele uitgeverswereld straalweg te negeren. Het kan dan ook niet anders dan dat tussen al de klatergouden kitsj online parels te vinden zijn.

Fans van online literatuur verwerpen het argument dat er zonder uitgeverijen geen maatstaven meer zijn. Er is wel degelijk een selectieproces, zo stellen ze, maar de beslissingsmacht is verschoven van de uitgeverijen naar de lezers. Door een digitaal verhaal of roman op de sociale media te prijzen, door de link ernaar te ‘reposten’ of  te ‘retweeten’, maken ze het groot, door het te negeren duwen ze het in de vergeetput. Het volk beslist. Zo wordt de literaire productie dus interactiever en democratischer.

 

Virtuele gemeenschap

Maar hoe bereikt de digitale auteur zijn of haar lezers? Hoe krijgt hij of zij de bal aan het rollen?

Het internet heeft een enorme tendens doen ontstaan naar de vorming van artificiële gemeenschappen.  Ik twijfel om het woord ‘artificieel’ te gebruiken want het is niet omdat een gemeenschap via het internet communiceert dat ze niet echt is. Wat ik bedoel is virtuele gemeenschappen die mensen wegrukken uit hun echte leven. Ontsnappingsterreinen. Ik zie steeds meer mensen, vooral jonge, wandelend, rijdend, etend naar hun schermpjes staren, compleet onbewust van hun omgeving. Waar zijn zij, vraag ik me dan af. Duidelijk niet waar hun lichaam is, tenzij als ze een selfie nemen.

Mensen hebben alsmaar minder tijd. De druk wordt groter, in scholen en op het werk.  Ook daarin speelt de informatie-technologie een rol. Het werd een instrument om ons in de gaten te houden, als producenten én als consumenten, om ons harder te doen werken en meer te doen kopen.  We worden gereduceerd tot jachtige verkopers van onze arbeidstijd en jachtige kopers van producten van andermans arbeidstijd. Kopende koopwaar in een rattenkoers. Traditionele  banden van familie, buurt en klasse verzwakken maar de nood aan gemeenschap verdwijnt niet. Dus zoeken veel mensen dat gemeenschapsgevoel online.

We zien een enorme bloei van virtuele subculturen.  Hoe meer we van anderen gescheiden zijn in ons werk, ons consumptiegedrag  en onze leefsituatie, hoe aantrekkelijk de communiteit van de virtuele subcultuur wordt. Die scheidt ons nog meer van anderen in ons echte leven en zo wordt het een vicieuze cirkel.

Literatuur (alweer, in de breedst mogelijke betekenis) is een van de belangrijkste virtuele bindmiddelen. In de vorige aflevering van deze serie (lees die HIER)  hadden we het over de subcultuur  van fan-fiction waarin eindeloze variaties ontstaan in de fantasiewereld van bijvoorbeeld Harry Potter. Het gemeenschappelijk vertrekpunt –  iedereen is vertrouwd met het decor, met de helden en de schurken – geeft de participanten de achtergrond waartegen ze hun eigen verlangens en angsten kunnen projecteren. Dankzij het interactieve, democratische net.

Er is natuurlijk veel meer dan de fan-fiction en erotica die ik in de vorige aflevering besprak. Elk literair genre en subgenre heeft zijn eigen niche in het web. De populairste bindende thema’s zijn romantische liefde, magie, science-fiction en misdaad. Behalve literatuur zijn er nog vele andere bindmiddelen voor op fantasie gebaseerde gemeenschappen zoals computerspelen, politiek en celebrity gossip (eindeloos gekwetter over het leven van de sterren). Het web wemelt van miljoenen elkaar overlappende subculturen die spreiden en krimpen, verdwijnen, andere vormen aannemen en onmogelijk om in kaart te brengen zijn.

De digitale auteur vindt zijn of haar lezers door deel uit te maken van een subcultuur. Hoe groter die is, hoe meer kans op sukses.  Maar wie niet voor een internetcultuur  kiest en niet al op voorhand bekend is en op Facebook of Twitter een schare volgelingen heeft, kan net zo goed zijn of haar  tekst in een fles stoppen en de zee in gooien. De kans dat het werk gelezen en verspreid wordt is in beide gevallen ongeveer even groot.

WORDT VERVOLGD (spoedig, dit keer)

 

september 9, 2017 at 4:53 am Plaats een reactie

EPPINK SLAAT DE BAL MIS

Donald Trump

In zijn tweewekelijkse column voor De Morgen, slaagt Derk Jan Eppink erin om op subtiele wijze het “gedachtengoed” van Donald Trump de mainstream binnen te smokkelen. Eppink levert milde kritiek op de tactiek van Trump die “niet tijdig in de gaten had” dat “in Amerika niets gevoeliger is dan ‘ras.” Vervolgens maakt Eppink een vergelijking met Obama, die eveneens de gevoeligheden zou hebben onderschat maar die geblunderd zou hebben in de andere richting, namelijk door niet of te aarzelend islamterrorisme te veroordelen. Eppink spuit op die manier vakkundig mist om de kern van de zaak te verhullen, namelijk dat aan het hoofd van de Westerse wereld een man staat met diep ingewortelde vooroordelen tegen alles wat niet hagelwit is. 

Neo-Nazis in Charlottesville

De naakte waarheid: Trump is een onverbeterlijke onversneden racist. De eerste reactie van Trump op de gebeurtenissen van afgelopen week waarin hij het fascistische geweld minimaliseerde liet zijn ware aard zien. Twee dagen later en na zware druk van zijn omgeving kon hij het opbrengen om met veel meel in de mond een verklaring van de telepromptor af te lezen waarin hij racisme veroordeelde. Zijn lichaamstaal schreeuwde luid: “Dit doe ik om mijn politieke hachje te redden maar ik meen het niet.” De dag erop liet de president weer de ware Trump in hem los om in de bekende stijl wild om zich heen te slaan en fascisten met antifascisten over dezelfde kam te scheren.

charlottesville-social-media.jpg.size.custom.crop.1086x721

Onder de fascistische betogers bevonden zich volgens Trump ook “fijne mensen.”

Dat de racistische reactie van Trump meer is dan een uitschuiver blijkt uit talloze eerdere verklaringen en gedragingen, teveel om hier op te noemen. Het volstaat te verwijzen naar de campagne die de basis was voor zijn latere gooi naar het presidentschap: de hardnekkig verspreide racistische leugen dat Obama geen “echte Amerikaan” kan zijn omdat hij niet in de VS maar in Afrika geboren zou zijn. Minder bekend is het bloedstollende verhaal van de “Central Park Five” waarin Trump alweer de rol op zich nam van racistische diehard-scherprechter. Vijf jonge Afro-Amerikanen en hispanics werden in 1990 tot lange gevangenisstraffen veroordeeld voor de gruwelijke verkrachting van een jonge vrouw in het New Yorkse Central Park. De vijf hadden onder druk bekend maar hun bekentenissen weer ingetrokken. Donald Trump betaalde bijna 100000 dollar voor een paginagrote advertentie in alle grote kranten van New York – waaronder The New York Times – waarin hij herinvoering van de doodstraf eiste voor de veroordeelde tieners, die hij “wilde criminelen” noemde. Twaalf jaar later bekende de ware dader van de verkrachting, een bekentenis die door DNA-onderzoek werd bevestigd. De vijf oorspronkelijk veroordeelden kwamen na twaalf jaar onterechte opsluiting vrij en kregen een gezamenlijke schadevergoeding van 40 miljoen dollar. Dat belette presidentskandidaat Donald Trump allerminst om nog in 2016 te herhalen dat de Central Park Five zoals ze intussen waren gaan heten schuldig waren en dus in de gevangenis thuishoorden.

Yusself Salaam, één van de Central Park Five, werd tot 13 jaar gevangenis veroordeeld voor een misdaad die hij niet heeft begaan.

 

De betaalde advertentie waarin Trump oproept de doodstraf uit te voeren.

Woorden vertellen alles, zij het niet altijd luidop maar fluisterend als subtekst. Eppink imiteert achteloos – zo lijkt het – het woordgebruik van Trump. De onuitgesproken boodschap luidt dat fascisten en antifascisten zich moreel op hetzelfde vlak bevinden. De door Trump geïntroduceerde term “alt-links” als spiegelbeeld van “alt-right” komt als sluipend gif het taalgebruik binnen. Maar “alt-links” bestaat niet, het is een hersenspinsel van Trump dat Eppink en anderen geloofwaardigheid verlenen door het kritiekloos te herhalen en op die manier de mainstream binnen te smokkelen.

Het moge duidelijk zijn: de heer Eppink is geen “waarnemer” of “analist” maar een ideologische scherpslijper die aan den brode komt als werknemer van een instelling die de Republlikeinse partij van reactionair ideologisch voer voorziet. Eppink, die een vaak geziene gast is in programma’s als Terzake en De Afspraak,  is geen journalist maar een (ex-)politicus van rechtse tot extreemrechtse signatuur. Van deze boer geen eieren.

Johan Depoortere

18 augustus 2017

augustus 18, 2017 at 8:45 am 2 reacties

“BE VERY VERY NERVOUS”*

* Dixit Trump, 10 augustus

Photoshop montage Eric Wayne

 

Door Tom Ronse

Er is geen gevaar dat er spoedig een oorlog zal uitbreken tussen de VS en Noord-Korea (tenzij per ongeluk, een mogelijkheid die niet helemaal kan uitgesloten worden). Maar het feit zelf dat de leiders van deze landen openlijk dreigen met het gebruik van kernwapens, met “total warfare” en zelfs met de vernietiging van een heel volk, is veelbetekenend.

Van het Noord-Koreaanse regime zijn we die hysterische toon gewoon. Het verbergt zijn zwakheid al sinds jaar en dag achter stoere krijglustige taal. Maar dat het ons niet verbaast als de leiders van de VS over de mogelijkheid van de totale vernieting van een land spreken, is alarmerend. Niet dat iedereen de furieuze woorden van Trump en zijn defensieminister goed gekozen vond maar er was geen massale globale verontwaardiging over de pure waanzin van dit scenario.

Een oorlog met kernwapens is vandaag onwaarschijnlijk maar de “war of words” met Noord-Korea dient om ons in te enten tegen het idee dat zo’n oorlog onvoorstelbaar is. De bevolking leert te wennen aan het idee dat het nodig kan zijn voor “het nationaal belang” en dat zij die zich er tegen verzetten “bleeding hearts” en landsverraders zijn.

Zoals een schooljongersruzie zal het conflict de-escaleren. Maar het zal niet verdwijnen.

De positie van het Noord-Koreaanse regime is in essentie defensief. Het zoekt zijn territorium of zijn markten niet uit te breiden maar het wilt de macht die het heeft in handen houden. Die macht berust in de eerste plaats op terreur, op de militarisering van de maatschappij, op de isolatie van de bevolking van de buitenwereld. Maar daarop niet alleen. Nationalistische trots en de David-tegen-Goliath-mythe spelen een belangrijke bindende rol. Om die in stand te houden, moet het Noord-Koreaanse regime in de David-positie blijven en dus de Goliath (de VS) blijven uitdagen. De raket-testen hebben dus een dubbele functie: de bevolking iets geven om toe te juichen en Washington waarschuwen dat Noord-Korea geen Irak is. Van deze twee was de eerste misschien wel de belangrijkste.

Er werden zware economische sancties tegen Noord-Korea afgekondigd. Zoals gewoonlijk zullen die de armen armer maken terwijl de rijken er geen ongemak van zullen ondervinden. Het regime is bereid om een derde van zijn export-inkomsten te verliezen (als het in praktijk zoveel blijkt, wat me zou verbazen) om de David-mythe in stand te houden. En aan de andere kant van de oceaan houdt dat de symbiotische mythe in stand van de knettergekke dictator die ons wil vernietigen, wat onze regeerders het recht geeft “to do whatever it takes” om ons te beschermen. Kim Jong-un heeft een buitenlandse vijand nodig maar Trump ook, om de expansie van de militaire uitgaven te verrechtvaardigen en de aandacht af te leiden van de leegheid van zijn kiesbeloften.

cartoon door Matt Wuerker

Het spektakel zal dus voortgaan maar zal het enkel een spektakel blijven? Het wordt steeds moeilijker om de noodzaak om winst te maken –waartoe elk bedrijf, elk land gedwongen wordt- te verzoenen met de noden van de mensheid. Steeds meer mensen worden in de globale automatiserende economie “overbodig”; nutteloos voor het kapitaal, een kost in plaats van een bron van winst. Er is ook steeds meer aanleiding om economische concurrentie te doen escaleren naar militaire concurrentie. Kanonnenvlees genoeg. Er komt een dynamiek op gang die “het onvoorstelbare” voorstelbaar maakt, die de vernietiging van het milieu en massamoord op burgers een logische, rationele  keuze maakt. De oorzaak daarvan gaat veel dieper dan de mentale conditie of de beleidskeuzes van de politici die nu aan de macht zijn (voor wie alles op Trump steekt: Hillary Clinton beloofde tijdens de kiescampagne “de totale vernietiging van Iran” als dat land Israel zou aanvallen). Niet de waanzin van Kim en Trump is het probleem maar de waanzin van het systeem waarvan zij exponenten zijn. De mensvijandige logica van dat systeem moet in vraag gesteld en opzij geschoven worden om te voorkomen dat deze “wars of words” massale vernietigingsoorlogen worden.

Iets nieuw moet verbeeld worden.

augustus 13, 2017 at 5:43 am 2 reacties

VAROUFAKIS EN THUCYDIDES

2015-06-27 17:59:16 Greek Finance Minister Yanis Varoufakis gives a press conference during a Eurogroup meeting at the EU headquarters in Brussels on June 27, 2015. AFP PHOTO/ JOHN THYS

 

door Marc Coucke

 

Dit stuk gaat over twee Grieken (maar niet in gelijke mate) :  Varoufakis die naam gemaakt heeft in de 21ste eeuw en Thucydides, die de Peloponnesische oorlog heeft beschreven in de 5de eeuw voor onze tijdrekening.

Yanis Varoufakis heeft een zeer leesbaar en lijvig boek [1] geschreven over zijn periode als Grieks Minister van Financiën. Het is een belangrijk boek, niet zozeer omwille van het relaas van wat zich heeft afgespeeld in Griekenland in 2015 maar wel omdat het een inkijk geeft over hoe er in de hoogste regionen in Europa en de wereld (IMF) aan politiek wordt gedaan. Het democratisch deficit wordt hier wel heel erg bloot gelegd.

De toon van het boek wordt reeds gezet in de inleiding. In april 2015 heeft Varoufakis in Washington een lange informele ontmoeting met Larry Summers, de Amerikaanse  Minister van Financiën onder Bill Clinton en de voormalige President van Harvard University. Beiden kennen elkaar heel goed en kunnen het goed met elkaar vinden. Summers zegt aan Varoufakis dat hij in zijn openbaar leven één grote les heeft geleerd :  ‘Er zijn 2 soorten politici, de insiders en de outsiders. De outsiders houden zich het recht voor duidelijke taal te spreken en hechten veel belang aan de waarheid. De prijs die zij moeten betalen voor die vrijheid van spreken is dat zij genegeerd worden door de insiders, die de belangrijke beslissingen nemen.  De insiders huldigen één  heilige stelregel : ga nooit in tegen andere insiders en verklap nooit aan outsiders wat insiders zeggen of doen. Wat krijgen zij daarvoor ? Toegang tot inside information en een kans om machtige personen te beïnvloeden.’ Het boek is een aaneenschakeling van politieke ontmoetingen die dit inzicht bevestigen.

Yanis Varoufakis (geboren in 1961) had naam gemaakt als economist voor hij door Alexis Tsipras van Syriza gevraagd werd om in de politiek te gaan. Hij heeft zijn universitaire studies gedaan in Engeland en heeft als professor gedoceerd in Engeland, Australië, Griekenland en Amerika. Zijn vakgebied is game theory [2] en dat laat zich in dit boek voelen. Voor elke politieke ontmoeting heeft hij verschillende scenario’s uitgeschreven en denkt hij enkele stappen vooruit. Hij benadert de politiek als een academicus en hij denkt zijn collega ministers te kunnen overtuigen met rationele argumenten, quod non. Hij komt van een kale reis thuis en wordt dikwijls geconfronteerd met collega’s die naar hem kijken alsof hij niets gezegd heeft, alsof hij geen plan heeft voorgelegd. Zij weigeren met hem in dialoog te gaan. Daarover ondervraagd[3] zegt hij dat hij niet naïef was en heel goed besefte dat men hem niet met open armen zou ontvangen. Hij ging ervan uit dat, indien hij zinnige proposities en een afschrikkingswapen op tafel legde, zij dan wel moesten luisteren.  Hij had een mogelijk atoomwapen in zijn hand. In 2010 had de ECB voor € 33 miljard Griekse staatsleningen overgekocht van privé investeerders. De nieuwe Griekse regering kon in 2015 beslissen deze leningen niet terug te betalen. Dat zou Mario Draghi in een onhoudbare positie gebracht hebben want er was een uitspraak van het Europees Hof (na een klacht van de Duitse Bundesbank bij het Duitse Grondwettelijk Hof) dat de ECB geen enkel verlies mocht lijden op aangekochte staatsleningen.

Voor hij minister werd in januari 2015 was Griekenland reeds twee keer financieel  ‘gered’ geworden. Griekenland had in mei 2010 voor € 110 miljard leningen ontvangen van (verschillende landen in) Europa en het IMF. Dit moest de Griekse staat, die bankroet was en daarom geen beroep meer kon doen op de financiële markten, er bovenop helpen. Als tegenprestatie moest Griekenland aanvaarden dat er drastische hervormingen werden doorgevoerd die ter plaatse gecontroleerd werden door een trojka van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF. Deze bail-out was echter niet opgezet om Griekenland te helpen maar moest dienen om grote Duitse en Franse banken van de ondergang te redden. Die banken hadden Griekse staatsleningen gekocht voor een bedrag van meer dan € 200 miljard. Indien Griekenland dit geld aan de banken niet kon terugbetalen dan zouden ook Portugal, Spanje en Italië in het vizier komen van de financiële markten en de exposure van die banken aan die zuiderse landen was nog veel groter en zij riskeerden daaraan ten onder te gaan.  Sarkozy en Merkel hadden hun banken al eens moeten redden na de financiële crisis van 2008 en konden het zich politiek niet veroorloven hun Parlement nog een tweede keer een reddingsboei te vragen voor hun banken. De tweede redding van de Franse en de Duitse banken is dus verpakt geworden als een redding van Griekenland. Van de € 110 miljard die Griekenland als lening gekregen heeft in mei 2010 van Europa (de Europese belastingbetalers) en het IMF is dus niets Griekenland ten goede gekomen. Dit bedrag werd volledig aangewend om de Griekse staatsleningen vervroegd terug te betalen aan de Franse en Duitse banken. De dubieuze leningen die die banken verschaft hebben aan de Griekse staat werden dus overgenomen door de Europese en internationale  gemeenschap.

Griekenland heeft een tweede lening gekregen van € 130 miljard in 2012. Hier waren heel wat voorwaarden aan verbonden, die werden vastgelegd in een Memorandum of Understanding (MoU). Eerst en vooral een 90 % schuldafschrijving (een haircut) van € 100 miljard op eerdere Griekse staatsleningen die gekocht werden door Griekse pensioenfondsen, Griekse banken en Griekse burgers. Deze Griekse obligatiehouders werden in één klap € 100 miljard armer. De buitenlanders bleven buiten schot. Andere voorwaarden waren het oprichten van The Hellenic Financial Stability Fund, dat toezicht moest houden op de Griekse banken maar volledig gecontroleerd werd door de trojka, de aanstelling door de trojka van een nieuw hoofd van de Griekse belastingdienst, die niet kon ontslagen worden door de Griekse regering en het oprichten van een dienst die Griekse overheidsholdings moest privatiseren. Van de lening van € 130 miljard werd € 50 miljard aangewend om de Griekse banken te onderstutten met nieuw kapitaal (om de haircut te compenseren) en een ander deel diende om een deel van de vroegere leningen van Europa en het IMF terug te betalen.

De Griekse bevolking had in de verkiezingen van januari 2015 aan Syriza een mandaat gegeven om het Griekse reddingsplan te heronderhandelen met Europa en het IMF. Varoufakis was (en blijft) ervan overtuigd dat de aanpak van de trojka Griekenland niet uit het moeras kan trekken maar Griekenland vast ketent in een schuldengevangenis. De MoU is een giftig medicijn dat de toestand van de patiënt enkel slechter maakt. Die aanpak van de trojka is noodzakelijk om te vermijden dat enkele belangrijke Europese leiders politiek gezichtsverlies zouden lijden door toe te geven dat ze het verkeerd voor hadden.

Varoufakis had zijn eigen plan, dat hij getoetst had bij belangrijke economische adviseurs (Jamie Galbraith, Jeff Sachs, Norman Lamont) en dat oorspronkelijk was goedgekeurd door het Griekse war cabinet, maar waar Tsipras uiteindelijk is voor gezwicht. Het plan hield een schuldherschikking in (bestaande leningen vervangen door enerzijds eeuwigdurende leningen die in principe nooit terug betaald worden en waarop enkel eeuwigdurend intrest wordt betaald en anderzijds door leningen waarvan de afbetaling zou gekoppeld worden aan de groei van de Griekse economie), een voorstel om de failliete Griekse banken over te hevelen naar het Europees niveau (want het was Europees geld dat ze overeind hield) en een voorstel om belastingen te innen bij belastingontduikers door gebruik te maken van data mining.

Wanneer Varoufakis zijn plan voorstelde in de Eurogroup vergadering van 11 februari 2015 was het  antwoord van de Duitse minister Schäuble heel kort : ‘Verkiezingen kunnen geen voorwendsel zijn om de economische politiek te veranderen.’ Varoufakis antwoordde :  ‘Democratie is geen luxe die de rijke landen zich kunnen veroorloven maar moet ontzegd worden aan de arme landen.’ Toen Varoufakis vroeg dat zijn voorstel ten minste zou uitgedeeld worden aan zijn collega’s om het te kunnen bestuderen werd dit door Schäuble geweigerd want dan zou hij wettelijk verplicht zijn dit voorstel ten berde te brengen in het Duits Parlement waar het zeker zou worden afgekeurd. Schäuble zei dat Varoufakis zijn voorstel maar aan de trojka moest overmaken. Varoufakis argumenteerde dat de trojka een groep technici zijn die niet verkozen zijn en geen verantwoording moeten afleggen. Hij wilde een discussie op politiek niveau maar die kreeg hij niet.

Op het einde van de Eurogroup vergadering van 27 juni 2015, de laatste die Varoufakis heeft bijgewoond, wilde Voorzitter Jeroen Dijsselbloem een communiqué verspreiden waar Varoufakis niet mee akkoord ging en wilde hij een nieuwe vergadering samenroepen in de namiddag zonder Varoufakis. Varoufakis vroeg aan de secretaris of dat zo maar kon. Het antwoord van de secretaris, na consultatie met de Juridische Dienst van de Europese Commissie,  was dat de Eurogroup geen juridische basis heeft omdat het in geen enkel Europees verdrag voorkomt en dat de Voorzitter daarom kan handelen naar eigen goeddunken.

In het boek komen nog veel voorbeelden voor van machtspelletjes. Dijsselbloem en Schäuble die Varoufakis afdreigen met uitsluiting uit de eurozone (Grexit), Schäuble die Griekenland wil afstraffen om Frankrijk een lesje te leren en discipline op te leggen. Daar tegenover stelt Varoufakis altijd het belang van de soevereiniteit van de staat en de waardigheid van het volk.

Waar blijft Thucydides ? Zijn uitspraak van 26 eeuwen terug vat het boek goed samen :  ‘In de echte wereld doen de sterken wat zij willen en ondergaan de zwakken wat zij moeten.’ Dit is trouwens ook de titel van een ander boek dat Varoufakis recent geschreven heeft : ‘And the weak suffer what they must ?’

[1] ‘Adults in the room’, ISBN 9781847924452, 550 blz.

[2] https://www.yanisvaroufakis.eu/books/game-theory-a-critical-text/

[3] https://www.socialeurope.eu/adults-room-taking-europes-deep-state

augustus 6, 2017 at 8:47 am 1 reactie

JAMBON EN DE ZESTIG IMAMS

 

door Lucas Catherine

10 juli bij de Brusselse Beurs, een plek waar het stadsbestuur normaal een betogingsverbod handhaaft. Maar nu wordt er betoogd, door zestig imams onder leiding van minister Jan Jambon. Er staan zeker dubbel zoveel flikken opgesteld en een honderdtal nieuwsgierigen. Ik haast mij naar Le Suisse voor een sandwich en nog voor die op is zijn de imams verdwenen.

 

Zijn ze verdwenen zoals indertijd de dansende moslims van Jambon? Ik zoek duiding.

Het tv-nieuws laat twee imams aan het woord –duidelijk geen Belgen- en interviewt ook een rabbijn, Avi Tawil. Wat die man daar doet wordt niet gezegd. Ook in de krant word ik niet veel wijzer, behalve dan dat de Vlaamse Leeuw soms naar links en soms naar rechts klauwt. We zijn 11 juli.
Ik bekijk de foto’s van het evenement op internet en wie staat daar naast Jan Jambon? Marek Halter, volgens het onderschrift de organisator van het evenement. De man heeft trouwens ook gespeecht.

 

 

Dat heb ik verdorie gemist, want die kerel ken ik van vroeger. Pseudo-linkse intellectueel, propagandist voor Israël, indertijd bewonderaar van Golda Meir en Ariel Sharon. Steunde Nicolas Sarkozy met een verkiezingsspotje en is vooral bekend als leugenaar. Zo zegt hij geboren te zijn in het ghetto van Warschau en er via de riolering uit te zijn ontsnapt. Iets wat de historicus Michel Borwitz in het joodse blad, Unser Wort al in 1980 als compleet verzonnen af deed. Wie had het weer over de ‘uitbuiting van de holocaust’ en lanceerde de vroegere Israëlische minister van BuZa, Abba Eban niet de witz: “There’s no business like ‘Shoah’ business.” ?
Halter organiseerde de mars samen met Hassen Chalgoumi, ‘voorzitter van de Conférence des Imams de France’ een schimmige organisatie die niet erkend is door de wel representatieve Conseil Français du Culte Musulman. Maar dat melden de media niet. Die laatste organisatie weigerde trouwens voor de mars op te roepen en blijkbaar heeft Chalgoumi ook bij de Belgische moslims geen goeie naam, want waar een maand geleden nog gesproken werd dat er enkele duizenden moslim sympathisanten zouden opdagen aan de Beurs, stonden daar zo’n 120 mensen, waaronder veel toeristen. Chalgoumi is zowat de ‘imam de service’ van Israël, vooral sinds hij samen met Alain Finkelkraut en op kosten van de Israëlische ambassade in 2012 de zionistische staat bezocht.

De mars kadert dus blijkbaar in de Israëlische propaganda. Zo stelt hun propagandahandboek, Fighting the Media War for Israel:  ‘Verwijs er steeds naar dat zowel Israël als het Westen bedreigd worden door het terrorisme.’

En zo komen we terecht bij Rabijn Avi Tawil die o.a. op het VRT-nieuws werd geïnterviewd. De man is ‘executive director’ van het European Jewish Community Center.

 

Deze lobbygroep organiseerde samen met de European Coalition for Israel een meeting onder de titel What EU can Learn from Israel (8 dec.2016). Een van de iniatiefnemers was Bas Belder van de Staatkundig Gereformeerde Partij – Zijn partij ijvert voor een ‘godsregering op basis van de Bijbel’-, lid van de Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers (AECH),  vice-voorzitter van de Commissie voor de Betrekkingen EU-Israël, columnist bij Israël Aktueel. Ook de NV-A is lid van die AECH. Zou Bas Belder een goed woordje hebben gedaan bij Jan Jambon om dit evenement mee te sponseren? Of werd het ingefluisterd door onze lokale Marek Halter, Zevi (Michael) Freilich?

juli 17, 2017 at 9:54 am Plaats een reactie

Oudere berichten Nieuwere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.337 andere volgers