Posts tagged ‘Auschwitz’

Het Brussel van Elsschot

 

Wie Elsschot zegt denkt Antwerpen. De film Lijmen Het Been van Robbe De Hert met onder andere Mike Verdrengh en Koen de Bouw heeft de koekenstad als decor. Dat klopt niet met het boek van Elsschot en ook niet met de realiteit waarop het gebaseerd is: het tragikomische verhaal van Boorman, mevrouw Lauwereyssen en Frans Laarmans speelt zich af in Brussel, en wel in het historische hart van de hoofdstad waar reclameman Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, zijn bureau en zijn stamcafé had, wellicht het “café van Dikke Jeanne.” Elsschot en Brussel, het is een band die onbekend en onderbelicht is en daar wil een andere Brusselaar iets aan doen: Lucas Catherine met name die in Elsschots oude buurt woont en die eerder naam maakte als eminente kenner van het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijns conflict. Het verband tussen die twee – Elsschot en de Arabische wereld – legt hij hieronder zelf uit.

Johan Depoortere

Tachtig jaar geleden verscheen Lijmen/Het Been als één boek.

Misschien denkt u nu, hoe komt het dat Lucas Catherine die toch vooral over Kongo, de Arabische wereld en Islam schrijft, het over Willem Elsschot heeft? Wel dat is een heel verhaal:

In 1979, toen nog geen journalist het woord jihad had gebruikt kocht ik het zeer academische boek: The doctrine of Jihad in Modern History. In de eerste paragraaf viel al de eerste voetnoot, en wel bij de zin: of all Islamic institutions, jihad is certainly the one that offers the most admirable ressources for studies on the inexhaustible and complex theme of the relationship between Islam and Western colonialism.1

De auteur had hier duidelijk de marmer- en piano-tekst van Boorman en Laarmans uit Lijmen/Het Been toegepast. Dit is de oorspronkelijke Elsschottekst: De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigeux et inépuisable thème de la décoration.

En van het een komt het ander en heb ik Lijmen/Het Been herlezen en wat bleek voor mij als Brusselaar: Je kon dat boek gebruiken als een soort historische gids om mijn wijk, de Vismet en dat is dus de oude Brusselse haven te leren kennen tijdens de Belle Epoque en het Interbellum.

untitled--2

Het echtpaar Elsschot op wandel in Laken, bij het Chinees Paviljoen (foto Letterenhuis)

Willem Elsschot heeft tussen 1911 en 1914in Brussel op nogal wat adressen gewoond: Waterloose steenweg 41 (St-Gillis); Waverse steenweg 929 (Oudergem) en in Laken, Bockstaellaan 237, 3deetage boven Café Le Cygne (patronne: Dikke Jeanne), nu bakkerij. Hij vlucht naar Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog, maar zal Brussel iedere donderdag bezoeken, onder andere om zijn kleinzoon Tsjip in Ukkel te zien (E. Cavellstraat 106), stad waar hij ook naar toevlucht tijdens WO II.

Je mag niet vergeten dat ook zijn La Revue Continentale Illustrée = Algemeen Wereldtijdschrift voor Handel, Financiën, hier in Brussel op meerdere adressen gevestigd was, oa Quai des Charbonnages 74, Koolmijnenkaai, Molenbeek en in oktober 1913 : Brandhoutkaai 51 (Vismet, nu Citadinnes). Wat ook nogal eens vergeten wordt is dat hij een reclamebureau bezat: La Propagande Commerciale met een kantoor in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort .

Alfons De Ridder heeft zijn pseudoniem, Willem Elsschot in Brussel gelanceerd, maar het verwijst eigenlijk naar een dorp in Limburg van waaruit zijn moeder afkomstig was. Ook zijn eerste roman Villa des Roses heeft hij van hieruit uitgegeven. Het contract met de uitgever schreef hij neer op briefpapier van La Revue Continentale/ Het Algemeen Wereldtijdschrift.

Cover Revue Continentale Illustrée (bibliotheek Ugent)

Elsschot zei zelf: Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op één of andere manier van af moest komen. De gebeurtenissen in de boeken hebben zich ook in de werkelijkheid voorgedaanIk heb feitelijk niets anders dan een dagboek bijgehouden.

Brussel, en dan vooral het Brussel van net voor de Grote Oorlog is dan ook erg goed te herkennen in Lijmen/Het Been.Gezien al die adressen heeft Elsschot nogal wat rond gehangen in onze stad en zich verplaatsen was toen nog geen probleem. Brussel had net de paardentrams vervangen door elektrische trams en het centrum was prima verbonden met voorsteden als Ukkel, Sint-Gillis, Oudergem, Elsene of Laken. Zo zong Jef Casteleyn op de wijze van de Marseilleise

Pour admirer notre Belgique

Comme la richesse elle l’a changée

On voyait des trams éléctriques

Remplis de Belges et Etrangers

En de auto’s verschenen in het stadsbeeld. Het eerste Brusselse autosalon werd al in 1899 georganiseerd in de Pôle Nord (tussen de Kathelijnekerk en het de Brouckère plein) en vanaf 1902 gebeurde dit jaarlijks in het Jubelpark.De auto zou de trein gaan beconcurreren, of zoals Korthals het tegen Boorman uitlegt: Vroeger werden onze lieve doden gewoon per spoor verzonden, net als haring. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief tot eindelijk onze veertien (zijn gemotoriseerde lijkwagen) aan die gruwel een einde heeft gemaakt. 

Leopold II voorziet in zijn testament al de aanleg van de eerste autoweg Brussel-Oostende.

De Vismet met de Brandhoutkaai (collectie Plaizier)

De Vismet vandaag

Tussen smederij Lauwereyssen, Vlaamse steenweg 62, en het redactieadres van La Revue Continentale Illustrée lag de vroegere haven. Ze werd stelselmatig gedempt. Het dok dat voor het nummer 51 van de Brandhoutkaai lag was het laatste en verdween één jaar voor Elsschot er kwam werken. De Vismarkt werd er opgericht, tussen de Kathelijnekerk en de Populierstraat, maar het noordelijk deel van wat we nu nog de Vismet noemen werd chic. De cavitjes en kabberdoesjen die typisch waren voor de havenwijk ruimden plaats voor meer burgerlijke gebouwen. En ook de industrie rond de haven trok weg: de duurte van de grond, waardoor de meeste fabrieken de wijk moeten nemen uit het centrum, zoals Boorman de toestand samenvatte aan mevrouw Lauwereyssen..

De Varkensmarkt, aan het einde van de Vismet, werd verbreed, net als het kanaal. En parallel met de Vismet werd de Dansaertstraat aangelegd als veel bredere concurrent voor de smalle Vlaamse steenweg. Wat nog eens de grondprijs de hoogte in joeg en van de Vlaamse Steenweg een ingesloten populaire wijk maakte tussen riante nieuwbouw. Het wordt haast een Vergeten Straat, denk aan haar beschrijving in het Algemeen Wereldtijdschrift: Kent gij de rue de Flandre? Bezoekt haar en lezer, ook al had gij haar bestaan niet vermoed, en gij zijt ons dankbaar, niet? Want geen gids ter wereld, ook niet het reisbureau Orient, dat anders van aardige hoekjes afweet, had u er nooit heengebracht…Lezer gij hebt nu een hoekje van Brussel bezocht, waarvan gij het bestaan niet had vermoed.

Vlaamse Steenweg (collectie Plaizier) “En zo was ik met mijn rouwende drijver op een onzalige voormiddag toevallig in een zijstraat van de Chaussée d’Anvers terecht gekomen, niet ver van de Rue de Flandre waar Lauwereyssen en dikke Jeanne zaken deden. De groentemarkt was in volle gang. Er stonden talloze handkarretjes, ieder met een schreeuwend wijf, en op het trottoir verdrongen zich de koopsters alsof er voor allen niet genoeg zou zijn.” (Het Been – OP DE MARKT)

Café op de Vlaamse Steenweg: de inspiratie voor “het café van Dikke Jeanne?”

Langs de grote centrale lanen die onder Leopold II waren aangelegd over de gedempte Zenne, vestigden zich de eerste grote luxe restaurants. De vreemdeling die door ’t centrum van Brussel slentert en die, verdoofd door de drukte en de herrie, ergens bij de Beurs op een bank gaat uitrusten… verbeeldt zich nu eenmaal dat het centrum van die weelderige stad alleen uit hotels, koffiehuizen, patisserieën en parfumwinkels bestaat.De meer populaire restaurants vond je in de Beenhouwersstraat en langs de Vismarkt. Elsschot zal trouwens Louis-Paul Boon voor het eerst ontmoeten in Les Armes de Bruxelles, in die Beenhouwersstraat.

Het is de tijd dat de Belgische keuken haar eigen stijl ontwikkelt, onder meer dankzij Gaston Clément (1879-1973) die als kok voor Leopold II en Albert I werkte. Hij is niet alleen de founding father van de Belgische keuken, maar promoot ook een nieuwigheid in onze voeding, de conserven. Van hem zijn de legendarische woorden: ‘de beste asperges zijn de asperges uit blik’. En die conserven nemen in het Museum voor Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen (de centrale gang in het kantoor van het Wereldtijdschrift) het meeste plaats in. Mevrouw Boorman komt er zich regelmatig bevoorraden en veertien jaar later vraagt Boorman zich in Het Been af of zij niet is gestorven aan al die conserven.

In Boormans Museum prijkt naast een standbeeld van Leopold II, een negerafgod, een werpspeer en een baal rubber. De exploitatie van Congo had na de Belgische overname in 1910 een geweldige toename gekend. Alle produkten uit de kolonie werden in Antwerpen gecommercialiseerd, behalve twee luxe items: de banaan en de cacao. Dat de banaan bij het gewone volk een luxeproduct was, blijkt in Het Been, wanneer tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften een van de bieders, ostentatief vier bananen zit te eten. Alleen mensen met geld konden ze zich veroorloven en het mevrouwtje doet dan ook het hoogste bod: “Zo liet ook mijn buurvrouw de vellen van haar vierde banaan afhangen, zonder de laatste hap te doen…tot mijn buurvrouwtje dat de hele morgen gegeten en gezwegen had, haar onttakelde banaan in de hoogte stak om de aandacht van de notaris te trekken en rustig driehonderdvijftig bood. 

Bananen kwamen toen exclusief uit Congo – het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat de Amerikanen hun Latijns-Amerikaanse bananen bij ons zullen introduceren – en in de havenwijk waren er dan ook verschillende bananenrijperijen. Zo waren de huidige binnenparking van restaurant La Belle Maraichère en het kunstencentrum Argos oorspronkelijk bananenrijperijen.

Inladen van Bananen in Kongo (foto Otraco)

En dan is er de cacao die de reeds bestaande chocolademakerijen niet alleen een boom bezorgde, maar de Congolese cacao zorgde van toen af voor de speciale diepe smaak van de Belgische chocolade. De cacao was van ons, en dus niet duur, dus mocht er extra veel in de cacaoboter. En toen kwam een Griekse Ottomaan uit Gent op het lumineuze idee om, zoals men frieten op straat aan het gewone volk verkocht, zijn pralines op de centrale lanen aan de paraderende bourgeoisie te verkopen. Leonidas Georges Kestekides had met zijn chocolade een prijs gewonnen op de koloniale tentoonstelling van 1910 en verhuisde in 1924 (het jaar dat Lijmen verscheen) zijn fabriek van Gent naar de Devaustraat (naast de Kiekenmarkt) en opende enkele winkels langsheen de centrale lanen2. Ze bestaan nog.

Ook de al bestaande kleine warenhuisketen Delhaize werd groot dankzij haar koloniale produkten. In 1906 werden ze hofleverancier voor cacao en koffie uit Kongo en waren mede-financiers van het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1910. Ze hadden ondermeer een winkel op de hoek van de Vlaamse steenweg en het Kathelijneplein. Ze versierden hun winkels met een Belgische Leeuw (vandaar Delhaize Le Lion), de slogan: gebruikt de producten uit onze kolonie en met een borstbeeld van Leopold II. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat Boorman zijn Museum op dezelfde manier inrichtte.

Vitrine Delhaize –1920 (colectie Delhaize)

Niet alleen de fabrieken trekken weg uit deze nieuwe, chique wijk, ook La Revue Continentale verlaat de Brandhoutkaai en trekt over het kanaal naar de Steenkoolmijnkaai 74.

Maar niet alleen La Revue Continentale Illustrée diende Elsschot als inspiratiebron, ook zijn reclamebureau La Propagande Commerciale (met een adres in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort). Met dit bureau geeft hij onder andere de officiële catalogi uit van de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Antwerpen en Luik (1930). Na ruzie met zijn vennoten (1931) geeft hij in eigen naam de catalogus uit van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1935. De rue de la Reinette loopt parallel met de Naamse Poort en daar was al tijdens de Kongo Vrijstaat van Leopold II een koloniale wijk ontstaan. Centrum was het Café de l’Horloge waar nu een metro-ingang is. Dat was een heel chic café waar het koloniaal kapitaal vergaderde. Je betaalde er niet met geld maar met jettons. Die moest je in tamelijk grote hoeveelheid ineens aankopen, zo beperkte men de clièntèle tot alleen maar de kapitaalkrachtigen.

Dit Art Nouveau Café werd tijdens de aanleg van de kleine ring als voorbereiding voor Expo 58, afgebroken en opgekocht door de grote baas van de Hiltonketen. Het werd steen voor steen genummerd en terug opgebouwd in Cairo in de Nile Hilton waar het bekend staat als Taverne du Champ de Mars, naar het Brusselse plein waar het stond. Minder begoede kolonialen spraken af in meer populaire cafés bij het begin van de Waversesteenweg. Het meest bekende was Le Lion Belge en dat moet Elsschot zeker bezocht hebben. Waarschijnlijk diende het als voorbeeld voor Brasserie du Lion Royal waar Boorman Laarmans zijn contract laat ondertekenen.

De koloniale wijk aan het begin van de Naamse Poort, gezien vanaf de Pippelingstraat (archief Stad Brussel)

Maar hiermee zijn we al ver van smederij Lauwereyssen, rue de Flandre 62 en het café van Dikke Jeanne.In deze oude havenwijk nemen de sociale conflicten toe. De kloof tussen rijk en arm wordt er erg groot, getuige het verhaal van de mosselvrouw die op afbetaling een pelsmantel had gekocht bij Weinstein, een van juifs de la rue Sainte Cathérine en die na vier jaar niet meer kon afbetalen. In Brussel stonden de joden bekend om hun handel in textiel en ook in pels. Mijn tante Julia heeft jaren bij de jood in de pels gewerkt tot ze er stoflong van kreeg. De bekendste winkel waren de Grands Magasins Hirsch in de Nieuwstraat (waar nu de C&A is). Hirsch is de Brusselse folklore ingegaan omdat zijn kleren tweedehands werden verkocht uitgespreid op de grond van de Voddenmet die daarom ook ondermeer als bijnaam kreeg Hirsch par Terre. Dat er in de Kathelijnewijk nogal wat joodse mensen woonden kan je nog merken aan de koperen herinneringsstenen naast klerenwinkel Au Coin de Rue ter gedachtenis van het echtpaar De Leeuw-Levie, in Auschwitz vermoord door de nazi’s in 1943.

Het is ook de tijd dat de socialisten sterk worden. Na de invoering van het meervoudig algemeen stemrecht hadden de liberalen hun absolute meerderheid in de Brusselse gemeenteraad verloren. Liberaal burgemeester Charles Buls neemt dan ook ontslag omdat hij, zoals hij in zijn dagboek schrijft: je ne veux être ni le prisonnier des cléricaux, ni l’allié des socialistenEn de vakbonden worden sterk – Horta had al in 1899 het Volkshuis gebouwd – en mevrouw Lauwereyssen klaagt dan ook: als bij afspraak wordt het gereedschap neergegooid en gaan de heren vloekend aan het staken. En wat je dan ook praat, het baat niet. Zij eisen verkorting van werktijd en verhoging van loon… Zij hebben twee bondsleden op mij afgezonden, mensen van hun metaalbewerkersbond of hoe het dan ook moet heten. Drie weken lang heb ik nog weerstand geboden, maar toen moest ik wel toegeven…

Was dit ook de visie van Willem Elsschot? Ik betwijfel het want in Kaas dat tussen Lijmen en Het Been in verscheen (in 1933) schrijf hij haast een lofzang op de toenmalige Sovietunie (van Stalin!): Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Men zegt zelfs dat zij in Rusland de heren geworden zijn. Als het waar is dan hebben zij dat verdiend dunkt mij. Zij schijnen het trouwens met hun bloed gekocht te hebben.

Volkshuis van Victor Horta, nu afgebroken (collectie Plaizier)

Toen Elsschot, op aandringen van Nederlandse vrienden Het Been als een vervolg schreef op Lijmen moest hij zijn personages van tien jaar eerder laten evolueren. Dikke Jeanne uit het café in de Vlaamse steenweg vermagerde wegens suikerziekte en veranderde van haarkleur. Laarmans was weer een gewone bediende geworden, maar wat met Boorman?

Elsschot’s voormalige zakenpartner, René Leclercq, met wie hij zeven jaar eerder had gebroken, had psychische problemen gekregen en had zich laten behandelen in de kleine privé-kliniek Sans-Souci van dokter Titeca. De naam Titeca is trouwens in het Brussels nog een synoniem voor ‘zothuis’. Maar Boorman wordt elders opgesloten. Hij wordt door de politie aangehouden wegens ordeverstoring tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften van mevrouw Lauwereyssen en de Brusselse politie voert gekken niet af naar een privé-kliniek, maar wel naar de psychiatrische afdeling van Brugmann, het OCMW-ziekenhuis van de stad. Daarvoor inspireert Elsschot zich op de lotgevallen van een goede kennis, Leo Frenssen, een ambulante kruidenier waar hij vaak mee discussieerde. Frenssen had in Antwerpen een partij gesticht voor Een Redelijke en Demokratische Communistische Maatschappij en gaf zo een krantje uit: De Voorlichter. Ze behaalden in 1938 zes zetels in de gemeenteraad en een jaar later wordt hij zelfs volksvertegenwoordiger. Tijdens een van zijn betogingen in Brussel werd Leo Frenssen door de politie opgepakt en naar de psychiatrische afdeling van het Brugmann-ziekenhuis gebracht. Hij vertelde zijn wedervaren in De Voorlichter en Willem Elsschot was er zo over verontwaardigd dat hij het verhaal gebruikt in de gasthuisscène van Het Been. Veel details kloppen: de zingende zot in bad, de geschifte die telkens opnieuw zijn bed dwangmatig opmaakt en de testen die Frenssen moest doen: onder meer snel na mekaar herhaalde malen Trente troisième régiment d’artillerie te zeggen. Bij Elsschot wordt dit Derde rijdende artillerie brigade.

Brugmann Ziekenhuis (collectie auteur)

Dezelfde Elsschot schreef ook een gedicht over communist Van der Lubbe – dat trouwens eindigt met mocht je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn. Maar daarnaast schrijft hij ook, in 1947, een gedicht tegen de terechtstelling van nazi-collaborateur Borms. Zoals ze in Brussel zeggen: daane Elsschot, heum es nie veu ien gat te vange.

De auteur bij de gedenkplaat gemaakt door de de Brusselse kunstenaar Benoît van Innis op de plek aan de Vlaamse Steenweg waar zich wellicht de smederij van mevrouw Lauwereyssen bevond.

Lucas Catherine, Zaterdagplein –neuvest de Vismet en ’t Begaanhof,2018

1Willem Elsschot, Lijmen. In: Verzameld werk, Amsterdam 1963.

2Patisserie Centrale Leonidas. De term pralines Leonidas duikt pas in 1937 op.

June 6, 2018 at 3:29 pm 7 comments

DOOD VAN EEN GETUIGE: REGINE BEER

Beer

In Antwerpen is Regine Beer (93) overleden. Ontelbare keren is ze in scholen gaan spreken over haar ervaringen in het concentratiekamp van Auschwitz. Op haar arm kreeg ze er het nummer 5148 getatoeëerd. Het boek van Paul De Keulenaer brengt het verhaal van de familie Beer in de jaren voor de oorlog en van hun gruwelijke lot in de nazikampen.

Mijn leven als KZA 5148 beschrijft ook hoe Regine Beer moeizaam maar toch zelfzeker deze periode van vervolging en totale ontmenselijking tracht te verwerken en na de oorlog een nieuw leven opbouwt, hoe zij evolueert van een levenslustige adolescent tot een karaktervolle vrouw, een bewustere volwassene en een alerte bejaarde dame. Getuigen was haar leven geworden. Dat is niet wat de nazi’s met haar hadden nagestreefd.

De socialistische senator en minister Willy Calewaert (1916-1993) was haar een steun en toeverlaat. Zij heeft haar boek aan hem opgedragen. Hij schreef ook het Woord Vooraf, we drukken het hierbij af als een teken van hulde. Regine Beer was de moeder van onze gewaardeerde VRT-collega Stefan Blommaert, momenteel correspondent van de omroep in China. (jc)

 

 

door Willy Calewaert

 

Woord vooraf

Na de grenzeloze misère die ze meegemaakt hebben, wordt dan nog aan kampoverlevenden, vele jaren later, gevraagd getuigenis af te leggen. Want er komt een dag dat alle getuigen zullen verdwenen zijn. Dan zullen de leugens groeien als onkruid. Want nu al wordt door sommige vervalsers het bestaan zelf van uitroeiingskampen ontkend, zijn er politieke bewegingen die een herleving van het fascisme wensen.

Luisteren we dus naar de getekenden. Naar diegenen die, als bij mirakel, uit de kampen zijn weergekeerd. Zij moeten ons zeggen wat die uitkijkposten, die prikkeldraad, die barakken, die galgen, die executiepalen, betekenden. Zij moeten trachten ons het sadistische sarcasme uit te leggen van de leuze op de poort van Auschwitz: ‘Arbeit macht frei’.
Zij moeten ons in de mogelijkheid stellen toestanden te begrijpen die ons begripsvermogen overschrijden. Zij moeten trachten het onbegrijpelijke tot onze geesten te doen doordringen. Zij – en alleen zij – kunnen ons de betekenis doen inzien van de treinsporen, die tot het kamp doorlopen en eindigen tussen de bunkers, waarin de massamoorden plaatsgrepen.
Wie ooit in de voormiddag het kamp van Buchenwald bezocht en later op de dag het Goethe-huis in Weimar, beseft hoe moeilijk het is die gespletenheid te begrijpen. Daarom – en wij beseffen hoe schrijnend elke herinnering aan die tijd moet zijn – vragen we de getuigen ons toch te zeggen wat er gebeurd is. Want feiten die elk begrip tarten door hun sadistische en onmenselijke karakter moeten waarheidsgetrouw worden weergegeven. Elke vorm van haat moet hier vermeden worden.

Maar wel dient achterhaald hoe en waarom mensen, in een politiek regime dat daartoe aanzet, kunnen vervallen in de diepste, meest afschuwelijke onmenselijkheid. De dames en heren die zelfmoord pleegden of te Nürnberg verschenen, waren – zo dunkt mij – noch staatslieden, noch leden van een regering, noch politieke verantwoordelijken, maar werkelijk leden van een gangsterbende. Het aantal slachtoffers is trouwens met dat van geen enkele andere bende te vergelijken.
Waarom gingen Joden zich aangeven?
Waarom droegen ze een ster?
Waarom vertrokken ze naar de Mechelse kazerne?
Waarom hadden ze geld bij zich en kleren?
Want, naast degenen die, in functie van de Endlösung, brutaal in vrachtwagens werden geladen, als misdadigers opgepakt, vertrokken er velen uit eigen beweging naar de Mechelse kazerne.
Het antwoord op die vragen is: omdat er werd gelogen, bedrogen, valse voorwendsels ingeroepen. Maar ook omdat men ‘gehoorzamen moet’, de wetten (welke vorm of inhoud ze ook hebben) moeten nageleefd worden. En wie braaf is, kan niks overkomen. Zo was de atmosfeer bijzonder dubbelzinnig, was elke mededeling hypocriet, werkte de vrees verlammend, moesten we ruzie maken met onze beste vrienden, om ze te overtuigen zich in veiligheid te stellen.

Regine Beer werd slachtoffer van schijnheiligheid en van verkeerde raad. Zij onderging het lot en kwam, gebroken, maar behouden terug. Dat zijn de hoofdlijnen van haar verhaal.
Maar de Regine Beer van 3 september 1943, die ‘s nachts met geweld werd aangehouden en weggevoerd en deze die in mei 1945 in de armen van haar moeder viel, was niet meer dezelfde. Zij had leren leven met de dood.
Zij had immers meegemaakt wat u nu lezen gaat en zij heeft nog altijd de levenskracht en de moed om datgene te doen, wat velen haar vroegen: getuigenis afleggen.

Regine Beer, Mijn leven als KZ 5148, opgetekend door Paul De Keulenaer, Epo, Berchem, 2006-2008 (tweede en uitgebreide versie)

Beer 2

 

March 25, 2014 at 11:56 am Leave a comment

TERZAKE WAS DUS NIET TER ZAKE

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

door Gie van den Berghe

Woensdag 16 oktober 2013 ging een deel van Terzake over ‘het Auschwitzproces’ . Aanleiding was het vastlopen van een pas opgestarte website met toonbandopnames van de Auschwitz processen: getuigenissen van overlevenden, verdediging en uitvluchten van daders en hun advocaten. De interesse voor de website was zo overweldigend groot dat het op 7 oktober door het Fritz Bauer Institut opgestarte initiatief vastliep.

 

Terzake had om dit toe te lichten Christophe Busch uitgenodigd, zakelijk leider van de Kazerne Dossin. Helaas hadden zowel Busch als zijn interviewster Kathleen Cools het niet over de betekenis van de Duitse Auschwitz processen – als ze die al kenden – maar werd nietszeggend vastgesteld dat de belangstelling voor de Holocaust (Endlösung, jodenuitroeiing) groeiende was, iets wat ook moest blijken uit de vele jonge bezoekers (“100.000 in amper een jaar tijd”) die het nieuwe museum Kazerne Dossin te verwerken krijgt. Dat het gros van deze bezoeken door scholen georganiseerd worden, een verplicht – in het programma ingeschreven – nummertje voor jongeren, werd er niet bij verteld. Onvermeld bleef ook dat de jongeren in twee uur tijd door het museum worden gejaagd onder historisch gezien niet altijd even deskundige begeleiding van snel-snel opgeleide gidsen, en dat de jongeren vaak nog dezelfde dag ook nog eens op bezoek moeten naar concentratiekamp Breendonk.

Busch en Cools maakten van de gelegenheid niet alleen gebruik om Kazerne Dossin te bewieroken, Busch greep de kans ook aan om zijn eigen onderzoek en dada voor het voetlicht te brengen. Zonder verdere duiding stelde hij dat vergelijkend onderzoek van genociden zou aantonen dat steeds weer dezelfde mechanismen werkzaam zijn. Dat is tot op grote hoogte het geval wat ontmenselijking van slachtoffers en gedrag van massamoordenaars betreft, maar onjuist wat betreft de politiek-ideologische veroorzaking van genociden.


Ook het door Karl-Friedrich Höcker, in 1944 een van de adjudanten van de kampcommandant van Auschwitz, gemaakte fotoalbum (dat in 2006 aan het licht kwam) kwam vrij uitvoerig aan bod. Christophe Busch is betrokken bij de Nederlandse uitgave van dit album en voert Höcker graag op als de typische dader. Höcker was een van de medebeschuldigden in het eerste Auschwitzproces en kreeg 7 jaar gevangenisstraf (later op een ander proces nog eens vier jaar voor zijn betrokkenheid bij de jodenuitroeiing in het kamp Majdanek).

 

Vermeldenswaard is nog dat Christophe Busch, voor hij tewerkgesteld werd bij Kazerne Dossin, aan een doctoraat werkte en dat nu misschien nog doet. Collega professor Johan Braeckman is zijn promotor, een filosoof die zweert bij evolutionaire psychologie en helemaal niet gespecialiseerd is in genociden, Endlösung of daderschap. Busch vertelde me dat Johan Braeckman hem vroeg waarom hij hem en niet Gie van den Berghe, toch een gedoodverfd specialist ter zake, als promotor koos. Waarop Busch antwoordde dat ik in Joodse middens persona non grata ben (klopt helaas) en dat hij zijn toekomstkansen gaaf wou houden.

 

In Terzake kwam de échte betekenis van de Auschwitzprocessen (drie in totaal en nog enkele opvolgingsprocessen in de jaren 1970) op generlei wijze aan bod. Zoals bekend waren het zeker niet de eerste strafzaken tegen nationaal-socialisten, maar anders dan het de Neurenbergprocessen (1945-1948), het Bergen-Belsen proces (1945) en het Auschwitzproces in Krakau (1947) werden de Auschwitzprocessen in Frankfurt-am-Main niet door de overwinnaars georganiseerd (Amerikanen, Russen, Britten, Fransen) of de slachtoffers (Polen). Neen, de Auschwitzprocessen kwamen er op initiatief van het ‘daderland’ en het waren Duitsers die over Duitsers recht spraken. Voordien waren weliswaar al enkele processen tegen nazi-misdadigers, maar de Auschwitz processen waren de eerste daadwerkelijke stap om op grote schaal strafrechterlijk af te rekenen met de Jodenuitroeiing door de nazi’s.

 

Van belang hierbij was de oprichting in 1958 in Ludwigsburg van een centraal orgaan ter bestraffing van nationaalsocialistische misdaden. Procureur-generaal Fritz Bauer (naar wie het voormelde instituut dus werd vernoemd), een sociaaldemocraat die in 1933 door de nazi’s werd gearresteerd, en Hermann Langbein, president van het Internationale Auschwitzcomité, ijverden van bij de oprichting van dit centrale orgaan voor een heus Auschwitzproces. Het eerste Auschwitzproces liep van eind 1963 tot augustus 1965, en het zijn de bandopnames van dit proces die al in 2005 door het Fritz Bauer Institut beschikbaar gesteld zijn voor het grote publiek (1 dvd: Der Auschwitz Prozess, www.zeno.org) en nu dus ook op een website (www.auschwitz-prozess.de).

October 18, 2013 at 8:43 am 1 comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,590 other followers