Posts tagged ‘België’

BIJ DE VAL VAN EEN REGERING

Door Johan Depoortere

De persconferentie van Bart De Wever gisteravond (zaterdag 8 december 2018) gaf ons een inzicht in wat we de komende maanden kunnen verwachten. De Wever toonde zich in zijn favoriete rol van slachtoffer, Calimero: “Niet wij hebben de val van het kabinet veroorzaakt, wij worden eruit geduwd omdat ons geen gezichtsbesparend compromis in de kwestie van het immigratiepact werd gegund.” Dat is een merkwaardige omkering van de feiten. De NVA-ministers in de regering Michel – die voortaan Michel 1 zal heten – hebben tot na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober met geen woord voorbehoud gemaakt bij de afspraak om dat fameuze pact goed te keuren. Sterker: begin oktober nog vond het kabinet van minister van Binnenlandse Zaken Jambon dat het pact gepromoot moest worden bij ”derde landen” omdat de tekst het terugsturen van migranten zonder verblijfsvergunning makkelijker zou maken. (http://www.standaard.be/cnt/dmf20181129_03998994.

De magere resultaten van de gemeentraadsverkiezingen voor de NVA en het succes van het Vlaams Belang deden de partij van de Wever naar de noodrem grijpen. En wat is beter om het twijfelende kiespubliek te bewerken dan een portie angst voor de vreemdeling, de chaos, de “overrompeling van onze grenzen.” Het voorbeeld van Wilders, Baudet, Orban en Salvini wenkt: rechts populisme zit in de lift en de NVA ziet haar kans schoon om op die golf mee te surfen. Een walgelijke leugencampagne tegen het migratiepact was nog maar het begin. Ja de campagne werd vrijwel onmiddellijk offline gehaald (en prompt overgenomen door De Winter) maar de boodschap was intussen overgekomen. Kijk naar de vele reacties op Facebook en je merkt dat het hondenfluitje gehoord is door wie het moest horen: Marrakesh = de grenzen open en de “invasie” van vluchtelingen en “gelukzoekers.”

Op zijn persconferentie ging De Wever op dat elan verder. De verkiezingscampagne is begonnen en de grote leider bracht behendig maar niet zo subtiel het codewoord aan: Marrakesh. De coalitiepartijen die doorgaan in dit kabinet zijn de “Marrakeshpartijen” en de regering de “Marrakeshregering.” Je kunt er donder op zeggen dat het de komende weken en maanden tot walgens toe zal worden herhaald. Niet gehinderd door enige verantwoordelijkheid zal Theo Franken zijn inwendige twitterende Trump ongeremd loslaten. De twee persona’s in De Wever zullen moeten kiezen tussen de burgemeester van Antwerpen die wil besturen met de vermaledijde socialisten en de partijvoorzitter die voluit wil gaan in het opbod met de extreem-rechtse concurrentie.

Een andere uitspraak van De Wever gisteravond verdient meer aandacht dan ze tot nu toe in de media heeft gekregen. “Het parlement is vóór Marrakesh, de bevolking is tégen,” beweerde de NVA-voorzitter, annex burgemeester, annex volksvertegenwoordiger. Dat is rechts-populisme pur sang. Niet alleen liet De wever na duidelijk te maken hoe hij dat wist, hij herhaalde wat zijn voorbeelden Orban, Wilders en Le Pen voortdurend erin hameren: “Niet de elite van verkozen politici weet wat het volk wil, wij weten dat.” Het zal in alle toonaarden tussen nu en de verkiezingen in mei gezongen worden.

De Belgische regering is gevallen, met of zonder zal het Global Compact for Migration worden goedgekeurd en internationaal de basis vormen voor samenwerking op het vlak van migratie. Dat is een goede zaak al hoeven we er geen wonderen van te verwachten. Niet één migrant/vluchteling zal door deze internationale intentieverklaring méér of minder naar Europa komen. Maar de discussie over het pact binnen het kabinet en in het parlement was verworden tot een pure symbolenkwestie waar de inhoud met al zijn nuances ver naar het achterplan was gedreven. De regering is niet gevallen over de dringende problemen van deze tijd: de klimaatcrisis, onze dichtslibbende wegen, betaalbare gezondheidszorg, energievoorziening en nog veel meer. Dat Michel 2 deze problemen zou aanpakken lijkt helaas alles behalve waarschijnlijk.

Voor wie het zou interesseren, dit is de volledige tekst van het Global Compact for Migration.

December 9, 2018 at 12:00 pm 3 comments

KLEINE VERKLARENDE WOORDENLIJST

a133fbda-50b8-11e5-ba54-2bbfeeea3748_web_scale_0.295858_0.295858__

Politici zijn meesters in verhullend, misleidend en Orwelliaans taalgebruik. Met dat laatste wordt bedoeld dat woorden van politici vaak net het tegenovergestelde betekenen van wat ze beweren.

In het vluchtelingendebat spat het Orwelliaans taalgebruik van de muren.

Daarom deze Kleine Verklarende Woordenlijst, die voor aanvulling vatbaar is. Suggesties welkom.

Johan Depoortere

media_xl_4515834

Vluchtelingencrisis: crisis veronderstelt een tijdelijke problematische toestand. Vluchtelingen zijn van alle tijden en overal ter wereld.

Gemeenschapsdienst: verplichte tewerkstelling, dwangarbeid (De nazis gebruikten hetzelfde woord in die betekenis)

Antwerpen/Doornik/Vlaanderen/ België is vol

variant:

De limiet van ons absorptievermogen is bereikt: Rot op

Rechten en plichten, integratie: Aanpassen of oprotten

Ik ben geen racist, maar…: Ik zal nooit toegeven dat ik een racist in hart en nieren ben

Er zijn grenzen aan de solidariteit: Dat ze het zelf uitzoeken

September 1, 2015 at 4:50 pm 6 comments

EN DÚS MOETEN DE LONEN OMLAAG

Goed voor de economie, slecht voor de mensen, zo zou je kunnen samenvatten wat economen en politici ons voorhouden. Dagelijks worden we om de oren geslagen met axioma’s die we op den duur gaan slikken als onbetwistbare waarheden, als waren het natuurwetten: “de overheid moet ontvet worden” “de bedrijven moeten zuurstof krijgen,” “arbeid moet flexibeler worden” “onze concurrentiekracht  moet omhoog” en ja “de lonen moeten omlaag.”   Zelden worden deze “waarheden” tegen het licht gehouden. Dat is nu net wat Mirjam de Rijk In de Groene Amsterdammer van 1 april  wél doet: wat is mythe en wat is werkelijkheid in de wereld en het taaltje van de economische hogepriesters. Hieronder volgt een licht ingekorte versie van haar bijdrage. De volledige tekst lees je hier.
Johan Depoortere
mythen_231_loonwoensdag 1 april 2015

Negentien mythes over ‘wat goed is voor de economie’

In zijn boek Niet alles is te koop wijst de politiek-filosoof Michael J. Sandel op het onderscheid tussen een markteconomie en een marktsamenleving. Een markteconomie staat ten dienste van de mens, in een marktsamenleving staat de samenleving ten dienste van de economie. Zegt u het maar, aldus Sandel.

Toch komt dat debat maar moeizaam op gang, te vaak blijft het bij gemeenplaatsen over wat goed is voor de economie. Waarbij niet nader wordt gespecificeerd waar we het met ‘de economie’ dan eigenlijk over hebben: over banen, over het welvaren van grote bedrijven, over het welbevinden van mensen, over meer gelijkheid, meer ongelijkheid?

De economen Arjo Klamer en Paul Teule telden hoe vaak de termen ‘economische groei’, ‘de economie’ en ‘bbp’ de afgelopen eeuw gebruikt werden in Nederlandse parlementaire stukken. De term ‘economische groei’ kwam in de periode van 1920 tot 1950 slechts vijf keer voor, in de periode van 1995 tot 2010 was dat 5847 keer. Het bbp werd tot 1965 slechts twee keer genoemd, tussen 1995 en 2010 maar liefst 4600 keer. Zouden ze de stukken van de afgelopen vijf jaar doorworstelen, dan kwamen de getallen waarschijnlijk nog veel hoger uit.

In deze tweede aflevering over economische verdichtselen negentien mythes over de rol van de markt, over de betaalbaarheid van de publieke sector, over het meten van vooruitgang en de bestrijding van ongelijkheid. Kortom, over wat goed is voor ‘de economie’. En hoe verschillend je daar tegenaan kunt kijken.

Mythe 1: economie gaat over geld

Economie gaat over ‘het optimaal voorzien in de behoeften van mensen die nu leven en straks leven, hier en elders’, vat econoom Arnold Heertje zijn vakgebied samen. En dat gaat dus niet alleen over behoeften die in geld uitgedrukt kunnen worden, wil hij maar zeggen. Hij hecht sterk aan het ‘brede welvaartsbegrip’ dat hij ooit in de jaren vijftig van zijn leermeester Pieter Hennipman meekreeg.

Helaas is anno 2015 een economische beschouwing synoniem aan een financiële beschouwing. Vanuit het brede welvaartsbegrip is niet alleen van belang wat er ‘onder de streep overblijft’, wat boven de streep gebeurt is zeker zo relevant: de aard van werk, de invloed die productie heeft op de leefomgeving. Heertje verbaast zich over beweringen als ‘ja, maar het is goed voor de economie’ als manier om voorstellen te verdedigen die op veel weerstand stuiten. ‘Vanuit het brede welvaartsbegrip kan dat eenvoudig niet: als economie gaat over de behoeftebevrediging en er is breed verzet tegen een voorstel kan het voorstel onmogelijk “goed voor de economie” zijn – die economie was immers bedoeld voor de behoeften van diezelfde mensen.’

Economie is een normatieve kracht geworden in plaats van een faciliterende, zegt de Tsjechische econoom Tomas Sedlacek, auteur van De economie vangoed en kwaad. ‘De economie vertelt ons wat we moeten doen, in plaats van te helpen bij het bevredigen van onze behoeften.’ Waar economie vroeger een geesteswetenschap was, die hielp nadenken over vraagstukken zonder de waarheid in pacht te hebben, is het nu ‘veredelde wiskunde’, stelt hij, ‘en met betwistbare formules’.

Mythe 2: geef bedrijven de ruimte, dat is goed voor de economie

De redenering is dat als bedrijven minder dwarsgezeten worden door regels en belastingen, en méér worden gefaciliteerd, de economie groeit en uiteindelijk iedereen erop vooruit gaat.

Bedrijven betalen in Nederland op dit moment gemiddeld nog maar tien procent vennootschapsbelasting (netto, dus na aftrek van vrijstellingen), berekende Flip de Kam, hoogleraar economie van de publieke sector in Groningen. Dat is een halvering ten opzichte van vijftien jaar geleden, onder het motto dat ze met het uitgespaarde geld ruimte hebben om te investeren.

Niets wijst er echter op dat dit gebeurt: de investeringen zijn ongekend laag en het geld wordt gebruikt voor winst- en dividenduitkeringen of om de eigen aandelen op te kopen. Ook in de Verenigde Staten heeft een forse verlaging van belastingen voor bedrijven niet geleid tot meer investeringen of meer economische groei, blijkt uit onderzoek van Bruce Bartlett, voormalig adviseur van nota bene de Republikeinse presidenten Reagan en Bush.

Dat het mkb een minder sterke lobby heeft, blijkt uit het feit dat grote bedrijven veel minder belasting betalen dan kleine. Als gepleit wordt voor de belangen van ‘het bedrijfsleven’ gaat het meestal over de belangen van grote bedrijven. Voor zowel de economische groei van een land als voor werkgelegenheid is het midden- en kleinbedrijf echter belangrijker. De belangen van het mkb zijn deels tegengesteld aan die van grote bedrijven; het mkb heeft belang bij binnenlandse afzet, en dus bij behoorlijke lonen, terwijl grote bedrijven vaak mikken op export en loonmatiging. Alleen al daarom is het onverstandig om het over ‘de economie’ te hebben als een ondeelbare grootheid; de economie bestaat uit veel verschillende actoren met vaak heel verschillende belangen.

Dat niet alleen belasting maar ook andere overheidsbemoeienis niet slecht is voor economische groei laat de econoom Ha-Joon Chang zien in 23 dingendie ze je niet vertellen over het kapitalisme. Overal in Europa vallen perioden van grote economische groei samen met veel overheidsinterventie. Terwijl de liberalisering en privatisering van de afgelopen decennia er juist toe leidden dat bedrijven en kapitaal zich gingen richten op kortetermijnwinsten, en dat is op termijn slecht voor de economie.

mythen#2.jpg

Mythe 3: Nederland leeft van de export

‘Nederland exportland’ is de gevleugelde uitdrukking, en tientallen keren per jaar trekken ministers, leden van het koningshuis en grote bedrijven samen de wereld in om die export te bevorderen. Twee derde van de Nederlandse export betreft echter doorvoer en heeft weinig toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie of werkgelegenheid. Al met al is de Nederlandse economie voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse afzet en dus de binnenlandse koopkracht.

Van de dertig procent export gaat bovendien twee derde naar Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Dat is van belang om in het achterhoofd te houden als er vanuit exportbelangen bijvoorbeeld gepleit wordt voor lagere lonen of minder regels: in deze landen zijn de lonen immers door de bank genomen niet lager en de regels niet soepeler.

Exportcijfers zeggen eigenlijk weinig meer nu onderdelen van een product over de hele wereld gemaakt worden en dan, bijna toevallig, in een land in elkaar gezet worden. Bepalend is niet waar het in elkaar zetten gebeurt, maar of je essentiële onderdelen van de productieketen levert.

Overigens staat Nederland in de top-drie van de Enabling Trade Index (na Singapore en Hongkong) van het World Economic Forum, dus over de exportpositie hoeven we ons voorlopig weinig zorgen te maken.

Mythe 4: de financiële sector is een belangrijke motor van de economie

Een van de redenen waarom er na de deconfiture van de financiële sector in 2008 in Nederland weinig maatregelen zijn genomen tegen bijvoorbeeld banken en hedgefondsen is dat de sector van groot belang heet te zijn voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. De financiële sector, oftewel de banken, verzekeraars, pensioenfondsen en beleggers, was in 2013 goed voor 7,3 procent van het bbp. Daarmee is de financiële sector in Nederland groter dan in de meeste andere landen. Maar in werkgelegenheid is de sector beperkt: drie procent.

Het valt voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) overigens niet mee om het aandeel van de financiële sector in het bbp te bepalen, want wat is de toegevoegde waarde van geld dat vooral heen en weer flitst? Het cbs telt bijvoorbeeld het verschil tussen de rente waarmee een bank geld uitleent (stel drie procent) en de rente die een bank voor dat geld betaalt (stel één procent) mee in het bbp.

Volgens Lex Hoogduin, voormalig directielid van De Nederlandsche Bank, heeft de financiële sector de economie eerder kwaad gedaan dan goed. De groei van de financiële sector heeft een rem gezet op de productieve sector en daarmee op de reële economie. Het was immers voor iedereen met geld aantrekkelijker om te speculeren met financiële producten dan om in de reële economie te investeren. De financiële sector trekt niet alleen geld maar ook arbeids­krachten weg uit productieve sectoren.

De acties vanuit de financiële sector gaan regelmatig ten koste van de ‘echte’ economie, want ten koste van bedrijven, stelt Hans Schenk, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en lid van het Sustainable Finance Lab. Hij berekende dat financiële instellingen en aandeelhouders in Europa in de jaren voorafgaand aan 2008 jaarlijks duizend miljard euro besteedden aan fusies en overnames van Europese bedrijven. Doordat de meeste van die fusies en overnames mislukten, ging minstens 65 procent van het geld in rook op. Ten koste van de betreffende bedrijven: ze hadden geen geld meer om te investeren, moesten personeel ontslaan en waardevolle onderdelen verkopen om de verliezen te dekken. Bij sommige betekende dat het einde van het bedrijf, zoals nu met V dreigt te gebeuren. Het private equity-fonds zet de kosten van de overname op de balans van het gekochte bedrijf, verkoopt de waardevolle onderdelen van het bedrijf (het vastgoed bijvoorbeeld) en de rest van het bedrijf gaat kopje onder.

Mythe 5: het is de markt die zorgt voor innovatie

Mariana Mazzucato, hoogleraar economie aan de Universiteit van Sussex en afgelopen vrijdag in Nederland, legt in The Entrepreneurial State bloot dat het overgrote deel van technologische innovaties in overheidslaboratoria tot stand komt, en dus niet, zoals vaak wordt gedacht, op de markt. Zo is zelfs de iPhone voor zeventig procent te danken aan innovaties vanuit de overheid. Het is dan ook volkomen onterecht dat de overheid vaak wordt weggezet als een logge en bureaucratische remmer van innovaties, tegenover een dynamische innovatieve private sector, betoogt zij.

De markt springt vaak pas in op innovaties nadat de overheid de eerste risicovolle investeringen heeft gedaan. Hoogleraar innovatie Alfred Kleinknecht: ‘Dat kun je de markt niet kwalijk nemen, bedrijven kunnen moeilijk hoge kosten maken als volkomen onduidelijk is wat het gaat opbrengen. Het is alleen wel zo fair om de rol van de overheid ruiterlijk te erkennen.’

mythen#3.jpg

Mythe 6: de markt is altijd efficiënter

‘Privatisering dient om het overheidsbedrijf te moderniseren en fit te maken voor de vrije markt. Door het bloot te stellen aan concurrerende krachten wordt het gedwongen tot een efficiënte bedrijfsvoering.’ Was getekend oud-vvd-leider Frits Bolkestein in januari 2000.

Ontelbare afdelingen en taken van de overheid werden in de afgelopen decennia ‘verzelfstandigd’ of geprivatiseerd met de premisse dat de markt het beter, want goedkoper, kan. Maar niet alleen is de markt soms duurder, ook heeft ‘goedkoper’ wel een prijs. Het gaat vaak ten koste van andere publieke waarden en belangen, zegt Paul de Bijl, zeven jaar hoofd van de sector marktordening van het Centraal Planbureau (cpb) en nu zelfstandige. Want alleen als publieke belangen ‘contracteerbaar’ zijn, oftewel vast te leggen zijn in bijvoorbeeld prestatieafspraken, kun je ze echt zekerstellen. Veel publieke belangen, zoals veiligheid, werkgelegenheid, gezondheid, milieu of gelijke toegang, zijn eigenlijk niet vast te leggen en komen bij marktwerking en privatisering in het gedrang, stelt hij. Bedrijven (en als bedrijf aangestuurde verzelfstandigde overheidsdiensten) zullen altijd hun winst willen maximaliseren, en kosten besparen door de niet-contracteerbare kwaliteit uit te hollen. ‘Die maatschappelijke kosten zijn onderbelicht gebleven tijdens de marktwerkingshausse.’

De vermarkting in de publieke sector heeft geleid tot wat de socioloog Abram de Swaan zo mooi ‘pre-crimineel gedrag’ noemt: er zijn (nog) geen wetten die het officieel verbieden, maar immoreel en amoreel is het wel. Van Maserati’s tot topsalarissen en van gokken met publiek geld tot prestigeprojecten.

Mythe 7: de publieke sector is te groot

De hoeveelheid geld die via de overheid wordt herverdeeld en besteed is met 44,5 procent van het bbp in Nederland iets lager dan het gemiddelde van de EU. Lager dan Nederland zitten de voormalige Oostbloklanden, Groot-Brittannië, Ierland, Spanje en Cyprus. Met die 44,5 procent worden niet alleen de publieke sector en de overheid zelf bekostigd, ook de aow en alle andere uitkeringen zitten erin. Zeventig procent van de via de overheid verdeelde 260 miljard gaat naar onderwijs, zorg en sociale zekerheid. Wie wil bezuinigen zonder dat dit ten koste gaat van deze drie heeft dan ook een harde dobber.

In het eerste deel van deze serie is al betoogd dat een grote publieke sector in economisch opzicht geen enkel probleem is. Er is geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate spullen dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids)productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw.

Voor de fijnproevers: de overheid beschikt behalve over belasting- en premieopbrengsten ook over gasinkomsten, hoe actueel, en leent geld (het financieringstekort) en kan daardoor 44,5 procent van het bbp besteden, terwijl de lastendruk (de optelsom van belastingen en premies, als percentage van het bbp) maar 38 procent is.

mythen#4.jpg

Mythe 8: het huishoudboekje moet kloppen

Zo staat het letterlijk op de site van de rijksoverheid, onder het kopje ‘maatregelen om de economie te versterken’: ‘Nederland geeft meer uit dan er binnenkomt. Daarom neemt Nederland maatregelen om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Want een kloppend huishoudboekje is belangrijk voor een sterke economie.’ Economisch beleid wordt daarmee gereduceerd tot gezonde overheidsfinanciën, die vervolgens teruggebracht worden tot de metafoor van het huishoudboekje.

Maar de vraag is waarom staatsschuld eigenlijk erg is. Tegenover de staatsschuld van 460 miljard euro staat een enorme hoeveelheid bezittingen. Een in Nederland geboren baby komt niet alleen ter wereld met een schuld van 28.000 euro, zoals op dezelfde site vermeld staat, maar ook in een land vol scholen, wegen, ziekenhuizen en straat­lantaarns, oftewel een collectief bezit van jewelste. En anders dan andere Europese landen heeft Nederland een pensioenspaarpot van 1200 miljard euro. Nederland heeft nu al gespaard voor de ouderen van de toekomst en dat hebben andere landen niet. Hoogleraar Flip de Kam: ‘De pensioenverplichting zou in andere landen als een minpost op de overheidsbalans moeten staan, maar dat is niet het geval.’ En voor de verhoudingen: de hypotheekrenteaftrek kost de overheid meer geld dan de rentelasten van de staatsschuld (die voor 2015 geschat wordt op 8,4 miljard).

Schulden maken om er later meer voor terug te krijgen is zowel voor individuen (studieschuld) als bedrijven (investeren) de normaalste zaak van de wereld. Juist een overheid kan bij uitstek investeren, en daarbij anticiperen op toekomstige stijging van de belastinginkomsten. De sterke toename van de staatsschuld (van 45,3 procent van het bbp in 2007 naar 73,5 procent in 2013) heeft overigens voor een groot deel te maken met de steun aan de banken. Daling van de staatsschuld gebeurde tot nu toe vrijwel altijd door inflatie en economische groei (door het eerste wordt de schuld minder waard, door het tweede neemt het percentage ten opzichte van het bbp af). Daling door bezuinigingen, zeker in een tijd van nul inflatie en lage economische groei, is vrijwel onmogelijk.

Volgens hoogleraar economie Harrie Verbon dient de mythe van de staatsschuld vooral een ideologisch doel: ‘Verlaging van de staatsschuld betekent een kleinere overheid, en daar gaat het de voorstanders om.’

Mythe 9: de stijgende zorgkosten gaan ten koste van onderwijs en ander moois

De zorguitgaven stijgen op het moment met zo’n vier procent per jaar, doordat mensen ouder worden, er medisch meer kan, we hogere eisen stellen aan de verzorging, door prijsstijgingen en noem het ‘aanbodsturing’. Dat is meer dan de economische groei en dus zijn we een steeds groter deel van het nationaal inkomen aan zorg kwijt. In het publieke debat wordt regelmatig de indruk gewekt dat de stijgende zorgkosten ten koste gaan van andere publieke voorzieningen, zoals het onderwijs. Maar dat geldt alleen als de totale kosten van de publieke voorzieningen als geheel niet mogen stijgen. En dat is, zoals eerder betoogd, een keuze: een grote collectieve sector is economisch gezien geen probleem. Hoeveel we aan zorg willen besteden is, binnen redelijke grenzen, eveneens een keuze.

De Nederlandse zorgkosten houden, als het om de zogeheten cure gaat, gelijke tred met de omringende landen, maar de kosten voor de langdurige zorg zijn in Nederland relatief hoog en nemen ook sneller toe dan elders. Naar verhouding is er in Nederland veel betaalde langdurige zorg, terwijl in omringende landen mensen vaker onbetaald voor ouderen, geestelijk zieken en gehandicapten zorgen. Ook dat is een keuze.

Mythe 10: de vergrijzing is niet te betalen

Puur demografisch is er wel wat aan de hand: waren er in 2012 op iedere aow’er 3,7 mensen tussen de twintig en de aow-gerechtigde leeftijd, in 2040 zijn er op iedere aow’er 2,6 mensen tussen de twintig en de 67. In de komende 25 jaar zullen het bbp en de arbeidsproductiviteit naar verwachting ook toenemen, waardoor de kosten van meer ‘afhankelijken’ (zoals de 67-plussers in cpb-termen heten) ook makkelijker te dragen zijn. Bovendien telt het cpb alleen ouderen mee als afhankelijken, en kinderen niet.

Ook kinderen kosten echter geld en verdienen nog niks. Tel je kinderen en ouderen bij elkaar op, dan is het aantal afhankelijken ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking (gedefinieerd als iedereen van 20 tot 65 jaar oud, in de toekomst 67 jaar) in 2040 even hoog als nu. Waar we nu meer voor nog niet werkende kinderen betalen, doen we dat in de toekomst vaker voor niet meer werkende ouderen.

Bovendien, en dat zou je bijna vergeten door alle discussies over de ‘onhoudbaarheid’ van het Nederlandse pensioenstelsel, sparen ouderen zelf voor een groot deel van hun kosten. De pensioenen in Nederland zijn opgezet als spaarpot voor later: de werkenden van nu dragen premie af voor als ze zelf gepensioneerd zijn. In andere landen betalen de werkenden het pensioen van de mensen die op dat moment met pensioen zijn, en zal in de toekomst dus een krimpend aantal werkenden het pensioen van een toenemend aantal ouderen moeten betalen.

De aow is wel gefinancierd zoals elders de pensioenen: de huidige belastingbetalers bekostigen de aow van de huidige gepensioneerden, en de toekomstige werkers dus de aow van de dan gepensioneerden. Doordat de aowechter slechts meestijgt met het minimumloon en niet met de gemiddelde lonen is de kosten­stijging beperkt. De kosten van de aow zijn op dit moment zo’n vijf procent van het bbp.

Een paar jaar geleden waren de politiek en beleidsmakend Nederland in de ban van het ‘houdbaarheidstekort’, een nieuwe term die betekende dat Nederland, bij gelijkblijvende voorzieningen en gelijkblijvende belastingen en premies, in 2040 een tekort zou hebben van 29 miljard per jaar. Achteraf is het een wat wonderlijke redenering: alles blijft gelijk, er verandert 25 jaar lang niets, behalve dat er meer ouderen komen. Inmiddels is het houdbaarheidstekort omgeslagen in een ‘houdbaarheidsoverschot’ en sindsdien hoor je niemand er meer over.

Veel pensioenfondsen indexeren de pensioenen niet meer omdat aanpassing aan de inflatie te duur zou zijn. In die discussie is het goed te bedenken dat indexering in tijden van gemiddelde inflatie jaarlijks een half miljard euro kost (op een totale jaarlijkse pensioenuitkering van dertig miljard), en de overheadkosten van de pensioenfondsen jaarlijks 5,7 miljard. Dat zijn de kosten voor vermogensbeheer en ‘transactiekosten’. Het is misschien nuttiger om iets aan die kosten te doen.

Mythe 11: een economische groei van drie procent is normaal

Dat wat je in je eigen leven hebt meegemaakt beschouw je al gauw als vanzelfsprekend. Dat is misschien de reden dat we een economische groei van drie procent normaal vinden, en een groei van bijvoorbeeld één procent als vreemd beschouwen. De aflopen pakweg driehonderd jaar lag de economische groei in Europa echter slechts dertig jaar rond de drie procent, laat Thomas Piketty zien in zijn veelbesproken boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Piketty gaat daarbij uit van de groei per hoofd. De (dikke) drie procent gold alleen van 1950 tot 1980. Gedurende een groot deel van de afgelopen driehonderd jaar was er niet of nauwelijks sprake van groei, en gemiddeld lag de groei zowel in Europa als in de VS op ongeveer één procent.

Het economenpanel van MeJudice peilde afgelopen september de verwachtingen van 64 economen over economische groei. Met de stelling ‘het groeiperspectief in de eurozone is de komende tien jaar maximaal één procent’ was slechts een derde het oneens, en als het louter over de groei in Nederland ging lag dat percentage nauwelijks hoger.

Het Sustainable Finance Lab berekende dat de economische groei in Nederland tussen 1995 en 2008 gelijk stond aan het bedrag dat er aan extra hypotheken werd opgenomen op de ‘overwaarde’ van huizen. Het sfl stelt daarom dat de groei in die periode in feite gebaseerd was op lucht. Veel huizen staan inmiddels ‘onder water’, ze zijn niet méér maar minder waard dan de prijs waar ze voor gekocht zijn.

De economische ontwikkeling is eigenlijk niet te voorspellen, en bovendien is het een illusie dat de overheid of de politiek daar veel invloed op heeft, zegt hoogleraar economie Harrie Verbon. ‘Groei is vooral een effect van grote innovaties. Die kun je stimuleren, maar er valt niet te voorspellen wanneer ze zich werkelijk voordoen.’ Een langdurig lage economische groei stelt de samenleving voor een uitdaging waar we nog geen ervaring mee hebben, stelt Verbon: ‘Tot nu toe was economische groei de manier om, zonder dat het anderen pijn doet, ervoor te zorgen dat de onderkant het ietsjes beter krijgt, dus hoe doe je dat zonder economische groei?’ Tomas Sedlacek stelt: ‘Als het pensioenstelsel, de zorg en het sociaal stelsel gebouwd zijn op groei is dat vragen om problemen. Een schip moet zowel tegen rukwinden als tegen windstilte kunnen.’

mythen#5.jpg

Mythe 12: het bbp is een goede maatstaf van ’s lands welvaart

Hoewel voor steeds meer mensen duidelijk is dat het bbp, het bruto binnenlands product, geen goede maat is om de welvaart van een land te meten, is er nog geen andere maat voor in de plaats gekomen. Het bbp is de optelsom van alles wat in een land geproduceerd wordt voor geld. Alles waar niet voor betaald wordt, telt niet mee. En anders dan bij bedrijven, waar ook de ‘voorraad’ van belang is, telt in het bbp alleen de productie zelve. Zo neemt het bbp toe als er na een ramp of oorlog veel huizen gebouwd worden, ook als vervolgens het aantal huizen even groot is als vóór de ramp of oorlog.

Het bbp van een land wordt vaak niet gewogen naar het aantal inwoners. Zo zal China binnenkort de VS voorbij gaan in bbp, maar dat neemt niet weg dat een Amerikaan nog steeds ruim vijf keer zo rijk is als een Chinees (in koopkracht; gemeten in geld is een Amerikaan zelfs bijna acht keer zo rijk).

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso)heeft een andere maat ontwikkeld voor welvaart van een land: de Better Life Index, waarin behalve het inkomen per hoofd ook de levensverwachting, het geweldsniveau, de scholingsgraad en de ongelijkheid meetellen. Deze factoren zijn voor het bevredigen van behoeften van mensen van groot belang – en dat was waar het ‘de economie’ ooit om begonnen was. De Utrechtse hoogleraar Jan Luiten van Zanten keek met deze index naar Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen en ontdekte dat het bbp en ‘Better Life’ vaak fors uit elkaar lopen. Hij wijst nog op een andere reden waarom het bbp geen goed economisch kompas is: economische groei is vaak zo ongelijk over de bevolking verdeeld dat het weinig zegt over de welvaart van het land als geheel.

In het boek Economie: De gebruiksaanwijzing stelt Ha-Joon Chang voor de economische ontwikkeling van landen af te meten aan de toe- of afname van hun vermogen om te produceren. Dat vermogen tot productie zit onder meer in natuurlijke hulpbronnen, machines, innovatiekracht en mensen.

Hoe alomtegenwoordig het bbp is blijkt overigens ook weer uit dit artikel.

Mythe 13: de toekomst hangt af van drie percentages

Wie het nieuws volgt krijgt de indruk dat de economische staat van landen valt af te meten aan drie percentages: de staatsschuld mag niet hoger zijn dan zestig procent van het bbp, een inflatie van twee procent is het gezondst, en het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent. Het Europese ‘stabiliteitspact’ heeft dit percentagedenken een grote boost gegeven. Hoog­leraar economie Steven Brakman uit Groningen: ‘Dat is misschien wel de grootste economische mythe van dit moment. Er is niemand die kan aangeven waarom die kengetallen zo belangrijk zijn voor de economie, laat staan waarom zestig, drie en twee de ware getallen zijn. Er zijn landen met zeer florerende economieën met heel andere percentages. En toch richten we alles in op die paar getallen.’

De pagina ‘overheidsfinanciën 2015 in beeld’ op de site van de rijksoverheid vermeldt slechts het begrotingstekort, de rentelasten en de staatsschuld. Niks over de 260 miljard die de overheid jaarlijks besteedt of waaraan dit wordt besteed, daar kom je pas op bij veel doorklikken. Voor wie daar toch nieuwsgierig naar is: 105 miljard oftewel veertig procent gaat naar zorg en onderwijs, bijna 78 miljard naar sociale zekerheid en reïntegratie.

Mythe 14: we zijn in de afgelopen 35 jaar tig keer zo rijk geworden

Niet iedereen. Het reële inkomen van de tien procent minst verdienende huishoudens is in Nederland sinds 1977 zelfs met ruim dertig procent gedaald. Ook zijn de cao-lonen, gecorrigeerd voor inflatie, sinds 1980 niet gestegen. Een eenverdiener die afhankelijk is van het cao-loon en er geen periodieken en dergelijke bij kreeg, ging er de afgelopen 35 jaar dan ook niet op vooruit.

De toegenomen rijkdom (gemeten in bbp per hoofd, gecorrigeerd voor inflatie) zit vooral bij tweeverdieners, mensen die carrière maakten en mensen met inkomen uit vermogen. Drie vaak onderbelichte factoren veroorzaken toenemende inkomensverschillen: mensen gaan ‘opwaarts’ relaties aan (hoogopgeleid trouwt met hoogopgeleid), loononderhandelingen gaan over procenten in plaats van centen (en twee procent erbij is op het minimuminkomen een schijntje ten opzichte van twee procent voor hoge inkomens) en ten slotte het feit dat veel uitkeringen (aow, bijstand) verstrekt worden per huishouden terwijl lonen individueel zijn. Tweeverdieners verdienen twee inkomens, samen­wonende aow’ers of bijstandsgerechtigden krijgen pakweg 140 procent van een alleenstaandenuitkering.

Mythe 15: iedereen profiteert van economische groei

Het is de rode draad van het kabinetsbeleid: zorg voor meer economische groei, want daar profiteert uiteindelijk iedereen van. Een geloof dat ook wel bekendstaat als de trickle down-­filosofie, of zoals de Engelsen zeggen ‘a rising tide lifts all boats’.

De effecten van deze filosofie zijn vergaand, zeker in combinatie met de mythe dat financiële armslag voor bedrijven en kapitaalkrachtigen leidt tot investeringen. Zo kun je rechtvaardigen dat je bezuinigt op voorzieningen voor arme mensen ten bate van bedrijven en rijken: dat zorgt immers voor economische groei waar ook de armen uiteindelijk baat bij zullen hebben.

Het trickle down-effect is echter een mythe, laat de Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz zien met uitgebreid onderzoek. Want niet alleen leidt het bevoordelen van bedrijven vaak helemaal niet tot investeringen en groei (zie mythe 2: geef bedrijven de ruimte), ook komt groei niet vanzelf ten goede aan de onderkant van de samenleving. Of de onderkant baat heeft bij economische groei hangt grotendeels af van het overheidsbeleid: de herverdeling via belastingen, publieke voorzieningen en sociale zekerheid.

Mythe 16: ongelijkheid is goed voor de economie

Tot voor kort was het idee dat inkomens­verschillen goed zijn voor de economie tamelijk hardnekkig: ongelijkheid zou naijver aanwakkeren, waardoor mensen harder gaan werken. De oeso heeft hier onlangs korte metten mee gemaakt: inkomensverschillen zijn juist slecht voor de economie. Ten eerste omdat juist aan de onderkant mensen productiever worden als ze meer middelen krijgen: ze zijn dan minder met overleven bezig, scholen zichzelf en hun kinderen beter en gaan meer bijdragen aan de samenleving. Dat geldt niet alleen voor de onderste tien procent, maar zelfs voor veertig procent van de mensen, toont de oeso aan. Ook leidt bij de onderste inkomensgroepen extra geld tot extra bestedingen in de reële economie, terwijl de bovenste inkomensgroepen hun geld eerder oppotten. Waren de inkomensverschillen in Nederland kleiner, dan zou dat wellicht dertig miljard aan bbp extra opleveren, aldus de oeso.

Dat toenemende ongelijkheid geen natuurverschijnsel is waar niks aan te doen valt, blijkt in Zuid-Amerika. Ontwikkelingseconoom Sir Richard Jolly van de Universiteit van Sussex laat zien dat de ongelijkheid in vijftien Zuid-­Amerikaanse landen in de afgelopen jaren flink is afgenomen door een combinatie van belastingpolitiek, handelsbeleid, armoedeprogramma’s en overheidsinvesteringen van overwegend linkse regeringen.

Mythe 17: onderwijs is de oplossing – voor alles en zeker voor de economische groei

De relatie tussen onderwijs en economische groei is op z’n minst een ingewikkelde. In 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme laat Chang zien dat er landen zijn met een uiterst laag percentage hoogopgeleiden die het economisch zeer goed doen (Zwitserland) en andersom: landen waar vrijwel iedereen hoogopgeleid is en waar het economisch toch slecht gaat (Griekenland, Argentinië). Onderwijs is voor mensen zeer verrijkend, maar haal er niet steeds het economische argument bij, stelt hij.

De econome Alison Wolf toont in Does Education Matter? Myths about Education and Economic Growth aan dat investeringen in het basis- en voortgezet onderwijs echt van belang zijn, maar investeringen in het onderwijs dat daarna komt veel minder.

Bij de discussies over de relatie tussen onderwijs en werkgelegenheid wreekt zich dat wat waar is voor individuen wordt geëxtrapoleerd naar de samenleving als geheel, zegt arbeidsmarkteconoom Paul de Beer: ‘Iemand die hoogopgeleid is heeft meer kans op een baan dan een laagopgeleide, maar minder laagopgeleiden leidt niet tot minder werkloosheid.’ Onderwijs is een positioneel goed geworden: wie er meer van heeft, onderscheidt zich van wie minder heeft. Het genoten onderwijs is daarmee vooral een sorteerinstrument voor werkgevers.

Arnold Heertje pleit ervoor om ook bij onderwijs uit te gaan van het brede welvaartsbegrip: voorzien in de behoeften van mensen, in dit geval de leerlingen en studenten. ‘Wat willen zij leren, waar voelen zij zich rijker door. Dat is iets anders dan de behoeften van de geldeconomie.’

Mythe 18: vrije markt en handel zijn goed voor arme landen

Opmerkelijk is dat de westerse landen die zelf hun economieën heel lang afgeschermd hebben, juist om eerst zelf economische kracht op te bouwen, nu beweren dat vrijhandel goed is voor ontwikkelingslanden. Op een zeker moment is vrije handel goed voor de economische groei van een land, zegt Harry Garretsen, hoogleraar internationale economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar eerst moet de economie van een land sterk genoeg zijn om de concurrentie aan te kunnen. Én er moet een institutionele structuur zijn waardoor die vrije handel goed geregeld is, anders wordt het een vorm van leegroof.

In veel landen is aan die twee voorwaarden nog niet voldaan en dan is een vorm van protectionisme verstandig, zegt Garretsen: ‘Het is een simplistisch idee van beleidsmakers dat vrije handel altijd goed is.’ Daar is inmiddels overigens ook het imf van overtuigd. De Japanse auto-industrie vaart nu wel bij vrije handel, maar vergeten wordt dat ze tot wasdom kwam dankzij veertig jaar protectionisme en subsidies.

Een ander misverstand is dat wat tegenwoordig vrijhandel heet (het afbreken van alle handelsregulering) een voorwaarde is voor handel tussen landen. ‘Er wordt vaak de indruk gewekt dat het alles of niets is: alsof er alleen gehandeld kan worden als er geen enkele beperking of regel is. Terwijl de meeste handel natuurlijk plaatsvindt binnen regels.’

Mythe 19: pas op, we dalen op de lijstjes!

‘The dangerous obsession with competitive­ness’, noemde de econoom Paul Krugman het al in 1994: het idee dat landen met elkaar concurreren als waren het multinationals. Sindsdien is het denken in economische lijstjes en competitie alleen maar toegenomen. Competitiedenken gaat ervan uit dat de winst van de een het verlies van de ander is. Landen kunnen echter juist profijt hebben van elkaars vooruitgang: als het goed gaat met Duitsland is dat goed voor Nederland. (Iets wat in relatie tot China overigens nog wel eens vergeten wordt: een opkomend China betekent niet alleen Chinese productie, maar ook een enorme afzetmarkt.)

Lijstjes gaan er bovendien vanuit dat je relatieve positie belangrijker is dan je feitelijke: stel dat het bbp van Nederland bijvoorbeeld fors stijgt, maar dat van een ander land stijgt nog iets meer, dan daalt Nederland een plek op de lijst, maar gaat het daarmee slechter? Het woord ‘concurrentiekracht’ suggereert bovendien dat ongeveer je hele bestaan ervan afhangt. Maar de lijstjes die de ‘competitive­ness’ of concurrentiekracht meten, hebben het slechts over de exportmogelijkheden van een land. En die zijn niet zaligmakend.


Dit is het tweede deel van een drieluik over ­economische mythesDe vorigeaflevering, ‘Twaalf mythes over werk en werkloosheid’verscheen in De Groene Amsterdammer van 12 maart

May 21, 2015 at 8:35 am Leave a comment

BUITENLANDSE WAARNEMERS OVER ONZE VERKIEZINGEN

Antipolitieke gevoelens zijn een belangrijke factor voor het succes van de N-VA. Veel meer dan separatistische gevoelens, die volgens onderzoek slechts bij 10 tot 15 percent van de Vlamingen leven.

Leen Vervaeke, Volkskrant die wijst op de overeenkomsten tussen De Wever en Wilders: Intussen is gebleken dat de houdbaarheid van Wilders beperkt is.

 Ik ben bang dat Vlaams Belang de N-VA gaat besmetten en dat de partij trekjes krijgt van extreem rechts. Als Vlaams Belangers belangrijke posten krijgen binnen de N-VA kan het daar op uitdraaien.

Frans Bogaard, Algemeen Dagblad

De N-VA heeft veel kiezers van het Vlaams Belang voor zich kunnen winnen; de grens tussen N-VA en extreem rechts is niet langer scherp te trekken.

Michael Stabenow, Frankfurter Allgemeine

De winst van de Vlaams-Nationalisten is het zoveelste bewijs dat solidariteit in Europa in de verdrukking komt.

Peter Spiegel, Financial  Times

Nu de regering-Di Rupo aan de slag is, zit België weer bij de kopgroep van de eurolanden. Het land moet oppassen dat het niet opnieuw wegglijdt uit die groep.

Philip Belnkinsop, Reuters

Geplukt uit DE MORGEN

October 15, 2012 at 8:27 am 2 comments

BELGISCHE WAPENS VOOR LIBIË? WELNEE!!!

met dank aan Piet Wittevrongel (hierboven)

en Rudi Vranckx (de link hieronder)
http://www.deredactie.be/permalink/1.1358192

 

July 7, 2012 at 11:40 am Leave a comment

BELGIË, een parcours van herinnering

Veel geschiedenis voor weinig geld   
door Guido Lauwaert

In 2008 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker een pracht van een boek, althans voor wie verslingerd is aan zowel de grote als de kleine geschiedenis. De volledige titel luidt: BELGIË – een parcours van herinnering.

Gebonden, bevat het een aantal historiën over dit land waarin de melk soms zuur is en de honing meestal versuikerd. Het eerste deel focust op plaatsen van geschiedenis en expansie, het tweede deel op plaatsen van tweedracht, crisis en nostalgie. De hoofdredacteur was Jo Tollebeek en de redactie bestond uit Geert Buelens, Gita Deneckere, Chantal Kesteloot en Sophie de Schaepdrijver. Zij droegen het grootste part van de studies, maar heel wat andere historici en journalisten hebben een bijdrage geleverd. Onder meer Herman Balthazar, Marc Holthof, Kaat Wils, Tom Van Schaffel, Inge Bertels, Valerie Montens. Alle auteurs schreven stukken met bloed in de pen. Stuk voor stuk zijn het onthullende artikels met een hoog thrillergehalte.

Een greep uit de onderwerpen: Antwerpen: de Handelsbeurs, Diksmuide: de IJzertoren, Breendonk: het fort, Marche-les-Dames, Aalst: het warenhuis Delhaize, Kigali: Kamp Kigali, Gent: het Gravensteen, de Leeuw van Waterloo, Antwerpen: het Centraal Station, Ieper: Flanders Language Valley, Werchter: de wei, Coburg: Schloss Ehrenburg.

De uitgever heeft aan het dubbelboek blijkbaar veel aandacht en zorg besteed, als we de wikkels buiten beschouwing laten, maar er bij en na verschijning nauwelijks tot geen promotie voor gemaakt. De verkoop liep dan ook niet en al gauw werd de aankoopprijs verlaagd. Van 100 naar 75 euro. Het hielp geen moer. De uitgever heeft het dan maar in Nederland in de ramsj gegooid. Vruchteloos, de rekken bleven gevuld, het stof was gelukkig en vermenigvuldigde zich aan een tempo waar de konijnen van schrokken. Tot Eureka uit zijn bad opstond en naar Vlaanderen keek. Daar! Daar zitten de redders.

En dat bleek ook zo te zijn. De Groene Waterman in Antwerpen en Boekhandel Walry in Gent hebben het restant gekocht en bieden het hun klanten aan, tegen – schrik niet – de prijs van 15 euro. Voor die som denk je meteen aan rommel en quatsch. Dat is deze maal niet het geval. Mijn hand en mijn nog in goede staat verkerende edele delen erop. Wie dit dubbelboek aanschaft, haalt de geschiedenis van dit land in huis. Hij/zij heeft er een jaar leesgenot aan.

Een vrij moment en hup, even naar Tongeren, waar de lezer via het standbeeld van Ambiorix bij de Belgische kroonprins, de latere Leopold II, belandt, die in de buurt van het Duitse Regensburg van zijn paard werd gebliksemd op een groene heuvel boven de Donau. Met het Walhalla, het pantheon van de Beierse koning Ludwig I, voor ogen, zag hij eensklaps zijn land als een pretpark, gestoeld op zijn glorieus verleden.
Wie in de vakantie naar Wallonië durft te gaan en in de buurt van Seraing komt, leze alvorens af te reizen de geschiedenis van een ‘Magische, gigantische stad van de mechanisering’ met als hart de Cockerill-fabriek. De auteur, Sven Steffens, heeft sneller geschreven dan de snelste HSL van Japan.

De spanning is van hetzelfde niveau als  de roman van Raf Verhulst, Jan Coucke en Pieter Goethals, naar een waar gebeurd verhaal: twee Vlaamse mijnwerkers werden in Charleroi onthoofd omdat zij geen Frans spraken en hun verdediger geen Nederlands. Permitteer, terloops: dit boek is dringend aan een herdruk toe, want het behoort tot de top van het Vlaams Literair Erfgoed. Ik heb het indertijd cadeau gekregen van Jef Anthierens, broer van Johan en Karel.
Maar terug naar BELGIË, een parcours van herinnering. Snel naar de Wolstraat voor wie rechts van de Schelde woont, en naar de Zwijnaardsesteenweg nr. 6 voor die links van de stroom huist. Dat de aanschaf de moeite waard is bewijst de verkoop: zowel Walry als De Groene Waterman verkochten honderd exemplaren in nauwelijks tien dagen.

Zo, dit gezegd zijnde spoed ik mij opnieuw naar het boek en gooi mij in het artikel van Chantal Kesteloot, Grâce-Berleur: het rode café, de doden van de koningskwestie. Om nog voor bedtijd Walter Pauli te consumeren. Brussel: De Guimardstraat, de mobilisatie van verschanste macht. Ik geef u het slot cadeau. Even bladeren. Et voilà: ‘In de jaren 1950 had de Guimardstraat België in een levensbeschouwelijk conflict gestort, zoals ze in Italië al langer voorkwamen en door Rome gestimuleerd werden: een Vlaamse versie van Don Camillo en Peppone, de eeuwige oorlog tussen de pastoor en de rode burgemeester. Vijftig jaar later poogde een Belgische kardinaal met landelijke, West-Vlaamse roots Rome te overtuigen van de Belgische benadering: sluit a.u.b. een pact met de samenleving.’

 

BELGIË – een parcours van herinnering – uitgeverij  Bert Bakker – 2 delen – hoofdredacteur Jo Tollebeek – ISBN 978 90 351 3304 4 en 978 90 351 3304 4 – € 15 – exclusief bij boekhandels De Groene Waterman, Antwerpen en Walry, Gent

May 23, 2011 at 5:34 am 4 comments

NONKEL ODILE

De reactie van Etienne Vermeersch op “Het Verdriet van Links” is in veel opzichten merkwaardig. ”De boodschapper is o.k. tot hij een boodschap brengt waar ik het niet mee eens ben,” zo lijkt de eminente professor te zeggen. Ik zou de gimmick van Etienne Vermeersch kunnen omkeren en me afvragen wie hier nu aan het woord is: de vermaarde intellectueel of de toogfilosoof die zich van zijn naam bedient en gemeenplaats op gemeenplaats stapelt. Maar terzake.

In “Het verdriet van links” probeerde ik aan te tonen dat de drie principes van de Gravensteengroep hun houdbaarheidsdatum ver hebben overschreden, want gebaseerd op de fantasieën, mythes en aloude frustraties die aan beide kanten van de taalgrens een constructieve discussie over de toekomst van dit land in de weg staan. Ik schreef vanuit de stomme verbazing dat intellectuelen die tot voor kort voor rationeel en progressief doorgingen meelopen in de nationalistische waan van de dag in plaats van de tot ten treure herhaalde flamingantische clichés aan een kritisch en empirisch onderzoek te onderwerpen.

Wat weerlegt Etienne Vermeersch in zijn nogal warrige reactie? Niets. Integendeel, zowel hier als in zijn interview in De Standaard van zaterdag jl tapt hij nog maar eens uit hetzelfde verzuurde vaatje. Grote namen uit de cultuurwereld en honderden onbekende gewone Vlamingen, Brusselaars en Walen nemen in de KVS afstand van de kwalijke gewoonte van de nationalisten om in naam van dé Vlamingen, of dé Franstaligen te spreken. “Niet in mijn naam,” was de overduidelijke slagzin waaronder mensen van zeer uiteenlopende strekkingen het samen konden vinden. ”Petits Bourgeois” keft Vermeersch in navolging van Bart de Wever. Argumenten? Ho maar! Liever scheldwoorden.”Ze zijn onbeleefd meneer” dixit de Vlaamse leider. “Ze hebben geen nonkel Odile” oreert de beroemde filosoof in De Standaard, of ”geen moeder die meid is geweest bij de Franstalige baronnen in Vlaanderen.”  Hoe weet de professor dat zo goed? Dat de zonen en kleinzonen van die Franstalige baronnen nu het hardste schreeuwen om splitsing en Vlaamse onafhankelijkheid is Etienne Vermeersch ook ontgaan.

Elke Vlaamse familie – ook de mijne – heeft wel een nonkel Odile, die modder heeft gevreten in de loopgraven, of een tante Marie, zoals de mijne heette, die in Wallonië is “gaan dienen.” Niemand ontkent dat de Vlamingen tot intussen ruim een halve eeuw geleden de underdogs waren in dit land. Maar kan het gejammer daarover nu eindelijk eens ophouden?  Of zoals iemand anders het formuleerde: “Het onrecht uit het verleden is verdwenen, het ressentiment is gebleven.” En wordt – zo kun je eraan toevoegen – door lieden als Vermeersch en tutti quanti zorgvuldig in leven gehouden en waar nodig aangewakkerd.

En wat nonkel Odile betreft: zou Etienne Vermeersch nooit het werk van de internationaal vermaarde historica Sophie de Schaepdrijver hebben gelezen?  In “De Groote Oorlog: het Koninkrijk België in de Eerste Wereldoorlog (1997)” toont ze aan dat het verhaal van de Vlaamse frontsoldaten die door Franstalige officieren de dood werden in gejaagd op mythe berust. “De aantijging dat Vlaamse soldaten sneuvelden omdat ze de Franse bevelen niet begrepen is onjuist,” zo schrijft de Schaepdrijver. “Het is een verhaal dat niet onder de Vlaamsgezinden aan het front is ontstaan  maar in de activistische propaganda, en dat na de oorlog werd verspreid door onder anderen de volksschrijver Adam Hans.”

Nu we toch bezig zijn: nog een andere Vlaamse mythe, die over de dood van de flamingantische iconen, de gebroeders van Raemdonck is de vrucht van nationalistische propaganda. In werkelijkheid stierf de zeventienjarige Frans Van Raemdonck niet in de armen van zijn broer Edward zoals de legende het wil, maar samen met de Waalse korporaal Aimé Fiévez. Die realiteit leent zich minder tot nationalistische agitprop, maar toont wel duidelijk aan dat zowel Vlaamse als  Waalse jongens in de hel van de Ijzer zonder onderscheid leefden en stierven. Overigens laat Vermeersch na te vermelden dat aan de basis van die gruwelijke Eerste Wereldoorlog een schot lag dat werd afgevuurd door een Servische nationalist en dat de nationalistische koorts in Duitsland en Frankrijk ervoor zorgde dat miljoenen jongeren enthousiast naar de knekelvelden van Verdun en de Somme trokken.

Overal ter wereld breiden hoofdstedelijke gebieden uit, daar helpt geen Vlaams lievemoederen aan. Brussel was ooit een Vlaamse stad, maar al in de zestiende eeuw was de voertaal in de leidende kringen Frans. Ten huize van de Brusselaar Willem van Oranje werd Frans gesproken.  Wie Brussel nu weer Vlaams wil maken moet zijn hoofd laten onderzoeken. Wie denkt te kunnen verhinderen dat Franstaligen, Japanners, Spanjaarden, Britten, Italianen en Amerikanen in Tervuren, in Halle of in Vilvoorde komen wonen en dat anderstaligen er na verloop van tijd – territorialiteitsbeginsel of niet – de meerderheid gaan uitmaken maakt zich illusies of moet terugvallen op discriminerende maatregelen en semi-maffiapraktijken zoals het handjeklap tussen projectontwikkelaars en Vlaamse burgemeesters.

De Franstaligen in de Brusselse rand zijn er volgens Etienne Vermeersch “in geslaagd dure gronden voor de kinderen van de plaatselijke bevolking onbetaalbaar te maken”  en “neringdoenden te verplichten hen in gebrekkig Frans te woord te staan.” Arme neringdoenden! Alsof het de beenhouwer veel kan schelen of hij “gehakt” of “haché” moet afwegen. Maar wellicht zijn de beenhouwers slechte Vlamingen.

Het per capita inkomen van de Vlamingen ligt intussen met 140% boven dat van de Walen, maar als het zo van pas komt zijn de Vlamingen in Sint-Genesius-Rode of Wezenbeek de sukkels en de Franstaligen de rijken die de arme Vlamen van hun geboortegrond jagen. Laten we wel wezen: Dat bouwgronden en huizen in de Vlaamse rand onbetaalbaar zijn geworden is niet alleen de schuld van de Franstaligen. Ook in Maldegem en Wuustwezel, in Veurne en Assebroek en waar dan ook in Vlaanderen wordt het voor jonge mensen steeds moeilijker om zich een dak boven het hoofd te verwerven. Een probleem waarvoor de Gravensteengroep misschien eens een oplossing kan suggereren.

Volgens Etienne Vermeersch gaat het in de Gravensteentekst enkel om het “Franstalig expansionistisch nationalisme.” Zoals anti-semieten alle Joden over één kam scheren en sinistere bedoelingen toeschrijven, zo stopt Vermeersch alle Franstaligen in dit land in eenzelfde zak en schrijft hij ze snode bedoelingen toe. Zoals alle nationalisten heeft hij het voortdurend niet alleen over dé Franstaligen, die ”bovendien niet enkel nationalistisch maar ook racistisch zijn,” maar ook over dé Vlamingen. Grove veralgemening professor! Overigens moet de professor lezen wat er staat en niet wat hij tussen de regels meent te ontwaren. Nergens wordt “gesuggereerd” dat de tekst van de Gravensteengroep “over nationalisme of separatisme gaat.”  Wel beweer ik dat de ondertekenaars hetzelfde veralgemenende en naar racisme zwemende taalgebruik hanteren als nationalisten en separatisten. In plaats van een blauwdruk voor een toekomstig België van Vlamingen, Walen en anderstaligen heeft de Gravensteengroep een tekst afgescheiden die bol staat van de interne contradicties, de clichés en de frustraties uit het verleden.

Johan Depoortere

———

EEN REACTIE VAN LUCAS CATHERINE:

Aan Etienne Vermeersch:

Niet in mijn naam, professor!

In De Standaard van dit weekend haalt Etienne Vermeersch grof uit naar de actie “Niet in mijn Naam”:

…het lijkt allemaal zo petit bourgeois. Is hun moeder meid geweest bij Franstalige baronnen in Vlaanderen? Heeft hun oom in ’14-’18 in de loopgraven gevochten.”

Ik ben een van de vele ondertekenaars van dit manifest en ik heb nog college gelopen, vijfenveertig jaar geleden bij Prof. Vermeersch, een man die toen samen met Jaap Kruithof nogal indruk op mij maakte. Ik voel mij aangesproken. Daarom dit

Het was niet mijn moeder, maar de zus van mijn grootmoeder die nog gediend heeft, zoals dat toen heette, op het kasteeltje van Franstaligen in de Brusselse rand en dat was niet zo zeer een taalprobleem, maar een probleem van uitbuiting en van macht, toen bestond nog het droit de cuissage, zeg maar neukrecht. Vandaar al die verhalen over bastaarden in het Payottenland, zelfs van het koningshuis, want ook daar werd ‘gediend’.

Mijn vader en diens vader hebben altijd in Brussel gewerkt als spoorlegger en de “Ijzeren weg’ had toen nog als voertaal Frans. Hij was verbonden aan het station van ‘den Toertaksi’ (Tour et Taxis) en zijn vader aan dat van ‘den Alleveir’ (Groendreef), vanwaar ooit de eerste trein naar Mechelen vertrokken is. Maar politiek ben ik vooral beïnvloed door mijn grootvader langs moederszijde. Belg en Vlaams gezind. Hij heeft vier jaar in de loopgraven aan het Ijzerfront gevochten, om België te verdedigen zoals hij fier zei. Zijn ingekaderd erediploma hangt nu in mijn bibliotheek. Gevochten in Merckem, Beveren, Stadenberg, Westrozebeke, de Leie en de afbuiging van de Leie. Als Belg was hij ook flamingant: iemand die opkwam voor de taal en cultuur van het gewone volk, werkman en middenstander, maar geen Vlaams Nationalist, die waren ‘aangebrand’. En hij zou ze nu zeker niet begrepen hebben. Nu men om federaal minister te worden Nederlands moet kennen, nu de premier al decennia lang Nederlandstalig is, nu de kabinetsraad en het kernkabinet overwegend in het Nederlands vergaderen, zodat de Franstaligen het hebben over ‘Le Kern’. Hij zou zijn oren niet kunnen geloven en ik hoor het hem al zeggen als hij de politici nu zou bezig horen over de onafhankelijkheid van Vlaanderen: ‘Ze zijn zot geworden, wij hebben gewonnen en wij controleren nu België, en nu willen ze het weg. Daar zit wat achter.” En inderdaad, hier zit wat achter. Als ik het sociaal-economisch programma van de Vlaams-Nationalisten lees, dan gaat het al lang niet meer over de culturele of nationale rechten van de gewone man, maar dan hoor ik de stem van de Vlaamse bourgeoisie: Leve een onafhankelijk Vlaanderen, met minder socialisten, met zwakkere vakbonden en met ultraliberalisme. En ook dat heb ik van die grootvader en van mijn vader. Hun motto was: Er is een bond waar je altijd lid moet van zijn, de vakbond. En zoals mijn vader zei: Rood of geen brood. Die grootvader heeft mij in 1960 ook het woord staken geleerd. Ik dacht dat het een meervoud was van een substantief, want ik hoorde dat het er bij die Grote Staking nogal hard aan toeging en als kind dacht ik dat ze vochten met bonenstaken, zoals we die in de tuin gebruikten. Hij maakte mij wijzer en heeft mij ook geleerd dat je niet echt ‘Vlaamsgezind’ bent als je tegelijkertijd niet solidair bent, vooral met werkvolk. Ik neem het dan ook niet als Etienne Vermeersch mij en anderen ‘petit bourgeois’ noemt. Zijn flamingantisme wordt gekaapt door de Vlaamse bourgeoisie. Voor hij andere mensen uitscheldt voor ‘petit bourgeois’, zou hij best eerst eens nadenken in hoeverre zijn flamingantisme misbruikt wordt door die grande bourgeoisie, Voka en anderen. Niet in mijn naam, professor! En niet in naam van mijn twee grootvaders: frontsoldaten, Belg, Vlaamsgezind en werkvolk.

Lucas Catherine

March 14, 2011 at 9:45 am 10 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,584 other followers