Posts tagged ‘Benny Morris’

DE VERDWENEN DORPEN VAN PALESTINA

Naar aanleiding van het Eurovisiesongfestival in Israël in mei van dit jaar organiseert de Academische BDS (Boycot, Divestment, Sanctions) een reeks activiteiten om te protesteren tegen deze propagandastunt van de zionistische apartheidstaat. In samenwerking met de overheidsvakbond ACOD stel ik vanaf dinsdag 29 januari mijn fotoreeks “De verdwenen dorpen van Palestina” tentoon in de gebouwen van de VRT.  Later – van 6 tot 30 mei – zullen de foto’s ook te zien zijn in De Markten in Brussel en boekhandel De Groene Waterman in Antwerpen. Op 26 maart is er mogelijkheid tot een publiek bezoek aan de tentoonstelling in de gangen van de VRT, inclusief een rondleiding achter de schermen van de openbare omroep. Inschrijven kan hier: acod@vrt.be. Klik hier voor de brochure.

Johan Depoortere

De universiteit van Tel Aviv. Onder de campus liggen de resten van het vernietigde Palestijnse dorp Sheikh Muwanis.

 Als in mei volgend jaar het Eurovisiesongfestival in Israël plaatsvindt zal dat gebeuren in een arena bij de universiteit van Tel Aviv, op de grond van het verdwenen dorp Sheikh Muwanis. Alle huizen van Sheikh Muwanis zijn met de grond gelijkgemaakt, behalve één: het zogenaamde Green House, een voormalige Palestijnse patriciërswoning waar nu de faculty club is gevestigd en waar bij feestelijke gelegenheden op de campus de recepties plaatsvinden. De bittere ironie is dat dit authentieke Palestijnse huis door een Italiaanse architect in een pseudo-oriëntaalse stijl werd gerenoveerd. Sheikh Muwanis is geen alleenstaand geval, het is slechts één van de ruim 600 Palestijnse dorpen die sinds de oprichting van de staat Israël, 70 jaar geleden, zijn verdwenen.

De Faculty Club, het enige overblijvende Palestijnse huis op de campus, gerenoveerd in pseudo-oriëntaalse stijl.

Toen de zionisten onder leiding van Ben Gurion op 14 mei 1948 de oprichting van de Joodse staat afkondigden was de meerderheid van de bevolking van wat voortaan Israël zou heten niet Joods maar Palestijns-Arabisch. Geen wonder dat die meerderheid zich verzette tegen een beslissing waar ze part noch deel aan had en waarover ze geen enkele zeg had gekregen. De oorlog die daarop volgde leidde tot de overwinning van de zionistische troepen en de nederlaag van de Palestijnen en de Arabische buurlanden die hun ter hulp waren gekomen. Het gevolg was de Nakba, de Palestijnse tragedie die tot vandaag wordt herdacht. De Nakba,dat betekent om en bij de 800 000 Palestijnen die have en goed verloren en sindsdien een erbarmelijk bestaan als vluchtelingen leiden: de meesten in de Arabische buurlanden, vandaag zo een 350 000 als displaced persons in Israël zelf. 

Meer dan 600 Palestijnse dorpen zijn sinds de oprichting van de zionistische staat in 1948 verdwenen, de meeste kort voor, tijdens en na de oorlog van 1948-49, een aantal na de Zesdaagse Oorlog in 1967. In de meeste gevallen werden de bewoners verdreven en de huizen en gebouwen met de grond gelijkgemaakt. Volgens de officiële zionistische versie werden de dorpen veroverd en verwoest als gevolg van de oorlog. Maar uit de Israëlische archieven die in de jaren 80 en 90 werden opengesteld blijkt dat de verdrijving van de Palestijnen en de vernietiging van hun woonplaatsen beantwoordde aan een vooropgesteld plan voor de verwijdering van de Arabische meerderheid uit wat een zuiver Joodse staat moest worden. Ilan Pappé, één van de Israëlische historici die de archieven bestudeerden – “nieuwe historici” werden ze genaamd – noemt de operatie de grootschalige etnische zuivering van Palestina.

Palestijnse inwoners werden verdreven na de militaire verovering van hun dorp of stad. Maar massale slachtpartijen door zionistische terreurgroepen als Irgun (van de latere premier en Nobelprijswinnaar voor de vrede Menachim Begin) of het openlijk fascistische Lehi (of Stern van de eveneens latere premier Yitzhak Shamir) moesten de anderen ervan overtuigen dat de vlucht de enige kans was op overleven. De meest beruchte van die massamoorden vond plaats in Deïr Yassin bij Jeruzalem onder leiding van Menachim Begin. Het preciese aantal slachtoffers is omstreden. Het Rode Kruis telde 117 doden maar om het effect van de terreurdaad te versterken overdreef Begin het “succes” van zijn militie. De Israëlische militaire radio sprak van 254 doden. Benny Morris, een andere “nieuwe historicus” maakt melding van onthoofdingen en verkrachtingen.

Bijna 800 000 Palestijnen werden verjaagd om plaats te maken voor Joodse kolonisten die op het grondgebied van de verdwenen dorpen Kibboetsen (collectieve boerderijen), Moshavs (coöperatieve ondernemingen) en steden oprichtten. In veel gevallen werd de oorspronkelijke Arabische naam verjoodst. Soms bleef een moskee, een islamitische begraafplaats of een kerk overeind maar meestal werd elke herinnering aan de vroegere Palestijnse bewoners uitgewist. Om te verhinderen dat de verdreven bewoners terug zouden komen werden strenge wetten uitgevaardigd. Grond werd in beslag genomen en wie uit de buurlanden “illegaal” de grens overstak werd als “infiltrant” beschouwd en kon ter plekke worden doodgeschoten. Veel Palestijnen die zo naar hun vroegere woonplaats probeerden terug te keren vonden op die manier de dood. Ook de dorpsbewoners die naar Palestijnse steden in Israël zelf waren gevlucht verloren het recht om naar hun huis en woonplaats terug te keren. De “Wet op de aanwezige afwezigen ” – zo werden de binnenlandse vluchtelingen genoemd –  bepaalde dat wie 24 uur niet op zijn woonplaats aanwezig was het eigendomsrecht op huis en grond verloor. Dorpen en huizen vernietigen en verhinderen dat bewoners terugkeren is een internationaal erkende oorlogsmisdaad.

Cactussen wijzen op de aanwezigheid van een voormalig Palestijns dorp. De plant die door de Palestijnen als omheining werd gebruikt is een bijna niet te verwoesten overlever. Nu een symbool van de Palestijnse wil om als volk te overleven.

Vernietiging van de dorpen was voor de opeenvolgende zionistische regeringen niet genoeg. Op de ruïnes werden bomen geplant om elke heropbouw onmogelijk te maken. Bekende personaliteiten, staatshoofden en regeringsleiders van bevriende landen werden uitgenodigd om symbolisch een boom te planten. Velen gingen op de uitnodiging in: koning Boudewijn van België, zijn opvolger Albert, koningin Wilhelmina van Nederland, koningin Elisabeth van het Verenigd Koninkrijk, Belgische ministers als Jean Gol en Didier Reynders. De ruïnes van drie christelijke dorpen in de buurt van Nazareth liggen nu begraven onder het Koning-Boudewijnbos. Twee christelijke kerkjes hebben de kaalslag overleefd; ze liggen nu op een toeristisch wandel- en fietspad door het Boudewijnbos. Zou de vrome koning beseft hebben dat zijn bos de resten van een christelijk dorp moest bedekken?

 

Eén van de twee christelijke kerkjes die de kaalslag en de etnische zuivering van het dorp Maalul in de omgeving van Nazareth hebben overleefd.

Resten van het islamitische kerkhof van het verdwenen dorp Maalul. Op de ruïnes van het dorp heeft onder andere de Belgische koning Boudewijn symbolisch een boom geplant in wat nu het Koning-Boudewijnbos heet.

In een paar zeldzame gevallen werden de bewoners verjaagd maar de huizen gespaard. Het Palestijnse dorp Ayn Hawd (nu: Ein Hod) in de buurt van Haifa is nu een kunstenaarskolonie voor Joodse kunstenaars. Ook hier i­s er een Belgische link. Het dorp is het initiatief van de Roemeens-Joodse kunstenaar Marcel Janco die samen met de Belg Marcel Duchamp de dadabeweging stichtte. De voormalige moskee van Ayn Hawd is nu een café waarvan het (wat vervallen) interieur is geïnspireerd op dat van Café Voltaire in Zürich waar de dadabeweging werd opgericht.

Het bekende kunstenaarsdorp Ayn Hawd waar Joodse kunstenaars de gestolen woningen van de voormalige Palestijnse bewoners hebben ingenomen.

De voormalige moskee is nu een bar waarvan het interieur een kopie zou zijn van het beroemde Café Voltaire in Zürich waar de dadabeweging ontstond.

Ook van Lifta, een dorp in de onmiddellijke buurt van Jeruzalem zijn de huizen grotendeels bewaard gebleven. Projectontwikkelaars staan te popelen om de site om te toveren tot luxewoningen en appartementen. Tot dusver konden actievoerders – architecten, milieu-activisten en voormalige bewoners – de plannen verhinderen. Het dorp staat op de lijst van kanshebbers om tot UNESCO-werelderfgoed te worden verklaard, maar doordat de regering Netanyahu zich uit die VN-organisatie heeft teruggetrokken dreigt die mogelijke bescherming weg te vallen.

Lifta

Sommige dorpen kenden een extra tragische geschiedenis. Ikrit, in het overwegend Arabisch-Palestijnse Galilea ligt op een boogscheut van de grens met Libanon. De meeste bewoners van Ikrit zijn christelijke Palestijnen. Ze zijn tijdens de oorlog in het dorp gebleven en hebben geen verzet gepleegd. Maar de zionistische regering besluit in 1948 dat het grensgebied “Arabierenvrij” moet worden gemaakt. In oktober van dat jaar krijgen de inwoners van de militaire autoriteiten het bevel het dorp te verlaten. Het is “een voorlopige maatregel,” ze mogen na een paar weken terugkeren zo wordt hun gezegd. De mensen van Ikrit gaan gewillig op het bevel in, ze verlaten het dorp en trekken in bij familieleden en kennissen in de naburige dorpen. Maar de weken worden maanden en van terugkeren is geen sprake. Dan gaan de inwoners van Ikrit een lange juridische strijd aan die tot vandaag voortduurt. In juli 1951 oordeelt het Israëlische hooggerechtshof dat de uitwijzingsprocedure illegaal was en dat de militaire autoriteiten de terugkeer van de bewoners niet mochten verhinderen. Daarop verklaarden de militairen het dorp tot “gesloten zone” en op kerstnacht van dat jaar – uitgerekend die nacht – kwamen de bulldozers om het dorp plat te leggen. Vandaag staat alleen nog de kerk overeind en elke eerste zaterdag van de maand komen de overlevende inwoners van Ikrit en hun nakomelingen daar de mis vieren.

Ikrit vóór de verwoesting

De resten van de huizen van Ikrit

Nog schrijnender is het verhaal van de verdwenen dorpen Huj en Najd waar nu de Israëlische stad Sderot ligt, vlakbij Gaza. In de jaren vóór de oorlog van 1948 leefden de islamitische Palestijnen van Huj in goede verstandhouding met hun Joodse buren. In 1946 hadden ze zelfs leden van de Hagannah (het ondergrondse Joodse leger onder het Britse mandaat) beschermd tegen de Britten die naar hen op zoek waren. Dat kostte uiteindelijk het leven aan de mukhtar (burgemeester) en zijn broer. Tijdens een bezoek aan Gaza een jaar later werden ze door een menigte als collaborateurs herkend en vermoord. Maar toen het jaar daarop de Hagannah bedreigd werd door een oprukkende Egyptische eenheid besloot de Negevbrigade van het Joodse leger de bewoners van het dorp uit te wijzen naar Gaza en alle huizen op te blazen. Tot vandaag leven ze met de lotgenoten van het buurdorp Najd en hun nakomelingen in ellendige omstandigheden in een vluchtelingenkamp in de Gazastrook. Hun verhaal was voor goed vergeten had de Israëlische historicus Benny Morris het een paar jaar geleden niet wereldkundig gemaakt.

De vernietiging van de Palestijnse dorpen is geen geschiedenis die in 1948 gelijk met de oorlog is beëindigd: het is een proces dat tot vandaag voortduurt. Na de verovering van de Golanhoogte op Syrië in de oorlog van 1967 vernietigde het Israëlische leger 195 Syrische dorpen en werden 130 000 inwoners verdreven. In hun plaats zijn Joodse kolonisten gekomen die er onder andere de befaamde Yardenwijn produceren. Wie Yarden koopt steunt de illegale bezetting van de Golan. 

In dezelfde “Zesdaagse oorlog” veroverde het Israëlische leger drie dorpen in de Jordaanse enclave Latrun dicht bij Jeruzalem. De dorpen Imwas, Yalu en Beit Nuba werden gebulldozerd en hun inwoners verdreven. De brigade die de operatie leidde stond onder leiding van de latere Nobellaureaat voor de vrede Yitzhak Rabin. De bewoners kregen nauwelijks de tijd om een paar spullen mee te nemen. Soldaten schoten met scherp net boven de hoofden van de vluchtende mensen om ze tot spoed aan te zetten. Vandaag is Latrun een natuurpark, beplant met naaldbomen grotendeels gefinancierd door rijke Canadese Joden. Van de dorpen in dit “Canadapark” zijn alleen de resten van een moslim heiligdom en het puin van de huizen over.

Het “Canadapark” waar met Canadees Joods kapitaal bomen zijn geplant op het grondgebied van drie Palestijnse dorpen in de voormalige Jordaanse enclave Latrun.

De resten van het dorp Imwas (Latrun)

Op de Westelijke Jordaanoever worden op vandaag 70 dorpen met vernietiging bedreigd. Vaak gaat aan de vernietiging een campagne van agressie en terreur door Joodse kolonisten vooraf. Het normale leven van de Palestijnse bewoners wordt onmogelijk gemaakt, bouwvergunningen worden zelden of nooit toegekend en “illegaal gebouwde” huizen gedynamiteerd. Dorpen van de halfnomadische bedoeïenen worden niet als zodanig erkend en blijven verstoken van infrastructuur als water en elektriciteit. Ze zijn gedoemd tot “autodestructie.”

Illegale Joodse nederzettingen sluiten stilaan het cordon rondom het Palestijnse Oost-Jeruzalem. Palestijnse dorpen aan de rand van de stad worden langzaam maar zeker doodgeknepen of worden rechtstreeks met vernietiging bedreigd. Dat is recent het geval met het dorp Silwan waar de 700 inwoners al zestien jaar een juridische strijd voeren om te mogen blijven ondanks de toenemende druk van de Joodse kolonisten die de grond van het dorp opeisen. Hoewel de eisen van de settlers volgens het hooggerechtshof juridisch aanvechtbaar zijn besliste het hof dat ze de gronden mochten blijven bezetten. De extreemrechtse kolonisten en hun organisatie Ateret Cohanim krijgen nu de weg vrij om zich in het centrum van Silwan te vestigen met hun door de regering betaalde gewapende milities. Dat betekent op termijn het einde van het Palestijnse dorp Silwan. Het hooggerechtshof verwierp ook het beroep van een Palestijnse familie uit het dorp Sheikh Jarrah eveneens in Oost- Jeruzalem. Die beslissing maakt de weg vrij voor de uitwijzing van tientallen andere Palestijnse families. Volgens de Israëlische mensenrechtenbeweging B’Tselem gaat het over de grootste campagne van etnische zuivering sinds de oorlog van 1967. Dit keer niet meer alleen met bulldozers en dynamiet maar met even doeltreffende bureaucratische en juridische middelen.

Het Etzel House op de grens tussen Jaffa en Tel Aviv. In de ruïnes van het enige overblijvende Palestijnse huis van de verdwenen wijk Al Manshieh is een museum gebouwd gewijd aan de overwinnaars: de terroristische militie Etzel (Irgun) van de latere premier en Nobelprijswinnaar Menachim Begin.

Op de tentoonstelling zijn de foto’s te zien zijn van een tiental verdwenen Palestijnse dorpen, maar ook van Jaffa, de voormalige Palestijnse culturele en economische hoofdstad die nu een verwaarloosde wijk is van Tel Aviv. De foto’s zijn in oktober van vorig jaar op een rondreis door Israël-Palestina gemaakt. Ze tonen de vaak vergeten getuigen van een verleden dat de zionistische staat het liefst wil begraven, maar dat ondanks alles levendig wordt gehouden. Daarvoor zorgen onder andere de Joods-Palestijnse organisaties Zochrot (Hebreeuws voor “Herinneren”) en Decolonizer, beide opgericht door Eitan Bronstein die opgroeide in een kibboets en pas op latere leeftijd ontdekte dat de ruïnes waar hij als kind ging spelen de resten waren van het Palestijnse dorp Qaqun dat door de zionisten was vernietigd en de bewoners verjaagd. Beide NGO’s proberen Joodse Israëlis bekend te maken met het Palestijnse verleden van het land. Ze organiseren daarvoor uitstappen naar de verdwenen dorpen met Joodse en Arabisch-Palestijnse Israëlis – vaak ook met deelname van vluchtelingen uit de dorpen die dikwijls voor het eerst in tientallen jaren de resten te zien krijgen van het huis waar ze ooit woonden en zijn opgegroeid. De foto- en videoreeks kwam tot stand met medewerking van onder andere Eitan Bronstein en Jonathan Cook, een Britse journalist in Nazareth die eveneens informatiereizen naar de verdwenen dorpen organiseert en begeleidt.

Qaqun

Meer informatie over de verdwenen dorpen:

https://www.de-colonizer.org

https://zochrot.org

http://www.palestineremembered.com/index.html

https://www.adalah.org/en

Interactieve kaart van de verdwenen dorpen: https://zochrot.org/en/site/nakbaMap

Kaart van Palestina vóór 1948: 

https://www.citylab.com/life/2018/05/mapping-palestine-before-israel/560696/

https://palopenmaps.org/?blm_aid=22581#/

Over BDS: 

https://www.bacbi.be/htm/Cult_NL39.htm

http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2018/11/29/acod-vrt-steun-de-boycot-eurovision-in-israel

Over de Nakba:

https://www.palestine-studies.org/books/expulsion-palestinians-concept-transfer-zionist-political-thought-1882-1948-0

https://www.standaardboekhandel.be/seo/nl/boeken/politiek/9791097502096/eleo-merza-bronstein/nakba

 

January 24, 2019 at 6:02 pm 2 comments

ISRAEL EN DE PALESTIJNSE ENDLÖSUNG

Door Johan Depoortere

Wie wint de eerste prijs in politiek cynisme: de burgemeester van Antwerpen die Israël feliciteert de dag waarop dat land een massamoord aanricht of de premier van dit land die de Israëlische ambassadeur op het matje roept in het overduidelijke besef dat zijn gebaar evenveel effect zal hebben als dat van de muis die brult tegen de olifant? Pro memorie: die ambassadeur, Simone Frankel, noemde de meer dan honderd dodelijke slachtoffers van de Israëlische scherpschutters en de duizenden gewonden allemaal “terroristen,” inclusief de kinderen, journalisten en hulpverleners. In Terzake “nuanceerde” de ambassadeur haar woorden: “als ze geen terroristen waren dan waren ze gemanipuleerd door Hamas.”

Dat premier Michel protesteerde tegen die verklaringen mag verbazing wekken. Immers de premier en wij allen zouden de ambassadeur dankbaar moeten zijn voor haar openhartigheid. We mogen aannemen dat de woorden van mevrouw Frankel een correcte weergave zijn van het standpunt van haar regering. Zelden gaf een Israëlische diplomaat zo duidelijk inzicht in de strategie en denkwijze van de leiders van de zionistische staat. Terroristen moeten – in die visie – zonder vorm van proces worden gedood. Als kinderen en babies “terroristen” zijn – al dan niet gemanipuleerd – dan moet de hele bevolking van Gaza, de 2 miljoen Palestijnen die daar wonen, onder die noemer vallen en dus in aanmerking komen voor vernietiging. De Israëlische regering geeft zichzelf op die manier een “license to kill” en brengt die meteen ook in de praktijk.

We horen onze beleidsmakers alweer vrome zinnen prevelen die het “buitensporig geweld betreuren.” Minister van Buitenlandse Zaken Reynders verzoekt de Israëlische regering om “in zekere limieten te blijven.” Wat zouden die “limieten” in de ogen van Reynders dan wel zijn: 10 doden, 1 dode? Minister Reynders heeft anderhalve maand nodig gehad om tot het besef te komen dat de “limieten” overschreden zijn. Toen op één dag 14 doden vielen, of 10 was dat volgens Reynders blijkbaar binnen de limiet – althans hij vond het toen niet nodig om te protesteren.

Nee het gaat niet om “buitenproportioneel geweld,” het Israëlische leger maakt zich niet schuldig aan “excessen.” Wat in Gaza gebeurt is de uitvoering van een project, dat al vóór de oprichting van de staat Israël in de leidende zionistische kringen werd bediscussieerd. Met het “Plan Dalet,” door de toenmalige zionistische leider David Ben Goerion goedgekeurd, kreeg het leger de opdracht verschillende strategieën toe te passen om de Palestijnen uit hun land en huizen te verdrijven: “intimidatie op grote schaal, belegering van en bombardementen op bevolkingscentra, het platbranden van huizen en eigendommen, uitdrijving, afbraak en mijnen plaatsen in het puin om terugkeer van de verdreven bewoners te verhinderen.” 1

Benny Morris

Ondanks die maatregelen bleef de zionistische staat tot chagrijn van de opeenvolgende regeringen met een Palestijnse minderheid – nu zo een 20% van de bevolking – zitten. Volgens de Israëlische historicus Benny Morris was dat de grootste fout van de legendarische Ben Goerion. Morris is geen antizionist, integendeel. Hij heeft de terreur van de zionisten tegen de Palestijnse dorpen en steden in 1948 grondig gedocumenteerd, maar hij betreurt dat Ben Goerion en het leger toen maar half werk hebben geleverd. Morris is één van de toonaangevende intellectuele voorstanders van “transfer” zoals het deporteren van de Palestijnse bevolking en de etnische zuivering nu worden genoemd. 60% van de Israëlis zijn het volgens opiniepeilingen met hem eens.

Nu de Amerikaanse regering van Donald Trump elke schijn van onpartijdigheid in haar “bemiddelingsrol” in het Israëlisch-Palestijns conflict heeft afgelegd en een verbond is aangegaan met het middeleeuwse regime in Saudi-Arabië, de militaire dictatuur in Egypte en Israël is er voor Netanyahu en zijn regering van ultras geen enkele belemmering meer voor de uitvoering van de Endlösung van het Palestijnse vraagstuk. Wat met de etnische zuivering in 1948 begonnen is kan nu zijn voltooiing krijgen. Het werk van Ben Goerion en de stichters van Israël kan nu worden afgemaakt.

In de Israëlische regering, maar ook in het leger en in grote delen van de media is de settlerideologie nu dominant: de extreme invulling van de zionistische leer zoals die beleden wordt in de beweging van de kolonisten. Eén van hen, Betzalel Smotrich, zegt het onverbloemd: de bedoeling moet zijn om de Palestijnen “alle hoop te ontnemen.” Smotrich is geen verdwaalde extremist. Hij is de vice-voorzitter van de Knesset, het Israëlische parlement. In zijn “Onderwerpingsplan” 2krijgen de Palestijnen in Israël drie keuzes. Ze kunnen verdwijnen of in Israël blijven wonen als onderklasse (“resident alien”) omdat er volgens de Joodse wet, aldus Smotrich, “altijd een zekere inferioriteit moet zijn.” Ofwel kunen ze kiezen voor verzet “en dan weten de Israëlische strijdkrachten wat hun te doen staat.” Smotrich grijpt naar een bijbels antecedent om ten overvloede duidelijk te maken wat hij precies bedoelt. Joshua geeft in het gelijknamige boek de inwoners van Canaan dezelfde drie opties. De niet-Joden die niet op de vlucht sloegen moesten een beperkt regime opgelegd krijgen “zodat ze zouden worden misprezen en onderdrukt en het hoofd niet zouden oprichten.” Als ze zich verzetten dan moest “geen levende ziel onder hen overblijven.”

Ook nu krijgen de Palestijnen in de geest van een invloedrijke groep in de Israëlische samenleving de keuze tussen transfer, apartheid of genocide. Smotrich is lang niet de enige die genocide als een aanvaardbare optie voorstelt. Een regeringslid, minister van onderwijs Naftali Bennettvermeldde trots dat hij in zijn leven “veel Arabieren heeft gedood” en dat daar “niets mis mee is.” Een andere Israëlische minister, Gilad Erdan vergeleek de gedode Palestijnen in Gaza met Nazis: “Het aantal doden betekent niets, net als het aantal gedode Nazis in de oorlog…”

Amitai Ben-Abba

Het is een sentiment dat in brede Israëlische kringen wordt gedeeld. Er zijn ongetwijfeld tegenkrachten in de Israëlische maatschappij die zich tegen de ideologie van de genocide verzetten. Maar hun stem wordt gesmoord door de kreten van hen die de Israëlische scherpschutters toejuichen. “Israel is ideologisch klaar voor een Palestijnse Shoah (Holocaust),” schrijft de Israëlische auteur Amitai Ben-Abba, wiens familie in de Holocaust omkwam: “Israëlische menigten vieren de vrijlating van moordenaars zolang de slachtoffers Arabieren zijn. Bij de opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem scdandeerde de menigte: ‘verbrand ze , schiet ze neer, doodt ze.” Ben-Abba is er zich van bewust dat de vergelijking met de massamoord door de nazis een pijnlijk taboe is voor joden. Maar als afstammeling van overlevenden van de Holocaust is hij ervan overtuigd dat de vergelijking gemaakt moét worden en dat er gehandeld moet worden om de uitvoering van de genocideplannen te voorkomen.

Voor Israël zijn de beelden van doodbloedende jongeren en kinderen naast die van de champagneslurpende elite in Jeruzalem waar onder de begeleiding van vrome platitudes uitgesproken door notoir anti-semistische Amerikaanse pastors de ambassade werd ingehuldigd een public relations disaster. Israël en het voetvolk van de zionistische propaganda, bij ons Mia Doornaert, Luckas Vander Taelen en andere Michael Freilichs, zoeken daarom wanhopig naar een middel om dat beeld te keren en de schuld bij Hamas te leggen. De groteske bewering dat Israël zijn grenzen verdedigt tegen een dreigende invasie mist elke geloofwaardigheid en wordt door de beelden van stenengooiende jongeren tegenover een tot de tanden gewapend leger tegengesproken. Maar zolang onze regering in koor met die van de meeste westerse landen zich beperkt tot “betreuren” en “veroordelen” zal Israël voortgaan op het pad van de Endlösung.

1Ilan Pappe The Ethnic Cleansing of Palestine, 2006

2Haaretz 16 mei 2017 Why Religious Zionism Is Growing Darker

May 26, 2018 at 4:56 pm 5 comments

ELIE WIESEL EN DE HOLOCAUSTINDUSTRIE

559601613

Elie Wiesel, de mensenrechtenprofeet en ziener met een blinde vlek ter grootte van het Midden-Oosten.

Nobelprijswinnaar voor de vrede Elie Wiesel, is op 87- jarige leeftijd gestorven. Van de doden niets dan goed en in de media – reguliere en sociale – gonst het dan ook van de loftuitingen op de man die zowat het geweten van de wereld wordt genoemd. Alle remmen los bijvoorbeeld in een opiniestuk van Patrick De Wael in De Morgen. Mark Van de Voorde, voormalig hoofdredacteur van Kerk en Leven en speechwriter voor Yves Leterme, bestaat het om Wiesel op Facebook bezorgdheid om de Palestijnen toe te dichten en wie kritiek heeft uit te maken voor anti-semiet en Nazi. Dat Wiesel, volgens Noam Chomsky een “akelige bedrieger,” tegelijk een nooit aflatende propagandist was van de racistische apartheidsstaat Israël wordt zorgvuldig onder de mat geveegd. Meer nog: Facebook neemt de rol van censor op zich en verwijdert een post van Ludo De Brabander waarin hij dat aspect van de Nobelprijswinnaar analyseert.

2836826487-2

Elie Wiesel in Buchenwald. Er is twijfel of  de rood omlijnde man wel degelijk Wiesel is.

Elie Wiesel dankt zijn naam en faam – en zijn Nobelprijs – aan het boek “Nacht” waarin hij zijn kampervaringen beschrijft. Wiesel wordt in 1944 als 16-jarige naar Auschwitz en later naar verschillende andere kampen gedeporteerd. Zijn moeder wordt in de gaskamer vermoord, zijn vader sterft enkele maanden vóór de bevrijding. Wiesel zelf overleeft de gruwel en schrijft een eerste versie van zijn boek in het Jiddish. Pas vele jaren later wordt “Nacht” in het Frans vertaald en beginnen boek en auteur aan een tocht naar de toppen van de roem.

2899854733

Wiesel bezocht Auschwitz met president Obama. Maar hij was ook goede vriendjes met Ronald Reagan en hij spoorde George W Bush aan om een klein oorloogje tegen Irak te beginnen. Hij voerde later campagne tegen Obama’s nucleaire deal met Iran.

Nacht” is niet het enige getuigenverslag over de Nazigruwel en volgens critici lang niet het beste. Primo Levi schreef in 1947 al Si questo é un uomo – maar ook dat werk vond pas zijn weg naar het grote publiek toen het in 1958 opnieuw werd uitgegeven. Dat “Nacht” en Wiesel veel meer weerklank vonden is niet zozeer aan de literaire kwaliteiten van het werk te danken als aan het talent van de auteur voor public relations en zijn onverdroten inspanningen om de groten der aarde voor zich te winnen. Maar de heiligverklaring van Wiesel heeft vooral te maken met wat Norman Finkielstein in een even beroemd als controversieel boek “de holocaustindustrie” heeft genoemd. Met de “holocaustindustrie” bedoelt Finkielstein – zelf een zoon van slachtoffers van de genocide – de exploitatie van het Joodse lijden voor politieke doeleinden, zeg maar propaganda voor de Zionistische staat. En hier is het dat de rol van Wiesel van doorslaggevende betekenis is geweest. Wiesel werd zowat de posterboy van de holocaustindustrie.

De eerste decennia na de oorlog was er in de media en de publieke opinie nauwelijks belangstelling voor de massamoord op de Joden en het woord “Holocaust” moest nog worden uitgevonden. Daar kwam verandering in na de oorlog van 1967 die Israël overtuigend won maar die door de bezetting die erop volgde de sympathie voor de Joodse staat dreigde te ondermijnen. Voortaan begon ook het lot van de Palestijnen tot de wereldopinie door te dringen. De belangstelling voor de Holocaust, schrijft Finkielstein kwam niet zozeer doordat de overlevenden hun stem vonden maar door het lobbywerk van Amerikaanse pro-zionistische Joden die zich realiseerden dat de Holocaust het geschikte middel was om Israël de status van “moreel slachtofferschap” te verlenen ondanks de misdaden van de Zionistische staat tegen de Palestijnen. Wiesel weigerde met Finkielstein in debat te gaan en noemde zijn nemesis niet verwonderlijk een antisemiet of – minstens even erg – een zelfhatende Jood.

Maar Finkielstein is lang niet de enige die de Nobelprijswinnaar misbruik van de Holocaust verwijt. Toen Wiesel in 2014 een levensgrote advertentie in The New York Times plaatste waarin hij Israël probeerde wit te wassen van het bloedbad in Gaza antwoordden 327 overlevenden van de kampen en hun afstammelingen met een advertentie in het Israëlische blad Ha’aretz. “Wij zijn verontwaardigd en wij walgen van de manier waarop Elie Wiesel onze geschiedenis misbruikt om het onverdedigbare te verdedigen: Israëls onverdroten poging om Gaza te vernietigen en de moord op meer dan 2000 Palestijnen, onder wie honderden kinderen. Niets rechtvaardigt het bombarderen van VN-schuilplaatsen, ziekenhuizen en universiteiten. Mensen afsnijden van elektriciteit en water is door niets te rechtvaardigden.”(Ha’aretz 23 aug 2014)

Het overdedigbare verdedigen: het loopt als een rode draad door Wiesels biografie. In 1947 is hij als journalist verbonden met de organisatie Irgun die onder leiding van de latere premier en Nobelprijswinnaar Menachem Begin terreur zaait in Brits Palestina. Hoewel Wiesel niet als actief lid deelnam aan de terreurdaden moet hij er zeker van de op de hoogte zijn geweest: de bomaanslag op het King David hotel waarbij tientallen Britten en 15 onschuldige Joden omkwamen en het bloedbad van Deïr Yassin om alleen maar de twee meest beruchte te noemen. In het dorp Deïr Yassin in de buurt van Jeruzalem vermoordden leden van Irgun op 9 april 1948 in koelen bloede 107 burgers – volgens sommigen meer dan het dubbele daarvan – onder wie vrouwen en kinderen. Geen woord van spijt daarover kwam over Wiesels lippen. Van wie is de beroemde quote ook weer dat “neutraliteit en zwijgen altijd in het voordeel van de verdrukker speelt?”

EW_Irgun_poster_Erez_Jisrael

Propaganda voor Irgun, bestemd voor Joden in Centraal Europa. Volgens de Israëlische historicus Benny Morris zaaiden organisaties als Irgun en het nog radicalere Stern terreur onder de Palestijnse bevolking met etnische zuivering als doel.

 

Dat Elie Wiesel “ zich” volgens Mark Van de Voorde “het lot van de Palestijnen aantrok” is dan ook groot nieuws. Het zou daarom interessant zijn te vernemen waar en wanneer Wiesel zich met het gezag van een Nobelprijswinnaar heeft uitgesproken tegen de illegale bezetting door Israël van de Westbank en Gaza, tegen de Apartheid in de bezette gebieden, tegen de moorden zonder vorm van proces, tegen het vernietigen van huizen en olijfbomen van Palestijnen, tegen de invallen in buurland Libanon, tegen het stelen van de waterbronnen, tegen de vernederende behandeling van Palestijnen aan de talrijke checkpoints, tegen de illegale nederzettingen op de Westbank waar nu 420000 Joden wonen die op exclusief voor Joden voorbehouden wegen rijden, tegen de terreur van de kolonisten en ga zo maar door.

Waar was Wiesel toen de voormalige opperrabijn Mordechai Eliyahu – niet de geringste religieuze autoriteit – verkondigde dat er “absoluut geen moreel bezwaar is tegen het doden zonder onderscheid van burgers tijdens een massaal militair offensief tegen Gaza?” (The Jerusalem Post 30 mei 2007) Hebben we de grote man gehoord toen Eliyahu’s zoon verklaarde: “Als ze niet stoppen (met raketbeschietingen) nadat we er 100 hebben gedood, dan moeten we er 1000 doden. Als ze niet stoppen nadat we er 1000 hebben gedood moeten we er 10000 doden. Als ze nog niet stoppen moet we er 100000 doden, zelfs een miljoen. wat ook nodig is om ze te doen stoppen?”‬



Ja, Wiesel was bedrukt toen de Palestijnen bij bosjes werden afgeslacht in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatilla in Beiroet. Maar dat was vooral omdat de goede naam van Israël in het gedrang kwam en tenslotte “waren het niet de Israëlische soldaten die de slachtpartij hadden aangericht.” ‬En hij stortte krokodillentranen toen die arme Joodse settlers hun illegale nederzettingen in Gaza moesten verlaten. Toen was de oorlogsmisdadiger Sharon, die de terugrrekking uit taktische overwegingen had bevolen, volgens Wiesel een verrader van het Zionistische ideaal.‬ Wiesel beschreef in pakkende bewoordingen de kolonisten die door Israëlische soldaten uit hun huizen waren gezet en nu haveloos “op zoek moesten naar een bed en een tafel.”  Voor de 800000 Palestijnen die als gevolg van de etnische zuiveringen in 1948 het land ontvluchtten had Wiesel minder mededogen. Terugkeer naar het land en de huizen die hen werden afgepakt is ondenkbaar vond Wiesel: dat zou immers zelfmoord betekenen voor de Zionistische staat want “de gezichten van Palestijnse jongeren zijn verwrongen van haat.” 



Wiesel was zeer begaan met mensenrechten. Hij kwam op voor de slachtoffers van onrechtvaardigheid en geweld overal ter wereld zolang die slachtoffers maar niet de pech hadden in het land te wonen dat God aan zijn uitverkoren volk heeft beloofd.‬

Johan Depoortere

8 juli 2016

 

 

July 8, 2016 at 7:59 pm 1 comment

IDENTITEIT, BLOED EN RELIGIE

De discussie over identiteit in België is geen randfenomeen. Wereldwijd zijn conflicten over identiteit, bloed en grond oorzaak van spanningen en geweld. Nergens is het conflict zo gewelddadig en nergens lijkt het zo onoplosbaar als in het Midden-Oosten waar het element religie de tegenstellingen nog op de spits drijft. In Blood and Religion, The Unmasking of the Jewish and Democratic State legt Jonathan Cook de mythes bloot achter de joodse staat. Hij toont aan hoe de zionistische ideologie van “bloed en religie” leidt tot discriminatie, uitsluiting en Apartheid. Cook is een voormalige journalist van The Guardian en The Observer. Nu schrijft hij freelance voor onder andere Le Monde Diplomatique, The Times en The International Herald Tribune. Hij is de enige westerse journalist met standplaats in Nazareth, het hart van “Arabisch” Israël.


Palestijnse dagloners uit Gaza aan de Israëlische checkpoint (jd)

1948 De catastrofe

In 1948 worden 800000 Palestijnen, oorspronkelijke bewoners van wat kort daarop Israël zou worden, met terreur uit het land verjaagd. Onder hen de stedelijke en intellectuele elites. Zij die overbleven – de hoofdzakelijke landelijke Arabische bevolking – zadelen de Israëlis tot vandaag met een serieus probleem op. Nu zijn ze met zo een anderhalf miljoen, een 20% van de bevolking en de grootste niet-joodse bevolkingsgroep. Een storend element, een Fremdkörper in de joodse staat. Voor de zionisten is het ideaal immers een etnisch zuivere, joodse staat.

Chaula, één van de 800000 die in 1948 werden verdreven met de eigendomstitels van de grond die haar familie werd afgepakt (jd)

Sommige documenten gaan terug tot de tijd van Ottomaans Palestina (jd)

De joodse politieke elites in Israël wisten daarom niet goed wat ze met die niet-joodse bevolkingsgroep aan moeten. Eén van de reacties was het aanmoedigen van de religieuze tegenstellingen: verdeel en heers. In een vertrouwelijk document uit 1949 bijvoorbeeld roept het Israëlische ministerie van religieuze zaken de minister van onderwijs op “de tegenstellingen aan te moedigen tussen de religieuze gemeenschappen van moslims, christenen en druzen en op die manier hun Arabische identiteit te verdoezelen.”

Maar ook de Palestijnen in Israël zelf voelen zich geprangd tussen loyauteit aan de joodse staat waar ze wonen en aan de droom van de “Palestijnse natie,” waar ze historisch deel van uitmaken. Toen in 1994 als gevolg van de Oslo-akkoorden een Palestijnse staat in de maak leek werd de Israëlische Palestijnen gevraagd of ze daar hun toekomst zagen. 80% verklaarde in verschillende opiniepeilingen niet bereid te zijn naar zo een toekomstige Palestijnse staat te verhuizen. Ze verkozen integendeel volwaardige burgers te worden van Israël.

De joodse en democratische staat

Pleitbezorgers van Israël noemen de joodse staat graag “de enige democratie in het Midden-Oosten.” De Palestijnse (zionisten noemen ze liever “Arabische”) inwoners van Israël  hebben op papier dezelfde politieke rechten als hun joodse landgenoten. De realiteit is anders. Ook progressieve commentatoren hebben het vaak over de Arabische inwoners van  Israël als “tweederangsburgers in eigen land.” Daarmee wordt gesuggereerd dat de discriminatie naar analogie met bijvoorbeeld de burgerrechtenbeweging in de VS na een aantal jaren positieve actie en wetgeving kan worden weggewerkt. Niets is minder waar. De discriminatie in Israël is niet het gevolg van kwade trouw van racistische ambtenaren en politici, maar is inherent aan de essentie van Israël: namelijk het concept van een zuiver joodse staat.

Israël is volgens de Israëlische wetgeving (een grondwet bestaat niet) niet het land van de mensen die er wonen, maar van “het joodse volk” – van alle joden ter wereld.  Eén van de gevolgen van die definitie is de bewuste onduidelijkheid over begrippen als staatsburgerschap, nationaliteit en identiteit en daardoor ook grote onzekerheid over de status van niet-joden in Israël. Op een Israëlische identiteitskaart staat de nationaliteit vermeld  en die kan gaan van “joods, Georgisch, Russisch, Samaritaans  tot druze en Arabisch.” Alles samen worden 137 nationaliteiten erkend, maar de “Israëlische” is daar niet bij want die bestaat niet. De 1,5 miljoen Palestijnen in Israël hebben het staatsburgerschap maar niet de Israëlische nationaliteit.  Hun status is vergelijkbaar met die van “permanent resident” – gasten die (voorlopig) gedoogd worden.

Palestijnse vrouw met Israëlische identiteitskaart

Een praktisch gevolg van deze opvatting over nationaliteit is het grondbeleid. In Israël is vrijwel alle grond eigendom van de staat die hem in reserve houdt voor het “joodse volk” overal ter wereld. Een Arabische inwoner van Israël verliest daardoor het recht een huis of grond te bezitten in het grootste deel van het grondgebied. Een jood uit Antwerpen of Brooklyn en zijn of haar kinderen en ongeboren kinderen hebben onbeperkt recht waar ook in Israël te komen wonen, maar een Palestijn uit Nazareth of Haifa heeft dat recht niet, ook al woont zijn familie er al vele generaties.

Er zijn talloze voorbeelden van de schrijnende toestanden waartoe dat aanleiding geeft. Recent nog is er de beslissing van de Israëlische autoriteiten om Munther Fahmi het land uit te wijzen. Fahmi is een internationaal vermaarde  boekhandelaar in Jeruzalem, daar geboren in 1954, toen Oost-Jeruzalem nog onder Jordaans bestuur stond. Fahmi vertrok op zijn 21e naar de Verenigde Staten maar toen hij in 1995 terugkeerde vernam hij dat zijn identiteitskaart van Arabische “vaste ingezetene” niet langer geldig was. Dank zij zijn Amerikaans paspoort en een toeristenvisum kon hij 16 jaar blijven tot de immigratie-autoriteiten ook daar een einde aan maakten. (De Morgen 21 april)

Munter Fahmi in zijn boekhandel in het beroemde American Colony Hotel in Jeruzalem

Religie en Politiek

De Palestijnen zijn niet de enige slachtoffers van de institutionele discriminatie in Israël. Wie wel en wie niet joods is wordt bepaald door de religieuze autoriteiten. In Israël bestaan geen burgerlijk huwelijk en burgerlijke begrafenis. Bekering tot het jodendom is zo goed als onmogelijk. Al deze kwesties worden geregeld door ultra-conservatieve rabbis die de Orthodoxie vertegenwoordigen, een fundamentalistische stroming in het judaïsme. Een kwart miljoen Russische immigranten die sinds de val van de Sovjet-Unie naar Israël zijn geëmigreerd  worden volgens de strenge regels van het rabbinaat niet als joden erkend. Zij, hun echtgenoten en kinderen, kunnen in Israël niet trouwen, niet begraven worden in joodse kerkhoven en niet de joodse “nationaliteit” krijgen op hun identiteitskaart. Zij en hun nakomelingen zijn niet meer dan gasten met een permanente verblijfsvergunning.

Symbolisch stemrecht

De Palestijnen in Israël hebben stemrecht en ze verkiezen vertegenwoordigers voor het parlement, de Knesseth. Twee factoren maken van dat stemrecht een louter symbolische aangelegenheid. De eerste is dat alle Arabische partijen en de kleine joods-Arabische partij sinds de oprichting van Israël uitgesloten werden van regeringsdeelname of van andere belangrijke politieke beslissingsorganen.  De enige uitzondering op het symbolische karakter van het Arabische stemrecht zijn die aangelegenheden waarover de joodse publieke opinie en politieke partijen zo verdeeld zijn dat de Arabische vertegenwoordigers in de Knesseth met hun stem de balans in de ene of de andere richting kunnen laten doorslaan.

De tweede is dat alle politieke partijen enkel aan de verkiezingen kunnen deelnemen als ze loyauteit zweren aan de zionistische opvatting van de “joodse en democratische staat.” Die laatste bepaling is een ernstige beperking van het politieke debat en van de vrije meningsuiting. Arabische partijen die in hun kiesprogramma bijvoorbeeld eisen dat Israël de “staat zou worden van al zijn burgers” riskeren uitsluiting en zelfs gerechtelijke vervolging omdat deze eis in strijd is met de zionistische opvatting van de “joodse en democratische staat.”

De strijd om de getallen

In de zomer van 2003 kwam de bedoeïense advocaat Morad as-Sana van zijn huwelijksreis in Istanboel terug naar Be’ersheva, de hoofdstad van de Negev en de op drie na grootste stad van Israël. As-Sana was kort daarvoor getrouwd met Abir, een Palestijnse uit de stad Bethlehem op de westelijke Jordaanoever. Maar as-Sana kon zijn vrouw niet mee naar Be’ersheva nemen. Zij moest terug naar het huis van haar ouders in Bethlehem. Dat het pasgetrouwde paar niet kon samenleven in Israël was het gevolg van een recente wet die het Palestijnen uit de bezette gebieden onmogelijk maakt een verblijfsvergunning in Israël te krijgen, ook als ze trouwen met een Arabische Israëliër. Erger nog voor de 30-jarige Morad was dat hij als gevolg van militiaire regels zijn vrouw in Bethlehem, een gebied onder “Palestijns bestuur,” daar zelfs niet mag bezoeken.

Israëlische soldaten van de bezettingsmacht in Bethlehem (jd)

De officiële motivering voor de nieuwe wet was “de veiligheid van Israël.” De ware achtergrond is de oude vrees van de joodse meerderheid door de wet van de demografie een minderheid te worden, de vreees dat het “joodse karakter” van de staat daardoor zou worden uitgehold. Het “demografische wapen” van de Arabieren is een aloude zionistische obsessie, die in 2004 tot opmerkelijke en onverwachte gevolgen leidde. Ze was volgens Jonathan Cook, met name de inspiratie voor de spectaculaire ommekeer in het denken van de Israëlische superhavik Ariel Sharon. Tegen de bittere oppositie in van de hardliners in zijn eigen partij Likud, besliste Sharon in 2004, de joodse nederzettingen in Gaza en de Israëlische bezetting daar op te geven.

De 1,3 miljoen Palestijnen in Gaza maakten op dat moment meer dan een kwart uit van de Arabische bevolking onder Israëlisch gezag. Gaza was al langer een demografische kwelling voor de Israëlis. Israëlische demografen hadden berekend dat in het “Groot Israël” waar de zionisten van droomden, het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan, 5,2 miljoen joden woonden tussen iets meer dan 4,9 miljoen Palestijnen in Israël, op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Door hun hogere geboortecijfer zouden de Palestijnen binnen afzienbare tijd de meerderheid vormen. In het licht van die voor de zionisten schrikbarende toekomst was het loslaten van Gaza een zachte prijs. Maar Gaza loslaten volstond niet om de demografische angsten van de joodse Israëliërs te bedaren.

Transfer

Benny Morris is de bekendste van de Israëlische “nieuwe historici.”  Dank zij het opzoekingswerk van Morris en anderen is vast komen te staan dat de Palestijnen die in 1948 het land ontvluchtten dat niet deden vanwege de loze beloften van de Arabische buurlanden zoals de zionistische propaganda het wil maar uit angst voor de terreur van bendes als die van de latere premiers Yitzhak Samir en Menahim Begin. De massale uitdrijving van de Palestijnse bewoners  was een bewuste politiek van de toenmalige zionistische leiders die beseften dat alleen op die manier een joodse staat kon worden opgericht: de transfer (het woord “etnische zuivering” moest nog worden uitgevonden) van de niet-joodse bevolking.

Benny Morris

Maar – zo zegt Morris nu – Ben Goerion en de andere zionistische leiders hebben de klus maar half geklaard. “Als het verhaal voor de joden slecht afloopt,” zo zei hij in een interview in The Guardian, “zal het zijn omdat Ben Goerion in 1948 de transfer niet heeft voltooid. Hij liet een grote en onstabiele demografische reserve achter op de Westelijke Jordaanoever, in Gaza en in Israël zelf.” “De Palestijnse geest is per definitie irrationeel en ziekelijk” gaat Morris verder, daarom “moet er zo iets als een kooi voor ze worden gebouwd. Ik weet dat het vreselijk klinkt. Maar er is geen keuze. We hebben te maken met een wild dier dat op de een of andere manier achter slot en grendel moet.”

Het werk afmaken, de transfer voltooien: het is een gedachte die meer en meer aanhang vindt in Israël. Tot het begin van de Tweede Intifada in 2001 was het openlijk promoten van etnische zuivering het domein van joodse extremisten als rabbi Meir Kahane en de beweging van kolonisten. Nu is het idee van al of niet vrijwillige transfer salonfähig geworden. In 2005 vonden 59% van de Israëlische joden dat de Arabische inwoners van Israël aangemoedigd moeten worden om te emigreren. Transfer is een programmapunt van de regeringspartij Yisraël Beyteny van minister van buitenlandse zaken Avigdor Lieberman.

Avigdor Lieberman

Maar ook de Israëlische linkerzijde en het zogenaamde vredeskamp zijn niet langer vies van het idee van transfer, al mag het in die kringen niet zo heten. “Unilaterale scheiding,” is hier het eufemisme voor etnische zuivering en daar is zelfs geen fysieke verplaatsing van een hele bevolkingsgroep voor nodig. “Het is niet ondenkbaar” opperde de voormalige labourpremier Ehud Barak in een interview in 2002, dat het staatsburgerschap van Israëlische Palestijnen wordt getransfereerd naar de Palestijnse Autoriteit, “maar,” voegde hij eraan toe, “het is niet aanbevolen dat regeringswoordvoerders dat openlijk zeggen.”

Na het mislukken van het Oslo vredesproces pleitte de auteur en bekend vredesactivist A.B. Yehoshua voor “joodse soevereiniteit binnen welbepaalde grenzen.” Israël moest daarom de verantwoordelijkheid voor de Palestijnen in bezet gebied van zich afschudden. Daarom ook moesten verafgelegen nederzettingen op de Westbank worden opgeofferd, andere worden ingelijfd bij Israël. Een “veiligheidsmuur” – in feite het betonneren van die unilateraal opgelegde grens – moest het joodse karakter van de staat eens en voor goed vastleggen. Het idee kwam van de “linkse” premier Ehud Barak en botste aanvankelijk op verzet van zijn opvolger Sharon, die de grenzen van Israël liever in het vage liet.

Sharon, vredesapostel

Hoe kon de superhavik Ariel Sharon zich vanaf eind 2003 tooien met de veren van de vredesduif?  Eerder al had Sharon zijn medestanders van rechts de terugtrrekking uit Gaza door de strot geramd. Nu kwam deze voorstander van Eretz Israël (Groot Israël van de Middellandse Zee tot de Jordaan) met een plan voor gedeeltelijke terugtrekking uit de Westbank. Hij draaide bij en steunde voortaan de bouw van de veiligheidsmuur. Het plan van unilaterale terugtrekking hield op termijn ook de oprichting in van een “Palestijnse staat,” zij het dan een staat die met handen en voeten aan Israël gebonden zou zijn en zo verbrokkeld dat hij ”meer op een reeks Noorse fjorden zou lijken dan op een heuse staat.”

Ariel Sharon in 2003

Druk van Washington is één verklaring. De  “road map” van George W Bush dreigde de Israëlis het initiatief uit handen te nemen en een aantal compromissen op te dringen.  Maar Sharon was vooral tot de overtuiging gekomen dat de demografische realiteit de joden in Groot Israël over een aantal jaren in een minderheidspositie zou duwen.  Daarom koos hij voor “unilaterale scheiding”, het idee van Ehud Barak, dat vóór deze al leefde bij laureaat van de Nobelprijs voor de vrede Yitzhak Rabin. Dat daarvoor een fysieke muur nodig was (het einde van de droom van Eretz Israël) en een soort van Palestijnse staat, was een prijs die Sharon bereid was te betalen.

Een kwart miljoen Palestijnen op de Westbank leeft aan de “verkeerde,”  de Israëlische kant van de muur, afgesneden van de grond die ze bewerken en in feite opgesloten in een ghetto. Niemand gelooft dat deze Palestijnen in een definitieve regeling het Israëlische staatsburgerschap zullen krijgen. Ze zullen stemmen in Palestijnse verkiezingen, een Palestijns paspoort houden en al hun politieke, sociale, economische en culturele rechten uitoefenen in de “Palestijnse staat.” Hetzelfde lot is volgens Cook ook de Palestijnen in Israël zelf beschoren. Dat zal zeker het geval zijn voor het kwart miljoen Arabische inwoners van de “kleine driehoek,” het gebied in Israël dat geografisch het dichtst bij de Palestijnse Autoriteit aanleunt, maar ook voor de Palestijnen in Oost-Jeruzalem en de bedoeïenen in de Negevwoestijn.

Op die manier is Israël verlost van de Arabische minderheid  en wordt het ideaal van een zuiver joodse staat verwezenlijkt. Door de transfer van hun staatsburgerschap naar de toekomstige Palestijnse staat verliezen de Arabische Israëlis hun toch al feitelijk beperkte politieke en sociale rechten in Israël. Hun mening wordt vanzelfsprekend niet gevraagd, maar in opiniepeilingen blijkt dat de meesten van hen weinig enthousiasme vertonen voor het staatsburgerschap van een virtuele Palestijnse buurstaat dat hen rechteloos maakt in het land waar ze altijd hebben gewoond.

Johan Depoortere

Blood and Religion

The unmasking of the Jewish and Democratic State

Jonathan Cook

Pluto Press London

2006

April 24, 2011 at 9:12 am 2 comments


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,566 other followers