Posts tagged ‘Brussel’

DE BELGISCHE DRIEHOEKSVERHOUDING

Waalse industrie

door Jef Coeck

De aanzet voor de splitsing van België is in de jaren zeventig gebeurd. In minder dan een decennium waren de ‘traditionele’ partijen – katholieken, socialisten, liberalen – uiteengetrokken als een lap versleten katoen. Zo ontstonden er een patchwork van nog meer mandaten, verkiesbare plaatsen, postjes, ministerschappen en cabinetards, kortom, meer compromismogelijkheden. En ze hoefden niet eens tweetalig te zijn. Weinigen hebben toen ingezien wat voor rampen daar zijn aangericht.

Waals Zinksfabriek Angleur
We zullen het houden bij ons vak, de mediaramp. In no time hadden zowel de gedrukte als de electronische media zich ontdaan van de ballast om over de taalgrens te kijken. Voor Vlaamse kranten bestond Wallonië niet meer, en omgekeerd. Idem dito voor de radio- en tv-journaals. Er kon bezuinigd worden op de vertaaldiensten, want Frans viel in Vlaanderen nog nauwelijks te horen. Al na korte tijd was de gewenning ingetreden en ging het lijken alsof België een eentalig Nederlands c.q. Frans land was. Soms kreeg je de indruk dat de BRTN nog liever een bijna-fietsdiefstal versloeg in Wachtebeke dan een treinramp met doden in Wallonië. Die N van BRTN is trouwens een toevoeging/geving in dezelfde zin. Heette de Franstalige omroep niet alreeds RTBf – dan werd de f nu in kapitaal gezet: RTBF. Vlaanderen kon niet achterblijven, nietwaar?

Bij de kranten deed zich een soortgelijk verschijnsel voor. Wallonië werd herleid tot een knorrige fruitboer uit Voeren, een enkele keer tot een dronken parlementslid dat later zelfmoord zou plegen. Toch dient voor de kranten een uitzondering te worden gemaakt: De Standaard, aanvankelijk nog AVVVVK.

Het was de enige krant die een redacteur in dienst had met voldoende belangstelling voor en kennis van anderstalig België (tweetalige landsgedeelten en Oostkantons inbegrepen), om er zowat fulltime zijn werk van te maken. Het is de vraag of Guido Fonteyn door zijn bazen altijd naar waarde werd geschat. Die bazen hadden niet zelden het vurige flamingantisme beleden tot en met de Vlaamse collaboratie. In elk geval werd Fonteyn veel bevraagd door collega’s van andere media als die dan toch wel ’s verplicht werden over Wallonië te schrijven, zonder er een donder van af te weten. Guido was altijd bereid zijn kennis te delen en/of zijn collega’s op het goede pad te zetten. Of hij altijd in zijn eigen krant terecht kon om de stukken te schrijven die hij wilde schrijven, laat ik in het midden. Maar hij had voldoende uitlaatkleppen, vaak onder pseudoniem, in de Franstalige Belgische pers om af en toe een ei kwijt te kunnen. En hij schreef boeken over het onderwerp. Het jongste in de rij heet: ‘Vlaanderen, Brussel, Wallonië: een ménage à trois’.

Les transfers c’est les autres?

Zoals te verwachten en te verhopen viel, zijn Fonteyns inzichten ook deze keer verhelderend en non-conformistisch. De initiële Belgische problemen komen niet voort uit de verschillen in taal maar wel – zoals pakweg in Congo – uit de rijke ondergrond. Dat is de grondstelling, raar maar raak. Die delfstoffen zaten in de Waalse bodem. De mankracht om ze te ontginnen werd grotendeels gehaald in Vlaanderen, waar honger en werkloosheid de gezinshoofden en hun kinderen de migratie zuidwaarts injoegen. Denk nu niet dat de Walen zelf daar veel beter van werden. Er was weliswaar werk – tegen hongerlonen – en voedsel dat vaak te duur werd verkocht. De echte winsten gingen naar Brussel. Daar zaten de aandeelhouders, investeerders, speculanten, rijken en grootgrondbezitters.  ‘Wederzijdse verwijten tussen Vlaanderen en Wallonië over een gebrek aan solidariteit hebben dus geen zin’, schrijft Fonteyne.

Vieille Montagne Tilff

Vieille Montagne Tilff

Ook aan het feit dat de Vlaamse textielindustrie eind 19de eeuw afknapte, is niet de schuld van de Walen. Daar zijn andermaal de Brusselse kapitaalbezitters verantwoordelijk voor. De Vlaamse textiel, die zij tot dan hadden gekoesterd, was verouderd geraakt en stond onder concurrentiële druk. En plots deed zich het wonder van de ondergrond voor. Vieille Montagne zal u vast nog iets zeggen. In 1911 omvatte deze houdstermaatschappij niet minder dan 38 bedrijven in België, Frankrijk, Engeland, Italië, Sardinië, Spanje en de VS. De holding stelde toen 500 bedienden en 12.500 arbeiders te werk. In 1928 produceerde de groep 8,5 procent van de wereldproductie in zink.In 1989 werd Vielle Montagne opgenomen in de groep Union Minière, dat in 1999 Umicore ging heten en later zijn zinkactiviteiten groepeerde onder de naam Nyrstar. Zo verdween de beladen naam Vielle Montagne (Remember ‘Groenten uit Balen’) uit beeld. Ongelooflijk is het bestaan, honderd jaar lang, van een Europees ministaatje, Neutraal Moresnet, dat dreef op één product: zink. Het lijkt een bericht van een andere planeet en misschien was het dat ook wel. Het ging trouwens niet enkel om zink, maar ook om steenkool, ijzererts, marmer en zelfs goud. Maar op=op, bijna alle mijnen en steengroeven zijn gesloten. En vanaf de jaren 60 komen de internationale investeerders bij voorkeur weer naar Vlaanderen. Dat maakt onze portemonnees bijna even dik als onze nekken, ondanks de fabeltjes van ‘luie Walen’ die leven van Vlaamse ‘transfers’.

De holding Société Générale speelde natuurlijk decennialang een hoofdrol. Laten we zeggen dat de helft van het geld in Brussel zat, de andere helft in wat Fonteyn ‘de kasteeltjes’ noemt. Het zijn de luxevilla’s van zowel Vlamingen als Walen, die allebei het Frans als voertaal hebben waar ze ook wonen. Andermaal een bewijs dat ‘taal’ nauwelijks meespeelt in de roerige geschiedenis van de Belgische driehoeksverhouding.

Het plaatje is duidelijk: de winsten van de Waalse steenkool- en andere delfstoffenindustrieën vloeiden naar het ‘Brussel’ van de Generale en enkele gelijkaardige instellingen. Ze bleven niet achter in Wallonië. Vanuit Wallonië konden dus ook nooit ‘transfers’ naar Vlaanderen vertrekken (tenzij in de eerste jaren na de invoering van de sociale zekerheid). Daaruit volgt dat elk Vlaams verwijt over het ontbreken van solidariteit vanuit Wallonië met Vlaanderen berust op onwetendheid, of op onvolledige of te kort geïnterpreteerde citaten. Of op starre blind- en doofheid.

Fonteyn bij wijze van besluit: ‘Dat dit alles te maken zou hebben met toestanden tussen Walen en Vlamingen is een misverstand. Er is een derde speler en dat is het Brussel van de markt, van de Generale. In de ménage à trois van Vlaanderen, Brussel en Wallonië maakte één partner gebruik van de beide andere, die dat al dan niet gewillig toelieten en er geen enkel belang bij hebben onderling ruzie te maken.’

Ménage à trois moins un?

Komt dat dan nooit meer goed? Zullen de bewoners van dit land niet de tijd krijgen om verkeerde inzichten bij te vijlen? In elk geval Wallonië lijkt er volop mee bezig. Waar er tot voor niet lang nauwelijks een Waal bestond die bereid was om Flamand/Nederlands te leren, volgen ze nu in grote aantallen een taalbad, cursussen, bijscholing, stages in onze taal. De resultaten zijn zichtbaar. Het Frans van de Vlaamse jongeren is er geweldig op achteruit gegaan. Wie nu een goed geschoolde tweetalige werknemer zoekt, vindt makkelijker zijn gading in het zuiden des lands. Het wordt ook aangemoedigd door de meeste Waalse politici, van ongeveer alle partijen.

Grand Hornu Quaregnon restauratie erfgoed

Grand Hornu Quaregnon restauratie erfgoed

Ook in de mediawereld is er een toenadering merkbaar. Waalse en Vlaamse kranten/radio’s/tv’s  wisselen niet enkel copij maar ook redacteuren uit, tijdelijk of zelfs definitief. Ze proberen (in het beste geval) weer inzicht te krijgen in de verloren gegane kennis over het andere landsdeel. Er lopen nu meerdere Guido Fonteyns rond, vooral aan Franstalige zijde. Zijn we dus de weg terug begonnen? Dan zal de volgende stap aan de partijen zijn, die weer aansluiting moeten zoeken bij hun geestgenoten over de taalgrens. Het beste middel daartoe is de ‘federale kieskring’. Het aantal voorstanders van deze aanpassing groeit aan beide zijden.

Dwarsliggers blijven vooral in Vlaanderen bestaan, op grond van sentimenteel-historische redenen. Maar wie een afkeer heeft van het Frans, kan tegenwoordig ook wel in het Engels terecht. Zullen we daar dan onze eerste landstaal van maken?

*Guido Fonteyn, ‘Vlaanderen, Brussel, Wallonië: een ménage à trois’, EPO, 2014

February 18, 2014 at 2:32 pm 4 comments

DE VAL VAN BRUSSEL

door Lucas Catherine

In dit Louis-Paul Boonjaar heb ik nog eens zijn Geuzenboek ter hand genomen, en ook omdat we 10 maart zijn. De dag van de Val van Brussel. Dat Antwerpen in 1585 viel is tamelijk bekend, maar Brussel? Nochtans was Brussel het centrum van het intellectuele, en militaire verzet tegen het terreurbewind van het katholieke Spaanse Regime.

Het boek van Boon is een prima boek. Alleen wordt Brussel er nogal stiefmoederlijk in behandeld. En niet alleen Boon doet dit. De Geuzen in Brussel worden verdreven uit ons huidige ‘Vlaamse’ nationale bewustzijn. Heel de geuzenrevolte is uit ons collectief geheugen verdwenen. In de negentiende eeuw was dit anders. Toen maakten bekende Geuzen als Brederode, Willem De Zwijger, Marnix van St Aldegonde deel uit van het pantheon Belgische helden. Ze staan afgebeeld in het plantsoen op de Brusselse Kleine Zavel en in de literatuur werden ze verheerlijkt door Hendrik Conscience in “Het Wonderjaar”, zijn eerste boek, verschenen in 1838 en door Charles De Coster in zijn Ulenspiegel (1868). En daarna was er niets meer. Tot Louis-Paul Boon in 1979 zijn monumentale en indrukwekkende Geuzenboek publiceerde. En toen was er weer niets meer.

En dat is niet fair.

 

Brussel en de Geuzen

 

Brussel komt bij Boon, maar ook bij andere auteurs vooral ter sprake als machtscentrum van waaruit het Hof de repressie organiseerde. Je kan het vergelijken met het imago dat Brussel nu heeft in het buitenland. Als je in Spanje praat over Brusselas, dan denken ze daar louter aan de Europese Gemeenschap, nooit aan wat er in Brussel leeft of wie er woont.

Nochtans was Brussel het eerste grote centrum van de Geuzenrevolte. Dat kwam omdat het in de zestiende eeuw waarschijnlijk de rijkste stad van Europa was waar denkers en artiesten graag naar toe verhuisden. Vanuit Brussel werd in de eerste decenia van die eeuw niet alleen over de Nederlanden geregeerd, maar ook over Duitsland, grote stukken van Italië, Spanje, de Nieuwe Wereld en delen van Noord-Afrika. Dat was zeker zo onder Keizer Karel. Hij werd koning van Spanje gekroond, niet daar maar hier in de Brusselse St. Goedele kerk. De schat die de Conquistadores op de Azteek Montezuma veroverden, werd in 1521 niet in Spanje, maar in het Paleis op de Koudenberg ten toon gesteld. Het is hier dat Albrecht Dürer ze zag en beschreef in zijn reisverslag over de Nederlanden. Het is hier in Brussel dat de verovering van Tunis in 1553 werd gepland en het zijn Brusselse tapijtwevers (De Pannemaeker) die het evenement in twaalf monumentale tapijten (samen 600m²)  hebben vereeuwigd.

En niet alleen rijkdom vloeide naar Brussel, ook nieuwe ideeën. Zo die van de reformatie en de kritiek op de Roomse Kerk. Logisch dat Brussel een intellectueel centrum werd van de religieuze oppositie. Leuven met haar erg katholieke universiteit werd dan weer het ideologisch centrum van de orthodoxie en de Inquisitie. Want dat wordt nogal eens vergeten. Dat de Inquisiteurs niet zozeer uit Spanje kwamen, maar uit Leuven. Spanje heeft ze zelfs geïmporteerd.

 

 De vileine rol van de katholieke universiteit Leuven

 

In oktober 1517 hangt Luther zijn plakkaten op aan de kerk van Wittenberg. Twee jaar later wordt hij door onze Katholieke Universiteit al veroordeeld. De Paus zal dat pas later doen. En het is in Leuven dat zijn boeken op 8 oktober1520, met toestemming van Keizer Karel als eerste worden verbrand. Leuven vaardigt in 1546 een index van verboden boeken uit. De Pauselijke index volgt pas in 1564.

Een van de eerste grote inquisiteurs was Adriaan Boeyens, bekend als Adriaan van Utrecht die vanaf 1507 in Leuven doceert. Hij was een van de leermeesters van Keizer Karel. Die benoemt hem in1518 tot Groot-Inquisiteur in Spanje en wanneer Karel in 1520 naar Aken reist om daar Keizer gekroond te worden,  benoemt  hij hem tot regent van Spanje. Daar houdt hij, samen met andere Flamenco’s zo erg huis dat de Spanjaarden tegen hem rebelleren tijdens de Opstand van de comunidades/vrije steden .Als dank voor bewezen diensten zorgt Keizer Karel ervoor dat Adriaan dankzij keizerlijke politieke steun in 1522 tot Paus wordt verkozen.
En ook het volk van Rome had schrik van ‘onze’ Adriaan. Luther schreef over deze ‘enige paus uit de Nederlanden’: “Een afgestudeerde van de universiteit van Leuven, waar zelfs ezels een doctoraat halen. Zijn woorden en daden komen rechtstreeks van Satan.”
Later volgde nog een beruchte figuur Van Son (Sonnius, eigenlijk Frans Van de Velde 1506-1576) die in 1543 rector te Leuven werd, daarna  Apostolisch inquisiteur in Leuven, Holland, Zeeland, Gelderland, Friesland, Groningen en Overijssel.

De Spanjaard de Enzinas, die op verdenking van ketterij zowel in de Brusselse amigo gevangen zat als in Leuven, beschrijft Van Son tijdens een ketterverbranding: “Hij verkeerde in zo’n roes van verwaandheid, trots, streken,kuiperijen, trucs, verblindheid en wreedheid… die wrede vertoning was voor hem volgens mij in zijn ogen aangenamer kost dan wanneer hij, als gast aan een overdadig diner, zijn buik tegoed hadden kunnen doen.”

Geen wonder dat op het einde van de negentiende eeuw de liberale en socialistische vrijdenkerij de Geuzen als hun voorgangers uitriepen en hen tot symbool maakten in de strijd tegen het clericalisme.

 


Wat gebeurde er in Brussel?

 

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje de Inquisitie ook hier ingevoerd. Een jaar later, in 1523 worden de twee eerste ketters levend verbrand op de Grote Markt. Het zijn Hendrik Vos en Jan Van Eschen. Tijdens hun executie wordt er gemompeld uit protest, door onder meer Barend van Orley, hofschilder en  Pieter De Pannemaeker, tapijtenfabrikant. Zij zijn de eerste ‘protestanten’. Zij organiseren in hun huizen en ateliers bijeenkomsten tegen de Roomse Kerk. De eerste protestanten worden omschreven als:

“lui die haer sinnen seer gemoeyt hebben met gheestelijcken oefeninghen oft met veel studerens, oft die constighe ambachten doen, ende ambachten die die sinnen moeyen, als schilders, beeldsniders…”

Ook de zonen Jan van Orley en Willem de Pannemaeker bleven opposanten van de strengste strekking, Calvinisten. In 1566-67 worden ook zij ‘lastig’ gevallen en De Pannemaeker verliest zijn job als hofleverancier van tapijten.

 

In 1545 krijgen we het belangrijkste geschreven getuigenis van een slachtoffer van de inquisitie door de al hoger vermelde Spanjaard Francisco de Enzinas. Hij schrijft na zijn vlucht uit de Brusselse kerker zijn Historia de Statu Belgico deque religione Hispanica. de Enzinas zat gevangen in de Vrunte (gemeenzaam ook den Amigo genoemd) samen met Joos van Uusberghen, een pelsmaker die in 1545 op de Grote Markt wordt onthoofd.  De medegevangene Gillis Tielmans maar wordt levend  verbrand. Hij was kam-maker voor weefgetouwen (basse-lisse getouwen). Om zijn terechtstelling ordelijk te laten verlopen moest men vijf schuttersgilden op de been brengen. Tielmans was vooral populair in de wijk rond de Kapellekerk.

Vanaf 1565 stijgt het protest, vooral bij de kleine man. Hierbij spelen belastingen en opeenvolgende misoogsten een grote rol, naast het verzet tegen de willekeurige terreur van de kerk. Het volk probeert de adel, toen de belangrijkste politiek klasse, voor de zaak te winnen. Men werpt briefjes in het paleis van de graaf van Egmont en in dat van Willem van Oranje om hen aan te zetten openlijk voor het protestantisme te kiezen.

 

Het Wonderjaar

 

En dan volgt in 1566 Het wonderjaar. De term gaat terug op een kroniekschrijver van toen die schrijft “ 1566 d’Welck men hier het jaer van wonder noemde om de grouwelijcke   veranderinghe die men sach…”

In dat zelfde jaar gaat een fractie van de adel, meestal de lagere adel in oppositie onder leiding van Brederode. Zij komt bijeen voor een eet- en drinkgelag in het Hof van Culemborg, bij de Brusselse Hofberg. Het verhaal wil dat de graaf van Culemborg hosties voederde aan zijn papegaai. Zij sluiten het eedverbond der edelen. Hierin vragen zij de afschaffing van de Inquisitie en benadrukken hun vrijheden. Dit verzoekschrift wordt op 5 april, klokslag 12  uur, ingediend bij de landvoogdes, Margareta van Parma, de buitenechtelijke dochter van Keizer Karel. Een grote groep Brusselaars loopt met hen mee tot het Paleis.

Hun verzoek wordt afgewezen en ze worden uitgescholden voor bedelaars, Geux. Hun bekendste leider, Brederode zal het scheldwoord ombuigen tot een geuzennaam. Zij nemen de bedelnap aan als symbool en gaan ook hun hoeden omgekeerd dragen als symbool voor de ‘omgekeerde’ gang van de wereld.

 

Nog in dit Wonderjaar starten in juni de eerste Hagepreken o.a. in het bos van Linthout (Schaarbeek), in dat van Heegde (waar nu de Louizalaan ligt), en in de Josafat-vallei in Schaarbeek die haar Bijbelse naam toen kreeg van die protestanten.

 

Nog in dit jaar, in augustus breekt de Beeldenstorm uit in Zuid-West-Vlaanderen.

Als reactie op dit alles installeert de graaf van Alva zijn Bloedraad ofte Raad van Beroerte). Zoals een tijdgenoot schrijft over hem: “Liet dienvolgende seer wrede placcaten uytroepen, straffe ende ongehoorde sententien ter executie stellen ende uytvoeren, veel weduwen ende weesen makende. Landen en steden bedervende groote schattingen instellende ende het gansche Nederlant in jammerlijck bloetbad brengende…”

Alva verwoest het Hof van Culemborg, waar de revolte begon en laat daarna zout strooien over de grond. Een gebaar geïnspireerd op de Romeinen dat wou zeggen dat het nooit mocht worden heropgebouwd. Hij laat er ook een gedenkzuil te zijner ere oprichten die geen lang leven beschoren zal zijn.

De razzia’s en doodseskaders tegen de protestanten komen nu echt op gang. Op 1 juni 1568 worden 19 edelen onthoofd op de Paardenmarkt (nu de Grote Zavel). Een van hen wordt eerst de rechterhand afgehakt en de tong uitgerukt, omdat hij bewapende mannen de hagepreken had laten beschermen. De graven Egmont en Horn worden in datzelfde jaar op de Grote Markt onthoofd.

 

1565-1568 Brueghel brengt verslag uit

 

In 1563 verhuist Pieter Brueghel van Antwerpen naar Brussel en is er tot zijn dood in 1569 getuige van de opstand der Geuzen.

 In 1565 schildert hij hoe een hagepreek er aan toe gaat in een bos rond Brussel: De Preek van Johannes de Doper .Dat Brueghel met de Geuzen sympatiseerde blijkt uit dit schilderij waarin hij, rechts bovenaan, zichzelf schildert als toehoorder, leunend tegen een boom in gezelschap van zijn vrouw Marijke Coecke en zijn schoonmoeder Maaike Verhulst-Bessemers.

De moordpartijen van de Spanjaarden zijn in 1567 het onderwerp van De Moord op de Onnozele Kinderen . Wie goed kijkt ziet dat de troepen aangevoerd worden door Alva zelf.

En dan is er natuurlijk DeTriomf van de Dood (1568).

Brueghel: Prediking van Johannes de Doper

Brueghel: Prediking van Johannes de Doper

 

De Geuzen zoeken buitenlandse bondgenoten.

 

In 1569 zendt Willem de Zwijger een gezant om steun te vragen aan de Ottomaanse sultan. Het contact was al in 1566 gelegd door Josef Nasi, een verdreven Andaloesische jood die in Antwerpen werkte voor het bankiershuis Mendes en daarna naar het Ottomaanse rijk was geëmigreerd.

De Ottomaanse sultan, die ook de Calvinisten en andere protestanten in Hongarije beschermde, zendt een steunbrief aan de Felemenk Luteran Taifesi, De Lutherse natie in de Nederlanden. De Geuzen  gaan nu hun snor op zijn Turks dragen en nemen de slogan aan ‘Liever Turckx dan Paepsch’. Die brengen zij ook aan op hun geuzenpenningen. Dezelfde slogan staat nu nog altijd afgebeeld op de gedenkplaat voor de Geuzen in de Karmelietenstraat, waar eens het Hof van Culemborg stond.

 

 

Het volk radicaliseert de revolte

 

In Brussel en Brabant komt de hele bevolking in opstand tegen de Tiende Penning, een nieuwe belasting in 1569 opgelegd door Alva.  Eigenlijk gaat het om een radicale aanval op de burgerlijke vrijheden. Tot dan moest de vorst ieder jaar aan de Staten-Generaal (waarin niet alleen adel, maar ook de ambachten zetelden) een dotatie vragen. Nu wil Alva het Spaanse systeem invoeren. Dankzij belastingen als Tiende en Twintigste Penning bepaalt de vorst zijn eigen dotatie, zonder inspraak van de Staten-Generaal.

De slagers en de poelniers weigeren de nieuwe belasting te betalen en sluiten hun winkels. Daarna volgen de brouwers, kruideniers, visboeren en  apothekers… Een andere reden voor de onrust is nog maar eens een misoogst. De staking houdt aan tot ver in 1572. Op 31 maart beveelt Alva 18 stevige stroppen klaar te maken om de 18 leidende winkeliers aan hun eigen deurpost op te hangen. Maar dan komt het nieuws dat Den Briel door de Watergeuzen is ingenomen en de terechtstelling gaat niet door. Alva schrikt terug voor de mogelijke reacties buiten Brussel.

Inname van Den Briel

Inname van Den Briel

 

De Brusselse Geuzenrepubliek

 

In september 1576 gaan de Brusselse ambachten weer eens in algemene staking en de bevolking bewapent zich. Achthonderd gewapende burgers, onder leiding van Jacques de Glymes dringen de Raad van State binnen en zetten de leden gevangen in het Broodhuis. De Staten-Generaal nemen de macht over. De Raad van State was het bestuur aangeduid door de vorst. De Staten-Generaal was de vertegenwoordiging van de verschillende standen.

Brussel wordt nu een republiek. Daarna volgen Leuven en Antwerpen hun voorbeeld. Daarop keert in 1577  Willem De Zwijger die samen met Marnix van St Aldegonde naar het Noorden was gevlucht, terug naar Brussel en doet via het kanaal en de Groendreef zijn intrede in Brussel. Zij worden verwelkomd door de schuttersgilden. Op de Grote Markt krijgt Willem de erewijn aangeboden. Vandaar loopt hij de heuvel op naar zijn paleis, het Hof van Nassau dat door Alva was geconfisceerd. Een massa mensen vergezelt hem en ook de Schutters die  talloze salvo’s in de lucht schieten.

De Brusselse Geuzen hebben nu de macht en organiseren in de stad een grote beeldenstorm: Ondermeer het schrijn met de relikwieën van St Goedele wordt vernietigd. Het is in St Goedele dat ketters publiekelijk trouw aan de leer van Rome moesten zweren. Een reeks kerken worden protestants: o.a. de Begijnhofkerk, de Nassau-kapel, de kapel van het St Janshospitaal en de Magdalenakerk. Op de gevel van de huidige Magdalenakerk kan je nog altijd de nissen zien waaruit de protestanten de heiligenbeelden weg hebben gekapt.

Hertog van AlvaIn 1581 volgt dan het Plakkaat van Verlatinghe: Filips II wordt door de Nederlanden niet langer als vorst erkend.

Of zoals een Geuzenlied zegt:

“ Want g’lyck de paerden syn geschapen om te ryden,

De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,

De Visch tot swemmen, end’ tot jock en ploeg den Os;

Soo mede wy oock om te wesen vry en los.”

 

Maar de Spaanse legeraanvoerder Farnese rukt op. Olivier Vanden Tympel die in 1579, onder de Geuzenrepubliek stadsvoogd van Brussel werd benoemd, zal met zijn leger de stad verdedigen. Eerst lukt dat: hij maakt het kanaal vrij en zo weer communicatie met Antwerpen mogelijk en rukt dan op tot Mechelen, Diest, Zichem en Nijvel. Maar Halle kan hij niet nemen. Vandaar zal Alexander Farnese dan oprukken naar Brussel en op 10 maart 1585 valt de stad. Kort daarop volgt de val van Antwerpen, waar Brusselaar Marnix van St Aldegonde als burgemeester de verdediging organiseerde.

 

 

Een beeldenoorlog

Op het einde van de negentiende eeuw zullen de Geuzen weer een politieke rol spelen in Brussel. De Liberale Partij en de Vrijzinnigheid gaan hen als symbool gebruiken in de strijd tegen de Katholieke Partij. Overal zullen ze proberen de herinnering aan de Geuzen levendig te houden. Hierbij speelt vooral de liberale Brusselse burgemeester Karel Buls een belangrijke rol. Buls was burgemeester tussen 1881 en 1899.

Buls laat in 1884 de Geuzengedenkplaat aanbrengen in de Karmelietenstraat, waar het voormalig hof van Culemborg stond. Wanneer op de Kleine Zavel een soort pantheon van Belgische helden wordt gecreëerd zorgt hij ervoor dat er nogal wat Geuzen bij zijn: Brederode, Marnix van St Aldegonde, Barend van Orley, Willem de Zwijger, Egmont en Horn. Het standbeeld voor Egmont en Horn stond oorspronkelijk op de Grote Markt, voor het Broodhuis waar ze werden geëxecuteerd. Wanneer het stadhuis wordt gerestaureerd beslist men onder andere om op de zuidwestgevel belangrijke Brusselaars af te beelden. En weer zijn de Geuzen erbij. Ondermeer Marnix van St Aldegonde die hierdoor in zijn geboortestad drie standbeelden heeft: een op de Kleine Zavel, een in de gevel waar zijn huis stond in de Hoogstraat, en een dus op de gevel van het Stadhuis.

Over sommige beelden werd flink gebakkeleid tussen het Liberale stadsbestuur en de katholieke voogdijminister. Zo wilden de vrijzinnigen dat er ook een beeld kwam van de Brusselse ‘ketterin’ Blomardinne (1260-1335). Blomardinne (1260-1335) was een Brusselse patriciërsdochter, met haar volle naam Heylwighe Bloemaerd en voorloopster van de Geuzen. Zij stelde dat men het Paradijs ook al hier op aarde kon benaderen, beleed de Serafijnse  ofte vleselijke liefde en verdedigde de vrijheid van geest. Kanunnik Hendrik Utenbogaerde (in het Latijn: Pomerius), de hagiograaf van Ruusbroec noemt haar: “dit valsche wyff die veel scrivende was van den vrijen geest ende vleyscheliker onreynder minnen.” Blomardinne had erg veel aanhangers onder de Brusselse ambachten en die verdreven trouwens Ruusbroec uit Brussel, waarna hij zich terugtrok in Groenendaal. De Katholieke Partij wou haar tegenpool Jan van Ruusbroec op de gevel en niet deze ketterse vrouw, maar de Liberalen kregen hun zin. Daarop namen de Katholieken wraak met een beeld in St Goedele. Daarop is te zien hoe Jan van Ruusbroec haar hoofd onder zijn hiel vertrappelt.

Geuzenpenning

Geuzenpenning


Een lang verhaal en dat geeft dorst, daarom dat ik mij nu een geuze uitschenk en ik hef het glas onder het zingen – op de wijze van het Wilhelmus- van Een nieuw Liedt van de couragieuse Brusselaers :

Ghy Brusselaers met couragie

Voleynt u saken wijs,

Ghy crijcht voor uwe gagie

In alle steden prijs,

Want elck is wel ghedachtich

Hoe dat ghy onbelaen,

Den thienden Penninck eendrachtich,

Hebbet weder gestaen.

Ghy crijcht der Leeuwen namen,

De Spangiaerden vileynich,

Roeyt ghy vromelijck uyt,

Etc..

Lucas Catherine, 10 maart, 427 jaar na de Val van Brussel

March 9, 2012 at 5:25 pm 9 comments

NONKEL ODILE

De reactie van Etienne Vermeersch op “Het Verdriet van Links” is in veel opzichten merkwaardig. ”De boodschapper is o.k. tot hij een boodschap brengt waar ik het niet mee eens ben,” zo lijkt de eminente professor te zeggen. Ik zou de gimmick van Etienne Vermeersch kunnen omkeren en me afvragen wie hier nu aan het woord is: de vermaarde intellectueel of de toogfilosoof die zich van zijn naam bedient en gemeenplaats op gemeenplaats stapelt. Maar terzake.

In “Het verdriet van links” probeerde ik aan te tonen dat de drie principes van de Gravensteengroep hun houdbaarheidsdatum ver hebben overschreden, want gebaseerd op de fantasieën, mythes en aloude frustraties die aan beide kanten van de taalgrens een constructieve discussie over de toekomst van dit land in de weg staan. Ik schreef vanuit de stomme verbazing dat intellectuelen die tot voor kort voor rationeel en progressief doorgingen meelopen in de nationalistische waan van de dag in plaats van de tot ten treure herhaalde flamingantische clichés aan een kritisch en empirisch onderzoek te onderwerpen.

Wat weerlegt Etienne Vermeersch in zijn nogal warrige reactie? Niets. Integendeel, zowel hier als in zijn interview in De Standaard van zaterdag jl tapt hij nog maar eens uit hetzelfde verzuurde vaatje. Grote namen uit de cultuurwereld en honderden onbekende gewone Vlamingen, Brusselaars en Walen nemen in de KVS afstand van de kwalijke gewoonte van de nationalisten om in naam van dé Vlamingen, of dé Franstaligen te spreken. “Niet in mijn naam,” was de overduidelijke slagzin waaronder mensen van zeer uiteenlopende strekkingen het samen konden vinden. ”Petits Bourgeois” keft Vermeersch in navolging van Bart de Wever. Argumenten? Ho maar! Liever scheldwoorden.”Ze zijn onbeleefd meneer” dixit de Vlaamse leider. “Ze hebben geen nonkel Odile” oreert de beroemde filosoof in De Standaard, of ”geen moeder die meid is geweest bij de Franstalige baronnen in Vlaanderen.”  Hoe weet de professor dat zo goed? Dat de zonen en kleinzonen van die Franstalige baronnen nu het hardste schreeuwen om splitsing en Vlaamse onafhankelijkheid is Etienne Vermeersch ook ontgaan.

Elke Vlaamse familie – ook de mijne – heeft wel een nonkel Odile, die modder heeft gevreten in de loopgraven, of een tante Marie, zoals de mijne heette, die in Wallonië is “gaan dienen.” Niemand ontkent dat de Vlamingen tot intussen ruim een halve eeuw geleden de underdogs waren in dit land. Maar kan het gejammer daarover nu eindelijk eens ophouden?  Of zoals iemand anders het formuleerde: “Het onrecht uit het verleden is verdwenen, het ressentiment is gebleven.” En wordt – zo kun je eraan toevoegen – door lieden als Vermeersch en tutti quanti zorgvuldig in leven gehouden en waar nodig aangewakkerd.

En wat nonkel Odile betreft: zou Etienne Vermeersch nooit het werk van de internationaal vermaarde historica Sophie de Schaepdrijver hebben gelezen?  In “De Groote Oorlog: het Koninkrijk België in de Eerste Wereldoorlog (1997)” toont ze aan dat het verhaal van de Vlaamse frontsoldaten die door Franstalige officieren de dood werden in gejaagd op mythe berust. “De aantijging dat Vlaamse soldaten sneuvelden omdat ze de Franse bevelen niet begrepen is onjuist,” zo schrijft de Schaepdrijver. “Het is een verhaal dat niet onder de Vlaamsgezinden aan het front is ontstaan  maar in de activistische propaganda, en dat na de oorlog werd verspreid door onder anderen de volksschrijver Adam Hans.”

Nu we toch bezig zijn: nog een andere Vlaamse mythe, die over de dood van de flamingantische iconen, de gebroeders van Raemdonck is de vrucht van nationalistische propaganda. In werkelijkheid stierf de zeventienjarige Frans Van Raemdonck niet in de armen van zijn broer Edward zoals de legende het wil, maar samen met de Waalse korporaal Aimé Fiévez. Die realiteit leent zich minder tot nationalistische agitprop, maar toont wel duidelijk aan dat zowel Vlaamse als  Waalse jongens in de hel van de Ijzer zonder onderscheid leefden en stierven. Overigens laat Vermeersch na te vermelden dat aan de basis van die gruwelijke Eerste Wereldoorlog een schot lag dat werd afgevuurd door een Servische nationalist en dat de nationalistische koorts in Duitsland en Frankrijk ervoor zorgde dat miljoenen jongeren enthousiast naar de knekelvelden van Verdun en de Somme trokken.

Overal ter wereld breiden hoofdstedelijke gebieden uit, daar helpt geen Vlaams lievemoederen aan. Brussel was ooit een Vlaamse stad, maar al in de zestiende eeuw was de voertaal in de leidende kringen Frans. Ten huize van de Brusselaar Willem van Oranje werd Frans gesproken.  Wie Brussel nu weer Vlaams wil maken moet zijn hoofd laten onderzoeken. Wie denkt te kunnen verhinderen dat Franstaligen, Japanners, Spanjaarden, Britten, Italianen en Amerikanen in Tervuren, in Halle of in Vilvoorde komen wonen en dat anderstaligen er na verloop van tijd – territorialiteitsbeginsel of niet – de meerderheid gaan uitmaken maakt zich illusies of moet terugvallen op discriminerende maatregelen en semi-maffiapraktijken zoals het handjeklap tussen projectontwikkelaars en Vlaamse burgemeesters.

De Franstaligen in de Brusselse rand zijn er volgens Etienne Vermeersch “in geslaagd dure gronden voor de kinderen van de plaatselijke bevolking onbetaalbaar te maken”  en “neringdoenden te verplichten hen in gebrekkig Frans te woord te staan.” Arme neringdoenden! Alsof het de beenhouwer veel kan schelen of hij “gehakt” of “haché” moet afwegen. Maar wellicht zijn de beenhouwers slechte Vlamingen.

Het per capita inkomen van de Vlamingen ligt intussen met 140% boven dat van de Walen, maar als het zo van pas komt zijn de Vlamingen in Sint-Genesius-Rode of Wezenbeek de sukkels en de Franstaligen de rijken die de arme Vlamen van hun geboortegrond jagen. Laten we wel wezen: Dat bouwgronden en huizen in de Vlaamse rand onbetaalbaar zijn geworden is niet alleen de schuld van de Franstaligen. Ook in Maldegem en Wuustwezel, in Veurne en Assebroek en waar dan ook in Vlaanderen wordt het voor jonge mensen steeds moeilijker om zich een dak boven het hoofd te verwerven. Een probleem waarvoor de Gravensteengroep misschien eens een oplossing kan suggereren.

Volgens Etienne Vermeersch gaat het in de Gravensteentekst enkel om het “Franstalig expansionistisch nationalisme.” Zoals anti-semieten alle Joden over één kam scheren en sinistere bedoelingen toeschrijven, zo stopt Vermeersch alle Franstaligen in dit land in eenzelfde zak en schrijft hij ze snode bedoelingen toe. Zoals alle nationalisten heeft hij het voortdurend niet alleen over dé Franstaligen, die ”bovendien niet enkel nationalistisch maar ook racistisch zijn,” maar ook over dé Vlamingen. Grove veralgemening professor! Overigens moet de professor lezen wat er staat en niet wat hij tussen de regels meent te ontwaren. Nergens wordt “gesuggereerd” dat de tekst van de Gravensteengroep “over nationalisme of separatisme gaat.”  Wel beweer ik dat de ondertekenaars hetzelfde veralgemenende en naar racisme zwemende taalgebruik hanteren als nationalisten en separatisten. In plaats van een blauwdruk voor een toekomstig België van Vlamingen, Walen en anderstaligen heeft de Gravensteengroep een tekst afgescheiden die bol staat van de interne contradicties, de clichés en de frustraties uit het verleden.

Johan Depoortere

———

EEN REACTIE VAN LUCAS CATHERINE:

Aan Etienne Vermeersch:

Niet in mijn naam, professor!

In De Standaard van dit weekend haalt Etienne Vermeersch grof uit naar de actie “Niet in mijn Naam”:

…het lijkt allemaal zo petit bourgeois. Is hun moeder meid geweest bij Franstalige baronnen in Vlaanderen? Heeft hun oom in ’14-’18 in de loopgraven gevochten.”

Ik ben een van de vele ondertekenaars van dit manifest en ik heb nog college gelopen, vijfenveertig jaar geleden bij Prof. Vermeersch, een man die toen samen met Jaap Kruithof nogal indruk op mij maakte. Ik voel mij aangesproken. Daarom dit

Het was niet mijn moeder, maar de zus van mijn grootmoeder die nog gediend heeft, zoals dat toen heette, op het kasteeltje van Franstaligen in de Brusselse rand en dat was niet zo zeer een taalprobleem, maar een probleem van uitbuiting en van macht, toen bestond nog het droit de cuissage, zeg maar neukrecht. Vandaar al die verhalen over bastaarden in het Payottenland, zelfs van het koningshuis, want ook daar werd ‘gediend’.

Mijn vader en diens vader hebben altijd in Brussel gewerkt als spoorlegger en de “Ijzeren weg’ had toen nog als voertaal Frans. Hij was verbonden aan het station van ‘den Toertaksi’ (Tour et Taxis) en zijn vader aan dat van ‘den Alleveir’ (Groendreef), vanwaar ooit de eerste trein naar Mechelen vertrokken is. Maar politiek ben ik vooral beïnvloed door mijn grootvader langs moederszijde. Belg en Vlaams gezind. Hij heeft vier jaar in de loopgraven aan het Ijzerfront gevochten, om België te verdedigen zoals hij fier zei. Zijn ingekaderd erediploma hangt nu in mijn bibliotheek. Gevochten in Merckem, Beveren, Stadenberg, Westrozebeke, de Leie en de afbuiging van de Leie. Als Belg was hij ook flamingant: iemand die opkwam voor de taal en cultuur van het gewone volk, werkman en middenstander, maar geen Vlaams Nationalist, die waren ‘aangebrand’. En hij zou ze nu zeker niet begrepen hebben. Nu men om federaal minister te worden Nederlands moet kennen, nu de premier al decennia lang Nederlandstalig is, nu de kabinetsraad en het kernkabinet overwegend in het Nederlands vergaderen, zodat de Franstaligen het hebben over ‘Le Kern’. Hij zou zijn oren niet kunnen geloven en ik hoor het hem al zeggen als hij de politici nu zou bezig horen over de onafhankelijkheid van Vlaanderen: ‘Ze zijn zot geworden, wij hebben gewonnen en wij controleren nu België, en nu willen ze het weg. Daar zit wat achter.” En inderdaad, hier zit wat achter. Als ik het sociaal-economisch programma van de Vlaams-Nationalisten lees, dan gaat het al lang niet meer over de culturele of nationale rechten van de gewone man, maar dan hoor ik de stem van de Vlaamse bourgeoisie: Leve een onafhankelijk Vlaanderen, met minder socialisten, met zwakkere vakbonden en met ultraliberalisme. En ook dat heb ik van die grootvader en van mijn vader. Hun motto was: Er is een bond waar je altijd lid moet van zijn, de vakbond. En zoals mijn vader zei: Rood of geen brood. Die grootvader heeft mij in 1960 ook het woord staken geleerd. Ik dacht dat het een meervoud was van een substantief, want ik hoorde dat het er bij die Grote Staking nogal hard aan toeging en als kind dacht ik dat ze vochten met bonenstaken, zoals we die in de tuin gebruikten. Hij maakte mij wijzer en heeft mij ook geleerd dat je niet echt ‘Vlaamsgezind’ bent als je tegelijkertijd niet solidair bent, vooral met werkvolk. Ik neem het dan ook niet als Etienne Vermeersch mij en anderen ‘petit bourgeois’ noemt. Zijn flamingantisme wordt gekaapt door de Vlaamse bourgeoisie. Voor hij andere mensen uitscheldt voor ‘petit bourgeois’, zou hij best eerst eens nadenken in hoeverre zijn flamingantisme misbruikt wordt door die grande bourgeoisie, Voka en anderen. Niet in mijn naam, professor! En niet in naam van mijn twee grootvaders: frontsoldaten, Belg, Vlaamsgezind en werkvolk.

Lucas Catherine

March 14, 2011 at 9:45 am 10 comments

Wilders, fascisme, en de erfenis van de Verlichting

Is Wilders een fascist? Moet België gesplitst worden omdat we hier nu eenmaal twee democratieën hebben? Over deze en andere prangende kwesties verscheen het volgende stuk van de socioloog Jan Blommaert in De Wereld Morgen.
Stof voor discussie tussen de kerststronk en de nieuwjaarsdronk.
Aan allen een opperbest 2011 gewenst!
Johan Depoortere

woensdag 22 december 2010
door Jan Blommaert
Het feit dat we van politici enkel nog krachtige uitspraken verwachten en wantrouwen koesteren tegenover alles wat iets langer en ingewikkelder klinkt, dat we hen ontslaan van de plicht hun standpunten tegenover ons met ernstige en steekhoudende argumenten te motiveren – en dat alles dan nog onder de noemer van democratie: dat is de crisis van onze democratie, schrijft Jan Blommaert.

Er is de laatste maanden in Nederland nogal wat te doen over een klein boekje van Rob Riemen, De Eeuwige Terugkeer van het Fascisme (Atlas 2010). In dat boekje noemt Riemen Geert Wilders een fascist. Hij doet dat na een rondgang langsheen een ruim aantal schrijvers en filosofen, van Camus over Ortega y Gasset tot en met Thomas Mann en Menno Ter Braak.

Ressentiment, rancune, gecultiveerde haat tegenover een kleine categorie van zondebokken, moreel en ideologisch nihilisme en de cultus van het oppervlakkige, en de doctrine van de menselijke ongelijkheid: deze zaken definiëren voor Riemen het fascisme en Wilders voldoet volmaakt aan deze criteria; hij is dus een fascist.

Alhoewel, dat is problematisch, want op de term fascisme kleeft een taboe. Dus “zo kunnen we nu constateren dat wat evident een opleving van het fascisme in onze samenleving is, zo toch niet genoemd mag worden” (p.38). Riemen wil niet provoceren met zijn boekje, maar hij wil de dingen wel benoemen zoals ze zijn. Parler Vrai, met andere woorden – iets waar mensen als Wilders anders bepaald niet vies van zijn.

Rechtse taboes

Het taboe bestaat echt, zoveel werd duidelijk uit de reacties van een aantal prominente opiniemakers. Frits Bolkestein, de neoliberale Charles de Gaulle, schreef schuimbekkend van woede dat Riemen zich moest schamen over zoveel onzin en dat hij het echte fascisme bagatteliseerde; enkele historici benadrukten dat fascisme historisch toch wel héél specifiek was en dat enkel jongens zoals Mussolini en Hitler eraan voldeden; en Paul Cliteur – wie anders? – bekloeg zich over het feit dat het gebruik van fascisme om Wilders te beschrijven neerkwam op haat zaaien en bovendien het leven van Wilders (nog) onveiliger maakte – vrije meningsuiting blijkt dus zelfs voor Cliteur z’n grenzen te hebben.

Men is duidelijk op z’n ongemak bij het gebruik van de uiterst gekleurde term fascisme voor iemand zoals Wilders, die zichzelf, zoals we weten, liefst van al omschrijft als een ‘democraat in hart en nieren’. Het feit dat alle door Riemen aangegeven criteria perfect passen op Wilders doet kennelijk weinig ter zake; een tijdje geleden werd Wilders door onderzoekers bestempeld als ‘extreem rechts’, en ook daar vond men dat dit overtrokken was. De onderzoekers moesten hun bepaling bijstellen, want Wilders vond hun onderzoek ‘klinkklare nonsens’ en een uiting van linkse intellectuele vooringenomenheid. De rest van het politieke veld in Nederland trad hem daarover impliciet bij: men vond het ‘onverstandig’, ‘niet gepast’ en ‘onvoorzichtig’ om dergelijke grote woorden te gebruiken. We hoorden de klassieke reacties van politieke correctheid.1

Tiens tiens, er blijken dus naast de welbekende linkse taboes ook nog rechtse taboes te bestaan, en rechtse politieke correctheid. Merkwaardig, want de woorden ‘taboe’ en ‘politieke correctheid’ zijn het laatste decennium innig verstrengeld geraakt met het adjectief ‘links’; we ontdekken via het debat over Riemen dat ook de rechterzijde zo z’n gevoelige plekken heeft, en dat debat bewijst dat ‘fascisme’ zo’n gevoelige plek is. Laat me die gevoelige plek wat masseren, misschien doet dat deugd.

In wat volgt wil ik twee argumenten formuleren. Het eerste argument is dat Riemen gelijk heeft wanneer hij Wilders een fascist noemt, al moeten we daarbij een aantal opmerkingen maken over de structuur van het actuele politieke debat en het dus ook over Belgen zoals Siegfried Bracke hebben. Het tweede argument gaat over democratie en zijn vijanden, en bij dit laatste punt moet ik het noodzakelijk ook over Paul Scheffer hebben. Ik sluit af met een herformulering van de stelling van Riemen die, naar ik hoop, door mijn tekst wat ruimer onderbouwd wordt.

Links en rechts: over definities en argumenten

Ongemak van woorden, ongemak over woorden: het politieke debat staat er bol van. Dat is deels vanzelfsprekend want politiek is in z’n diepste essentie een bedrijf van woorden, een mechaniek van definities en strijd over definities. Hoe men zichzelf benoemt, hoe anderen ons benoemen, hoe we bepaalde processen en fenomenen benoemen – dat is de kern van politiek.

De ‘terrorist’ van de ene is de ‘vrijheidstrijder’ van de andere; de ‘crisis’ van de ene is de ‘tijdelijke marktcorrectie’ van de andere; de ‘vrije meningsuiting’ van de ene is de ‘bedreiging voor de nationale veiligheid’ van de andere (zoals Julian Assange mocht ondervinden). Strijd over woorden is politiek, want woorden zijn nooit neutraal en puur beschrijvend maar altijd positionerend, altijd dingen die één bepaalde opstelling weergeven in contrast met een andere.

Dat heeft allerhande gevolgen. Het duidelijkste gevolg is dat er geen ‘objectieve’ politieke taal is; politieke taal kàn nooit puur beschrijvend zijn, want ze is politiek, dus per definitie partisaan en per definitie een middel in de strijd om de macht. Dat merkt men, zoals gezegd, net wanneer het over definities gaat. Precies dan ziet men dat het beklemtonen van het feit dat een woord dit moét betekenen, en dat niet mag betekenen de inzet is van het politieke conflict. We laten bij wijze van voorbeeld Bolkestein aan het woord:

“Het fascisme begon als een cultureel verschijnsel. Zijn voorlopers waren intellectuelen. Bergson en zijn vitalisme, uitgedrukt in het begrip ‘elan vital’. Sorel en zijn revolutionaire syndicalisme. Vooral Marinetti en zijn futurisme, die meende dat ‘tot de tanden gewapende bataljons het hoogtepunt van de esthetica vormden’. Het fascisme was een elitaire beweging met als bestaansgrond de ontkenning van universele waarden. Een kind kan zien dat dit op Geert Wilders slaat als een tang op een varken.”2

We merken dat Bolkestein hier alle mogelijke moeite doet om fascisme netjes en precies, zij het wel héél idiosyncratisch, te omschrijven als een beweging uit het verleden die voortkwam uit een (linkse!) intellectuele en artistieke elite. Noteer evenwel dat hij “de ontkenning van universele waarden” als “bestaansgrond” voor fascisme ziet. Ik kom daar verder nog op terug. Bolkestein plaatst hier een definitie van fascisme tegenover die van Riemen – dat is alles wat hier gebeurt. Het hele vervolg van het artikel van Bolkestein is een verdere uitwerking van dit definitie-verschil.

Daarbij geeft Bolkestein nog een reeks definities, bijvoorbeeld:

“Riemen noemt Wilders een populist. Maar wat is populisme precies? Behalve dan een verzamelnaam voor alles waaraan men de pest heeft. Bij mijn weten zijn leden van de Tweede Kamer volksvertegenwoordigers. Is het dan zo gek dat zij hun oor te luisteren leggen bij wat het volk vindt?”

Ook hierop kom ik straks nog even terug. Op dit punt volstaat het te zien hoe de argumentatie van Bolkestein volkomen drijft op definities, die dan ten gronde afwijken van diegene die Riemen aangaf. De kritiek vanwege historici zoals Bolkestein volgde precies dezelfde logica: eerst wordt fascisme zo gedefinieerd dat het enkel op één bepaalde reeks historisch gesitueerde fenomenen kan slaan, waarna (weinig verrassend) wordt uitgelegd dat het toepassen van fascisme op Wilders niet klopt. Vanuit die definitie wel te verstaan.3

Riemen is overigens gul met definities en argumenten in z’n boekje, dat hebben we boven al gemeld, en wat hem betreft is fascisme de politieke uitkomst van een ruimer probleem van waardenverlies en vervlakking, economische uitbuiting en egoïsme, chauvinisme en korte-termijn denken. Vanuit deze definitie is er inderdaad een continuïteit (of herhaling) met het interbellum.

Lees de diagnose van de cultuurindustrie uit Dialectiek van de Verlichting van Horkheimer en Adorno (geschreven in 1947), de analyse van Hannah Arendt in The Origins of Totalitarianism (uitgegeven tussen 1948 en1968), de kritiek op de universalisering van de kleinburgerlijke cultuur in Roland Barthes’ Myhologies (1957), het gelijklopende argument van Marcuse in One-Dimensional Man (1964) of de snijdende kritieken op de vervlakkende en depoliserende werking van televisie van achtereenvolgens Raymond Williams (1974) en Pierre Bourdieu (1996).4

Men ziet telkens hetzelfde motief opduiken: we leven in een cultuur die telkens weer, of permanent, zichzelf naar beneden toe nivelleert, en dit heeft allerhande politieke en maatschappelijke gevolgen: politieke apathie, het verlies van een besef van waarden, van kwaliteit, van morele en ideologische onderscheiden, concentratie op vermaak en consumptie – kortom, het verlies van de Grote Verhalen, het Grote Verhaal van de Liberale Democratie. En het is deze bredere beweging die haast ongemerkt – omdat het ons niets kan schelen – een politiek toelaat en mogelijk maakt die zich niets meer gelegen laat aan de Grote Verhalen, maar alleen nog bestaat uit faits divers – dingen waarvan Bourdieu zei qui font la diversion, ze leveren ons vermaak op, entertainment.

Voor al deze auteurs staan dergelijke ontwikkelingen in contrast met iets anders: de open en vrije samenleving die drijft op bewuste burgers. En die bewuste burgers gebruiken een instrument: argumentatie, redelijke argumentatie die is ingebed in kennis van zaken, reflectie en een drang naar intellectuele kwaliteit – datgene wat Rob Riemen in z’n bekendste werk als Adel van de Geest beschreef (Atlas 2009).

Wanneer men ophoudt met argumenteren begint men te schelden – of, zoals we hier zagen, met definities te gooien en zo een vorm van verbale hygiene op te leggen aan de tegenstrever. Men definieert zo immers het hele argument van de tegenstrever weg door er eenvoudigweg van uit te gaan dat het argument zich baseert op een verkeerde aanname, “X is Y”, terwijl het “X is Z” moet zijn. Je mag dit woord niet in die betekenis gebruiken, daar komt het op neer, en doe je dit wel, dan ‘vervuil’ je het debat.5

Laat ons dit even dieper uitspitten. Argumentatie wordt vervangen door definities, en dan liefst nog definities die de zaak versimpelen – etymologische definities, common sense definities of definities uit Van Dale, die de suggestie geven dat ieder ander gebruik van een term niet legitiem is. We zagen dit hierboven al, toen Bolkestein zich afvroeg wat Riemen bedoelde met ‘populisme’ en er zelf zijn interpretatie aan gaf:

“Bij mijn weten zijn leden van de Tweede Kamer volksvertegenwoordigers. Is het dan zo gek dat zij hun oor te luisteren leggen bij wat het volk vindt?”

“Het volk vertegenwoordigen” houdt dus in dat men “zijn oor te luisteren legt” bij dat volk. Vreemd, ik heb dat nog ergens gehoord. Hier is Steve Stevaert, de man die het Vlaamse socialisme terug plezant zou maken, in 2003:

“De politieke verkozenen zijn VOLKSVERTEGENWOORDIGERS. Zij vertegenwoordigen niet zichzelf, maar de mensen. Nu moet men mij toch eens uitleggen waarom iemand die de mensen vertegenwoordigt door naar hen te luisteren en op hun vragen in te spelen, een populist is.”6

Voilà – de zaak is eenvoudig. Een populist is in wezen een echte, waarachtige democraat, want als vertegenwoordiger des ‘volks’ luistert hij naar dat ‘volk’ en praat hij zoals het volk: hij praat volks. Wie het ‘gewone volk’ imiteert is een echte democraat, en dit houdt twee dingen in. Eén, men mag niét spreken als intellectueel, want intellectuelen zijn een wereldvreemde elite; en twee, men mag schelden, schimpen en andere vormen van verbaal geweld gebruiken, want ‘de gewone mensen’ spreken ook zo.

Wilders zegt daarom van zichzelf dat hij een politicus is en geen diplomaat, en dat betekent dat hij ‘er geen doekjes om hoeft te winden’ en ‘de dingen kan zeggen zoals ze zijn’. Als ‘democraat in hart en nieren’ spreekt hij de taal van het volk; als het volk racistisch spreekt, of beledigend, of kwetsend en veralgemenend, dan is het aan de democraat-politicus om ook zo te spreken. Want dan, en pas dan, is men echt democraat, wanneer men een perfect doorgeefluik is voor de stem van ‘het volk’.

Ik zou hier met enige kwaadwilligheid enkele precedenten kunnen geven. De krant van Hitlers Nazi’s heette uiteraard de Völkischer Beobachter – een vrije vertaling van wat Bolkestein en Stevaert boven als ‘democratie’ verstaan – en het Vlaams Blok stelde zichzelf in propaganda-materialen steevast voor als “De stem van het volk”. Ik wil maar zeggen: de definitie van de ‘democraat’ als perfect doorgeefluik van de stem des volks, welnu die definitie heeft een boeiende geschiedenis.

De intellectuelen behoren niet tot het volk – meer nog, in de wereld van de Belgische ex-topjournalist en huidige Vlaams-nationalistische coryfee Siegfried Bracke wordt de (intellectuele) opiniemaker als tegendeel gezien met ‘de mensen’ tout court. Vandaar dat Bracke zichzelf graag als ‘links’ wil zien. De voormalige Koning der Opiniemakers spreekt nu zoals ‘het volk’, hij zegt de dingen die ‘de mensen’ aanbelangen, en hij verdedigt die goede brave zielen als een oude dorpspastoor tegen de arrogantie van die andere opiniemakers, elitaire opiniemakers die hij met het label Gauche Caviar aanduidt:

“mensen die niet meer weten hoeveel 100 euro is, en vooral niet wat heel veel mensen moeten doen om die 100 euro bijeen te krijgen. Kan het dan overigens verwonderen dat er een gigantische kloof blijkt tussen deze praetors van de meningen en de publieke opinie zelf?” 7

Tegenover die Gauche Caviar staat dan de échte volkse democraat, en dat is iemand die niét analyseert, geen kennis van zaken nastreeft (naar eigen zeggen “gebruikt hij zijn verstand”, en dat is ruim voldoende), de zaken nooit voorstelt als complex, een duidelijk onderscheid maakt tussen wat belangrijk is voor “de mensen” en wat dat niet is, en zo meer. “Links” staat hier – als definitie – simpelweg voor “anti-elitair”, en die “elite”, dat zijn dan mensen die aanspraak maken op kennis van zaken en die daardoor meningen vertolken die, hoe verrassend, afwijken van die van de ‘gewone man’.

Dit lijntje werkt, het werkt goed, en het komt erop neer dat mensen als Bracke, Wilders en anderen iedereen de mond kunnen snoeren wier standpunt afwijkt van datgene wat – werkelijk of vermeend – onder ‘de mensen’ leeft.8 ‘De mensen’ hebben de indruk dat de criminaliteit toeneemt, deskundigen spreken dat met de feiten in de hand tegen, dus hebben de deskundigen ongelijk. ‘De mensen’ geloven dat de Islam een bedreiging is voor ons, moslims spreken dat tegen, dus moslims hebben ongelijk. Meer nog, deskundigen die ‘de mensen’ tegenspreken liegen en proberen ons (‘de mensen’) hun denkbeelden op te dringen.

Dit is hoe Bracke reageert op een studie waarin een causaal verband tussen etniciteit en criminaliteit wordt weerlegd:

“Eens te meer wordt hier geprobeerd om, overgoten met een wetenschappelijke saus, mensen juist te laten denken. En wie juist denkt is moreel goed en verheven. Het is een au fond ideologische discussie, maar dan een totaal verkeerde, waarvan ik hoop dat ze ooit zal stoppen. Het is het bekende slachtofferverhaal.

Het is een verhaal dat misbruikt wordt door de zogeheten progressieve elites, en, helaas, ook door de minderheden zelf. Om te zeggen ‘ons/hen treft geen schuld, wij/zij zijn niet verantwoordelijk’.

À propos. Eén. Weet u wat zo jammer is? Dat door dit soort fratsen de werkelijkheid versluierd wordt, met als gevolg dat échte problemen daardoor nog verder van een oplossing zijn dan ooit.”9

‘De werkelijkheid’, ‘de échte problemen’. Op deze frasen – definities uiteraard – rijden Wilders, Bracke en anderen doorheen het politieke landschap. Ze zijn tweede-generatie gebruikers, want Pim Fortuyn en (in Vlaanderen nog eerder dan in Nederland) Guy Verhofstadt, Steve Stevaert en het Vlaams Blok/Belang waren de pioniers van ‘de echte problemen’ – en van het motiefje waarbij die ‘echte problemen’ doelbewust verzwegen of verdraaid werden door ‘politiek correcte’ leden van een (‘zogeheten’ of ‘zelfverklaarde’) ‘linkse intellectuele elite’, die daardoor ‘anti-democratisch’ zijn.

Het motief is bekend, het is een refrein, en de uitspraak van Bracke heeft bijgevolg vele broertjes. Om er één te geven, hier is wat Wilders himself te zeggen had op het onderzoek van de Anne Frank Stichting waarin hij als extreem-rechts werd gecatalogeerd:

“Dit is de zoveelste schandelijke en ziekelijke poging van de elite ons te demoniseren en de PVV en al onze kiezers proberen de mond te snoeren. Maar dat gaat ze nooit lukken! Als er iets is dat de democratie ondermijnt, dan is het wel deze linkse elite, onder wie dit soort nep-onderzoekers, en de islamisering.”10

Wilders gaf deze commentaren via Twitter, en hier belanden we op een punt dat wat aandacht verdient. Laat me eerst even de voornaamste punten samenvatten. We hebben gezien dat definities een uiterst belangrijke rol vervullen in het politieke debat, en dat ze de plaats innemen van volwaardige argumentaties.

We hebben eveneens gezien dat deze nadruk op definities gericht is op versimpeling, en dat die versimpeling daarenboven wordt gemotiveerd als ‘democratisch’ (in de zin van ‘volksheid’), omdat ze in gaat tegen de complexe stem van de intellectuele elite.

Men simplifieert en verwerpt complexe argumentaties niet enkel omdat ze intellectuele en politieke moeite kosten en het eigen standpunt tegenspreken, men verwerpt ze omdat ze op zichzelf een illustratie zijn van de politiek die men verwerpt: een politiek die zich baseert op argumentatie.

Net op dit punt komt de nieuwe technologie binnen. Blogs en tweets zijn bliksemsnel uitgegroeid tot dé meest gebruikte kanalen voor politiek ‘nieuws’. Wilders heeft er een grote voorliefde voor, hij communiceert overwegend via Tweets. Wat houden deze formaten eigenlijk in? Wel, ze hebben twee grote eigenschappen: zijn kort en snel. Blogs en tweets zijn niet gemaakt voor lange en ingewikkelde berichten. Men schrijft in de regel geen tractaat via Twitter. Wat men er wel mee kan doen is een bliksemsnelle reflexmatige reactie geven op een voorval – een korte en krachtige one-liner die recht uit de buik komt en ongefilterd, ongezouten een mening geeft.

Journalisten smullen ervan: blogs en tweets bieden een kort-op-de-bal gevoelsmatig kanaal voor politieke reacties: vrolijk of droef, blij of boos, tevreden of ongerust. In een mediawereld waarin alles razendsnel moet gaan, kort en krachtig moet zijn, en liefst ook nog een persoonlijkheid en wat emoties moet weergeven, zijn blogs en tweets gefundeness Fressen.

Deze nieuwe genres scheppen nieuwe mogelijkheden voor politieke communicatie. Eén, ze ontslaan de gebruiker van de plicht te argumenteren, want daarvoor is eenvoudigweg geen plaats. Twee, ze scheppen daardoor een grote ruimte om via ‘esthetiek’ effecten te realiseren. Esthetiek: krachtige, scherpe, gebalde, gewelddadige berichten drijven boven, want net die dingen verzorgen de esthetiek van de authenticiteit.

Wie zo spreekt is eerlijk, recht-voor-de-raap en recht-door-zee, geen hielenlikker of blaaskaak maar een oprecht mens, een echte mens die tot ‘de mensen’ hoort. ‘Gewone mensen’ worden immers ook kwaad en opgewonden, ze vloeken soms ook, en hun ja is ja, hun nee is nee. En net daardoor zijn ze gerechtigd om eender welke intellectueel weerwerk te bieden en argumenten te verwerpen met oprechte salvo’s van scheldwoorden. Enkele voorbeelden, geplukt van de ‘reacties’ pagina van De Standaard na publicatie op 7 december 2010 op een opiniestuk van mij; ik druk ze af in de vorm waarin ze verschenen:

“Politicoloog of socioloog; synoniem hiervan: lulloloog? Overigens is dS, allicht voor de duidelijkheid, vergeten te vermelden dat B-plusser j.blommaert een notoire communist is van stalinistische pvda-strekking. Althans naar eigen zeggen cfr soloidair-interview. Dit soort artikelen komen in dS. Invloed van ex-demorgen BB?”

“Sinds wanneer is criminologie (laat staan sociologie) een wetenschap? Verder is Blommaert een schoolvoorbeeld van wat hij denkt te bestrijden: een ideologisch geborneerde fundamentalist met een totaal achterhaald, reactionair denkkader. Ach die marxisten… Sterf toch oude gedachten!”

“Marc Hooghe is een politicoloog : géén wetenschaper dus. Wetenschappers zijn voor mij mensen die zich bezig houden met exacte wetenschapen. Maar die hoor je nooit, want die zijn druk aan ‘t werk. En ik citeer Blommaert : ‘En kijk eens, deze keer hoort men geen gepruttel van de overkant. Hooghe en zijn collega’s krijgen publiek gelijk.’ Dat komt om dat die ‘overkant’ geen linkse opiniemakers kent die om de vijf voet een stukje in de krant mogen schrijven. Noem die ‘overkent’ voor mijn part ‘de zwijgende meerderheid’”

Opvallend toch hoe vaak men precies dezelfde frasen hoort, precies dezelfde toonzetting; opvallend ook hoe die frasen overeenstemmen met de punten die in dezelfde context gemaakt werden door Wilders en Bracke; en opvallend, tenslotte, hoe alles hier draait rond definities, niet rond argumenten: Blommaert is een communist, is een schoolvoorbeeld; Hooghe is geen wetenschapper, politicologie is geen wetenschap, en zo voort.

De nieuwe technologie zorgt voor een fenomenale uniformisering in het politieke debat: zaken worden herleid tot een beperkte reeks definiërende uitspraken, tot een simpel ja-nee schema dat geen argumenten toelaat, enkel simpele en versimpelende definitie. Tijdens het laatste televisiedebat voor de verkiezingen van 2010 zagen we Wilders zo in actie. Hij lanceerde zelf een vraag aan de andere panelleden: ‘gaat U of gaat U niet fors investeren in de zorg?’ En vervolgens onderbrak hij iedere poging van andere sprekers om deze vraag te beantwoorden met “JA of NEE?!”.

Zo eenvoudig zit die nieuwe politieke wereld in mekaar: het is ja, of het is nee. Vergeet argumenten, alles is to be or not to be. En in een televisieprogramma waarin elk antwoord maximaal 16 seconden lang mag zijn werkt dit prima, want men raakt op die manier steeds goed uit z’n woorden. Politici staan in de media nog onder één soort van druk: tijdsdruk. Inhoudelijk worden ze gerust gelaten zolang ze maar ‘kort (alstublieft)’ en ‘(dat was heel) duidelijk’ antwoorden.11

Zo een wereld is precies de wereld die Rob Riemen beschrijft: een wereld waarin analyse en argumentatie voortdurend terrein verliezen, zodat de luidste en minst scrupuleuze sprekers de beste kaarten hebben. Wie bang is van het verbale geweld (en dat is, zoals we weten, een reële vorm van geweld), of wie liever de zaken eerst grondig bekijkt vooraleer zich erover uit te spreken – die mensen drijven naar de marge van het politieke debat.

Dat debat wordt dan ook overheerst door oppervlakkige, esthetisch verzorgde schijnargumenten, die er alleen maar uitzien als argumentaties maar geen enkele argumentatie-analyse overleven. Het is doen alsof men argumenteert. Het verheven proza van Bracke kan ons alweer puike illustraties bieden. Hier geeft hij een apologie van spelletjesprogramma’s waarin politici meedoen; commentaar is wellicht overbodig:12

“Debatten zijn belangrijk – zeer zeker – maar onderschat toch ook maar de andere zogenaamd luchtige programma’s niet. Die zijn vaak zeer relevant. Omdat daarin blijkt wat voor soort mensen onze politici zijn. En ik wil dat als betrokken burger wel weten.

Want ik kies via het stemhokje niet alleen voor de richting die het beleid mijns inziens moet uitgaan. Ik kies ook voor mensen die uit mijn naam het land mogen besturen. En dat laatste is meer dan het partijprogramma uitvoeren. Besturen is ook reageren op onbekende, onvoorziene omstandigheden. Managen zeg maar, leiding geven. En nu komt het…

Via op het eerste gezicht tamelijk onschuldige, ja zelfs onnozele programma’s en spelletjes kan je er zicht op krijgen of mensen daarvoor geschikt zijn of niet.
Er zijn trouwens bedrijven die voor veel geld allerlei spelletjes opzetten om na te gaan of mensen voor verantwoordelijke en/of leidinggevende functies geschikt zijn of niet. Een dag lang moeten die dan allerlei situaties spelen en vaak lachwekkende spelletjes doen. Na afloop staat wel vast of je geschikt bent om verantwoordelijkheid op te nemen. Een assesment heet dat. Een beetje bedrijf dat zichzelf ernstig neemt, vindt assesments voor het human resources-beleid een absolute must.

Waarom zou dat voor de leidinggevenden van het land anders zijn? En is het geen goede zaak dat iedereen die spelletjes ook kan zien?”

Zoals Bourdieu aangaf: we leven in de terreur van de faits divers qui font diversion. Berlusconi is natuurlijk ook niet ver meer af. In zo’n klimaat wordt de rede verdrukt en overheersen platvloersheid, hyperbolen en superlatieven, willekeur inzake standpunten, en oproepen om figuren toch maar op hun woord te geloven omdat ze zo eerlijk zijn. We moeten vooral niet dénken, want als je dat doet dan ben je niet democratisch maar elitair.13 Voor Rob Riemen leidt dit tot fascisme en is Wilders een fascist.

Ik stel vast dat zijn standpunt niet weerlegd is; men heeft enkel gepoogd het weg te definiëren. Ik stel ook vast dat Horkheimer en Adorno, Arendt, Barthes, Marcuse, Williams en Bourdieu allemaal hebben gewaarschuwd voor hetzelfde gevaar, en dat ze dat allemaal deden om dezelfde redenen. Riemen is dus in goed gezelschap, en ik zet me graag aan zijn kant. Maar er is meer.

De open samenleving en haar vijanden

Frits Bolkestein, dat zagen we, had niets dan hoon voor Rob Riemen. Hij crediteerde het fascisme daarenboven aan een linkse intellectuele en artistieke elite – naar de empirische bewijzen hiervoor hebben we het raden – maar stelde wel dat fascisten universele waarden ontkennen. Inderdaad, we identificeren totalitaire regimes traditioneel als regimes die de universele waarden kwalificeren of ontkennen.

Die universele waarden zijn ten gronde uiteraard niet echt universeel; het zijn de grote waarden van de Verlichting, het fundamentele humanisme van de Liberale Vrijheden – de gelijkheidsgedachte, de scheiding tussen de private en de publieke sfeer, de vrijheid van meningsuiting, van politieke overtuiging en van religie, het primaat van de rede, het vrije onderzoek en het open debat, het respect voor de menselijke waardigheid en de tolerantie voor de politieke, culturele en sociale diversiteit als basis-ethos van de burger.

Europa beroept zich graag op deze waarden; het zijn die waarden die Europa tot een politiek en ideologisch paradijs maken, en het zijn die waarden die Europa graag exporteert naar andere minder paradijselijke gebieden. En ja, wie er de grondwet van een handvol Europese lidstaten op na slaat ziet die Liberale Vrijheden vaak opgelijst in de preambule of in de allereerste bepalingen. Ze zijn inderdaad het fundament van ons staatsbestel, en het zijn inderdaad dingen van immense waarde voor elk van ons. Weinigen onder ons zijn zich actief bewust van hun bestaan en belang, gewoon omdat ze zo evident zijn. Velen onder ons vinden ze dan ook niet per se een oorlog waard, of zelfs een ernstige reflectie. De Liberale Vrijheden zijn het behangpapier van onze samenlevingen geworden.

Dat is kennelijk ook het standpunt van Geert Wilders, want hij opperde in 2006 dat het eerste artikel uit de Nederlandse grondwet – het gelijkheidsbeginsel – best mocht geschrapt worden.14 Bovendien is hij van mening dat de islam geen godsdienst is maar een politieke ideologie die uit Nederland moet gebannen worden, want ze is volkomen in strijd met de waarden van het Westen en is er zelfs een duidelijke bedreiging voor. Islam is simpelweg een nieuwe vorm van fascisme of communisme.15 Democratie en islam: ze gaan niet samen, ook al zou elke Liberale democraat een ‘politieke’ Islam moeten gedogen precies omdàt het een politieke ideologie is – ze doen dat immers even goed met de christendemocratie.

Het open debat en het respect voor de politieke diversiteit, zoals we zegden: het zijn de precies fundamenten van de Westerse democratie die Wilders inroept die hem er toe zouden moeten dwingen met moslims in debat te gaan eerder dan er fatwa’s over uit te spreken. Het feit dat niemand deze aartsliberaal ooit heeft gewezen op deze catastrofale paradox in zijn eigen opstelling, en dat mensen zoals Bolkestein ze niet eens blijken op te merken, wijst uit hoe ver onze politiek is afgedwaald van de Grote Verhalen waaraan ze haar bestaan en haar structuur te danken heeft.

Liberalen vallen de grote Liberale Vrijheden aan in naam van diezelfde Vrijheden. En christendemocraten die alles te verliezen hebben bij het afwijzen van ‘politieke’ versies van religie geven hieraan gedoogsteun. Ziedaar het merkwaardige ideologische universum waarin we thans leven. Hume, Mill, Rousseau en Benjamin Franklin zouden zich bij het lezen van de esbattementen van hun Liberale zonen omkeren in hun graf; over Marx hoeven we het vooralsnog niet te hebben.

De Grote Verhalen zijn afgeschaft en ideologische rechtlijnigheid is niet langer een vereiste voor een florissant politiek leven. Paradoxen zoals deze zijn dan ook niet langer een obstakel voor politiek succes. Paradoxen en inconsistenties allerhande zijn zelfs helemaal geen bezwaar meer – politici zoals Wilders grossieren er in.

Op 14 december 2010 publiceerde Wilders een artikel in de Volkskrant, onder de titel “Palestijnse staat is er al lang: Jordanië”. In dat artikel legt Wilders uit dat er na de stichting van de staat Israël een ‘etnische zuivering’ plaats vond in de Arabische buurlanden. Joden werden verwijderd. Tezelfder tijd ontstond natuurlijk het Palestijnse ‘vluchtelingenprobleem’ – de aanhalingstekens worden straks door Wilders zelf toegelicht. En hiervoor ziet Wilders een simpele oplossing. Jordanië heeft zichzelf tot voor kort altijd als een ‘Palestijnse’ staat gezien; welnu, de paar miljoen Palestijnse ‘vluchtelingen’ kunnen best overgebracht worden naar Jordanië, want dat is tenslotte hun lang verwachte Palestijnse staat. Wilders lijkt er geen problemen mee te hebben dat hij in zijn reactie tegen de Arabische ‘etnische zuivering’ een nog grotere ‘etnische zuivering’ voorstelt:

“Jordanië heeft 6,4 miljoen inwoners, onder wie reeds 2 miljoen Palestijnse vluchtelingen. 2,7 miljoen vluchtelingen bijkomend toelaten, zal voor problemen zorgen, maar het is niet onmogelijk. Dit vereist echter dat Jordanië zich openstelt voor alle Palestijnse vluchtelingen.”

Zo, dit “zal voor problemen zorgen”. Een etnische zuivering heeft inderdaad vervelende neveneffecten. De volkomen scheve argumentatie stelt het conflict in het Midden-Oosten voor als uitsluitend het gevolg van islamitsch antisemitisme – waardoor het ‘ideologisch’ is. Dat ideologische karakter van het conflict heeft tot gevolg dat ‘territoriale toegevingen’ gevaarlijk zijn voor Israël (waarom wordt niet uitgelegd). De oplossing dient zich aan: laat de moslims terugkeren naar hun ‘land van herkomst’ en laat de Joden leven in het land dat hun naam draagt: Judea. Dat land van herkomst heeft het trouwens zelf gezocht, het noemde zich tot voor kort immers de ‘Palestijnse staat’.

En tenslotte zijn die Palestijnen geen echte ‘vluchtelingen’. Immers:
“De VN beweren dat er 4,7 miljoen Palestijnse vluchtelingen zijn. Volgens de internationale definitie wordt de status van een vluchteling slechts toegepast op de eerste generatie vluchtelingen. De VN maken echter een uitzondering voor één groep: de Palestijnen. Nakomelingen van Palestijnse vluchtelingen krijgen dezelfde status als hun voorouders. Daarom steeg het aantal zogenaamde Palestijnse vluchtelingen van 710.000 in 1950 naar meer dan 4,7 miljoen in 2010. De VN gebruikt deze vluchtelingen als demografisch wapen tegen Israël.”

Zo. De kinderen van vluchtelingen zijn dus geen vluchtelingen meer. Volgens dezelfde logica zijn de kinderen van allochtonen in Nederland natuurlijk geen allochtonen meer en beginnen de demografische cijfers over allochtonen er wel anders uit te zien – alweer een inconsistentie die Wilders lijkt te ontgaan. En de bottom line is: laat de VN ophouden Israël te chanteren en organiseer gewoon één van de grootste etnische zuiveringen uit de geschiedenis.

Daarmee is alles opgelost en kan Wilders als geopolitiek genie de Nobelprijs voor de Vrede krijgen. Inmiddels is het artikel wel een argumentatieve draak waarin de ene non sequitur de andere opvolgt en waarin zelfs de pogingen tot schijnargumentatie het niveau van een schoolopstel niet overstijgen. Het is een cut-and-paste van allerhande kleine puntjes: Wilders blogt en Twittert er op los, en de problemen die dat schept worden helder wanneer hij een iets langer stuk moet ophoesten.16

Het feit dat ik Rob Riemen steun in zijn omschrijving van Wilders als fascist begint misschien wat begrijpelijker te worden. Ik weiger uitspraken zoals deze te beschouwen als domheid, want ik geloof dat Wilders een behoorlijk intelligent mens is. Ik beschouw dit dan ook als iets wat zo uit de keuken van elke totalitaire staat kan komen, en als de term fascisme dit duidelijk samenvat dan teken ik ervoor. Wie pleit voor de ongelijkheid van de mensen, voor het verbieden van een levensovertuiging – of men ze religieus of politiek noemt maakt weinig uit – en voor een etnische zuivering van enkele miljoenen mensen verdraagt slechts een beperkte reeks namen; fascist is er één van.

‘Democraat’, sorry, maar daarvan denk ik niet dat het op Wilders van toepassing is. Het feit dat hij verkozen is in open en vrije verkiezingen is niet echt overtuigend – Hitler, Mussolini, Mobutu en zelfs Stalin konden, zoals we weten, het zelfde argument inroepen. Het feit dat hij zijn verkozen macht gebruikt om fascistische voorstellen te doen is overtuigender. Democratie is immers een Groot Verhaal, geen reeks van technische procedures, en er is meer nodig dan democratisch verkozen te zijn om democraat te zijn.

Iemand die dit bijzonder duidelijk heeft gemaakt is Karl Popper in zijn The Open Society and its Enemies. Het boek verscheen in 1945 en trok lessen uit de Tweede Wereldoorlog, het fascisme en het stalinisme. Het was een krachtig pleidooi voor de liberale democratie – de open samenleving – als een ideologie, een Groot Verhaal waarvan de Liberale Vrijheden de verhaalstof zijn.

De vijanden ervan waren die politieke krachten die de openheid van de liberale democratie wilden terugschroeven door de gelijkheidsgedachte te ontkennen, een teleologische noodwendigheid in de menselijke geschiedenis te poneren, de vrije circulatie van gedachten en overtuigingen te beperken en de menselijke waardigheid aan één of ander hoger doel op te offeren. Poppers werk werd weliswaar een codex voor de Koude Oorlog, maar het is en blijft een werk dat democratie omschrijft als iets wat ver voorbij de procedures en reglementen van onze gewoonte-democratie gaat en permanente zorg, kritiek en toewijding vereist. Ik neem zijn oproep graag ter harte.

Ik ben de enige niet. Paul Scheffer, auteur van Het Multiculturele Drama (2000) en het Land van Aankomst (2007), verdedigde onlangs zijn doctoraat aan de Universiteit van Tilburg. Ik was lid van zijn jury. Het proefschrift zelf was een vertaalde nieuwe editie van Het Land van Aankomst, maar Scheffer ging in de antwoorden op de examenvragen veel verder dan wat hij in dat boek stelt. Pro memorie: de boeken van Scheffer hadden een buitengewone impact op het publieke debat over migratie en allochtonen in Nederland.

Scheffer had het over de noodzaak van allochtonen om zich aan te passen aan hun ‘land van herkomst’, en ook hij nam geregeld de moslims in het vizier wanneer hij slechte voorbeelden nodig had. Bovendien hakte hij in op de (linkse? Intellectuele?) elite die de kop in het zand stak en zich verloor in een sacraal gejubel over de zegeningen van de multiculturele samenleving. Voor hem moest men de ‘échte problemen’ nu maar eens erkennen en ‘de zaken zeggen zoals ze zijn’. Fortuyn nam die uitnodiging graag aan.

Het proefschrift was getiteld – let goed op – The Open Society and its Immigrants. Scheffer kent zijn klassiekers. Toen hem werd gevraagd of deze echo van Popper niet suggereerde dat de migranten de huidige enemies van de Open Society zijn, beklemtoonde hij precies het tegendeel. Migranten zijn nu net de uitdaging voor de open samenleving om écht open te zijn, om opener te worden en te vechten tegen de interne reflexen die openheid proberen te beperken. Diversiteit is in die zin steeds een uitdaging om democratischer te worden.

Scheffer beriep zich uitvoerig op het historische voorbeeld van de VS. Toen deze in oorsprong Protestantse staat in de 19de eeuw werd geconfronteerd met de massale immigratie van orthodoxe Katholieken uit Ierland, Italië en Polen was de eerste reactie afwijzend. Katholieken waren theocraten en ze zouden eerst loyaal zijn aan Rome en dan pas aan Washington; hun waarden stonden haaks op die van de open en democratische Amerikaanse samenleving; ze hadden nooit een Verlichting gekend en ze klitten aan elkaar in etnische getto’s. Waar hebben we dat nog gehoord, nietwaar.

Welnu, die fase van afwijzing is in de VS gevolgd door een fase van aanpassing, vanwege de Katholieken (die snel uitmuntende Amerikanen bleken te zijn) zowel als vanwege de Amerikaanse staat, die er van uitging dat geloofsvrijheid – de hoeksteen van de Amerikaanse geschiedenis – even goed voor Katholieken moest gelden, en dat de VS slechts een echte democratie zou zijn indien het alle mogelijke overtuigingen op gelijke wijze zou eerbiedigen. Een goeie halve eeuw later werd John F. Kennedy de eerste Katholieke president van de VS.

Er is op dit voorbeeld van alles aan te merken en af te dingen, maar het hoofdpunt blijft steeds overeind: diversiteit schept een nood aan verdiepte en verbeterde democratie, en voor een democraat kan enkel een verbetering van de democratie een antwoord zijn op de moeilijkheden die diversiteit stelt. Het terugschroeven ervan, het exclusiever of voorwaardelijk maken ervan: dat zijn geen opties, want ze betekenen het einde van onze open samenleving.

Wie zijn dan de hedendaagse enemies van Poppers Open Society? Wel, het zijn mensen zoals Wilders. Zij zijn het die ons doen geloven dat enkel minder democratie en meer exclusiviteit in het toekennen van rechten onze marsrichting uitmaken. Krijgen wij daarvoor argumenten? Neen: we krijgen tweets en blogs die ons op het eerste zicht en zonder enige reflectie moeten overtuigen, want Wilders is toch zo eerlijk.

Het is een bekend motief bij Wilders en andere islam-bashers: de islam heeft nooit een Verlichting doorgemaakt. Welnu, als reactie daartegen vragen die mensen ons om onze eigen erfenis van de Verlichting op te geven, onze open samenleving dicht te timmeren, ons verstand op nul te zetten en ons te wentelen in angst en haat. Waarom? Omdat zij die ons dit voorstellen toch zo eerlijk zijn.

De populistische opdracht

In 2008 publiceerde David Van Reybroek bij Querido een fel bejubeld boekje, Pleidooi voor Meer Populisme. Daarin legde hij uit dat populisme geen probleem voor de democratie was, meer eerder een oplossing. Toch was er een voorwaarde:

“De angst voor het populisme is ongegrond als het zich aan de principes van de democratie houdt. Dat betekent: onvoorwaardelijk respect voor het gelijkheidsbeginsel, de mensenrechten, de scheiding der machten en de rechtsstaat. In een democratie regeert de meerderheid, maar om te vermijden dat die meerderheid op democratische wijze voor een dictatuur of genocide zou stemmen, bestaan er enkele onvervreemdbare grondrechten. Populisten moeten zich daarnaar schikken.”17

Populisme mag met andere woorden niet in gaan tegen de open samenleving en haar waarden en vrijheden. Prima, daarmee heb ik geen enkel probleem. Van Reybroek bleef echter wel vaag wanneer het erop aan kwam populisme precies te identificeren. Is het gewoon een stijlkenmerk van communicatie, waarin men ‘de stem van de laag opgeleide’ hoort? Of is het (zoals ikzelf beweer) een inhoudelijk gegeven waarvan een bepaalde stijl slechts een drager is?

Er is niks mis met het eerste. Er is zelfs een oude en zeer respectabele benaming voor: vulgarisatie, de doelgerichte poging om via bepaalde genres complexe argumenten toegankelijk te maken voor een ruim en niet-gespecialiseerd publiek. Aucun problème. Vulgarisatie is de transformator die wetenschap tot cultuur maakt, die ervoor zorgt dat gedachten en inzichten die uit een extreem gespecialiseerd milieu komen gedemocratiseerd worden en zo gemeengoed worden, elementen van het denkproces van velen.

Om die redenen ben ik al heel mijn loopbaan een enthousiast vulgarisator.
Dat is voor mij nog iets heel anders dan een populist. Populisme is meer dan een stijlkenmerk, het is een spreekregime waarin je via bepaalde stijlkenmerken welbepaalde types boodschappen produceert. De vorm van populisme staat niet los van de inhoud, maar bepaalt de inhoud, beide elementen zijn niet te scheiden.

We hebben dit boven al gezien: in een populistische politiek weigert men te argumenteren, en men kan deze weigering hard maken door zich te schikken aan de orde van de bestaande formats voor publiek spreken. In een televisiedebat waarin de vraagsteller meer tijd krijgt dan degene die de vragen moet beantwoorden (een zeer wijd verspreid fenomeen), en de ondervraagde om de twaalf seconden wordt onderbroken door de ondervrager (nog wijder verspreid) – in zo’n debat heeft de ondervraagde het gemakkelijk, want hij of zij zal op geen enkel moment gedwongen worden om een uitgebreide en genuanceerde argumentatie op te zetten. Doet de ondervraagde dat wel, dan wordt hij of zij prompt onderbroken door de ondervrager. In de wereld van de politieke communicatie en van de media heeft men dit tot wet verheven; die wet is het het format, en wanneer die wet niet gevolgd wordt ontstaan er conflicten.

Op 5 december 2010 werd premier Yves Leterme in het VRT-praatprogramma De Zevende Dag op de rooster gelegd over het Belgische asielbeleid. Dat beleid was in een diepe crisis want duizenden asielzoekers hadden geen dak boven hun hoofd in de scherpe vrieskou. De interviewer Ivan de Vadder stelt zijn openingsvraag, en Leterme begint aan een uiteenzetting waarin eerst de wortels van de crisis worden geschetst, waarna hij een overzicht geeft van de verschillende stappen en maatregelen van zijn regering. Het was een uitermate heldere, informatieve en coherente uiteenzetting.

Na twintig seconden begint De Vadder echter zenuwachtig te worden; Leterme gaat onverstoorbaar voort; na 70 seconden is het echt genoeg voor De Vadder, en hij begint langsheen de uiteenzetting van Leterme een vraag te stellen: “U hebt dus genoeg gedaan voor het asielbeleid. Hoe gaat U dat uitleggen aan de mensen die op straat moeten slapen?” Leterme gaat gewoon voort, en De Vadder ontploft: “Premier, ik probeer gewoon een vraag te stellen!” Leterme blijft onverstoord praten.

De Vadder staat recht en snauwt (terwijl Leterme voort praat) “zal ik even verdwijnen? Dan kan U rustig verder doen.” Hij wijst naar de camera: “Daar is de camera!”, gevolgd door “Dit is geen regeringsmededeling”. Leterme gaat stoïcijns voort met zijn zeer informatieve uiteenzetting – eigenlijk een perfect inhoudelijk antwoord op de vraag naar wat zijn regering aan het asielprobleem deed; De Vadder dremmelt wat onbeholpen rond, zet zich dan terug neer, en sluit het interview botweg af van zodra Leterme zijn uiteenzetting afrondt.18

Hier zijn nu twee dingen aan de orde. Eén: inhoud. Het antwoord van de premier was buitengewoon helder en coherent, zoals ik zei, en voor wie echt belangstelling heeft voor politiek in het algemeen en asielbeleid in het bijzonder was dit om duimen en vingers af te likken. Een parel van politieke informering. Twee: stijl. We zien dat De Vadder te allen prijze zijn format wil beheersen, en blijkbaar geen bal geeft om de uiteenzetting van de premier. De premier was bezig, zoals gezegd, aan een zeer coherent verhaal.

De Vadder onderbreekt hem op een willekeurig punt, want we zitten inhoudelijk ergens in het tweede kwart van de uiteenzetting. Dit punt is louter ingegeven door tijd: voor De Vadder heeft Leterme al véél te lang gesproken, 70 seconden om precies te zijn, en dus moet hij zijn mond houden want er moét een nieuwe vraag komen. En wat is die vraag? “Hoe gaat U dat uitleggen aan de mensen die op straat moeten slapen?” De Vadder verschuift het platform van het gesprek, de zogeheten footing, van informatie naar emotie, van politiek naar human interest. En hij is danig gekrenkt wanneer blijkt dat Leterme die verschuiving niet mee wenst te maken.

De journalist is manifest niet meer geïnteresseerd in wat de premier te zeggen heeft – de inhoud van Letermes verhaal is volkomen bijzaak voor De Vadder en het is zeer de vraag of hij er naar luistert, bekijk rustig de beelden. De Vadder is over zijn toeren omdat zijn format door de premier aan diggelen wordt gelopen. En om nu even terug te keren naar inhoud: indien Leterme na 70 seconden de vraag van De Vadder had aangenomen, dan zouden we niet enkel niets van wat volgt hebben gehoord, maar meer nog, ook datgene wat we tot dan toe hoorden zou geen enkele betekenis meer hebben, want het was enkel de aanloop naar de rest van de uiteenzetting.

Zo zien we hoe een mediaformat dat naar eigen zeggen ‘informerend’ is ten gronde lak heeft aan informatie. Het is een spel – één van de spelletjes, allicht, waar Bracke het eerder al over had – en dat spel moet gespeeld worden volgens de regels. En in die regels is informatie blijkbaar het eerste wat mag worden opgegeven.

Het is dan ook een kapitale vergissing populisme enkel maar te zien als een stijlcomplex waarin ‘de gewone man’ aan bod komt. Wie dit doet, doet die ‘gewone man’ zeer grote oneer aan, want de ‘gewone man’ wordt informatie ontzegd. Populisme weigert ‘de mensen’ te informeren, het kiest ervoor ze te entertainen – de diversion van Bourdieu. En populisten doen dat net omdat ze ‘de mensen’ belangrijk vinden en ‘hun oor bij hen te luisteren leggen’.

Welnu, wat in wezen gebeurt is de infantilisering van de ‘gewone man’. Hou ‘m vooral ongeïnformeerd en onwetend, en beroep je dan op die onwetendheid om jezelf tot echte democraat uit te roepen. Laat hem er lustig op los bloggen en Twitteren, en blog en Twitter hem naarstig terug: het ontslaat je allemaal van de plicht hem te informeren en met argumenten te overtuigen. Zo win je vandaag verkiezingen, en kan je daardoor jezelf morgen tot ‘democraat in hart en nieren’ verklaren.

We worden doorheen dit alles bestookt met politieke voorstellen en plannen die een prima facie suggestie van geloofwaardigheid hebben, maar die ten gronde door geen enkel ernstig argument worden gedragen – denk aan de visie van Wilders op het Palestijnse vraagstuk. Wanneer deze Tweeter een langere redenering in mekaar moet boksen blijkt alles op een lamentabele manier te rammelen. Maar kijk ook eens hoe de huidige koploper in de Belgische politiek Bart De Wever één van zijn hoofdstellingen uitlegt:

“In België staan twee totaal autonome democratieën tegenover elkaar, met andere culturele en economische agenda’s: in meerderheid linkse verzuchtingen in Wallonië staan tegenover in meerderheid rechtse verzuchtingen in Vlaanderen. Activering van vijftigplussers noemen de Franstaligen ‘een klopjacht op werklozen’ – Frank Vandenbroucke weet dat al te goed. Dus kunnen politici in hun eigen democratie nooit leveren wat van ze gevraagd wordt. En dat zal nog dramatischer worden nu de bodem onder de schatkist uitvalt. Als ik ook eens een axioma mag lanceren: ik zie niet in hoe je het daarmee oneens kunt zijn. Of vind jij België nog een democratie?”19

Valse uitgangspunten (‘twee autonome democratieën’), het verheffen van een historische toevalligheid tot een historische wetmatigheid (de vorige verkiezingen gaven een rechtse overwinning in Wallonië), het particulariseren van algemene standpunten (de ‘klopjacht op werklozen’ is ook in Vlaanderen een thema), en dan een conclusie die uit de valse uitgangspunten volgt (‘is België nog een democratie?’); kortom, we krijgen hier alweer de suggestie van een redelijke argumentatie, die ten gronde kant noch wal raakt – al kan ze wel vlot en met aplomb in zestien seconden worden uitgedrukt.

Het feit dat we aan dergelijke kromspraak gewend geworden zijn, dat we van politici enkel nog eerlijke krachtige uitspraken verwachten en wantrouwen koesteren tegenover alles wat iets langer en ingewikkelder klinkt, dat we hen ontslaan van de plicht hun standpunten tegenover ons met ernstige en steekhoudende argumenten te motiveren – en dat we dit alles dan nog onder de noemer van democratie laten varen: dat is de crisis van onze democratie. Het is de onderstroom waarop mensen zoals Wilders groot worden; het is ook de onderstroom die ervoor zorgt dat we aarzelen om hun standpunten als fascistisch te bestempelen; het is die onderstroom die onze democratie stap voor stap uitholt, comateus maakt, een karikatuur van zichzelf.

Frits Bolkestein sluit zijn tirade tegen Rob Riemen af met de volgende bedenking: “Wie Wilders wil bestrijden, moet dat doen op basis van feiten en argumenten en moet niet met verdachtmakingen komen.” Juist ja, met feiten en argumenten. Hij geeft die zelf niet, maar goed, het is dan maar aan ons om dit te doen. Het is aan ons om Wilders en Co te dwingen tot argumentatie. Die argumentatie mag wat mij betreft best ‘volks’ klinken – hoe meer mensen ze begrijpen, hoe beter, want dat betekent dat meer mensen er kritiek op kunnen formuleren.

Maar het moet een echte argumentatie zijn, geen geësthetiseerde schijn-argumentatie die goed klinkt, ons aan het lachen brengt (‘verdomd goed gezegd Geert!’) en ons kritisch bewustzijn in slaap sust, net zoals bij elke andere vorm van vermaak. Wanneer we hem vrijgeleide geven voor een argumentenloze politiek, dan moeten we aanvaarden dat onze open samenleving gesloten is en dat we in een heel andere politieke omgeving leven. Dat is het gevaar waarop Riemen wijst, en om Bart De Wever te citeren, “ik zie niet in hoe je het daarmee oneens kunt zijn”.

Jan Blommaert is Hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan de Universiteit van Tilburg, en Directeur van Babylon, Center for the Study of the Multicultural Society aan dezelfde universiteit.

Noten:

1 Zie http://nos.nl/artikel/81111-anne-frank-stichting-wilders-extreemrechts.html
2 Frits Bolkestein, “Rob Riemen, schaamt U zich voor zoveel onzin” Volkskrant 13 november 2010.
3 De reactie van Boekestein (niet Bolkestein) is te zien op http://nieuwsuur.nl/video/195658-filosoof-noemt-wilders-fascist.html
4 Max Horkheimer & Theodor Adorno, Dialectiek van de Verlichting (uitgave SUN, 1987); Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism (uitg. Harcourt 1968); Roland Barthes, Mythologies (Seuil 1957); Herbert Marcuse, One-Dimensional Man (uitg. Routledge 2002); Raymond Williams, Television (uitg. Routledge 2003); Pierre Bourdieu, Over Televisie (uitg. Boom 1998).
5 Zie Deborah Cameron, Verbal Hygiene. Routledge 1995.
6 Steve Stevaert, Wat Goed Is Voor de Mensen. Intentieverklaring van Steve Stevaert. Brussel: SP.A, 2003. Voor een bespreking, zie Jan Blommaert
, “Populisme als spreekregime”, in Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof & Dieter Lesage, Populisme. EPO 2004.
7 Zie Siegfried Bracke, “Over pietluttigheden”, 4 december 2008.
8 Op deze regel is één uitzondering: hun eigen standpunt mag afwijken van dat van ‘de gewone man’. Zo zijn de standpunten van Bracke inzake de Belgische staatshervorming de standpunten van een minderheid in de ‘publieke opinie’.
9 Siegfried Bracke, “Ochtendnieuws”, 6 december 2010.
10 http://www.nu.nl/algemeen/2113180/wilders-ziedend-etiket-extreem-rechts….
11 Wie hierover details en bewijzen wil, zie http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2010/06/20/het-dna-van-een-politie…. In dit artikel analyseer ik een ‘debatprogramma’ op de Vlaamse televisie in de aanloop naar de verkiezingen van 2010.
12 Bracke, “Inhoud en vorm”, 14 mei 2007. http://www.siegfriedbracke.be/index.php/
13 In het eerder vermelde artikel ‘Populisme als spreekregime’ betoog ik dat zij die beweren te spreken zoals ‘de mensen’ nu net, paradoxaal, de absolute top uitmaken van de communictie-hiërarchie in onze samenleving. Populisten zijn zonder uitzondering hoogopgeleide elite-figuren. Intellectuelen dus, al schieten ze met liefde en overgave op intellectuelen. Zie ook jan Blommaert, De Crisis van de Democratie, EPO 2007.
14 Zie http://headlines.nos.nl/forum.php/list_messages/2085
15 Er zijn op het Internet nogal wat bewijzen hiervoor te vinden. Zie bijvoorbeeld http://www.youtube.com/watch?v=JMipzYNUHb8
16 Wilders publiceerde dit stuk net op het ogenblik dat de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal aan een rondreis doorheen het Midden-Oosten begon. De geneugten van de gedoogsteun beginnen allicht stilaan door te dringen bij de leden van het Kabinet-Rutte.
17 http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/395049/2008…. Het boekje van Van Reybroek was een reactie op het eerder vermelde Populisme (EPO 2004). De volgende paragrafen baseren zich op mijn artikel ‘Populisme als spreekregime’ in dat boek.
18 Het hele incident is te zien op: http://www.youtube.com/watch?v=y4hwS8zMAZI
19 In een wat kromme redeneringen betreft zeer rijk bedeeld dubbel-interview met Frank Vandenbroucke in Humo: http://www.humo.be/tws/deze-week/20258/humo-sprak-met-bart-de-wever-en-f…

December 29, 2010 at 3:36 pm 1 comment

DRIE CODES OM BRUSSEL TE BEGRIJPEN

door Lucas Catherine

Vlaamse politici begrijpen niets van Brussel. Het is een Brusselaar die het u zegt. Daarom dat Brussel zo’n struikelblok is in de Belgische politiek. Die politici zouden beter, in plaats van eindeloos in kabinetten of in restaurants te vergaderen, eens door Brussel lopen en een paar monumenten bekijken. Ze zouden er veel van kunnen opsteken bij hun onderhandelingen. Maar ja, Vlaamse politici kennen alleen het parlement, hun partijhoofdkwartier en de restaurants er rond. Ik wil ze even helpen. Aan de hand van enkele plekken die het ‘probleem Brussel’ duidelijk maken.

De ’t Serclaes-code

Primo, Brussel is ingewikkeld, maar je moet daar geen rekening mee houden. Stel een eenvoudige oplossing voor, en ze zal werken. Het monument dat deze stelling duidelijk maakt is dit van Everhard ’t Serclaes op de Grote Markt. Brussel was in 1536 in handen gevallen van de Graaf van Vlaanderen en ’t Serclaes bevrijdde de stad van dit ‘Vlaamse juk’ door over de wallen te klauteren en de gilden te mobiliseren. Zo werd Brussel niet Vlaams, maar weer Brabants, en dus Duits want wij behoorden tot het Duitse Rijk.
Toen het FDF als ultra-frankofone partij sterk werd in Brussel probeerde ze eerst Manneke-Pis te verfransen tot Le Petit Julien, maar dat lukte niet, daar liep zelfs geen enkele Japanse toerist in. En daarna wilden ze ’t Serclaes uitroepen tot nationale held, want die had de Vlamingen de stad uitgedreven. Tot hun frank viel dat die Vlamingen toen vazallen van de Fransen waren, en ’t Serclaes er eigenlijk voor gezorgd heeft dat zo de verfransing van Brussel met een paar eeuwen werd uitgesteld. Toen gingen ze op zoek naar een andere Brusselse held en die hebben zij nog altijd niet gevonden.
Kan u eigenlijk nog volgen met de Vlamingen die toen Fransen waren en de Brusselaars Dietsers en Duitsers? Moeilijk. Dat was ook het probleem voor de Brusselse gidsen toen met Expo 58 het massatoerisme in Brussel op gang kwam. Leg dat maar eens uit aan een Amerikaan of een Japanner. Om de grote Franse filosoof Sempé te citeren: « Rien n’est simple, tout se complique ». En zij hebben daar het volgende op gevonden. Een van de gidsen herinnerde zich dat tijdens de tweede wereldoorlog leden van het verzet afspraken aan ’t Serclaes en als herkenningsteken over de arm van het koperen beeld wreven. En dus vertelde hij die toeristen: wrijf maar eens over zijn arm dat brengt geluk. Met succes want er kwam zelfs een gat in die arm. Die hebben ze ondertussen wel hersteld.
Conclusie voor onze politici: als het te ingewikkeld wordt, zwijg erover en verzin iets eenvoudigs. Succes verzekerd.

De Anneessens-code

Tweede monument met een les. Dat van Frans Anneessens op het Anneessensplein. Anneessens werd in 1719 op de Grote Markt onthoofd als leider van de opstand tegen de Oostenrijkers. Het plein was voorheen de locatie van de Oude Markt, vandaar dat sommige oude Brusselaars het nog altijd de A â Met noemen. Toen Leopold II zijn centrale lanen aanlegde om Brussel om te toveren van hoofdstad van het Pajottenland tot Petit Paris en Klein Londen, wou hij daar een plein met een nationale held. Alle voddenverkopers moesten verhuizen naar het Vossenplein, dat de nieuwe A Met werd. De beeldhouwer Vinçotte kreeg de opdracht een levensgroot beeld van Anneessens te maken om het plein te versieren. En Vinçotte had daarmee een groot probleem.
In de archieven had hij tekeningen en etsen van Anneessens gevonden: een kleine, gedrongen man met een lichte bochel en een zware bierbuik. Niet echt de fysiek van wat van een nationale held werd verwacht. Op een dag liep Vinçotte mediterend over zijn probleem over het plein in aanleg en zag daar de laatste voddenraper of kasjoebereir zoals we in Brussel zeggen. Een man die weigerde te verhuizen naar de Marollen, een dwarsligger, rijzig en slank van figuur met een franke kop. Een ideale nationale held. En Vinçotte heeft hem als model gebruikt voor zijn standbeeld, niet de echte Anneessens. De enige kasjoebereir met een eigen monument, al is het onder valse naam.
Conclusie voor onze politici die zich over Brussel buigen: niets is wat het is in Brussel, en je moet daar niet van wakker liggen. Niemand die nu nog wakker ligt van het Grote Probleem dat Vinçotte had met Anneessens.

De Begijnhof-code

Derde plek waar je inzicht in Brussel kan krijgen: de Begijnhofkerk. De mooiste barok kerk van de Nederlanden schrijven de kunsthistorici. Dat geldt nog altijd voor de gevel – waar ik trouwens vanuit mijn appartement op uitkijk – , maar ze is uitgebrand. Van binnen niks meer. Daarom ook dat ze al vaak dienst heeft gedaan als logement voor asielzoekers. Maar toch. Ik was eens op stap met Brugse leraars, op zoek naar alle plekken in Brussel die met de kolonisatie van Kongo hebben te maken gehad. En ze werden zot van Brussel. Ze wilden nog meer zien, ook zaken die niets met onze voormalige kolonie te maken hadden.
Lui als ik ben, dacht ik gewoon aan de kerk naast mijn deur. Dus wij de mooiste barok kerk van de Nederlanden binnen en ik had ze gewaarschuwd, alleen de grafstenen zijn daar de moeite. In mijn achterhoofd dacht ik, interessant, want veel grafstenen in Brugse kerken zijn in het Frans, want Brugge was vroeger…. u weet dat nu. En hier zijn alle grafstenen van die zeventiende eeuwse begijnen en opperbegijnen in het Nederlands. Maar ik kreeg niet de reactie die ik verwachtte. Plots zegt een lerares: ‘Kik ne kee, een dt-fout.’ En inderdaad een prachtige dt-fout op de grafsteen van een opperbegijn. Nu weet ik waarom de zeventiende eeuw de Gouden Eeuw wordt genoemd. In het Brusselse diets van toen mochten dt-fouten.
Conclusie voor onze politici: als Brusselaars u een tekst voorleggen, ook al is hij in steen gebeiteld, weet dat wij onze eigen manier van schrijven hebben, en ons niet houden aan uw regels, maar aan de onze.

Als er nog problemen zijn, graag tot uw dienst, met in de aanbieding nog een paar monumenten en hun code.

September 23, 2010 at 2:01 pm Leave a comment

Afscheid van Herman J. Claeys

De dichter en activist Herman Claeys is overleden aan een hartstilstand maar feitelijk aan een hersentumor. In de jaren 60 en 70 was hij een notoir lid van de alternatieve Brusselse scene, die hij voor een niet onbelangrijk deel zelf in gang had gezet. Goed een week geleden werd Herman nog gevierd in zijn eigenste hoofdkwartier café De Dolle Mol. Hieronder twee verslagen annex biografische gegevens.

Jan-Pieter Everaerts schrijft:

Vrijdag 18 december  werd in café de Dolle Mol te Brussel afscheid genomen van Herman J. Claeys die terminaal ziek maar toch aanwezig was. De directe aanleiding voor de hulde en het afscheid was het verschijnen van een monografie over hem, uitgegeven door de Vereniging van Westvlaamse Schrijvers.

Dat de activiteit doorging in de Dolle Mol is geen toeval: het café dat vandaag wordt uitgebaat door Jan Bucquoy en Arne Ballière, werd in 1972 door Herman J. Claeys opgericht als uitvloeisel van de oprichting van de Free Press Bookshop enkele jaren eerder (1969) in een aanpalend pand. De Dolle Mol was toen de ontmoetingsplaats van literatoren, gesjeesde en erkende schrijvers, toog- en echte revolutionairen en kunstenmakers allerhande. Dat ook de rijkswacht er regelmatig – geüniformeerd of anoniem – op bezoek kwam, hoeft niemand te verbazen: de verhoudingen in onze samenleving lagen toen nog heel anders. 

Dat bleek bijvoorbeeld toen Herman J. Claeys tot een effectieve gevangenisstraf werd veroordeeld wegens de verspreiding van Vrij Nederland waarin een blote man was afgedrukt. Of toen jongeren werden gearresteerd omdat ze het door Herman verspreidde ‘Rode Boekje van de Scholier’ colporteerden. Vanuit de Dolle Mol vertrok Herman ook met zijn Free Press Bus waarmee hij festivals bezocht.

Het zijn enkele facetten die Herman’s werk en leven domineren: literatuur en engagement en bij voorkeur in combinatie. Het is ook de manier waarop ikzelf Herman heb leren kennen: schilderend aan zijn muurgedichten in de krachtcentrale van het Zuiderspershuis tijdens Blackbox in 1991 en gedichten schilderend op de kademuur te Antwerpen in 1992.

Actief sinds de jaren zestig dus, als uitgever, publicist, activist, provo, auteur van romans (Het geluid, Manteau 1968; Steen Manteau 1970; Bevrijding 1995), verhalen, poëzie, essays, songteksten en toneel. Hij hield zich ook bezig met woord-beeldinstallaties, poëtisch-muzikale acts, projecten met doorlopende muurpoëzie en tentoonstellingen van visuele poëzie. Overigens werkte hij ook jarenlang mee aan de Wolters woordenboeken en is hij samensteller van het Vlaams Dialectenwoordenboek en vertaler van gedichten en novellen uit het Zweeds.

Hij engageerde zich zeer concreet voor het behoud van het dorp Doel, lag mee aan de basis van de samenwerking met Ruigoord (waar hij overigens een graag geziene gast was), was regelmatig aanwezig bij de Bomspotting in Kleine Brogel, de acties aan de hoodzetel van de NATO te Evere en andere acties waarbij hij met plezier zijn ‘gewapender taal’ hanteerde om de standpunten en de sfeer kracht bij te zetten.

DE GROENE BELG  mediadoc.diva@skynet.be

===

HET MINISTERIE VAN AGITATIE SCHRIJFT:

http://ministerievanagitatie.wordpress.com/2009/12/20/afscheid-van-herman-j-claeys-%E2%80%A2-een-audioverslag/

Afscheid in schoonheid

Vrijdag 18 december stroomde Café de Dolle Mol in Brussel vol met langharige werkschuw tuig op leeftijd, anarchisten, schrijvers, drinkebroers en vrienden/kameraden van Herman J. Claeys. Deze schrijver/dichter/activist is namelijk terminaal ziek en derhalve vond men bij het Masereelfonds Brussel en de Vereniging van Westvlaamse Schrijvers de tijd rijp voor een hulde, evocatie en afscheid van Herman die zelf aanwezig kon zijn.

Korte biografie:

1969: Herman J. Claeys begint in de Spoormakersstraat te Brussel met ‘Free Press’, een ontmoetingsplaats  voor het literaire, artistieke en revolutionaire zootje ongeregeld dat het Brussel van de jaren zestig in zijn schoot koesterde. Het handeltje barst uit zijn voegen en algauw wordt er om het hoekje, de Kaasmarkt, een keldercafé geopend. Een café, wel gekend in alternatieve middens en bij de rijkswacht, die regelmatig een groepsbezoek bracht aan het etablissement, en er daarbij niet voor terugschrok de medebezoekers een geleide reis naar de kazernes op te dringen.

In 1972 werd er een pand in de Spoormakersstraat 52 gehuurd, waar café werd gehouden, een boekhandel uitgebaat en waar allerlei comités en bewegingen konden vergaderen, al dan niet in hun doen en laten gevolgd door anonieme bewonderaars, die gretig verslag uitbrachten aan hun oversten over de snode plannen van al die vergaderaars.

Vanuit Dolle Mol vertrok een Free Press Bus waarmee Herman J. Claeys allerlei festivals onveilig maakte, en zowel undergroundstrips als alternatieve publicaties en stencils te koop aan bood.

Zeker tot 1985 was Dolle Mol een ontmoetingsplaats, een literair centrum, een kweekvijver van muzikaal talent, een aparte plek in een overigens eerder conformistisch Brussel.

Met als man achter en voor de schermen Herman J. Claeys.

Herman kwam in 1935 in Brugge op de wereld. Hij was enige tijd leraar. In de jaren zestig was hij, zoals hierboven beschreven, nauw betrokken bij de Provo-beweging en enkele kritische jongerentijdschriften. In dezelfde periode manifesteerde hij zich ook als een geëngageerd criticus, onder andere met de bundel Wat is links? Hij is auteur van romans, verhalen, poëzie, essays, songteksten en toneel, en hield zich bezig met woord-beeldinstallaties, poëtisch-muzikale acts, projecten met doorlopende muurpoëzie en tentoonstellingen van visuele poëzie. Overigens werkte hij ook jarenlang mee aan de Wolters woordenboeken en is hij samensteller van het Vlaams Dialectenwoordenboek. Het werk van Herman J. Claeys drijft heel vaak op het conflict tussen het individu en een (over)geïnstitutionaliseerde maatschappij, dat op een sterk allegorische en symbolische wijze wordt geëvoceerd.

Nog geen 75 jaren na zijn geboorte, lijkt er een einde te komen aan Hermans drukke leven. Herman lijdt aan een terminale ziekte, wordt palliatief verzorgd, maar is onder begeleiding gelukkig nog in staat zich te verplaatsen.  Het Masereelfonds, Dolle Mol en de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers  (VWS)  hadden niet veel moeite om Herman J. Claeys te overtuigen afscheid te komen nemen van Brussel en van ‘zijn’ Dolle Mol.

Een afscheidsgedicht van Herman J. Claeys:
Gezwel

De minst correcte vorm van humor

is spotten met je hersentumor,

vooral als die kwaadaardig is

en bovendien slagvaardig is

en onverwoestbaar :

« terminaal » in radiotherapeutentaal.

Waarom men mij dan blijft bestralen ?

en ook nog chemisch wil verschralen ?

Omdat verplegers willen scoren

en hun patiënten ringeloren,

en als ik door zo’n tunnel glij

graag grapjes maken over mij,

waarmee ik dan niet lachen kan

want ik lig roerloos aan de scan.

Mijn uitvaart heb ik al geregeld

en zelfs mijn grafschrift is bezegeld :

HIER LIGT

DE DICHTER

H.J.C

IN GOED GEZWELSCHAP

R.I.P.

December 30, 2009 at 12:20 pm Leave a comment

Newer Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,581 other followers