Posts tagged ‘Congo’

SPIJT IS NIET GENOEG

Zestig jaar na de Congolese onafhankelijkheid betuigt koning Filip van België zijn spijt voor ‘de geweld- en gruweldaden ten tijde van Congo-Vrijstaat’ (1885-1908) en voor ‘leed en vernederingen toegebracht gedurende de daaropvolgende periode van Belgisch Congo’ (1908-1960). Een eerste stap om in het reine te komen met ons koloniaal verleden, maar niet voldoende  vindt Congo-expert Miel Clement: er moeten er andere volgen want de hele koloniale onderneming baadde van begin tot einde in geweld. (jd)

 Door Miel Clement

Geweld was de norm

De Vader van de Afrikanistiek, Jan  Vansina, schrijft in het voorwoord bij Daniel Vangroenweghe’s Rood Rubber. Leopold II en zijn Kongo (1985): ‘Geweld was de norm, omdat aan de basis van elke koloniale bezetting het recht van de sterkste ligt en bijgevolg de onderwaardering van de autochtone bevolking, die door haar “minderwaardigheid” de kolonisering rechtvaardigt. Zoiets noemde men: “mission civilisatrice.” Geweld was de norm, omdat men een reusachtige kolonie had veroverd zonder de geldmiddelen om die te organiseren en te exploiteren.’

Geweld- en gruweldaden die op ons collectieve geheugen blijven wegen ?

Overeenkomstig artikel 62 van de Belgische grondwet verleenden de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat eind april 1885 met de vereiste tweederde meerderheid de Koning der Belgen, Leopold II toestemming om soeverein te worden van een reusachtige kolonie in het Congobekken. Een zogenaamd personele unie trad in werking: Leopold II werd, naast constitutionele koning der Belgen, ook de absolute monarch van Congo Vrijstaat. Merkwaardig is wel dat de Association Internationale du Congo (A.I.C.,  nadien Congo Vrijstaat genoemd), reeds in 1884 achtereenvolgens officieel was erkend door de Verenigde Staten en Duitsland.

In 1890 en 1895 stond Congo Vrijstaat aan de rand van het failliet, maar werd gered door leningen verleend door de Belgische Staat. In ruil daarvoor verwierf België in 1890 het recht om Congo in 1901 te annexeren, alsook om zich jaarlijks inlichtingen te doen verstrekken over de economische en financiële toestand van de Vrijstaat. In 1901 kwam het (nog) niet tot een annexatie. België behield weliswaar zijn annexatierecht, maar verloor de financiële controle over zijn toekomstige kolonie.

Francis Dhanis Foto Wikpedia

Aldus heerste Leopold II vanaf 1901 (opnieuw) zonder leiband over zijn Congo, al moet dat toch enigszins worden gerelativeerd.  De afstand maakte het bijvoorbeeld krijgsheren zoals Dhanis en Lothaire mogelijk om in Congo eigengereid op te treden. Dhanis ontketende zo op eigen initiatief de Arabische Veldtocht (1892 – 1894): ‘Hij lapte de bevelen uit Brussel aan zijn laars.’ In 1908 bestond de Congostaat uit een honderdtal posten, die bemand werden door een paar honderd officieren en ambtenaren  – niet allemaal Belgen (de eerste administrateur-generaal in Congo Vrijstaat in 1885 was een Brit: Sir Francis de Winton) – en een tienduizendtal zwarte soldaten, het merendeel afkomstig uit Congo.

Rood Rubber stoot Leopold II, na hardnekkige weerstand, van zijn sokkel

Rubberzones bevonden zich voornamelijk in de volgende districten: Aruwimi, Bangala, Evenaar, Kasaï, Leopold II-meer en Ubangi. Overheid en concessiebedrijven (Anversoise, ABIR, S.A.B., e.a.) dwingen de bevolking om wilde rubber te oogsten. Als een dorp onvoldoende rubber produceert volgt er geweld: platgebrande dorpen, verminkingen, verkrachtingen, gijzelingen, moordpartijen. Op 31 januari 1899 schrijft Leopold II: ‘Er moeten voorbeelden worden gesteld. Deze afschuwelijke zaken moeten stoppen of ik trek mij terug uit Congo.’

Rond 1904 neemt de kritiek op het exploitatiesysteem van de Congostaat in het Westen toe. De Britse beschuldigingen  – voornamelijk op basis van het rapport van Roger Casement,  consul in Congo en van de publicaties van E.D. Morel, journalist – worden in België afgedaan als een complot tegen Congo Vrijstaat. In 1904 verloochent Leopold II zijn verontwaardiging van 1899. Hij oordeelt dat de Belgische consul in Liverpool het Casement-rapport terecht heeft bestempeld als een smaadschrift.

Onder groeiende druk ziet Leopold II zich tenslotte echter genoodzaakt een onderzoekscommissie naar Congo te sturen. Voorzichtig erkent deze commissie in 1905 de wantoestanden. De voorzitter van de commissie vond de getuigenissen van zwarten overigens weinig betrouwbaar. Over de wreedheden aan het Leopold II-meer  – het Kroondomein –  was echter niets uitgelekt, omdat dit gebied niet op het voor de onderzoekscommissie uitgestippelde traject lag.

In België stellen de jurist F. Cattier (Etude sur la situation de l’Etat Indépendant du Congo) en de jezuïet  A. Vermeersch (Question congolaise) in 1906 de veroordeling van het exploitatiesysteem van Congo Vrijstaat nochtans op scherp en bepleiten de annexatie. Hetzelfde jaar worden er weliswaar hervormingsdecreten voor Congo  afgekondigd, maar Leopolds begeleidende brutale boodschap dat zijn ‘rechten over Congo niet kunnen worden gedeeld en dat de wijze waarop de openbare macht in Congo wordt uitgeoefend enkel en alleen aan Hem, als stichter van de Vrijstaat toekomt slaat velen met verstomming.

In tegenstelling tot de mythe dat Leopold zijn kolonie aan België schonk, liet de koning Congo tenslotte niet zomaar gaan. Hij probeerde zo veel mogelijk controle te behouden. Door moeizame onderhandelingen kwam de kolonie pas in 1908 in Belgische handen.

Schrikbewind dat nog gelogenstraft werd in 2015 

In de jaargang 1952 van het tijdschrift Aequatoria schetste pater Boelaert een beeld van het schrikbewind van districtscommissaris Fiévez: ‘Gedreven door honger, keerden de dorpelingen terug naar hun door de militairen bezette velden en woonplaatsen. Ten teken van onderwerping moesten zij dan niet alleen rubber aanbrengen, maar ook rekruten voor de Weermacht (Force Publique) , vrouwen voor de soldaten, mannen én vrouwen voor het werk op de staatsposten en kinderen voor de schoolkolonies van de staat. Ontelbare manden met afgehakte handen werden door de soldaten aangevoerd ter verantwoording van de door hen gebruikte munitie.’ Tswambe, een zwarte die later sectorchef werd, noemde Fiévez ‘de duivel van de Evenaar’.

Vangroenweghe (1985), J. Marchal (1989) en P.-L. Plasman (2017) hebben in hun werk uitvoerig aandacht besteed aan het schrikbewind van Fiévez (1893 – 1896). Laatstgenoemde schrijft over Fiévez: ‘Indien het afhakken van handen een oorlogspraktijk was van vóór de Europese verovering, dan werd deze praktijk nadien door Fiévez geïnstrumentaliseerd.’ [20] G. De Weerd  pleit, in zijn boek L’Etat Indépendant du Congo. A la recherche de la vérité historique (2015), Fiévez daarentegen vrij van schuld. Tot bewijs daarvan, schrijft hij  (blz. 522 – 523): ’Men heeft nooit enig  document of enige richtlijnen kunnen vinden, van om het even welke (blanke) autoriteit, strekkend tot verminking bij wijze van sanctie(sic).

Laat ons hopen dat, na de koninklijke spijtbetuiging van 30 juni 2020, alle negationisten zich bekeren.

De ironie van de geschiedenis: Het koloniale genie Leopold II (sic) als sleutelfiguur van de koloniale propaganda

Na de dood van Leopold II nam de Belgische koloniale propaganda vrij snel een hoge vlucht. Zij kende daarbij een centrale  rol toe aan Leopold II en rehabiliteert zijn Congo Vrijstaat (1885 – 1908). Matthew G. Stanard schrijft daarover: ‘De geschiedenis kan ironisch zijn: na 1908 werd de periode van de Onafhankelijke Congostaat gerehabiliteerd om de Belgische aanwezigheid in Centraal-Afrika te rechtvaardigen, terwijl het wanbestuur en de illegitimiteit van de Onafhankelijke Congostaat in de ogen van de internationale gemeenschap Leopold II er juist toe gedwongen hadden om zijn Congo aan België over te dragen’

Vóór 1908 waren er nog maar weinig koloniale monumenten in België, maar na de Grote Oorlog kwam er een groot aantal bij. Toen werden ook de twee grote ruiterstandbeelden van Leopold II gebouwd: op het Troonplein in Brussel (1926) en op de zeedijk in Oostende (1931). Naast honderden herdenkingsmonumenten, werden in de periode 1920- 1930 zo’n 170 straten naar een koloniale held genoemd. Op lokaal niveau verenigden veel (ex-)kolonialen zich in cercles coloniaux.                                                     

Koloniale geschiedschrijving die de heldendaden en het beschavingswerk van de Belgen in Congo hoog prees, was tijdens het interbellum ook erg in trek. De pro-koloniale ideologie van toen droeg uiteraard bij tot de onkritische hagiografieën. Een mooi voorbeeld daarvan is het  voor die tijd toch wel luxueuze boek  A nos Héros coloniaux morts pour la Civilisation (1876 – 1908) van de Ligue du Souvenir congolais, uitgegeven in Brussel in 1931 (291 blz. /formaat 29 op 22 cm.).

Onze helden ?

Halle, mijn geboortestad huldigde op 29 mei 1932 in zijn stadspark ook een monument in ter ere van de koloniale pioniers Baron Jacques de Dixmude, die geen Hallenaar was, en drie  Hallenaars, met name A.-F. Ardevel, V. Baetens en F. Steens. Volgens De Gazet van Halle, Katholiek Weekblad (05.06.1932) zijn ook deze Halse kolonialen ‘gestorven als pioniers van ons beschavingswerk in Kongo. L’Expansion Coloniale (29.05.1932) voegt daar aan toe dat de koloniale pioniers ‘de Arabieren en Madhisten, slavenjagers die de bevolking terroriseerden en aan haar lot overlieten, hebben verjaagd.

Inhuldiging van het monument ter ere van de ‘koloniale pioniers’

Daarbij zijn toch wel enige rechtzettingen vereist. Daarom de volgende historische kanttekeningen en contextualisering bij de Halse figuren Ardevel en Baetens.

Albert-François ARDEVEL (1874 – 1898) sneuvelde in 1898 tijdens de tweede (1897 – 1902) van de drie zogenaamde  Batetela-opstanden (1895 -1908), te Sungula (ten Westen van het Tanganikameer) waar de Force Publique  toen werd omsingeld en het onderspit moest delven. In Les Révoltes de la Force Publique sous Léopold II(EPO, 1986) beklemtoonde G. De Boeck dat ‘men bij ons verkoos om deze opstanden te vergeten. Monumenten en herdenkingen troostten de nabestaanden met de boodschap dat hun familieleden waren gesneuveld in de strijd tegen de slavernij.’ 

                                                                                      

De door de blanken bedachte term Batetela-opstanden is misleidend in die zin dat hij de indruk wekt dat het tribale opstanden van één en dezelfde stam betrof, die losbraken binnen het territorium van de Tetela-stam. In zijn Histoire générale du Congo’’(1998) schrijft I. Ndaywel è Nziem daarover: ‘De drie revoltes vormden de verschillende scenario’s van één en dezelfde oorlog(…) De opstandelingen vertrokken niet vanuit het maquis, maar vanuit de militaire kampen en de rangen van de Force Publique (n.v.d.r. en waren dus ook modern bewapend). Het betrof een revolte van reguliere troepen.

Deze groep was nooit tribaal, maar was veeleer gemengd en dus interetnisch. Men noemde hem “Tetela” volgens de toenmalige koloniale opvatting. Deze term gold voor alle rekruten van de Force Publique afkomstig uit het gebied tussen de Lualaba en de Lomani (rivieren) en het ging om rekruten uit ongeveer alle stammen van het centraal-oostelijk kwart van het land: Kusu, Songye, Luba, Kanyoka,Tetela, enz. Zij waren toen de geprefereerde soldaten van de Blanken, omdat zij reeds hadden gediend in de gearabiseerde rangen.’

Tijdens de tweede Batetela-opstand (of revolte van Ndirfi, exactere benaming) kon de (overgebleven)  Force Publique de tocht van de opstandelingen in zuidelijke richting niet verhinderen. Na verloop van tijd controleerden de opstandelingen de regio tussen het Kivu-meer en Baraka (nabij het Tanganika-meer), ongeveer zo groot als België. Op hun lange tocht lijfden zij ook heel wat nieuwe rekruten in. Van juli tot oktober 1898 maakten de wapens in Oost-Congo plaats voor onderhandelingen.  Piani Kandolo, de grote chef verklaarde toen:

Wij zijn in opstand gekomen, omdat wij als slaven werden behandeld.  Ziehier onze belangrijkste klachten: 1) het eten van rund, geit en zelfs van kip was verboden, wij moesten ons tevreden stellen met wortels van de bush; 2) voor niets kregen wij massaal zweepslagen; 3) voor niets werden onze kameraden gekneveld en gefusilleerd; 4) wij hadden allemaal twee of drie vrouwen, maar die werden ons ontnomen en aan jonge soldaten gegeven die geen vrouw hadden; 5) wanneer een vrouw of een boy onderweg achterbleef om eens water te kunnen drinken, moest zijn baas ‘s anderendaags een zware last dragen; 6) terwijl wij niets kregen, ontvingen de mannen van de escorte van “Fimbo Mingi” (n.v.d.r. de bijnaam van Dhanis, die zoveel betekent als “veel zweepslagen”) ponden sterling, balen stof en chop (voedsel). Wij (de Bakusus) zijn dan in opstand gekomen en de anderen zijn ons gevolgd.’

Spoedig werden de onderhandelingen gestaakt en gevolgd door twee striemende nederlagen van de Force publique, in Sungula (waar Hallenaar Ardevel sneuvelde) en Kabambare.  Bij de opstandelingen van Ndirfi  leefde onmiskenbaar het begin van een ‘Congolees nationaal bewustzijn’.

Victor Baetens

Victor BAETENS (1868 – 1896) deed van eind augustus 1892 tot begin januari 1896 dienst in de Congo Vrijstaat als gérant bij de S.A.B., een concessiemaatschappij waarvan  Albert Thys (1849-1915) bestuurder was. Hij werd tewerkgesteld in Kwamouth, aan de samenvloeiing van de Kwa (Kasaï) en de Congostroom, een honderdtal km verwijderd van de zuid-west grens (Mushie) van het beruchte Kroondomein van Leopold II.  Kwamouth was tevens de moedermissie  van Scheut, de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria (C.I.C.M.).  De missie in Kwamouth kreeg de naam van Berghe-Sinte-Maria.

Vaststaat alleszins dat er in de negentiger jaren van de negentiende eeuw  in Kwamouth, waar Baetens tot minstens 1894 bleef, heel veel ellende heerste: enerzijds, werd Kwamouth  toen zwaar geteisterd door de slaapziekte; anderzijds, bestempelt  Delathuy  (in Missie en Staat in Oud-Kongo 1880 – 1914, EPO, 1992 blz. 121) de missie van Berghe-Sinte-Maria  als ‘een dodenkamp van Afrikaanse kinderen’.

D. Verhelst en H. Daniëls schreven daarover in 1991 (in Scheut vroeger en nu 1862 – 1987, Universitaire Pers Leuven, 1991, blz. 127): ‘De scheutisten beginnen hun missiewerk met het opvangen van slavenkinderen die naar hen gebracht worden door handelsagenten of staatsambtenaren. Bij gelegenheid kopen zij zelf jongens en meisjes met het gevaar door de bevolking als slavenhandelaars beschouwd te worden. Het merendeel van deze kinderen is nog geen tien jaar oud (…) Meestal komen ze zo uitgeput op de missie aan dat ze vlug na hun aankomst bezwijken (…) Het eerste register van de overledenen in Berghe-Sinte-Maria (1889 – 1898) telt 316 sterfgevallen; het tweede (oktober 1898 – augustus 1900) meldt voor de drie jaren de totalen van 43, 95 en 91. Deze laatste, tragische getallen zijn te wijten aan de slaapziekte (…) Zelfs de toewijding van de zusters van Liefde van Gent, die zich sedert het einde van 1894 in Berghe gevestigd hebben, is niet bij machte de epidemie onder controle te krijgen.’

Delathuy  voegde daar in 1992 (in Missie en Staat in Oud-Kongo) onder meer aan toe wat volgt:

‘In een brief d.d. 31 december 1890 schreef A. Greshoff  uit Brazzaville aan een agent van het Belgisch slavenjagersgenootschap te Kinshasa dat die (…) zou verplicht zijn de echte slavenjagers veel minder ver dan aan de Stanley Falls en niet tussen de Arabieren te zoeken. De missies kregen met een decreet van 4 maart 1892 het recht om jongeren aan zich te binden, via het foefje van de uitoefening van de voogdij over ‘verlaten’ kinderen, die de staat te hunner beschikking stelde.  Waar haalde de staat al die ‘weeskinderen’  voor de paters en de zusters ? De staat kidnapte die jongens  en die meisjes gewoon in de dorpen waar hij terreuracties voerde om het land te doen renderen. Kinderen, dikwijls dreumesen die bij die acties niet weg konden geraken, werden opgepakt, aaneengebonden, naar de staatsposten gemarcheerd en per boot over verre afstanden naar de missies getransporteerd in de ellendigste omstandigheden. De paters en de zusters van Sinte-Maria-Berghe, (Nieuw-Antwerpen, Boma en Moanda) zegden niet dat hun kinderen gekidnapt waren. Zij zegden integendeel dat die bevrijd werden uit de handen van Arabische of andere slavendrijvers om tot voor de beschaving nuttige elementen, soldaten en ambachtslui, opgeleid te worden in hun schoolkolonies.’                                                                                         

Victor Baetens stichtte meerdere handelsposten voor de S.A.B. (Société anonyme belge pour le commerce du Haut-Congo.)  Met wat wij vandaag weten over Congo Vrijstaat en S.A.B., kan hij niet meer of nog zomaar worden beschouwd als een held gesneuveld voor de Beschaving. Historisch onderzoek laat een ander licht schijnen op onze koloniale helden.

Propagandamachine op volle toeren

Hoewel de koloniale rijken tussen 1945 en 1975 instortten, draaide de Belgische koloniale propagandamachine vooral in de jaren 1950 sterker dan ooit tevoren. Overal in het land werden nieuwe monumenten ingehuldigd  ter ere van Leopold II en zijn toenmalige koloniale medestanders: in Aarlen (1951), Hasselt (1952), Gent (1955), Vorst (1957), Bergen (1958) en Namen (heropgericht in 1958). Op Expo 58 waren er zeven grote paviljoenen gewijd aan Congo en Ruanda-Urundi met een exotische tuin en een zogenaamd inheems dorp.  Aan de ingang van het hoofdpaviljoen van de Congo-afdeling stond een bronzen buste van Leopold II, met daarboven een uitspraak van hem: ‘Ik heb het Congowerk ondernomen in het belang der beschaving en voor het welzijn van België.

In 1954 werd het Dertigjarenplan voor politieke ontwikkeling en ontvoogding van Kongo en Rwanda-Urundi van Jef Van Bilsen (1913 – 1996) door velen ook  meteen weggehoond.

In Halle werd in 1953 in het stadspark ook nog een borstbeeld van Leopold II ingehuldigd. Dit monument ter herinnering van het koloniale werk bestaat uit een rechthoekig blok arduin met vooraan de bronzen buste van Leopold II en achteraan een landkaart in bas-reliëf van Congo met de vermelding ‘Arbeid en Vooruitgang / Travail et Progrès’. [27]

In Halle zullen velen en alleszins vele Afro-Belgen en Congolezen verstomd kijken, ja zelfs boos zijn omdat het Stadsbestuur zich zo ‘gehaast’ heeft om het borstbeeld van Leopold II (voorlopig ?) terug op zijn sokkel te hijsen. In het licht van de koninklijke spijtbetuiging (30.06.2020) is dat toch wel zeer merkwaardig.

Spijtbetuiging is niet voldoende

Volstaat de koninklijke spijtbetuiging van 30 juni 2020? Wat Leopold II en zijn Congo Vrijstaat betreft slaat de spijt van koning Filip op de geweld- en gruweldaden ten tijde van Congo-Vrijstaat (die op ons collectieve geheugen blijven wegen.)  Die uitspraak moeten we afwegen tegen twee passussen uit verklaringen van koning Albert I en koning Boudewijn:

Albert I (1931): ‘Hoewel het werk van Leopold II niet het kenmerk droeg van een verovering, maar van een wetenschappelijke penetratie (…) We kunnen nooit genoeg hulde brengen aan de nagedachtenis van de Belgen die ginder sneuvelden en wiens naam definitief moet verbonden blijven met deze grootse koloniale onderneming zonder voorgaande in de geschiedenis en waarvan het succes evenzeer de geniale stichter eert als allen die hem hun medewerking verleenden

Boudewijn (30.06.1960): ‘Toen Leopold II het grote werk aanpakte dat vandaag zijn bekroning krijgt, heeft hij zich bij u aangediend niet als een veroveraar, maar als hij die beschaving brengt. Congo heeft vanaf zijn stichting zijn grenzen geopend voor de internationale handel, zonder dat België ooit een monopoliepositie had die in zijn uitsluitend voordeel zou zijn ingesteld.’ Premier Eyskens suggereerde eerst om deze twee zinnen volledig weg te laten, maar stelde zich tenslotte tevreden met: de vervanging van het woord ‘bevrijder’ door de woorden ‘hij die beschaving brengt’ in de eerste zin; de schrapping van de volgende beginwoorden in de tweede zin ‘Als enig overzees gebiedsdeel van de westerse mogendheden.’  G. Eyskens overtuigde de koning daarentegen wel om de volgende zin weg te laten: ‘De grondslag van de Staat werd gevormd  door verdragen die vrijwillig werden gesloten tussen de stamhoofden en de gezanten van de Koning.’

Na de betuiging van diepste spijt door koning Filip ‘voor geweld- en gruweldaden ten tijde van Congo-Vrijstaat’ (1885 – 1908) en voor ‘leed en vernederingen toegebracht gedurende de periode  van Belgisch Congo’ (1908 – 1960), moeten er vanzelfsprekend nog verdere concrete stappen worden ondernomen. Het collectieve geheugen en  de verantwoordelijkheid van België die slaan op de eerste periode (1885 – 1908), zijn niet  dezelfde als die voor de tweede periode (1908 – 1960). Collectief geheugen  en verantwoordelijkheid gelden uiteraard ook voor de postkoloniale periode. Voor verdere stappen  van Belgische federale zijde is het noodgedwongen wachten op een nieuwe regering.

Halle, 4 juli 2020

Miel (Emile) CLEMENT (° Halle, 1947)

▪ publiceerde, samen met R. Sennelle (1918 – 2013) : Léopold II et la Charte Coloniale. De l’Etat Indépendant du Congo à la Colonie Belge’’, ed. Mols, 2009;

▪  was van 1970 tot 1973 werkzaam als leraar (sociale school en lyceum) te Lisala (R.D. Congo resp. Zaïre);

▪  vervulde van 1999 tot 2009 meerdere zendingen in Centraal-Afrika, in opdracht van internationale organisaties ( UNDP, IPU en AWEPA )  en van de Kamer van volksvertegenwoordigers van België.

[2] DE STANDAARD (DS) 16.02.2017, Postuum Jan Vansina.

[4] Prof. J. DE MEYER (K.U.L.), Staatsrecht, 1963, blz. 207.

[5] Zie :  R. SENELLE & E. CLEMENT, Léopold II et la Charte Coloniale. De l’Etat Indépendant du Congo à la Colonie Belge, éd. Mols, 2009, blz. 37 : Le Roi-Souverain de l’E.I.C. débarrassé de toutes lisières.

[6] D. VANGROENWEGHE, Rood Rubber. Leopold II en zijn Kongo, Elsevier,1985, blz. 53.

Zie ook: E. CLEMENT, Hallenaar A.-F. Ardevel (1874 – 1898) in dienst van Leopold II en Congo Vrijstaat (1885 – 1908) & Het monument voor ‘Koloniale pioniers’ in het Halse  stadspark (1932), in: HALLENSIA (Geschied- en Oudheidkundige Kring van Halle), 2018, nr.4, blz. 8.

[7] – B. DE ROO, De Onafhankelijke Congostaat : plundermachine in dienst van een meedogenloze Leopold II, in: I. GODDEERIS, A. LAURO & G. VANTEMSCHE (Red.),Koloniaal Congo. Een Geschiedenis in Vragen, Polis, 2020 blz.44.                                                                                                                                                                                                     –  Zie ook: V. FOUTRY & J. NECKERS, Als een wereld zo groot waar uw vlag staat geplant. Kongo 1885 – 1960, BRT, 1986, blz.15.

[8] P.-L. PLASMAN, Léopold II, potentat congolais. L’action royale face à la violence coloniale, Racine, 2017, blz.122.

[9] B. DE ROO, De Onafhankelijke Congostaat : plundermachine in dienst van een meedogenloze Leopold II, blz.41.

[10] P.-L. PLASMAN, op.cit., blz. 172 en 201.

[11] P.-L. PLASMAN, op.cit., blz.197.

[12] B. DE ROO, op.cit., blz. 44.

[13] P.-L. PLASMAN, op.cit., blz. 201.

[14] M. Z. ETAMBALA, Veroverd, bezet, gekoloniseerd Congo 1876 – 1914, Sterck & De Vreese, 2020, blz. 210.

[15] R. SENELLE & E. CLEMENT, op. cit., blz. 43

[16] Idem, blz. 45 – 46.

[17] – R. SENELLE & E. CLEMENT, op. cit., blz. 66.

– I. GODDEERIS, A. LAURO & G. VANTEMSCHE (Red.), Koloniaal Congo. Een Geschiedenis in Vragen, blz.44.

[18] A.M DELATHUY (schuilnaam voor J. MARCHAL), De Kongostaat van Leopold II. Het verloren paradijs. 1876 /1900, Standaard Uitgeverij, 1989, blz.373

[19] D. VANGROENWEGHE, op. cit., blz.58

[20] P.-L. PLASMAN, op.cit., blz. 127.

[21] M. G. STANARD, De koloniale propaganda: het ontwaken van een Belgisch koloniaal bewustzijn ?, in:                         I. GODDEERIS, A. LAURO & G. VANTEMSCHE (Red.), op. cit., blz. 326.

[22] Idem, blz. 331.

[23] In tegenstelling tot de twee andere Hallenaars (Ardevel en Baetens), wordt de naam F. Steens niet vermeld in A nos Héros coloniaux morts pour la Civilisation (1876 – 1908).

[24] E. CLEMENT, Hallenaar A.-F. Ardevel (1874 – 1898) in dienst van Leopold II en Congo Vrijstaat (1885 – 1908) & Het monument voor ‘Koloniale pioniers’ in het Halse  stadspark (1932), (2018), blz. 10 – 12.

 

[25] E. CLEMENT, Nabeschouwingen bij een bijdrage over Victor Baetens, in HALLENSIA, 219, nr.2, blz. 25 & 28.

[26] Zie ook: Jef VAN BILSEN, Kongo 1945 – 1965. Het einde van een kolonie, Davidsfonds, 1993.

[27] L. CATHERINE, Het Dekoloniseringsparcours. Wandelen langs Congolees erfgoed in België, EPO, 2019, blz. 163 – 164.

[30] LIGUE du SOUVENIR CONGOLAIS, A nos Héros coloniaux morts pour la Civilisation (1876 – 1908), Brussel, 1931.

[31] R. SENELLE, E. CLEMENT & E. VAN DE VELDE, Handboek voor de Koning, Lannoo, 2004, blz. 252.

July 11, 2020 at 11:21 am 2 comments

HOLLANDSE KONGO

Hoe de Hollanders Leopold II in Kongo ondersteunden en ondervonden dat ondank ‘s werelds loon is.

Door Lucas Catherine

Als je stripverhalen leest zou je denken dat de Nederlanders niet weten waar Kongo ligt. Toen Hergé daar populair werd moest Kuifje in Kongo, Kuifje in Afrika heten.

Want wisten ze veel waar Kongo lag ? Nu, als het op koloniale geschiedenis aankomt zijn de Nederlanders inderdaad niet zo sterk in aardrijkskunde: Indië ligt volgens hen niet op het Indische subcontinent, maar in Indonesië. Hun Oost-Indië is het enige “Indië” dat ze kennen. En toen Suske en Wiske ginder in het Noorden populair werden moest het album De Tamtamkloppers niet langer in onze Kongo spelen, maar in hun Suriname. De teksten werden aangepast. Voor de tekeningen kon dit niet : daardoor dat Afrikaanse dieren als leeuwen, giraffen, olifanten, neushoorns of nijlpaarden volgens die albums ook in Suriname rondliepen. Nogal verwarrend voor de Hollandse lezertjes.

En je zal, in hun toch wel prachtige Atlas of Mutual Heritage op het internet  waarop ze al hun koloniale posten en factorijen oplijsten, nergens Boma of Banana vinden. Laat staan Kinshasha. Nochtans, de Hollanders waren voor Leopold II in Kongo. Jawel !

De Hollandse factorij in Boma

De Rotterdamse firma Kerdijk en Pincoffs startte activiteiten in Kongo vanaf 1857 en stuurde Henry Kerdijks broer Lodewijk uit als hun vertegenwoordiger ter plaatse. Hij overleed in 1861 te Boma. De firma Kerdijk & Pincoffs exporteerde katoen, kookgerief, messen, geweren, kruit en sterke drank uit Nederland en ruilde die voor Afrikaanse ivoor, palmolie en rubberKerdijk & Pincoffs waren daarvoor ook in West-Afrika actief, maar ze splitsten hun West-Afrikaanse posten af en brachten de Kongolese factorijen onder in de Afrikaansche Handelsvereeniging (1868). Daar werkten naast vrije arbeiders ook enige honderden slaven (door de Portugezen “coromanos” en door de Nederlanders “Kroo-mannen” genoemd). Pincoffs en Kerdijk waren dan ook deelnemers aan Leopolds Geografische conferentie van Brussel (1876), de eerste stap die hij zette in zijn verovering van Kongo.

 

Deze AHV investeerde mee in Leopolds Kongoproject. Het was Pincoffs die aan Leopold voorstelde een financieringscomité op te richten. Dat werd het Comité d’études du Haut-Congo . Zij werden dan ook bestuurders in dit Comité en waren naast Leon Lambert (vertegenwoordiger van de Rothschilds in België en Leopolds bankier) de tweede grootste aandeelhouders: Lambert voor 400.000 goudfrank. De AHV voor 130.000 goudfrank. Dat was meer dan bijvoorbeeld de Brusselse bankier Georges Brugmann (20.000 frank).

Het is dit Studiecomité dat Stanley engageerde (en betaalde) voor zijn expeditie op de Kongostroom. De Hollandse AHV liet Stanley en zijn materiaal (vier gedemonteerde rivierboten) kosteloos naar Banana verschepen. Van daaruit vertrok op 14 augustus 1879 zijn koloniale expeditie. Het quid pro quo was natuurlijk dat AHV een bevoorrechte positie zou krijgen in Leopolds gebied, maar doordat in 1879 de AHV  na een grootscheepse fraude failliet ging kwam daar niets van terecht. Leopold  maakte van de gelegenheid gebruik om het Comité volledig over te nemen.

Daarop werd de Nieuwe Afrikaansche Handelsvereniging opgericht. In 1884, het jaar vóór de officiële oprichting van de Kongo Vrijstaat bezat ze 69 handelsposten langs de Kongostroom. Haar hoofdkwartier was in Banana. Er was zelfs sprake van dat Nederland soevereiniteit over de Kongostroom zou krijgen. Maar Nederland herkende, na ruggespraak met de NAVH tijdens de Conferentie van Berlijn (1885) de Kongo Vrijstaat onder voorwaarde van vrijhandel, zoals de Conferentie in haar artikel 14 had bepaald.

Korte tijd lang liet onze Leopold II zich als Koning van Kongo Potorko I noemen. Een naam die we terugvinden in een knipsel uit een toenmalige Nederlandse krant

 

Venloosch weekblad, 5 september 1885

Aan het hoofd van de NAVH kwam Anton Greshoff (1). Hij vestigde zich in het dorp Kinshasa, naast Leopoldstad. Greshoff zou een luis in de pels van Leopold worden. Samen met andere handelaars verzette hij zich tegen de verdragen die de Vrijstaat afsloot met de lokale vorsten en waarin die hun soevereiniteit afstonden. Zij eisten dat die vorsten enkel handelsakkoorden zouden ondertekenden.

In 1886 en 1887 schreef Greshoff een reeks artikels in het tijdschrift Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap met felle kritiek. Onder meer dat “na vijf jaar de Vrijstaat nog niets heeft gedaan om de traditionele karavaanweg te verbeteren tot een meer fatsoenlijke weg.” Of dat hij gemerkt had dat “alle dorpen tussen de Inkisi (rivier) en Nzugu-Mbola zijn platgebrand …terwijl hier nooit enige melding van is gemaakt.” De stations van de Staat “kan je eerder stallen dan huizen noemen; zelfs is het zeer twijfelachtig of een aan een zindelijke Hollandse stal gewende koe wel zou voortgaan melk te geven, zo men haar een kamer in Leopoldstad gaf.” En: “Alles wat we van de Vrijstaat gezien hebben is lijnrecht in strijd met haar programma : menslievendheid, wetenschap, beschaving…” Eerst werd Greshoff hiervoor in 1887  in Boma voor de rechtbank gedaagd, maar gelukkig voor hem werd de zaak geseponeerd.

Kinshasa 1883

In Brussel had men op 30 april 1887 een decreet uitgevaardigd dat te land enkel de vlag van de Kongostaat nog mocht worden gehesen, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de gouverneur-generaal. Op de rivier mocht men de eigen vlag hijsen aan de voorsteven, maar de vlag van de Vrijstaat moest aan de achtersteven.

Greshoff had als oranje-patriot overal de Nederlandse driekleur gehesen op al zijn factorijen en boten. Hij boycotte het decreet door ervoor te zorgen dat de vlag van de Vrijstaat steeds rond de vlaggestok bleef gerold en dat alleen de Nederlandse vlag wapperde in de wind.

Hij reisde in 1887 als eerste blanke handelaar naar de Swahili machthebber van Maniema in Kisangani, Hamed ben Mohamed al Murjebi, door de Belgen Tippo-Tip genoemd, met de bedoeling rechtstreeks bij hem ivoor te betrekken. En het lukte ! Directe concurrentie voor Leopold.

In 1889 werd de “fatale, de onvermijdelijk Greshoff”  zoals hij werd genoemd in de maand september per decreet uitgewezen uit Leopolds Kongo. Hij stak de rivier over en vestigde zich rechtover Kinshasa in Brazzaville, Na de ‘Vlaggenoorlog’ volgde nu een papieren oorlog met brochures tegen de Vrijstaat. Een citaatje : “De staat voerde in 1889 voor 4,3 miljoen frank producten uit; de NAHV kocht dat jaar voor 6,1 miljoen producten aan; als men zegt dat de NAHV van geringe betekenis is, hoe klein is dan wel de staat ?”

Maar de NAHV was nu wel haar toegang tot de monding van de Kongorivier kwijt. Anton Greshoff zou vanuit Brazzaville wel nog 12 jaar bedrijvig blijven in de Franse Kongo.

 

Greshoff aan zijn bureau in Brazzaville

Tot slot nog dit : Waarom was Leopold II zo wantrouwig tegenover de Hollandse handelaars ? Dat had wellicht te maken met zijn grote bewondering voor de Nederlandse kolonisatie in Indonesië die hij verschrikkelijk efficiënt vond. Vreesde hij te grote concurrentie ? In zijn eerste toespraak tot de Belgische senaat op 17 februari 1860, toen nog als Hertog van Brabant, sprak hij zijn bewondering al uit over die kolonisatie die “de Verenigde Provincies tot één van de belangrijkste staten van Europa” had gemaakt. Dankzij het gewin in hun kolonies.

Gedenkplaat Max Havelaar, Bergstraat Brussel

“Vorig jaar,” sprak hij, “bedroeg de nettowinst van Nederlands-Indië ongeveer 70 miljoen frank.” Zoals Sir James Brooke, die toen Sarawak bestuurde, na een onderhoud met Leopold verklaarde : “Hij is verliefd op het Hollandse systeem…Ik vond geen spoor van brede opvattingen, van liberale gevoelens; hij dacht alleen maar aan de manier waarop hij geld uit het volk kon persen… Hij lachte met de idee de rechten van de inheemsen te eerbiedigen.” Dat Hollandse systeem bestond uit het zogenaamde cultuurstelsel van gedwongen teelten, waarbij de koloniale ambtenaren gedreven werden door premies: de zogenaamde cultuurprocenten of cultuuremolumenten om de productie zo hoog mogelijk te maken en die dan tegen zeer lage prijs te leveren aan de staat via de Nederlandse Handel-Maatschapij . Leopold zou het in Kongo toepassen.

Dat zelfde jaar 1860 waarin Leopold zijn toespraak hield in de senaat verscheen de grote aanklacht tegen dit cultuurstel : Max Havelaar, of De koffijveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. Edward Douwes-Dekker schreef het boek in Brussel, op geen vijfhonderd meter van het  Koninklijk Paleis.

(1) Zijn neef, de dichter Jan Greshoff schreef indertijd Catrijntje Afrika. Alhoewel hij zelf in Zuid-Afrika woonde speelt dit werk toch in de Kongo van zijn oom Anton.

 

Lucas Catherine

March 13, 2020 at 8:50 pm 1 comment

CORONA EN HET MILIEU

Wat heeft de Coronapandemie te maken met ons leefmilieu en de klimaatverandering? Hoe komt het dat pandemieën elkaar in snel tempo opvolgen en duizenden slachtoffers maken: HIV, SARS, Ebola, Corona? Daarover gaat een bijdrage in een recent nummer van het Amerikaanse weekblad “The Nation.” Een samenvattende vertaling.

Door Sonia Shah

Was het een schubdier? Een vleermuis? Of een slang, zoals ergens werd beweerd? Welk wild dier zou verantwoordelijk zijn voor het coronavirus, officieel “Covid-19,” dat honderden miljoenen personen heeft besmet die nu in China en andere landen achter schutskringen en in quarantaines worden opgesloten. Een interessante vraag, maar belangrijker nog is niet uit het oog te verliezen hoe kwetsbaar we steeds meer worden voor de diepere oorzaak: de toenemende vernietiging van de habitats.

De laatste 80 jaar zijn ziektekiemen verschenen of teruggekeerd naar streken waar ze vaak nooit eerder waren opgemerkt. Dat is onder andere het geval voor HIV (Human Immunodeficiency virus), voor Ebola in West-Afrika of nog voor Zika op het Amerikaanse continent. De meerderheid (60%) is van dierlijke oorsprong. Een aantal is afkomstig van huis- of landbouwdieren, maar het merendeel (meer dan twee derde) is afkomstig van wilde dieren.

Toch treft hun geen schuld. Veel artikels laten – vaak aan de hand van foto’s – uitschijnen dat wilde dieren verwoestende epidemieën veroorzaken. Maar het is fout te denken dat deze dieren dragers zijn van dodelijke pathogenen die er op uit zijn ons te besmetten. De meerderheid van hun microben leven met hun gastheer of -vrouw samen zonder hun kwaad te doen. Het probleem ligt elders: door de ongeremde ontbossing, urbanisatie en industrialisering hebben we deze microben in staat gesteld zich naar het menselijk lichaam te verplaatsen en zich aan te passen.

Gezondheidswerkers tegen de Ebola-epedemie in Sierra Leone Foto MSF

Door het verdwijnen van de habitats wordt ook het voortbestaan bedreigd van tal van soorten, waaronder medicinale planten en dieren die de basis vormen voor geneesmiddelen. Voor de overlevende soorten zit er niets anders op dan zich terug te trekken op de beperkte habitats die overblijven. Het gevolg is toenemende kans op contact met mensen waardoor onschadelijke microben in het menselijk lichaam muteren naar dodelijke ziektekiemen.

Ebola is een duidelijk voorbeeld. Een studie uit 2017 toont aan hoe het virus, dat oorspronkelijk bij verschillende soorten vleermuizen werd geconstateerd, frequenter opdook in gebieden in Centraal Afrika die recent werden ontbost. Als de bossen verdwijnen gaan de vleermuizen zich nestelen in de bomen van tuinen en boerderijen. Het gevolg is duidelijk: door in een vrucht te bijten waar speeksel van de vleermuizen aan kleeft slikken mensen het in. Op die manier komen virussen die volkomen onschadelijk zijn voor de vleermuis bij bevolkingsgroepen terecht.

Hetzelfde geldt voor de ziektes die door muggen worden verspreid. Er is een verband vastgesteld tussen ontbossing en de frequentie van epidemieën. Hier gaat het niet zozeer om het verdwijnen maar om de transformatie van habitats. Samen met de bomen verdwijnen ook hun wortels en de laag dode bladeren. Daardoor stromen water en sedimenten makkelijker weg over een verarmde grond die uitdroogt door de zon waardoor er plassen ontstaan waarin de moerasmug welig tiert. Uit een studie uitgevoerd door twaalf landen blijkt dat muggen die dragers zijn van menselijke ziektekiemen twee keer vaker voorkomen in ontboste gebieden dan in streken waar de wouden intact zijn gebleven.

GEVAREN VAN DE INDUSTRIËLE VEETEELT

De vernietiging van de habitats dunt verschillende vogelsoorten uit en verhoogt daardoor het risico op het verspreiden van ziekteverwekkers. Een voorbeeld: het Westelijke Nijlvirus dat leeft bij trekvogels. In Noord-Amerika is het aantal vogelpopulaties de laatste 50 jaar met 25% gedaald als gevolg van het verdwijnen van biotopen en andere vernietigingen. Maar niet alle soorten worden in gelijke mate getroffen. “Specialisten” – vogels die aan een bepaalde habitat gebonden zijn zoals spechten en rallen worden harder getroffen dan de generalisten als de roodborsten en de kraaien. De eersten zijn nauwelijks dragers van het Westelijke Nijlvirus terwijl de laatsten dat bij uitstek zijn. Vandaar een uitgesproken aanwezigheid van het virus bij de huisvogels van die regio en dus neemt de kans toe dat eerst een vogel en daarna een mens door een mug gestoken wordt.

Hetzelfde geldt voor de ziektes die door teken worden verspreid. Door langzaam aan het Noordoost-Amerikaanse bosbestand te knagen verjaagt de stadsontwikkeling dieren als de Amerikaanse buidelkat (opossum) die bijdraagt aan het reguleren van het tekenbestand. Andere soorten die veel minder doeltreffend zijn op dat plan tieren welig, zoals de witvoetmuis en het hert. Het gevolg is dat de ziektes die door teken verspreid worden zich makkelijker verspreiden. Daaronder de ziekte van Lyme, die in 1975 voor het eerst in de Verenigde Staten is opgemerkt. De laatste 20 jaar zijn 7 nieuwe ziekteverwekkers geïdentificeerd die door teken worden verspreid.

Niet alleen de vernieling van habitats verhoogt het risico op ziekte-uitbraken, het is ook wat in de plaats komt. Om aan de drang van onze soort naar vleesconsumptie te voldoen hebben we een gebied ter grootte van Afrika ontbost om slachtdieren te kweken. Sommige van die dieren komen tot ons via de illegale handel in wilde dieren of in de markten voor levende dieren (wet markets). Wilde dieren die elkaar in de natuur zelden of nooit zouden tegenkomen worden daar in kooien naast elkaar geplaatst waardoor microben van de ene op de andere soort kunnen overspringen, een proces dat verantwoordelijk is voor het coronavirus dat in 2002-2003 de SARSepidemie veroorzaakte en wellicht ook voor het nieuwe coronavirus waarmee we vandaag geplaagd zitten.

Maar nog veel meer dieren worden gekweekt in industriële boerderijen waar honderdduizenden beesten dicht opeen gepakt wachten op de slacht en de microben ruim de kans geven om te muteren tot dodelijke ziekteverwekkers. Vogelgriepvirussen bijvoorbeeld die voorkomen bij wilde watervogels zwermen uit in fabriekfarms onder de gekooide kippen, muteren en worden kwaadaardiger, een proces dat zo voorspelbaar is dat het in het lab kan worden gereproduceerd. Eén streng, H5N1 genaamd, dat mensen kan besmetten doodt meer dan de helft van de geïnfecteerden. Om een verwante streng die in 2014 Noordamerika bereikte in te dammen moesten tientallen miljoenen kippen worden afgeslacht.

De reusachtige berg uitwerpselen die onze veestapel produceert biedt de dierlijke microben nog meer mogelijkheden om naar de menselijke bevolking door te dringen. De hoeveelheid dierlijk excrement is vele keren groter dan de landbouwgrond als meststof kan absorberen. Op veel plaatsen verzamelt het zich in zinkputten, “mestlagunes” genaamd. Shiga toxine producerende Escherichia coli, onschadelijk in de ingewanden van runderen, houdt zich ook schuil in de uitwerpselen. Bij mensen veroorzaakt het bloedige diarree en koorts en kan het tot acute nierinsufficiëntie leiden. Doordat rundermest makkelijk in het drinkwater en onze voedselketen terecht komt worden jaarlijks 90000 Amerikanen erdoor getroffen.

De transformatie van dierlijke microben naar menselijke ziektekiemen verloopt vandaag sneller maar het fenomeen is niet nieuw. Het begon met de revolutie van het neoliticum, toen de mens voor het eerst de habitat van wilde dieren ruimde om plaats te maken voor voedselgewassen en wilde dieren domesticeerde. De “dodelijke geschenken” die we, zoals Jared Diamond het stelt, van onze “vrienden de dieren” kregen waren onder andere mazelen en tuberculose van koeien, kinkhoest van varkens en griep van eenden. Het ging voort onder de koloniale expansie. Belgische kolonisten bouwden in Congo spoorlljnen en steden die het het lentivirus in een plaatselijke makak mogelijk maakte zijn aanpassing aan het menselijk lichaam te perfectioneren. Britse kolonisten in Bangladesh rooiden de mangrove bossen van de Sundarbans om plaats te maken voor rijstvelden en stelden de mensen daardoor bloot aan de bacteriën die in het brakke water van de drassige gronden leefden.

Prof. Jared Diamond Foto UCLA

De pandemieën ontstaan door deze koloniale ingrepen blijven ons tot vandaag achtervolgen. Het lentivirus van de makak evolueerde naar HIV. De bacteriën uit het brakke water van de Sundarbans, nu bekend als cholera, hebben tot dusver zeven pandemieën veroorzaakt, de recentste op Haïti, een paar honderd mijl van de kust van Florida.

Maar het goede nieuws is dat we niet machteloos staan tegen de mutatie van deze microben. We kunnen de wilde habitat beschermen zodat dierlijke microben in de lichamen van dieren blijven en niet verhuizen naar de mens. Deze aanpak wordt gepropageerd door onder andere de “One Health” beweging. We kunnen de plekken in het oog houden waar de kans het grootst is dat dierlijke microben zich tot menselijke ziekteverwekkers ontwikkelen, op zoek gaan naar die tekenen vertonen van aanpassing aan het menselijk lichaam en ze uitschakelen vóór ze een epidemie veroorzaken. Wetenschappers van het Amerikaanse programma “Predict” hebben over heel de wereld meer dan 900 nieuwe virussen ontdekt, waaronder nieuwe soorten SARS-achtige coronavirussen.

Vandaag hebben we opnieuw te maken met de dreiging van een pandemie. Dat komt niet alleen door het nieuwe coronavirus. Doordat de regering Trump de  winningsindustrieën en de industriële ontwikkeling bevrijd heeft van mileureguleringen kunnen we verwachten dat de vernietiging van habitats waardoor dierlijke microben bij de mens terecht komen in versneld tempo zal doorgaan. Tegelijkertijd beperkt de regering onze mogelijkheden om de volgende “spillover microbe” te ontdekken en onder controle te krijgen als ze  zich begint te verspreiden. Het programma Predict wordt stopgezet en het Witte Huis wil zijn bijdrage aan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) met 53% korten.

De epidemiologist Larry Briljant zei ooit: “Uitbraken zijn onvermijdelijk, maar pandemieën zijn onze keuze.” Maar pandemieën zijn enkel optioneel als we bereid zijn om met hetzelfde gemak waarmee we de natuur en de wilde dieren verstoren ook onze politiek radicaal om te gooien.

Vertaling door Johan Depoortere

10-03-2020

March 10, 2020 at 2:54 pm 2 comments

MUSHAIDI NGELENGWA, ALIAS MSIRI, DE MAN DIE VAN GEEN BELGEN WOU WETEN

door Lucas Catherine

Op 30 juni vierden de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een tweede verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri onthoofd.

In wat nu Katanga is regeerde Mushaidi over de kopermijnen. Hij zal in 1891 worden vermoord door koloniale held Omer Bodson. De koperwinning en -handel is zeer oud in centraal Afrika. We kennen al kopergeld dat 8 eeuwen oud is.

Kopergeld

 

Hoe zag dat geld eruit? De munten die dagelijks werden gebruikt waren heel klein (1cm x 1cm), en in H-vorm. De oudste dateren uit de 13de eeuw. Dan was er het grof geld, voor belangrijke zaken, zoals het uitbetalen van bloedgeld na een moord of als bruidschat. De Koningen van die koper-koninkrijken, zoals Mushaidi, stockeerden grote staven in dubbele T-vorm. Die dateren uit de 19de eeuw en Livingstone heeft er nog mee rond gezeuld. Er liggen er nu in het Livingstone Museum (Schotland). En meezeulen is het juiste woord want ze wegen 30kg en meer. In het Africamuseum van Tervuren hebben ze er ook een.

Er was ook koperhandel met de West-Afrikaanse kust. Dit weten wij dankzij Pieter Van den Broecke die tussen 1608 en 1612 dertig maanden aan de Kongomonding handel dreef. Hij schrijft over de koning van de baKongo: ‘Hij heeft een goed inkomen en bezit huizen vol ivoor en rood koper.’ ‘De vrouwen dragen er koperen en zilveren armringen.’ In 1846 zal de Zanzibar-Swahili Said bin Habib dwars door Afrika trekken, van Zanzibar naar het gebied ten zuiden van de Kongomonding (nu Noord- Angola) – Stanley was toen een kleuter van vijf jaar! –. Hij ziet de talrijke kopermijnen in het gebied ten zuidwesten van het Tanganika-meer en vertelt dat het vandaar naar het noorden wordt uitgevoerd via de Lufira en zo naar het Kongobekken.

Uit: La Force Publique de sa naissance à 1914, Brussel, 1952

België penetreert het gebied dat nu Katanga heet via drie militaire expedities. De derde (in 1891), onder leiding van de Brit William Grant Stairs en kapitein Bodson heeft succes. Ze zullen zelfs de vorst van het gebied Mushaidi Ngelengwa (verbasterd door de Belgen tot Msiri) vermoorden. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij afgeschilderd als een brute, gewelddadige despoot. Maar we hebben een Afrikaanse visie op hem. Zijn zoon Mukanda Bantu beschreef het leven van zijn vader in zijn memoires. Mushaidi was oorspronkelijk afkomstig uit het gebied ten oosten van het Tanganika-meer (Nu West-Tanzania). Hij was er samen met de Swahili van de kust actief in de handel in ivoor en koper, en secundair ook in slaven. Hij beslist om zich bij de kopermijnen te vestigen. Mukanda Bantu vertelt het zo:

“Bij de Luapula-rivier ontmoette Mushaidi een vorst genoemd Kazembe Kinyanta. Die zei hem: ‘Welkom hier, maar leer mij enkele van uw remedies tegen ziekten.’ Mushaidi  gaf hem remedies tegen ondermeer de pokken. Inenting was in Mushaidi’s streek van origine al bekend: je deed enkele sneetjes in de huid op het voorhoofd, waar de neus begint en smeert ze in met een mengsel van olie en etter uit een pestbuil van een zieke. Ze noemden het kutema lulindi (beschermende insnijding). Mushaidi  kende Kazembe Kinyanta want die handelde met de Zanzibari’s in ruil voor geweren, munitie en balen stof.”

“Daarna trok Mushaidi naar vorst Katanga. Die ontving hem met open armen en gaf hem twee mukuba wa matwi, lange koperen staven van 90cm lang en 6cm breed met aan de uiteinden twee dwarsstaven van ieder 20cm. Daarop installeerde Mushaidi zich bij Katanga.” Na de dood van Katanga volgde hij hem op.

“Later trok Mushaidi ook naar vorst Pande. Die was oud en voelde zijn einde naderen  en schonk hem de omande-schelp en bij het volk van de Pande, de baSanga staat die gelijk met de kroon van Europese vorsten.”

Mushaidi bouwt zijn rijk op door één voor één de kleinere bestaande gemeenschappen op te slorpen. Hij zal daarop zijn rijk organiseren. De vorsten van de opgeslorpte gebieden of hun opvolgers blijven op post, maar nu als een soort gouverneurs van Mushaidi. Zijn hoofdstad Bunkeya maakt indruk op de eerste missionarissen die arriveren en zij noemen het “Neger Londen.” Rond de stad en overal in zijn gebied worden plantages van maniok, zoete patatten en yam aangeplant. Die worden op overheidsbevel geïrrigeerd tussen januari en maart. Verder vaardigt Mushaidi wetten uit en stelt een rechtsprocedure op. Daarbij worden nutteloze en bijgelovige gewoonten afgeschaft. De doodstraf werd beperkt en kon vervangen worden door schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer. Hij organiseerde de ivoorhandel, de zoutwinning en de mijnbouw. Op de kopermijnen werd toegezien door een vrouw, de Inafumu (Moeder van de Vorst). Zowel op ivoor, koper als zout hief hij hoge belastingen, in ruil kenden zijn onderdanen geen wetteloosheid of willekeur meer.

Het portret dat zijn zoon van hem ophangt , klopt dus helemaal niet met de koloniale geschiedschrijving. De Memoires van Mukanda Bantu werden dan ook gemarginaliseerd en zelden gebruikt. Te dissonant van de koloniale versie. Ook hoe Mushaidi aan zijn einde kwam laat ik zijn zoon vertellen:

Als de derde Belgische expeditie vraagt om zich onder de hoede en de autoriteit van Leopold II te stellen, antwoordt hij: ”Ik heb geen bescherming nodig. Ik ben de grootste koning van Afrika. Men zegt dat ik een despoot ben, maar ik regeer volgens de gewoonten van mijn volk.”

Na wat gepalaver doet hij soi-disant een toegeving: “OK, ik wil uw vlag aanvaarden, maar wat jullie bij hebben is veel te klein. Kom eens terug met een groter exemplaar”.

Het antwoord is duidelijk: “Als je onze vlag niet wil accepteren, dan zullen we je met geweld verplichten om het te doen.”.

Enkele dagen later arriveert de tweede in commando van de expeditie, Omer Bodson, aan het hof van Mushaidi.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri en Bodson

De blanke man Bodson kwam bij Mushaidi en zei: ‘Mushaidi, kom en sluit een vriendschapsverdrag met uw vriend hier.’ Mushaidi antwoordde: ‘Wacht ik roep mijn zonen om mij bij te staan. Ik ben een groot vorst en we zullen dat morgen regelen.’ Daarop antwoordde de blanke: ‘Neen, dat moet nu gebeuren!’  Mushaidi sprak: ‘Ik merk aan uw toon dat gij alles behalve als vriend komt, gij wilt mij doden.’  Toen ontstond er ruzie en de blanke trok zijn pistool en schoot op Mushaidi. Die probeerde nog zijn huis te bereiken maar viel dood neer. Daarop schoot een zoon van Mushaidi, Masuka de blanke dood en de soldaten die bij de blanke waren schoten daarop ook Masuka dood. Toen zond Stairs, leider van de Belgische expeditie soldaten met de opdracht om de blanke en Msiri bij hem te brengen. Ze droegen de blanke in een hangmat maar Mushaidi werd over de grond gesleept. Toen hakten ze zijn hoofd af en staken het op een stok van de pallissade van het fort van de blanken.

Graf Mushaidi in Bunkeya.

Van toen af was het koper Belgisch.

 

Lucas Catherine

(dit is een fragment uit mijn aangevulde en sterk uitgebreide Wandelen naar Kongo dat in september verschijnt)

July 10, 2019 at 10:18 am Leave a comment

De Koppensneller van Wetteren

Door Lucas Catherine

Op 30 juni vieren de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Emile Storms, standbeeld op het prestigieuze de Meeûssquarein Brussel.

Emile Storms. Standbeeld op de prestigieuze Brusselse de Meeûssquare.

 Bij een objectieve lezing van onze koloniale geschiedenis wordt algauw duidelijk dat witte helden eigenlijk slechterikken waren en de zwarte slechterikken lokale helden.

Die witte helden kregen standbeelden. Zo Emile Storms, (geboren in Wetteren 1846) die voor de Association Internationale Africaine in 1882 naar Centraal-Afrika trok. Die AIA was een coverorganisatie van Leopold II die hij gebruikte in zijn kolonisatiepogingen. Zo organiseerde hij vijf expedities die vanuit Zanzibar naar het Tanganika-meer trokken via de grote centrale handelsroute uitgebouwd door de Swahili en Wanyamwezi handelaren. De eerste expeditie had onder leiding van Ernest Cambier aan de oostelijke oever van het Tanganika-meer Karema gesticht, de eerste Belgische kolonie in Midden-Afrika. De volgende stap zou een kolonie op de westoever worden. Dat was de taak van Emile Storms die de vierde AIA-expeditie leidde. Hij koos Mpala uit op de Marungu hoogvlakte.

Marungu is de streek ten zuid-westen van het Tanganyikameer die de schakel vormde tussen de handelsroutes uit Katanga en de grote handelsroute naar de Indische Oceaan en de Swahili-kust. Vanuit Katanga vertrok vooral koper dat werd gedolven in de mijnen die beheerd werden door de lokale vorst Mushaidi (Msiri voor de Belgen). Op de centrale route werd naast slaven vooral ivoor verhandeld

Storms vertrok in 1882 uit Brussel en reisde via het Oost-Afrikaanse Zanzibar naar het westen, langs de handelsroute naar Tabora en zo naar het Tanganika-meer. Nog aan de oostelijke kant van het Tanganikameer vormde hij de in 1878 door Ernest Cambier gestichte AIA-post Karema om tot een versterkte burcht, die hij Fort Léopold noemde. Hij stak het meer over, naar wat nu Congo is, om er een nieuwe post uit te bouwen, Mpala, genoemd naar de lokale chef. Het vormde de toegangspoort tot Marungu en opende de weg naar Katanga. Later zou hij zich “Emile I, keizer van Tanganyika” laten noemen. Over Marungu heerste een sterke lokale vorst, Lusinga Iwa Ng’ombe. Storms beschrijft hem zo: “Je reçois la visite de Lusinga, quelle mauvaise figure ! Ce n’est peut-être pas le chef le plus important du Marungu, mais certainement celui qui est le plus craint. Il fait bon de s’en défier”

En Lusinga ziet de komst van Storms niet zitten: “vous venez au milieu de nous, vous ne pouvez pas nous mépriser. Si vous faites du mal à Mpala ou à l’un des siens, vous mourrez ; si vous lui faites la guerre, vous mourrez, tous les vôtres mourront et votre puissance finira. » Het conflict krijgt zijn beslag als Storms weigert om zoals gebruikelijk als betaling voor verkregen diensten munitie te leveren,. Het dorp van Lusinga wordt aangevallen en plat gebrand. Hijzelf wordt gedood en zijn hoofd op een spies naar fort Mpala gedragen. Nu komt Storms in volle actie en begint hij ook kleinere, lokale chefs te vermoorden waarna ook hun hoofden op de palen van de omheining van zijn fort worden gestoken. De staatsmacht van Leopold II is nu gevestigd.

De huiskamer van Storms.

Wanneer Storms in 1885 naar Brussel weerkeert heeft hij in zijn bagage massa’s buit, waaronder nogal wat kunstvoorwerpen (nu in Tervuren), onder meer een beeldje uit het huis van Lusinga dat jarenlang temidden andere trofeeën op zijn schouw in Elsene zal staan. Maar ook de schedel van Lusinga arriveert in Brussel, net als die van twee andere lokale vorsten, Maribu en Mpampa. Ze berusten nu in het Natuurhistorisch Museum van Brussel.

Dat deed Storms niet zo maar. Strauch, de nauwe raadgever van Léopold II, had hem  op 20 juli 1883 volgende raad gegeven : “Nous vous approuvons de consacrer vos loisirs à la formation de collections d’histoire naturelle. Ne vous pressez pas d’expédier en Europe vos échantillons. (…) Ne manquez pas non plus de recueillir quelques crânes de nègres indigènes si vous le pouvez sans froisser les sentiments superstitieux de vos gens. Choisissez autant que possible les crânes d’individus appartenant à une race bien tranchée, et dont le caractère n’a pas subi de modifications physiques par suite de croisements. Notez soigneusement le lieu d’origine des sujets, ainsi que leur âge quand cela est possible.”  

De schedel van Lusinga zal door antropoloog Emile Houzé (1848-1921) worden bestudeerd en hij komt tot de conclusie: “L’angle bi orbitaire est très ouvert, ce qui n’est pas un caractère pithécoïde, mais un caractère d’infériorité dans les races humaines.”

Dezelfde Houzé verdedigde toen trouwens de stelling dat Walen moreel en fysiek superieur waren aan Vlamingen.

Met dank aan onderzoeksjournalist Michel Bouffioux.

June 25, 2019 at 4:23 pm 1 comment

Onder Israël ligt Palestina en onder Tel Aviv ligt Jaffa.

Door Lucas Catherine

Over Witte en Zwarte steden.

Tijdens de kolonisatie heeft Europa zijn cultuur opgedrongen aan de landen en volkeren die het overheerste. Dat is ook te merken aan de koloniale architectuur. Europa exporteerde zijn toenmalige architectuur naar Afrika en het Midden-Oosten. Dit gebeurde op verschillende manieren, maar grotendeels kwam het hier op neer: Vaak negeerde men de bestaande lokale stad en bouwde er een nieuwe witte, Europese stad naast. Kon men de lokale cultuur niet echt negeren dan vond men volgens de koloniale ideologie die minderwaardig of onvolmaakt en men ging de stad een nieuw, ‘mooier’ uitzicht geven. Vooral de Fransen waren hierin actief. In Noord-Afrika bouwden ze volledig nieuwe steden, meestal in Art Deco, zoals Dakar, Kenitra of Casablanca. Casablanca telt nu nog 2.000 art-deco gebouwen.

Art Deco Dakar

 

Casablanca

Kenitra

Maar ze bouwden ook in Arabiserende stijl, Arabisances. Dat kwam zo: Gustave Le Bon, de eerste grote Franse specialist in Arabische kunst schreef in 1884 La Civilisation des Arabes. Hij vond dat de Arabische kunst, en dus ook de architectuur verstard was en moest vernieuwd worden. Die beschaving moest weer op gang worden getrokken en dat was dan ook de taak van de Fransen. En zo ontstond Arabisances. In Rabat, maar ook in Tunis zijn er talrijke voorbeelden van. In feite is het een vorm van Art Deco maar de decoratieve elementen gaat men zoeken in de architectuur van het Midden-Oosten. Zo vind men in Rabat gebouwen met gevels geïnspireerd op vroegere Egyptische architectuur. Zelfs benzinestations werden in die stijl gebouwd.

Rabat

Een ander voorbeeld van zo’n mengeling tussen Art Deco en Arabisances is Heliopolis door de Belg Empain naast Cairo gebouwd. De Belgen zelf hielden het in Congo bij gewone Art  Deco

Heliopolis

Kinshasha Leopoldville

 De Britten hebben minder architecturaal ingegrepen in hun kolonies, alhoewel. Zo vonden zij dat Zanzibar te Swahili en te Indiaas was en te weinig Arabisch. De meest Arabisch uitziende gebouwen in die stad zijn dan ook van de hand van J.H.Sinclair (°1871) en Majoor E.A.T. Dutton. Zij bouwden ondermeer het Kibweni Paleis en Beit el Amani.

Beit el Amani Zanzibar

 

Zowel de Fransen, de Britten als Empain zondigden hierbij tegen basisregels van de Arabische architectuur: geen ramen aan de buitengevels en gaanderijen liepen langs de binnenkoeren, niet langs de straatkant. Al deze Witte steden zijn ondertussen overgenomen door de voorheen gekoloniseerden en de kolonisator heeft zijn greep op de stad verloren.


Er is een uitzondering: de Witte Stad, Tel Aviv die de vroegere ‘zwarte’ stad Jaffa opslorpte en die nog altijd typevoorbeeld is van hoe de Europese zionisten Palestina koloniseerden. Jaffa was de politieke en economische hoofdstad van de Palestijnen.Tel Aviv begon als een voorstad van Jaffa. Het werd pas in 1934 een aparte stad.

Jaffa, of de Bruid van de Zee verkracht

أذكر يوماُ كنت بيافا

خبرنا خبر عن يافا

Ik herinner mij dat ik ooit in Jaffa was

Vertel mij over Jaffa…

(Chanson van Fairuz, op de LP Al Quds fi al Bal, Jeruzalem in mijn gedachten)

Jaffa was in de negentiende eeuw in volle expansie. Het was een van de belangrijkste havens in het Midden-Oosten. De Palestijnen noemden haar Urus al Bahr, Bruid van de ZeeVanaf 1850 installeren Russische, Franse, Britse en Duitse consuls zich in het land. Zij geven ons een tamelijk heldere beschrijving van de economie. Uit hun rapporten blijkt dat Palestina nogal wat producten uitvoert. Vanuit Jaffa vertrekken zeep, olijfolie, fruit en groenten naar Egypte; sesamzaad, olijfolie, granen en katoen naar Frankrijk, gierst naar Groot-Brittannië en wordt er verder ook nog geëxporteerd naar Syrië, Griekenland, Italië en Malta. De Palestijnse economie kent in de jaren 1850 een sterke opgang in de graanteelt, in de jaren 1860 gevolgd door de katoenteelt.

En dan zijn er de sinaasappels. Vanaf de achttiende eeuw stond Palestina echt bekend om zijn sinaasappelen. Na het einde van de Krimoorlog in 1856 raakte de export van appelsienen in een stroomversnelling. Jaffa zelf had grote plantages (zie kaart uit 1905) maar was ook de uitvoerhaven voor de plantages in heel de streek tot Gaza, vandaar dat dit de merknaam werd. In 1873 – het zionisme moest nog worden uitgevonden – telde de streek rond Jaffa al 420 sinaasappelplantages met een jaarlijkse productie van 33,3 miljoen stuks. Na 1875 veroveren de Jaffasinaasappelen onder die merknaam de Europese markt. In een rapport uit 1880 noteert de Britse consul in Jeruzalem dat de beste belegging in Palestina de citrusplantages zijn. In 1886 vestigt de Amerikaanse consul Henry Gillman in een rapport aan Washington de aandacht op de geavanceerde enttechnieken van de Palestijnse boeren: ‘Het zou nuttig zijn dezelfde technieken in Florida toe te passen.’ Een andere Britse consul rapporteert in 1893: ‘De sinaasappelbomen uit Palestina zijn superieur aan die in de andere kolonies. Zowel in Zuid-Afrika als in Australië zou men er goed aan doen boompjes uit Jaffa te importeren.’

In 1858 bedroeg de waarde van de export uit Jaffa 12.244 Turkse pond (Palestina was tot WO I onderdeel van het Turks-Ottomaanse Rijk). In 1882 was dit verdrievoudigd tot 37.802 Turkse pond. En de bevolking groeide aan. De haven bood werk. Er ontstonden nieuwe wijken in de stad. Ten noorden, rond de haven groeide vanaf WO I de wijk Manshieh. Ze ontwikkelde zich in het duinengebied langs de zee.

Er arriveerden zelfs Europese christelijke sekten. De Duitse protestantse sekte van de Tempeliers sticht in 1871 haar eerste kolonie, Sarona net ten noordoosten van Jaffa en nu ook onderdeel van Tel Aviv (Hakiryat). Zij kwamen uit Schwaben en noemden zich naar de Orde der Tempeliers die aan de kruistochten deelnamen.

Maar er arriveerden ook de eerste Europese joden. Zij vestigden zich eerst binnen de stad Jaffa in wijken die ze hebreeuwse namen gaven: Neve Zedek (Huis der Rechtvaardigen,1887) en Neve Shalom (Huis van Vrede). Die grensden aan Manshieh. Wanneer na 1897 de eerste Europese zionistische kolonisatoren arriveren kopen die van groot-grondbezitters tuinen en plantages op die meer landinwaarts lagen, achter de duinen. Een spilfiguur hierbij was de in Jaffa geboren bouwondernemer, Yosef Chelouche. Er arriveerden ook Jemenitische joden, aangetrokken door de economische bloei van Jaffa. Zo ontstond in 1904 de meest noordelijke joodse wijk, Mahane Israël (nu Kerem Hateimanim, ‘De Jemenitische Wijngaard’). Het was een soort buitenwijk van Manshieh. Hier lag de basis van wat later Tel Aviv zou worden. De mythe zal later willen dat het een andere wijk was, het vijf jaar later gestichte Ahuzat Bayit. (zie infra).

De Witte stad, gebouwd op de Duinen.

De eerste joodse wijk in wat later Tel Aviv zou worden was dus de Jemenitische wijk van Manshieh. In 1906 stichten Europees-joodse kolonisten de vereniging Ahuzat Bayit (Thuis-stad). Zij zullen via stromannen om de Ottomaanse overheid te misleiden, een strook land van 4ha aankopen en de 60 plots onder elkaar verloten. Daarvoor hadden zij inderdaad duinengebied uitgekozen. Alhoewel, de plek heette in het Arabisch Karm Jebali (Wijngaard op de Heuveltop) en het heeft drie jaar geduurd eer de bedoeïenen die er semi-permanent verbleven konden worden weggewerkt. Deze wijk Ahuzat Bayit slorpte in 1909 drie voorheen gestichte kolonies op: Neve Tzedek, Neve Shalom en Mahane Yehuda (Het Joodse Kamp) en de nieuwe entiteit koos voor de naam Tel Aviv.

Wat het huidige Tel Aviv betreft is het duidelijk als je kaarten uit 1898, 1905 en 1917 vergelijkt dat het grootste gedeelte van het oude Tel Aviv is gebouwd op wijngaarden, tuinen en boomgaarden en dat Arabisch Manshieh op duinzand werd gebouwd. De Israëlische architect Sharon Rotbard heeft het overtuigend aangetoond in zijn boek White City, Black City waaruit ik trouwens ook erg veel andere informatie heb gehaald.

Baedecker 1905

De kaart van Baedecker is erg duidelijk, waar collines de sablestaat kwam Arabisch Manshieh daarachter lagen vignobles/wijngaarden en verder grote stukken brande/schorren. Schorren zijn begroeide, overstromingsgevoelige stukken land waarop aan landbouw of veeteelt kan worden gedaan. Denk aan het Brusselse Schaarbeek dat eigenlijk (en in het Brussels nog altijd) Schorrebeek heet. Het dorp Summeil en zijn tuinen lag op zo’n schorre en ook het gehucht Abdel Nebi. De citrusplantages lagen rond het dorp Abu Kebir.

Onder het Ottomaans bewind waren er nog geen grote problemen omdat de overheid de Europese kolonisatie afremde. De problemen kwamen er echt nadat de Britten na WOI het bestuur over Palestina overnamen en de zionistische kolonisatie officieel steunden. Toen ontstond ook het eerste verzet. In 1909 was in Jaffa trouwens al de antizionistische krant Filastin verschenen. Er volgden revoltes tegen de kolonisatie in de jaren 1920 en 1930. Telkens was Jaffa één van de centra.

Daarop besloten de kolonisten om Tel Aviv van Jaffa de facto af te scheiden. De immigratie werd opgedreven en in de jaren 1920 vertwintigvoudigde de bevolking van Tel Aviv (van 2.804 naar 42.000 inwoners). Ze begonnen ook met de aanleg van een eigen haven, apart van Jaffa.

Na WOII wilden de zionisten niet langer een staat in de staat zijn, maar hun eigen staat creëren. Dat gebeurde met geweld en moord. 418 Palestijnse dorpen werden verwoest en de bevolking verdreven. En Tel Aviv deed mee. In 1948 slorpte de stad alle Arabische buurdorpen van Jaffa op: Summeil, Ajami, Jabaliya, Abu Kebir en Sheikh Muwanis. Al die dorpen werden grondig verwoest en gebulldozerd, nadat hun Palestijnse inwoners manu militari werden verjaagd, net zo in Jaffa, dat in 1954 een deelstad van Tel Aviv werd.

Summeil-Masudiya

Die aanval tegen de buurdorpen werd al ingezet, nog voor de staat Israël op 15 mei werd uitgeroepen en ondanks het feit dat die dorpen zich alles behalve vijandelijk opstelden. In december 1947 vergaderden de mukhtars (burgemeesters) van onder meer Sheikh Muwanis en Summeil met de zionistische militie en stelden zich vriendschappelijk op. Toch werden deze dorpen in februari 1948 al vernietigd en etnisch gezuiverd. Op de plek waar eens Sheikh Muwanis lag staat nu de Universiteit van Tel Aviv.

De eerste dichtbevolkte wijk van Jaffa, Al Manshieh werd vanaf 25 april veroverd door Etzel, de zionistische militie die sympathiseerde met Mussolini en die onder leiding stond van de latere premier Menahem Begin.

Manshieh 1948

Abu Kabir

Daarna volgde Jaffa zelf dat voor 75% werd gebulldozerd en de inwoners verdreven, op zo’n 3.650 na die werden samengedreven in de zuidelijke wijk Ajami. In 1954 werd Jaffa herleid tot een hippe wijk van Tel Aviv.Van Jaffa blijven nu nog enkele kleine relicten over, voor toeristisch gebruik: De Sint-Pieterkerk, de moskee, het kanon van Napoleon, de Andromeda-rots en een pseudo-historische wijk, eerder een tourist-trap. De verovering van Jaffa verliep erg gewelddadig. Zwaar mortiergeschut dat hele woonwijken plat bombardeerde. Massaal gebruik van terreur: vanaf de heuvels werden ‘barrel bombs’ naar beneden gerold. Zo rolden twee leden van Etzel, Chelbi ben David en Shaul Bador zo’n bomvat binnen in café Venezia naast de Al Ahamra-cinema die veertig burgerdoden maakte. Die terroristen zijn nu Israëlische nationale helden.Dan volgde het plunderen. Om mij te beperken tot een zionistische bron:

De Irgun (Etzel) soldaten begonnen te plunderen. Eerst kleren, bloesjes en juwelen voor hun liefje, maar daarna begonnen ze systematisch te plunderen, alles wat maar kon meegezeuld worden: meubels, tapijten, schilderijen, huisraad, serviezen, bestek… en wat ze niet konden meenemen werd systematisch vernietigd: ramen, piano’s, lusters, een ware vernielorgie.“ Jon Kimche, Seven Fallen Pillars, Londen 1950.

Sheikh Muwanis is nu Ramat Aviv, Salama: Kfar Shalem, Manshieh: the City, Summeil: Givat Amal en Jamassin: Bavli.Ter eer en glorie van deze fascistische Etzel-militie werd Etzel House opgericht op het puin van het enige overblijvende huis van Arabisch Manshihe. Over het puin werd een grote glazen kubus gebouwd.

Etzel House, het museum van de overwinnaars.

Om de tekst te citeren op de gedenkplaat binnen: “from the shattered walls of the old building grow dark glass walls… An attempt to freeze the special moment and time of the day that Jaffa was liberated.” Maar over hoe Jaffa werd ‘bevrijd’ geen woord. Sharon Rotbard vergelijkt het architectonisch concept van dit museum met de Ruinenwerttheorie “Waarde van Ruïnes”-theorie van Albert Speer. En concludeert over dit Etzel-museum: “Never before in the history of architecture has such an ugly truth been displayed in such a false, spruced up manner.”

De Bauhaus-stad

 

In 2003 voegde Unesco Tel Aviv toe aan de lijst van het Werelderfgoed: “The White City of Tel Aviv is a synthesis of outstanding significance of the various trends of the Modern Movement in architecture and townplanning in the early part of the 20th century.”

Daarop lanceerde men in Israël de mythe dat Tel Aviv niet alleen een witte stad was, maar ook een Bauhaus-stad, een stad van de International Style. De witte elite van Israël bestaat vooral uit Askenazi joden, en dat woord betekent in het Hebreeuws: Duits. In het jiddish-Duits heten ze Yekkes. Het zijn zij die in 1933 met de nazi’s een samenwerkingsakkoord afsloten waarin een transfer van mensen en kapitaal werd vastgelegd. ‘Transfer’ is in het Hebreeuws ‘ha’avara’. Als gevolg van deze Ha’avara-akkoorden kregen tussen 1933 en 1939 16.000 kapitaalkrachtige Duitse joden toestemming om naar Palestina te emigreren en om 31.570.000 toenmalige ponden (nu miljarden euro) te transfereren. Zij werden de economische elite. Een van de bedrijven die ze oprichtten was de Nesher cementfabriek, de grootste industrie van toenmalig Palestina. Nesher is Hebreeuws voor Adler, Adelaar. Alles wat Duits is, is kwaliteit vinden de Yekkes en zij schreven dan ook de geschiedenis van Tel Aviv. Een Witte Stad met Duitse origine, dankzij een link met Bauhaus, de befaamde architectuurschool in Dessau. En het verhaal dat Tel Aviv een soort annex van de Duitse cultuur zou zijn werd in Duitsland zelf gretig overgenomen.

Maar klopt dat? Tel Aviv zou een witte stad zijn, maar eigenlijk is het een blanke stad. Veel wit zie je niet. Toen de bekende Franse architect Jean Nouvel in 1995 de stad bezocht was hij zwaar ontgoocheld: Men heeft mij verteld dat dit een witte stad is. Zie jij ergens wit? Ik niet.” Het is een grijze, vale stad.

Is het een Bauhaus stad? Nu zijn er wel vier Israëli’s die aan de Bauhaus-school hebben gestudeerd: Shlomo Bernstein, Munio Weinraub-Gitai, Shmuel Mechtekin en Aryeh Sharon. Maar zij hebben nooit een groep gevormd of samen gewerkt onder de naam Bauhaus, want zei Aryeh Sharon in een interview: “Bauhaus is geen concept, laat staan een uniforme instelling.” En vooral, ze werkten na WO II, terwijl de gebouwen die nu in Tel Aviv “Bauhaus-Style” worden gecatalogiseerd dateren uit de jaren 1920.

Maar de overgrote meerderheid van de architecten die volgens de “Bauhaus Style” in Tel Aviv actief waren hebben in Frankrijk of België gestudeerd en werden niet door Bauhaus beïnvloed maar door de Franse koloniale architectuur van ondermeer Le Corbusier, daarom dat Tel Aviv zo gelijkt op Algiers of Casablanca. In België studeerden: Haim Casdan (Brussel), Benjamin Ankstein (Brussel) en een van de bekendste Israëlische architecten, Dov Karmi (Universiteit Gent, 1929.)

Om tot slot nog eens Sharon Rotbard te citeren: “In tegenstelling tot Tel Aviv zijn de witte regeerders uit Casablanca, Algiers of Dakar vertrokken en blijven nog alleen hun gebouwen over. In Tel Aviv overheerst nog altijd de cultuur van de witte regeerders en nu meer dan ooit. Tel Aviv is dan ook een voorbeeld tot wat Casablanca, Algiers of Dakar waren geworden als de Franse kolonisatie was blijven verder duren.”

 

Lucas Catherine, vanuit zijn art-deco appartement in Brussel.

December 20, 2018 at 11:51 am Leave a comment

KABILA OF KABILA Deel 2

Dat de Congolese president Joseph Kabila op de valreep heeft beslist geen kandidaat te zijn in de al vaak uitgestelde presidentsverkiezingen zou volgens de New York Times te maken kunnen hebben met Amerikaanse druk. De krant verwijst naar de Britse Financial Times die schrijft dat de regering Trump dreigt met financiële sancties als Kabila zich aan de macht zou vastklampen. Vorig jaar al kondigde het Amerikaanse  Treasury Department (Ministerie van Financiën) sancties aan tegen generaal François Olenga, één van de hoogste militairen in Kabila’s kring en in december vorig jaar trof hetzelfde lot Dan Gertler, een Israëlische zakenman (1,2 miljard dollar waard volgens Forbes) en vertrouweling van de president.

Verkiezingen dus zonder Kabila maar of dat voor de Congolezen veel zal veranderen is meer dan twijfelachtig schrijft Walter Zinzen in deze bijdrage.

Johan Depoortere

CONGO: EN NU?

Door Walter Zinzen

Nu er officieel een “dauphin” is voor president Kabila is de kans weer een beetje groter dat er op 23 december écht verkiezingen gaan gehouden worden. Maar nu al staat vast dat die verkiezingen niet eerlijk zullen verlopen, al was het maar omdat de grootste kanshebber om ze te winnen niet kan meedoen.

Moïse Katumbi

Het gaat om Moïse Katumbi, de populaire ex-gouverneur van de mijnprovincie Katanga. Na een ballingschap van twee jaar in België wou hij terugkeren naar Congo om er zijn kandidatuur in te dienen. Maar toen hij vanuit buurland Zambia Congo wou binnen rijden werd de grenspost gesloten. Daardoor werd ook de export van grondstoffen onmogelijk. Volgens ingewijden kwam dat de Congolese staat op een verlies van 20 miljoen dollar per dag te staan. Bij schermutselingen tussen “ordetroepen” en aanhangers van Katumbi, die hem wilden verwelkomen, vielen vijf doden en zestien gewonden. Want zo gaat dat in het Congo van Kabila : op tegenstrevers wordt met scherp geschoten. En dat was ook het geval toen de “dauphin,”  Emmanuel Ramazani, minister van Binnenlandse Zaken was.

De vraag rijst nu of Jean-Pierre Bemba, die na zijn verlies bij de verkiezingen in 2006, een gewapend conflict met Kabila-troepen uitvocht in de straten van Kinshasa, wel zal kunnen meedoen. Het zou best kunnen dat het Grondwettelijk Hof – volgepropt met Kabila-papegaaien – zijn kandidatuur als “onwettig” zal afwijzen. Ook Bemba is populair, zeker in Kinshasa, waar iedere politicus die tegen Kabila is, op handen wordt gedragen.

Fundamenteler nog om aan de waarachtigheid van verkiezingen te twijfelen is de onveiligheid die in heel wat streken heerst. In de bijna twee jaren dat Kabila ongrondwettelijk geregeerd heeft (vanaf eind 2016) zijn chaos en terreur onrustwekkend toegenomen. In het Oosten heerst die onveiligheid al meer dan 20 jaar en Kabila is er niet in geslaagd (of heeft niet gewild) de tientallen milities, die er opereren, te ontwapenen of zijn eigen leger tot fatsoenlijk gedrag tegenover de bevolking aan te manen.

Ingewijde waarnemers maken gewag van een vergadering met de chef van één van de veiligheidsdiensten een tweetal jaren geleden. Die chef zou daar aangekondigd hebben dat hij een aantal streken zou destabiliseren. Bedoeling : ervoor zorgen dat de mensen andere zorgen hebben dan verkiezingen, die maar niet komen. De eerste streek was de provincie Tanganyika, het vroegere Noord-Katanga. Daar leven al sinds mensenheugenis Twa (een pygmeeënvolk) en Baluba vreedzaam samen.

Jaynet Kabila. Radio Okapi/ Ph. John Bompengo

Tot Jaynet Kabila (1), de tweelingzus van Joseph, zich ermee moeide. Volgens betrouwbare getuigen heeft ze de Twa bewapend en opdracht gegeven Baluba te doden. Een vergelijkbaar scenario speelt zich af in West-Kasai, dat eveneens op het lijstje van de veiligheidschef stond. Daar zaait de militie van een traditionele chef dood en vernieling. Het Kabila-leger treedt er met ongeëvenaarde wreedheid op, niet alleen tegen de militie, maar vooral tegen de burgerbevolking. Gevolg: duizenden slachtoffers en vier miljoen vluchtelingen. In Beni, Noord-Kivu, eveneens genoemd, zijn het dan weer zogenaamde islamisten, die de bevolking terroriseren. Maar zelfs het falende Congolese gerecht heeft vastgesteld dat de moordenaars in feite opgeleid en getraind worden in legerkampen. Voeg daarbij dat duizenden gedetineerden gelijktijdig konden ontsnappen uit gevangenissen in Kinshasa, Goma en Kisangani. Ze zijn letterlijk verdwenen in de brousse, waar ze, zo denkt iedere Congolees, opgevangen werden door één van de vele gewapende bendes.

Hoe je in al die gebieden verkiezingen in peis en vree kunt organiseren is een raadsel. Wel zijn de mogelijkheden tot fraude legio.

Emmanuel Ramazani, de kroonprins

In die omstandigheden is het niet moeilijk te voorspellen hoe de nieuwe president zal heten : Emmanuel Ramazani. Hij hoeft zelfs geen handpop te zijn van de toekomstige gewezen president. Hij is gepokt en gemazeld in het Kabila-kamp. En zal hij meer doen dan de stoel warm houden? In het nieuwe parlement zal het vol zitten met Kabilisten (dankzij de fraude). Die keuren dan een wijziging van de grondwet goed, waardoor de president verkozen wordt door het parlement. En Kabila jubelend terugkeert. Ook is het mogelijk de verkiezingen toch nog te annuleren en het huidige parlement de grondwet te laten veranderen. Te gek voor woorden? Dat heb ik ook lang gedacht. Maar het scenario blijft rond zingen.

Er is echter nog een ander scenario mogelijk. Dat het Congolese volk, of delen ervan, het schaamteloze bedrog niet meer pikt en in opstand komt. Waardoor de Kabilistische repressie pas echt op volle toeren gaat draaien. Het doet er dan niet eens meer toe wie er in naam president is.

Eén waarheid blijft evenwel overeind: voorspellingen over Congo hebben al 60 jaar de eigenschap onjuist te zijn. Een magere troost, dat wel.

Een versie van dit artikel verscheen eerder in De Standaard van 10 augustus 2018

  1. Over Jaynet en haar rol in het zakenimperium van de Kabila’s zie: https://www.bloomberg.com/news/features/2016-12-15/with-his-family-fortune-at-stake-congo-president-kabila-digs-in

August 10, 2018 at 8:11 pm 1 comment

Kabila of Kabila

“Alles veranderen zodat alles hetzelfde blijft,” dat was het devies van de Spaanse dictator Franco toen hij zijn dictatuur een “democratisch gezicht” probeerde te geven. Het lijkt het motto te zijn van veel dictators – neem nu de Congolees Joseph Kabila, al 17 jaar aan de macht en niet van plan dat te veranderen. Lees het stuk van Walter Zinzen: of er verkiezingen komen of niet en wie ze ook wint de echte winnaar zal Kabila zijn.

Waarom de zoon van de “revolutionair” Laurent-Désiré zich zo hardnekkig aan de macht vastklampt wordt duidelijk als je het indrukwekkende dossier leest op de website van de Bloomberg Media Group – niet bepaald een extreem-linkse publicatie. Kabila en zijn familie graaien schaamteloos in de vetpotten en beschouwen de rijkdom van Congo als hun privé-bezit. Dat gaat zover dat mensen worden verjaagd en hun huizen vernietigd omdat de president op hun grond een luxeverblijf wil optrekken. Het gaat om niet minder dan 300 mensen op 600 ha. Journalisten en mensenrechtenorganisaties die daartegen protesteren worden vervolgd: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/07/26/onderduiken-voor-bedreigingen-door-regime-kabila/ 

Door Walter Zinzen

Vooreerst het schijnbaar goede nieuws : veel wijst er op dat er eind dit jaar in Congo wel degelijk verkiezingen komen. De “onafhankelijke” kiescommissie is klaar met het registreren van de kiezers, kandidaten melden zich voor een zitje in een of andere assemblee. De regering beweert al 200 miljoen dollar te hebben uitgegeven aan de voorbereiding van de verkiezingen. Maar schijn bedriegt . Tegenstanders van het regime beweren dat niet minder dan 6 miljoen namen, die op de kieslijsten staan, frauduleus zijn, o.m. omdat er geen vingerafdrukken zijn genomen.

Joseph Kabila, sinds 2001 aan de macht

Nog meer zorgen baren de stemcomputers die de kiescommissie heeft aangekocht. Die komen uit Zuid-Korea en de regering van dat land heeft laten weten dat ze onbetrouwbaar zijn. Het zijn geen stemcomputers maar bedrogscomputers briest de oppositie. Maar de meerderheidspartijen briesen even hard terug : geen computers? Dan ook geen verkiezingen. Waarbij niemand zich de vraag stelt hoe computers moeten functioneren in een land waar elektrische stroom helemaal niet of heel sporadisch aanwezig is.

Maar al die zorgen verzinken in het niets bij hét grote vraagstuk dat de Congolese politiek nu al jaren bezig houdt. Zal president Kabila een derde ambtstermijn ambiëren, schoon de grondwet ’t hem verbiedt, of zal hij op 1 januari volgend jaar ambteloos burger zijn? Op 8 augustus ten laatste moeten de kandidaturen binnen zijn. Het ziet er naar uit dat we tot de 7° moeten wachten om eindelijk te weten of Kabila zich aan de macht vastklampt dan wel een schertskandidaat in het veld stuurt, die hem toelaat in het verborgene aan de touwtjes te blijven trekken.

Voor die laatste mogelijkheid heeft het Congolese parlement alvast de rode loper uitgerold. Het heeft een wet goedgekeurd die het statuut vastlegt van “gewezen verkozen presidenten” , een wet die geschreven is op het lijf van Kabila. Hij krijgt een belastingvrij pensioen en een jaarlijkse vergoeding voor “bewezen diensten aan de natie” (bedragen worden niet genoemd), een “fatsoenlijke” woning voor hemzelf en zijn familie, twee auto’s, twee lijfwachten en permanente bewaking van zijn residentie, 10 man personeel voor zijn huishouding, gratis bureaus voor zijn secretariaat, waar 6 mensen mogen werken op kosten van de staat, gratis brandstof, gratis verbruik van water en elektriciteit, gratis telefoon, gratis gezondheidszorgen in binnen- en buitenland voor zichzelf, zijn partner en zijn minderjarige kinderen. Met zo’n statuut kan Kabila ongestoord zijn activiteiten aan het hoofd van zijn economisch miljardenimperium voortzetten. Daar draait tenslotte alles om. Waarom zou hij dan nog per se president willen blijven?

Goede vraag. Toch denkt vrijwel iedereen dat Kabila op 8 augustus opnieuw kandidaat zal zijn. De katholieke kerk – eerder al de motor achter grote protestacties – organiseert half augustus nieuwe demonstraties van allerlei aard om Kabila tot aftreden te dwingen. Zo zeker is ze dat Kabila wel degelijk gewoon wil aanblijven. Het scenario ligt al klaar. Zijn adviseurs hebben bedacht dat hij in 2006 de verkiezingen in twee beurten heeft gewonnen, in 2011 echter in maar één beurt. Dus heeft hij nog één beurt te goed en overtreedt hij de grondwet niet door opnieuw kandidaat te zijn. Kabila zelf heeft er alvast voor gezorgd dat het Grondwettelijk Hof deze juridische spitsvondigheid zal accepteren. Hij heeft het Hof, in ware Trump-stijl, vol gepropt met slaafse volgelingen.

Jean-Pierre Bemba

Moïse Katumbi

Ondertussen zit ook de oppositie niet stil. Jean-Pierre Bemba, die al in 2006 tegen Kabila opkwam , is na zijn vrijlating door het Internationaal Strafhof, opnieuw kandidaat (1). Dat is op het eerste gezicht slecht nieuws voor Moïse Katumbi, de populaire ex-gouverneur van Katanga, die al twee jaar in ballingschap in België verblijft. Mocht hij naar Congo terugkeren dan wordt hij stante pede gearresteerd , want Kabila heeft ervoor gezorgd dat een aantal gerechtszaken tegen hem lopende zijn. En als kers op de taart is zijn paspoort ingetrokken door de Congolese overheid en wordt hem een nieuw geweigerd. Het regime beweert dat Katumbi geen Congolees is maar een Italiaan. (Zijn vader is Italiaan, vandaar…) Volgens de Dienst Vreemdelingenzaken verblijft Katumbi dus illegaal in België. Dat hij kan deelnemen aan de presidentsverkiezingen is op dit moment zo goed als uitgesloten.

Generaal John Numbi

Generaal Gabriel Amisi

Hoe dan ook : als die verkiezingen op 23 december inderdaad plaats vinden, dan is de winnaar nu al bekend. Het is ofwel Joseph Kabila in persoon of het is Joseph Kabila via een handpop. Daar zullen fraude en staatsterreur voor zorgen. Dat Kabila zopas twee gewetenloze schurken herbenoemd heeft in leidende functies bij het leger doet ergste vermoeden. De generaals John Numbi en Gabriel Amisi (2) hebben beide een reputatie te verliezen in het gewelddadig onderdrukken van burgerprotesten. Het is te vrezen dat er nog veel bloed in Congo zal vloeien.

Een versie van dit artikel verscheen eerder in De Standaard

  1. Bemba is intussen naar Kinshasa teruggekeerd. Zie: VRT NWS
  2. Ook Amisi is niet vies van de Congolese vetpotten: Zie Politico

August 2, 2018 at 3:41 pm 1 comment

Het Brussel van Elsschot

 

Wie Elsschot zegt denkt Antwerpen. De film Lijmen Het Been van Robbe De Hert met onder andere Mike Verdrengh en Koen de Bouw heeft de koekenstad als decor. Dat klopt niet met het boek van Elsschot en ook niet met de realiteit waarop het gebaseerd is: het tragikomische verhaal van Boorman, mevrouw Lauwereyssen en Frans Laarmans speelt zich af in Brussel, en wel in het historische hart van de hoofdstad waar reclameman Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, zijn bureau en zijn stamcafé had, wellicht het “café van Dikke Jeanne.” Elsschot en Brussel, het is een band die onbekend en onderbelicht is en daar wil een andere Brusselaar iets aan doen: Lucas Catherine met name die in Elsschots oude buurt woont en die eerder naam maakte als eminente kenner van het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijns conflict. Het verband tussen die twee – Elsschot en de Arabische wereld – legt hij hieronder zelf uit.

Johan Depoortere

Tachtig jaar geleden verscheen Lijmen/Het Been als één boek.

Misschien denkt u nu, hoe komt het dat Lucas Catherine die toch vooral over Kongo, de Arabische wereld en Islam schrijft, het over Willem Elsschot heeft? Wel dat is een heel verhaal:

In 1979, toen nog geen journalist het woord jihad had gebruikt kocht ik het zeer academische boek: The doctrine of Jihad in Modern History. In de eerste paragraaf viel al de eerste voetnoot, en wel bij de zin: of all Islamic institutions, jihad is certainly the one that offers the most admirable ressources for studies on the inexhaustible and complex theme of the relationship between Islam and Western colonialism.1

De auteur had hier duidelijk de marmer- en piano-tekst van Boorman en Laarmans uit Lijmen/Het Been toegepast. Dit is de oorspronkelijke Elsschottekst: De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigeux et inépuisable thème de la décoration.

En van het een komt het ander en heb ik Lijmen/Het Been herlezen en wat bleek voor mij als Brusselaar: Je kon dat boek gebruiken als een soort historische gids om mijn wijk, de Vismet en dat is dus de oude Brusselse haven te leren kennen tijdens de Belle Epoque en het Interbellum.

untitled--2

Het echtpaar Elsschot op wandel in Laken, bij het Chinees Paviljoen (foto Letterenhuis)

Willem Elsschot heeft tussen 1911 en 1914in Brussel op nogal wat adressen gewoond: Waterloose steenweg 41 (St-Gillis); Waverse steenweg 929 (Oudergem) en in Laken, Bockstaellaan 237, 3deetage boven Café Le Cygne (patronne: Dikke Jeanne), nu bakkerij. Hij vlucht naar Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog, maar zal Brussel iedere donderdag bezoeken, onder andere om zijn kleinzoon Tsjip in Ukkel te zien (E. Cavellstraat 106), stad waar hij ook naar toevlucht tijdens WO II.

Je mag niet vergeten dat ook zijn La Revue Continentale Illustrée = Algemeen Wereldtijdschrift voor Handel, Financiën, hier in Brussel op meerdere adressen gevestigd was, oa Quai des Charbonnages 74, Koolmijnenkaai, Molenbeek en in oktober 1913 : Brandhoutkaai 51 (Vismet, nu Citadinnes). Wat ook nogal eens vergeten wordt is dat hij een reclamebureau bezat: La Propagande Commerciale met een kantoor in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort .

Alfons De Ridder heeft zijn pseudoniem, Willem Elsschot in Brussel gelanceerd, maar het verwijst eigenlijk naar een dorp in Limburg van waaruit zijn moeder afkomstig was. Ook zijn eerste roman Villa des Roses heeft hij van hieruit uitgegeven. Het contract met de uitgever schreef hij neer op briefpapier van La Revue Continentale/ Het Algemeen Wereldtijdschrift.

Cover Revue Continentale Illustrée (bibliotheek Ugent)

Elsschot zei zelf: Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op één of andere manier van af moest komen. De gebeurtenissen in de boeken hebben zich ook in de werkelijkheid voorgedaanIk heb feitelijk niets anders dan een dagboek bijgehouden.

Brussel, en dan vooral het Brussel van net voor de Grote Oorlog is dan ook erg goed te herkennen in Lijmen/Het Been.Gezien al die adressen heeft Elsschot nogal wat rond gehangen in onze stad en zich verplaatsen was toen nog geen probleem. Brussel had net de paardentrams vervangen door elektrische trams en het centrum was prima verbonden met voorsteden als Ukkel, Sint-Gillis, Oudergem, Elsene of Laken. Zo zong Jef Casteleyn op de wijze van de Marseilleise

Pour admirer notre Belgique

Comme la richesse elle l’a changée

On voyait des trams éléctriques

Remplis de Belges et Etrangers

En de auto’s verschenen in het stadsbeeld. Het eerste Brusselse autosalon werd al in 1899 georganiseerd in de Pôle Nord (tussen de Kathelijnekerk en het de Brouckère plein) en vanaf 1902 gebeurde dit jaarlijks in het Jubelpark.De auto zou de trein gaan beconcurreren, of zoals Korthals het tegen Boorman uitlegt: Vroeger werden onze lieve doden gewoon per spoor verzonden, net als haring. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief tot eindelijk onze veertien (zijn gemotoriseerde lijkwagen) aan die gruwel een einde heeft gemaakt. 

Leopold II voorziet in zijn testament al de aanleg van de eerste autoweg Brussel-Oostende.

De Vismet met de Brandhoutkaai (collectie Plaizier)

De Vismet vandaag

Tussen smederij Lauwereyssen, Vlaamse steenweg 62, en het redactieadres van La Revue Continentale Illustrée lag de vroegere haven. Ze werd stelselmatig gedempt. Het dok dat voor het nummer 51 van de Brandhoutkaai lag was het laatste en verdween één jaar voor Elsschot er kwam werken. De Vismarkt werd er opgericht, tussen de Kathelijnekerk en de Populierstraat, maar het noordelijk deel van wat we nu nog de Vismet noemen werd chic. De cavitjes en kabberdoesjen die typisch waren voor de havenwijk ruimden plaats voor meer burgerlijke gebouwen. En ook de industrie rond de haven trok weg: de duurte van de grond, waardoor de meeste fabrieken de wijk moeten nemen uit het centrum, zoals Boorman de toestand samenvatte aan mevrouw Lauwereyssen..

De Varkensmarkt, aan het einde van de Vismet, werd verbreed, net als het kanaal. En parallel met de Vismet werd de Dansaertstraat aangelegd als veel bredere concurrent voor de smalle Vlaamse steenweg. Wat nog eens de grondprijs de hoogte in joeg en van de Vlaamse Steenweg een ingesloten populaire wijk maakte tussen riante nieuwbouw. Het wordt haast een Vergeten Straat, denk aan haar beschrijving in het Algemeen Wereldtijdschrift: Kent gij de rue de Flandre? Bezoekt haar en lezer, ook al had gij haar bestaan niet vermoed, en gij zijt ons dankbaar, niet? Want geen gids ter wereld, ook niet het reisbureau Orient, dat anders van aardige hoekjes afweet, had u er nooit heengebracht…Lezer gij hebt nu een hoekje van Brussel bezocht, waarvan gij het bestaan niet had vermoed.

Vlaamse Steenweg (collectie Plaizier) “En zo was ik met mijn rouwende drijver op een onzalige voormiddag toevallig in een zijstraat van de Chaussée d’Anvers terecht gekomen, niet ver van de Rue de Flandre waar Lauwereyssen en dikke Jeanne zaken deden. De groentemarkt was in volle gang. Er stonden talloze handkarretjes, ieder met een schreeuwend wijf, en op het trottoir verdrongen zich de koopsters alsof er voor allen niet genoeg zou zijn.” (Het Been – OP DE MARKT)

Café op de Vlaamse Steenweg: de inspiratie voor “het café van Dikke Jeanne?”

Langs de grote centrale lanen die onder Leopold II waren aangelegd over de gedempte Zenne, vestigden zich de eerste grote luxe restaurants. De vreemdeling die door ’t centrum van Brussel slentert en die, verdoofd door de drukte en de herrie, ergens bij de Beurs op een bank gaat uitrusten… verbeeldt zich nu eenmaal dat het centrum van die weelderige stad alleen uit hotels, koffiehuizen, patisserieën en parfumwinkels bestaat.De meer populaire restaurants vond je in de Beenhouwersstraat en langs de Vismarkt. Elsschot zal trouwens Louis-Paul Boon voor het eerst ontmoeten in Les Armes de Bruxelles, in die Beenhouwersstraat.

Het is de tijd dat de Belgische keuken haar eigen stijl ontwikkelt, onder meer dankzij Gaston Clément (1879-1973) die als kok voor Leopold II en Albert I werkte. Hij is niet alleen de founding father van de Belgische keuken, maar promoot ook een nieuwigheid in onze voeding, de conserven. Van hem zijn de legendarische woorden: ‘de beste asperges zijn de asperges uit blik’. En die conserven nemen in het Museum voor Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen (de centrale gang in het kantoor van het Wereldtijdschrift) het meeste plaats in. Mevrouw Boorman komt er zich regelmatig bevoorraden en veertien jaar later vraagt Boorman zich in Het Been af of zij niet is gestorven aan al die conserven.

In Boormans Museum prijkt naast een standbeeld van Leopold II, een negerafgod, een werpspeer en een baal rubber. De exploitatie van Congo had na de Belgische overname in 1910 een geweldige toename gekend. Alle produkten uit de kolonie werden in Antwerpen gecommercialiseerd, behalve twee luxe items: de banaan en de cacao. Dat de banaan bij het gewone volk een luxeproduct was, blijkt in Het Been, wanneer tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften een van de bieders, ostentatief vier bananen zit te eten. Alleen mensen met geld konden ze zich veroorloven en het mevrouwtje doet dan ook het hoogste bod: “Zo liet ook mijn buurvrouw de vellen van haar vierde banaan afhangen, zonder de laatste hap te doen…tot mijn buurvrouwtje dat de hele morgen gegeten en gezwegen had, haar onttakelde banaan in de hoogte stak om de aandacht van de notaris te trekken en rustig driehonderdvijftig bood. 

Bananen kwamen toen exclusief uit Congo – het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat de Amerikanen hun Latijns-Amerikaanse bananen bij ons zullen introduceren – en in de havenwijk waren er dan ook verschillende bananenrijperijen. Zo waren de huidige binnenparking van restaurant La Belle Maraichère en het kunstencentrum Argos oorspronkelijk bananenrijperijen.

Inladen van Bananen in Kongo (foto Otraco)

En dan is er de cacao die de reeds bestaande chocolademakerijen niet alleen een boom bezorgde, maar de Congolese cacao zorgde van toen af voor de speciale diepe smaak van de Belgische chocolade. De cacao was van ons, en dus niet duur, dus mocht er extra veel in de cacaoboter. En toen kwam een Griekse Ottomaan uit Gent op het lumineuze idee om, zoals men frieten op straat aan het gewone volk verkocht, zijn pralines op de centrale lanen aan de paraderende bourgeoisie te verkopen. Leonidas Georges Kestekides had met zijn chocolade een prijs gewonnen op de koloniale tentoonstelling van 1910 en verhuisde in 1924 (het jaar dat Lijmen verscheen) zijn fabriek van Gent naar de Devaustraat (naast de Kiekenmarkt) en opende enkele winkels langsheen de centrale lanen2. Ze bestaan nog.

Ook de al bestaande kleine warenhuisketen Delhaize werd groot dankzij haar koloniale produkten. In 1906 werden ze hofleverancier voor cacao en koffie uit Kongo en waren mede-financiers van het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1910. Ze hadden ondermeer een winkel op de hoek van de Vlaamse steenweg en het Kathelijneplein. Ze versierden hun winkels met een Belgische Leeuw (vandaar Delhaize Le Lion), de slogan: gebruikt de producten uit onze kolonie en met een borstbeeld van Leopold II. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat Boorman zijn Museum op dezelfde manier inrichtte.

Vitrine Delhaize –1920 (colectie Delhaize)

Niet alleen de fabrieken trekken weg uit deze nieuwe, chique wijk, ook La Revue Continentale verlaat de Brandhoutkaai en trekt over het kanaal naar de Steenkoolmijnkaai 74.

Maar niet alleen La Revue Continentale Illustrée diende Elsschot als inspiratiebron, ook zijn reclamebureau La Propagande Commerciale (met een adres in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort). Met dit bureau geeft hij onder andere de officiële catalogi uit van de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Antwerpen en Luik (1930). Na ruzie met zijn vennoten (1931) geeft hij in eigen naam de catalogus uit van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1935. De rue de la Reinette loopt parallel met de Naamse Poort en daar was al tijdens de Kongo Vrijstaat van Leopold II een koloniale wijk ontstaan. Centrum was het Café de l’Horloge waar nu een metro-ingang is. Dat was een heel chic café waar het koloniaal kapitaal vergaderde. Je betaalde er niet met geld maar met jettons. Die moest je in tamelijk grote hoeveelheid ineens aankopen, zo beperkte men de clièntèle tot alleen maar de kapitaalkrachtigen.

Dit Art Nouveau Café werd tijdens de aanleg van de kleine ring als voorbereiding voor Expo 58, afgebroken en opgekocht door de grote baas van de Hiltonketen. Het werd steen voor steen genummerd en terug opgebouwd in Cairo in de Nile Hilton waar het bekend staat als Taverne du Champ de Mars, naar het Brusselse plein waar het stond. Minder begoede kolonialen spraken af in meer populaire cafés bij het begin van de Waversesteenweg. Het meest bekende was Le Lion Belge en dat moet Elsschot zeker bezocht hebben. Waarschijnlijk diende het als voorbeeld voor Brasserie du Lion Royal waar Boorman Laarmans zijn contract laat ondertekenen.

De koloniale wijk aan het begin van de Naamse Poort, gezien vanaf de Pippelingstraat (archief Stad Brussel)

Maar hiermee zijn we al ver van smederij Lauwereyssen, rue de Flandre 62 en het café van Dikke Jeanne.In deze oude havenwijk nemen de sociale conflicten toe. De kloof tussen rijk en arm wordt er erg groot, getuige het verhaal van de mosselvrouw die op afbetaling een pelsmantel had gekocht bij Weinstein, een van juifs de la rue Sainte Cathérine en die na vier jaar niet meer kon afbetalen. In Brussel stonden de joden bekend om hun handel in textiel en ook in pels. Mijn tante Julia heeft jaren bij de jood in de pels gewerkt tot ze er stoflong van kreeg. De bekendste winkel waren de Grands Magasins Hirsch in de Nieuwstraat (waar nu de C&A is). Hirsch is de Brusselse folklore ingegaan omdat zijn kleren tweedehands werden verkocht uitgespreid op de grond van de Voddenmet die daarom ook ondermeer als bijnaam kreeg Hirsch par Terre. Dat er in de Kathelijnewijk nogal wat joodse mensen woonden kan je nog merken aan de koperen herinneringsstenen naast klerenwinkel Au Coin de Rue ter gedachtenis van het echtpaar De Leeuw-Levie, in Auschwitz vermoord door de nazi’s in 1943.

Het is ook de tijd dat de socialisten sterk worden. Na de invoering van het meervoudig algemeen stemrecht hadden de liberalen hun absolute meerderheid in de Brusselse gemeenteraad verloren. Liberaal burgemeester Charles Buls neemt dan ook ontslag omdat hij, zoals hij in zijn dagboek schrijft: je ne veux être ni le prisonnier des cléricaux, ni l’allié des socialistenEn de vakbonden worden sterk – Horta had al in 1899 het Volkshuis gebouwd – en mevrouw Lauwereyssen klaagt dan ook: als bij afspraak wordt het gereedschap neergegooid en gaan de heren vloekend aan het staken. En wat je dan ook praat, het baat niet. Zij eisen verkorting van werktijd en verhoging van loon… Zij hebben twee bondsleden op mij afgezonden, mensen van hun metaalbewerkersbond of hoe het dan ook moet heten. Drie weken lang heb ik nog weerstand geboden, maar toen moest ik wel toegeven…

Was dit ook de visie van Willem Elsschot? Ik betwijfel het want in Kaas dat tussen Lijmen en Het Been in verscheen (in 1933) schrijf hij haast een lofzang op de toenmalige Sovietunie (van Stalin!): Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Men zegt zelfs dat zij in Rusland de heren geworden zijn. Als het waar is dan hebben zij dat verdiend dunkt mij. Zij schijnen het trouwens met hun bloed gekocht te hebben.

Volkshuis van Victor Horta, nu afgebroken (collectie Plaizier)

Toen Elsschot, op aandringen van Nederlandse vrienden Het Been als een vervolg schreef op Lijmen moest hij zijn personages van tien jaar eerder laten evolueren. Dikke Jeanne uit het café in de Vlaamse steenweg vermagerde wegens suikerziekte en veranderde van haarkleur. Laarmans was weer een gewone bediende geworden, maar wat met Boorman?

Elsschot’s voormalige zakenpartner, René Leclercq, met wie hij zeven jaar eerder had gebroken, had psychische problemen gekregen en had zich laten behandelen in de kleine privé-kliniek Sans-Souci van dokter Titeca. De naam Titeca is trouwens in het Brussels nog een synoniem voor ‘zothuis’. Maar Boorman wordt elders opgesloten. Hij wordt door de politie aangehouden wegens ordeverstoring tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften van mevrouw Lauwereyssen en de Brusselse politie voert gekken niet af naar een privé-kliniek, maar wel naar de psychiatrische afdeling van Brugmann, het OCMW-ziekenhuis van de stad. Daarvoor inspireert Elsschot zich op de lotgevallen van een goede kennis, Leo Frenssen, een ambulante kruidenier waar hij vaak mee discussieerde. Frenssen had in Antwerpen een partij gesticht voor Een Redelijke en Demokratische Communistische Maatschappij en gaf zo een krantje uit: De Voorlichter. Ze behaalden in 1938 zes zetels in de gemeenteraad en een jaar later wordt hij zelfs volksvertegenwoordiger. Tijdens een van zijn betogingen in Brussel werd Leo Frenssen door de politie opgepakt en naar de psychiatrische afdeling van het Brugmann-ziekenhuis gebracht. Hij vertelde zijn wedervaren in De Voorlichter en Willem Elsschot was er zo over verontwaardigd dat hij het verhaal gebruikt in de gasthuisscène van Het Been. Veel details kloppen: de zingende zot in bad, de geschifte die telkens opnieuw zijn bed dwangmatig opmaakt en de testen die Frenssen moest doen: onder meer snel na mekaar herhaalde malen Trente troisième régiment d’artillerie te zeggen. Bij Elsschot wordt dit Derde rijdende artillerie brigade.

Brugmann Ziekenhuis (collectie auteur)

Dezelfde Elsschot schreef ook een gedicht over communist Van der Lubbe – dat trouwens eindigt met mocht je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn. Maar daarnaast schrijft hij ook, in 1947, een gedicht tegen de terechtstelling van nazi-collaborateur Borms. Zoals ze in Brussel zeggen: daane Elsschot, heum es nie veu ien gat te vange.

De auteur bij de gedenkplaat gemaakt door de de Brusselse kunstenaar Benoît van Innis op de plek aan de Vlaamse Steenweg waar zich wellicht de smederij van mevrouw Lauwereyssen bevond.

Lucas Catherine, Zaterdagplein –neuvest de Vismet en ’t Begaanhof,2018

1Willem Elsschot, Lijmen. In: Verzameld werk, Amsterdam 1963.

2Patisserie Centrale Leonidas. De term pralines Leonidas duikt pas in 1937 op.

June 6, 2018 at 3:29 pm 7 comments

VAN SCHOOLPRENTEN EN ANDERE LEUGENACHTIGE ZAKEN

L 1 Vadsige_Koningen

door Lucas Catherine

Wie mij kent weet dat ik nooit een officieel verhaal over iets geloof. Dit komt niet door het lezen van Karl Marx of zo, maar door Meester Meskens in mijn lagere school. Nu was Meester Meskens een zeer goede onderwijzer. Als hij het metriekstelsel moest uitleggen dan nam hij een holle kubieke gietijzeren liter – zijn vader was de smid van het dorp daar bij ons in het Pajottenland -, deed daar water in. Liet ons dan opmerken dat dit ook een kubieke decimeter werd genoemd en dat het water, op zijn weegschaal juist een kilogram woog. Een verband dat zelfs aan Napoleon nooit was uitgelegd toen die het decimaal stelsel bij ons introduceerde.
Anders was het wanneer hij zich moest behelpen met door het ministerie ter beschikking gestelde schoolplaten. Vergeet schoolradio en schooltelevisie laat staan internet. Het enige visueel materiaal dat wij te zien kregen waren gekleurde  schoolplaten, opgerold op twee stokken en naar gelang het leerplan vorderde werden die aan de wanden van onze klas opgehangen.

Ik heb er later een paar opgekocht en nu recent er het stof afgeschud. Zij hebben de autoriteit van Meester Meskens ondergraven en van mij een ongelovige Thomas gemaakt. De plaat die daar verantwoordelijk voor is ging over De Vadsige Koningen – Les Rois Fainéants. Dat waren de laatste Merovingische koningen. Ze werkten niet, dat lieten ze over aan hun hofmeiers en genoten verder van wat in de negentiende eeuw Le Droit à la Paresse zal worden genoemd. Daarbij installeerden ze een bed op een ossenkar en reisden zo hun koninkrijk af, een soort Wagons-Lits avant la lettre.

Mijn ideaal. Rijk zijn en niets doen. Rentenieren! En dan kwam Meester Meskens vertellen dat zo iets compleet fout was! Hoe kwam hij er bij! Dan vond ik dat mijn vader, ongeschoold werkman het beter wist. Zijn devies was: Ik moet het werk niet hebben, als ik maar de pree trek en ook nog: Ik heb niets tegen werken, wel tegen werken voor een baas.

En die schoolplaten behandelden heel onze Belgische geschiedenis maar zaten wel heel vaak fout.

 

L 2 lippdebru2

Zo heb ik “Heldendood van Sergeant De Bruyne”. De man die zijn collega Lippens niet in de steek wou laten tijdens de grote Congo-oorlog tegen de Zanzibari-Arabieren (1892). Pas veel later kwam ik te weten dat het hier niet zo zeer om militaire heldenmoed ging, maar om liefde onder mannen. Het woord homo moest toen nog worden uitgevonden. In Brussel spraken we trouwens in mijn jeugd dan ook niet over homo’s, maar over ‘a joenkmannen’ (oude jonkmannen).

 

L 3 eerstespoorweg

En dan is er de prent: “De eerste spoorweg in België” waarop verstomde heren en boeren naar de eerste trein Brussel-Mechelen staarden. Met zo’n prent identificeerde ik mij direct, want mijn grootvader was ‘gestationeerd’ in De Groen Dreef, vanwaar ooit die eerste trein is vertrokken en wij woonden in een ‘roethuis’ (spoorwoning?) waarvan de deur rechtstreeks uitgaf op het perron. Ik heb dus de stoomtrein al gekend van toen ik nog kleiner was dan de wielen van zo’n locomotief.
Stoomtreinen stonden symbool voor Vooruitgang, net als stoomboten en ja, er waren eerst ook zelfs stoomauto’s, maar die reden enkel in de Congo. Het is dankzij de stoom dat het begrip snelheid zo belangrijk werd. Alles ging vlugger en alles moest er voor wijken. De treinen kregen rails en de boten kregen kanalen. Het bekendste was natuurlijk het Suez-kanaal (1869). En die Vooruitgangsmythe is ooit het best in beeld gebracht, niet door een schoolplaat, maar door een foto van het duo Lehnert &Landrock de grootmeesters van de koloniale fotografie.

 

L 4 stoom_NEW

Je ziet het kanaal met daarop een grote stoomboot. Op de dijk ernaast raast een auto en parallel met het kanaal loopt een spoorweg met daarop een stoomtrein.

Alles fake. Kijk maar naar de rook. Bij de boot waait die naar voor, bij de trein naar achter. Fotoshop bestond nog niet, maar fotomontage natuurlijk wel.

En dat allemaal om ons te doen geloven dat de Vooruitgang nooit zal stilstaan.

May 31, 2016 at 9:00 am 4 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,731 other followers