Posts tagged ‘economie’

CUBA TUSSEN TWEE WERELDEN

Wie tegenwoordig onderdak zoekt in de Cubaanse hoofdstad Havana kan voor een slordige 450 euro terecht in het onlangs geopende Kempinski hotel in het historische hart van de stad. Het hotel maakt deel uit van een even luxueus shopping centrum in het Manzano de Gomez complex, voltooid in 1917 maar nu schitterend gerestaureerd. Daar kan de toerist met gevulde portefeuille, maar ook de groeiende klasse van Cubaanse nieuwe rijken terecht voor speeltjes als de nieuwste Canon Eos camera voor 7542,01 dollar of het Bulgarihorloge voor de peuleschil van 10.200. De verkoopster die “acacia eau de toilette” a rato van 95,2$ per flesje aan de man of vrouw brengt verdient zelf 12,5 dollar – 11 euro – per maand.

Een jonge Cubaanse maakt een selfie vóór de etalage van de luxe shopping mall annex hotel “Manzana de Gomez.”

Deze jongste injectie van capitalismo in de Cubaanse geleide staatseconomie zorgt voor wrevel en onbegrip bij Cubalovers en niet in het minst bij de meerderheid van de Cubanen zelf die ondanks de zegeningen van de revolutie de grootste moeite ter wereld hebben om met hun officiële maandinkomen van ongeveer 20 euro de eindjes aan elkaar te knopen. Het is ook een oogverblindende illustratie van de toenemende ongelijkheid op het eiland waar de nu bijna zestig jaar oude Revolutie de ambitie had om niets minder dan de “nieuwe mens” te creëren. Nu klinken de revolutionaire slogans die op heel het eiland op grote borden de voorbijganger toeschreeuwen holler dan ooit. “Socialisme o muerte” – “Socialisme of de dood: “Wat is het verschil?” vragen de meer cynisch ingestelde Cubanen zich af.

Het Kempinski, de kapitalistische etalage in de Cubaanse hoofdstad wordt gerund door het leger dat zijn appetijt voor marktaandeel in de boomende toeristische industrie sinds de machtsovername door legerleider Raúl Castro alsmaar meer bevredigd ziet. Wie in Cuba de historische steden bezoekt kan er niet naast kijken: hotels, toerbussen, autoverhuur – allemaal onder de merknaam Gaviota of Cimex, de toeristische zakenarm van het Cubaanse leger. De haven Mariel – een paar decennia geleden nog beroemd en berucht door de massale exodus van ongewenste Cubanen naar de VS – wordt met Braziliaans kapitaal de kern van een toeristische groeipool helemaal in handen van de militaire zakensector. Onlangs hebben de militairen ook de bank overgenomen die de meeste buitenlandse transacties controleert.

Toerisme is – samen met de geldstortingen door Cubanen in Miami ter waarde van 2,5 miljard per jaar – de reddingsboei voor de Cubaanse economie die steeds minder kan rekenen op inkomsten uit de traditionele suikersector en die na het verdwijnen van de Sovjetunie drijvende werd gehouden door olie uit Venezuela. Nu ook daar het “socialistische” regime van Maduro onder zware druk staat en de economie op apegapen ligt zijn de Cubanen meer dan ooit op zichzelf en de buitenlandse bezoekers aangewezen. Het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten en de versoepeling van de reisbeperkingen voor Amerikanen heeft een toeristische boom veroorzaakt en de verwachting is dat die alleen maar zal toenemen. Havana, dat nu al kreunt onder het massatoerisme bereidt zich voor op een vreedzame invasie uit het noordelijke buurland dat tot voor kort in de officiële propaganda als vijand nummer één stond gebrandmerkt. De vraag is of de stad en het land daarvoor zijn toegerust. Het antwoord is neen, zoals ik zelf tijdens mijn recentste bezoek aan het eiland herhaaldelijk kon vaststellen.

Marina Hemingway een reliek van vóór de Revolutie

Marina Hemingway is een magneet voor zeilers uit Noordamerika en de rest van de wereld. Het is een wat vervallen toeristisch complex met twee hotels, restaurants, zwembad en winkels, allemaal daterend van de jaren vijftig en sindsdien nauwelijks aangepast aan de tijd. Ik was er in april voor de derde keer in vier jaar tijd en de drukte is er almaar toegenomen, net als de voortschrijdende verloedering van het geheel. Eén van de twee hotels “El Viejo y el Mar” staat al jaren leeg en wordt naar het schijnt gerenoveerd – niemand weet wanneer het weer open gaat. De sanitaire voorzieningen van het andere hotel “El Acuario” kun je vinden afgaande op de stank. De internetvoorziening is een bron van voortdurende ergernis. Voor een wifiverbinding moet je een kaartje kopen à 3,5 euro per uur. De kaartjes zijn er soms wel soms niet en zelfs als je er een kunt bemachtigen kun je van geluk spreken als de verbinding langer dan een paar minuten werkt. Skype en Whatsapp worden door de Cubaanse autoriteiten geblokkeerd, evenals de telefoonverbinding met satelliettelefoons. Een Franse collega zeiler had bij aankomst met een vlucht uit Parijs zijn satelliettelefoon bij de immigratie op de luchthaven moeten afgeven. Het heeft hem anderhalve week en interventie van de Franse ambassade gekost om zijn toestel terug te krijgen toen hij per boot het land wou verlaten.

Cruiseschepen zetten ladingen toeristen af. Hier in de haven van Santiago

Vorig jaar heeft een recordaantal van 4 miljoen toeristen, onder wie 270000 Amerikanen het eiland bezocht. De prijzen zijn door de komst van die massa’s toeristen de pan uitgerezen. Een inreisvisum kostte twee jaar geleden 25 euro – nu is het tarief verdrievoudigd tot 75. Twee jaar geleden was er uit Marina Hemingway een gratis busje naar het centrum van Havana. Nu rijdt het busje slechts een paar haltes verder en ben je praktisch verplicht een taxi te nemen voor 15 tot 20 euro. De gulheid waarmee Amerikanen gewend zijn fooien uit te delen heeft de verwachtingen aangescherpt en Cubanen die een graantje willen meepikken van de toeristische boom lijken allemaal dollartekens in de ogen te hebben. Ray, een jonge taxichauffeur die ons naar de luchthaven brengt is geobsedeerd door de prijzen van vastgoed en auto’s. Hij wil ons zijn huis verkopen, of althans een verdieping die we “makkelijk kunnen verhuren aan toeristen.”

De kwalijke neveneffecten van het massatoerisme zijn legio: prostitutie, corruptie en wat de Cubanen “toerisme-apartheid” noemen: het feit dat ze niet welkom zijn in de grote internationale hotels en resorts in bijvoorbeeld Varadero – die zijn exclusief voor de buitenlandse bezoekers. Een ander gevolg is de dualiteit in de Cubaanse samenleving: de kloof tussen wie wel en wie niet toegang heeft tot van het manna van het toerisme. Die toenemende ongelijkheid is de rot in het revolutionaire ideaal. Het dubbele muntsysteem heeft twee economieën geschapen: die van de “peso nacional” en die van de “peso convertible,” de CUC de munt waar de toeristische sector op draait. Eén CUC is ongeveer 25 peso waard. Het doorsneesalaris bedraagt 500 peso wat neerkomt op 20 CUC of ongeveer 20 Euro. Basisproducten zoals brood, rijst of kip worden in peso betaald en zijn met het rantsoeneringsboekje (de “libreta”) belachelijk goedkoop, maar alles wat wordt ingevoerd moet in CUC worden betaald en die munt is voor de Cubanen alleen bereikbaar via diensten aan toeristen. Het gevolg is dat het uitstekende Cubaanse onderwijssysteem dokters, ingenieurs, leraars, architecten en andere hoogopgeleiden aflevert die hun vak massaal laten voor wat het is en aan de kost komen als taxichauffeur, restauranthouder of toeristengids of die (een deel van) hun woning verhuren als B&B.

Verval op een boogscheut van de luxe.

De hervormingen van Raúl Castro hebben een klasse nieuwe rijken voortgebracht maar ook het leven van vele anderen uiterst precair gemaakt. In september 2010 liet Raúl een half miljoen mensen in overheidsdienst ontslaan met het voornemen dat aantal op termijn nog te verdubbelen. “Cuba kan niet het enige land ter wereld zijn waar mensen kunnen leven zonder te werken,” zei Raúl – Margaret Thatcher had het niet beter kunnen formuleren. De ontslagen werknemers moesten voortaan aan de bak zien te komen in de toen nog nauwelijks bestaande privésector. Ook de ontslagregeling lijkt helemaal uit het neoliberale boekje te zijn afgekeken; één maand loon als ontslagvergoeding voor tien jaar dienst met een maximum van vijf maanden voor 25 jaar dienst. Veel Cubanen dreigen daarmee tussen twee stoelen terecht te komen: die van de communistische verzorgingsstaat en die van de markt. Geen wonder dat bijna zestig jaar na de overwinning van de Revolutie de armoede op Cuba lang niet is uitgebannen. Een wandeling door het Oude Havana maakt duidelijk hoe naast de fraai gerestaureerde gebouwen nog honderden gezinnen in de meest miserabele omstandigheden wonen.

Hoe het verder moet met de Cubaanse revolutie is de vraag van één miljoen. Of Donald Trump aan de andere kant van de Straat van Florida de toenaderingspolitiek van zijn voorganger zal voortzetten is alles behalve zeker al kun je ook verwachten dat de vastgoedmagnaat in de president begerig uitkijkt naar een nieuwe markt voor zijn hotels en belangen in de toeristische sector.

De injectie van een dosis kapitalisme in de Cubaanse economie heeft een onstuitbare dynamiek op gang gebracht die leidt naar méér markt en méér ongelijkheid. Fidel Castro is dood maar de generatie van de “historicos” die nog samen met Fidel in de Sierra Maestra heeft gevochten klampt zich vast aan de macht. De 85-jarige Raúl Castro heeft beloofd in 2018 af te treden, maar hij blijft secretaris van de Communistische partij die alle macht in handen houdt. Pessimisten vrezen een evolutie naar Chinees model: economisch liberalisme in het kader van een autoritaire staatsstructuur onder leiding van de Communistische partij en met een economische bovenlaag die haar privileges met hand en tand zal verdedigen. Maar dat is tot dusver koffiedikkijken.

Johan Depoortere

23-05-2017

 

May 24, 2017 at 3:48 pm 7 comments

BIJ DE DOOD VAN FIDEL

44175-004-1aa92245

Fidel Castro is gestorven en de media hebben ons de clichés niet bespaard. Met karrenvrachten werden ze over ons uitgestrooid en ook de gebruikelijke onzin mocht niet ontbreken. Zo kwam de eminente Cubakenner Herman De Croo ons in een extra Terzake kond doen van het historische feit dat hij – Herman – als jonge man in de straten van Mexico voor Fidel werd aangezien en toegejuicht. Die baard weet je wel. De Croo verklapte nog een ander geheim: Castro was een dictator die daar een “ideologie rond breide om dat te camoufleren.”

Ja Fidel werd door de enen aanbeden en door de anderen gehaat en ja hij was een monument van de 20e eeuw die zijn tijdperk heeft overleefd. Castro was een buitenmaatse persoonlijkheid met een bovenmaats ego die dan ook een sterke persoonlijke stempel op de Revolutie heeft gekleefd. Maar hij bleef ontzettend populair zeker bij de generatie die de revolutie heeft meegemaakt. Volgens Marc Frank van Reuters, één van de langst verblijvende buitenlandse journalisten op Cuba, bestaat één derde van de bevolking uit enthousiaste aanhangers van het regime, een kleine minderheid zijn politieke opposanten, de rest is een grijze zone waar mensen meer bezig zijn met de dagelijkse strijd om het bestaan dan met de slogans van La Revolución.

501279

Fidel struikelt (2004)

Tot vóór de Amerikaanse burgeroorlog aan het einde van de 19e eeuw leek het voor velen in de VS een uitgemaakte zaak dat Cuba één van de Amerikaanse staten zou worden. Vooral de slavenhouders in het Zuiden maakten daar een strijdpunt van: Met Cuba in de Unie zou het slavenhoudende Zuiden immers de balans in het voordeel van de slavenstaten doen doorwegen. Het is wellicht aan de bloedige burgeroorlog te danken dat het niet zover is gekomen, wat niet belet dat Cuba tot aan de Revolutie in de praktijk een Amerikaanse kolonie was, de goktent en het bordeel voor de superrijke yankees. Toen Cuba zich met hulp van de Verenigde Staten had losgemaakt van het Spaanse juk kwam het meteen onder een andere heerschappij terecht. Tot 1940 gaf het “Platt Amendment” de Verenigde Staten een vetorecht over belangrijke beslissingen van het Cubaanse parlement en de regering en het recht om militair tussenbeide te komen als dat “nodig mocht blijken.” Tot vandaag blijft op basis van het Platt Amendment de militaire basis van Guantanamo Amerikaans grondgebied.

dsc0093

Geen personencultus voor Fidel, wel voor Ernesto Guevara

Vriend en vijand zullen het erover eens zijn dat Fidel Castro voor Cuba eindelijk de onafhankelijkheid heeft verworven waar het eiland meer dan een eeuw lang voor heeft gestreden en bloed vergoten. Maar voor die onafhankelijkheid hebben de Cubanen een enorme prijs betaald. Het embargo heeft het eiland ei zo na economisch doodgeknepen. Politieke vrijheden en mensenrechten werden geofferd op het altaar van de “Revolutie,” bureaucratie en foute beslissingen deden de rest. Het wegvallen van de “broederhulp” uit de Sovjet-Unie en de “speciale periode” die daarop volgde maakten de economische rampspoed compleet. Zonder de levenslijn van het Chavistische Venezuela kun je je nauwelijks voorstellen hoe het regime zou hebben overleefd. Nu gaat het langzaamaan beter en dat de Cubanen ondanks alles gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen kunnen blijven genieten mag een klein wonder heten. Maar het volk mort. Bijna elke familie op Cuba heeft verwanten in Miami. Cubanen vergelijken hun levensstandaard met die van hun rijke familieleden in Florida, niet met die van het naburige eiland Haïti waar armoede en ellende de ogen uitsteken.

cuba-0410

Openbaar vervoer op Cuba

Toen ik de voorbije twee jaar het eiland van Noord tot Zuid en van Oost tot West doorkruiste kon ik met tientallen mensen praten die aan de kant van de weg stonden te liften. Door het ontbreken van een openbaar vervoer die naam waardig is liften op het eiland een nationale sport. Bijna al mijn gesprekspartners kloegen steen en been over de lage inkomsten en de hoge prijzen. Met een gemiddeld salaris van 20 euro per maand is het lastig overleven, ook al komt niemand om van de honger. Dank zij rantsoenbonnen kan iedereen aan de basisbehoeften voldoen, maar alles wat daarboven uitsteekt : schoenen, kleren, speelgoed, reizen, internet  is een luxe buiten het bereik van wie het met een officieel salarisje moet stellen. Alleen wie op de een of andere manier van het manna van de toerisme-industrie kan genieten kan zich een behoorlijke levensstandaard veroorloven. Het was opvallend hoe openlijk de meeste medereizigers zonder schroom kritiek ten beste gaven op de regering en op het “systeem.” Velen gaven openlijk lucht aan hun heimwee naar vroeger – maar daarmee werd niet de periode vóór de Revolutie bedoeld, wél de jaren vóór de instorting van het “socialistische kamp” en de erbarmelijke levensomstandigheden in de zogenaamde “speciale periode” die daarop volgde.

201_raul_castro_0429

Raúl Castro: de hardliner die hervormer werd.

De hervormingen van Raúl hebben de tweespalt in de Cubaanse maatschappij verdiept. Ook op Cuba neemt de ongelijkheid toe. Eén van de eerste beleidsdaden van Raúl Castro was het ontslag van een half miljoen werknemers uit de publieke sector. Die konden vijf maanden werkloosheidsvergoeding krijgen en moesten daarna maar zien hoe ze zich uit de slag trokken. Een maatregel die meer naar neoliberalisme dan naar communisme ruikt, al konden de ontslagen ambtenaren blijven genieten van gratis onderwijs en gezondheidszorg en konden ze in hun basisbehoeften voorzien dankzij de gesubsidieerde voedselprijzen.

cuba-110

Staatswinkel op het platteland

cuba-4275

Meer markt

Maar de toename van de privésector en de “vrije markt” zorgt voor een tweedeling in de economie en de samenleving. Het dubbele muntsysteem is daar de meest zichtbare manifestatie van. De meeste Cubanen worden betaald in peso of  “Moneda Nacional.” Eén peso is ongeveer 4 eurocent. Het gemiddelde maandloon is 500 peso – 20 euro. Basisproducten worden in peso betaald en zijn voorhanden in de staatswinkels (bonnen voor sommige producten), en op de vrije markt: de boerenmarkten, de verkopers op straat. Al de rest – alles wat wordt ingevoerd – moet betaald worden met de zogenaamde “convertibele peso” of CUC. Eén CUC is ongeveer één euro of 24 pesos in moneda nacional. Buitenlanders betalen praktisch alles in CUC, maar ook Cubanen willen waar het kan aan CUCs geraken. De hele toeristische sector draait om CUCs – vandaar dat een taxichauffeur vele keren het maandloon van een dokter kan verdienen omdat hij in CUC wordt betaald. Wie het moet stellen met het officiële loontje, de “sueldito,” leeft op of onder de armoedegrens. Wie op een of andere manier kan profiteren van de toeristen kan een aardig inkomen verdienen: als gids, taxichauffeur, schoonmaker, prostituee, verhuurder van kamers, het zijn er duizenden. Neem de “jinoteros” en de “jinoteras.” Die laatsten zijn niet noodzakelijk prostituees, maar je vindt ze in toeristische centra op elke hoek van de straat. Ze bieden diensten aan, ze gidsen je door de wirwar van straatjes, brengen je naar een restaurant, naar een hotel of naar een van de als paddenstoelen uit de grond gerezen toeristenverblijven in privéwoningen en krijgen daar een deel van de opbrengst voor.

cuba-2275

Havana, Marina Hemingway

Wie zoals wij met de boot in een Cubaanse marina aankomt krijgt met een resem inspecteurs en ambtenaren te maken. Het begint met de gezondheidsinspectie. De dokter komt aan boord en vraagt meteen of hij misschien een biertje kan krijgen. Als hij vertrekt vraagt hij of hij misschien een biertje kan meenemen voor zijn vrouw. Tussendoor ontspint zich een gemoedelijk gesprek. De dokter is pas terug van Miami waar hij de droeve opdracht had zijn vader te begraven. En dat alles daar zo vreselijk duur is. Zelf heeft hij niet te klagen al moeten veel van zijn collega’s zien rond te komen door bij te klussen als taxichauffeur, automonteur of verkoper van verf en onderhoudsproducten. De ambtenaren van de landbouwinspectie die komen controleren op vervallen etenswaren of verdachte blikken aan boord zijn twee minzame oudere heren. Bij het afscheid vragen ze discreet of ze misschien die paar blikken tonijn mee naar huis mogen nemen.En zo gaat het de hele reis door Cuba door. Heeft Fidel van zijn volk een bedlaarsvolk gemaakt vragen we ons soms af. “Heb je misschien een zeepje? Shampoo? Een balpen voor de kinderen?” De havenkapitein in Cienfuegos polst of we misschien geen oude zonnebril kunnen achterlaten. Als in Marina Hemingway de eindafrekening wordt gepresenteerd komt de aap uit de mooi: “Het is gebruikelijk om bovenop het liggeld een fooi van 10% te geven”– in het zwart uiteraard. Alles met de glimlach en de Cubaanse nonchalance, zonder de minste agressiviteit. Maar het is pijnlijk te zien hoe dit trotse volk zich op die manier verlaagt om te overleven.cuba-0003

Nee, Cuba is niet het paradijs van de “Nieuwe Mens” waar Che Guevara van droomde, noch de hel zoals die in de geesten en de propaganda van de Cubaanse ballingen in Miami’s Little Havana bestaat. Misschien is de beste samenvatting nog die van Irene Aloha Wright, een Amerikaanse historica en journaliste die in 1910 schreef: “Wie langer dan tien jaar op Cuba heeft gewoond laat alle dogma’s en doctrines over dat land achter zich. Het eiland wordt niet voor niets het land van “ondersteboven” genoemd.“

Johan Depoortere

November 29, 2016 at 10:54 am 7 comments

Let op je woorden: Een kleine handleiding voor de tegenkracht

Orwell wist het al: woorden zijn zelden neutraal. Ze dienen om te verhelderen, maar tegelijk ook vaak om te verhullen en de vlag dekt maar zeer ten dele de lading. Politici en economen maken handig gebruik van die eigenschap van woorden om een verborgen boodschap over te brengen. “Strategisch taalgebruik” noemt Jan Blommaert dat. Blommaert weet waarover hij spreekt: hij is sociolinguist en doceert aan de universiteit van Tilburg als hoogleraar taal, cultuur en globalisering.  Onderstaande tekst uit november 2013 blijft vandaag meer dan actueel.

Johan Depoortere 

Afbeelding

Jan Blommaert

 

Het taalspel

Politiek is een taalspel. Zowat elke politieke handeling houdt een dimensie in van strategisch taalgebruik, waarin woorden welbepaalde betekenissen toegewezen krijgen en waarin er naast de ‘pure’ betekenis ervan nog een reeks suggestieve betekenissen worden aan toegevoegd. Hier zou nu een lange lijst van voorbeelden kunnen worden gegeven, maar ik beperk met tot een enkele illustratie.

Links is radicaal. In de modale pers en burgerlijke goegemeente (de twee zijn vaak synoniem) staat links gedachtegoed vrijwel automatisch voor ‘radicaal’ en ‘extremistisch’ gedachtegoed. We zien dat in het Engels, waar het woord ‘radical’ in, bijvoorbeeld, ‘a radical intellectual’ of ‘radical thought’ enkel slaat op linkse intellectuelen en linkse gedachten. Rechts is vanuit dat kader vrijwel altijd ‘gematigd’, en wanneer men het etiket ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ hanteert voor rechtse politiek, dan betekent dit dat die rechtse politiek – denk nu even aan Vlaams Belang en dergelijke – niet langer eerbaar of respectabel is vanuit de burgerlijke gematigdheid. Links is antiburgerlijk en derhalve automatisch niet eerbaar en respectabel, het is per definitie ‘radicaal’.

Noteer terloops de sterke morele dimensie van dit spel. Termen zoals ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ zijn niet puur beschrijvend – ze zijn geen objectieve beschrijvers, wel subjectieve. Want deze termen drukken een moreel oordeel uit, een morele evaluatie als ‘slecht’, ‘kwaad’. Het is binnen dit kader niet goed wanneer je radicaal bent; het goede situeert zich in de matiging, het compromis, de haalbaarheid. Dit moreel kadertje van goed en kwaad beheerst de burgerlijke opvatting over politiek.

Paradoxen

Dat schept eigenaardige situaties. Een partij die oproept tot, ik zeg maar wat, een etnisch geordende samenleving met een helder onderscheid tussen eerste- en tweede-klasse burgers; tot de verlaging van de minimumlonen; de afbouw van het gratis onderwijs en de betaalbare gezondheidszorg; de repressie van werkloze mensen en minderheidsgroepen; de afschaffing van vakbonden; de bestraffing van alledaags gedrag dat niet binnen ongespecifieerde regeltjes valt – zo’n partij is niet meteen ‘radicaal’. Neen, hier zullen media en burgerij de vraag stellen naar de ‘haalbaarheid’ of ‘opportuniteit’ van zo’n maatregelen, niet naar het moreel gewicht van zo’n voorstellen binnen een kader van goed en kwaad in de samenleving.

Een partij die daarentegen oproept tot een meer rechtvaardige samenleving, met fiscale rechtvaardigheid en de beperking van uitbuiting, speculatie en privileges voor de elites; die gratis onderwijs en gezondheidszorg voorstaat; die pleit voor pensioenen die ouderen een menswaardig leven laten leiden; die de gelijkheid van alle mensen predikt – zo’n partij wordt binnen datzelfde kadertje van goed en kwaad in de hoek van het kwaad gezet.

Schermafbeelding 2015-05-25 om 11.33.18De paradoxale aard van dit soort snelle kwalificaties kwam onlangs duidelijk aan het licht in Groot-Brittannië, toen de Daily Mail uitpakte met een aanval op de (in 1994 overleden) Marxist Ralph Miliband, vader van de huidige Labourleider. De krant beweerde dat ‘Rooie Ralph’ een landverrader was en bovendien als Marxist onmogelijk het beste kon voorhebben met de Britten. De boemerang keerde snel terug. Commentatoren met een historisch bewustzijn wisten te melden dat Lord Rothermere, de oprichter van de Daily Mail, in de jaren 1930 een notoir fascist was, die zich graag liet voorstaan op zijn persoonlijke contacten met Adolf Hitler. Miliband daarentegen vocht met de Royal Navy tegen Hitler; de kwestie landverraad was dan ook snel beslist.

Wat het tweede punt betrof – Miliband als een kleine Britse Stalin: ook daar keerde de boemerang snel terug. Mensen die het werk van Miliband kenden lieten weten dat Miliband nu net een resoluut tegenstander was van de Stalinistische interpretatie van het Marxisme, en dat hij een reeks zaken voorstond waar men als moreel wezen moeilijk bezwaren tegen kon uiten. Miliband stond voor rechtvaardigheid en gelijkheid, voor een samenleving waarin ieder naar vermogen bijdroeg en naar behoefte ontving, voor een maximale democratie die niet wordt gedomineerd door de privileges van kleine groepen; dat hij zich heftig verzette tegen armoede, ongelijkheid en uitbuiting, en telkens weer hamerde op de menswaardigheid en de vrijheid van elk individu.

De conclusie van het debat was dan ook – tot spijt van de Daily Mail – dat een Marxist als Miliband het eigenlijk goed meende met de Britten. Meer nog: men kwam tot de bevinding dat het ‘radicalisme’ en ‘extremisme’ van iemand zoals Miliband – een streng socialist – best wel goed zou kunnen zijn voor de samenleving, en zelfs voor de wereld. Het kadertje van ‘goed’ en ‘kwaad’, waarbij links vrijwel meteen bij het ‘kwaad’ wordt gerangschikt, blijkt bij nadere inspectie van de bewijslast geen steek te houden: de verhouding is precies omgekeerd.

Hoe kan dat nu? Wel, dat kan omdat de kwalificatie van ‘radicaal’ niet van Gods hand komt, maar wordt toegekend door specifieke actoren in de samenleving. De aanval op Miliband kwam vanuit een zeer rechtse hoek – de Daily Mail ademt nog steeds de geest van z’n stichter en is de spreekbuis van de aristocratie en het patronaat, en van de rechtse Conservatieven in Groot-Brittannië. Ze zijn dus geen neutrale kwalificaties maar politieke kwalificaties, een weergave van het standpunt van een belangengroep die een welbepaalde positie in de samenleving inneemt.

Een methodologisch principe

We kunnen uit het voorgaande een methodologisch beginsel halen. Ik schets het in enkele punten.

  1. Woorden die politiek worden gebruikt zijn nooit neutraal, ze geven altijd een politieke positie weer.
  2. Een onderzoek van woorden en hun gebruik is dan ook een onderzoek naar de politiek die deze woorden gestalte heeft gegeven.
  3. Dat betekent dat we ons bij elke term die als ‘neutraal’ wordt voorgesteld de vraag moeten stellen: wiens woord is dit?
  4. En dat we terzelfder tijd moeten nagaan voor welke concrete realiteit dat woord wordt gebruikt.
  5. Op die manier kunnen we bepalen welke politieke positie dat woord eigenlijk dekt, en kunnen we onze eigen politieke positie daar tegenover bepalen. Dat woord kan ons niet langer manipuleren.

Het is via dit laatste dat de Britten hun paradox ontdekten: iemand die z’n leven riskeerde op de Normandische stranden van D-Day kan je moeilijk een ‘landverrader’ noemen, en iemand die vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit bepleitte kan je moeilijk bestempelen als iemand die het slecht voor heeft met de mensen.

Dit methodologisch beginsel heeft enorme gevolgen. Telkens men iets leest of hoort stelt men zich de vraag: van uit welke hoek in de samenleving komt dit? Voor wie is dit een waarheid? En waarom? Het eenvoudige principe van kritiek dat ik hier voorstel schept met andere woorden een reusachtige ruimte van analyse, waarin men via uitspraken telkens weer op zoek moet gaan naar de politieke posities in de samenleving, de bewegingen er tussen, de veranderingen er in.

Het spreekt vanzelf dat iemand die deze kritiek gedisciplineerd toepast weinig geloof hecht aan termen zoals ‘de publieke opinie’, omdat ook daar de vraag moet gesteld worden: wiens publieke opinie bedoelt men hier? Het is dus via dit eenvoudige beginsel dat men afscheid neemt van wellicht de grootste mythe – of leugen, zo U wil – die ons beheerst: die van een homogene samenleving die in eenzelfde richting denkt, praat en handelt. Zoals Bourdieu zo vaak beklemtoonde: dit is net de visie van de macht, van degenen die de macht in handen houden, want enkel zij zijn ermee gediend elke vorm van tegenkracht weg te denken en te minimaliseren, en ‘hun’ samenleving voor te stellen als unaniem in haar steun aan hun macht.

De tegenkrachten zelf verliezen via deze mythe elke legitimiteit – elke rebel voelt zich alleen tegenover een overweldigende meerderheid van mensen die het eens zijn met datgene wat hij of zij afwijst en bestrijdt. De voorstelling van de samenleving als een solied en eensgezind geheel is dan ook een van de krachtigste instrumenten om het verzet tegen de macht te marginaliseren en plat te drukken.

Het principe toegepast: ‘economie’

Wie het principe toepast bevindt zich daarentegen in een heel andere maatschappij: een maatschappij die bestaat uit een mozaïek van heel diverse groepen, die zich vanuit hun specifieke positie in de samenleving groeperen rond hun eigen belangen, en van daaruit politiek handelen. Het spreekt vanzelf dat dit beeld een enorm veel waarachtiger en precieze weergave is van de realiteit.

Goed, laat ons dit principe nu  even toepassen op de retoriek van vandaag, de retoriek over de zogenaamde ‘crisis’.  Ik zet dit woord prompt tussen haakjes, want ook hier rijst de vraag: wiens crisis? Voor wie is er een crisis? Wel, al zeker niet voor het stijgend aantal miljonairs in ons land en elders, en al evenmin voor de CEO’s van grote bedrijven, die hun salaris de afgelopen jaren fors hebben zien stijgen.  Het woordje ‘crisis’ zelf is dus al iets wat om kritische analyse schreeuwt.

Het centrale begrip in zowat alle retoriek over de crisis is ‘de economie’. Het is de economie die in crisis is, en het is dan ook de economie die opnieuw moet aangejaagd worden. Drie opmerkingen horen hier bij.

  1. De economie wordt systematisch voorgesteld als een autonoom iets, dat volkomen los staat van de rest van de samenleving, en daardoor ook immuun is voor de wetten en behoeften van die samenleving.
  2. De economie wordt stelselmatig gebruikt als eenvoudig synoniem voor kapitalisme
  3. En vaak nog iets specifieker, als synoniem voor bedrijven.

Onthoud deze drie punten goed, en roep ze op telkens je het woord ‘economie’ hoort. Men zegt “de economie is in crisis”, en denk meteen “het kapitalisme is in crisis”; je hoort “we nemen economische relance maatregelen”, en je denkt meteen “we nemen maatregelen die het kapitalisme een relance moeten geven”; en je hoort “we moeten zuurstof aan onze economie geven” en je denkt “we moeten zuurstof (geld, dus) geven aan onze bedrijven”.

Je hebt nu eigenlijk een analyse uitgevoerd. Want je begrijpt dat, telkens men het woord ‘economie’ gebruikt, men

(a) spreekt over een zeer specifiek economisch stelsel – dus over slechts een van een reeks mogelijke economische stelsels; het is niet om het even welke economie die in crisis is, wel de kapitalistische economie. Dat betekent dat de oorzaken daarmoeten gezocht worden – in de structuren van het kapitalisme, en dat de oplossingen eveneens op dat niveau liggen.

(b) Tevens spreekt men over een zeer specifieke reeks economische actoren, ondernemingen, die vooral als begunstigde synoniem gesteld worden voor de ‘economie’. Inspanningen voor de ‘economie’ – een relancepact, een concurrentiepact – zijn dan ook geen inspanningen ten voordele van iedereen, wel ten voordele van een heel bepaalde belangengroep binnen de (echte) economie.

(c)  En wat dat laatste betreft: als de economie zich heeft losgerukt uit de samenleving en weigert zich door die samenleving te laten sturen en beïnvloeden, dan weten we nu dat dit gelijk staat aan kapitalistische ondernemingen die zich aan elke vorm van sociale en overheidscontrole willen onttrekken, en dus niets minder dan de droom van Friedman en Hayek willen verwezenlijken: de enige echt relevante politieke kracht worden. Dit is een ideologische bevinding.

voor-alle-werknemers

Werdgevers of werknemers?

De losmaking van de economie uit de samenleving – ik ga daar nog even op door – is een ideologisch standpunt; het heeft niets objectiefs, het is een machtsgreep die wordt voorgesteld als logisch en vanzelfsprekend. In werkelijkheid omvat de ‘economie’ immers de gehele samenleving, dat is: het hele samenspel tussen diverse actoren, zoals bedrijven en kapitalisten, de arbeidende bevolking, de consumenten, de overheden, de ambtenaren, de werklozen – dat samen is ‘de economie’. De economie vernauwen tot slechts diegenen die goederen en kapitaal verhandelen slaat nergens op, en indien men enkel dieactoren steunt in een ‘economisch’ beleid, dan voert men een kreupel beleid. De ‘economie’ groeit dan, maar de samenleving verarmt. Ik ga daar straks wat dieper op in, want dat is precies wat er thans gebeurt.

De ‘arbeidsrelatie’

Een tweede illustratie van het principe gaat over een reeks begrippen die de verhouding binnen het arbeidsproces weergeven. En laat ons beginnen met het meest voor de hand liggende: werkgever versus werknemer.

Er is van alles heel erg fout aan dit begrippenpaar.

  1. Werk wordt niet gegeven maar aangekocht binnen een contractuele relatie op de arbeidsmarkt;
  2. Ondernemingen verschaffen dan ook geen werk; ze scheppen een marktvraag voor werk.
  3. In dat opzicht zijn de ondernemingen de echte ‘klanten’ van de arbeidsmarkt, niet de arbeidende bevolking.

De relatie tussen werk ‘geven’ en werk ‘nemen’ wordt nu voorgesteld als een relatie waarin een partij iets ‘schenkt’ dat de andere ‘ontvangt’; de bevoorrechte en bevoordeelde partij zou dan de ‘werknemer’ zijn; de partij die een inspanning doet is dan de ‘werkgever’. In realiteit gaat het om een transactie, waarin de ‘werkgever’ (de ondernemer) iets vraagt en het ook verkrijgt aan een bepaalde prijs, het loon.

4. De relatie tussen ‘geven’ en ‘nemen’ is dan ook in wezen precies omgekeerd: het is de arbeider die ‘werk geeft’ (aan een bepaalde prijs) aan de ondernemer, die het ‘werk neemt’ en het omzet in kapitaal.

Het is die fictieve verhouding tussen een ‘weldoener’ – de ‘werk-gevende’ ondernemer – en een ‘begunstigde’ – de ‘werk-nemende’ arbeider – die bijzonder veel debatten over sociaaleconomische thema’s vergiftigt. Binnen het systeem van arbeidsverhoudingen hebben beide partijen elkaar immers nodig om tot resultaten te komen. Er kan niets worden geproduceerd zonder de arbeid van ‘werknemers’, dus zonder dat ‘werknemers’ werk geven, en deze ‘werknemers’ kunnen niet leven zonder het loon dat ze voor hun arbeid ontvangen.

Dit brengt ons bij een tweede reeks begrippen in dit verband: begrippen die we zeer vaak horen wanneer het gaat om lonen: ‘loonlasten’, ‘loonhandicap’, ‘loonkloof’.

Alle drie de begrippen zijn schoolvoorbeelden van hoe woorden specifieke posities vertolken: voor wie is loon eigenlijk een ‘last’? Ik ken weinig loontrekkenden die hun loon ervaren als een last; ik ken er eveneens weinig die hun loon ervaren als een ‘handicap’. Deze begrippen vertolken dan ook uitsluitend het perspectief van zij die lonen betalen, niet dat van zij die ze ontvangen. Laat ons ook op dit punt enkele zaken op een rijtje zetten.

  1. Deze termen worden enkel gehanteerd wanneer het gaat om de lonen van ‘gewone’ werknemers. De toplonen van CEO’s en hogere kaderleden worden nooit betrokken in discussies over ‘loonlast’ of ‘loonkloof’, ook al zouden deze begrippen uitstekend toegepast kunnen worden op, bijvoorbeeld, de kloof tussen de lonen van de gemiddelde arbeider en die van de hogere kaderleden binnen een bedrijf. De begrippen worden, kortom, selectief gehanteerd (door de CEO’s bijvoorbeeld).
  2. ‘Loonkloof’ en ‘loonhandicap’ slaan op het feit dat lonen (de lonen uit punt 1, wel te verstaan) in ons land hoger liggen dan in de naburige landen. Althans, dit is de enige richting waarin deze begrippen gehanteerd worden: wij hebben een handicap omdat arbeiders elders nog minder verdienen dan wij. Men kan het ijkpunt moeiteloos omkeren: het probleem is niet dat arbeiders hier meer verdienen, wel dat arbeiders elders minder verdienen.
  3. Loon kan weliswaar als ‘last’ of als ‘handicap’ worden ervaren door zij die het moeten uitbetalen; ze moeten echter enkele dingen goed beseffen: (a) loon uitbetalen is geen vorm van liefdadigheid maar een contractueel overeengekomen plicht; (b) waarvoor ze eveneens iets terugkrijgen: arbeid, en via die arbeid kapitaal. Lonen worden steeds volledig terug verdiend via de prijs van het afgewerkte product.
  4. Wie toch blijft insisteren op de logica van ondernemers die ‘loonlast’ ervaren, kan even goed spreken van consumenten die ‘prijslast’ ervaren; ik ben namelijk ook de mening toegedaan dat ik veel te veel moet betalen voor mijn elektriciteit, gas, benzine, enzovoort.

‘Groei’ en ‘competitiviteit’

Twee andere termen verdienen onze aandacht, omdat ze net als de vorige uitermate frequent worden gehanteerd in de debatten over de sociaaleconomische politiek.

“Groei” is een oud begrip en het geeft het basismechanisme van een kapitalistisch systeem aan: het permanente streven naar de verhoging van de winsten.  Groei betekent dus in wezen ook enkel dat: de groei van de winsten van kapitalistische bedrijven, doorgaans gemeten door de waarde van de aandelen ervan.

Groei kreeg echter een ruimere definitie doorheen het ‘sociaal pact’ dat de naoorlogse West-Europese welvaartsstaat kenmerkte. Ook de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie schaarde zich achter het beginsel van de groei, want economische groei zou zorgen voor de algehele tewerkstelling – niemand zou werkloos zijn – en zou daardoor de algemene welvaart verhogen, want in een situatie van algehele tewerkstelling zouden de lonen een hoog peil moeten bereiken.

Noteer – en dit is uiterst belangrijk – dat de arbeidersbewegingen zich achter het streven naar groei schaarden omdat groei tewerkstelling zou scheppen. Ook vandaag de dag hoort men dit argument, dat groei intiem verweven is met de toename van de tewerkstelling. Niets is echter minder waar: door de transformaties van het kapitalisme in de afgelopen decennia zien we dat groei van de waarde van aandelen geen verband meer heeft met tewerkstelling, dan, doorgaans, een negatief verband. De waarde van aandelen van bedrijven stijgt wanneer er massale afdankingen binnen dat bedrijf plaats vinden. Economische groei staat op dit ogenblik volkomen los van het scheppen van arbeidsplaatsen.

Hetzelfde geldt voor de relatie tussen groei en de hoogte van de lonen: precies het omgekeerde mechanisme is nu de regel. Er is maar groei in zoverre de lonen zeer laag worden gehouden, de arbeidsmarkt verregaand wordt ‘geflexibiliseerd’ (d.w.z. dat de economische onzekerheid afgewenteld wordt op de arbeider, die alle controle verliest over perioden van tewerkstelling, duur van tewerkstelling, vorm van tewerkstelling en voorwaarden voor tewerkstelling), en het volume van ‘vaste’ en ‘beschermde’ werknemers afgebouwd wordt ten voordele van het volume aan tijdelijke en deeltijdse werknemers, of ten voordele van onderaannemers.

“Groei” is vandaag dan ook een woord dat staat voor sociale afbraak, verarming en verhoogde uitbuiting, en wie streeft naar ‘groei’ – in deze betekenis – kan moeilijk een vriend van de linkerzijde zijn.

Idem met “competitiviteit”. Onze bedrijven zijn niet “competitief”, het “concurrentievermogen” van “onze economie” gaat in dalende lijn, en de “loonlasten” zijn daarvoor verregaand aansprakelijk. Zonder een verhoging van de “concurrentiekracht” van ondernemingen kunnen er ook geen arbeidsplaatsen geschapen worden.

De betekenis van “competitiviteit” is eenvoudig: een bedrijf is “competitief” wanneer het zijn concurrenten verslaat; dat wil concreet zeggen: wanneer het hogere winsten maakt dan de concurrenten. Het wordt heeft geen enkele andere betekenis in het publieke debat over deze zaken. Wanneer men ten voordele van de “concurrentiekracht” of “competitiviteit” van onze ondernemingen de belangen van een gehele samenleving wil opofferen, dan moet die samenleving goed beseffen dat zij daar in overgrote meerderheid geen belang bij heeft. De band met tewerkstelling en verloning hebben we al besproken – bedrijven maken slechts meer winsten in de huidige conjunctuur door de kost van de aangekochte arbeid te verlagen. Een concurrentiebeleid  houdt dan ook haast onvermijdelijk (a) een toename van de werkloosheid, (b) een toename van precaire arbeidsvormen – interim, deeltijds enz., en (c) een verlaging van de lonen in. Zowel ‘groei’ als ‘competitiviteit’ zijn dan ook begrippen die volkomen het standpunt van de ondernemingen vertolken, niet dat van de rest van de samenleving.

Kromtaal recht trekken

Zoals gezegd, het beginsel is eenvoudig. Stel gewoon de vraag: ‘wiens woorden zijn dat?’ het effect van die vraag is een hele analyse waarin je kromtaal niet enkel blootlegt, maar ook op een aantoonbare manier kan weerleggen.

Die kromtaal is immers verbijsterend absurd. Ik geef twee voorbeelden. Enkele maanden terug kwam oud-premier Yves Leterme, nu hoge pief bij de OESO, ons meedelen dat de lonen in dit land nog altijd veel te hoog lagen (niet die van CEO’s uiteraard, zie eerder), en dat het openbaar vervoer in dit land veel te goedkoop was. Ons land zou er dus, volgens Leterme en zijn OESO, op vooruitgaan wanneer (a) de mensen minder verdienen en (b) meer moeten betalen voor bepaalde basisbehoeften zoals transport. Minder verdienen en meer uitgeven: in mijn wereld betekent dat verarming. En die verarming zou ik dan als ‘vooruitgang’ of ‘verbetering’ van de toestand moeten begrijpen?

epa03163537 (08/18) Local residents look for food in a pile of garbage at Perama, 25 km west of Athens, Greece, 22 March 2012. From 10 to 24 March the municipality of Perama was full of piles of garbage because the gas stations who supply the municipality vehicles were unpaid for several months. The unemployment in the town of Perama has exceeded 60 per cent while in the small shipyards and the significant Shipbuilding and Repair Zone of the area has hit 95 per cent. The social fabric of the town of Perama faces the threat of collapse as thousands of families live below the poverty level.  EPA/ORESTIS PANAGIOTOU PLEASE SEE ADVISORY epa03163529 FOR FULL FEATURE TEXT

Griekenland op de goede weg?

media_xl_1100243Het tweede voorbeeld sluit erbij aan. Onlangs liet de Trojka die de Eurocrisis moet bezweren weten dat Griekenland ‘op de goede weg’ was en ‘tekenen van herstel’ vertoonde. In diezelfde week kondigden drie grote Griekse universiteiten aan dat ze hun deuren moesten sluiten wegens tekort aan financiering. Enkele maanden eerder was (op aanbeveling van de Trojka) de Griekse openbare omroep al gewapenderhand stilgelegd. De enorme toename van de werkloosheid, de zeer grote inleveringen op loon van de Griekse werknemers, de drastische verlagingen van pensioenen en uitkeringen, het stilvallen van de basisgezondheidszorg, het huisvestingsprobleem – al die zaken zullen de Trojka beslist niet zijn ontgaan. Maar toch zijn net deze feiten ‘tekenen van herstel’. Ik slaag er niet in te begrijpen hoe de totale instorting van een samenleving als teken van herstel kan worden gezien – herstel waarvan? En wiens herstel?

We hebben in de delen hierboven een reeks begrippen uitgekleed, ze herleid tot hun werkelijke betekenis, en aangetoond dat ze ons manipuleren wanneer wij hen een objectieve en feitelijke waarde toekennen. We hebben die begrippen de afgelopen jaren miljoenen keren op ons afgevuurd gezien; velen onder ons zijn dan ook gewend geraakt aan hun manipulatief gebruik, en zijn ze zelf ook gaan gebruiken in die manipulatieve betekenis, ook al is dat regelrecht in strijd met de eigen belangen. Zo heb ik mensen horen pleiten voor “de stabiliteit van de Euro”, terwijl zij steeds minder van die Euro’s in bezit hadden.

Een tegenkracht moet intellectueel zijn als ze politiek wil zijn; ik bedoel ‘intellectueel’ hier niet in elitaire zin, integendeel. Ze moet intellectueel zijn omdat ze gedragen wordt door het kritische denkwerk van iedereen, jong en oud, man en vrouw, groot en klein in de samenleving. Iedereen moet in staat zijn creatief en kritisch analyses te maken en die goed beargumenteerd door te geven. De kritiek van woorden is daarbij een zeer belangrijke zet en een krachtig instrument, dat al bij al ook makkelijk te hanteren is.

Dat deze taalstrijd bij sommigen als ‘radicaal’ wordt ervaren nemen we er graag bij. We weten immers dat ‘radicaal’ meer zegt over degene die het woord gebruikt dan over degene op wie het wordt toegepast. En we weten ook dat onze kritiek vaak op eenvoudige common sense neerkomt. Via welke merkwaardige logica moet ik anders aanvaarden dat mijn toestand erop vooruit gaat wanneer ik armer word? Of dat mijn bedrijf gered wordt doordat ik mijn baan verlies?

Jan Blommaert

Deze tekst is gebaseerd op de slottoespraak van Jan Blommaert op de derde dag van het Socialisme, 2 november 2013.

May 25, 2015 at 9:50 am 2 comments

EN DÚS MOETEN DE LONEN OMLAAG

Goed voor de economie, slecht voor de mensen, zo zou je kunnen samenvatten wat economen en politici ons voorhouden. Dagelijks worden we om de oren geslagen met axioma’s die we op den duur gaan slikken als onbetwistbare waarheden, als waren het natuurwetten: “de overheid moet ontvet worden” “de bedrijven moeten zuurstof krijgen,” “arbeid moet flexibeler worden” “onze concurrentiekracht  moet omhoog” en ja “de lonen moeten omlaag.”   Zelden worden deze “waarheden” tegen het licht gehouden. Dat is nu net wat Mirjam de Rijk In de Groene Amsterdammer van 1 april  wél doet: wat is mythe en wat is werkelijkheid in de wereld en het taaltje van de economische hogepriesters. Hieronder volgt een licht ingekorte versie van haar bijdrage. De volledige tekst lees je hier.
Johan Depoortere
mythen_231_loonwoensdag 1 april 2015

Negentien mythes over ‘wat goed is voor de economie’

In zijn boek Niet alles is te koop wijst de politiek-filosoof Michael J. Sandel op het onderscheid tussen een markteconomie en een marktsamenleving. Een markteconomie staat ten dienste van de mens, in een marktsamenleving staat de samenleving ten dienste van de economie. Zegt u het maar, aldus Sandel.

Toch komt dat debat maar moeizaam op gang, te vaak blijft het bij gemeenplaatsen over wat goed is voor de economie. Waarbij niet nader wordt gespecificeerd waar we het met ‘de economie’ dan eigenlijk over hebben: over banen, over het welvaren van grote bedrijven, over het welbevinden van mensen, over meer gelijkheid, meer ongelijkheid?

De economen Arjo Klamer en Paul Teule telden hoe vaak de termen ‘economische groei’, ‘de economie’ en ‘bbp’ de afgelopen eeuw gebruikt werden in Nederlandse parlementaire stukken. De term ‘economische groei’ kwam in de periode van 1920 tot 1950 slechts vijf keer voor, in de periode van 1995 tot 2010 was dat 5847 keer. Het bbp werd tot 1965 slechts twee keer genoemd, tussen 1995 en 2010 maar liefst 4600 keer. Zouden ze de stukken van de afgelopen vijf jaar doorworstelen, dan kwamen de getallen waarschijnlijk nog veel hoger uit.

In deze tweede aflevering over economische verdichtselen negentien mythes over de rol van de markt, over de betaalbaarheid van de publieke sector, over het meten van vooruitgang en de bestrijding van ongelijkheid. Kortom, over wat goed is voor ‘de economie’. En hoe verschillend je daar tegenaan kunt kijken.

Mythe 1: economie gaat over geld

Economie gaat over ‘het optimaal voorzien in de behoeften van mensen die nu leven en straks leven, hier en elders’, vat econoom Arnold Heertje zijn vakgebied samen. En dat gaat dus niet alleen over behoeften die in geld uitgedrukt kunnen worden, wil hij maar zeggen. Hij hecht sterk aan het ‘brede welvaartsbegrip’ dat hij ooit in de jaren vijftig van zijn leermeester Pieter Hennipman meekreeg.

Helaas is anno 2015 een economische beschouwing synoniem aan een financiële beschouwing. Vanuit het brede welvaartsbegrip is niet alleen van belang wat er ‘onder de streep overblijft’, wat boven de streep gebeurt is zeker zo relevant: de aard van werk, de invloed die productie heeft op de leefomgeving. Heertje verbaast zich over beweringen als ‘ja, maar het is goed voor de economie’ als manier om voorstellen te verdedigen die op veel weerstand stuiten. ‘Vanuit het brede welvaartsbegrip kan dat eenvoudig niet: als economie gaat over de behoeftebevrediging en er is breed verzet tegen een voorstel kan het voorstel onmogelijk “goed voor de economie” zijn – die economie was immers bedoeld voor de behoeften van diezelfde mensen.’

Economie is een normatieve kracht geworden in plaats van een faciliterende, zegt de Tsjechische econoom Tomas Sedlacek, auteur van De economie vangoed en kwaad. ‘De economie vertelt ons wat we moeten doen, in plaats van te helpen bij het bevredigen van onze behoeften.’ Waar economie vroeger een geesteswetenschap was, die hielp nadenken over vraagstukken zonder de waarheid in pacht te hebben, is het nu ‘veredelde wiskunde’, stelt hij, ‘en met betwistbare formules’.

Mythe 2: geef bedrijven de ruimte, dat is goed voor de economie

De redenering is dat als bedrijven minder dwarsgezeten worden door regels en belastingen, en méér worden gefaciliteerd, de economie groeit en uiteindelijk iedereen erop vooruit gaat.

Bedrijven betalen in Nederland op dit moment gemiddeld nog maar tien procent vennootschapsbelasting (netto, dus na aftrek van vrijstellingen), berekende Flip de Kam, hoogleraar economie van de publieke sector in Groningen. Dat is een halvering ten opzichte van vijftien jaar geleden, onder het motto dat ze met het uitgespaarde geld ruimte hebben om te investeren.

Niets wijst er echter op dat dit gebeurt: de investeringen zijn ongekend laag en het geld wordt gebruikt voor winst- en dividenduitkeringen of om de eigen aandelen op te kopen. Ook in de Verenigde Staten heeft een forse verlaging van belastingen voor bedrijven niet geleid tot meer investeringen of meer economische groei, blijkt uit onderzoek van Bruce Bartlett, voormalig adviseur van nota bene de Republikeinse presidenten Reagan en Bush.

Dat het mkb een minder sterke lobby heeft, blijkt uit het feit dat grote bedrijven veel minder belasting betalen dan kleine. Als gepleit wordt voor de belangen van ‘het bedrijfsleven’ gaat het meestal over de belangen van grote bedrijven. Voor zowel de economische groei van een land als voor werkgelegenheid is het midden- en kleinbedrijf echter belangrijker. De belangen van het mkb zijn deels tegengesteld aan die van grote bedrijven; het mkb heeft belang bij binnenlandse afzet, en dus bij behoorlijke lonen, terwijl grote bedrijven vaak mikken op export en loonmatiging. Alleen al daarom is het onverstandig om het over ‘de economie’ te hebben als een ondeelbare grootheid; de economie bestaat uit veel verschillende actoren met vaak heel verschillende belangen.

Dat niet alleen belasting maar ook andere overheidsbemoeienis niet slecht is voor economische groei laat de econoom Ha-Joon Chang zien in 23 dingendie ze je niet vertellen over het kapitalisme. Overal in Europa vallen perioden van grote economische groei samen met veel overheidsinterventie. Terwijl de liberalisering en privatisering van de afgelopen decennia er juist toe leidden dat bedrijven en kapitaal zich gingen richten op kortetermijnwinsten, en dat is op termijn slecht voor de economie.

mythen#2.jpg

Mythe 3: Nederland leeft van de export

‘Nederland exportland’ is de gevleugelde uitdrukking, en tientallen keren per jaar trekken ministers, leden van het koningshuis en grote bedrijven samen de wereld in om die export te bevorderen. Twee derde van de Nederlandse export betreft echter doorvoer en heeft weinig toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie of werkgelegenheid. Al met al is de Nederlandse economie voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse afzet en dus de binnenlandse koopkracht.

Van de dertig procent export gaat bovendien twee derde naar Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Dat is van belang om in het achterhoofd te houden als er vanuit exportbelangen bijvoorbeeld gepleit wordt voor lagere lonen of minder regels: in deze landen zijn de lonen immers door de bank genomen niet lager en de regels niet soepeler.

Exportcijfers zeggen eigenlijk weinig meer nu onderdelen van een product over de hele wereld gemaakt worden en dan, bijna toevallig, in een land in elkaar gezet worden. Bepalend is niet waar het in elkaar zetten gebeurt, maar of je essentiële onderdelen van de productieketen levert.

Overigens staat Nederland in de top-drie van de Enabling Trade Index (na Singapore en Hongkong) van het World Economic Forum, dus over de exportpositie hoeven we ons voorlopig weinig zorgen te maken.

Mythe 4: de financiële sector is een belangrijke motor van de economie

Een van de redenen waarom er na de deconfiture van de financiële sector in 2008 in Nederland weinig maatregelen zijn genomen tegen bijvoorbeeld banken en hedgefondsen is dat de sector van groot belang heet te zijn voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. De financiële sector, oftewel de banken, verzekeraars, pensioenfondsen en beleggers, was in 2013 goed voor 7,3 procent van het bbp. Daarmee is de financiële sector in Nederland groter dan in de meeste andere landen. Maar in werkgelegenheid is de sector beperkt: drie procent.

Het valt voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) overigens niet mee om het aandeel van de financiële sector in het bbp te bepalen, want wat is de toegevoegde waarde van geld dat vooral heen en weer flitst? Het cbs telt bijvoorbeeld het verschil tussen de rente waarmee een bank geld uitleent (stel drie procent) en de rente die een bank voor dat geld betaalt (stel één procent) mee in het bbp.

Volgens Lex Hoogduin, voormalig directielid van De Nederlandsche Bank, heeft de financiële sector de economie eerder kwaad gedaan dan goed. De groei van de financiële sector heeft een rem gezet op de productieve sector en daarmee op de reële economie. Het was immers voor iedereen met geld aantrekkelijker om te speculeren met financiële producten dan om in de reële economie te investeren. De financiële sector trekt niet alleen geld maar ook arbeids­krachten weg uit productieve sectoren.

De acties vanuit de financiële sector gaan regelmatig ten koste van de ‘echte’ economie, want ten koste van bedrijven, stelt Hans Schenk, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en lid van het Sustainable Finance Lab. Hij berekende dat financiële instellingen en aandeelhouders in Europa in de jaren voorafgaand aan 2008 jaarlijks duizend miljard euro besteedden aan fusies en overnames van Europese bedrijven. Doordat de meeste van die fusies en overnames mislukten, ging minstens 65 procent van het geld in rook op. Ten koste van de betreffende bedrijven: ze hadden geen geld meer om te investeren, moesten personeel ontslaan en waardevolle onderdelen verkopen om de verliezen te dekken. Bij sommige betekende dat het einde van het bedrijf, zoals nu met V dreigt te gebeuren. Het private equity-fonds zet de kosten van de overname op de balans van het gekochte bedrijf, verkoopt de waardevolle onderdelen van het bedrijf (het vastgoed bijvoorbeeld) en de rest van het bedrijf gaat kopje onder.

Mythe 5: het is de markt die zorgt voor innovatie

Mariana Mazzucato, hoogleraar economie aan de Universiteit van Sussex en afgelopen vrijdag in Nederland, legt in The Entrepreneurial State bloot dat het overgrote deel van technologische innovaties in overheidslaboratoria tot stand komt, en dus niet, zoals vaak wordt gedacht, op de markt. Zo is zelfs de iPhone voor zeventig procent te danken aan innovaties vanuit de overheid. Het is dan ook volkomen onterecht dat de overheid vaak wordt weggezet als een logge en bureaucratische remmer van innovaties, tegenover een dynamische innovatieve private sector, betoogt zij.

De markt springt vaak pas in op innovaties nadat de overheid de eerste risicovolle investeringen heeft gedaan. Hoogleraar innovatie Alfred Kleinknecht: ‘Dat kun je de markt niet kwalijk nemen, bedrijven kunnen moeilijk hoge kosten maken als volkomen onduidelijk is wat het gaat opbrengen. Het is alleen wel zo fair om de rol van de overheid ruiterlijk te erkennen.’

mythen#3.jpg

Mythe 6: de markt is altijd efficiënter

‘Privatisering dient om het overheidsbedrijf te moderniseren en fit te maken voor de vrije markt. Door het bloot te stellen aan concurrerende krachten wordt het gedwongen tot een efficiënte bedrijfsvoering.’ Was getekend oud-vvd-leider Frits Bolkestein in januari 2000.

Ontelbare afdelingen en taken van de overheid werden in de afgelopen decennia ‘verzelfstandigd’ of geprivatiseerd met de premisse dat de markt het beter, want goedkoper, kan. Maar niet alleen is de markt soms duurder, ook heeft ‘goedkoper’ wel een prijs. Het gaat vaak ten koste van andere publieke waarden en belangen, zegt Paul de Bijl, zeven jaar hoofd van de sector marktordening van het Centraal Planbureau (cpb) en nu zelfstandige. Want alleen als publieke belangen ‘contracteerbaar’ zijn, oftewel vast te leggen zijn in bijvoorbeeld prestatieafspraken, kun je ze echt zekerstellen. Veel publieke belangen, zoals veiligheid, werkgelegenheid, gezondheid, milieu of gelijke toegang, zijn eigenlijk niet vast te leggen en komen bij marktwerking en privatisering in het gedrang, stelt hij. Bedrijven (en als bedrijf aangestuurde verzelfstandigde overheidsdiensten) zullen altijd hun winst willen maximaliseren, en kosten besparen door de niet-contracteerbare kwaliteit uit te hollen. ‘Die maatschappelijke kosten zijn onderbelicht gebleven tijdens de marktwerkingshausse.’

De vermarkting in de publieke sector heeft geleid tot wat de socioloog Abram de Swaan zo mooi ‘pre-crimineel gedrag’ noemt: er zijn (nog) geen wetten die het officieel verbieden, maar immoreel en amoreel is het wel. Van Maserati’s tot topsalarissen en van gokken met publiek geld tot prestigeprojecten.

Mythe 7: de publieke sector is te groot

De hoeveelheid geld die via de overheid wordt herverdeeld en besteed is met 44,5 procent van het bbp in Nederland iets lager dan het gemiddelde van de EU. Lager dan Nederland zitten de voormalige Oostbloklanden, Groot-Brittannië, Ierland, Spanje en Cyprus. Met die 44,5 procent worden niet alleen de publieke sector en de overheid zelf bekostigd, ook de aow en alle andere uitkeringen zitten erin. Zeventig procent van de via de overheid verdeelde 260 miljard gaat naar onderwijs, zorg en sociale zekerheid. Wie wil bezuinigen zonder dat dit ten koste gaat van deze drie heeft dan ook een harde dobber.

In het eerste deel van deze serie is al betoogd dat een grote publieke sector in economisch opzicht geen enkel probleem is. Er is geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate spullen dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids)productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw.

Voor de fijnproevers: de overheid beschikt behalve over belasting- en premieopbrengsten ook over gasinkomsten, hoe actueel, en leent geld (het financieringstekort) en kan daardoor 44,5 procent van het bbp besteden, terwijl de lastendruk (de optelsom van belastingen en premies, als percentage van het bbp) maar 38 procent is.

mythen#4.jpg

Mythe 8: het huishoudboekje moet kloppen

Zo staat het letterlijk op de site van de rijksoverheid, onder het kopje ‘maatregelen om de economie te versterken’: ‘Nederland geeft meer uit dan er binnenkomt. Daarom neemt Nederland maatregelen om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Want een kloppend huishoudboekje is belangrijk voor een sterke economie.’ Economisch beleid wordt daarmee gereduceerd tot gezonde overheidsfinanciën, die vervolgens teruggebracht worden tot de metafoor van het huishoudboekje.

Maar de vraag is waarom staatsschuld eigenlijk erg is. Tegenover de staatsschuld van 460 miljard euro staat een enorme hoeveelheid bezittingen. Een in Nederland geboren baby komt niet alleen ter wereld met een schuld van 28.000 euro, zoals op dezelfde site vermeld staat, maar ook in een land vol scholen, wegen, ziekenhuizen en straat­lantaarns, oftewel een collectief bezit van jewelste. En anders dan andere Europese landen heeft Nederland een pensioenspaarpot van 1200 miljard euro. Nederland heeft nu al gespaard voor de ouderen van de toekomst en dat hebben andere landen niet. Hoogleraar Flip de Kam: ‘De pensioenverplichting zou in andere landen als een minpost op de overheidsbalans moeten staan, maar dat is niet het geval.’ En voor de verhoudingen: de hypotheekrenteaftrek kost de overheid meer geld dan de rentelasten van de staatsschuld (die voor 2015 geschat wordt op 8,4 miljard).

Schulden maken om er later meer voor terug te krijgen is zowel voor individuen (studieschuld) als bedrijven (investeren) de normaalste zaak van de wereld. Juist een overheid kan bij uitstek investeren, en daarbij anticiperen op toekomstige stijging van de belastinginkomsten. De sterke toename van de staatsschuld (van 45,3 procent van het bbp in 2007 naar 73,5 procent in 2013) heeft overigens voor een groot deel te maken met de steun aan de banken. Daling van de staatsschuld gebeurde tot nu toe vrijwel altijd door inflatie en economische groei (door het eerste wordt de schuld minder waard, door het tweede neemt het percentage ten opzichte van het bbp af). Daling door bezuinigingen, zeker in een tijd van nul inflatie en lage economische groei, is vrijwel onmogelijk.

Volgens hoogleraar economie Harrie Verbon dient de mythe van de staatsschuld vooral een ideologisch doel: ‘Verlaging van de staatsschuld betekent een kleinere overheid, en daar gaat het de voorstanders om.’

Mythe 9: de stijgende zorgkosten gaan ten koste van onderwijs en ander moois

De zorguitgaven stijgen op het moment met zo’n vier procent per jaar, doordat mensen ouder worden, er medisch meer kan, we hogere eisen stellen aan de verzorging, door prijsstijgingen en noem het ‘aanbodsturing’. Dat is meer dan de economische groei en dus zijn we een steeds groter deel van het nationaal inkomen aan zorg kwijt. In het publieke debat wordt regelmatig de indruk gewekt dat de stijgende zorgkosten ten koste gaan van andere publieke voorzieningen, zoals het onderwijs. Maar dat geldt alleen als de totale kosten van de publieke voorzieningen als geheel niet mogen stijgen. En dat is, zoals eerder betoogd, een keuze: een grote collectieve sector is economisch gezien geen probleem. Hoeveel we aan zorg willen besteden is, binnen redelijke grenzen, eveneens een keuze.

De Nederlandse zorgkosten houden, als het om de zogeheten cure gaat, gelijke tred met de omringende landen, maar de kosten voor de langdurige zorg zijn in Nederland relatief hoog en nemen ook sneller toe dan elders. Naar verhouding is er in Nederland veel betaalde langdurige zorg, terwijl in omringende landen mensen vaker onbetaald voor ouderen, geestelijk zieken en gehandicapten zorgen. Ook dat is een keuze.

Mythe 10: de vergrijzing is niet te betalen

Puur demografisch is er wel wat aan de hand: waren er in 2012 op iedere aow’er 3,7 mensen tussen de twintig en de aow-gerechtigde leeftijd, in 2040 zijn er op iedere aow’er 2,6 mensen tussen de twintig en de 67. In de komende 25 jaar zullen het bbp en de arbeidsproductiviteit naar verwachting ook toenemen, waardoor de kosten van meer ‘afhankelijken’ (zoals de 67-plussers in cpb-termen heten) ook makkelijker te dragen zijn. Bovendien telt het cpb alleen ouderen mee als afhankelijken, en kinderen niet.

Ook kinderen kosten echter geld en verdienen nog niks. Tel je kinderen en ouderen bij elkaar op, dan is het aantal afhankelijken ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking (gedefinieerd als iedereen van 20 tot 65 jaar oud, in de toekomst 67 jaar) in 2040 even hoog als nu. Waar we nu meer voor nog niet werkende kinderen betalen, doen we dat in de toekomst vaker voor niet meer werkende ouderen.

Bovendien, en dat zou je bijna vergeten door alle discussies over de ‘onhoudbaarheid’ van het Nederlandse pensioenstelsel, sparen ouderen zelf voor een groot deel van hun kosten. De pensioenen in Nederland zijn opgezet als spaarpot voor later: de werkenden van nu dragen premie af voor als ze zelf gepensioneerd zijn. In andere landen betalen de werkenden het pensioen van de mensen die op dat moment met pensioen zijn, en zal in de toekomst dus een krimpend aantal werkenden het pensioen van een toenemend aantal ouderen moeten betalen.

De aow is wel gefinancierd zoals elders de pensioenen: de huidige belastingbetalers bekostigen de aow van de huidige gepensioneerden, en de toekomstige werkers dus de aow van de dan gepensioneerden. Doordat de aowechter slechts meestijgt met het minimumloon en niet met de gemiddelde lonen is de kosten­stijging beperkt. De kosten van de aow zijn op dit moment zo’n vijf procent van het bbp.

Een paar jaar geleden waren de politiek en beleidsmakend Nederland in de ban van het ‘houdbaarheidstekort’, een nieuwe term die betekende dat Nederland, bij gelijkblijvende voorzieningen en gelijkblijvende belastingen en premies, in 2040 een tekort zou hebben van 29 miljard per jaar. Achteraf is het een wat wonderlijke redenering: alles blijft gelijk, er verandert 25 jaar lang niets, behalve dat er meer ouderen komen. Inmiddels is het houdbaarheidstekort omgeslagen in een ‘houdbaarheidsoverschot’ en sindsdien hoor je niemand er meer over.

Veel pensioenfondsen indexeren de pensioenen niet meer omdat aanpassing aan de inflatie te duur zou zijn. In die discussie is het goed te bedenken dat indexering in tijden van gemiddelde inflatie jaarlijks een half miljard euro kost (op een totale jaarlijkse pensioenuitkering van dertig miljard), en de overheadkosten van de pensioenfondsen jaarlijks 5,7 miljard. Dat zijn de kosten voor vermogensbeheer en ‘transactiekosten’. Het is misschien nuttiger om iets aan die kosten te doen.

Mythe 11: een economische groei van drie procent is normaal

Dat wat je in je eigen leven hebt meegemaakt beschouw je al gauw als vanzelfsprekend. Dat is misschien de reden dat we een economische groei van drie procent normaal vinden, en een groei van bijvoorbeeld één procent als vreemd beschouwen. De aflopen pakweg driehonderd jaar lag de economische groei in Europa echter slechts dertig jaar rond de drie procent, laat Thomas Piketty zien in zijn veelbesproken boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Piketty gaat daarbij uit van de groei per hoofd. De (dikke) drie procent gold alleen van 1950 tot 1980. Gedurende een groot deel van de afgelopen driehonderd jaar was er niet of nauwelijks sprake van groei, en gemiddeld lag de groei zowel in Europa als in de VS op ongeveer één procent.

Het economenpanel van MeJudice peilde afgelopen september de verwachtingen van 64 economen over economische groei. Met de stelling ‘het groeiperspectief in de eurozone is de komende tien jaar maximaal één procent’ was slechts een derde het oneens, en als het louter over de groei in Nederland ging lag dat percentage nauwelijks hoger.

Het Sustainable Finance Lab berekende dat de economische groei in Nederland tussen 1995 en 2008 gelijk stond aan het bedrag dat er aan extra hypotheken werd opgenomen op de ‘overwaarde’ van huizen. Het sfl stelt daarom dat de groei in die periode in feite gebaseerd was op lucht. Veel huizen staan inmiddels ‘onder water’, ze zijn niet méér maar minder waard dan de prijs waar ze voor gekocht zijn.

De economische ontwikkeling is eigenlijk niet te voorspellen, en bovendien is het een illusie dat de overheid of de politiek daar veel invloed op heeft, zegt hoogleraar economie Harrie Verbon. ‘Groei is vooral een effect van grote innovaties. Die kun je stimuleren, maar er valt niet te voorspellen wanneer ze zich werkelijk voordoen.’ Een langdurig lage economische groei stelt de samenleving voor een uitdaging waar we nog geen ervaring mee hebben, stelt Verbon: ‘Tot nu toe was economische groei de manier om, zonder dat het anderen pijn doet, ervoor te zorgen dat de onderkant het ietsjes beter krijgt, dus hoe doe je dat zonder economische groei?’ Tomas Sedlacek stelt: ‘Als het pensioenstelsel, de zorg en het sociaal stelsel gebouwd zijn op groei is dat vragen om problemen. Een schip moet zowel tegen rukwinden als tegen windstilte kunnen.’

mythen#5.jpg

Mythe 12: het bbp is een goede maatstaf van ’s lands welvaart

Hoewel voor steeds meer mensen duidelijk is dat het bbp, het bruto binnenlands product, geen goede maat is om de welvaart van een land te meten, is er nog geen andere maat voor in de plaats gekomen. Het bbp is de optelsom van alles wat in een land geproduceerd wordt voor geld. Alles waar niet voor betaald wordt, telt niet mee. En anders dan bij bedrijven, waar ook de ‘voorraad’ van belang is, telt in het bbp alleen de productie zelve. Zo neemt het bbp toe als er na een ramp of oorlog veel huizen gebouwd worden, ook als vervolgens het aantal huizen even groot is als vóór de ramp of oorlog.

Het bbp van een land wordt vaak niet gewogen naar het aantal inwoners. Zo zal China binnenkort de VS voorbij gaan in bbp, maar dat neemt niet weg dat een Amerikaan nog steeds ruim vijf keer zo rijk is als een Chinees (in koopkracht; gemeten in geld is een Amerikaan zelfs bijna acht keer zo rijk).

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso)heeft een andere maat ontwikkeld voor welvaart van een land: de Better Life Index, waarin behalve het inkomen per hoofd ook de levensverwachting, het geweldsniveau, de scholingsgraad en de ongelijkheid meetellen. Deze factoren zijn voor het bevredigen van behoeften van mensen van groot belang – en dat was waar het ‘de economie’ ooit om begonnen was. De Utrechtse hoogleraar Jan Luiten van Zanten keek met deze index naar Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen en ontdekte dat het bbp en ‘Better Life’ vaak fors uit elkaar lopen. Hij wijst nog op een andere reden waarom het bbp geen goed economisch kompas is: economische groei is vaak zo ongelijk over de bevolking verdeeld dat het weinig zegt over de welvaart van het land als geheel.

In het boek Economie: De gebruiksaanwijzing stelt Ha-Joon Chang voor de economische ontwikkeling van landen af te meten aan de toe- of afname van hun vermogen om te produceren. Dat vermogen tot productie zit onder meer in natuurlijke hulpbronnen, machines, innovatiekracht en mensen.

Hoe alomtegenwoordig het bbp is blijkt overigens ook weer uit dit artikel.

Mythe 13: de toekomst hangt af van drie percentages

Wie het nieuws volgt krijgt de indruk dat de economische staat van landen valt af te meten aan drie percentages: de staatsschuld mag niet hoger zijn dan zestig procent van het bbp, een inflatie van twee procent is het gezondst, en het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent. Het Europese ‘stabiliteitspact’ heeft dit percentagedenken een grote boost gegeven. Hoog­leraar economie Steven Brakman uit Groningen: ‘Dat is misschien wel de grootste economische mythe van dit moment. Er is niemand die kan aangeven waarom die kengetallen zo belangrijk zijn voor de economie, laat staan waarom zestig, drie en twee de ware getallen zijn. Er zijn landen met zeer florerende economieën met heel andere percentages. En toch richten we alles in op die paar getallen.’

De pagina ‘overheidsfinanciën 2015 in beeld’ op de site van de rijksoverheid vermeldt slechts het begrotingstekort, de rentelasten en de staatsschuld. Niks over de 260 miljard die de overheid jaarlijks besteedt of waaraan dit wordt besteed, daar kom je pas op bij veel doorklikken. Voor wie daar toch nieuwsgierig naar is: 105 miljard oftewel veertig procent gaat naar zorg en onderwijs, bijna 78 miljard naar sociale zekerheid en reïntegratie.

Mythe 14: we zijn in de afgelopen 35 jaar tig keer zo rijk geworden

Niet iedereen. Het reële inkomen van de tien procent minst verdienende huishoudens is in Nederland sinds 1977 zelfs met ruim dertig procent gedaald. Ook zijn de cao-lonen, gecorrigeerd voor inflatie, sinds 1980 niet gestegen. Een eenverdiener die afhankelijk is van het cao-loon en er geen periodieken en dergelijke bij kreeg, ging er de afgelopen 35 jaar dan ook niet op vooruit.

De toegenomen rijkdom (gemeten in bbp per hoofd, gecorrigeerd voor inflatie) zit vooral bij tweeverdieners, mensen die carrière maakten en mensen met inkomen uit vermogen. Drie vaak onderbelichte factoren veroorzaken toenemende inkomensverschillen: mensen gaan ‘opwaarts’ relaties aan (hoogopgeleid trouwt met hoogopgeleid), loononderhandelingen gaan over procenten in plaats van centen (en twee procent erbij is op het minimuminkomen een schijntje ten opzichte van twee procent voor hoge inkomens) en ten slotte het feit dat veel uitkeringen (aow, bijstand) verstrekt worden per huishouden terwijl lonen individueel zijn. Tweeverdieners verdienen twee inkomens, samen­wonende aow’ers of bijstandsgerechtigden krijgen pakweg 140 procent van een alleenstaandenuitkering.

Mythe 15: iedereen profiteert van economische groei

Het is de rode draad van het kabinetsbeleid: zorg voor meer economische groei, want daar profiteert uiteindelijk iedereen van. Een geloof dat ook wel bekendstaat als de trickle down-­filosofie, of zoals de Engelsen zeggen ‘a rising tide lifts all boats’.

De effecten van deze filosofie zijn vergaand, zeker in combinatie met de mythe dat financiële armslag voor bedrijven en kapitaalkrachtigen leidt tot investeringen. Zo kun je rechtvaardigen dat je bezuinigt op voorzieningen voor arme mensen ten bate van bedrijven en rijken: dat zorgt immers voor economische groei waar ook de armen uiteindelijk baat bij zullen hebben.

Het trickle down-effect is echter een mythe, laat de Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz zien met uitgebreid onderzoek. Want niet alleen leidt het bevoordelen van bedrijven vaak helemaal niet tot investeringen en groei (zie mythe 2: geef bedrijven de ruimte), ook komt groei niet vanzelf ten goede aan de onderkant van de samenleving. Of de onderkant baat heeft bij economische groei hangt grotendeels af van het overheidsbeleid: de herverdeling via belastingen, publieke voorzieningen en sociale zekerheid.

Mythe 16: ongelijkheid is goed voor de economie

Tot voor kort was het idee dat inkomens­verschillen goed zijn voor de economie tamelijk hardnekkig: ongelijkheid zou naijver aanwakkeren, waardoor mensen harder gaan werken. De oeso heeft hier onlangs korte metten mee gemaakt: inkomensverschillen zijn juist slecht voor de economie. Ten eerste omdat juist aan de onderkant mensen productiever worden als ze meer middelen krijgen: ze zijn dan minder met overleven bezig, scholen zichzelf en hun kinderen beter en gaan meer bijdragen aan de samenleving. Dat geldt niet alleen voor de onderste tien procent, maar zelfs voor veertig procent van de mensen, toont de oeso aan. Ook leidt bij de onderste inkomensgroepen extra geld tot extra bestedingen in de reële economie, terwijl de bovenste inkomensgroepen hun geld eerder oppotten. Waren de inkomensverschillen in Nederland kleiner, dan zou dat wellicht dertig miljard aan bbp extra opleveren, aldus de oeso.

Dat toenemende ongelijkheid geen natuurverschijnsel is waar niks aan te doen valt, blijkt in Zuid-Amerika. Ontwikkelingseconoom Sir Richard Jolly van de Universiteit van Sussex laat zien dat de ongelijkheid in vijftien Zuid-­Amerikaanse landen in de afgelopen jaren flink is afgenomen door een combinatie van belastingpolitiek, handelsbeleid, armoedeprogramma’s en overheidsinvesteringen van overwegend linkse regeringen.

Mythe 17: onderwijs is de oplossing – voor alles en zeker voor de economische groei

De relatie tussen onderwijs en economische groei is op z’n minst een ingewikkelde. In 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme laat Chang zien dat er landen zijn met een uiterst laag percentage hoogopgeleiden die het economisch zeer goed doen (Zwitserland) en andersom: landen waar vrijwel iedereen hoogopgeleid is en waar het economisch toch slecht gaat (Griekenland, Argentinië). Onderwijs is voor mensen zeer verrijkend, maar haal er niet steeds het economische argument bij, stelt hij.

De econome Alison Wolf toont in Does Education Matter? Myths about Education and Economic Growth aan dat investeringen in het basis- en voortgezet onderwijs echt van belang zijn, maar investeringen in het onderwijs dat daarna komt veel minder.

Bij de discussies over de relatie tussen onderwijs en werkgelegenheid wreekt zich dat wat waar is voor individuen wordt geëxtrapoleerd naar de samenleving als geheel, zegt arbeidsmarkteconoom Paul de Beer: ‘Iemand die hoogopgeleid is heeft meer kans op een baan dan een laagopgeleide, maar minder laagopgeleiden leidt niet tot minder werkloosheid.’ Onderwijs is een positioneel goed geworden: wie er meer van heeft, onderscheidt zich van wie minder heeft. Het genoten onderwijs is daarmee vooral een sorteerinstrument voor werkgevers.

Arnold Heertje pleit ervoor om ook bij onderwijs uit te gaan van het brede welvaartsbegrip: voorzien in de behoeften van mensen, in dit geval de leerlingen en studenten. ‘Wat willen zij leren, waar voelen zij zich rijker door. Dat is iets anders dan de behoeften van de geldeconomie.’

Mythe 18: vrije markt en handel zijn goed voor arme landen

Opmerkelijk is dat de westerse landen die zelf hun economieën heel lang afgeschermd hebben, juist om eerst zelf economische kracht op te bouwen, nu beweren dat vrijhandel goed is voor ontwikkelingslanden. Op een zeker moment is vrije handel goed voor de economische groei van een land, zegt Harry Garretsen, hoogleraar internationale economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar eerst moet de economie van een land sterk genoeg zijn om de concurrentie aan te kunnen. Én er moet een institutionele structuur zijn waardoor die vrije handel goed geregeld is, anders wordt het een vorm van leegroof.

In veel landen is aan die twee voorwaarden nog niet voldaan en dan is een vorm van protectionisme verstandig, zegt Garretsen: ‘Het is een simplistisch idee van beleidsmakers dat vrije handel altijd goed is.’ Daar is inmiddels overigens ook het imf van overtuigd. De Japanse auto-industrie vaart nu wel bij vrije handel, maar vergeten wordt dat ze tot wasdom kwam dankzij veertig jaar protectionisme en subsidies.

Een ander misverstand is dat wat tegenwoordig vrijhandel heet (het afbreken van alle handelsregulering) een voorwaarde is voor handel tussen landen. ‘Er wordt vaak de indruk gewekt dat het alles of niets is: alsof er alleen gehandeld kan worden als er geen enkele beperking of regel is. Terwijl de meeste handel natuurlijk plaatsvindt binnen regels.’

Mythe 19: pas op, we dalen op de lijstjes!

‘The dangerous obsession with competitive­ness’, noemde de econoom Paul Krugman het al in 1994: het idee dat landen met elkaar concurreren als waren het multinationals. Sindsdien is het denken in economische lijstjes en competitie alleen maar toegenomen. Competitiedenken gaat ervan uit dat de winst van de een het verlies van de ander is. Landen kunnen echter juist profijt hebben van elkaars vooruitgang: als het goed gaat met Duitsland is dat goed voor Nederland. (Iets wat in relatie tot China overigens nog wel eens vergeten wordt: een opkomend China betekent niet alleen Chinese productie, maar ook een enorme afzetmarkt.)

Lijstjes gaan er bovendien vanuit dat je relatieve positie belangrijker is dan je feitelijke: stel dat het bbp van Nederland bijvoorbeeld fors stijgt, maar dat van een ander land stijgt nog iets meer, dan daalt Nederland een plek op de lijst, maar gaat het daarmee slechter? Het woord ‘concurrentiekracht’ suggereert bovendien dat ongeveer je hele bestaan ervan afhangt. Maar de lijstjes die de ‘competitive­ness’ of concurrentiekracht meten, hebben het slechts over de exportmogelijkheden van een land. En die zijn niet zaligmakend.


Dit is het tweede deel van een drieluik over ­economische mythesDe vorigeaflevering, ‘Twaalf mythes over werk en werkloosheid’verscheen in De Groene Amsterdammer van 12 maart

May 21, 2015 at 8:35 am Leave a comment

Het resultaat van vijf jaar bezuinigen: duizenden doden

De Nederlandse nieuwssite De Correspondent maakt de balans op van vijf jaar bezuinigen. “Zelden is een debat in de economische – maar vooral ook medische – wetenschap zo duidelijk beslecht” zo schrijft Rutger Bregman. De bezuinigingsdrift in Europa heeft duizenden mensenlevens geëist. Lees hieronder de volledige tekst. Johan Depoortere

55475bd039cb71179915868

Door: 

Dit komt misschien als een verrassing, maar in de afgelopen jaren heb je meegedaan aan een groot experiment. Er waren grofweg twee groepen: de een kreeg een nieuw, veelbelovend medicijn toegediend, de andere groep diende ter controle.

Het medicijn in kwestie: bezuinigen.De onderzoeksvraag: welke groep zou het beter doen?De onderzoekspopulatie: honderden miljoenen mensen van over de hele wereld.Van het begin af aan waren de verwachtingen hooggespannen. Sommige dokters dachten dat het medicijn voor meer vertrouwen en groei zou zorgen, of zelfs als een verjongingskuur zou werken. Andere dokters dachten dat het eigenlijk een bittere pil was, die de symptomen zou verergeren.Inmiddels is het vijf jaar later: hoog tijd om de balans op te maken. En erg moeilijk is dat niet. Zelden is een debat in de medische wetenschap zo duidelijk beslecht. Als er ooit een eindrapport van het experiment wordt opgesteld, dan zullen we lezen dat de bezuinigingspil een gruwelijk medicijn was. Dat het immense schade heeft aangericht. Het was een middel dat, evenals het aderlaten in de middeleeuwen, vrijwel alle symptomen van de ziekte heeft verergerd. Van de hoogte van de werkloosheid tot het aantal zelfdodingen – de bezuinigingen hebben een spoor van verderf achtergelaten.

Blader de medische dossiers van de patiënten maar eens door. In de landen die het meeste bezuiniging slikten, steeg de werkloosheid het sterkst en kromp de economie het meest. Een enkele dokter beweert nog dat de bezuinigingspil geen vergif was, daar het inmiddels weer iets beter gaat met de behandelde landen. Maar wie dat gelooft, kan net zo goed een kwartier met zijn hoofd tegen de muur bonken, zo merkt een vooraanstaande arts nu op. (Het zal immers heerlijk voelen om weer te stoppen.)

5548ac5b267123543381580

Bron: IMF. De economische groei is het gemiddelde per jaar over de periode 2009-2014. De verandering van de overheidsbalans (bezuinigingen + hogere belastingen) gaat over die hele periode.

 

In hun studie The Body Economic (2013) beschrijven de dokters David Stuckler en Sanjay Basu hoe landen als Nederland vrijwillig besloten om met hun hoofd tegen de muur te gaan bonken. Andere landen, zoals Griekenland, werden ertoe gedwongen.

Nog niet eerder in de naoorlogse geschiedenis was een lid van de Europese Unie zo snel afgetakeld

Dat het resultaat afschuwelijk was, is inmiddels boven alle twijfel verheven. Het verslag van Stuckler en Basu zit vol met schokkende cijfers die je doen beseffen dat de behandeling niet alleen economisch leed teweeg heeft gebracht, maar ook gewoon mensenlevens heeft gekost. In Griekenland explodeerde de werkloosheid van 7,8 procent in 2008 naar 27,5 procent in 2013. En naar mate het budget voor de gezondheidszorg kromp, begonnen steeds meer Grieken het loodje te leggen. In slechts een paar jaar tijd steeg de kindersterfte met 43 procent, het aantal zware depressies met 250 procent en het aantal zelfdodingen met 45 procent.

Nog niet eerder in de naoorlogse geschiedenis was een lid van de Europese Unie zo snel afgetakeld. Zelfs malaria keerde terug naar Griekenland, en dat voor het eerst in veertig jaar tijd. Daarmee vergeleken maakten patiënten als Engeland en Nederland het nog goed. Omdat ze minder van het gif slikten – en de patiënt aan het begin van de kuur een stuk gezonder was – waren de symptomen hier minder heftig. Toch vielen ook in deze landen doden. Terwijl de economie kromp en de staatsschuld groeide, nam het aantal werklozen en daklozen toe. In Nederland steeg het aantal zelfdodingen met 37 procent.

Stuckler en Basu vertellen, tot slot, het verhaal van de controlegroepen. Landen als IJsland en Finland bezuinigden minder of investeerden juist extra in hun gezondheidszorg en armoedebestrijding. Het gevolg: deze patiënten knapten snel op. De IJslanders werden ondanks de totale implosie van hun bankwezen zelfs gezonder dan voor de crisis; ze gingen minder drinken en meer slapen. En terwijl in een land als Nederland het aantal daklozen met 53 procent toenam, begon Finland aan een campagne om het aantal chronisch daklozen terug te brengen naar nul.

Als de bezuinigingspil echt een medicijn zou zijn geweest, zo schrijven Stuckler en Basu, dan zou het al lang verboden zijn door een commissie van medische experts. Dan zouden de dokters die het hebben voorgeschreven – ministers, diplomaten en economen die spraken over ‘verantwoordelijkheid’, ‘daadkracht’ en ‘noodzakelijke hervormingen’ – al lang zijn ontslagen. Want dat het bezuinigen in economisch opzicht niet heeft gewerkt, is nog tot daaraan toe. Het is pas echt onverteerbaar dat het zoveel mensenlevens heeft verwoest.

May 14, 2015 at 12:34 pm 4 comments

CUBA SÍ, CUBA NO

Cuba, het grootste eiland van de Caraïben, is omgeven door mythes en romantiek. Na meer dan een halve eeuw spreekt de Cubaanse revolutie nog steeds tot de verbeelding. De figuren van Fidel Castro en Che Guevara, de strijd van een David tegen de oppermachtige Goliath, de overwinning in de Varkensbaai, de onverzoenlijke vijanden van de revolutie in Miami: het is allemaal stof voor legende. De werkelijkheid op het eiland, het dagelijkse leven van de massa Cubanen is veel minder bekend en de realiteit wordt vaak door de legende vertroebeld. Na ruim vier jaar rondzwerven in het Caraïbisch gebied met onze zeilboot “Eventually” zijn we  – Mien en ik – dit jaar na onder meer Haïti en Jamaica (zie: De trek naar Het Zuiden) ook op Cuba aanbeland. Onze tocht leidde van Santiago in het Oosten tot Los Morros in de Westelijke provincie Pinar del Rio en van daar langs de Noordkust van het eiland tot Havana. We waren in Cuba als toeristen, maar de journalistieke kriebel kon ik toch niet helemaal onderdrukken. Vandaar dit verslag in woord en beeld over Cuba vandaag.

Johan Depoortere

 

_DSC0004

Bienvenidos a Cuba Socialista staat in reuzenletters op een muur te lezen bij het binnenvaren van de machtige baai van Cienfuegos. Maar de letters zijn vervaagd en het woord Cuba is nauwelijks nog te onderscheiden. Zoals de verf van de slogans zo lijkt ook het revolutionaire enthousiasme in het land van Che en Fidel met de tijd te zijn getaand. Guevara-kitsch alom, maar tegelijk ook overal tekenen van het sluipende kapitalisme dat deze Caraïbische revolutionaire voorpost lijkt te veroveren.

_DSC0093

De heilige Che Guevara op ansichtkaarten, petjes, vlaggen en muren

 

_DSC0033

Een kwart eeuw geleden kon Fidel Castro in een vlammende toespraak op het plein vóór de historische Moncadakazerne in Santiago de Cuba de massa’s nog tot staande en loeiende ovaties brengen. Het was 1988 en ik was met een cameraploeg in Cuba voor een Panoramareportage. In de Sovjetunie was het de tijd van Glasnost en Perestroika en de bedoeling was na te gaan hoe bondgenoot Cuba daarop zou reageren. Fidel maakte dat in zijn toespraak in Santiago zonneklaar: van die nieuwigheden lustten de Cubanen geen pap. Integendeel, de schroeven werden aangedraaid, de controle door de Communistische partij en de CDR, buurtcomités voor de Verdediging van de Revolutie, nog aangescherpt. Kortom het Cubaanse antwoord op Perestroika was Castroika, het spiegelbeeld van het Russische origineel.

De Cubanen betaalden een zware prijs voor de volharding in de leer. Voor de bevolking trad na het wegvallen van de royale steun van het Russische broedervolk een periode aan van tekorten en harde tijden in het algemeen. Vandaag denken de Cubanen met afgrijzen terug aan die tijd die toen “speciale periode” werd genoemd, een oorlogssituatie in vredestijd met drastische rantsoenering en rampzalige tekorten. “We maakten hamburgers van pompelmoesschillen, we maakten schoon met citroen-en sinaasappelzuur en we gebruikten het zwarte poeder uit batterijen voor makeup en haarverf,” vertelt een verpleegster aan Marc Frank*, een Amerikaanse journalist die al tientallen jaren in Cuba woont en zelf met een Cubaanse verpleegster is getrouwd. Voor de Cubanen in Miami leek het einde van het Castrotijdperk eindelijk aangebroken en de Amerikaanse regering onder Clinton bereidde actief het post-Castrotijdperk voor. Het Einde van het Einde van de Revolutie blokletterde The New York Times enigszins dubbelzinnig in 2006.Fotostream jun. 2014 - 01

_DSC0072

De affiches zijn verbleekt net als de revolutionaire idealen

 

_DSC0071

Het regime overleefde de zwaarste crisis sinds de machtsovername door Fidel in 1959 dank zij de deus ex machina uit Venezuela: Hugo Chavez, die olie leverde onder de marktprijs en daardoor gedeeltelijk het wegvallen van de sovjethulp compenseerde. Maar de revolutionaire idealen kwamen niet ongeschonden uit de crisis. Eerst werd de dollar als officieel betaalmiddel ingevoerd en het toerisme nam stilaan de plaats in van suiker als bron van deviezen. Met de buitenlandse toeristen kwamen prostitutie, winstbejag en ongelijkheid het eiland binnen. Toen werd de basis gelegd voor de dubbele economie zoals de Cubanen die vandaag kennen. Al gauw werd de dollar vervangen door de CUC, de convertibele peso voor de buitenlanders, maar ook de rijkere Cubaan. Daarnaast blijft de “moneda nacional” de peso voor de rest van de bevolking. Met de CUC – ongeveer ter waarde van 80 eurocent – kun je terecht in de luxueuze supermarkten (de vroegere “dollarwinkels”) waar vrijwel alle producten uit de kapitalistische wereld te koop zijn. Met de moneda nacional (ongeveer 4 eurocent) kun je basisproducten kopen in de treurige staatswinkels en op de alom tegenwoordige agromercado’s: de markten waar boeren nu hun producten rechtstreeks aan de consument kunnen verkopen. Een munt voor het kapitalisme en een munt voor het communisme. Werknemers worden betaald in peso, luxeproducten – vrijwel alles behalve de basisbenodigdheden – zijn alleen te koop met CUCs. “Economische Apartheid,” zoals critici van het regime het noemen of pragmatisme om te overleven.

_DSC0002

De markt in Cienfuegos

_DSC0360

Boerenmarkt in Santiago de Cuba

In tegenstelling tot wat we een kwarteeuw geleden – nog vóór de ineenstorting van de sovjetunie – in Cuba zagen is nu vrijwel alles te koop, al blijven de staatswinkels een troosteloze lege aanblik bieden. De boerenmarkten zijn goed voorzien van alle mogelijke verse groenten, fruit en vlees en Cubanen zijn uiterst bedreven in het bedenken van oplossingen om te vinden wat niet direct voorhanden is. In Santiago zochten we vergeefs naar eieren tot onze taxichauffeur een man met een karton eieren op straat zag lopen. Voor we het goed doorhadden waarom we stopten was onze chauffeur aan het onderhandelen over de prijs en werd de transactie afgesloten: een dozijn eieren voor een paar CUCs._DSC0371

Vandaag zijn de ergste materiële noden gelenigd maar de prijs is toegenomen ongelijkheid in de Cubaanse samenleving. In 88 was het Cubanen verboden de internationale hotels en supermarkten zelfs maar te betreden. Nu spenderen rijke Cubanen er dikke bundels CUCs aan luxeproducten als smartphones, Hollandse kaas, Ierse whisky en zelfs naast de lokale variant – het Amerikaanse embargo ten spijt – ook échte Coca-Cola. Het gevolg is dat iedereen aan CUCs probeert te komen – een vlucht uit de nationale munt. In Santiago de Cuba vonden we Osmar, een 35-jarige leraar lichamelijke opvoeding die de gelukkige eigenaar was van een veertig jaar oude Russische Moskvitsj. Osmar heeft zijn baan als leraar opgegeven en is nu taxichauffeur met officiële licentie. Hij bracht ons dagelijks met zijn gammele, maar betrouwbare Moskvitsj, van de marina naar het centrum van de stad, zo een twintig kilometer verder. We betaalden ongeveer tien CUC voor de rit: Osmar verdiende per dag een veelvoud van zijn vroegere maandloon als leraar.

_DSC0538

De staatswinkels bieden nog altijd dezelfde troosteloze aanblik. Dit is Marea del Portillo op het Cubaanse platteland.

 

_DSC0427

Staatswinkel in Trinidad

_DSC0565

Bevoorrading op het platteland

Cubanen hebben het nu ongetwijfeld veel beter dan 25 jaar geleden en onvergelijkbaar veel beter dan in de zogenaamde “speciale periode,” de crisis na de terugtrekking van de sovjets. Toch blijft het leven hard voor de meeste Cubanen, ondanks de vele voorzieningen, het gratis onderwijs en de voortreffelijke medische infrastructuur. Er is door het Amerikaanse embargo een tekort aan geneesmiddelen,ook al verkoopt Cuba patenten op geneesmiddelen in het buitenland. Sigrid, een Vlaamse solozeilster, moest met ernstige brandwonden in een ziekenhuis in Santiago worden opgenomen waar haar verwondingen bij gebrek aan geneesmiddelen met alcohol werden verzorgd. 

_DSC0630

Taxi!

_DSC0419

Openbaar vervoer (Santiago)

_DSC0475

_DSC0004

De bus: “Guagua” in het Cubaanse slang.

Het openbaar vervoer is nog steeds een ramp al zie je meer en meer Chinese bussen. Zo een overvolle bus waar een rit een paar cent kost is een hele luxe in vergelijking met de veel talrijker “camiones:” omgebouwde vrachtwagens waar passagiers in de laadbak worden gestouwd. Paard en kar zijn buiten Havana een vertrouwd beeld in de stad en op het platteland. Fietstaxis zijn overal populair ook in de hoofdstad en de Amerikaanse vintage cars uit de jaren zestig zijn een speciale attractie voor de toeristen. Ook hier weer een dubbele economie: officieel erkende taxis en particulieren die legaal of – meestal – illegaal een graantje proberen mee te pikken van de toeristische bonanza. Toen de politie ons in een illegale taxi (een rode Buick 1956!) tegenhield betaalde de chauffeur zonder verpinken de boete van 120 CUC (100 Euro) en reed fluitend verder.

_DSC0003

Fietstaxi in Havana

 

_DSC0581

Trinidad

_DSC0055

Havana: armoede en verval springen in het oog

_DSC0573

Ook het kleinste dorp heeft een school.

Licht en schaduw. De revolutionaire overheid zorgt voor de burgers, niemand lijdt honger of is dakloos. Onderwijs is gratis van kleuterklas tot universiteit. Op het eiland Granma bij Santiago zien we overal nieuwe daken op de bescheiden woningen. Daar heeft de overheid kosteloos voor gezorgd na de verwoestende doortocht van de orkaan Sandy in 2012. Een bejaarde alleenstaande man die zijn huis verloor woont sinds die tijd in de polikliniek van het dorp in afwachting van een nieuwe woning. Een zwaar gehandicapte man neemt ons mee in zijn fietstaxi in Cienfuegos. Dank zij de gratis openbare gezondheidszorg heeft hij na een ongelukkige zware val maandenlang kunnen revalideren. Nu kan hij weer, zij het met moeite, lopen maar hij ziet zich verplicht om zich voor een schamel inkomen in de tropische hitte met de fietstaxi af te beulen. 

Santiago Selectie - 2439

Santiago

Cuba heeft een alfabetiseringsgraad van 99,8% en met 78,3 jaar is de gemiddelde levensverwachting hoger dan die van de Verenigde Staten en de kindersterfte lager. Vergelijk dat met Haïti waar een man gemiddeld 59 jaar oud wordt, een vrouw 63 en waar op 1000 geboorten 80 kinderen niet de leeftijd van vijf jaar bereiken – in Cuba sterven 7 kinderen op 1000 vóór die leeftijd. Toch is klagen een nationale sport in Cuba. “Hier is geen vrijheid,” zucht een fietstaxirijder in Cienfuegos, zonder op details in te gaan. Een jongeman in Santiago zou graag emigreren maar kan niet, niet omdat het niet mag blijkt als we doorvragen, maar omdat hij geen visa krijgt van de landen waar hij naartoe wil: Ecuador of de Verenigde Staten. 

_DSC0164

Elisa en (onder) haar familie in Cienfuegos

In Cienfuegos ontmoeten we een bejaarde pianolerares met haar dochter en kleindochters op een zondagmiddagwandeling. Elisa – niet haar echte naam – klaagt dat het “vroeger” allemaal zoveel beter was. Bedoelt ze dan vóór de Revolutie? “Nee zeker niet,” haast ze zich te verduidelijken,“maar vóór de ‘speciale periode,” vóór de dramatische jaren 90 dus, toen de Russen de Cubaanse economie kunstmatig overeind hielden. Zoals veel Cubaanse families weet die van Elisa een zekere levensstandaard aan te houden dank zij hulp van familieleden in het buitenland. Haar zoon is muzikant in een orkest op een Canadese Cruiselijn en stuurt geregeld geld naar het eiland. Anna, de vijftienjarige kleindochter heeft zoals veel van haar leeftijdgenoten de smartphone binnen handbereik. Een luxe die ze zich nauwelijks zou kunnen veroorloven met het salaris van haar moeder die econome is in een staatsbedrijf en maandelijks 17 dollar in het huishoudelijk budget binnenbrengt. 

_DSC0167

Dubbele economie, dubbele moraal. Cubaanse vrouwen maken de buitenlandse man duidelijk dat ze beschikbaar zijn, moeders prijzen half grappend, half ernstig hun dochter aan. Een buitenlandse man of minnaar is een bron van deviezen en die zijn nodig voor luxeproducten als zeep, shampoo, schoenen. Het is allemaal te krijgen, als je maar CUCs hebt, convertibele pesos. En dus is de jacht op de toerist en zijn CUCs open. Sinds de kapitalistische koerswending is samen met de opkomst van privé-restaurants en kamerverhuur het fenomeen van de jinotero en jinotera explosief toegenomen. De jinotero (van het Spaanse woord voor jockey) of zijn vrouwelijke evenknie is de man of vrouw die je op straat aanklampt om zijn of haar diensten aan te bieden. Het gaat niet noodzakelijk – in het geval van de mannen meestal niet – om seks, maar de bedoeling is in de meeste gevallen om je mee te tronen naar een café of restaurant of een kamer in een B&B aan te bevelen. De klant betaalt dan iets meer en de jinotero/jinotera strijkt het verschil op. De al of niet officiële horeca is overigens een reusachtige bron van inkomsten voor individuele Cubanen en voor de staat. In toeristische steden als Santiago, Trinidad, Cienfuegos en Havana is er geen straat zonder tientallen paladares (restaurant in een particulier woonhuis) of arienda divisas (Bed and Breakfast) met een grote keus van luxueus tot zeer eenvoudig – nogmaals soms legaal, soms illegaal.

_DSC0512De Cubanen zijn zonder meer het vriendelijkste volk ter wereld. Tientallen boeken en reisverhalen vertellen sinds Columbus tot nu wat wij zelf ook ervaren hebben: de warmte en de gastvrijheid die je op het eiland aantreft vind je nergens anders. “Het mooiste eiland dat mensenogen ooit aanschouwd hebben,“ schreef Columbus. Met een bevolking die een sfeer van spontane goedmoedigheid uitstraalt wars van elke agressiviteit – ook dat is een reusachtig verschil met Haïti. Je komt in een godvergeten dorp en de mensen bieden je koffie aan of een borrel añejo – Cubaanse rum. Vissers die we onderweg op zee tegenkwamen “verkochten” kreeft en vis voor een Canvaspetje of een oude T-shirt, geld interesseert ze nauwelijks. Dat neemt niet weg dat de jinoteros – vooral in Havana – knap lastig kunnen worden al reageren ze meestal met de glimlach en Caraïbische zorgeloosheid als ze worden afgewezen. Decennia tekorten hebben van de Cubanen meesters in het overleven gemaakt. Wie geen convertibele peso’s kan bemachtigen zoekt bij de toerist op straat wat hij niet in de winkel vindt. Deuren – en harten – gaan open voor een flesje shampoo of parfum, voor ballpoints en afgedragen schoenen.

_DSC0262

Weekend in Cienfuegos

_DSC0268_DSC0287Cuba is in volle transformatie. De generatie die de tijd van vóór de revolutie heeft meegemaakt is aan het verdwijnen. Jongeren hebben de revolutionaire idealen verwisseld voor games, smartphones, alcohol en rock ‘n roll. Raúl Castro heeft de deur op een kier gezet voor internet (nu nog strikt gecontroleerd door de staat) en een dosis vrije markt en kapitalisme. Het gevolg is een hybride economie en een samenleving met grote verschillen in welvaart, met nieuwe rijken en relatieve armoede. De essentie van de Revolutie lijkt nog overeind maar de kapitalistische geest is uit de fles en niemand durft te voorspellen wat er zal gebeuren als de gebroeders Castro definitief van het toneel verdwijnen.

Johan Depoortere

* Marc Frank

CUBAN REVELATIONS

Behind the Scenes in Havana

University Press of Florida , 2013

June 21, 2014 at 3:49 pm 1 comment

KEYNES OF HAYEK? DE GRAUWE OF NOELS?

Het zou nog erger kunnen. Ivan Van de Cloot. Geert Bourgeois. Dalrymple.
Goldman Sachs.
Het kan altijd erger, maar kan het ook nog beter? Aub?

Idee en tekening: Jos Collignon
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=RR3MLCHT

February 25, 2012 at 6:54 pm Leave a comment

DE MYTHES VAN DE WEVER

Bart De Wever herhaalde vorige donderdag in Terzake zijn twee bekende stellingen: “Duitsland is de locomotief van Europa” maar België kan niet volgen omdat het een een land is “met twee democratieën.” We hebben met andere woorden rechts-liberale hervormingen” nodig, maar het linkse Wallonië belet ons die door te voeren.

De mythe van de “twee democratieën” is al vaker met argumenten weerlegd (zie onder andere Jan Blomaert in “Wilders, fascisme, en de erfenis van de Verlichting” in het Salon. Ook Luc Huyse in De Standaard van 23 december en 22 oktober 2010). De Wever en zijn partij doen er alles aan om te bewijzen dat “dit land onbestuurbaar is,” en maken, zo hebben we afgelopen week weer meegemaakt, van het “verdampen” van België een self fulfilling prophecy. Of dat in belang is van u en mij moet nog blijken.

Het andere sprookje is dat van de “locomotief van Europa.” Op sociaal gebied (lage lonen, “flexibiliteit” leidt Duitsland de “race to the bottom” – de neerwaartse spiraal.

Maar ook vanuit een puur economisch standpunt kunnen over het  leiderschap van onze oosterburen heel wat vragen worden gesteld zoals blijkt in de zakenkrant De Tijd.  De econoom Freddy Heylen laat van het zogenaamde “Duitse mirakel” niets heel.  Hier volgt de volledige tekst zoals die verschenen is in De Tijd van 30 december jl.


Johan Depoortere

Welk Duits mirakel?

Een kleine tien jaar geleden was Duitsland nog de zieke man van Europa. Nu verschijnt er bijna elke dag wel een artikel waarin onze oosterburen tot economisch gidsland worden uitgeroepen. De Gentse econoom Freddy Heylen bekijkt die idolatrie met stijgende verbazing.

Freddy Heylen

Freddy Heylen erkent dat Duitsland er op korte termijn met een doorgedreven loonmatiging en arbeidsmarktflexibiliteit in geslaagd is sneller te groeien en de werkloosheid verder terug te dringen dan de meeste buurlanden. Maar een politiek die enkel op loonmatiging en flexibiliteit steunt, heeft een erg wankele basis, betoogt hij. Op andere, structurelere terreinen presteert Duitsland veel minder goed.

Zeven redenen waarom er volgens Heylen helemaal geen sprake is van een Duits mirakel.

1. Lage kapitaalinvesteringen

De beelden van een stomende economie doen het misschien anders vermoeden. Maar Duitsland investeert minder in vast kapitaal dan de meeste vergelijkbare landen, zoals de Beneluxlanden, Frankrijk, de VS of de Scandinavische landen. In 2010 waren de Duitse private investeringen goed voor 12 procent van het bruto binnenlands product. In de Scandinavische landen en Frankrijk was dat ongeveer 14,5 procent. België haalde zelfs meer dan 15 procent. Ook inzake overheidsinvesteringen hinkt Duitsland achterop.

2. matige prestatie in onderzoek en ontwikkeling

Duitsland scoort beter inzake innovatie, maar ook daarin is het niet het gidsland waarvoor het versleten wordt. In de periode 2002-2008 spendeerden de overheid en de bedrijven samen gemiddeld 2,53 procent van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling. Dat is beter dan de povere 1,88 procent van België. Ook Frankrijk en Nederland zitten onder het Duitse cijfer. Maar de meeste Scandinavische landen en de VS doen het beter. Met 3,70 bbp-procent is Zweden afgetekend kampioen O&O.

3. Weinig investeringen in mensen

In een ontwikkelde economie is de aanwezigheid van voldoende hooggeschoolde arbeidskrachten een cruciale factor. Duitsland investeert minder in onderwijs dan alle andere daarvoor genoemde landen. In de PISA-kwaliteitsscore neemt het een middenpositie in.

Het steekt ook erg weinig middelen in een actief arbeidsmarktbeleid. Enkel de VS doen het hier nog slechter. Duitsland heeft met de Hartz-IV-maatregelen de werkloosheidsuitkeringen wel drastisch in de tijd beperkt. Maar als je met zo’n strategie werklozen weer aan het werk wil krijgen, moet je ook investeren in hun activering en opleiding.

4. Geen hoogvlieger in productiviteit

Alle voorgaande elementen verklaren mee waarom Duitsland de afgelopen jaren ook geen al te beste prestaties heeft neergezet inzake arbeidsproductiviteit. De afgelopen 15 jaar steeg die gemiddeld even snel als in Frankrijk en Nederland.

België, dat historisch een erg hoge productiviteit heeft, verloor terrein. Maar in de Verenigde Staten en de Scandinavische landen groeide de arbeidsproductiviteit sneller (grafiek 1).

5. Zelfs werkgelegenheidscijfers vallen tegen

Duitsland is wel bijzonder goed in het matigen van de lonen. Tussen 2000 en 2008 daalde het aandeel van de lonen in de toegevoegde waarde van de economie met ongeveer 5 procentpunten. Met uitzondering van Nederland bleef het loonaandeel in de andere onderzochte landen ongeveer gelijk.

Algemeen wordt aangenomen dat die matigingspolitiek ertoe heeft bijgedragen dat de jongste jaren veel meer jobs zijn bijgecreëerd dan in de rest van Europa. Maar zelfs dat verhaal moet gerelativeerd worden, zegt Heylen. Het klopt als je naar de evolutie van het aantal werkende personen kijkt. De werkzaamheidsgraad is sinds 2005 sterk gegroeid in Duitsland, al is het land er nog niet in geslaagd Nederland of de Scandinavische landen voorbij te streven (grafiek 2).

Maar het plaatje verandert helemaal als we ook het aantal gewerkte uren per werkende in rekening brengen. Dat blijkt nergens zo sterk gedaald te zijn als in Duitsland (grafiek 3). Met andere woorden: veel van de nieuw gecreëerde jobs zijn deeltijds of van korte duur.

Als we de twee componenten, de werkzaamheidsgraad en de arbeidsduur per werkende, combineren, krijgen we de allesomvattende indicator voor de werkgelegenheidsevolutie: het aantal gewerkte uren per persoon op beroepsactieve leeftijd. Van een Duits banenmirakel is dan helemaal geen sprake meer. Duitsland wordt een middenmoter die het veel minder goed doet dan de Verenigde Staten en Scandinavië en ook nog ingehaald wordt door Nederland. België is helaas hekkensluiter.

6. Model nefast bij veralgemening

Heylen wijst er ook nog op dat het Duitse model van doorgedreven loonmatiging helemaal onderuit dreigt te gaan als andere landen het kopiëren. Dan krijg je een matigingsopbod dat niet meer bijdraagt tot het versterken van de concurrentiekracht, maar wel nefast is voor de binnenlandse vraag.

7. Er zijn alternatieven

Vooral de goede prestaties van de Scandinavische landen stemmen tot nadenken, stelt de Gentse professor. Ze doen het inzake werkgelegenheid minstens even goed als Duitsland, en dat met een verhoging van de koopkracht. Met loonmatiging kan een land voor een zekere periode een voorsprong verwerven op zijn directe concurrenten. Maar een duurzaam antwoord op de grote uitdagingen, zoals de vergrijzing en de afbouw van de overheidsschuld, is dat niet. Daarvoor is een strategie nodig die meer inzet op innovatie en het opkrikken van de kwaliteit van je menselijk kapitaal.

January 9, 2011 at 11:51 am 7 comments

WAAROM EEN SPLITSING VAN BELGIË NIET GOED ZOU ZIJN.

De discussie over de toekomst van ons land kan gebaat zijn met volgende bijdrage die de nationalistische slogans doorprikt. De (licht ingekorte) tekst is van Rob Van Vlierden, maatschappelijk werker en voormalig provinciaal secretaris van 11.11.11. Hij is politiek actief in de PVDA en de Derde-Wereldbeweging en dorpsdichter van Overpelt. De langere versie van het artikel vind je op de facebookpagina van Rob Van Vlierden.
jd


Bart De Wever en de N-VA hebben veel succes met hun verhaal dat Vlaanderen alleen het veel beter zou doen. Die Walen hebben een totaal andere politieke cultuur en hun inmenging blokkeert en verlamt een goed bestuur van Vlaanderen. Dat klinkt goed maar klopt het ook ?

Goed Bestuur

Het Oosterweeldossier is een strikt Vlaamse kwestie. Geen enkele Waalse partij heeft zich ooit met dat dossier bemoeid. Maar toch sleept dat verhaal nu al 15 jaar aan en heeft de BAM al vele miljoenen euro’s verkwist aan studies en reclame voor de Lange Wapper, een brug die er, gelukkig, niet zal komen. (Intussen is er gekozen voor een andere slechte oplossing maar ook daar hebben de Walen niks mee te maken).

Twee jaar geleden werd in Vlaanderen met veel tamtam de jobkorting ingevoerd: de Vlaamse werknemers zouden elk jaar een financieel cadeau gaan krijgen omdat wij het zoveel beter doen dan de Walen. Na twee jaar werd de jobkorting al afgevoerd: de Vlaamse overheid had zich een klein beetje misrekend: de jobkorting kostte vele miljoenen meer dan was ingeschat. Goed bestuur ?

Nu pakken de nationalisten vooral uit met een verhoging van de kinderbijslagen als we splitsen. Kinderen worden in dit dossier niet seksueel maar wel financieel misbruikt. Of heeft een kind in Wallonië minder rechten dan een Vlaams kind ? De truuk van de N-VA daarbij is dat ze niet wil dat de bevoegdheid over kinderbijslagen gaat naar de gemeenschappen maar naar de gewesten. Op die manier verplicht men de Brusselaars om te kiezen voor de Vlaamse of de Waalse kinderbijslag. Zo hoopt de N-VA een deel van de Franstalige meerderheid in Brussel om te kopen.
Ingeval van een splitsing van de kinderbijslagen is het inzake ‘goed bestuur’ lachen geblazen. Voor de vuist weg een paar problemen die zullen oprijzen: hangt de kinderbijslag af van de woonplaats van de vader of de moeder als die ingeval van een scheiding in een verschillend gewest wonen? Wat met moeders of vaders die in Wallonië werken of Walen die in Vlaanderen werken? Wat bij nieuw samengestelde gezinnen die uit verschillende gewesten komen? Wat als ze naar een ander gewest verhuizen, of van job in een ander gewest veranderen? Wat doe je met de Brusselaars die eerst voor de Vlaamse kinderbijslag kiezen en vervolgens, om wat voor reden dan ook, willen omschakelen en vice versa?
En vooral : hoeveel jaar zal de Vlaamse kinderbijslag hoger zijn als ook de rest van het liberale programma wordt uitgevoerd waardoor de overheid over veel minder geld zal beschikken ?

Cui Bono?

Een splitsing van Belgie zou alleen voor de werkgevers beter bestuur betekenen. Voor de werknemers in Vlaanderen én Wallonië zou het een zware inlevering betekenen en voor de zwaksten, gehandicapten, bejaarden, chronisch zieken, …zou het een regelrechte ramp zijn.
Enkele gevolgen:

Het loonbeleid in België (en andere Europese landen) wordt bepaald door de concurrentiepositie. Dwz: de lonen in België mogen niet sneller stijgen dan de lonen in de ons omliggende landen. In Wallonië liggen de lonen gemiddeld 8 % lager dan in Vlaanderen. In geval van een splitsing zullen de Vlaamse lonen ook getoetst worden aan het nieuwe buurland. (Voka, de werkgeversorganisatie die het socio-economisch programma van de N-VA schrijft, eist voor volgend jaar al dat er geen loonstijgingen en zelfs geen indexaanpassingen worden toegepast. We sparen veel dus zijn loonstijgingen volgens Voka niet nodig. “Voka is mijn baas” liet Bart De Wever zich een paar weken geleden ontglippen.)

Dertig procent van de Belgische bedrijven hebben vestigingen in meerdere gewesten. Die bedrijven zijn samen goed voor 25 % van alle jobs, (600.000) . Ingeval van een splitsing zullen ze moeten kiezen waar hun hoofdzetel is. Al die bedrijven zullen hun hele personeelsbeleid moeten gaan splitsen vermits de gewesten ieder hun eigen regeltjes gaan opleggen. Er zal een fiscale en sociale opbodpolitiek ontstaan tussen Vlaanderen en Wallonië om die bedrijven en verse investeringen aan te trekken. Dat zal ten koste van de rechten van de werknemers zijn: lagere fiscale lasten, minder loonlasten, meer flexibiliteit, meer interim-arbeid, vlotte en goedkopere ontslagregeling . Dat is een goede zaak voor de aandeelhouders maar uiteraard een slechte zaak voor de werknemers én voor de gemeenschap: minder inkomsten voor de overheid betekent minder geld voor onderwijs, bejaardenzorg, enzovoort. Een voorsmaakje van wat ons te wachten staat maken we nu al mee met de splitsing van de belasting op het gokken. Wallonië heeft het tarief verlaagd van 15 naar 11 procent. Gevolg: de bedrijven die het lucratieve internetgokken organiseren, verhuizen naar Wallonië. Vlaanderen heeft de keuze: niks doen en minder fiscale inkomsten van casino’s incasseren of de belastingsaanslag verlagen en…minder inkomsten incasseren.

Wat met Brussel?

Het allergrootste knelpunt en dè achillespees in het nationalistische verhaal, zowel aan Waalse als aan Vlaamse zijde, is Brussel. Zowel Vlaanderen als Wallonië zijn economisch heel sterk met Brussel verweven en hebben Brussel als economische en politieke springplank nodig. Vlaams en Waals Brabant zijn de twee rijkste regio’s van het land dankzij hun verwevenheid met Brussel. Ingeval van een splitsing kan Vlaanderen in geen enkel geval Brussel opeisen want slechts 7% van de Brusselaars is Vlaamstalig (en uit enquêtes blijkt dat een meerderheid van die Vlaamse Brusselaars niet bij een onafhankelijk Vlaanderen wil). Europa zal nooit aanvaarden dat Vlaanderen Brussel zou inlijven. ( Er zijn al een aantal geschillen geweest in het Brussels gewest waarbij de Franstalige gemeenschap een beroep deed op Europa en telkens werden ze in het gelijk gesteld). Brussel zal dus ofwel bij Wallonië aansluiten ofwel, minder waarschijnlijk, een autonome stadstaat worden.

Het grootste probleem van Brussel is dat 60% van de beschikbare jobs worden ingenomen door (hoger opgeleide) Walen en Vlamingen die er niet wonen. Gevolg: Brussel zit met heel veel werklozen en leefloontrekkers maar moet als stad wel instaan voor al die inwoners die niet aan de bak komen én voor de infrastructuur van zowat 230.000 Vlaamse en 130.000 Waalse pendelaars die er elke dag komen werken. Stel nu dat het tot een splitsing komt. Dan zal Brussel eventueel een autonoom statuut krijgen. In dat geval zullen de meer dan 200.000 Vlaamse pendelaars en de meer dan 100.000 Waalse pendelaars, zoals de Europese regelgeving voorziet, belastingen op hun loon aan het autonome Brussel betalen (alleen de gemeentebelasting zal nog door Vlaanderen en Wallonië geïnd kunnen worden) Dat is een zware financiële aderlating voor Vlaanderen en Wallonië. Brussel zal dan wel over de financiële middelen beschikken voor een goed bestuur. Als Brussel autonoom is, kan het ook maatregelen nemen om het ‘eigen volk’ op de arbeidsmarkt te bevoordelen: het aantal pendelaars zal allicht geleidelijk gaan dalen. Het andere mogelijke scenario is dat Brussel en Wallonië samen een onafhankelijk land worden dat dan de belastingen van de ruim 200.000 Vlaamse pendelaars kan incasseren én de hoofdstad van Europa in huis heeft.

Bart De Wever zegt dat Brussel via een chirurgische ingreep zoals een Siamese tweeling, gescheiden moet worden maar zoiets is complete waanzin. In afwachting van die onmogelijke scheiding stelt De Wever voor dat de twee gemeenschappen in overleg Brussel moeten gaan beheren. Maar het lukt nu al niet dus hoe zouden Wallonië en Vlaanderen als aparte staten dan wel samen Brussel kunnen beheren ? Als Bart De Wever vindt dat de Walen zich niet moeten moeien met Vlaamse aangelegenheden dan moet hij consequent zijn en ook accepteren dat de Brusselaars niet zullen aanvaarden dat Vlaams nationalisten hun stad besturen.

Het Brussels gewest omvat 19 gemeenten en het is een tweetalig gewest. Voor de Vlaams nationalisten is Brussel een Vlaamse stad maar de realiteit is dat in Brussel zelf slechts 7 % Nederlands spreekt. Daarnaast spreekt 8,6% van de Brusselse gezinnen Nederlands en Frans, 56% spreekt uitsluitend Frans, 11 % spreekt Frans en een andere taal en 16 % spreekt een andere taal. 83 procent van de Brusselaars vinden die taalrijkdom waardevol en slechts 17 procent vindt het samenleven van mensen met een verschillende taal een probleem aldus een onderzoek van socioloog Rudi Janssens. Ook bekende ‘Vlaamse’ Brusselaars zijn fel gekant tegen het N-VA dat Brussel met een chirurgisch mes wil scheiden. Om een Brusselaar te citeren, Marc Didden: “Voor mij, die sedert 61 jaar in het centrum van Brussel woon, valt de identiteit van een mens niet samen met de taal die hij spreekt. Ik heb meer te maken met de Pakistaanse nachtwinkelier om de hoek dan met een veeboer uit de Westhoek. Ik wil vooral niet dat een taal mensen verdeelt.”
Maar niet alleen Brussel stelt een groot taalprobleem voor de N-VA. Bij de 19 Brusselse gemeenten komen nog 6 “faciliteitengemeenten”. In die gemeenten was er vroeger een Franstalige minderheid die een aantal rechten kreeg. Maar nu zijn in die ‘Vlaamse’ gemeenten de Franstaligen in de meerderheid. En ook in de 19 zelf neemt het aantal Franstaligen almaar toe. Volgens een onderzoek van Kind en Gezin wordt in 8 Brusselse gemeenten nog in minder dan de helft van de gezinnen met jonge kinderen Nederlands gesproken. Hoe gaat de N-VA deze Franstalige meerderheid inlijven ? Hoe kan je deze meertalige gemeenschap die socio-economisch een entiteit is scheiden ? Er zijn in Brussel nu al allerlei overlegorganen opgericht om de regeltjes die elke gemeenschap uitdoktert weer wat op elkaar af te stemmen. Er is zelfs een ‘gemeenschappelijke gemeenschapscommissie’ ! Nergens in de wereld is er een stad waar de inwoners op basis van een taal een verschillend regime inzake kinderbijslag, belastingsaanslag, loon,… hebben. De N-VA heeft totaal geen plan hoe ze dat voor elkaar zouden kunnen krijgen want het is een onmogelijke klus. Dus moeten ze proberen de Brusselaars om te kopen in de hoop Brussel te kunnen inlijven. Daar zal echter veel meer voor nodig zijn dan wat extra kinderbijslag.

De kat en haar jongen

België heeft nu dankzij het taalextremisme in Vlaanderen en Wallonië: 50 ministers en staatsecretarissen, 534 volksvertegenwoordigers en senatoren. We hebben de kabinetten en administratie die voor alle ministeries op nationaal vlak bestonden nog eens extra opgericht op Vlaams, Waals, Brussels en Duits niveau. In Japan kwamen ooit vijf verschillende economische missies tegelijk aan om België en een of ander gewest te promoten. België heeft in zowat alle landen een ambassade. Wallonië en Vlaanderen doen hun best om overal ook nog eens een Vlaams of Waals huis neer te poten. (Het Vlaams Huis in New York heeft al een fiks corruptieschandaal gehad: goed bestuur ?) In Brussel heb je op twee kilometer afstand verschillende geluidsnormen voor nachtvluchten; de chauffeurs van De Lijn kunnen in Brussel de stoplichten niet op groen laten springen omdat ze zijn uitgerust met een ander systeem dan de Brusselse MIVB. Als we het verkeersbeleid ook gaan splitsen dan zal je op de autoweg Luik- Brussel vijf keer met een andere wegcode te maken hebben want om de vijf kilometer rijd je dan in een ander gewest.

Een andere cultuur

Door de electorale opsplitsing van het land zijn Vlaanderen en Wallonië inderdaad steeds meer van elkaar vervreemd. Eric Corijn, een Brusselse professor sociologie, zegt daar interessante zaken over:
“Er zijn wel degelijk “twee democratieën”, twee publieke opinies en dat komt door de media. Laat ik beginnen met een opmerkelijk stijlverschil in de media van noord en zuid. Er is een duidelijk verschil in de omgang met de politiek. De Vlaamse journalistiek is ontvoogd uit de zuilen en de partijdige berichtgeving, maar is intussen wel volledig opgegaan in een vermarkte, dus commerciële en ook zeer competitieve benadering. Journalistieke deontologie is vooral die van de kijkcijfers, het marktaandeel en de klantenbinding. Daarin is de politiek en het maatschappelijke een vreemd lichaam dat inderdaad met de nodige afstand maar ook met ironie en veel sarcasme moet worden benaderd. Onafhankelijke journalistiek is dan ook dikwijls cynisch, respectloos, onbeleefd en brutaal. De vele soorten “watchers” die nu tot de sterjournalistiek behoren permitteren zich een denigrerende stijl en persoonlijke opmerkingen die niets meer te maken hebben met professionele duiding. Commentaar is echt wel “commentaar” en geenszins “analyse”. In het zuiden blijven de politieke duiding en debatten traditioneler, blijven de politiek en de politici meer aan zet. De politieke controle is er misschien nog iets groter, maar het wederzijds respect in het politiek-mediatiek complex is meer voelbaar. De toonzetting is dus sterk anders. In Vlaanderen zijn de media, of beter vele aspecten van de media, deel van een antipolitieke stemmingmakerij. De formats zijn die van spelprogramma’s. Interviews worden snel quizzen. En van zodra een politicus het wat minder doet wordt hem gevraagd wanneer hij er mee ophoudt, wanneer hij “een stap opzij” zal zetten of “de eer aan zichzelf” zal houden, want zo heet dat dan. Het zou goed zijn die dominante stijlverschillen eens onder de loep te nemen en dat mee te nemen als variabele in de verklaring van de grotere stabiliteit van het electoraat in het zuiden, versus een zeer volatiel electoraat in het noorden. Politiek is een serieuze zaak in het zuiden, het is een spel in het noorden. De antipolitiek en het populisme scoren dan ook hoger in het noorden.”

Transfert

Er zijn toch die transferten tussen Noord en Zuid ? Blijft er dus toch niet meer geld in Vlaanderen als we van dat arme Wallonië verlost zijn?


Momenteel zijn er nog transferten van Vlaanderen naar Wallonië in de fiscale sector van 5 miljard Euro omdat in Wallonië de lonen 8% lager zijn en er meer werklozen zijn. In de sociale zekerheid gaat nog 790 miljoen euro van Vlaanderen naar Wallonië. Maar de transferten dalen nu jaar na jaar. Opmerkingen daarbij :

• Er zijn in elk land transferten tussen verschillende regio’s en in België zijn die nog klein in vergelijking met andere landen. Een Europese studie van 2003 berekende dat de Britse regio South East 12,6% van haar inkomen afstaat aan armere regio’s; de Zweedse regio Skane draagt 9,7 % af, Baden-Wurttemberg en Beieren dragen 10 % af. En Vlaanderen… 3,6% .

• De economische ontwikkeling verloopt in verschillende regio’s altijd verschillend : de regio die vandaag ontvangt zal morgen geven. Tot de jaren 60 van de vorige eeuw lag het economisch zwaartepunt van België in Wallonië. Tot 1966 lag het gemiddelde loon in Wallonië hoger dan in Vlaanderen. De uitbreiding van de haven van Antwerpen en de hele infrastructuur van Vlaanderen waardoor de Vlaamse regio vanaf de jaren 60 een groeipool werd, werd in grote mate gefinancierd met de opbrengsten uit Wallonië. In 1949 bedroeg de werkloosheid in Vlaanderen 19% en in Wallonië 5%. Vanaf de jaren 60 wordt Wallonië geconfronteerd met hetgeen ook andere Europese industriebekkens overkomt: het Britse Wales, het Franse Lotharingen, het Duitse Ruhrgebied, …Gisteren was Wallonië aan de beurt, vandaag Vlaanderen, de automobielsector, goed voor 40% van de export van het Vlaamse gewest zal verdwijnen (tenzij de Chinezen die sector gaan redden), Janssen Pharmaceutica, de Vlaamse kroon inzake innoverende farmacie, schrapt hooggekwalificeerde jobs die verhuizen naar het Oosten. Intussen investeren Google en andere nieuwkomers in… Wallonië waar de lonen en de industrieterreinen goedkoper zijn.

• Binnen elke gemeenschap zijn er ook transferten en die zijn vaak groter dan tussen Vlaanderen en Wallonië. Limburg heeft in de jaren 60, 70, 80 met zijn verlieslatende koolmijnen heel veel geld ontvangen. Trek de logica van Bart De Wever & co door dan zou Limburg nu nog een provincie van heikneuters zijn vanwege geen financiële solidariteit van de rijkere provincies. Op dit ogenblik krijgen ondermeer de arrondissementen Maaseik, Hasselt en Tongeren nog steeds meer terug dan wat ze in de staatskas storten.

• Er zijn nu al transferten van Wallonië naar Vlaanderen. Sinds 2002 is er voor de pensioenen en de gezondheidszorg een groeiende transfert van Wallonië naar Vlaanderen omdat Vlaanderen sneller vergrijst en omdat meer mensen op brugpensioen gaan. In Wallonië zijn (laaggeschoolde jongeren) werkloos, in Vlaanderen gaan (uitgebluste) vijftigers op vervroegd pensioen of gedwongen op brugpensioen.

• Het verhaal van een andere zorgcultuur tussen de gemeenschappen klopt niet. Studies van de Christelijke Mutualiteit bij haar leden tonen aan dat de verschillen binnen elk gewest veel groter zijn dan tussen de gewesten. Zo blijkt uit een studie van 2005 dat een CM-lid van Oostende 1239 Euro uitgaf en een lid uit Turnhout 998 Euro. Een lid uit Nijvel, in Wallonië, gaf 960 Euro uit. De verschillen tussen de gewesten zijn veel kleiner: in 2003 gaf een Vlaming 5,8 euro minder uit dan het Belgisch gemiddelde (- 0,37 %) en een Waal gaf 8,9 euro meer uit dan het Belgisch gemiddelde (+ 0,54 %). Door de snellere vergrijzing in Vlaanderen komen die cijfers elk jaar dichter bij elkaar.
• En tot slot de allerbelangrijkste opmerking, een feit waarover geen enkele nationalistische partij praat. De transferten tussen de Belgische miljonairs en de loon- en weddetrekkenden zijn vele malen groter dan de transferten tussen Vlaanderen en Wallonië. Eind juni kwam De Tijd op de proppen met een dossier dat een vijftiental grote families ongeveer een kwart van alle dividenden opstrijken van de Belgische beursgenoteerde bedrijven. Dit komt neer op 1,1 miljard euro. Tussen 1980 en 2006 daalde het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen van 59 naar 51 procent ( die 8% ging naar inkomen uit vermogen) Als het aandeel van de lonen vandaag nog 59 procent zou bedragen, dan zou de loonmassa 25 miljard Euro groter zijn. Omgerekend per werknemersgezin gaat dat jaarlijks om 6000 Euro! Paul Goossens noemde dat de grootste en meest schandalige sociale hold up uit onze geschiedenis. De gevolgen van die groeiende kloof tussen rijk en arm worden steeds groter. De nationale gezondheidsenquête 2008 toont aan dat in 1997 8% van de Belgen noodzakelijke medische zorgen uitstelde vanwege financiële problemen. In 2004 was hun aantal toegenomen tot 10 % en in 2008 tot 14 procent. Bijna een verdubbeling op 11 jaar tijd ! Bovendien geeft nog eens 35% aan dat ze moeite hebben om de medische uitgaven in te passen in het gezinsbudget en dit onderzoek dateert nog van voor het uitbreken van de financiële crisis die vele 10.000 –en werkloos maakte…

Alle belangrijke maatschappelijke problemen zijn grensoverschrijdend: terugplooien op ‘eigen volk’ is kortzichtig en contra productief. Op korte termijn kan het aantrekkelijk lijken om een sociale zekerheid te hebben die alleen gefinancierd wordt door wat nu nog het rijkste regio is van het land. Maar de economische ontwikkelingen staan niet stil. Morgen is Wallonië allicht een tijdje weer rijker. Bart De Wever verwijst graag naar de gemeentelijke fiscaliteit om te bewijzen dat een Vlaams fiscaal beleid haalbaar is. Wel die gemeentelijke fiscaliteit toont heel goed aan wat het opheffen van een brede solidariteit met zich mee brengt. In de rijkste gemeenten zijn de gemeentelijke fiscale lasten heel laag (cfr Knokke) en in de armste gemeenten zijn de fiscale lasten veel hoger.

Vlaanderen een neoliberaal paradijsje

Wie wil weten wat de N-VA in een onafhankelijk Vlaanderen wil realiseren, moet het socio-economisch programma van Voka lezen. De Wever draait er geen doekjes om: “Voka is mijn baas” (De Standaard 09/10/2010). De kern van de socio-economische visie van N-VA (en LDD en VB) is: wat goed is voor de bedrijven, is goed voor Vlaanderen. In De Zevende Dag (3 oktober 2010) mocht N-VA-Kamerlid Sarah Smeyers het Nederlandse regeerakkoord roemen: “Als ik dat regeerakkoord lees, ben ik jaloers dat ze in Nederland kunnen realiseren wat in België zonder staatshervorming nooit kan”, aldus Smeyers. We weten dus wat ons te wachten staat. Of zoals Bart De Wever zei in een interview met De Standaard “Als ik via een regionalisering van het arbeidsmarktbeleid de wachtuitkeringen kan afschaffen of de werkloosheidsvergoedingen degressief kan maken, dan kan ik iets verdedigen.” Nog een kwestie die de N-VA met hand en tand verdedigt is de notionele aftrek en ze willen nog veel verder gaan met fiscale voordelen voor bedrijven. Het loopt nochtans echt de spuigaten uit : Neem de nv ArcelorMittal Finance and Services Belgium (AMFSB, bedrijfsnummer 0429.496.204) in 2009 moest de nv maar 496 euro belastingen betalen. Ze maakte dat jaar nochtans een winst 1.288.708.054 euro. Dat komt neer op een aanslagvoet van… 0,000038% of 90.000 keer minder dan de officiële belastingvoet voor bedrijven, die 33,99% bedraagt. Deze cijfers – die werden opgespoord en bekendgemaakt door Marco Van Hees, fiscaal specialist van de PVDA – tonen nog maar eens aan hoe schandalig het systeem van de notionele intresten wel is. Slechts 25 ondernemingen – vooral banken en vroegere coördinatiecentra van grote multinationals – vangen in totaal ruim een derde van het manna van de notionele intresten. “De notionele-intrestaftrek van AMFSB bedroeg vorig jaar 1.288.806.525 euro, wellicht het grootste bedrag ooit door een onderneming afgetrokken sinds de invoering van de gunstmaatregel,” aldus Marco Van Hees. “De fiscale winst voor de onderneming is 1.288.806.525 x 33,99 % (de normale belastingvoet), dus 438 miljoen euro”. Om u een idee te geven van de omvang van dat bedrag, het is bijna evenveel als de 500 miljoen euro voor de herfinanciering van Brussel die op tafel ligt bij de regeringsonderhandelingen. Bovendien bevordert de maatregel van de notionele aftrek de werkgelegenheid helemaal niet. Het sociaalverslag 2009 van ArcelorMittal Belgium vermeldt
dat het bedrijf dat jaar 854 jobs schrapte, 11% van het totaal ! Heeft de N-VA, het VB, LDD met één woord deze zaak aangeklaagd ? No way ! Ze willen nog veel meer cadeaus voor de bedrijven. Maar 500 miljoen voor Brussel? Dat kan voor deze taalextremisten niet.

Een onafhankelijk Vlaanderen zal armer zijn, want het zal het zonder de Brusselse regio moeten stellen. Het zal de rijkste mensen minder belasten waardoor de overheid minder middelen heeft voor gehandicapten, bejaarden, gezondheidszorg, onderwijs, … De hele zorgsector, inclusief de gezondheidszorg, zal overigens op het spoor van de privatisering worden gezet: wie geld heeft zal zich goede kwaliteit kunnen veroorloven. We zullen langer moeten werken, voor een lager loon. De macht van de vakbonden zal gebroken worden zodat de werknemers minder weerwerk kunnen bieden.

Vlaams-nationalisten geloven dat een zelfstandig Vlaanderen het economisch beter zal doen. Ze vonden hiervoor steun in het werk The size of nations van Alberto Alesina en Enrico Spolaore. Deze twee Amerikaanse economen beweerden een achttal jaren geleden dat kleine, homogene naties in de geglobaliseerde wereldeconomie steeds meer in het voordeel zouden zijn in vergelijking met grotere, meer heterogene landen. Hun theorie zagen ze bevestigd in de groeicijfers van kleine landen als IJsland, Ierland en de drie kleine Baltische staten. Verschillende Vlaams-nationale instanties, de N-VA (Bourgeois, De Wever), het Vlaams Belang (De Winter) en de Vlaamse Volksbeweging verwijzen geregeld naar die auteurs. Deze theorie is echter, sinds de laatste financiële crisis, volledig weerlegd door de feiten. De kleine landen die als voorbeeld moesten gelden zijn zonder uitzondering vanaf het uitbreken van de financiële crisis in de hoek terecht gekomen waar de hardste klappen vallen.

Wie wil weten wat een onafhankelijk Vlaanderen in petto heeft, moet kijken naar de VSA waar het programma van N-VA sinds Reagan wordt toegepast. De kwaliteit van het openbaar onderwijs is volledig in elkaar gestuikt, enkel in (heel dure) privéscholen vind je kwaliteit. Idem voor de gezondheidszorg, alleen wie de heel dure hospitalisatieverzekering kan betalen, kan rekenen op goede zorgen en als je je werk kwijt bent, ben je in een klap ook je zorgverzekering kwijt. De kloof tussen rijk en arm is voorbije decennia spectaculair gestegen en zelfs miljoenen Amerikanen met een job zitten toch onder de armoedegrens en een aantal van hen zijn zelfs dakloos omdat de lonen zo laag zijn. 30% van de bevolking zit er nu onder de armoedegrens en hun levensverwachting is lager dan de gemiddelde levensverwachting in Bangladesh. Meer dan 2 miljoen mensen zitten in de gevangenis waarmee de VS in verhouding tot zijn bevolking het wereldrecord gevangenen heeft. Privé-bewakingsdiensten hebben meer manschappen dan de politie zodat de rijken voor een goede beveiliging kunnen zorgen, een Amerikaan neemt gemiddeld maar twee weken vakantie per jaar. Dat is het goed bestuur dat de N-VA voor Vlaanderen wil.

Een greep uit het N-VA programma (het socio-economisch programma van het Vlaams blok en LDD heeft dezelfde krachtlijnen en ook De Croo wil de Open VLD, dat al in die richting zit nog verder naar de extreem liberale richting sturen):

Werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperken en lager maken (door de uitkering op dezelfde wijze als lonen te belasten)

Afschaffing van brugpensioen en alle andere manieren om vervroegd uit te treden.

Een sterkere invloed van de effectief gewerkte periodes voor de pensioenberekening (ziekte, tijdskrediet, zwangerschapsverlof… dus niet meer meerekenen)

Geen loonsverhogingen: nochtans zijn, voor een alsmaar aangroeiende groep, de lonen nu al te laag om menswaardig te leven. In 2008 (de laatste cijfers dateren dus van voor het uitbreken van de crisis!) had 24,6 procent van de armen tussen 18 en 65 een job. Dat is in twee jaar tijd een stijging met 4 procent. In absolute cijfers gaat het hier toch om een stijging van ongeveer 180.000 tot 220.000 personen. De details vindt u op www.armoedebestrijding.be.

Afschaffing van de leeftijdsgebonden loonsverhoging want wie ouder is, is minder productief

Loonvorming per bedrijf op basis van de bedrijfsresultaten en de individuele prestaties

De ‘macht’ van de vakbonden inperken (zodat werknemers minder weerwerk kunnen bieden)

‘Eigen volk eerst’ , ‘goed bestuur’, ‘gezond verstand’ zijn slogans met veel succes. Ze verzwijgen wat de echte agenda is: rijk volk eerst.

Rob Van Vlierden 13/10/2010

October 15, 2010 at 9:45 pm 8 comments


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,731 other followers